Circulaire nr. Ci.RH.331/569.665 (AOIF 19/2005) van 14.04.2005
CIRC 14.04.05/3
AANSLAG IN DE PB
Gemeenschappelijke aanslag voor echtgenoten
Gemeenschappelijke aanslag voor wettelijk samenwonenden
BELASTINGVERMINDERING VOOR HET LANGE TERMIJNSPAREN
Kapitaalaflossing van een hypothecaire lening
Premie van een individuele levensverzekering
Voorwaarde van aftrekbaarheid
HERVORMINGSWET 2001
Hervorming van de PB
VERHOOGDE BELASTINGVERMINDERING VOOR HET BOUWSPAREN
Kapitaalaflossing van een hypothecaire lening
Premie van een individuele levensverzekering
Voorwaarde van aftrekbaarheid
Aan alle ambtenaren.
INHOUDSOPGAVE
I. INLEIDING
1. Deze circulaire bespreekt de weerslag van de W 10.8.2001 houdende hervorming van de personenbelasting (BS 20.9.2001 - V 2971 - Bull. 821, blz. 2728) (hierna W 10.8.2001 genoemd) op de regels die gelden inzake de verminderingen voor het lange termijnsparen en het bouwsparen m.b.t. de premies van individuele levensverzekeringen en de kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen.
II. WETTEKSTEN
2. W 10.8.2001
Art. 2
Artikel 2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 () wordt vervangen als volgt :
" Art. 2. Voor de toepassing van dit Wetboek, van de bijzondere wetsbepalingen op het stuk van de inkomstenbelastingen en van de tot uitvoering ervan genomen besluiten hebben de volgende termen de betekenis die is bepaald in dit artikel.
(…)
2° Gehuwden en echtgenoten - wettelijk samenwonenden
De wettelijk samenwonenden worden gelijkgesteld met gehuwden, en een wettelijk samenwonende wordt gelijkgesteld met een echtgenoot.
(…)".
Art. 31
In artikel 145^4 van hetzelfde Wetboek [WIB 92.], ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in 1°, b, vervallen de woorden " of 60 jaar, naargelang het een man of een vrouw betreft" en de woorden " of van 60";
2° in 2°, a, vervallen de woorden " of 60 jaar, naargelang het een man of een vrouw betreft".
Art. 61
In hetzelfde Wetboek [WIB 92.] wordt een artikel 525 ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 525. Artikel 145^4, 2°, a, zoals het bestond voor het door artikel 31 van de wet van 10 augustus 2001 werd gewijzigd, blijft van toepassing op de contracten die zijn afgesloten vóór 1 januari 2002.".
Art. 65
De artikelen (…) 31, 1°, (…) treden in werking vanaf aanslagjaar 2002.
(…)
De artikelen (…) 31, 2°, (…) 61 (…) treden in werking vanaf aanslagjaar 2003.
(…)
De artikelen 2 (…) treden in werking vanaf aanslagjaar 2005.
III. PREMIES VAN INDIVIDUELE LEVENSVERZEKERINGEN
A. Maximumleeftijd bij het aangaan van het levensverzekeringscontract (*)
[(*) Betreft de premies die in aanmerking komen voor de vermindering voor het lange termijnsparen of voor de verhoogde vermindering voor het bouwsparen. Wat de vermindering voor het bouwsparen betreft, verwijst art 145^19, eerste lid, WIB 92 immers naar de voorwaarden die in art. 145^4, WIB 92 vermeld zijn.]
3. Vóór het door art. 31, 1°, W 10.8.2001 werd gewijzigd, stelde art. 145^4, 1°, b, WIB 92 als voorwaarde voor de toekenning van de belastingvermindering voor de premies van individuele levensverzekeringen, dat het levensverzekeringscontract moest zijn aangegaan vóór de leeftijd van 65 of 60 jaar, naargelang de belastingplichtige een man of een vrouw was.
Om te vermijden dat belastingplichtigen die de leeftijd van 65 jaar (mannen) of 60 jaar (vrouwen) reeds hadden bereikt, die voorwaarde zouden omzeilen door contracten die zij vóór die leeftijd hadden aangegaan, tot na de oorspronkelijk bepaalde termijn te verlengen, opnieuw van kracht te maken, te wijzigen of te verhogen, bepaalde datzelfde art. 145^4, 1°, b, WIB 92 tevens dat de desbetreffende contracten in die omstandigheden geacht werden niet vóór die leeftijd te zijn aangegaan (zie ook Com.IB 92, nr. 145^4/31).
4. Het onderscheid dat inzake de maximumleeftijd bij het aangaan van een levensverzekeringscontract werd gemaakt tussen mannen (vóór de leeftijd van 65 jaar) en vrouwen (vóór de leeftijd van 60 jaar) dateert nog uit de tijd dat de pensioenleeftijd voor mannen 65 jaar en voor vrouwen 60 jaar bedroeg. Aangezien de pensioenleeftijd voor vrouwen inmiddels geleidelijk tot 65 jaar wordt opgetrokken (zie dienaangaande art. 3, KB 23.12.1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de Wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels - BS 17.1.1997 - en circ. Ci.RH.332/517.431 van 21.12.1999 - Bull. 801, blz. 400), heeft art. 31, 1°, W 10.8.2001 het onderscheid tussen mannen en vrouwen, dat nadelig was voor vrouwen, weggewerkt door te bepalen dat het verzekeringscontract zowel voor mannen als voor vrouwen "vóór de leeftijd van 65 jaar" moet zijn aangegaan.
5. Die wijziging, die dus een versoepeling van de desbetreffende voorwaarde inhoudt voor vrouwen, is overeenkomstig art. 65, eerste lid, W 10.8.2001 in werking getreden vanaf aanslagjaar 2002.
B. Minimumleeftijd op de vervaldag van het levensverzekeringscontract (*)
[(*) Betreft de premies die in aanmerking komen voor de vermindering voor het lange termijnsparen of voor de verhoogde vermindering voor het bouwsparen. Wat de vermindering voor het bouwsparen betreft, verwijst art 145^19, eerste lid, WIB 92 immers naar de voorwaarden die in art. 145^4, WIB 92 vermeld zijn.]
6. Vóór het door art. 31, 2°, W 10.8.2001 werd gewijzigd, bepaalde art. 145^4, 2°, a, WIB 92 dat de belastingvermindering voor de premies van individuele levensverzekeringen slechts kon worden verleend indien de voordelen bij leven waren bedongen vanaf de leeftijd van 65 of 60 jaar naargelang de belastingplichtige een man of een vrouw was (zie ook Com.IB 92, nrs. 145^4/38 tot 145^4 /41).
7. Om dezelfde reden als uiteengezet in nr. 4 hierboven heeft art. 31, 2°, W 10.8.2001 het onderscheid inzake leeftijd tussen mannen en vrouwen, dat in dit geval voor vrouwen voordelig was, weggewerkt door de minimumleeftijd op de vervaldag van het levensverzekeringscontract voor mannen en vrouwen eenvormig op 65 jaar te brengen.
8. Die wijziging, die dus een verstrenging van de voorwaarde inhoudt voor vrouwen, is overeenkomstig art. 65, derde lid, W 10.8.2001 in werking getreden vanaf aanslagjaar 2003, maar alleen wat de met ingang van 1.1.2002 afgesloten levensverzekeringscontracten betreft.
9. Voor de levensverzekeringscontracten die vóór 1.1.2002 zijn afgesloten, bepaalt art. 525 WIB 92, ingevoegd door art. 61, W 10.8.2001, immers dat de oude voorwaarde van toepassing blijft. De premies van levensverzekeringscontracten die vóór 1.1.2002 zijn aangegaan door vrouwen en waarin voordelen bij leven zijn bedongen vanaf de leeftijd van 60 jaar, komen dus bij voortduur in aanmerking voor belastingvermindering (voor zover alle andere voorwaarden eveneens zijn vervuld).
C. Begunstigde bij overlijden (*)
[(*) Betreft de premies die in aanmerking komen voor de vermindering voor het lange termijnsparen of voor de verhoogde vermindering voor het bouwsparen. Wat de vermindering voor het bouwsparen betreft, verwijst art 145^19, eerste lid, WIB 92 immers naar de voorwaarden die in art. 145^4, WIB 92 vermeld zijn.]
10. Overeenkomstig art. 2, 2°, WIB 92, ingevoegd door art. 2, W 10.8.2001, worden voor de toepassing van het WIB 92, de bijzondere wetten inzake inkomstenbelastingen en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten, wettelijk samenwonenden gelijkgesteld met gehuwden en wordt een wettelijk samenwonende gelijkgesteld met een echtgenoot.
Die wetswijziging heeft ook een belangrijke weerslag op het vlak van de belastingverminderingen voor de premies van individuele levensverzekeringen. Art. 145^4, 2°, b, WIB 92 bepaalt immers dat de voordelen van het contract bij overlijden moeten bedongen zijn ten gunste van de echtgenoot of van bloed-verwanten tot de tweede graad van de belastingplichtige. Aangezien een wettelijk samenwonende thans met een echtgenoot wordt gelijkgesteld, betekent dit dat de premies van een levensverzekeringscontract waarin de wettelijk samenwonende partner van de verzekerde als begunstigde bij overlijden is aangeduid, voortaan eveneens voor belastingvermindering in aanmerking kunnen komen.
11. Die wijziging is van toepassing vanaf aanslagjaar 2005 (zie art. 65, vijfde lid, W 10.8.2001) en dit ongeacht de datum waarop het levensverzekeringscontract is afgesloten. Dat betekent dat ook de premies van een vóór 1.1.2004 afgesloten levensverzekeringscontract waarin de wettelijk samenwonende partner van de verzekerde als begunstigde bij overlijden is aangeduid, vanaf aanslagjaar 2005 voor belastingvermindering in aanmerking komen (voor zover alle andere voorwaarden eveneens zijn vervuld).
D. Beoordeling van de voorwaarde inzake enige woning bij echtgenoten en wettelijk samenwonenden voor wie een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd
12. Om voor de verhoogde vermindering voor het bouwsparen in aanmerking te komen, moeten de premies van individuele levensverzekeringen overeenkomstig art. 145^17, 1°, WIB 92 dienen voor het vestigen van een kapitaal bij leven of bij overlijden dat uitsluitend bestemd is voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening die is aangegaan voor het bouwen, het verwerven of het verbouwen van een in België gelegen woning die bij het afsluiten van de hypothecaire lening de enige woning van de belastingplichtige is.
De belastingplichtige mag dus, bij het aangaan van de hypothecaire lening, geen eigenaar zijn van een andere woning dan die waarop de lening betrekking heeft, om aanspraak te kunnen maken op de verhoogde vermindering voor het bouwsparen.
13. Tot aanslagjaar 2004 werden echtgenoten voor wie een gemeenschappelijke aanslag werd gevestigd en hun minderjarige kinderen van wie de ouders het wettelijk genot van de inkomsten hadden, voor de toepassing van de voorwaarde inzake de enige woning als één enkele belastingplichtige aangemerkt, ongeacht het aangenomen huwelijksvermogensstelsel.
Dit betekende inzonderheid dat wanneer echtgenoten voor wie een gemeenschappelijke aanslag werd gevestigd, een hypothecaire lening aangingen voor het verwerven of (ver)bouwen van een woning, terwijl één van hen bij het aangaan van de lening reeds eigenaar was van een andere woning, geen van beiden voor die lening aanspraak kon maken op de verhoogde vermindering voor het bouwsparen. Die regel gold niet alleen voor de kapitaalaflossingen van die lening, maar ook voor de premies van de individuele levensverzekering(en) die zij tot waarborg of wedersamenstelling van die lening hadden aangegaan (zie Com.IB 92, nr. 145^17/9).
14. Rekening houdend met het principe van de volledige decumul van de inkomsten van echtgenoten en wettelijk samenwonenden, wordt de voorwaarde inzake de enige woning vanaf aanslagjaar 2005 voor elke echtgenoot of wettelijk samenwonende partner afzonderlijk beoordeeld en dit ongeacht de datum waarop het lenings- of het verzekeringscontract is afgesloten (*).
[(*) Ook het feit dat een minderjarig kind van de echtgenoten of van de wettelijk samenwonende partners eigenaar is van een woning bij het aangaan van de hypothecaire lening, vormt voortaan geen beletsel meer voor de toekenning van de verhoogde vermindering voor het bouwsparen wanneer zij (beiden of één van hen) het wettelijk genot van de inkomsten van het minderjarig kind hebben.]
Voorbeeld
15. Op 14.7.2000 hebben twee gehuwde belastingplichtigen samen een hypothecaire lening van 50.000 EUR aangegaan voor de aankoop van een woning. Voor de man betrof het zijn enige woning, terwijl de vrouw reeds eigenares was van een andere woning die zij in 1996 had geërfd. Tot waarborg van die lening hebben zij op 14.7.2000 elk een schuldsaldoverzekering van 25.000 EUR aangegaan, waarvoor zij zowel in 2003 als in 2004 elk een premie van 125 EUR hebben betaald.
Voor aanslagjaar 2004 kwam noch de premie van de man, noch de premie van de vrouw in aanmerking voor de verhoogde vermindering voor het bouwsparen aangezien de echtgenoten - samengenomen - bij het aangaan van de lening twee woningen bezaten.
Voor aanslagjaar 2005 daarentegen komt de premie van de man wel in aanmerking voor de verhoogde vermindering voor het bouwsparen, daar de woning waarop de lening betrekking heeft, voor hem bij het aangaan van de lening de enige woning was. De premie van de vrouw komt daarentegen niet voor die verhoogde vermindering in aanmerking, daar de woning voor haar bij het aangaan van de lening niet de enige woning was.
E. Begrenzing van de premies die in aanmerking komen voor de verhoogde vermindering voor het bouwsparen wanneer verscheidene levensverzekeringen zijn gesloten tot waarborg of wedersamenstelling van een voor de enige woning aangegane hypothecaire lening
16. Overeenkomstig art. 145^19, tweede lid, WIB 92 komen de premies van individuele levensverzekeringen voor het vestigen van een kapitaal bij leven of bij overlijden dat uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een voor de enige woning aangegane hypothecaire lening, slechts voor de verhoogde vermindering voor het bouwsparen in aanmerking in de mate dat zij betrekking hebben op de eerste schijf van 50.000 EUR, 52.500 EUR, 55.000 EUR, 60.000 EUR of 65.000 EUR (*) van het verzekerde aanvangsbedrag van de lening, naargelang de belastingplichtige geen, 1, 2, 3 of meer dan 3 kinderen ten laste heeft op 1 januari van het jaar na het jaar waarin de lening is gesloten. Het saldo van die premies wordt wel in aanmerking genomen voor de vermindering voor het lange termijnsparen.
[(*) Bedragen vóór indexering.]
17. Die begrenzing moet niet per verzekerde, maar per woning worden beoordeeld (zie circ. Ci.RH.331/542.158 van 4.1.2002, nr. 4, eerste lid - Bull. 823, blz. 785).
18. Dit betekent inzonderheid dat wanneer echtgenoten, tot waarborg of wedersamenstelling van een hypothecaire lening m.b.t. hun enige woning, elk afzonderlijk een individuele levensverzekering hebben gesloten, die begrenzing moet worden toegepast ten aanzien van beide echtgenoten samen. Zij mogen evenwel zelf bepalen in welke verhouding zij het toepasselijke grensbedrag over hun verzekerde kapitalen verdelen, met dien verstande dat het per echtgenoot in aanmerking genomen gedeelte van dat grensbedrag het op zijn/haar hoofd verzekerde kapitaal niet mag overschrijden (zie circ. Ci.RH.331/542.158 van 4.1.2002, nrs. 3, 4, tweede lid, en 7).
19. Als gevolg van de in art. 2, 2°, WIB 92 bepaalde gelijkstelling van de wettelijk samenwonenden met de gehuwden (zie ook nr. 10, eerste lid) geldt de in nr. 18 vermelde regeling vanaf aanslagjaar 2005 ook voor de wettelijk samenwonenden.
20. In geval van toepassing van de in de nrs. 18 en 19 vermelde regeling mag bij het vaststellen van het in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 beoogde aantal kinderen ten laste, rekening worden gehouden met alle kinderen die op 1 januari van het jaar na dat waarin de lening gesloten is, ten laste waren, hetzij van één van beide, hetzij van beide echtgenoten of wettelijk samenwonenden.
21. De bovenvermelde regeling is echter uitsluitend van toepassing wanneer de woning voor beide echtgenoten of wettelijk samenwonenden hun enige woning is.
Wanneer de woning slechts voor één van beiden de enige woning is, terwijl de andere echtgenoot of partner nog een andere woning bezit, kan alleen de eerstgenoemde echtgenoot of partner aanspraak maken op de verhoogde vermindering voor het bouwsparen en moet het in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 bedoelde grensbedrag tot zijn aandeel in de woning worden herleid.
Voor de toepassing van die herleiding wordt een woning die tot het gemeenschappelijk vermogen behoort van echtgenoten die gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel, geacht voor de helft aan elke echtgenoot toe te behoren.
22. Wanneer niet gehuwde, noch wettelijk samenwonende mede-eigenaars van een woning in onverdeeldheid, elk afzonderlijk een individuele levensverzekering hebben aangegaan tot waarborg of wedersamenstelling van een hypothecaire lening m.b.t. die woning die voor ieder van hen de enige woning is, moet voor elke mede-eigenaar afzonderlijk het in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 bedoelde grensbedrag worden vastgesteld en tot zijn aandeel in de onverdeeldheid worden herleid (zie ook circ. Ci.RH.331/542.158 van 4.1.2002, nrs. 4, derde lid, en 8).
Voorbeeld 1
23. In 2002 hebben twee wettelijk samenwonenden hoofdelijk en onverdeeld een hypothecaire lening van 100.000 EUR aangegaan voor de aankoop van hun enige woning, waarvan zij elk voor de helft eigenaar zijn. Tot waarborg van die lening hebben zij elk een schuldsaldoverzekering gesloten van 50.000 EUR, waarvoor zij zowel in 2003 als in 2004, respectievelijk 300 en 250 EUR aan premies hebben betaald. Zij hebben 1 kind, dat op 1.1.2003 ten laste was van de vrouw.
Aanslagjaar 2004
Tot aanslagjaar 2004 werden wettelijk samenwonenden als alleenstaanden aangemerkt. Bijgevolg kwamen de door de wettelijk samenwonende partners betaalde premies voor de verhoogde vermindering voor het bouwsparen in aanmerking in de mate dat zij, voor elk van hen afzonderlijk, betrekking hadden op het voor hem/haar toepasselijke grensbedrag van het verzekerde kapitaal [58.990 EUR (1) voor de man en 61.930 EUR (2) voor de vrouw] naar rata van zijn/haar eigendomsaandeel in de woning (elk 50 %).
[(1) De in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 bedoelde eerste schijf van het verzekerde aanvangsbedrag van een lening afgesloten in 2002 door een belastingplichtige die op 1.1.2003 geen kinderen ten laste had.
(2) De in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 bedoelde eerste schijf van het verzekerde aanvangsbedrag van een lening afgesloten in 2002 door een belastingplichtige die op 1.1.2003, 1 kind ten laste had.
(3) Voor zover de in art. 145^6, eerste lid, WIB 92 vermelde grenzen niet overschreden zijn.]
Aanslagjaar 2005
Aangezien wettelijk samenwonenden vanaf aanslagjaar 2005 gelijkgesteld worden met gehuwden, moet de in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 vermelde begrenzing worden toegepast ten aanzien van beide partners samen en mogen zij zelf bepalen in welke verhouding zij het toepasselijke grensbedrag [61.930 EUR (*)] over hun verzekerde kapitalen verdelen, met dien verstande dat het gedeelte van dat grensbedrag dat bij elk van de partners in aanmerking wordt genomen het werkelijk op zijn/haar hoofd verzekerde kapitaal niet mag overschrijden. Hierna volgen enkele mogelijke verdelingen.
[(*) De in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 bedoelde eerste schijf van het verzekerde aanvangsbedrag van een lening afgesloten in 2002 door belastingplichtigen die - samengenomen - op 1.1.2003, 1 kind ten laste hadden (zie ook nr. 20).]
[(1) De in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 bedoelde eerste schijf van het verzekerde aanvangsbedrag van een lening afgesloten in 2002 door belastingplichtigen die - samengenomen - op 1.1.2003 1 kind ten laste hadden (zie ook nr. 20).
(2) Voor zover de in art. 145^6, eerste lid, WIB 92 vermelde grenzen niet overschreden zijn.
(3) Die verdeling mag evenwel niet tot gevolg hebben dat het per partner voor de verminderingen voor het bouwsparen en het lange termijnsparen samen in aanmerking te nemen bedrag, hoger is dan de werkelijk in zijnen/haren hoofde betaalde premie (d.w.z. 300 EUR voor de man en 250 EUR voor de vrouw).
(4) Het verzekerde kapitaal van de man (50.000 EUR) bedraagt immers minder dan de in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 bedoelde eerste schijf van het verzekerde aanvangsbedrag van een lening afgesloten in 2002 door belastingplichtigen die - samengenomen - op 1.1.2003, 1 kind ten laste hadden (61.930 EUR).
(5) De in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 bedoelde eerste schijf van het verzekerde aanvangsbedrag van een lening afgesloten in 2002 door belastingplichtigen die - samengenomen - op 1.1.2003, 1 kind ten laste hadden.
(6) Het verzekerde kapitaal van de man.
(7) Het verzekerde kapitaal van de vrouw.
(8) Voor zover de in art. 145^6, eerste lid, WIB 92 vermelde grenzen niet overschreden zijn.
(9) Het verzekerde kapitaal van de vrouw (50.000 EUR) bedraagt immers minder dan de in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 bedoelde eerste schijf van het verzekerde aanvangsbedrag van een lening afgesloten in 2002 door belastingplichtigen die - samengenomen - op 1.1.2003, 1 kind ten laste hadden (61.930 EUR).]
Voorbeeld 2
24. In 1997 hebben twee echtgenoten, die gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel, hoofdelijk en onverdeeld een hypothecaire lening van 80.000 EUR aangegaan voor het bouwen van een woning die deel uitmaakt van hun gemeenschappelijk vermogen. Voor de man betreft het zijn enige woning, terwijl de vrouw reeds een andere woning bezat van voor het huwelijk. De lening is gewaarborgd door een schuldsaldoverzekering van 80.000 EUR op het hoofd van de man en één van 40.000 EUR op het hoofd van de vrouw. Zowel in 2003 als in 2004 heeft de man daarvoor een premie van 400 EUR betaald en de vrouw een premie van 200 EUR. Op 1.1.1998 hadden zij twee kinderen ten laste.
Aanslagjaar 2004
Aangezien de echtgenoten - samengenomen - bij het afsluiten van de lening twee woningen bezaten, kwam noch de premie van de man, noch de premie van de vrouw voor de verhoogde vermindering voor het bouwsparen in aanmerking. Beide premies kwamen bijgevolg integraal in aanmerking voor de vermindering voor het lange termijnsparen (*).
[(*) Voor zover de in art. 145^6, eerste lid, WIB 92 vermelde grenzen niet overschreden zijn.]
Aanslagjaar 2005
[(1) Voor zover de in art. 145^6, eerste lid, WIB 92 vermelde grenzen niet overschreden zijn.
(2) De in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 bedoelde eerste schijf van het verzekerde aanvangsbedrag van een lening afgesloten in 1997 door een belastingplichtige die op 1.1.1998, 2 kinderen ten laste had.]
F. Premies van individuele levensverzekeringen gesloten tot wedersamenstelling of waarborg van een vóór 1.1.1993 aangegane hypothecaire lening m.b.t. de "eigen" woning
25. De principes uiteengezet in de nrs. 12 tot 24 gelden mutatis mutandis voor de in art. 516, § 3, WIB 92 bedoelde premies van individuele levensverzekeringen voor het vestigen van een kapitaal bij leven of bij overlijden dat uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een vóór 1.1.1993 afgesloten hypothecaire lening voor het verwerven of (ver)bouwen van de "eigen" woning (*).
[(*) D.w.z. de woning waarvoor de belastingplichtige aanspraak kan maken op de in art. 16 WIB 92 bedoelde woningaftrek.]
Dit betekent dat :
A. Beoordeling van de voorwaarde inzake enige woning bij echtgenoten en wettelijk samenwonenden voor wie een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd
26. De in art. 145^17 WIB 92 voor de toekenning van de verhoogde vermindering voor het bouwsparen gestelde voorwaarde dat de woning waarvoor een hypothecaire lening is aangegaan, bij het afsluiten van die lening de enige woning van de belastingplichtige is, geldt niet alleen inzake de premies van individuele levensverzekeringen voor het vestigen van een kapitaal bij leven of bij overlijden dat uitsluitend dient voor het waarborgen of het wedersamenstellen van die lening (zie nrs. 12 tot 15), maar ook wat de kapitaalaflossingen van die lening betreft. Het is dan ook logisch dat die voorwaarde voor beide soorten uitgaven op dezelfde wijze wordt toegepast.
Vanaf aanslagjaar 2005 wordt de voorwaarde inzake de enige woning dus ook op het vlak van de verhoogde vermindering voor het bouwsparen betreffende de kapitaalaflossingen van een hypothecaire lening voor elke echtgenoot of wettelijk samenwonende partner afzonderlijk beoordeeld, ongeacht de datum waarop het leningscontract is aangegaan.
27. Tot aanslagjaar 2004 konden echtgenoten voor wie een gemeenschappelijke aanslag werd gevestigd en die samen een hypothecaire lening hadden aangegaan voor het verwerven of (ver)bouwen van een gemeenschappelijke woning die bij het afsluiten van de lening slechts voor één van hen de enige woning was, geen van beiden aanspraak maken op de verhoogde vermindering voor het bouwsparen.
Vanaf aanslagjaar 2005 kan de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner voor wie de woning bij het afsluiten van de lening de enige woning was, daarentegen wel aanspraak maken op de verhoogde vermindering voor het bouwsparen, terwijl de andere echtgenoot of wettelijk samenwonende partner (voor wie de woning bij het afsluiten van de lening niet de enige woning was), zoals voorheen recht heeft op de vermindering voor het lange termijnsparen.
B. Verdeling van de kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen die hoofdelijk en onverdeeld zijn aangegaan voor het verwerven of (ver)bouwen van een gemeenschappelijke woning
28. Wanneer verscheidene belastingplichtigen hoofdelijk en onverdeeld een hypothecaire lening hebben aangegaan voor het verwerven of (ver)bouwen van een woning in onverdeeldheid, kan elke mede-ontlener (onder de voorwaarden en binnen de grenzen bepaald in de wet) in principe aanspraak maken op belastingvermindering voor het bedrag van de werkelijk betaalde kapitaalaflossingen, naar rata van zijn eigendomsaandeel in de woning.
29. In afwijking van dit algemene principe is in nr. 145^5/25, Com.IB 92 evenwel bepaald dat de kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen die hoofdelijk en onverdeeld zijn aangegaan door echtgenoten voor het verwerven of (ver)bouwen van een woning waarin zij beiden een eigendomsrecht hebben, onder de echtgenoten mogen worden verdeeld volgens de door hen gekozen wijze van omdeling.
30. Als gevolg van het feit dat de in art. 145^17, 1°, WIB 92 vermelde voorwaarde inzake de enige woning, vanaf aanslagjaar 2005 per echtgenoot moet worden beoordeeld (waardoor de ene echtgenoot voortaan recht kan hebben op de verhoogde vermindering voor het bouwsparen, terwijl de andere echtgenoot slechts recht heeft op de vermindering voor het lange termijnsparen - zie nrs. 26 en 27), mag de in nr. 29 vermelde regeling, waarbij echtgenoten de kapitaalaflossingen van een hoofdelijk en onverdeeld aangegane hypothecaire lening vrij onder elkaar mogen omdelen, vanaf aanslagjaar 2005 slechts worden toegepast in de gevallen waarin de echtgenoten allebei recht hebben op de vermindering voor het bouwsparen of allebei recht hebben op de vermindering voor het lange termijnsparen.
Dit betekent dat de hierboven bedoelde vrije omdeling van de kapitaalaflossingen alleen mogelijk is indien de woning waarvoor de lening is aangegaan, bij het afsluiten van de hypothecaire lening :
Voor de toepassing van die verdeling wordt een woning die tot het gemeenschappelijk vermogen behoort van echtgenoten die gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel, geacht voor de helft aan elke echtgenoot toe te behoren.
32. Gelet op de in art. 2, 2°, WIB 92 bepaalde gelijkstelling van de wettelijk samenwonenden met de gehuwden vanaf aanslagjaar 2005 (zie ook nr. 10, eerste lid) gelden de in de nrs. 30 en 31, eerste lid vermelde regels ook voor de wettelijk samenwonenden.
33. In geval van toepassing van de in de nrs. 30 en 32 vermelde regeling mag bij het vaststellen van het in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 beoogde aantal kinderen ten laste, rekening worden gehouden met alle kinderen die op 1 januari van het jaar na dat waarin de lening gesloten is, ten laste waren, hetzij van één van beide, hetzij van beide echtgenoten of wettelijk samenwonenden.
Voorbeeld 1
34. In 2000 hebben twee wettelijk samenwonende partners (man en vrouw) hoofdelijk en onverdeeld een hypothecaire lening aangegaan van 80.000 EUR voor de aankoop van hun enige woning, waarvan zij elk voor de helft eigenaar zijn. In 2003 en 2004 hebben zij daarvoor telkens 3.000 EUR kapitaalaflossingen gedaan. Op 1.1.2001 hadden zij twee kinderen die voor aanslagjaar 2001 door de vrouw ten laste werden genomen.
Aanslagjaar 2004
Tot aanslagjaar 2004 werden wettelijk samenwonenden als alleenstaanden aangemerkt. Bijgevolg moesten de in 2003 betaalde kapitaalaflossingen worden verdeeld volgens de eigendomsaandelen van de partners in de woning.
[(1) De in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 bedoelde eerste schijf van het aanvangsbedrag van een lening afgesloten in 2000 door een belastingplichtige die op 1.1.2001 geen kinderen ten laste had.
(2) Voor zover de in art. 145^6, eerste lid, WIB 92 vermelde grenzen niet overschreden zijn.
(3) De in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 bedoelde eerste schijf van het aanvangsbedrag van een lening afgesloten in 2000 door een belastingplichtige die op 1.1.2001, 2 kinderen ten laste had.]
Aanslagjaar 2005
Vanaf aanslagjaar 2005 worden wettelijk samenwonenden gelijkgesteld met gehuwden. De partners mogen de in 2004 betaalde kapitaalaflossingen dan ook onder elkaar verdelen volgens de door hen gekozen wijze van omdeling.
[(1) Voor zover de in art. 145^6, eerste lid, WIB 92 vermelde grenzen niet overschreden zijn.
(2) De in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 bedoelde eerste schijf van het aanvangsbedrag van een lening afgesloten in 2000 door belastingplichtigen die - samengenomen - op 1.1.2001, 2 kinderen ten laste hadden.]
Voorbeeld 2
35. Twee echtgenoten die onder het stelsel van scheiding van goederen gehuwd zijn, hebben in 2001 hoofdelijk en onverdeeld een hypothecaire lening van 75.000 EUR aangegaan voor het bouwen van een woning waarvan de man voor 1/3 en de vrouw voor 2/3 eigenaar is. Bij het afsluiten van de lening was de man reeds eigenaar van een andere woning, terwijl het voor de vrouw haar enige woning betrof. Zowel in 2003 als in 2004 hebben zij 3.750 EUR kapitaalaflossingen gedaan. Op 1.1.2002 hadden de echtgenoten 3 kinderen ten laste.
Aanslagjaar 2004
Aangezien de voorwaarde inzake de enige woning tot aanslagjaar 2004 voor beide echtgenoten samen werd beoordeeld, en zij - samengenomen - bij het afsluiten van de lening twee woningen bezaten, hadden zij allebei recht op de vermindering voor het lange termijnsparen en mochten zij de in 2003 betaalde kapitaalaflossingen onder elkaar verdelen volgens de door hen gekozen wijze van omdeling.
[(1) De in art. 145^6, tweede lid, WIB 92 bedoelde eerste schijf van het aanvangsbedrag van een in 2001 afgesloten lening.
(2) Voor zover de in art. 145^6, eerste lid, WIB 92 vermelde grenzen niet overschreden zijn.]
Aanslagjaar 2005
Vanaf aanslagjaar 2005 wordt de voorwaarde inzake de enige woning per echtgenoot beoordeeld. Bij het afsluiten van de lening was de woning waarvoor de lening is aangegaan, voor de man niet de enige woning, waardoor hij slechts recht heeft op de vermindering voor het lange termijnsparen. Voor de vrouw was de woning daarentegen wel de enige woning, zodat zij op de verhoogde vermindering voor het bouwsparen aanspraak kan maken. In de veronderstelling dat zij ook daadwerkelijk op die verhoogde vermindering voor het bouwsparen aanspraak maakt, moeten de in 2004 betaalde kapitaalaflossingen worden verdeeld volgens hun eigendomsaandelen in de woning.
[(1) De in art. 145^6, tweede lid, WIB 92 bedoelde eerste schijf van het aanvangsbedrag van een in 2001 afgesloten lening.
(2) De in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 bedoelde eerste schijf van het aanvangsbedrag van een lening afgesloten in 2001 door een belastingplichtige die op 1.1.2002, 3 kinderen ten laste had.
(3) Voor zover de in art. 145^6, eerste lid, WIB 92 vermelde grenzen niet overschreden zijn.]
C. Kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen aangegaan vóór 1.1.1993
36. De principes uiteengezet in de nrs. 26 tot 35 gelden mutatis mutandis voor de in art. 516, §§ 1 en 2, WIB 92 bedoelde kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen.
Dit betekent dat :
Voor de Administrateur-generaal
van de Belastingen en de Invordering :
De Directeur,
Stany QUINTENS
AANSLAG IN DE PB
Gemeenschappelijke aanslag voor echtgenoten
Gemeenschappelijke aanslag voor wettelijk samenwonenden
BELASTINGVERMINDERING VOOR HET LANGE TERMIJNSPAREN
Kapitaalaflossing van een hypothecaire lening
Premie van een individuele levensverzekering
Voorwaarde van aftrekbaarheid
HERVORMINGSWET 2001
Hervorming van de PB
VERHOOGDE BELASTINGVERMINDERING VOOR HET BOUWSPAREN
Kapitaalaflossing van een hypothecaire lening
Premie van een individuele levensverzekering
Voorwaarde van aftrekbaarheid
Aan alle ambtenaren.
INHOUDSOPGAVE
I. INLEIDING
1. Deze circulaire bespreekt de weerslag van de W 10.8.2001 houdende hervorming van de personenbelasting (BS 20.9.2001 - V 2971 - Bull. 821, blz. 2728) (hierna W 10.8.2001 genoemd) op de regels die gelden inzake de verminderingen voor het lange termijnsparen en het bouwsparen m.b.t. de premies van individuele levensverzekeringen en de kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen.
II. WETTEKSTEN
2. W 10.8.2001
Art. 2
Artikel 2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 () wordt vervangen als volgt :
" Art. 2. Voor de toepassing van dit Wetboek, van de bijzondere wetsbepalingen op het stuk van de inkomstenbelastingen en van de tot uitvoering ervan genomen besluiten hebben de volgende termen de betekenis die is bepaald in dit artikel.
(…)
2° Gehuwden en echtgenoten - wettelijk samenwonenden
De wettelijk samenwonenden worden gelijkgesteld met gehuwden, en een wettelijk samenwonende wordt gelijkgesteld met een echtgenoot.
(…)".
Art. 31
In artikel 145^4 van hetzelfde Wetboek [WIB 92.], ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in 1°, b, vervallen de woorden " of 60 jaar, naargelang het een man of een vrouw betreft" en de woorden " of van 60";
2° in 2°, a, vervallen de woorden " of 60 jaar, naargelang het een man of een vrouw betreft".
Art. 61
In hetzelfde Wetboek [WIB 92.] wordt een artikel 525 ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 525. Artikel 145^4, 2°, a, zoals het bestond voor het door artikel 31 van de wet van 10 augustus 2001 werd gewijzigd, blijft van toepassing op de contracten die zijn afgesloten vóór 1 januari 2002.".
Art. 65
De artikelen (…) 31, 1°, (…) treden in werking vanaf aanslagjaar 2002.
(…)
De artikelen (…) 31, 2°, (…) 61 (…) treden in werking vanaf aanslagjaar 2003.
(…)
De artikelen 2 (…) treden in werking vanaf aanslagjaar 2005.
III. PREMIES VAN INDIVIDUELE LEVENSVERZEKERINGEN
A. Maximumleeftijd bij het aangaan van het levensverzekeringscontract (*)
[(*) Betreft de premies die in aanmerking komen voor de vermindering voor het lange termijnsparen of voor de verhoogde vermindering voor het bouwsparen. Wat de vermindering voor het bouwsparen betreft, verwijst art 145^19, eerste lid, WIB 92 immers naar de voorwaarden die in art. 145^4, WIB 92 vermeld zijn.]
3. Vóór het door art. 31, 1°, W 10.8.2001 werd gewijzigd, stelde art. 145^4, 1°, b, WIB 92 als voorwaarde voor de toekenning van de belastingvermindering voor de premies van individuele levensverzekeringen, dat het levensverzekeringscontract moest zijn aangegaan vóór de leeftijd van 65 of 60 jaar, naargelang de belastingplichtige een man of een vrouw was.
Om te vermijden dat belastingplichtigen die de leeftijd van 65 jaar (mannen) of 60 jaar (vrouwen) reeds hadden bereikt, die voorwaarde zouden omzeilen door contracten die zij vóór die leeftijd hadden aangegaan, tot na de oorspronkelijk bepaalde termijn te verlengen, opnieuw van kracht te maken, te wijzigen of te verhogen, bepaalde datzelfde art. 145^4, 1°, b, WIB 92 tevens dat de desbetreffende contracten in die omstandigheden geacht werden niet vóór die leeftijd te zijn aangegaan (zie ook Com.IB 92, nr. 145^4/31).
4. Het onderscheid dat inzake de maximumleeftijd bij het aangaan van een levensverzekeringscontract werd gemaakt tussen mannen (vóór de leeftijd van 65 jaar) en vrouwen (vóór de leeftijd van 60 jaar) dateert nog uit de tijd dat de pensioenleeftijd voor mannen 65 jaar en voor vrouwen 60 jaar bedroeg. Aangezien de pensioenleeftijd voor vrouwen inmiddels geleidelijk tot 65 jaar wordt opgetrokken (zie dienaangaande art. 3, KB 23.12.1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de Wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels - BS 17.1.1997 - en circ. Ci.RH.332/517.431 van 21.12.1999 - Bull. 801, blz. 400), heeft art. 31, 1°, W 10.8.2001 het onderscheid tussen mannen en vrouwen, dat nadelig was voor vrouwen, weggewerkt door te bepalen dat het verzekeringscontract zowel voor mannen als voor vrouwen "vóór de leeftijd van 65 jaar" moet zijn aangegaan.
5. Die wijziging, die dus een versoepeling van de desbetreffende voorwaarde inhoudt voor vrouwen, is overeenkomstig art. 65, eerste lid, W 10.8.2001 in werking getreden vanaf aanslagjaar 2002.
B. Minimumleeftijd op de vervaldag van het levensverzekeringscontract (*)
[(*) Betreft de premies die in aanmerking komen voor de vermindering voor het lange termijnsparen of voor de verhoogde vermindering voor het bouwsparen. Wat de vermindering voor het bouwsparen betreft, verwijst art 145^19, eerste lid, WIB 92 immers naar de voorwaarden die in art. 145^4, WIB 92 vermeld zijn.]
6. Vóór het door art. 31, 2°, W 10.8.2001 werd gewijzigd, bepaalde art. 145^4, 2°, a, WIB 92 dat de belastingvermindering voor de premies van individuele levensverzekeringen slechts kon worden verleend indien de voordelen bij leven waren bedongen vanaf de leeftijd van 65 of 60 jaar naargelang de belastingplichtige een man of een vrouw was (zie ook Com.IB 92, nrs. 145^4/38 tot 145^4 /41).
7. Om dezelfde reden als uiteengezet in nr. 4 hierboven heeft art. 31, 2°, W 10.8.2001 het onderscheid inzake leeftijd tussen mannen en vrouwen, dat in dit geval voor vrouwen voordelig was, weggewerkt door de minimumleeftijd op de vervaldag van het levensverzekeringscontract voor mannen en vrouwen eenvormig op 65 jaar te brengen.
8. Die wijziging, die dus een verstrenging van de voorwaarde inhoudt voor vrouwen, is overeenkomstig art. 65, derde lid, W 10.8.2001 in werking getreden vanaf aanslagjaar 2003, maar alleen wat de met ingang van 1.1.2002 afgesloten levensverzekeringscontracten betreft.
9. Voor de levensverzekeringscontracten die vóór 1.1.2002 zijn afgesloten, bepaalt art. 525 WIB 92, ingevoegd door art. 61, W 10.8.2001, immers dat de oude voorwaarde van toepassing blijft. De premies van levensverzekeringscontracten die vóór 1.1.2002 zijn aangegaan door vrouwen en waarin voordelen bij leven zijn bedongen vanaf de leeftijd van 60 jaar, komen dus bij voortduur in aanmerking voor belastingvermindering (voor zover alle andere voorwaarden eveneens zijn vervuld).
C. Begunstigde bij overlijden (*)
[(*) Betreft de premies die in aanmerking komen voor de vermindering voor het lange termijnsparen of voor de verhoogde vermindering voor het bouwsparen. Wat de vermindering voor het bouwsparen betreft, verwijst art 145^19, eerste lid, WIB 92 immers naar de voorwaarden die in art. 145^4, WIB 92 vermeld zijn.]
10. Overeenkomstig art. 2, 2°, WIB 92, ingevoegd door art. 2, W 10.8.2001, worden voor de toepassing van het WIB 92, de bijzondere wetten inzake inkomstenbelastingen en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten, wettelijk samenwonenden gelijkgesteld met gehuwden en wordt een wettelijk samenwonende gelijkgesteld met een echtgenoot.
Die wetswijziging heeft ook een belangrijke weerslag op het vlak van de belastingverminderingen voor de premies van individuele levensverzekeringen. Art. 145^4, 2°, b, WIB 92 bepaalt immers dat de voordelen van het contract bij overlijden moeten bedongen zijn ten gunste van de echtgenoot of van bloed-verwanten tot de tweede graad van de belastingplichtige. Aangezien een wettelijk samenwonende thans met een echtgenoot wordt gelijkgesteld, betekent dit dat de premies van een levensverzekeringscontract waarin de wettelijk samenwonende partner van de verzekerde als begunstigde bij overlijden is aangeduid, voortaan eveneens voor belastingvermindering in aanmerking kunnen komen.
11. Die wijziging is van toepassing vanaf aanslagjaar 2005 (zie art. 65, vijfde lid, W 10.8.2001) en dit ongeacht de datum waarop het levensverzekeringscontract is afgesloten. Dat betekent dat ook de premies van een vóór 1.1.2004 afgesloten levensverzekeringscontract waarin de wettelijk samenwonende partner van de verzekerde als begunstigde bij overlijden is aangeduid, vanaf aanslagjaar 2005 voor belastingvermindering in aanmerking komen (voor zover alle andere voorwaarden eveneens zijn vervuld).
D. Beoordeling van de voorwaarde inzake enige woning bij echtgenoten en wettelijk samenwonenden voor wie een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd
12. Om voor de verhoogde vermindering voor het bouwsparen in aanmerking te komen, moeten de premies van individuele levensverzekeringen overeenkomstig art. 145^17, 1°, WIB 92 dienen voor het vestigen van een kapitaal bij leven of bij overlijden dat uitsluitend bestemd is voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening die is aangegaan voor het bouwen, het verwerven of het verbouwen van een in België gelegen woning die bij het afsluiten van de hypothecaire lening de enige woning van de belastingplichtige is.
De belastingplichtige mag dus, bij het aangaan van de hypothecaire lening, geen eigenaar zijn van een andere woning dan die waarop de lening betrekking heeft, om aanspraak te kunnen maken op de verhoogde vermindering voor het bouwsparen.
13. Tot aanslagjaar 2004 werden echtgenoten voor wie een gemeenschappelijke aanslag werd gevestigd en hun minderjarige kinderen van wie de ouders het wettelijk genot van de inkomsten hadden, voor de toepassing van de voorwaarde inzake de enige woning als één enkele belastingplichtige aangemerkt, ongeacht het aangenomen huwelijksvermogensstelsel.
Dit betekende inzonderheid dat wanneer echtgenoten voor wie een gemeenschappelijke aanslag werd gevestigd, een hypothecaire lening aangingen voor het verwerven of (ver)bouwen van een woning, terwijl één van hen bij het aangaan van de lening reeds eigenaar was van een andere woning, geen van beiden voor die lening aanspraak kon maken op de verhoogde vermindering voor het bouwsparen. Die regel gold niet alleen voor de kapitaalaflossingen van die lening, maar ook voor de premies van de individuele levensverzekering(en) die zij tot waarborg of wedersamenstelling van die lening hadden aangegaan (zie Com.IB 92, nr. 145^17/9).
14. Rekening houdend met het principe van de volledige decumul van de inkomsten van echtgenoten en wettelijk samenwonenden, wordt de voorwaarde inzake de enige woning vanaf aanslagjaar 2005 voor elke echtgenoot of wettelijk samenwonende partner afzonderlijk beoordeeld en dit ongeacht de datum waarop het lenings- of het verzekeringscontract is afgesloten (*).
[(*) Ook het feit dat een minderjarig kind van de echtgenoten of van de wettelijk samenwonende partners eigenaar is van een woning bij het aangaan van de hypothecaire lening, vormt voortaan geen beletsel meer voor de toekenning van de verhoogde vermindering voor het bouwsparen wanneer zij (beiden of één van hen) het wettelijk genot van de inkomsten van het minderjarig kind hebben.]
Voorbeeld
15. Op 14.7.2000 hebben twee gehuwde belastingplichtigen samen een hypothecaire lening van 50.000 EUR aangegaan voor de aankoop van een woning. Voor de man betrof het zijn enige woning, terwijl de vrouw reeds eigenares was van een andere woning die zij in 1996 had geërfd. Tot waarborg van die lening hebben zij op 14.7.2000 elk een schuldsaldoverzekering van 25.000 EUR aangegaan, waarvoor zij zowel in 2003 als in 2004 elk een premie van 125 EUR hebben betaald.
Voor aanslagjaar 2004 kwam noch de premie van de man, noch de premie van de vrouw in aanmerking voor de verhoogde vermindering voor het bouwsparen aangezien de echtgenoten - samengenomen - bij het aangaan van de lening twee woningen bezaten.
Voor aanslagjaar 2005 daarentegen komt de premie van de man wel in aanmerking voor de verhoogde vermindering voor het bouwsparen, daar de woning waarop de lening betrekking heeft, voor hem bij het aangaan van de lening de enige woning was. De premie van de vrouw komt daarentegen niet voor die verhoogde vermindering in aanmerking, daar de woning voor haar bij het aangaan van de lening niet de enige woning was.
E. Begrenzing van de premies die in aanmerking komen voor de verhoogde vermindering voor het bouwsparen wanneer verscheidene levensverzekeringen zijn gesloten tot waarborg of wedersamenstelling van een voor de enige woning aangegane hypothecaire lening
16. Overeenkomstig art. 145^19, tweede lid, WIB 92 komen de premies van individuele levensverzekeringen voor het vestigen van een kapitaal bij leven of bij overlijden dat uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een voor de enige woning aangegane hypothecaire lening, slechts voor de verhoogde vermindering voor het bouwsparen in aanmerking in de mate dat zij betrekking hebben op de eerste schijf van 50.000 EUR, 52.500 EUR, 55.000 EUR, 60.000 EUR of 65.000 EUR (*) van het verzekerde aanvangsbedrag van de lening, naargelang de belastingplichtige geen, 1, 2, 3 of meer dan 3 kinderen ten laste heeft op 1 januari van het jaar na het jaar waarin de lening is gesloten. Het saldo van die premies wordt wel in aanmerking genomen voor de vermindering voor het lange termijnsparen.
[(*) Bedragen vóór indexering.]
17. Die begrenzing moet niet per verzekerde, maar per woning worden beoordeeld (zie circ. Ci.RH.331/542.158 van 4.1.2002, nr. 4, eerste lid - Bull. 823, blz. 785).
18. Dit betekent inzonderheid dat wanneer echtgenoten, tot waarborg of wedersamenstelling van een hypothecaire lening m.b.t. hun enige woning, elk afzonderlijk een individuele levensverzekering hebben gesloten, die begrenzing moet worden toegepast ten aanzien van beide echtgenoten samen. Zij mogen evenwel zelf bepalen in welke verhouding zij het toepasselijke grensbedrag over hun verzekerde kapitalen verdelen, met dien verstande dat het per echtgenoot in aanmerking genomen gedeelte van dat grensbedrag het op zijn/haar hoofd verzekerde kapitaal niet mag overschrijden (zie circ. Ci.RH.331/542.158 van 4.1.2002, nrs. 3, 4, tweede lid, en 7).
19. Als gevolg van de in art. 2, 2°, WIB 92 bepaalde gelijkstelling van de wettelijk samenwonenden met de gehuwden (zie ook nr. 10, eerste lid) geldt de in nr. 18 vermelde regeling vanaf aanslagjaar 2005 ook voor de wettelijk samenwonenden.
20. In geval van toepassing van de in de nrs. 18 en 19 vermelde regeling mag bij het vaststellen van het in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 beoogde aantal kinderen ten laste, rekening worden gehouden met alle kinderen die op 1 januari van het jaar na dat waarin de lening gesloten is, ten laste waren, hetzij van één van beide, hetzij van beide echtgenoten of wettelijk samenwonenden.
21. De bovenvermelde regeling is echter uitsluitend van toepassing wanneer de woning voor beide echtgenoten of wettelijk samenwonenden hun enige woning is.
Wanneer de woning slechts voor één van beiden de enige woning is, terwijl de andere echtgenoot of partner nog een andere woning bezit, kan alleen de eerstgenoemde echtgenoot of partner aanspraak maken op de verhoogde vermindering voor het bouwsparen en moet het in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 bedoelde grensbedrag tot zijn aandeel in de woning worden herleid.
Voor de toepassing van die herleiding wordt een woning die tot het gemeenschappelijk vermogen behoort van echtgenoten die gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel, geacht voor de helft aan elke echtgenoot toe te behoren.
22. Wanneer niet gehuwde, noch wettelijk samenwonende mede-eigenaars van een woning in onverdeeldheid, elk afzonderlijk een individuele levensverzekering hebben aangegaan tot waarborg of wedersamenstelling van een hypothecaire lening m.b.t. die woning die voor ieder van hen de enige woning is, moet voor elke mede-eigenaar afzonderlijk het in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 bedoelde grensbedrag worden vastgesteld en tot zijn aandeel in de onverdeeldheid worden herleid (zie ook circ. Ci.RH.331/542.158 van 4.1.2002, nrs. 4, derde lid, en 8).
Voorbeeld 1
23. In 2002 hebben twee wettelijk samenwonenden hoofdelijk en onverdeeld een hypothecaire lening van 100.000 EUR aangegaan voor de aankoop van hun enige woning, waarvan zij elk voor de helft eigenaar zijn. Tot waarborg van die lening hebben zij elk een schuldsaldoverzekering gesloten van 50.000 EUR, waarvoor zij zowel in 2003 als in 2004, respectievelijk 300 en 250 EUR aan premies hebben betaald. Zij hebben 1 kind, dat op 1.1.2003 ten laste was van de vrouw.
Aanslagjaar 2004
Tot aanslagjaar 2004 werden wettelijk samenwonenden als alleenstaanden aangemerkt. Bijgevolg kwamen de door de wettelijk samenwonende partners betaalde premies voor de verhoogde vermindering voor het bouwsparen in aanmerking in de mate dat zij, voor elk van hen afzonderlijk, betrekking hadden op het voor hem/haar toepasselijke grensbedrag van het verzekerde kapitaal [58.990 EUR (1) voor de man en 61.930 EUR (2) voor de vrouw] naar rata van zijn/haar eigendomsaandeel in de woning (elk 50 %).
|
Bij de man | |
| Premie van de man : | 300,00 EUR |
| Begrenzing art. 145^19, tweede lid, WIB 92 naar rata van het eigendomsaandeel van de man in de woning : | x 58.990,00 EUR (1) x 50 % 50.000,00 EUR |
| Bedrag dat bij de man voor de vermindering voor het bouwsparen in aanmerking komt (3) : | 176,97 EUR |
| Saldo dat bij de man voor de vermindering voor het lange termijnsparen in aanmerking komt (3) : | 123,03 EUR |
|
Bij de vrouw | |
| Premie van de vrouw : | 250,00 EUR |
| Begrenzing art. 145^19, tweede lid, WIB 92 naar rata van het eigendomsaandeel van de vrouw in de woning : | x 61.930,00 EUR (2) x 50 % 50.000,00 EUR |
| Bedrag dat bij de vrouw voor de vermindering voor het bouwsparen in aanmerking komt (3) : | 154,83 EUR |
| Saldo dat bij de vrouw voor de vermindering voor het lange termijnsparen in aanmerking komt (3) | 95,17 EUR |
(2) De in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 bedoelde eerste schijf van het verzekerde aanvangsbedrag van een lening afgesloten in 2002 door een belastingplichtige die op 1.1.2003, 1 kind ten laste had.
(3) Voor zover de in art. 145^6, eerste lid, WIB 92 vermelde grenzen niet overschreden zijn.]
Aanslagjaar 2005
Aangezien wettelijk samenwonenden vanaf aanslagjaar 2005 gelijkgesteld worden met gehuwden, moet de in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 vermelde begrenzing worden toegepast ten aanzien van beide partners samen en mogen zij zelf bepalen in welke verhouding zij het toepasselijke grensbedrag [61.930 EUR (*)] over hun verzekerde kapitalen verdelen, met dien verstande dat het gedeelte van dat grensbedrag dat bij elk van de partners in aanmerking wordt genomen het werkelijk op zijn/haar hoofd verzekerde kapitaal niet mag overschrijden. Hierna volgen enkele mogelijke verdelingen.
[(*) De in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 bedoelde eerste schijf van het verzekerde aanvangsbedrag van een lening afgesloten in 2002 door belastingplichtigen die - samengenomen - op 1.1.2003, 1 kind ten laste hadden (zie ook nr. 20).]
|
Eerste mogelijkheid : de partners passen de begrenzing toe op de som van de verzekerde kapitalen van man en vrouw | |
| Premie van de man : Premie van de vrouw : Totaal : | 300,00 EUR 250,00 EUR 550,00 EUR |
| Begrenzing art. 14519, tweede lid, WIB 92 : | x 61.930,00 EUR (1) 100.000,00 EUR |
| Bedrag dat voor de vermindering voor het bouwsparen in aanmerking komt (2) : | 340,62 EUR |
| Dit bedrag mag naar keuze van de partners onder hen beiden worden verdeeld (3). | |
| Saldo dat voor de vermindering voor het lange termijnsparen in aanmerking komt (2) : | 209,38 EUR |
| Dit bedrag moet door de partners worden verdeeld rekening houdend met, enerzijds, het door elk van hen betaalde premiebedrag en, anderzijds, de door hen gekozen verdeling van het bedrag dat voor de vermindering voor het bouwsparen in aanmerking komt. | |
|
Tweede mogelijkheid : de partners geven voorrang aan de premie van de man | |
| Bij de man | |
| Premie van de man : Begrenzing art. 145^19, tweede lid, WIB 92 : Bedrag dat bij de man voor de vermindering voor het bouwsparen in aanmerking komt (2): | 300,00 EUR nihil (4) 300,00 EUR |
| Bij de vrouw | |
| Premie van de vrouw : Begrenzing art. 145^19, tweede lid, WIB 92 : | 250,00 EUR x 61.930,00 (5) - 50.000,00 (6) EUR 50.000,00 EUR (7) |
| Bedrag dat bij de vrouw voor de vermindering voor het bouwsparen in aanmerking komt (8) : | 59,65 EUR |
| Saldo dat bij de vrouw voor de vermindering voor het lange termijnsparen in aanmerking komt (8) : | 190,35 EUR |
|
Derde mogelijkheid : de partners geven voorrang aan de premie van de vrouw | |
| Bij de vrouw | |
| Premie van de vrouw : Begrenzing art. 145^19, tweede lid, WIB 92 : Bedrag dat bij de vrouw voor de vermindering voor het bouwsparen in aanmerking komt (8) : | 250,00 EUR nihil (9) 250,00 EUR |
|
Bij de man | |
| Premie van de man : Begrenzing art. 145^19, tweede lid, WIB 92 : | 300,00 EUR x 61.930,00 EUR (5) - 50.000 EUR (7) 50.000,00 EUR (6) |
| Bedrag dat bij de man voor de vermindering voor het bouwsparen in aanmerking komt (8) : | 71,58 EUR |
| Saldo dat bij de man voor de vermindering voor het lange termijnsparen in aanmerking komt (8) : | 228,42 EUR |
(2) Voor zover de in art. 145^6, eerste lid, WIB 92 vermelde grenzen niet overschreden zijn.
(3) Die verdeling mag evenwel niet tot gevolg hebben dat het per partner voor de verminderingen voor het bouwsparen en het lange termijnsparen samen in aanmerking te nemen bedrag, hoger is dan de werkelijk in zijnen/haren hoofde betaalde premie (d.w.z. 300 EUR voor de man en 250 EUR voor de vrouw).
(4) Het verzekerde kapitaal van de man (50.000 EUR) bedraagt immers minder dan de in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 bedoelde eerste schijf van het verzekerde aanvangsbedrag van een lening afgesloten in 2002 door belastingplichtigen die - samengenomen - op 1.1.2003, 1 kind ten laste hadden (61.930 EUR).
(5) De in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 bedoelde eerste schijf van het verzekerde aanvangsbedrag van een lening afgesloten in 2002 door belastingplichtigen die - samengenomen - op 1.1.2003, 1 kind ten laste hadden.
(6) Het verzekerde kapitaal van de man.
(7) Het verzekerde kapitaal van de vrouw.
(8) Voor zover de in art. 145^6, eerste lid, WIB 92 vermelde grenzen niet overschreden zijn.
(9) Het verzekerde kapitaal van de vrouw (50.000 EUR) bedraagt immers minder dan de in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 bedoelde eerste schijf van het verzekerde aanvangsbedrag van een lening afgesloten in 2002 door belastingplichtigen die - samengenomen - op 1.1.2003, 1 kind ten laste hadden (61.930 EUR).]
Voorbeeld 2
24. In 1997 hebben twee echtgenoten, die gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel, hoofdelijk en onverdeeld een hypothecaire lening van 80.000 EUR aangegaan voor het bouwen van een woning die deel uitmaakt van hun gemeenschappelijk vermogen. Voor de man betreft het zijn enige woning, terwijl de vrouw reeds een andere woning bezat van voor het huwelijk. De lening is gewaarborgd door een schuldsaldoverzekering van 80.000 EUR op het hoofd van de man en één van 40.000 EUR op het hoofd van de vrouw. Zowel in 2003 als in 2004 heeft de man daarvoor een premie van 400 EUR betaald en de vrouw een premie van 200 EUR. Op 1.1.1998 hadden zij twee kinderen ten laste.
Aanslagjaar 2004
Aangezien de echtgenoten - samengenomen - bij het afsluiten van de lening twee woningen bezaten, kwam noch de premie van de man, noch de premie van de vrouw voor de verhoogde vermindering voor het bouwsparen in aanmerking. Beide premies kwamen bijgevolg integraal in aanmerking voor de vermindering voor het lange termijnsparen (*).
[(*) Voor zover de in art. 145^6, eerste lid, WIB 92 vermelde grenzen niet overschreden zijn.]
Aanslagjaar 2005
| Bij de man | |
| Premie van de man : Begrenzing art. 145^19, tweede lid, WIB 92 naar rata van het eigendomsaandeel van de man in de woning : | 400,00 EUR x 59.990,23 EUR (2) x 50 % 80.000,00 EUR |
| Bedrag dat bij de man voor de vermindering voor het bouwsparen in aanmerking komt (1) : | 149,98 EUR |
| Saldo dat bij de man voor de vermindering voor het lange termijnsparen in aanmerking komt (1) : | 250,02 EUR |
| Bij de vrouw | |
| De premie van de vrouw komt niet voor de verhoogde vermindering voor het bouwsparen in aanmerking daar de woning, bij het afsluiten van de lening voor haar niet de enige woning was. Haar premie komt bijgevolg integraal in aanmerking voor de vermindering voor het lange termijnsparen (1). | |
(2) De in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 bedoelde eerste schijf van het verzekerde aanvangsbedrag van een lening afgesloten in 1997 door een belastingplichtige die op 1.1.1998, 2 kinderen ten laste had.]
F. Premies van individuele levensverzekeringen gesloten tot wedersamenstelling of waarborg van een vóór 1.1.1993 aangegane hypothecaire lening m.b.t. de "eigen" woning
25. De principes uiteengezet in de nrs. 12 tot 24 gelden mutatis mutandis voor de in art. 516, § 3, WIB 92 bedoelde premies van individuele levensverzekeringen voor het vestigen van een kapitaal bij leven of bij overlijden dat uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een vóór 1.1.1993 afgesloten hypothecaire lening voor het verwerven of (ver)bouwen van de "eigen" woning (*).
[(*) D.w.z. de woning waarvoor de belastingplichtige aanspraak kan maken op de in art. 16 WIB 92 bedoelde woningaftrek.]
Dit betekent dat :
- de in art. 516, § 3, eerste lid, WIB 92 vermelde voorwaarde inzake de "eigen" woning vanaf aanslagjaar 2005 eveneens wordt beoordeeld per echtgenoot of wettelijk samenwonende partner (*);
[(*) Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, zal dat voor beiden doorgaans dezelfde woning zijn gelet op art. 16, § 3, WIB 92.]
- voor de toepassing van de in art. 516, § 3, tweede en derde lid, WIB 92 vermelde begrenzingen, enerzijds, de bestaande regeling voor gehuwden (zie circ. Ci.RH.331/542.158 van 4.1.2002, nr. 6) vanaf aanslagjaar 2005 wordt uitgebreid tot de wettelijk samenwonenden, en, anderzijds, wanneer de woning slechts voor één van beide echtgenoten of wettelijk samenwonenden de "eigen" woning is, die echtgenoot of partner vanaf aanslagjaar 2005 aanspraak kan maken op de verhoogde vermindering voor het bouwsparen in de mate dat het op zijn hoofd verzekerde kapitaal niet meer bedraagt dan het voor hem toepasselijke grensbedrag, naar rata van zijn eigendomsaandeel in de woning.
A. Beoordeling van de voorwaarde inzake enige woning bij echtgenoten en wettelijk samenwonenden voor wie een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd
26. De in art. 145^17 WIB 92 voor de toekenning van de verhoogde vermindering voor het bouwsparen gestelde voorwaarde dat de woning waarvoor een hypothecaire lening is aangegaan, bij het afsluiten van die lening de enige woning van de belastingplichtige is, geldt niet alleen inzake de premies van individuele levensverzekeringen voor het vestigen van een kapitaal bij leven of bij overlijden dat uitsluitend dient voor het waarborgen of het wedersamenstellen van die lening (zie nrs. 12 tot 15), maar ook wat de kapitaalaflossingen van die lening betreft. Het is dan ook logisch dat die voorwaarde voor beide soorten uitgaven op dezelfde wijze wordt toegepast.
Vanaf aanslagjaar 2005 wordt de voorwaarde inzake de enige woning dus ook op het vlak van de verhoogde vermindering voor het bouwsparen betreffende de kapitaalaflossingen van een hypothecaire lening voor elke echtgenoot of wettelijk samenwonende partner afzonderlijk beoordeeld, ongeacht de datum waarop het leningscontract is aangegaan.
27. Tot aanslagjaar 2004 konden echtgenoten voor wie een gemeenschappelijke aanslag werd gevestigd en die samen een hypothecaire lening hadden aangegaan voor het verwerven of (ver)bouwen van een gemeenschappelijke woning die bij het afsluiten van de lening slechts voor één van hen de enige woning was, geen van beiden aanspraak maken op de verhoogde vermindering voor het bouwsparen.
Vanaf aanslagjaar 2005 kan de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner voor wie de woning bij het afsluiten van de lening de enige woning was, daarentegen wel aanspraak maken op de verhoogde vermindering voor het bouwsparen, terwijl de andere echtgenoot of wettelijk samenwonende partner (voor wie de woning bij het afsluiten van de lening niet de enige woning was), zoals voorheen recht heeft op de vermindering voor het lange termijnsparen.
B. Verdeling van de kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen die hoofdelijk en onverdeeld zijn aangegaan voor het verwerven of (ver)bouwen van een gemeenschappelijke woning
28. Wanneer verscheidene belastingplichtigen hoofdelijk en onverdeeld een hypothecaire lening hebben aangegaan voor het verwerven of (ver)bouwen van een woning in onverdeeldheid, kan elke mede-ontlener (onder de voorwaarden en binnen de grenzen bepaald in de wet) in principe aanspraak maken op belastingvermindering voor het bedrag van de werkelijk betaalde kapitaalaflossingen, naar rata van zijn eigendomsaandeel in de woning.
29. In afwijking van dit algemene principe is in nr. 145^5/25, Com.IB 92 evenwel bepaald dat de kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen die hoofdelijk en onverdeeld zijn aangegaan door echtgenoten voor het verwerven of (ver)bouwen van een woning waarin zij beiden een eigendomsrecht hebben, onder de echtgenoten mogen worden verdeeld volgens de door hen gekozen wijze van omdeling.
30. Als gevolg van het feit dat de in art. 145^17, 1°, WIB 92 vermelde voorwaarde inzake de enige woning, vanaf aanslagjaar 2005 per echtgenoot moet worden beoordeeld (waardoor de ene echtgenoot voortaan recht kan hebben op de verhoogde vermindering voor het bouwsparen, terwijl de andere echtgenoot slechts recht heeft op de vermindering voor het lange termijnsparen - zie nrs. 26 en 27), mag de in nr. 29 vermelde regeling, waarbij echtgenoten de kapitaalaflossingen van een hoofdelijk en onverdeeld aangegane hypothecaire lening vrij onder elkaar mogen omdelen, vanaf aanslagjaar 2005 slechts worden toegepast in de gevallen waarin de echtgenoten allebei recht hebben op de vermindering voor het bouwsparen of allebei recht hebben op de vermindering voor het lange termijnsparen.
Dit betekent dat de hierboven bedoelde vrije omdeling van de kapitaalaflossingen alleen mogelijk is indien de woning waarvoor de lening is aangegaan, bij het afsluiten van de hypothecaire lening :
- ofwel voor beide echtgenoten de enige woning was;
- ofwel voor beide echtgenoten niet de enige woning was;
- ofwel voor één van beide echtgenoten de enige woning was en voor de andere echtgenoot niet, maar beide echtgenoten aanspraak maken op de vermindering voor het lange termijnsparen.
Voor de toepassing van die verdeling wordt een woning die tot het gemeenschappelijk vermogen behoort van echtgenoten die gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel, geacht voor de helft aan elke echtgenoot toe te behoren.
32. Gelet op de in art. 2, 2°, WIB 92 bepaalde gelijkstelling van de wettelijk samenwonenden met de gehuwden vanaf aanslagjaar 2005 (zie ook nr. 10, eerste lid) gelden de in de nrs. 30 en 31, eerste lid vermelde regels ook voor de wettelijk samenwonenden.
33. In geval van toepassing van de in de nrs. 30 en 32 vermelde regeling mag bij het vaststellen van het in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 beoogde aantal kinderen ten laste, rekening worden gehouden met alle kinderen die op 1 januari van het jaar na dat waarin de lening gesloten is, ten laste waren, hetzij van één van beide, hetzij van beide echtgenoten of wettelijk samenwonenden.
Voorbeeld 1
34. In 2000 hebben twee wettelijk samenwonende partners (man en vrouw) hoofdelijk en onverdeeld een hypothecaire lening aangegaan van 80.000 EUR voor de aankoop van hun enige woning, waarvan zij elk voor de helft eigenaar zijn. In 2003 en 2004 hebben zij daarvoor telkens 3.000 EUR kapitaalaflossingen gedaan. Op 1.1.2001 hadden zij twee kinderen die voor aanslagjaar 2001 door de vrouw ten laste werden genomen.
Aanslagjaar 2004
Tot aanslagjaar 2004 werden wettelijk samenwonenden als alleenstaanden aangemerkt. Bijgevolg moesten de in 2003 betaalde kapitaalaflossingen worden verdeeld volgens de eigendomsaandelen van de partners in de woning.
| Bij de man | |
| Totale bedrag van de kapitaalaflossingen : | 3.000,00 EUR |
| Gedeelte daarvan dat verhoudingsgewijs overeenstemt met het eigendomsaandeel van de man in de woning : | x 1/2 = 1.500,00 EUR |
| Begrenzing art. 145^19, tweede lid, WIB 92 : | x 55.652,10 EUR (1) 80.000,00 EUR |
| Bedrag dat bij de man voor de vermindering voor het bouwsparen in aanmerking komt (2) : | 1.043,48 EUR |
|
Bij de vrouw | |
| Totale bedrag van de kapitaalaflossingen : | 3.000,00 EUR |
| Gedeelte daarvan dat verhoudingsgewijs overeenstemt met het eigendomsaandeel van de vrouw in de woning : | x 1/2 = 1.500,00 EUR |
| Begrenzing art. 145^19, tweede lid, WIB 92 : | x 61.229,70 EUR (3) 80.000,00 EUR |
| Bedrag dat bij de vrouw voor de vermindering voor het bouwsparen in aanmerking komt (2) : | 1.148,06 EUR |
(2) Voor zover de in art. 145^6, eerste lid, WIB 92 vermelde grenzen niet overschreden zijn.
(3) De in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 bedoelde eerste schijf van het aanvangsbedrag van een lening afgesloten in 2000 door een belastingplichtige die op 1.1.2001, 2 kinderen ten laste had.]
Aanslagjaar 2005
Vanaf aanslagjaar 2005 worden wettelijk samenwonenden gelijkgesteld met gehuwden. De partners mogen de in 2004 betaalde kapitaalaflossingen dan ook onder elkaar verdelen volgens de door hen gekozen wijze van omdeling.
| Totale bedrag van de kapitaalaflossingen : Begrenzing art. 145^19, tweede lid, WIB 92 : | 3.000,00 EUR x 61.229,70 EUR (2) 80.000,00 EUR |
| Bedrag dat voor de vermindering voor het bouwsparen in aanmerking komt (1) : | 2.296,11 EUR |
| Dit bedrag mag naar keuze van de partners onder hen beiden worden verdeeld. |
(2) De in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 bedoelde eerste schijf van het aanvangsbedrag van een lening afgesloten in 2000 door belastingplichtigen die - samengenomen - op 1.1.2001, 2 kinderen ten laste hadden.]
Voorbeeld 2
35. Twee echtgenoten die onder het stelsel van scheiding van goederen gehuwd zijn, hebben in 2001 hoofdelijk en onverdeeld een hypothecaire lening van 75.000 EUR aangegaan voor het bouwen van een woning waarvan de man voor 1/3 en de vrouw voor 2/3 eigenaar is. Bij het afsluiten van de lening was de man reeds eigenaar van een andere woning, terwijl het voor de vrouw haar enige woning betrof. Zowel in 2003 als in 2004 hebben zij 3.750 EUR kapitaalaflossingen gedaan. Op 1.1.2002 hadden de echtgenoten 3 kinderen ten laste.
Aanslagjaar 2004
Aangezien de voorwaarde inzake de enige woning tot aanslagjaar 2004 voor beide echtgenoten samen werd beoordeeld, en zij - samengenomen - bij het afsluiten van de lening twee woningen bezaten, hadden zij allebei recht op de vermindering voor het lange termijnsparen en mochten zij de in 2003 betaalde kapitaalaflossingen onder elkaar verdelen volgens de door hen gekozen wijze van omdeling.
| Totale bedrag van de kapitaalaflossingen : Begrenzing art. 145^6, tweede lid, WIB 92 : | 3.750,00 EUR x 57.570,00 EUR (1) 75.000,00 EUR |
| Bedrag dat voor de vermindering voor het lange termijnsparen in aanmerking komt (2) : | 2.878,50 EUR |
| Dit bedrag mag naar keuze van de echtgenoten onder hen beiden worden verdeeld. |
(2) Voor zover de in art. 145^6, eerste lid, WIB 92 vermelde grenzen niet overschreden zijn.]
Aanslagjaar 2005
Vanaf aanslagjaar 2005 wordt de voorwaarde inzake de enige woning per echtgenoot beoordeeld. Bij het afsluiten van de lening was de woning waarvoor de lening is aangegaan, voor de man niet de enige woning, waardoor hij slechts recht heeft op de vermindering voor het lange termijnsparen. Voor de vrouw was de woning daarentegen wel de enige woning, zodat zij op de verhoogde vermindering voor het bouwsparen aanspraak kan maken. In de veronderstelling dat zij ook daadwerkelijk op die verhoogde vermindering voor het bouwsparen aanspraak maakt, moeten de in 2004 betaalde kapitaalaflossingen worden verdeeld volgens hun eigendomsaandelen in de woning.
| Bij de man | |
| Totale bedrag van de kapitaalaflossingen : | 3.750,00 EUR |
| Gedeelte daarvan dat verhoudingsgewijs overeenstemt met het eigendomsaandeel van de man in de woning : | x 1/3 = 1.250,00 EUR |
| Begrenzing art. 145^6, tweede lid, WIB 92 : | x 57.570,00 EUR (1) 75.000,00 EUR |
| Bedrag dat bij de man voor de vermindering voor het lange termijnsparen in aanmerking komt (2) : | 959,50 EUR |
| Bij de vrouw | |
| Totale bedrag van de kapitaalaflossingen : | 3.750,00 EUR |
| Gedeelte daarvan dat verhoudingsgewijs overeenstemt met het eigendomsaandeel van de vrouw in de woning : | x 2/3 = 2.500,00 EUR |
| Begrenzing art. 145^19, tweede lid, WIB 92 : | x 69.080,00 EUR (2) 75.000,00 EUR |
| Bedrag dat bij de vrouw voor de vermindering voor het bouwsparen in aanmerking komt (3) : | 2.302,67 EUR |
(2) De in art. 145^19, tweede lid, WIB 92 bedoelde eerste schijf van het aanvangsbedrag van een lening afgesloten in 2001 door een belastingplichtige die op 1.1.2002, 3 kinderen ten laste had.
(3) Voor zover de in art. 145^6, eerste lid, WIB 92 vermelde grenzen niet overschreden zijn.]
C. Kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen aangegaan vóór 1.1.1993
36. De principes uiteengezet in de nrs. 26 tot 35 gelden mutatis mutandis voor de in art. 516, §§ 1 en 2, WIB 92 bedoelde kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen.
Dit betekent dat :
- de in art. 516, § 2, WIB 92 vermelde voorwaarde inzake de "eigen" woning (1) vanaf aanslagjaar 2005 eveneens wordt beoordeeld per echtgenoot of wettelijk samenwonende partner (2);
[(1) D.w.z. de woning waarvoor de belastingplichtige aanspraak kan maken op de in art. 16 WIB 92 vermelde woningaftrek.
(2) Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, zal dat voor beiden doorgaans dezelfde woning zijn gelet op art. 16, § 3, WIB 92.]
- de vrije omdeling tussen echtgenoten van de in art. 516, §§ 1 en 2, WIB 92 bedoelde kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen die zij hoofdelijk en onverdeeld hebben aangegaan voor het verwerven of (ver)bouwen van een woning waarin zij beiden een eigendomsrecht hebben, vanaf aanslagjaar 2005, enerzijds, wordt uitgebreid tot de wettelijk samenwonenden, en, anderzijds, slechts mag worden toegepast in de gevallen waarin de echtgenoten of wettelijk samenwonenden allebei recht hebben op de vermindering voor het bouwsparen of allebei recht hebben op de vermindering voor het lange termijnsparen.
Voor de Administrateur-generaal
van de Belastingen en de Invordering :
De Directeur,
Stany QUINTENS
Bron: FisconetPlus
