Circulaire nr. Ci.RH.861/617.113 (AAFisc Nr. 31/2012) d.d. 15.10.2012

Algemene administratie van de FISCALITEIT - Centrale diensten

Directies IV/1- IV/2

Inkomstenbelasting

Roerende voorheffing

Terugbetaling van de RV

Administratief beroep Geschillen

Bevoegde dienst

Gewestelijke directie

Ontvangkantoor

Bevoegdheid van de ontvanger

Territoriale bevoegdheid van de directeur

Workflow geschillen

Gerechtelijk beroep

Gerechtelijke geschillenregeling

Territoriale bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg

Administratieve geschillen. - Gerechtelijke geschillen. – Roerende voorheffing. - Belasting participatie van de werknemers. - Beslissing van de voorzitter van het directiecomité van 23.12.2011. - Bijkomende heffing op roerende inkomsten. - In de toepassing Workflow geschillen aan te duiden en in geval van beroep in kennis te stellen ontvangkantoor. - Vertegenwoordiging in rechte.

I. ALGEMEEN

  1. Deze circulaire heeft tot doel bepaalde punten van de circulaire van 26 juni 2012, AAFisc Nr. 23/2012, nr. Ci.RH.861/617.113 met betrekking tot voormeld onderwerp aan te vullen. Zij bevat eveneens aanvullende richtlijnen met betrekking tot het gebruik van de toepassing Workflow geschillen voor de geschillen die met dezelfde circulaire worden beoogd, evenals verduidelijkingen met betrekking tot de verdediging in rechte van de Belgische Staat. Er wordt ook uiteengezet dat de bepalingen zoals deze zijn opgenomen in voormelde circulaire, eveneens van toepassing zijn op de bijkomende heffing op roerende inkomsten (art. 174/1, WIB 92).

II. ADVIESBEVOEGDHEID VAN DE GEWESTELIJKE DIRECTIE BRUSSEL II- VENNOOTSCHAPPEN

  1. Met betrekking tot de aanvragen tot teruggave van roerende voorheffing die werden ingediend door de Belgische rijksinwoners krachtens de verdragen tot vermijding van dubbele belasting, wordt verduidelijkt dat de adviesbevoegdheid van de gewestelijke directie Brussel II-Vennootschappen, welke vermeld wordt onder nr. 9 van de circulaire, wordt uitge oefend in het kader van administratieve beroepen die werden ingediend bij de territoriaal bevoegde directeur der belastingen (punt nr. 10, eerste streepje), alsook in het kader van beroepen die rechtstreeks werden ingediend bij de gewestelijke directeur te Brussel II- Vennootschappen ( punt nr. 10, tweede streepje).
  1. Wanneer het beroep werd ingediend bij de territoriaal bevoegde directeur, wordt het geschil gecreëerd in de Workflow geschillen door het ordebureau van de betreffende gewestelijke directie of controlecentrum. In de stap "Onderzoek", stuurt de onderzoekende ambtenaar een e-mail naar de gewestelijke directie Brussel II-Vennootschappen (gew.dir.ven.brussel2@minfin.fed.be) waarin het geschil aan hem wordt voorgelegd voor ad vies. Dit bericht vermeldt de gegevens met betrekking tot het administratief beroep en dat de documenten van het elektronisch dossier beschikbaar zijn door het geschil te raadplegen via de Workflow geschillen. Hiervoor wordt een nieuw model van standaard-e-mail toegevoegd in de toepassing. In de stapgegevens duidt de onderzoekende ambtenaar van de eerste dienst in het veld "Overdracht naar andere administratie/dienst" de "Gewestelijke directie Brussel II-Vennootschappen" aan. Vervolgens wordt het geschil in wacht gezet.

Zodra het onderzoek door de dienst van de Gewestelijke directie Brussel II- Vennootschappen is beëindigd, voegt deze aan het geschil, door middel van een scanaanvraag (My Scan), het ondertekend verslag toe, evenals de eventuele bijlagen. De directoriale beslissing wordt door de bevoegde dienst genomen op basis van voormeld verslag.

  1. Wanneer het bezwaarschrift of de vraag tot ambtshalve ontheffing rechtstreeks werd ingediend bij de gewestelijke directeur te Brussel II-Vennootschappen, zal deze dienst het geschil creëren in de toepassing Workflow geschillen en de ontvangstmelding doen.

Wanneer het onderzoek door de dienst van de gewestelijke directie Brussel II- Vennootschappen is beëindigd, wordt het dossier teruggezonden naar het ordebureau dat het geschil (via de workflow) zal toewijzen aan de gewestelijke directie of controlecentrum dat bevoegd is om te beslissen over dit beroep.

III. IN DE TOEPASSING WORKFLOW GESCHILLEN AAN TE DUIDEN EN IN GEVAL VAN BEROEP IN KENNIS TE STELLEN ONTVANGKANTOOR

  1. Beroep ingesteld tegen aangegeven of spontaan gestorte roerende voorheffing
  1. Zoals aangegeven in de nrs. 11 en 22 van de circulaire van 26 juni 2012, Ci.RH.861/617.113, moeten de spontane stortingen van de roerende voorheffing en de belasting op de participaties van werknemers worden gedaan op het financiële rekeningnummer van het Inningscentrum Roerende Voorheffing.

Wanneer evenwel een administratief of gerechtelijk beroep tegen een dergelijke "bron"heffing resulteert in een ontheffing in het voordeel van de schuldenaar van de voorhef fing of van de genieter van de inkomsten, is het Inningscentrum Roerende Voorheffing niet bevoegd om de in de directoriale beslissing opgenomen terugbetaling uit te voeren. Het Inningscentrum wordt in de beslissing dan ook enkel vermeld als "bevoegd ontvangkantoor".

Er werd bijgevolg beslist dat de ontheffingsbeslissingen inzake roerende voorheffing die aan de bron werd ingehouden, zullen behandeld worden door één van de vier ontvangkantoren die bevoegd zijn voor de inning en invordering van de roerende voorheffing (overeenkomstig art. 2, alinea 2 van de beslissing van de Voorzitter van het Directiecomité van 23 december 2011, zijnde:

- de ontvanger van Gent-4 wanneer de bezwaarindiener gevestigd is in het Vlaamse Gewest;

- de ontvanger van Brussel-6 wanneer de bezwaarindiener gevestigd is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of wanneer het gaat om een belastingplichtige die geen rijksinwoner is;

- de ontvanger van Luik-5 wanneer de bezwaarindiener gevestigd is in het Waalse Gewest;

- de ontvanger van Eupen wanneer de bezwaarindiener gevestigd is in het Duitse taalgebied.

Voortaan worden de ontheffings- en de afwijzingsbeslissingen toegezonden aan één van deze 4 ontvangkantoren en hun respectievelijke gewestelijke directies (Gent, Brussel en Luik).

Hiertoe moet het ordebureau, bij het invoeren van het bezwaarschrift, de vraag tot ambtshalve ontheffing en de inleidende akte van de rechtsvordering in de Workflow geschillen, er op toezien dat een van die vier bevoegde ontvangkantoren worden aangeduid, volgens de fiscale woonplaats, maatschappelijke zetel of de zetel van bestuur of beheer van de bezwaarindiener of eiser (schuldenaar van de voorheffing of genieter van de inkomsten). Het is ook aan dat ontvangkantoor dat het ordebureau de gegevens met betrekking tot het ingediende beroep toezendt.

Om eventuele vergissingen bij de invoer te vermijden, werd het Inningscentrum Roerende Voorheffing verwijderd uit de lijst van ontvangkantoren waaruit het ordebureau van de verschillende diensten een keuze kan maken.

Wanneer het Inningscentrum Roerende Voorheffing door het ordebureau reeds werd aangeduid als ontvangkantoor, kan de ambtenaar die het geschil in behandeling heeft (verantwoordelijke, onderzoekende ambtenaar, beslissingnemende ambtenaar, enz.) het ontvangkantoor wijzigen via "details" van het geschil ("diverse wijzigbare gegevens", "administratie", "Ontvangkantoor") zodat het juiste ontvangkantoor verschijnt in de gegevens die door het systeem in de documenten worden overgenomen.

  1. Beroepen ingediend tegen aangegeven roerende voorheffing, die niet binnen de wettelijke termijnen werd gestort en die werd ingekohierd
  1. Bij gebrek aan betaling binnen 15 dagen (zoals bepaald in art. 412, WIB 92) en na een herinnering tot betaling door het Inningscentrum Roerende Voorheffing, wordt automatisch een aanslagbiljet opgemaakt door STIMER dat aan de schuldenaar van de roerende voorhefing wordt gezonden. Op dit aanslagbiljet wordt het bevoegde ontvangkantoor aangeduid.

In dit geval wordt de inning en invordering van de voorheffingen uitgevoerd door één van de hierboven in nr. 4 vermelde ontvangkantoren.

In geval van administratief of gerechtelijk beroep, gebruikt het ordebureau het als dusdanig aangeduide ontvangkantoor, volgens de fiscale woonplaats, de maatschappelijke zetel, de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer van de schuldenaar van de roerende voorheffing ten laste van wie de inkohiering heeft plaatsgehad.

  1. Beroepen ingediend tegen roerende voorheffing die werd ingekohierd als gevolg van onregelmatigheden in de aangifte van de schuldenaar
  1. In geval van onregelmatigheden in de aangifte van de roerende voorheffing, wordt de inkohiering uitgevoerd voor rekening van één van de vier ontvangkantoren die werden aangeduid in art. 2, alinea 2 van de beslissing (zie supra, nr. 4). In deze hypothese wordt eveneens het bevoegde ontvangkantoor vermeld in het aanslagbiljet.

In de toepassing Workflow geschillen moet het ordebureau dat ontvangkantoor (dat volgens de woonplaats of de maatschappelijke zetel van de schuldenaar wordt aangeduid) opnemen.

  1. Beroepen ingediend tegen roerende voorheffing die werd ingekohierd naar aanleiding van een controle van de algemene fiscale toestand van de schuldenaar
  1. Wanneer de roerende voorheffing werd ingekohierd op initiatief van een taxatie- dienst ("klassieke" controle of een team van het controlecentrum) als gevolg van een contro le van de algemene fiscale toestand van de schuldenaar, wordt het kohier opgemaakt voor rekening van het "lokale" ontvangkantoor dat volgens de gewone regels wordt bepaald (cfr. voormelde circulaire, nr. 17 en 27).

In die hypothese moet het ordebureau van de gewestelijke directie of van het controlecentrum dit bevoegde "lokaal" ontvangkantoor invoeren in de Workflow geschillen.

IV. VERTEGENWOORDIGING IN RECHTE VAN DE STAAT

  1. Zoals vermeld in de circulaire van 26 juni 2012, hebben de wijzigingen die werden aangebracht aan de bevoegdheden van de ontvangkantoren inzake roerende voorheffing en de belasting op de participaties van werknemers gevolgen voor de territoriale bevoegdheden van de rechtbanken van eerste aanleg. In bepaalde gevallen zullen enkel de rechtbanken van eerste aanleg te Gent, Brussel, Luik en Eupen bevoegd zijn (nrs. 25 en 26) en in andere gevallen kan een beroep enkel ingesteld worden bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (nr. 23).
  1. Dit heeft geen enkele wijziging tot gevolg wat betreft de bepalingen inzake de aanduiding van de ambtenaren die bevoegd zijn om de Belgische Staat in rechte te vertegenwoordigen, zoals deze zijn uiteengezet in de circulaire van de Administrateur-generaal van de belastingen van 15.2.2002 (zie Ci.RH. 863/547.570 van 1.3.2002) en in de instructie van 10.10.2006, nr. 37/2006, nr. Ci.RH.863/580.312.
  1. Ook in geval van een vordering in rechte tegen aan de bron ingehouden roerende voorheffing (cfr. supra, nr. 4), komt de verdediging in rechte toe aan de cel gerechtelijke geschillen van de gewestelijke directie die heeft beslist over het voorafgaand administratief beroep of die dit had moeten doen (cfr. Circulaire Administrateur-generaal van de belastingen van 15.2.2002, voormeld, nr. 15), en dat zelfs wanneer de rechtbank van eerste aanleg te Brussel uitsluitend bevoegd is kennis te nemen van de vordering.

Dat is eveneens het geval wanneer een vordering tegen de roerende voorheffing die werd ingekohierd wegens gebrek aan betaling van de aangegeven bedragen (cfr. supra, nr. 5; Circulaire Administrateur-generaal van de belastingen van 15.2.2002, nr. 14 en instructie van 10.10.2006, nr. 9), waar de territoriale bevoegdheid in die hypothese uitsluitend toekomt aan de rechtbank van eerste aanleg te Gent, Brussel, Luik of Eupen.

  1. In geval van vordering tegen de roerende voorheffing die werd ingekohierd als gevolg van onregelmatigheden in de aangifte (cfr. supra nr. 6) of als gevolg van een controle van de algemene fiscale toestand van de schuldenaar (nr. 7), wordt de Staat vertegenwoordigd door de ambtenaar die het bericht van wijziging van de aangifte of de kennisgeving van aanslag van ambtswege heeft getekend (cfr. Circulaire Administrateur-generaal van de belastingen van 15.2.2002, nr. 14 en instructie van 10.10.2006, nr. 6), zelfs wanneer in het eerste geval de territoriale bevoegdheid beperkt is tot de in de vorige nr. vermelde rechtbanken.

V. BIJKOMENDE HEFFING OP DE ROERENDE INKOMSTEN

  1. De bepalingen zoals deze zijn opgenomen in de circulaire van 26 juni 2012, AAFisc Nr. 23/2012, nr. Ci.RH.861/617.113 zijn van toepassing op de administratieve en gerechtelijke beroepen met betrekking tot de bijkomende heffing op de roerende inkomsten, zoals deze bepaald is in art. 174/1, WIB 92 (ingevoerd door art. 28 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, BS 30 december 2011, en gewijzigd door de artikelen 145 en 153 van de programmawet van 29 maart 2012, BS 6 april 2012 en door de artikelen 86 tot 88 van de programmawet van 22 juni 2012, BS 28 juni 2012).

NAMENS DE MINISTER:

Voor de Administrateur-generaal van de fiscaliteit:

De Auditeur-generaal van Financiën, diensthoofd,

Marianne BALLEUX

Bijlage

CIRCULAIRE

AAFisc Nr. 23/2012

Brussel, 26 juni 2012

Federale Overheidsdienst

FINANCIEN

----------------------------------------

Algemene administratie van de

FISCALITEIT

----------------------------------------

Centrale diensten

----------------------------------------

Directe belastingen

----------------------------------------

Directies IV/1 - IV/2

Ci.RH.861/617.113

----------------------------------------

ONDERWERP:

Inkomstenbelastingen.

----------------------------------------

Inkomstenbelasting

Bedrijfsvoorheffing

Belasting op de werknemersparticipatie

Roerende voorheffing

Aangifte in de RV

Bevoegde dienst

Inning van de belasting Inning van de RV

Bevoegdheid van de ontvanger

Administratief beroep

Territoriale bevoegdheid van de directeur

Gerechtelijke geschillenregeling

Territoriale bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg

Terugbetaling van de BV

Terugbetaling van de RV

Verjaringstermijn

Administratieve geschillen. - Gerechtelijke geschillen. – Roerende voorheffing. – Belasting op de werknemersparticipatie. - Beslissing van het Directiecomité van 23.12.2011. - Herstel van artikel 368, WIB 92 door de wet van 28.12.2011.

I. BESLISSING VAN DE VOORZITTER VAN HET DIRECTIECOMITIE VAN DE FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN VAN 23 DECEMBER 2011 - GEVOLGEN

  1. Algemeenheden
  1. De bevoegdheden van bepaalde diensten van de directe belastingen werden gewijzigd door een beslissing van de Voorzitter van het Directiecomité van de Federale Over- heidsdienst Financiën van 23 december 2011 (BS 11 januari 2012, blz. 807).
  1. Ten eerste worden de bevoegdheden met betrekking tot het ontvangen en het behandelen van de aangiften inzake de roerende voorheffing, vroeger behorend tot de ontvangkantoren, overgedragen aan bepaalde diensten belast met de vestiging van de belasting.

De bovengenoemde beslissing in verband hiermee werd genomen op grond van artikel 1 van het Koninklijk besluit van 10 mei 2010 tot wijziging van het KB/WIB 92 wat de aangifte inzake roerende voorheffing betreft (BS 14 mei 2010, Ed. 2, blz. 26474), dat beantwoordt aan de voorschriften van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat, inzake de onverenigbaarheid van het ambt van ordonnateur en rekenplichtige.

Ter uitvoering van die bepaling, worden in artikel 85, eerste lid, van het KB/WIB 92, de woorden "aan de in artikel 84 vermelde ontvanger" vervangen door de woorden "aan de dienst aangeduid door de Minister of zijn gedelegeerde".

  1. De beslissing van 23 december 2011 stelt:

Artikel 1. De volgende diensten zijn bevoegd voor het ontvangen en behandelen van de aangiften inzake de roerende voorheffing:

a) het Centraal Taxatiekantoor Gent Vennootschappen voor de schuldenaars inzake de roerende voorheffing waarvan de fiscale woonplaats, de maatschappelijke zetel, de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer in het Vlaamse Gewest gevestigd is;

b) het Centraal Taxatiekantoor Brussel-II Vennootschappen voor de schuldenaars inzake de roerende voorheffing waarvan de fiscale woonplaats, de maatschappelijke zetel, de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gevestigd is, alsmede voor de belastingplichtigen bedoeld in artikel 227 van het WIB 92;

c) het Centraal Taxatiekantoor Luik Vennootschappen voor de schuldenaars inzake de roerende voorheffing waarvan de fiscale woonplaats, de maatschappelijke zetel, de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer in het Waalse Gewest met uitzondering van het Duitse taalgebied, gevestigd is;

d) de Controle Vennootschappen van Eupen voor de schuldenaars inzake de roerende voorheffing waarvan de fiscale woonplaats, de maatschappelijke zetel, de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer in het Duitse taalgebied gevestigd is.

  1. Anderzijds wijzigt de beslissing van 23 december 2011 de bevoegdheid van bepaalde ontvangkantoren. In dat verband past die beslissing binnen het kader van het ter beschikking stellen van een elektronische aangifte in de roerende voorheffing, voorgeschreven in artikel 2 van bovengenoemd Koninklijk besluit van 10 mei 2010.
  1. De beslissing stelt:

Artikel 2. De bevoegdheid van de ontvanger van de Dienst der Voorafbetalingen wordt uitgebreid met de inning van de roerende voorheffing en de belasting op de werknemersparticipatie.

Evenwel, bij gebrek aan betaling binnen de termijn bepaald bij artikel 412 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 worden, overeenkomstig de bepalingen van het artikel 304 van voormeld wetboek, de verschuldigde sommen opgenomen in kohieren en wordt de inning en invordering ervan uitgevoerd door de bevoegde ontvanger der directe be lastingen, méér bepaald door:

a) de ontvanger van Gent-4 voor de schuldenaars waarvan de fiscale woonplaats, de maatschappelijke zetel, de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer in het Vlaamse Gewest, gevestigd is;

b) de ontvanger van Brussel-6 voor de schuldenaars waarvan de fiscale woonplaats, de maatschappelijke zetel, de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gevestigd is, alsmede voor de belastingplichtigen bedoeld in artikel 227 van het WIB 92;

c) de ontvanger van Luik-5 voor de schuldenaars waarvan de fiscale woonplaats, de maatschappelijke zetel, de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer in het Waalse Gewest, met uitzondering van het Duitse taalgebied, gevestigd is;

d) de ontvanger van Eupen voor de schuldenaars waarvan de fiscale woonplaats, de maatschappelijke zetel, de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer in het Duitse taalgebied, gevestigd is.

De huidige ontvangkantoren behouden evenwel hun bevoegdheid (zowel inzake de inning als inzake de invordering) voor de kohieren betreffende de roerende voorheffing of de belasting op de werknemersparticipatie welke nog op hun kantoor zouden worden gevestigd.

Artikel 3. Deze beslissing treedt in werking op 1 januari 2012.

  1. Deze circulaire heeft tot doel de effecten te verduidelijken van de wijzigingen ingevolge de beslissing van 23 december 2011 op de territoriale bevoegdheid van de directeurs der belastingen inzake administratieve geschillen en op de territoriale bevoegdheid van de rechtbanken van eerste aanleg die moeten beslissen over de geschillen met betrekking tot de toepassing van een belastingwet ter uitvoering van artikel 569, 1e lid, 32° van het Ge rechtelijk Wetboek.

Van de gelegenheid wordt ook gebruik gemaakt om bepaalde punten met betrekking tot de bevoegdheid van de directeurs der belastingen inzake roerende voorheffing te verduidelijken.

  1. Administratieve geschillen

B.1. Administratief beroep ingediend door rijksinwoners

  1. Krachtens artikel 366, 1e lid, WIB 92, moet het bezwaarschrift worden ingediend bij "de directeur der belastingen in wiens ambtsgebied de aanslag, de verhoging en de boete zijn gevestigd".

De directeur der belastingen zelf of de door hem gedelegeerde ambtenaar is bevoegd om bij met redenen omklede beslissing uitspraak te doen overeenkomstig arti kel 375, § 1, WIB 92 en artikel 376ter, WIB 92.

Krachtens artikel 366, 2e en 3e lid, WIB 92, blijft het bezwaarschrift geldig ingediend wanneer het gebracht wordt voor een andere directeur der belastingen, die het van ambtswege doorzendt aan de territoriaal bevoegde directeur.

  1. Voor elke spontaan gestorte of ingekohierde voorheffing en voor elke belasting bestaat er een "plaats van vestiging van de belasting" die "gemeente van aanslag" wordt ge noemd. De territoriaal bevoegde directeur der belastingen is dus diegene in wiens ambtsgebied de gemeente van aanslag is gelegen (Com.IB 366/30).

Indien het aan de bron ingehouden of ingekohierde roerende voorheffing betreft, moeten onverminderd het 2e en 3e lid van artikel 366, WIB 92, de schuldenaars van de inkomsten of de begunstigde inwoners hun administratief beroep indienen bij de directeur der belastingen in wiens ambtsgebied de gemeente ligt die de aanslagdienst bepaalt, belast met de regularisatie van hun belastingtoestand (Com.IB 366/31).

  1. Wat evenwel de aanvragen door rijksinwoners tot teruggave van roerende voorheffingen krachtens internationale verdragen ter voorkoming van dubbele belasting betreft, is de Gewestelijk directeur te Brussel II-Vennootschappen bevoegd, in de mate dat hij een adviserende bevoegdheid uitoefent. Com.IB 366/32, 1e lid, moet zo worden gelezen.

De Gewestelijk directeur te Brussel II-Vennootschappen en zijn diensten – die regelmatig gevat worden met problemen dienaangaande – zijn het best geplaatst om hun collega’s, die moeten beslissen in geschillen met betrekking tot de toepassing van internatio nale verdragen, in te lichten en raad te geven. Dat advies verzekert eveneens een bepaalde eenheid en samenhang in de beslissingen, genomen ter uitvoering van internationale verdragen tussen België en zijn buitenlandse partners.

  1. Bijgevolg moeten de administratieve beroepen inzake de toepassing van interna tionale verdagen ter voorkoming van dubbele belasting:

- in principe worden ingediend bij de territoriaal bevoegde directeur der belastingen, te weten de directeur der belastingen in wiens ambtsgebied de gemeente ligt die de aanslagdienst bepaalt, belast met de regularisatie van de belastingtoestand van de schulde naar van de voorheffing of van de begunstigde van de inkomsten, en die beslissingsbevoegheid heeft;

- indien zij evenwel rechtstreeks werden ingediend bij de Gewestelijk directeur te Brus- sel II-Vennootschappen, behoort het aan deze laatste om advies te geven over het administratief beroep alvorens het overeenkomstig artikel 366, 2e en 3e lid, WIB 92 door te sturen naar de territoriaal bevoegde gewestelijk directeur die beslist.

De Com.IB 366/32 zal bijgevolg worden aangepast.

Beroep tegen aangegeven en spontaan gestorte roerende voorheffing

  1. Vanaf 1 januari 2012 kunnen de schuldenaars van roerende voorheffing een elektronische aangifte indienen via de toepassing on line www.rv-on-web.be. Bij de invoering van de elektronische aangifte wordt aan de schuldenaar een gestructureerde mededeling gedaan om de betaling van de voorheffing op een enige financiële rekening, gangbaar in gans het Koninkrijk, te doen (cf. infra, nr. 22).
  1. De aangiften ingediend op "papier" moeten worden geadresseerd:

- aan het centraal taxatiekantoor te Gent-Vennootschappen voor de schuldenaars gevestigd in het Vlaamse Gewest;

- aan het centraal taxatiekantoor Brussel II-Vennootschappen voor de schuldenaars ge vestigd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;

- aan het centraal taxatiekantoor te Luik-Vennootschappen voor de schuldenaars gevestigd in het Waalse Gewest;

- aan de Controle Vennootschappen te Eupen voor de schuldenaars gevestigd in het Duits taalgebied.

De betaling van de verschuldigde roerende voorheffing volgens een aangifte ingediend op "papier" moet eveneens op de enige financiële rekening voor gans België worden gestort (cf. infra, nr. 24).

  1. Onverminderd artikel 366, 2e en 3e lid, WIB 92, moeten de administratieve beroepen tegen de aangegeven of spontaan gestorte roerende voorheffingen ingediend door rijksinwoners altijd, in principe, worden geadresseerd aan de directeur der belastingen in wiens ambtsgebied de gemeente ligt die de aanslagdienst bepaalt, belast met de regularisatie van hun belastingtoestand, volgens de principes uitgelegd supra, nrs. 7 en 8.

Evenwel, in het geval beoogd onder nrs. 9 en 10, mogen zij rechtstreeks worden ingediend bij de Gewestelijk directeur te Brussel II-Vennootschappen, maar de beslissing zal door de territoriaal bevoegde directeur worden genomen.

Beroep tegen aangegeven en ingekohierde maar niet binnen de wettelijke termijn gestorte roerende voorheffingen

  1. Bij ontstentenis van storting binnen de termijn van vijftien dagen bepaald in artikel 412, WIB 92, worden de verschuldigde bedragen in kohieren opgenomen volgens arti kel 304 van hetzelfde Wetboek (cf. Beslissing van 23 december 2011, art. 2, 2e lid en nr. 26, hierna).

Administratieve beroepen tegen ingekohierde roerende voorheffingen moeten in dat geval worden ingediend bij de territoriaal bevoegde directeur der belastingen volgens de regels uiteengezet onder nrs. 7 tot 10. Het kohieruittreksel vermeldt de gemeente van aanslag en de directeur der belastingen aan wie een eventueel administratief beroep moet worden geadresseerd.

Beroep tegen ingekohierde roerende voorheffingen als gevolg van een onregelmatigheid in de aangifte ingediend door de schuldenaar

  1. De vier aanslagdiensten vernoemd onder nr. 12 zijn bevoegd voor het ontvan gen en het behandelen van de aangiften inzake de roerende voorheffing.

Wanneer die diensten een onregelmatigheid in de aangifte ingediend door de schuldenaar ontdekken, kunnen zij de onderzoeksdaden stellen beschreven in Hoofdstuk III, WIB 92, bv. een vraag om inlichtingen aan de schuldenaar, eventueel een bericht van wijziging of een kennisgeving van ambtshalve aanslag.

Bij ontstentenis van antwoord of onvolledig antwoord vanwege de schuldenaar, wordt de voorheffing door voormelde aanslagdiensten op zijn naam ingekohierd.

  1. In dat geval zijn de regels hierboven uiteengezet onder nrs. 7 tot 10 eveneens van toepassing en de kohieruittreksels vermelden de gemeente van aanslag en de territoriaal bevoegde directeur.

Er wordt beklemtoond dat op die basisregels niet wordt teruggekomen door de tussenkomst van de bevoegde aanslagdiensten in het kader van de behandeling van aangiften. Zo is bij inkohiering van een bedrag in de roerende voorheffing op naam van een schuldenaar met fiscale woonplaats in Namen (gemeente van aanslag) de Gewestelijk directeur van Namen bevoegd om het administratief beroep te behandelen, zelfs indien het onderzoek van de aangifte van de voorheffing en de inkohiering door het CTK Luik-Vennootschappen, bevoegd voor gans het Waalse Gewest, wordt gedaan.

Beroep tegen ingekohierde roerende voorheffingen ingevolge het onderzoek naar de globale fiscale toestand van de schuldenaar

  1. Indien in het kader van het onderzoek naar de fiscale toestand van een belastingplichtige blijkt dat roerende voorheffingen niet werden ingehouden of op een wijze die niet volgens de wettelijke bepalingen is, worden de bedragen ingekohierd door de aanslagdiensten belast met het onderzoek.

In dat geval moet het eventueel administratief beroep ingediend tegen de ingekohierde roerende voorheffing eveneens worden geadresseerd aan de territoriaal bevoegde directeur der belastingen volgens de principes supra (nrs. 7 tot 10) en het kohieruittreksel vermeldt de gemeente van aanslag en de bevoegde beroepsinstantie.

B.2. Administratief beroep ingediend door niet-inwoners

  1. Administratieve beroepen ingediend door niet-inwoners moeten worden ge adresseerd aan de Gewestelijk directeur te Brussel II-Vennootschappen die als enige bevoegd is om te beslissen over die beroepen.

Er wordt benadrukt dat de hierboven vermelde regel voortaan geldt, niet alleen voor de verzoeken gegrond op internationale verdragen ter voorkoming van dubbele belasting, maar eveneens voor die welke ertoe strekken de verzaking van de inning van de roerende voorheffing in hoofde van de spaarders niet-inwoners overeenkomstig de artikelen 106 en 107, KB/WIB 92 te bekomen.

  1. Overeenkomstig artikel 119, § 1, 2°, KB/WIB 92 kunnen de spaarders niet- inwoners die werkelijk de verzaking van de inning van de roerende voorheffing genieten de teruggave van de bij de bron ingehouden roerende voorheffing bekomen bij de directeur der belastingen in wiens ambtsgebied de roerende voorheffing is gestort.

Vanaf 1 januari 2012 moeten alle betalingen aan de bron inzake roerende voorhef fing worden verricht op de enige financiële rekening van het Inningscentrum roerende voorhef fing te Brussel (zie infra nr. 22). Met toepassing van artikel 119, KB/WIB 92, behoren de ver zoeken tot teruggave van de roerende voorheffing ingediend door niet-inwoners op grond van de beschikkingen van intern recht vanaf dan tot de exclusieve bevoegdheid van de Gewestelijke directie te Brussel II-Vennootschappen, met inbegrip van de beslissing.

  1. Die wijziging heeft betrekking op de bezwaarschriften ingediend tegen de roerende voorheffingen gestort vanaf 1 januari 2012.
  1. Gerechtelijke geschillen
  1. Overeenkomstig artikel 632 Gerechtelijk Wetboek, aangevuld door het KB van 25 maart 1999, zelf gewijzigd door het KB van 6 maart 2002 (BS 27.3.1999 en 12.3.2002), wordt de territoriale bevoegdheid van de rechtbanken van eerste aanleg, die moeten beslissen over geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet, met name bepaald door het gebied waarin het kantoor is gelegen waar de belasting is of moet worden geïnd, te weten de plaats waar het ontvangkantoor is gevestigd.

Beroep tegen aangegeven en spontaan gestorte roerende voorheffingen

  1. Overeenkomstig artikel 2, 2e lid, van de beslissing van 23 december 2011, wordt de bevoegdheid van de ontvanger van de Dienst der Voorafbetalingen uitgebreid met de inning van de roerende voorheffing en de belasting op de werknemersparticipatie (1).

(1) Een belasting en een aanvullende belasting gelijkgesteld met de inkomstenbelasting worden gevestigd ten laste van de werknemers, beoogd in de wet van 22 mei 2001 inzake de stelsels van werknemersparticipatie in het kapitaal en de winsten van vennootschappen. De stortingswijze, de vestiging en de inning van die belastingen worden bepaald volgens de regels die van toepassing zijn op gebied van de roerende voorheffing (Artikel 119 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen).

In de praktijk moeten vanaf 1 januari 2012 de spontaan gestorte roerende voorheffing en de belasting op de werknemersparticipatie door de schuldenaar worden verricht op de enige financiële rekening van het Inningscentrum roerende voorheffing, dat onder de bevoegdheid valt van de ontvanger van de Dienst der Voorafbetalingen (cf. met name het bericht van 19 december 2011 op de internetsite van de FOD Financiën, www.minfin.fgov.be).

  1. Het ontvangkantoor "Dienst Voorafbetalingen" is gevestigd Koning Albert II- laan, 33 te 1030 Brussel.

Daaruit volgt dat de rechtszaak tegen de door de schuldenaar aangegeven en spontaan gestorte roerende voorheffingen of de belastingen op de werknemersparticipatie in de Schatkist, uitsluitend moet worden ingesteld voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Beroep tegen de aangegeven maar niet binnen de wettelijke termijn gestorte en ingekohierde roerende voorheffing

  1. Overeenkomstig artikel 2, 2e lid, van de beslissing van 23 december 2011, worden, bij gebrek aan betaling binnen de termijn bepaald bij artikel 412, WIB 92, de verschuldigde sommen overeenkomstig de bepalingen van artikel 304 van voormeld wetboek opgenomen in kohieren en wordt de inning en invordering ervan uitgevoerd door de bevoegde ontvanger der directe belastingen, meer bepaald door:

- de ontvanger van Gent-4 voor de schuldenaar gevestigd in het Vlaamse Gewest;

- de ontvanger van Brussel-6 voor de schuldenaar gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of indien het een niet-rijksinwoner betreft;

- de ontvanger van Luik-5 voor de schuldenaar gevestigd in het Waalse Gewest;

- de ontvanger van Eupen voor de schuldenaar gevestigd in het Duitse taalgebied.

  1. Krachtens artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn alleen de rechtbanken van eerste aanleg van Gent, Brussel, Luik en Eupen bevoegd om kennis te nemen van de rechtszaken tegen de roerende voorheffing of de belasting op de werknemersparticipatie, ingekohierd volgens artikel 2, 2e lid van de beslissing, naargelang de plaats van het ontvangkantoor, belast met de inning en invordering van de voorheffingen volgens die beslissing.

Beroep tegen ingekohierde roerende voorheffingen als gevolg van een onregelmatigheid in de aangifte ingediend door de schuldenaar

  1. Wanneer de voorheffing is ingekohierd door toedoen van voornoemde aanslagdiensten onder de omstandigheden bepaald supra nr. 15, is de inkohiering uitgevoerd voor rekening van één van de vier ontvangkantoren vermeld in artikel 2, 2e lid, van de beslissing, te weten Gent-4, Brussel-6, Luik-5 of Eupen, volgens de woonplaats of de plaats van vestiging van de schuldenaar.

De rechtszaken ingesteld tegen de roerende voorheffing of de belasting op de werknemersparticipatie, ingekohierd in dat geval, behoren vanaf dan ook, volgens het geval, tot de exclusieve bevoegdheid van de rechtbanken van eerste aanleg van Gent, Brussel, Luik en Eupen.

Beroep tegen roerende voorheffingen ingekohierd als gevolg van het onderzoek naar de glo bale fiscale toestand van de schuldenaar

  1. Ingeval de roerende voorheffing wordt ingekohierd in het kader van het onderzoek naar de fiscale toestand van de schuldenaar, wordt er ingekohierd op initiatief van de aanslagdienst die het onderzoek verricht en voor rekening van het "lokaal" ontvangkantoor, bepaald volgens de gewone regels.

Dat is wat in artikel 2, 3e lid, van de beslissing van 23 december 2011 wordt bedoeld waarin wordt gesteld dat "De huidige ontvangkantoren behouden (…) hun bevoegdheid (zowel inzake de inning als inzake de invordering) voor de kohieren betreffende de roerende voorheffing of de belasting op de werknemersparticipatie welke nog op hun kantoor zouden worden gevestigd".

  1. In dat geval kunnen de geschillen worden gevoerd voor de rechtbanken van eerste aanleg die territoriaal bevoegd zijn inzake fiscale geschillen (zie nr. 21).
  1. De wijzigingen aan de territoriale bevoegdheid van de rechtbanken van eerste aanleg als gevolg van de beslissing van 23 december 2011, betreffen rechtszaken ingesteld tegen de roerende voorheffingen of de belastingen op werknemersparticipatie, die gestort of in gekohierd zijn vanaf 1 januari 2012.

II. HERSTEL VAN ARTIKEL 368, WIB 92

  1. Ingevolge artikel 20 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen (BS 30 december 2011, Ed. 4. blz. 81647) wordt artikel 368, WIB 92, opgeheven bij de wet van 15 maart 1999, hersteld als volgt:

"Bij gebrek aan een kennisgeving van de inning van de bedrijfsvoorheffing en de roerende voorheffing op een andere wijze dan per kohier, verjaart de aanvraag tot terugbetaling van deze voorheffingen die ten onrechte in de Schatkist werden gestort, na vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar waarin deze voorheffingen gestort zijn geweest."

  1. Zoals blijkt uit de voorbereidende werken (Amendement nr. 1 neergelegd door

M. Giet en consoorten, Parl. St. Kamer nr. 53/1952/004, blz. 6) begint, bij gebrek aan een kennisgeving van de inning door de administratie, de termijn van zes maanden voorgeschreven in artikel 371, WIB 92 niet te lopen. Dan rijst de vraag naar de verjaring van de procedure tot teruggave van onverschuldigde bedrijfsvoorheffingen en roerende voorheffingen, gestort in de Schatkist.

Overeenkomstig artikel 113 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat en van artikel 167, titel 15, van de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (BS 31 december 2010, Ed. 3) die de inwerkingtreding van hogervermelde wet regelt, is de verjaringstermijn volgens het gemeen recht, te weten de termijn van tien jaar bepaald in artikel 2262bis, § 1, 1e lid BW, theoretisch van toepassing vanaf 1 januari 2011, daar de vraag tot teruggave van de gestorte onverschuldigde voorheffing als een persoonlijke vordering moet worden beschouwd.

Om te vermijden dat de mogelijkheid blijft bestaan dat de schuldenaar een teruggave van voorheffing gedurende tien jaar vraagt, voorziet het hersteld artikel 368, WIB 92, in een specifieke termijn van vijf jaar voor vragen tot teruggave van bedrijfsvoorheffingen en roerende voorheffingen indien die voorheffingen niet werden ingekohierd en geen kennisgeving van de inning door de administratie werd verzonden.

  1. Overeenkomstig artikel 24 van de wet van 28 december 2011 is arti kel 368 nieuw, WIB 92 van toepassing op de bedrijfsvoorheffingen en roerende voorheffingen gestort vanaf 1 januari 2011.

Om te vermijden dat hogervermelde termijn van tien jaar werkelijk geldt voor onverschuldigde voorheffingen gestort vanaf 1 januari 2011, treedt de nieuwe wet in werking op dezelfde datum (Amendement nr. 1 neergelegd door M. Giet en consoorten, Parl. St. Kamer nr. 53/1952/004, blz. 11; zie ook advies Raad van State, Parl. St. nr. 53/1952/013, blz. 12).

  1. Overeenkomstig artikel 368 nieuw, WIB 92 mogen de bezwaarschriften tegen de aan de bron ingehouden en gestorte roerende voorheffingen en bedrijfsvoorheffingen vanaf 1 januari 2011, door de schuldenaars en de begunstigden van de inkomsten (inwoners en niet-inwoners) dus worden ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar tijdens hetwelk de voorheffingen werden gestort.

Evenwel blijft de termijn van zes maanden, voorgeschreven in artikel 371, WIB 92, van toepassing indien de bedrijfsvoorheffingen en roerende voorheffingen het onderwerp zijn van een inkohiering of van een kennisgeving van de inning.

III. AANDACHTSPUNT – ONDERZOEK VAN GESCHILLEN INZAKE ROERENDE VOOR- HEFFINGEN EN BEDRIJFSVOORHEFFINGEN INGEDIEND DOOR DE SCHULDENAARS EN DE BEGUNSTIGDEN VAN DE INKOMSTEN

  1. Zowel de begunstigde als de schuldenaar van de inkomsten kunnen een administratief beroep indienen tegen de roerende voorheffingen en de bedrijfsvoorheffingen, gestort na inhouding op de belastbare inkomsten (Com.IB 366/3).

Evenwel wordt eraan herinnerd dat men zeker moet vermijden dat aan de schuldenaar en aan de begunstigde van de inkomsten eenzelfde teruggave wordt verleend.

Wanneer het onderzoek van een geschil inzake roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing leidt tot een voorstel tot ontheffing, raadpleegt de onderzoekende ambtenaar de toepassing Workflow geschillen om na te gaan of de inhoudingen aan de bron niet reeds het onderwerp waren van een eerste administratief beroep (door de schuldenaar of de begunstigde van de inkomsten) dat aanleiding gaf tot een gehele of gedeeltelijke teruggave van de voorheffing. In bevestigend geval moet het bezwaarschrift of het verzoek om ambtshalve ontheffing worden verworpen.

Voor de Administrateur-generaal van de fiscaliteit:

De Auditeur-generaal van financiën, Diensthoofd,

Marianne BALLEUX