Aanschrijving nr. 3 dd. 30.01.1976
AANSCHRIJVING 76/003
Aanschrijving nr. 3 dd. 30.01.1976
Boekhouding
Jaarrekening
Uitgaand factuurboek
Thesaurieboek
Dagboek van ontvangsten
Kleine onderneming
Begrip kleine onderneming
Begrip middelgrote onderneming
Begrip grote onderneming
Bewaring
1. In het Belgisch Staatsblad werden bekendgemaakt respectievelijk op 4 september 1975 en 30 december 1975 de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen, en het koninklijk besluit van 23 december 1975 genomen tot uitvoering van deze wet. Hierna vindt men de tekst van deze wet en van dat koninklijk besluit, die op 1 januari 1976 in werking zijn getreden (onder voorbehoud van enkele bepalingen van de wet die sinds 4 oktober 1975 toepasselijk zijn).
EERSTE HOOFDSTUK. INHOUD VAN DE WET.
Doel van de wet.
2. De wet heeft hoofdzakelijk tot doel de verplichtingen van de ondernemingen te bepalen betreffende de boekhouding en de jaarrekeningen. Zij vervangt inzonderheid de artikelen 16 tot 24 van Titel III van Boek I van het Wetboek van Koophandel, met betrekking tot de handelsboeken.
Bedoelde ondernemingen.
3. De wet is van toepassing op de natuurlijke personen die handelaar zijn, op de handelsvennootschappen en de vennootschappen met handelsvorm en op de openbare instellingen waarvan de verbintenissen door de wet als handelsverbintenissen worden aangemerkt (art. 1, eerste lid). Gezien er geen volstrekte overeenstemming is tussen het begrip BTW-belastingplichtige en de begrippen handelaar, handelsvennootschap en vennootschap met handelsvorm, kan de wet enerzijds van toepassing zijn op ondernemingen die de hoedanigheid van belastingplichtige niet hebben (verzekeringsmaatschappijen, ...) en anderzijds niet van toepassing zijn op bepaalde belastingplichtigen (landbouwondernemers, bepaalde beoefenaars van vrije beroepen, ...).
4. De natuurlijke personen die hun woonplaats niet in België hebben en de rechtspersonen naar buitenlands recht zijn aan de wet slechts onderworpen voor de filialen en bedrijfszetels welke zij in België hebben gevestigd (art. 1, 2de lid). De wet bepaalt inzonderheid dat de boeken, rekeningen en verantwoordingsstukken met betrekking tot die zetels en filialen in België moeten gehouden en bewaard worden.
Drie categorieën van ondernemingen.
5. De omvang van de verplichtingen van de ondernemingen verschilt naargelang van de omvang en de juridische vorm ervan. In feite stelt de wet drie categorieën van ondernemingen in die men zou kunnen noemen : de kleine ondernemingen, de middelgrote ondernemingen en de grote ondernemingen.
De kleine ondernemingen zijn de natuurlijke personen, de vennootschappen onder gemeenschappelijke naam en de vennootschappen bij wijze van eenvoudige geldschieting, waarvan de jaaromzet exclusief de belasting over de toegevoegde waarde 10.000.000 frank niet overschrijdt (art. 5 van de wet en kon. besl. van 23 december 1975). Artikel 16 van de wet sluit evenwel de toepassing van artikel 5 en bijgevolg het begrip "kleine onderneming" uit, voor de ondernemingen van sommige sectoren (kredietinstellingen, banken, spaarkassen, verzekeringsmaatschappijen, vennootschappen voor hypothecair krediet of kapitalisatie, wisselagenten).
De middelgrote ondernemingen zijn die welke tegelijk aan de drie volgende voorwaarden voldoen : zij hebben niet meer dan 50 werknemers in dienst, hun jaaromzet, exclusief BTW, is niet hoger dan 50.000.000 frank en het totaal van hun balans is niet hoger dan 25.000.000 frank (art. 12). Artikel 16 van de wet sluit eveneens uit het begrip "middelgrote onderneming", de ondernemingen van bepaalde sectoren (z. voorgaand lid in fine).
De grote ondernemingen zijn de overige.
6. Op te merken valt dat het plafond van de omzet vastgesteld voor de kleine ondernemingen overeenstemt met datgene dat inzake BTW, eveneens vanaf 1 januari 1976, van toepassing is voor de ontheffing van een gedetailleerde boekhouding, voor de regeling van de kwartaalaangifte en voor de forfaitaire regeling (z. kon. besl. van 3 november 1975 (2); aanschr. 26/ 1975); daarentegen beschouwt de wet nooit als kleine ondernemingen de andere vennootschappen dan deze onder gemeenschappelijke naam of bij wijze van eenvoudige geldschieting.
(2) Z. Revue nr. 24, blz. 8.
Inhoud van de boekhouding.
7. Artikel 3 van de wet bepaalt de verrichtingen en de gegevens die de boekhouding moet bevatten. Het preciseert inzonderheid dat de boekhouding van natuurlijke personen enkel de gegevens moet bevatten die betrekking hebben op hun handelsactiviteit.
Verplichtingen van de grote en middelgrote ondernemingen.
8. Luidens artikel 4 van de wet moet de boekhouding worden gevoerd aan de hand van een stel boeken en rekeningen overeenkomstig de gebruikelijke regelen van de dubbele boekhouding. De verrichtingen worden ingeschreven hetzij in één enkel dagboek, hetzij in een stel speciale hulpdagboeken met periodieke centralisatie (tenminste eens per kwartaal) in één centralisatieboek. De rekeningen moeten worden omschreven in een boekhoudkundig plan dat aan de activiteit van de onderneming aangepast is.
9. Artikel 7 van de wet heeft betrekking op de inventaris en de jaarrekeningen. Het bepaalt inzonderheid dat die stukken moeten overgeschreven of samengevat worden in een bijzonder boek.
10. Het verschil tussen het statuut van de grote ondernemingen (z. nr. 5, 4de lid) en dat van de middelgrote ondernemingen (z. nr. 5, 3de lid) bestaat hierin dat enkel ten aanzien van de grote ondernemingen aan de Koning de macht wordt verleend om bepaalde normalisatiemaatregelen te nemen (inhoud en indeling van een als minimum geldend boekhoudkundig plan, inhoud en werking van de rekeningen, maatstaven voor de inventarisraming, vorm en inhoud van de jaarrekeningen, van de balansen en winst- en verliesrekeningen en van de bijlage van deze laatste, ...). Totnogtoe werd nog geen enkele uitvoeringsmaatregel ter zake genomen.
Verplichtingen van de kleine ondernemingen.
11. Overeenkomstig artikel 5 van de wet hoeven de kleine ondernemingen (z. nr. 5, 2de lid) de boekhouding omschreven in artikel 8 niet te voeren, op voorwaarde dat zij tenminste drie speciale dagboeken houden : een thesaurieboek, een aankoopboek en een verkoopboek, boeken waarvan het genoemd artikel 5 de inhoud nader bepaalt. Bij vergelijking met de verplichtingen die de BTW-reglementering aan de kleine ondernemingen oplegt (z. art. 12 en 13 van het kon. besl. nr. 1, van 23 juli 1969), kan men vaststellen dat het aankoopboek en het verkoopboek respectievelijk overeenstemmen met het boek voor inkomende facturen en het boek voor uitgaande facturen, onder dit voorbehoud dat ten rande van de inschrijvingen, het bedrag, de wijze en de datum van de betalingen moeten worden aangetekend. Het thesaurieboek gaat duidelijk verder dan het dagboek van ontvangsten bedoeld bij artikel 12, eerste lid, 3, van het koninklijk besluit nr. 1; inderdaad het omvat niet alleen de ontvangsten voortspruitende uit leveringen van goederen en dienstprestaties verricht zonder uitreiking van een factuur, maar al de ontvangsten zonder onderscheid, en bovendien moeten er ook worden in opgenomen, al de uitgaven, de geldopnemingen evenals de dagelijkse saldi van de beschikbare middelen.
12. De wet houdt geen ontheffing in, ten bate van de kleine ondernemingen, van de verplichting een inventaris te houden; deze ondernemingen zijn bijgevolg eveneens onderworpen aan die verplichting en moeten een inventarisboek houden (z. nr. 9).
Verantwoordingsstukken.
13. Artikel 6 van de wet bepaalt dat elke boeking moet geschieden aan de hand van een gedagtekend verantwoordingsstuk en dat ze een referte moet dragen naar dat stuk. De verantwoordingsstukken moeten methodisch geklasseerd worden.
14. De verkoopverrichtingen en dienstverleningen in het klein waarvoor geen factuur is vereist mogen per dag globaal worden ingeschreven (art. 6, 2de lid). Alhoewel de wet aan de Koning de macht geeft om de voorwaarden te bepalen waarvan de verantwoordingsstukken van de bovenbedoelde dagelijkse inschrijvingen moeten voldoen, werd totnogtoe geen enkele uitvoeringsmaatregel genomen.
Formaliteiten inzake nummering, parafering en visum.
15. Artikel 8 van de wet bepaalt dat de volgende boeken moeten worden per blad genummerd, geparafeerd en geviseerd door een griffier van de rechtbank van koophandel, door de burgemeester, door een schepen of door een daartoe gemachtigd gemeenteambtenaar : het enige dagboek of het enige centralisatieboek (z. nr. 8), de drie dagboeken voorgeschreven aan de kleine ondernemingen (z. nr. 11, eerste lid), het inventarisboek (z. nr. 9), alsook de hulpdagboeken (z. nr. 8) wanneer de centralisatie niet per maand geschiedt (z. art. 4, 3de lid, van de wet). Er werd nog geen enkele toepassing gemaakt van artikel 8, § 3, van de wet, met betrekking tot de wijziging of tot de vervanging van de formaliteiten inzake nummering, parafering en visum.
Bewaren van de boeken en stukken.
16. De boeken moeten worden bewaard gedurende tien jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar dat op het afsluiten ervan volgt (art. 9, § 2, van de wet). De verantwoordingsstukken moeten worden bewaard gedurende tien jaar en de stukken die niet als bewijs tegen derden hoeven te dienen, gedurende drie jaar (art. 6, 4de lid).
Strafrechtelijke sancties.
17. Artikel 17 van de wet voorziet in gevangenisstraffen en/of een geldboete voor de overtredingen van sommige van haar bepalingen. Ten aanzien van de kleine ondernemingen bedoeld bij artikel 5 van de wet zijn die sancties enkel in geval van faillissement van toepassing.
HOOFDSTUK II.- GEVOLGEN OP HET VLAK VAN DE BTW.
Algemene overwegingen.
18. Het is niet noodzakelijk dat een boekhouding, om op fiscaal gebied te voldoen, nauwkeurig zou beantwoorden aan de voorschriften van de handelswet en aan de vereisten van de boekhoudtechniek. Een boekhouding wordt aanvaard wanneer de boeken gebaseerd zijn op verantwoordingsstukken en wanneer het geheel mag worden aangemerkt als voldoende controleerbaar, oprecht en juist om met nauwkeurigheid de omzet en de belastbare winst te bepalen. Bijgevolg houden de controlediensten geen rekening met zuivere vormgebreken (b.v. afwezigheid van de formaliteiten van parafering en van visum) om de boekhouding te verwerpen, wanneer die gebreken geen invloed kunnen hebben op het vaststellen van de omzet en van de winst.
Boekhoudkundige verplichtingen van de grote en middelgrote ondernemingen.
19. De belastingplichtigen die, bij toepassing van de nieuwe wetgeving, onder de grote of middelgrote ondernemingen vallen, moeten hun boekhouding zodanig inrichten, dat deze beantwoordt aan het bepaalde in artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 1 en inzonderheid voldoende gedetailleerd is om de heffing van de belasting en de controle op de juiste heffing mogelijk te maken; dit onderstelt onder andere dat de inschrijvingen zo worden uitgesplitst dat ze de bedragen vermelden welke in de periodieke BTW-aangiften moeten worden opgenomen.
Toestand van de kleine ondernemingen.
Bijzondere regelingen.
20. Het inwerkingtreden van de wet van 17 juli 1975 wijzigt geenszins de in artikel 56 van het BTW-Wetboek bedoelde bijzondere regelingen van het forfait en de egalisatiebelasting. De aan deze regelingen onderworpen ondernemingen blijven ontheven van de verplichting het bij artikel 12, eerste lid, 3, van het koninklijk besluit nr. 1 bedoelde dagboek van ontvangsten te houden (z. art. 13 van dat besluit). Anderzijds wordt het houden van een inventaris niet geëist als voorwaarde voor de toepassing van deze regelingen.
Houden van factuurboeken en van het dagboek van ontvangsten.
21. Het boek voor inkomende facturen, het boek voor uitgaande facturen en, eventueel, het dagboek van ontvangsten, bedoeld bij de BTW-reglementering, mogen worden gecombineerd met respectievelijk het aankoopboek, het verkoopboek en het thesaurieboek, bedoeld bij de wet (z. nr. 11). Wat de factuurboeken betreft zal het in de meeste gevallen volstaan een kolom eraan toe te voegen die nodig is voor de inschrijving van de datum, de wijze en het bedrag van de betalingen (z. art. 5 van de wet). Welteverstaan moet het aankoopfactuurboek van de aan het forfait onderworpen belastingplichtingen in overeenstemming zijn met het voor de betrokken bedrijfssector opgelegd model. Er wordt aan herinnerd dat, voor bepaalde goederen, in het dagboek van ontvangsten voorgeschreven inzake BTW, het detail van de verrichtingen moet worden aangetekend en niet slechts één globale inschrijving per dag (z. art. 12, 4de lid, van het kon. besl. nr. 1).
22. Ten aanzien van de vorm van de door de BTW-reglementering voorgeschreven boeken voor inkomende facturen en voor uitgaande facturen, zal de administratie blijven aanvaarden dat deze worden gehouden op losse bladen, overeenkomstig punt I van de aanschrijving nr. 81/1970 (3).
(3) Z. Revue nr. 1, blz. 34.
Bewaring van de boeken en stukken.
23. Alhoewel artikel 6 van de wet bepaalt dat bepaalde verantwoordingsstukken slechts gedurende drie jaar dienen te worden bewaard, moet deze tekst worden gecombineerd met artikel 60 van het BTW-Wetboek. Welnu, uit dat laatste artikel blijkt dat de boeken en stukken waarvan het houden, het opmaken of het uitreiken voorgeschreven zijn door de BTW-reglementering. alsmede, voor belastingplichtigen, de handelsboeken en boekingsstukken. de bestelbons, de verzendingsstukken en de contracten betreffende hun beroepswerkzaamheid, moeten worden bewaard gedurende vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari volgend op hun sluiting wat boeken betreft of op hun datum wat andere stukken betreft.
Eindopmerking.
24. De nieuwe wet wijzigt voor het overige niets aan de andere verplichtingen die de BTW-reglementering aan de belastingplichtigen oplegt (tabel van de bedrijfsmiddelen, register van de garagisten, maakloonregister, ...).
BIJLAGE
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 4 september 1975
MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN, MINISTERIE VAN FINANCIEN, MINISTERIE VAN JUSTITIE EN MINISTERIE VAN MIDDENSTAND
17 juli 1975
Wet met betrekking tot de boekhouding en jaarrekeningen van de ondernemingen (1)
(1) Zitting 1974-1975. Senaat. Parlementaire bescheiden - Wetsontwerp, nr.436-1. - Verslag, nr. 436-2. Ammendementen, nr. 436-3. Parlementaire handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 19 juni 1975. Kamer van Volksvertegenwoordigers. Gedrukte stukken. - Wetsontwerp, nr. 621-1. - Amendementen, nrs. 621-2 tot 621-3. - Verslag, nr. 621-4. - Amendementen, nr.621-5. Parlementaire handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 26 juni 1975.
BOUDEWIJN, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
HOOFDSTUK I
Boekhouding en jaarrekeningen van de ondernemingen
Artikel 1. Aan de bepalingen van dit hoofdstuk zijn onderworpen en in die bepalingen worden "ondernemingen" genoemd : de natuurlijke personen die handelaar zijn, de handelsvennootschappen en vennootschappen met handelsvorm en de openbare instellingen waarvan de verbintenissen door de wet als handelsverbintenissen worden beschouwd. De natuurlijke personen die hun woonplaats niet in België hebben en de rechtspersonen naar buitenlands recht zijn echter aan de bepalingen van dit hoofdstuk slechts onderworpen voor de succursalen en bedrijfszetels welke zij in België hebben gevestigd. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt het geheel van hun succursalen en bedrijfszetels in België als; een onderneming beschouwd. De boeken, rekeningen en verantwoordingsstukken met betrekking tot die succursalen en zetels worden in België gehouden en bewaard.
Art. 2. Elke onderneming moet een aan de aard en aan de omvang van haar activiteit aangepaste boekhouding voeren en daarbij de bijzondere bepalingen in acht nemen die daarvoor gelden.
Art. 3. De boekhouding van rechtspersonen moet al hun verrichtingen, tegoeden en rechten van enigerlei aard bevatten, evenals al hun schulden, verplichtingen en verbintenissen van enigerlei aard. De boekhouding van natuurlijke personen die handelaar zijn, moet dezelfde gegevens bevatten wanneer die op hun handelsactiviteit betrekking hebben : de boekhouding vermeldt afzonderlijk de eigen middelen welke aan die handelsactiviteit zijn besteed. Indien een onderneming van elkaar onderscheiden economische activiteiten uitoefent, moet voor elk van die activiteiten een afzonderlijk stel rekeningen worden gehouden. Voor de activiteiten die in tijdelijke handelsvereniging of in verenigingen in deelneming worden uitgeoefend, moet in de boekhouding van de zaakvoerder van de vereniging een afzonderlijk stel boeken en rekeningen worden gehouden.
Art. 4. Elke boekhouding wordt gevoerd aan de hand van een stel boeken en rekeningen overeenkomstig de gebruikelijke regelen van de dubbele boekhouding.
De verrichtingen worden zonder uitstel, getrouw en volledig en in volgorde van de datum, ingeschreven hetzij in één enkel dagboek, hetzij in een stel speciale hulpdagboeken; in het laatste geval worden alle in de speciale dagboeken opgenomen gegevens, met vermelding van de verschillende betrokken rekeningen, gecentraliseerd in één centralisatieboek. Het centraliseren geschiedt tenminste eens per maand : het geschiedt tenminste eens per kwartaal wanneer de speciale hulpdagboeken door de ondernemingen overeenkomstig artikel 8 aan de bevoegde overheden zijn voorgelegd om per blad genummerd, geparafeerd en geviseerd te worden. De in de boeken opgetekende gegevens worden stelselmatig in de rekeningen getransponeerd. De geopende rekeningen worden gepreciseerd in een boekhoudkundig plan dat aan de activiteit van de onderneming aangepast is. Dit boekhoudkundig plan wordt doorlopend zowel op de zetel van de onderneming als op de zetels van de belangrijke boekhoudingsdiensten van de onderneming ter beschikking gehouden van degenen die erbij betrokken zijn. De Koning bepaalt de inhoud en de indeling van een als minimum geldend genormaliseerd boekhoudkundig plan. Hij bepaalt wat de in het genormaliseerde plan opgenomen rekeningen moeten bevatten en hoe zij werken.
Art. 5. De handelaars die natuurlijke personen, vennootschappen onder gemeenschappelijke naam of vennootschappen bij wijze van eenvoudige geldschieting zijn, en wier omzetcijfer, buiten de belasting over de toegevoegde waarde voor het jongste boekjaar een bij koninklijk besluit bepaald bedrag niet overschrijdt, hoeven geen boekhouding volgens de voorschriften van de artikelen 3 en 4 te voeren. op voorwaarde dat zij zonder uitstel, getrouw en volledig, en in volgorde van de datums. tenminste drie speciale dagboeken houden op een zodanige wijze dat in bijzonderheden kunnen worden gevolgd:
1° in het eerste, de dagelijkse transacties en de dagelijkse saldi van de beschikbare middelen in contanten of op rekening met op de kant aantekening van het voorwerp van de verrichtingen en met speciale vermelding van de geldopnemingen die niet voor de behoeften van hun handel zijn verricht;
2° in het tweede, de aankoop- en invoerverrichtingen (4) en de ontvangen diensten, met op de kant aantekening van het bedrag, de wijze en de datum van de desbetreffende betalingen;
3° in het derde, de verkoop- en uitvoerverrichtingen (4) en de geleverde diensten, met op de kant aantekening van het bedrag, de wijze en de datum van de desbetreffende incasseringen, alsook de opnemingen in natura die niet voor de behoeften van hun handel zijn verricht.
(4) Z. errata gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 20 september 1975.
De opnemingen waarvan sprake in 1 en 3 en die niet ten behoeve van de handel zijn verricht, mogen dagelijks globaal worden vermeld.
Art. 6. Elke boeking geschiedt aan de hand van een gedagtekend verantwoordingsstuk, waarnaar het verwijst. Verkoopverrichtingen en dienstverleningen in het klein waarvoor geen factuur vereist is, mogen per dag globaal ingeschreven worden. De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan de verantwoordingsstukken voor de globale dagelijkse inschrijvingen bedoeld in het vorige lid, moeten voldoen. De originele verantwoordingsstukken of afschriften ervan moeten gedurende tien jaar bewaard en methodisch geklasseerd worden. Deze termijn wordt op drie jaar teruggebracht voor de stukken die niet als bewijs tegenover derden hoeven te dienen.
Art. 7. Elke onderneming doet tenminste eenmaal per jaar met goede trouw en voorzichtigheid, de opnemingen, verificaties, onderzoekingen en ramingen die nodig zijn om op de gekozen datum een volledige inventaris op te maken van haar tegoeden, van haar rechten van enigerlei aard, van haar schulden en verbintenissen van enigerlei aard met betrekking tot haar activiteit, alsook van de eigen middelen die daaraan zijn besteed. Deze inventaris volgt dezelfde indeling als het boekhoudkundig plan van de ondernemingen. Nadat de rekeningen in overeenstemming zijn gebracht met de gegevens van de inventaris, worden zij samengevat in een beschrijvende staat die de jaarrekeningen vormt. Die jaarrekeningen en de inventarisstukken tot staving ervan worden overgeschreven in een boek; de stukken die wegens hun omvang bezwaarlijk kunnen worden overgeschreven, worden in het boek samengevat en erbij gevoegd. De Koning kan maatstaven voor de inventarisraming alsook de vorm en de inhoud van de jaarrekeningen voorschrijven.
Art. 8. § 1. Het ene dagboek, het ene centralisatieboek of de drie dagboeken bedoeld in artikel 5, alsook het boek bedoeld in artikel 7, derde lid, worden in de gewone vorm en zonder kosten per blad genummerd, geparafeerd en geviseerd, hetzij door een griffier van de rechtbank van koophandel, hetzij door de burgemeester, een schepen of een daartoe gemachtigd gemeenteambtenaar. De paraaf mag worden vervangen door een stempel van de rechtbank of van het gemeentebestuur. De per blad genummerde boeken worden van een identificatieteken voorzien en vormen een doorlopende reeks. De processen-verbaal van nummering en visum vermelden het identificatieteken van het vorige boek dat tot dezelfde reeks behoort.
§ 2. De speciale hulpdagboeken bedoeld in artikel 4, tweede lid, worden in boekvorm, losbladig of op enig ander geschikt materiaal gehouden.
§ 3. De Koning kan de in § 1 voorgeschreven formaliteiten inzake nummering, parafering en visum ofwel wijzigen ofwel vervangen door andere maatregelen die de regelmatigheid, de volledigheid en de materiële continuïteit van de boeken waarborgen.
Art. 9. § 1. De boeken worden gehouden in de volgorde van de datums, zonder enig wit vak of enige leemte. In geval van verbetering moet de oorspronkelijke inschrijving leesbaar blijven.
§ 2. De ondernemingen moeten hun boeken bewaren gedurende tien jaar, te rekenen van de eerste januari van het jaar dat op het afsluiten ervan volgt. Van de boeken bedoeld in artikel 8, §1, moet het origineel, van de andere boeken moet het origineel of een afschrift bewaard worden.
Art. 10. De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van de balansen en winst- en verliesrekeningen die krachtens de wet moeten worden neergelegd of bekendgemaakt. Hij bepaalt ook de inhoud van de bijlage die zoals de balans en de winst- en verliesrekening neergelegd en bekendgemaakt moet worden.
Art. 11. De Koning kan:
1° de ondernemingen verplichten tot het opmaken en bekendmaken van geconsolideerde rekeningen, en regels stellen met betrekking tot die rekeningen;
2° de door hem op grond van artikel 4, zesde lid, van artikel 7, vierde lid, en van de artikelen 10 en 11, 1, vastgestelde regels naar gelang van de bedrijfstakken of economische sectoren aanpassen volgens hun eigen kenmerken.
Hij kan die regels ook aanpassen aan de grootte van de ondernemingen bepaald naar het aantal tewerkgestelde loontrekkenden, het omzetcijfer, exclusief BTW en het balanstotaal.
Art. 12. De besluiten genomen ter uitvoering van artikel 4, zesde lid, van artikel 7, vierde lid, en van de artikelen 10 en 11, 1, zijn niet van toepassing op de ondernemingen die jaarlijks gemiddeld niet meer dan 50 werknemers in dienst hebben, voor zover hun omzetcijfer, buiten de belasting over de toegevoegde waarde, voor het jongste boekjaar niet hoger is dan 50 miljoen frank en het totaal van hun balans bij het einde van het boekjaar niet hoger is dan 25 miljoen frank. De Koning kan de in het vorige lid vermelde cijfers wijzigen Die wijziging kan verschillen naar gelang van de inhoud van de in het vorige lid bedoelde besluiten, de rechtsvorm van de onderneming en de aard van haar economische activiteit.
Art. 13. De koninklijke besluiten ter uitvoering van deze wet worden getroffen na overleg in de Ministerraad.
De besluiten ter uitvoering van artikel 4, zesde lid, artikel 7, vierde lid, de artikelen 10 en 11, 1, en artikel 12, tweede lid, worden getroffen op advies van de Centrale Raad voor het bedrijfsleven.
Art. 14. De Koning stelt een commissie voor boekhoudkundige normen in; deze heeft tot taak:
1° de Regering en het Parlement op hun verzoek of op eigen initiatief van advies te dienen;
2° de leer van het boekhouden uit te werken en de beginselen van een regelmatige boekhouding te formuleren via adviezen en aanbevelingen.
Art. 15. De Minister van Economische Zaken kan in speciale gevallen en op het met redenen omkleed advies van de in artikel 14 vermelde commissie, toestaan dat wordt afgeweken van de regels vastgesteld op grond van artikel 4, zesde lid, van artikel 7, vierde lid, en van de artikelen 10 en 11. Deze bevoegdheid wordt op dezelfde wijze door de Minister van Middenstand uitgeoefend ten aanzien van de in artikel 12, eerste lid, bedoelde ondernemingen waarop die regels toepasselijk mochten worden gemaakt uit kracht van een koninklijk besluit, getroffen ter uitvoering van artikel 12, tweede lid. De commissie wordt in kennis gesteld van de beslissing van de Minister.
Art. 16. § 1. Artikel 5 en de artikelen 10 tot 15 van deze wet, evenals de besluiten getroffen ter uitvoering van artikel 4, zesde lid, en van artikel 7, vierde lid, zijn niet van toepassing op kredietinstellingen, waarvoor een bijzondere wet geldt op door die instellingen erkende kredietinstellingen, op banken, op private spaarkassen, op ondernemingen die onder hoofdstuk 1 van de wet van 10 juni 1964 en op ondernemingen die onder het koninklijk besluit nr. 64 van 10 november 1967 vallen.
§ 2. De artikelen 5 en 12 zijn niet van toepassing:
1° op de verzekeringsmaatschappijen, de vennootschappen voor hypothecair krediet en kapitalisatie;
2° op de wisselagenten.
Artikel 4, zesde lid, artikel 7, vierde lid, en de artikelen 10, 11, 2, en 15 zijn niet van toepassing op de verzekeringsondernemingen die door de Koning zijn toegelaten op grond van de wetgeving betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen .
Art. 17. Met gevangenisstraf van één maand tot één jaar en, met geldboete van vijftig frank tot tienduizend frank of met één van die straffen alleen worden gestraft de handelaars, natuurlijke personen en de beheerders, zaakvoerders, bestuurders of procuratiehouders van rechtspersonen die bewust de bepalingen van de artikelen 2 en 3, eerste en derde lid, van de artikelen 4 tot 9 of van de ter uitvoering van artikel 4, zesde lid, van artikel 7, vierde lid, en van de artikelen 10 en 11 genomen besluiten overtreden. De handelaars, natuurlijke personen, op wie artikel 5 van toepassing is en de bestuurders of procuratiehouders, de zaakvoerders van vennootschappen waarop datzelfde artikel 5 van toepassing is, worden evenwel slechts gestraft met de sancties waarin het vorige lid voorziet wegens miskenning van de bepalingen van artikel 5 en van die van de artikelen 6, 8 en 9, in zover zij betrekking hebben op de boeken, waarvan sprake is in artikel 5 (1) indien de onderneming failliet is verklaard.
(5) Bij artikel 53 van het wetsontwerp betreffende de economische herstelmaatregelen ( Parl. besch. Kamer van Volksvertegenwoordigers, zitting 1975-1976, nr. 738-1, van 12 december 1975) - ontwerp dat nog in behandeling is, heeft de regering voorgesteld om de woorden "van artikel 5 en van die van artikelen 6, 8 en 9, in zover zij betrekking hebben op de boeken waarvan sprake is in artikelen 5 " te vervangen door de woorden "van artikelen 5 en 7 en van artikelen 6, 8 en 9 in zover zij betrekking hebben op de boeken waarvan sprake is in artikelen 5 en 7."
Met de straffen waarin het eerste lid voorziet, worden gestraft zij die als commissaris, commissaris-revisor, revisor of onafhankelijk expert, rekeningen, jaarrekeningen, balansen en winst- en verliesrekeningen of geconsolideerde rekeningen van ondernemingen hebben geattesteerd of goedgekeurd wanneer de in het vorige lid (6) vermelde bepalingen niet worden nagekomen, hetzij ze zich daarvan bewust waren, hetzij ze niet hebben gedaan wat normaal nodig is om er zich van te vergewissen dat ze nagekomen werden.
(6) Er dient te worden gelezen "in het eerste lid" (Z. aanschr. van het Ministerie van Justitie, van 9 december 1975; Belgisch Staatsblad van 13 december 1975.)
De bepalingen van Boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de in dit artikel bepaalde misdrijven. De rechtspersonen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor het betalen van geldboeten waartoe hun beheerders, zaakvoerders, bestuurders, procuratiehouders of aangestelden krachtens dit artikel veroordeeld zijn.
HOOFDSTUK II
Wijziging van het Wetboek van Koophandel
Art. 18. De artikelen 20 tot 24 van Titel III van Boek I van het Wetboek van Koophandel worden gewijzigd als volgt:
Artikel 20. De regelmatig gehouden boekhouding kan door de rechter worden aangenomen als bewijs tussen handelaars wegens handelsdaden.
Artikel 21. Onverminderd bijzondere wetten kan het overleggen van de gehele boekhouding van een handelaar, gevormd door de boeken, registers en boekhoudkundige documenten, in rechte slechts bevolen worden in zaken van erfopvolging, gemeenschap, verdeling van vennootschap en in geval van faillissementen.
Artikel 22. De rechter kan in de loop van een geschil, ook ambtshalve, de gehele of gedeeltelijke openlegging van de boekhouding van een handelaar bevelen, ten einde daaruit te putten wat de betwisting aangaat.
Artikel 23. Wanneer de boekhouding waarvan de openlegging wordt aangeboden, verzocht of bevolen, zich op een plaats bevindt welke verwijderd is van de rechtbank waarbij de zaak aanhangig is, kunnen de rechters een rogatoire commissie aan de plaatselijke rechtbank van koophandel doen toekomen, of een vrederechter gelasten daarvan inzage te nemen, proces-verbaal op te stellen van de inhoud, en het te zenden aan de rechtbank waarbij de zaak aanhangig is.
Artikel 24. Bij weigering van openlegging van de boekhouding door de partij tegenover wie men aanbiedt er geloof aan te hechten, kan de rechter de eed opdragen aan de tegenpartij.
Art. 19. § 1. Artikel 65 van Titel V van Boek I van het Wetboek van Koophandel wordt vervangen door de volgende bepaling: "Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk I van de wet net betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen, tekenen de wisselagenten onmiddellijk in één of meer boeken of zakboekjes de verrichtingen aan die ze afsluiten en de orders die ze ontvangen."
§ 2. Artikel 66 van Titel V van Boek I van het Wetboek van Koophandel wordt opgeheven.
Art. 20. In artikel 441, 2, van het Wetboek van Koophandel worden woorden "De registers die tot nakoming van de artikelen 8 en 9 van het Wetboek van Koophandel zijn gehouden" vervangen door de woorden "De boeken voorgeschreven door hoofdstuk I van de wet met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen".
Art. 21. In artikel 574 van het Wetboek van Koophandel wordt het 6 opgeheven.
Art. 22. In artikel 577 van het Wetboek van Koophandel wordt de 1 vervangen door de volgende bepaling:
"1° Indien hij de in hoofdstuk I van de wet met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen bedoelde boeken of boekhoudkundige documenten geheel of gedeeltelijk heeft doen verdwijnen of indien hij de inhoud ervan bedrieglijk heeft weggenomen, uitgevaagd of vervalst".
HOOFDSTUK III
Diverse bepalingen en intrekkingsmaatregelen
Art. 23. Artikel 279/2, ingevoegd in het koninklijk besluit nr. 64 van 30 november 1939, houdende het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, door artikel 29 van de wet van 12 juli 1960, wordt aangevuld als volgt:
"5° De processen-verbaal van nummering en visum van de handelaarsboeken."
Art. 24. Opgeheven worden: 1° De artikelen 16 tot 19 van Titel III van Boek I van het Wetboek van Koophandel; 2° Artikel 2, § 4, vierde lid, van de wet betreffende de economische reglementering en de prijzen, gewijzigd door de wet van 30 juli 1971.
Art. 25. Deze wet wordt van kracht op de eerste januari die volgt op het begin van de tweede maand nadat zij in het "Belgisch Staatsblad" is bekendgemaakt. De artikelen 7, vierde lid, 10, 11, 2, 12 tot 18 en 23 worden echter van kracht één maand nadat deze wet in het "Belgisch Staatsblad" is bekendgemaakt.
Kondigen deze wet, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het "Belgisch Staatsblad" zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 17 juli 1975.
BOUDEWlJN
Van Koningswege :
De Minister van Economische Zaken, A. OLEFFE
De Minister van Financiën, W. DE CLERCQ
De Minister van Justitie, H. VANDERPOORTEN
De Minister van Middenstand, L. OLIVIER
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie, H. VANDERPOORTEN
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 30 december 1975
MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN, MINISTERIE VAN FINANCIEN, MINISTERIE VAN JUSTITIE EN MINISTERIE VAN MIDDENSTAND
23 december 1975. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen
BOUDEWIJN, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen, inzonderheid artikel 5;
Gelet op de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, inzonderheid artikel 3, eerste lid;
Gelet op de hoogdringendheid;
Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken, van Onze Minister van Financiën, van Onze Minister van Justitie en van Onze Minister van de Middenstand en op advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Het bedrag waarvan sprake in artikel 5 van de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen wordt bepaald op tien miljoen frank.
Bedroeg de duur van boekjaar echter minder of meer dan twaalf maanden, dan wordt dit bedrag bepaald op tien miljoen frank, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de noemer 12 is en de teller het aantal maanden van dat boekjaar, waarbij elke begonnen maand voor een gehele maand wordt geteld.
De in artikel 5 van voornoemde wet bedoelde handelaars, ingeschreven in het handelsregister overeenkomstig de door koninklijk besluit van 20 juli 1964 gecoördineerde wetten op het handelsregister, die hun activiteit beginnen nadat het onderhavige besluit van kracht is geworden, mogen hun boekhouding voeren overeenkomstig wat in genoemd artikel 5 is bepaald, voor zover uit te goeder trouw verrichte voorzieningen blijkt dat het omzetcijfer, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, na verloop van het eerste boekjaar niet hoger zal liggen dan het bedrag bepaald in het eerste lid van het onderhavige besluit, in voorkomend geval berekend zoals gezegd in het tweede lid.
Art. 2. Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Financiën, Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Middenstand zijn, elk wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 3. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1976.
Gegeven te Brussel, 23 december 1975.
BOUDEWIJN
Van Koningswege :
De Minister van Economische Zaken,
F. HERMAN
De Minister van Financiën,
W. DE CLERCQ
De Minister van Justitie,
H. VANDERPOORTEN
De Minister van Middenstand,
L. OLIVIER
Aanschrijving nr. 3 dd. 30.01.1976
Boekhouding
Jaarrekening
Uitgaand factuurboek
Thesaurieboek
Dagboek van ontvangsten
Kleine onderneming
Begrip kleine onderneming
Begrip middelgrote onderneming
Begrip grote onderneming
Bewaring
1. In het Belgisch Staatsblad werden bekendgemaakt respectievelijk op 4 september 1975 en 30 december 1975 de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen, en het koninklijk besluit van 23 december 1975 genomen tot uitvoering van deze wet. Hierna vindt men de tekst van deze wet en van dat koninklijk besluit, die op 1 januari 1976 in werking zijn getreden (onder voorbehoud van enkele bepalingen van de wet die sinds 4 oktober 1975 toepasselijk zijn).
EERSTE HOOFDSTUK. INHOUD VAN DE WET.
Doel van de wet.
2. De wet heeft hoofdzakelijk tot doel de verplichtingen van de ondernemingen te bepalen betreffende de boekhouding en de jaarrekeningen. Zij vervangt inzonderheid de artikelen 16 tot 24 van Titel III van Boek I van het Wetboek van Koophandel, met betrekking tot de handelsboeken.
Bedoelde ondernemingen.
3. De wet is van toepassing op de natuurlijke personen die handelaar zijn, op de handelsvennootschappen en de vennootschappen met handelsvorm en op de openbare instellingen waarvan de verbintenissen door de wet als handelsverbintenissen worden aangemerkt (art. 1, eerste lid). Gezien er geen volstrekte overeenstemming is tussen het begrip BTW-belastingplichtige en de begrippen handelaar, handelsvennootschap en vennootschap met handelsvorm, kan de wet enerzijds van toepassing zijn op ondernemingen die de hoedanigheid van belastingplichtige niet hebben (verzekeringsmaatschappijen, ...) en anderzijds niet van toepassing zijn op bepaalde belastingplichtigen (landbouwondernemers, bepaalde beoefenaars van vrije beroepen, ...).
4. De natuurlijke personen die hun woonplaats niet in België hebben en de rechtspersonen naar buitenlands recht zijn aan de wet slechts onderworpen voor de filialen en bedrijfszetels welke zij in België hebben gevestigd (art. 1, 2de lid). De wet bepaalt inzonderheid dat de boeken, rekeningen en verantwoordingsstukken met betrekking tot die zetels en filialen in België moeten gehouden en bewaard worden.
Drie categorieën van ondernemingen.
5. De omvang van de verplichtingen van de ondernemingen verschilt naargelang van de omvang en de juridische vorm ervan. In feite stelt de wet drie categorieën van ondernemingen in die men zou kunnen noemen : de kleine ondernemingen, de middelgrote ondernemingen en de grote ondernemingen.
De kleine ondernemingen zijn de natuurlijke personen, de vennootschappen onder gemeenschappelijke naam en de vennootschappen bij wijze van eenvoudige geldschieting, waarvan de jaaromzet exclusief de belasting over de toegevoegde waarde 10.000.000 frank niet overschrijdt (art. 5 van de wet en kon. besl. van 23 december 1975). Artikel 16 van de wet sluit evenwel de toepassing van artikel 5 en bijgevolg het begrip "kleine onderneming" uit, voor de ondernemingen van sommige sectoren (kredietinstellingen, banken, spaarkassen, verzekeringsmaatschappijen, vennootschappen voor hypothecair krediet of kapitalisatie, wisselagenten).
De middelgrote ondernemingen zijn die welke tegelijk aan de drie volgende voorwaarden voldoen : zij hebben niet meer dan 50 werknemers in dienst, hun jaaromzet, exclusief BTW, is niet hoger dan 50.000.000 frank en het totaal van hun balans is niet hoger dan 25.000.000 frank (art. 12). Artikel 16 van de wet sluit eveneens uit het begrip "middelgrote onderneming", de ondernemingen van bepaalde sectoren (z. voorgaand lid in fine).
De grote ondernemingen zijn de overige.
6. Op te merken valt dat het plafond van de omzet vastgesteld voor de kleine ondernemingen overeenstemt met datgene dat inzake BTW, eveneens vanaf 1 januari 1976, van toepassing is voor de ontheffing van een gedetailleerde boekhouding, voor de regeling van de kwartaalaangifte en voor de forfaitaire regeling (z. kon. besl. van 3 november 1975 (2); aanschr. 26/ 1975); daarentegen beschouwt de wet nooit als kleine ondernemingen de andere vennootschappen dan deze onder gemeenschappelijke naam of bij wijze van eenvoudige geldschieting.
(2) Z. Revue nr. 24, blz. 8.
Inhoud van de boekhouding.
7. Artikel 3 van de wet bepaalt de verrichtingen en de gegevens die de boekhouding moet bevatten. Het preciseert inzonderheid dat de boekhouding van natuurlijke personen enkel de gegevens moet bevatten die betrekking hebben op hun handelsactiviteit.
Verplichtingen van de grote en middelgrote ondernemingen.
8. Luidens artikel 4 van de wet moet de boekhouding worden gevoerd aan de hand van een stel boeken en rekeningen overeenkomstig de gebruikelijke regelen van de dubbele boekhouding. De verrichtingen worden ingeschreven hetzij in één enkel dagboek, hetzij in een stel speciale hulpdagboeken met periodieke centralisatie (tenminste eens per kwartaal) in één centralisatieboek. De rekeningen moeten worden omschreven in een boekhoudkundig plan dat aan de activiteit van de onderneming aangepast is.
9. Artikel 7 van de wet heeft betrekking op de inventaris en de jaarrekeningen. Het bepaalt inzonderheid dat die stukken moeten overgeschreven of samengevat worden in een bijzonder boek.
10. Het verschil tussen het statuut van de grote ondernemingen (z. nr. 5, 4de lid) en dat van de middelgrote ondernemingen (z. nr. 5, 3de lid) bestaat hierin dat enkel ten aanzien van de grote ondernemingen aan de Koning de macht wordt verleend om bepaalde normalisatiemaatregelen te nemen (inhoud en indeling van een als minimum geldend boekhoudkundig plan, inhoud en werking van de rekeningen, maatstaven voor de inventarisraming, vorm en inhoud van de jaarrekeningen, van de balansen en winst- en verliesrekeningen en van de bijlage van deze laatste, ...). Totnogtoe werd nog geen enkele uitvoeringsmaatregel ter zake genomen.
Verplichtingen van de kleine ondernemingen.
11. Overeenkomstig artikel 5 van de wet hoeven de kleine ondernemingen (z. nr. 5, 2de lid) de boekhouding omschreven in artikel 8 niet te voeren, op voorwaarde dat zij tenminste drie speciale dagboeken houden : een thesaurieboek, een aankoopboek en een verkoopboek, boeken waarvan het genoemd artikel 5 de inhoud nader bepaalt. Bij vergelijking met de verplichtingen die de BTW-reglementering aan de kleine ondernemingen oplegt (z. art. 12 en 13 van het kon. besl. nr. 1, van 23 juli 1969), kan men vaststellen dat het aankoopboek en het verkoopboek respectievelijk overeenstemmen met het boek voor inkomende facturen en het boek voor uitgaande facturen, onder dit voorbehoud dat ten rande van de inschrijvingen, het bedrag, de wijze en de datum van de betalingen moeten worden aangetekend. Het thesaurieboek gaat duidelijk verder dan het dagboek van ontvangsten bedoeld bij artikel 12, eerste lid, 3, van het koninklijk besluit nr. 1; inderdaad het omvat niet alleen de ontvangsten voortspruitende uit leveringen van goederen en dienstprestaties verricht zonder uitreiking van een factuur, maar al de ontvangsten zonder onderscheid, en bovendien moeten er ook worden in opgenomen, al de uitgaven, de geldopnemingen evenals de dagelijkse saldi van de beschikbare middelen.
12. De wet houdt geen ontheffing in, ten bate van de kleine ondernemingen, van de verplichting een inventaris te houden; deze ondernemingen zijn bijgevolg eveneens onderworpen aan die verplichting en moeten een inventarisboek houden (z. nr. 9).
Verantwoordingsstukken.
13. Artikel 6 van de wet bepaalt dat elke boeking moet geschieden aan de hand van een gedagtekend verantwoordingsstuk en dat ze een referte moet dragen naar dat stuk. De verantwoordingsstukken moeten methodisch geklasseerd worden.
14. De verkoopverrichtingen en dienstverleningen in het klein waarvoor geen factuur is vereist mogen per dag globaal worden ingeschreven (art. 6, 2de lid). Alhoewel de wet aan de Koning de macht geeft om de voorwaarden te bepalen waarvan de verantwoordingsstukken van de bovenbedoelde dagelijkse inschrijvingen moeten voldoen, werd totnogtoe geen enkele uitvoeringsmaatregel genomen.
Formaliteiten inzake nummering, parafering en visum.
15. Artikel 8 van de wet bepaalt dat de volgende boeken moeten worden per blad genummerd, geparafeerd en geviseerd door een griffier van de rechtbank van koophandel, door de burgemeester, door een schepen of door een daartoe gemachtigd gemeenteambtenaar : het enige dagboek of het enige centralisatieboek (z. nr. 8), de drie dagboeken voorgeschreven aan de kleine ondernemingen (z. nr. 11, eerste lid), het inventarisboek (z. nr. 9), alsook de hulpdagboeken (z. nr. 8) wanneer de centralisatie niet per maand geschiedt (z. art. 4, 3de lid, van de wet). Er werd nog geen enkele toepassing gemaakt van artikel 8, § 3, van de wet, met betrekking tot de wijziging of tot de vervanging van de formaliteiten inzake nummering, parafering en visum.
Bewaren van de boeken en stukken.
16. De boeken moeten worden bewaard gedurende tien jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar dat op het afsluiten ervan volgt (art. 9, § 2, van de wet). De verantwoordingsstukken moeten worden bewaard gedurende tien jaar en de stukken die niet als bewijs tegen derden hoeven te dienen, gedurende drie jaar (art. 6, 4de lid).
Strafrechtelijke sancties.
17. Artikel 17 van de wet voorziet in gevangenisstraffen en/of een geldboete voor de overtredingen van sommige van haar bepalingen. Ten aanzien van de kleine ondernemingen bedoeld bij artikel 5 van de wet zijn die sancties enkel in geval van faillissement van toepassing.
HOOFDSTUK II.- GEVOLGEN OP HET VLAK VAN DE BTW.
Algemene overwegingen.
18. Het is niet noodzakelijk dat een boekhouding, om op fiscaal gebied te voldoen, nauwkeurig zou beantwoorden aan de voorschriften van de handelswet en aan de vereisten van de boekhoudtechniek. Een boekhouding wordt aanvaard wanneer de boeken gebaseerd zijn op verantwoordingsstukken en wanneer het geheel mag worden aangemerkt als voldoende controleerbaar, oprecht en juist om met nauwkeurigheid de omzet en de belastbare winst te bepalen. Bijgevolg houden de controlediensten geen rekening met zuivere vormgebreken (b.v. afwezigheid van de formaliteiten van parafering en van visum) om de boekhouding te verwerpen, wanneer die gebreken geen invloed kunnen hebben op het vaststellen van de omzet en van de winst.
Boekhoudkundige verplichtingen van de grote en middelgrote ondernemingen.
19. De belastingplichtigen die, bij toepassing van de nieuwe wetgeving, onder de grote of middelgrote ondernemingen vallen, moeten hun boekhouding zodanig inrichten, dat deze beantwoordt aan het bepaalde in artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 1 en inzonderheid voldoende gedetailleerd is om de heffing van de belasting en de controle op de juiste heffing mogelijk te maken; dit onderstelt onder andere dat de inschrijvingen zo worden uitgesplitst dat ze de bedragen vermelden welke in de periodieke BTW-aangiften moeten worden opgenomen.
Toestand van de kleine ondernemingen.
Bijzondere regelingen.
20. Het inwerkingtreden van de wet van 17 juli 1975 wijzigt geenszins de in artikel 56 van het BTW-Wetboek bedoelde bijzondere regelingen van het forfait en de egalisatiebelasting. De aan deze regelingen onderworpen ondernemingen blijven ontheven van de verplichting het bij artikel 12, eerste lid, 3, van het koninklijk besluit nr. 1 bedoelde dagboek van ontvangsten te houden (z. art. 13 van dat besluit). Anderzijds wordt het houden van een inventaris niet geëist als voorwaarde voor de toepassing van deze regelingen.
Houden van factuurboeken en van het dagboek van ontvangsten.
21. Het boek voor inkomende facturen, het boek voor uitgaande facturen en, eventueel, het dagboek van ontvangsten, bedoeld bij de BTW-reglementering, mogen worden gecombineerd met respectievelijk het aankoopboek, het verkoopboek en het thesaurieboek, bedoeld bij de wet (z. nr. 11). Wat de factuurboeken betreft zal het in de meeste gevallen volstaan een kolom eraan toe te voegen die nodig is voor de inschrijving van de datum, de wijze en het bedrag van de betalingen (z. art. 5 van de wet). Welteverstaan moet het aankoopfactuurboek van de aan het forfait onderworpen belastingplichtingen in overeenstemming zijn met het voor de betrokken bedrijfssector opgelegd model. Er wordt aan herinnerd dat, voor bepaalde goederen, in het dagboek van ontvangsten voorgeschreven inzake BTW, het detail van de verrichtingen moet worden aangetekend en niet slechts één globale inschrijving per dag (z. art. 12, 4de lid, van het kon. besl. nr. 1).
22. Ten aanzien van de vorm van de door de BTW-reglementering voorgeschreven boeken voor inkomende facturen en voor uitgaande facturen, zal de administratie blijven aanvaarden dat deze worden gehouden op losse bladen, overeenkomstig punt I van de aanschrijving nr. 81/1970 (3).
(3) Z. Revue nr. 1, blz. 34.
Bewaring van de boeken en stukken.
23. Alhoewel artikel 6 van de wet bepaalt dat bepaalde verantwoordingsstukken slechts gedurende drie jaar dienen te worden bewaard, moet deze tekst worden gecombineerd met artikel 60 van het BTW-Wetboek. Welnu, uit dat laatste artikel blijkt dat de boeken en stukken waarvan het houden, het opmaken of het uitreiken voorgeschreven zijn door de BTW-reglementering. alsmede, voor belastingplichtigen, de handelsboeken en boekingsstukken. de bestelbons, de verzendingsstukken en de contracten betreffende hun beroepswerkzaamheid, moeten worden bewaard gedurende vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari volgend op hun sluiting wat boeken betreft of op hun datum wat andere stukken betreft.
Eindopmerking.
24. De nieuwe wet wijzigt voor het overige niets aan de andere verplichtingen die de BTW-reglementering aan de belastingplichtigen oplegt (tabel van de bedrijfsmiddelen, register van de garagisten, maakloonregister, ...).
BIJLAGE
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 4 september 1975
MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN, MINISTERIE VAN FINANCIEN, MINISTERIE VAN JUSTITIE EN MINISTERIE VAN MIDDENSTAND
17 juli 1975
Wet met betrekking tot de boekhouding en jaarrekeningen van de ondernemingen (1)
(1) Zitting 1974-1975. Senaat. Parlementaire bescheiden - Wetsontwerp, nr.436-1. - Verslag, nr. 436-2. Ammendementen, nr. 436-3. Parlementaire handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 19 juni 1975. Kamer van Volksvertegenwoordigers. Gedrukte stukken. - Wetsontwerp, nr. 621-1. - Amendementen, nrs. 621-2 tot 621-3. - Verslag, nr. 621-4. - Amendementen, nr.621-5. Parlementaire handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 26 juni 1975.
BOUDEWIJN, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
HOOFDSTUK I
Boekhouding en jaarrekeningen van de ondernemingen
Artikel 1. Aan de bepalingen van dit hoofdstuk zijn onderworpen en in die bepalingen worden "ondernemingen" genoemd : de natuurlijke personen die handelaar zijn, de handelsvennootschappen en vennootschappen met handelsvorm en de openbare instellingen waarvan de verbintenissen door de wet als handelsverbintenissen worden beschouwd. De natuurlijke personen die hun woonplaats niet in België hebben en de rechtspersonen naar buitenlands recht zijn echter aan de bepalingen van dit hoofdstuk slechts onderworpen voor de succursalen en bedrijfszetels welke zij in België hebben gevestigd. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt het geheel van hun succursalen en bedrijfszetels in België als; een onderneming beschouwd. De boeken, rekeningen en verantwoordingsstukken met betrekking tot die succursalen en zetels worden in België gehouden en bewaard.
Art. 2. Elke onderneming moet een aan de aard en aan de omvang van haar activiteit aangepaste boekhouding voeren en daarbij de bijzondere bepalingen in acht nemen die daarvoor gelden.
Art. 3. De boekhouding van rechtspersonen moet al hun verrichtingen, tegoeden en rechten van enigerlei aard bevatten, evenals al hun schulden, verplichtingen en verbintenissen van enigerlei aard. De boekhouding van natuurlijke personen die handelaar zijn, moet dezelfde gegevens bevatten wanneer die op hun handelsactiviteit betrekking hebben : de boekhouding vermeldt afzonderlijk de eigen middelen welke aan die handelsactiviteit zijn besteed. Indien een onderneming van elkaar onderscheiden economische activiteiten uitoefent, moet voor elk van die activiteiten een afzonderlijk stel rekeningen worden gehouden. Voor de activiteiten die in tijdelijke handelsvereniging of in verenigingen in deelneming worden uitgeoefend, moet in de boekhouding van de zaakvoerder van de vereniging een afzonderlijk stel boeken en rekeningen worden gehouden.
Art. 4. Elke boekhouding wordt gevoerd aan de hand van een stel boeken en rekeningen overeenkomstig de gebruikelijke regelen van de dubbele boekhouding.
De verrichtingen worden zonder uitstel, getrouw en volledig en in volgorde van de datum, ingeschreven hetzij in één enkel dagboek, hetzij in een stel speciale hulpdagboeken; in het laatste geval worden alle in de speciale dagboeken opgenomen gegevens, met vermelding van de verschillende betrokken rekeningen, gecentraliseerd in één centralisatieboek. Het centraliseren geschiedt tenminste eens per maand : het geschiedt tenminste eens per kwartaal wanneer de speciale hulpdagboeken door de ondernemingen overeenkomstig artikel 8 aan de bevoegde overheden zijn voorgelegd om per blad genummerd, geparafeerd en geviseerd te worden. De in de boeken opgetekende gegevens worden stelselmatig in de rekeningen getransponeerd. De geopende rekeningen worden gepreciseerd in een boekhoudkundig plan dat aan de activiteit van de onderneming aangepast is. Dit boekhoudkundig plan wordt doorlopend zowel op de zetel van de onderneming als op de zetels van de belangrijke boekhoudingsdiensten van de onderneming ter beschikking gehouden van degenen die erbij betrokken zijn. De Koning bepaalt de inhoud en de indeling van een als minimum geldend genormaliseerd boekhoudkundig plan. Hij bepaalt wat de in het genormaliseerde plan opgenomen rekeningen moeten bevatten en hoe zij werken.
Art. 5. De handelaars die natuurlijke personen, vennootschappen onder gemeenschappelijke naam of vennootschappen bij wijze van eenvoudige geldschieting zijn, en wier omzetcijfer, buiten de belasting over de toegevoegde waarde voor het jongste boekjaar een bij koninklijk besluit bepaald bedrag niet overschrijdt, hoeven geen boekhouding volgens de voorschriften van de artikelen 3 en 4 te voeren. op voorwaarde dat zij zonder uitstel, getrouw en volledig, en in volgorde van de datums. tenminste drie speciale dagboeken houden op een zodanige wijze dat in bijzonderheden kunnen worden gevolgd:
1° in het eerste, de dagelijkse transacties en de dagelijkse saldi van de beschikbare middelen in contanten of op rekening met op de kant aantekening van het voorwerp van de verrichtingen en met speciale vermelding van de geldopnemingen die niet voor de behoeften van hun handel zijn verricht;
2° in het tweede, de aankoop- en invoerverrichtingen (4) en de ontvangen diensten, met op de kant aantekening van het bedrag, de wijze en de datum van de desbetreffende betalingen;
3° in het derde, de verkoop- en uitvoerverrichtingen (4) en de geleverde diensten, met op de kant aantekening van het bedrag, de wijze en de datum van de desbetreffende incasseringen, alsook de opnemingen in natura die niet voor de behoeften van hun handel zijn verricht.
(4) Z. errata gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 20 september 1975.
De opnemingen waarvan sprake in 1 en 3 en die niet ten behoeve van de handel zijn verricht, mogen dagelijks globaal worden vermeld.
Art. 6. Elke boeking geschiedt aan de hand van een gedagtekend verantwoordingsstuk, waarnaar het verwijst. Verkoopverrichtingen en dienstverleningen in het klein waarvoor geen factuur vereist is, mogen per dag globaal ingeschreven worden. De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan de verantwoordingsstukken voor de globale dagelijkse inschrijvingen bedoeld in het vorige lid, moeten voldoen. De originele verantwoordingsstukken of afschriften ervan moeten gedurende tien jaar bewaard en methodisch geklasseerd worden. Deze termijn wordt op drie jaar teruggebracht voor de stukken die niet als bewijs tegenover derden hoeven te dienen.
Art. 7. Elke onderneming doet tenminste eenmaal per jaar met goede trouw en voorzichtigheid, de opnemingen, verificaties, onderzoekingen en ramingen die nodig zijn om op de gekozen datum een volledige inventaris op te maken van haar tegoeden, van haar rechten van enigerlei aard, van haar schulden en verbintenissen van enigerlei aard met betrekking tot haar activiteit, alsook van de eigen middelen die daaraan zijn besteed. Deze inventaris volgt dezelfde indeling als het boekhoudkundig plan van de ondernemingen. Nadat de rekeningen in overeenstemming zijn gebracht met de gegevens van de inventaris, worden zij samengevat in een beschrijvende staat die de jaarrekeningen vormt. Die jaarrekeningen en de inventarisstukken tot staving ervan worden overgeschreven in een boek; de stukken die wegens hun omvang bezwaarlijk kunnen worden overgeschreven, worden in het boek samengevat en erbij gevoegd. De Koning kan maatstaven voor de inventarisraming alsook de vorm en de inhoud van de jaarrekeningen voorschrijven.
Art. 8. § 1. Het ene dagboek, het ene centralisatieboek of de drie dagboeken bedoeld in artikel 5, alsook het boek bedoeld in artikel 7, derde lid, worden in de gewone vorm en zonder kosten per blad genummerd, geparafeerd en geviseerd, hetzij door een griffier van de rechtbank van koophandel, hetzij door de burgemeester, een schepen of een daartoe gemachtigd gemeenteambtenaar. De paraaf mag worden vervangen door een stempel van de rechtbank of van het gemeentebestuur. De per blad genummerde boeken worden van een identificatieteken voorzien en vormen een doorlopende reeks. De processen-verbaal van nummering en visum vermelden het identificatieteken van het vorige boek dat tot dezelfde reeks behoort.
§ 2. De speciale hulpdagboeken bedoeld in artikel 4, tweede lid, worden in boekvorm, losbladig of op enig ander geschikt materiaal gehouden.
§ 3. De Koning kan de in § 1 voorgeschreven formaliteiten inzake nummering, parafering en visum ofwel wijzigen ofwel vervangen door andere maatregelen die de regelmatigheid, de volledigheid en de materiële continuïteit van de boeken waarborgen.
Art. 9. § 1. De boeken worden gehouden in de volgorde van de datums, zonder enig wit vak of enige leemte. In geval van verbetering moet de oorspronkelijke inschrijving leesbaar blijven.
§ 2. De ondernemingen moeten hun boeken bewaren gedurende tien jaar, te rekenen van de eerste januari van het jaar dat op het afsluiten ervan volgt. Van de boeken bedoeld in artikel 8, §1, moet het origineel, van de andere boeken moet het origineel of een afschrift bewaard worden.
Art. 10. De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van de balansen en winst- en verliesrekeningen die krachtens de wet moeten worden neergelegd of bekendgemaakt. Hij bepaalt ook de inhoud van de bijlage die zoals de balans en de winst- en verliesrekening neergelegd en bekendgemaakt moet worden.
Art. 11. De Koning kan:
1° de ondernemingen verplichten tot het opmaken en bekendmaken van geconsolideerde rekeningen, en regels stellen met betrekking tot die rekeningen;
2° de door hem op grond van artikel 4, zesde lid, van artikel 7, vierde lid, en van de artikelen 10 en 11, 1, vastgestelde regels naar gelang van de bedrijfstakken of economische sectoren aanpassen volgens hun eigen kenmerken.
Hij kan die regels ook aanpassen aan de grootte van de ondernemingen bepaald naar het aantal tewerkgestelde loontrekkenden, het omzetcijfer, exclusief BTW en het balanstotaal.
Art. 12. De besluiten genomen ter uitvoering van artikel 4, zesde lid, van artikel 7, vierde lid, en van de artikelen 10 en 11, 1, zijn niet van toepassing op de ondernemingen die jaarlijks gemiddeld niet meer dan 50 werknemers in dienst hebben, voor zover hun omzetcijfer, buiten de belasting over de toegevoegde waarde, voor het jongste boekjaar niet hoger is dan 50 miljoen frank en het totaal van hun balans bij het einde van het boekjaar niet hoger is dan 25 miljoen frank. De Koning kan de in het vorige lid vermelde cijfers wijzigen Die wijziging kan verschillen naar gelang van de inhoud van de in het vorige lid bedoelde besluiten, de rechtsvorm van de onderneming en de aard van haar economische activiteit.
Art. 13. De koninklijke besluiten ter uitvoering van deze wet worden getroffen na overleg in de Ministerraad.
De besluiten ter uitvoering van artikel 4, zesde lid, artikel 7, vierde lid, de artikelen 10 en 11, 1, en artikel 12, tweede lid, worden getroffen op advies van de Centrale Raad voor het bedrijfsleven.
Art. 14. De Koning stelt een commissie voor boekhoudkundige normen in; deze heeft tot taak:
1° de Regering en het Parlement op hun verzoek of op eigen initiatief van advies te dienen;
2° de leer van het boekhouden uit te werken en de beginselen van een regelmatige boekhouding te formuleren via adviezen en aanbevelingen.
Art. 15. De Minister van Economische Zaken kan in speciale gevallen en op het met redenen omkleed advies van de in artikel 14 vermelde commissie, toestaan dat wordt afgeweken van de regels vastgesteld op grond van artikel 4, zesde lid, van artikel 7, vierde lid, en van de artikelen 10 en 11. Deze bevoegdheid wordt op dezelfde wijze door de Minister van Middenstand uitgeoefend ten aanzien van de in artikel 12, eerste lid, bedoelde ondernemingen waarop die regels toepasselijk mochten worden gemaakt uit kracht van een koninklijk besluit, getroffen ter uitvoering van artikel 12, tweede lid. De commissie wordt in kennis gesteld van de beslissing van de Minister.
Art. 16. § 1. Artikel 5 en de artikelen 10 tot 15 van deze wet, evenals de besluiten getroffen ter uitvoering van artikel 4, zesde lid, en van artikel 7, vierde lid, zijn niet van toepassing op kredietinstellingen, waarvoor een bijzondere wet geldt op door die instellingen erkende kredietinstellingen, op banken, op private spaarkassen, op ondernemingen die onder hoofdstuk 1 van de wet van 10 juni 1964 en op ondernemingen die onder het koninklijk besluit nr. 64 van 10 november 1967 vallen.
§ 2. De artikelen 5 en 12 zijn niet van toepassing:
1° op de verzekeringsmaatschappijen, de vennootschappen voor hypothecair krediet en kapitalisatie;
2° op de wisselagenten.
Artikel 4, zesde lid, artikel 7, vierde lid, en de artikelen 10, 11, 2, en 15 zijn niet van toepassing op de verzekeringsondernemingen die door de Koning zijn toegelaten op grond van de wetgeving betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen .
Art. 17. Met gevangenisstraf van één maand tot één jaar en, met geldboete van vijftig frank tot tienduizend frank of met één van die straffen alleen worden gestraft de handelaars, natuurlijke personen en de beheerders, zaakvoerders, bestuurders of procuratiehouders van rechtspersonen die bewust de bepalingen van de artikelen 2 en 3, eerste en derde lid, van de artikelen 4 tot 9 of van de ter uitvoering van artikel 4, zesde lid, van artikel 7, vierde lid, en van de artikelen 10 en 11 genomen besluiten overtreden. De handelaars, natuurlijke personen, op wie artikel 5 van toepassing is en de bestuurders of procuratiehouders, de zaakvoerders van vennootschappen waarop datzelfde artikel 5 van toepassing is, worden evenwel slechts gestraft met de sancties waarin het vorige lid voorziet wegens miskenning van de bepalingen van artikel 5 en van die van de artikelen 6, 8 en 9, in zover zij betrekking hebben op de boeken, waarvan sprake is in artikel 5 (1) indien de onderneming failliet is verklaard.
(5) Bij artikel 53 van het wetsontwerp betreffende de economische herstelmaatregelen ( Parl. besch. Kamer van Volksvertegenwoordigers, zitting 1975-1976, nr. 738-1, van 12 december 1975) - ontwerp dat nog in behandeling is, heeft de regering voorgesteld om de woorden "van artikel 5 en van die van artikelen 6, 8 en 9, in zover zij betrekking hebben op de boeken waarvan sprake is in artikelen 5 " te vervangen door de woorden "van artikelen 5 en 7 en van artikelen 6, 8 en 9 in zover zij betrekking hebben op de boeken waarvan sprake is in artikelen 5 en 7."
Met de straffen waarin het eerste lid voorziet, worden gestraft zij die als commissaris, commissaris-revisor, revisor of onafhankelijk expert, rekeningen, jaarrekeningen, balansen en winst- en verliesrekeningen of geconsolideerde rekeningen van ondernemingen hebben geattesteerd of goedgekeurd wanneer de in het vorige lid (6) vermelde bepalingen niet worden nagekomen, hetzij ze zich daarvan bewust waren, hetzij ze niet hebben gedaan wat normaal nodig is om er zich van te vergewissen dat ze nagekomen werden.
(6) Er dient te worden gelezen "in het eerste lid" (Z. aanschr. van het Ministerie van Justitie, van 9 december 1975; Belgisch Staatsblad van 13 december 1975.)
De bepalingen van Boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de in dit artikel bepaalde misdrijven. De rechtspersonen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor het betalen van geldboeten waartoe hun beheerders, zaakvoerders, bestuurders, procuratiehouders of aangestelden krachtens dit artikel veroordeeld zijn.
HOOFDSTUK II
Wijziging van het Wetboek van Koophandel
Art. 18. De artikelen 20 tot 24 van Titel III van Boek I van het Wetboek van Koophandel worden gewijzigd als volgt:
Artikel 20. De regelmatig gehouden boekhouding kan door de rechter worden aangenomen als bewijs tussen handelaars wegens handelsdaden.
Artikel 21. Onverminderd bijzondere wetten kan het overleggen van de gehele boekhouding van een handelaar, gevormd door de boeken, registers en boekhoudkundige documenten, in rechte slechts bevolen worden in zaken van erfopvolging, gemeenschap, verdeling van vennootschap en in geval van faillissementen.
Artikel 22. De rechter kan in de loop van een geschil, ook ambtshalve, de gehele of gedeeltelijke openlegging van de boekhouding van een handelaar bevelen, ten einde daaruit te putten wat de betwisting aangaat.
Artikel 23. Wanneer de boekhouding waarvan de openlegging wordt aangeboden, verzocht of bevolen, zich op een plaats bevindt welke verwijderd is van de rechtbank waarbij de zaak aanhangig is, kunnen de rechters een rogatoire commissie aan de plaatselijke rechtbank van koophandel doen toekomen, of een vrederechter gelasten daarvan inzage te nemen, proces-verbaal op te stellen van de inhoud, en het te zenden aan de rechtbank waarbij de zaak aanhangig is.
Artikel 24. Bij weigering van openlegging van de boekhouding door de partij tegenover wie men aanbiedt er geloof aan te hechten, kan de rechter de eed opdragen aan de tegenpartij.
Art. 19. § 1. Artikel 65 van Titel V van Boek I van het Wetboek van Koophandel wordt vervangen door de volgende bepaling: "Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk I van de wet net betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen, tekenen de wisselagenten onmiddellijk in één of meer boeken of zakboekjes de verrichtingen aan die ze afsluiten en de orders die ze ontvangen."
§ 2. Artikel 66 van Titel V van Boek I van het Wetboek van Koophandel wordt opgeheven.
Art. 20. In artikel 441, 2, van het Wetboek van Koophandel worden woorden "De registers die tot nakoming van de artikelen 8 en 9 van het Wetboek van Koophandel zijn gehouden" vervangen door de woorden "De boeken voorgeschreven door hoofdstuk I van de wet met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen".
Art. 21. In artikel 574 van het Wetboek van Koophandel wordt het 6 opgeheven.
Art. 22. In artikel 577 van het Wetboek van Koophandel wordt de 1 vervangen door de volgende bepaling:
"1° Indien hij de in hoofdstuk I van de wet met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen bedoelde boeken of boekhoudkundige documenten geheel of gedeeltelijk heeft doen verdwijnen of indien hij de inhoud ervan bedrieglijk heeft weggenomen, uitgevaagd of vervalst".
HOOFDSTUK III
Diverse bepalingen en intrekkingsmaatregelen
Art. 23. Artikel 279/2, ingevoegd in het koninklijk besluit nr. 64 van 30 november 1939, houdende het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, door artikel 29 van de wet van 12 juli 1960, wordt aangevuld als volgt:
"5° De processen-verbaal van nummering en visum van de handelaarsboeken."
Art. 24. Opgeheven worden: 1° De artikelen 16 tot 19 van Titel III van Boek I van het Wetboek van Koophandel; 2° Artikel 2, § 4, vierde lid, van de wet betreffende de economische reglementering en de prijzen, gewijzigd door de wet van 30 juli 1971.
Art. 25. Deze wet wordt van kracht op de eerste januari die volgt op het begin van de tweede maand nadat zij in het "Belgisch Staatsblad" is bekendgemaakt. De artikelen 7, vierde lid, 10, 11, 2, 12 tot 18 en 23 worden echter van kracht één maand nadat deze wet in het "Belgisch Staatsblad" is bekendgemaakt.
Kondigen deze wet, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het "Belgisch Staatsblad" zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 17 juli 1975.
BOUDEWlJN
Van Koningswege :
De Minister van Economische Zaken, A. OLEFFE
De Minister van Financiën, W. DE CLERCQ
De Minister van Justitie, H. VANDERPOORTEN
De Minister van Middenstand, L. OLIVIER
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie, H. VANDERPOORTEN
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 30 december 1975
MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN, MINISTERIE VAN FINANCIEN, MINISTERIE VAN JUSTITIE EN MINISTERIE VAN MIDDENSTAND
23 december 1975. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen
BOUDEWIJN, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen, inzonderheid artikel 5;
Gelet op de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, inzonderheid artikel 3, eerste lid;
Gelet op de hoogdringendheid;
Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken, van Onze Minister van Financiën, van Onze Minister van Justitie en van Onze Minister van de Middenstand en op advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Het bedrag waarvan sprake in artikel 5 van de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen wordt bepaald op tien miljoen frank.
Bedroeg de duur van boekjaar echter minder of meer dan twaalf maanden, dan wordt dit bedrag bepaald op tien miljoen frank, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de noemer 12 is en de teller het aantal maanden van dat boekjaar, waarbij elke begonnen maand voor een gehele maand wordt geteld.
De in artikel 5 van voornoemde wet bedoelde handelaars, ingeschreven in het handelsregister overeenkomstig de door koninklijk besluit van 20 juli 1964 gecoördineerde wetten op het handelsregister, die hun activiteit beginnen nadat het onderhavige besluit van kracht is geworden, mogen hun boekhouding voeren overeenkomstig wat in genoemd artikel 5 is bepaald, voor zover uit te goeder trouw verrichte voorzieningen blijkt dat het omzetcijfer, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, na verloop van het eerste boekjaar niet hoger zal liggen dan het bedrag bepaald in het eerste lid van het onderhavige besluit, in voorkomend geval berekend zoals gezegd in het tweede lid.
Art. 2. Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Financiën, Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Middenstand zijn, elk wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 3. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1976.
Gegeven te Brussel, 23 december 1975.
BOUDEWIJN
Van Koningswege :
De Minister van Economische Zaken,
F. HERMAN
De Minister van Financiën,
W. DE CLERCQ
De Minister van Justitie,
H. VANDERPOORTEN
De Minister van Middenstand,
L. OLIVIER
Bron: FisconetPlus
