Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 04.04.1989 (6de aflevering)
CIRC 04.04.89/1
Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 04.04.1989 (6de aflevering)
Bull. nr. 683, pag. 1078
BEROEPSKOSTEN
Forfait.
Forfait voor verre verplaatsingen.
HERVORMINGSWET 1988
Beroepskosten.
Commentaar op art. 24, W. 07.12.1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen:
Inhoudstabel Nrs. I. WETTEKSTEN II/351 II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE II/352 tot 354 III. PERCENTEN VAN DE FORFAITAIRE BEROEPSKOSTEN A. Loon- en weddetrekkers (art. 20, 2°, a, WIB) en beoefenaars van vrije beroepen (art. 20, 3°, WIB) II/355 B. Bestuurders (art. 20, 2°, b, WIB) en werkende vennoten (art. 20, 2°, c), WIB) II/356 IV. BEREKENINGSGRONDSLAG II/357 V. FORFAIT VOOR VERRE VERPLAATSINGEN II/358 VI. INWERKINGTREDING II/359 I. WETTEKSTEN
Artikel 24
II/351
§ 1. Met betrekking tot de in artikel 20, 2° en 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde bezoldigingen en baten, andere dan de vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen of baten, worden de bedrijfsuitgaven of -lasten, de sociale bijdragen en de in artikel 12, § 2, 1°, van deze wet bedoelde bijdragen uitgezonderd, bij gebreke van de in artikel 44 van hetzelfde Wetboek vermelde bewijzen, forfaitair bepaald op een percent van het brutobedrag van die inkomsten, vooraf verminderd met voormelde bijdragen.
1° voor de bezoldigingen en baten als bedoeld in artikel 20, 2°, a, en 3°, van hetzelfde Wetboek:
2° voor de bezoldigingen als bedoeld in artikel 20, 2°, b en c, van hetzelfde Wetboek: 5 pct.
§ 3. In geen geval mag het forfait méér bedragen dan 100.000 frank.
Artikel 35
§ 1. In het Wetboek van de inkomstenbelastingen worden opgeheven:
5° artikel 51, §§ 1 tot 3;(§ 4 van hetzelfde artikel blijft behouden)
II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE
II/352
Nu om budgettaire redenen de aftrek van bepaalde werkelijke beroepskosten (autokosten, restaurant- en receptiekosten, kosten van relatiegeschenken, kledingkosten) door de art. 22 en 23 van de hervormingswet wordt verminderd, is het logisch en normaal ook een deel van de besparingen ten laste te leggen van diegenen die voor het wettelijk forfait inzake beroepskosten kiezen (zie Senaat, buitengewone zitting 1988, Doc. 440-2, blz. 118).
II/353
Bijgevolg wijzigt art. 24 van de hervormingswet de in art. 51, WIB bepaalde forfaits op de volgende manier:
II/354
Bovendien wijzigt diezelfde wetsbepaling de grondslag waarop de forfaitaire beroepskosten voortaan moeten worden berekend.
III. PERCENTEN VAN DE FORFAITAIRE BEROEPSKOSTEN
A. Loon- en weddetrekkers (art. 20, 2°, a, WIB) en beoefenaars van vrije beroepen (art. 20, 3°, WIB)
II/355
Met betrekking tot gewone bezoldigingen van loon- en weddetrekkers (art. 20, 2°, a, WIB) en baten van beoefenaars van vrije beroepen (art. 20, 3°, WIB), worden de forfaitaire beroepskosten voortaan als volgt bepaald:
B. Bestuurders (art. 20, 2°, b, WIB) en werkende vennoten (art. 20, 2°, c, WIB)
II/356
Met betrekking tot bezoldigingen van bestuurders (art. 20, 2°, b, WIB) en van werkende vennoten (art. 20, 2°, c, WIB), worden de forfaitaire beroepskosten voortaan op de volgende manier bepaald:
Zoals voor bezoldigingen van loontrekkers en baten van beoefenaars van vrije beroepen, geldt het maximumbedrag van 100.000 F zodra het inkomen 2.000.000 F bereikt; inderdaad: 2.000.000 x 5 pct. = 100.000 F.
IV. BEREKENINGSGRONDSLAG
II/357
Art. 24 van de hervormingswet bepaalt uitdrukkelijk dat de forfaitaire beroepskosten worden berekend na aftrek van:
1. de sociale bijdragen, d.w.z. de persoonlijke bijdragen die verschuldigd zijn ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een wettelijk of reglementair statuut dat de betrokkenen uit het toepassingsgebied van de sociale wetgeving sluit (art. 45, 5°, WIB); in dit verband wordt opgemerkt dat art. 12, § 1, van dezelfde wet de bedragen die gewoonlijk als "bijdragen aan ziekenfondsen van zelfstandigen voor verzekering tegen kleine ziekterisico's" worden bestempeld en die tot nu in art. 54, 1°, a, WIB vermeld waren, voortaan bij de bovenbedoelde bijdragen indeelt;
2. de bijdragen vermeld in art. 12, § 2, 1°, van de voormelde wet, zijnde de op de bezoldigingen ingehouden bijdragen voor groepsverzekeringen en pensioenfondsen die voortaan als beroepskosten worden aangemerkt (voorheen kwamen die bijdragen na de aftrek van de beroepskosten in mindering van het totale gezamenlijk belastbare beroepsinkomen).
In vergelijking met het vroegere stelsel, zal de berekeningsgrondslag dus in het algemeen lager zijn wegens de aftrek, vóór toepassing van het forfait, van:
V. FORFAIT VOOR VERRE VERPLAATSINGEN
II/358
De hervormingswet brengt geen enkele wijziging aan in § 4 van art. 51, WIB, die de forfaitaire beroepskosten op gewone bezoldigingen van loon- en weddetrekkers met een bepaald bedrag (1.000 tot 6.000 F) verhoogt wanneer de afstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling ten minste 75 km bedraagt.
Bijgevolg blijven de huidige richtlijnen van de nrs. 51/20.1 tot 20.6, Com.IB van toepassing.
VI. INWERKINGTREDING
II/359
Overeenkomstig art. 39, eerste lid, 1°, van de hervormingswet, is art. 24 van toepassing met ingang van het aj. 1990, (inkomsten van het jaar 1989).
Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 04.04.1989 (6de aflevering)
Bull. nr. 683, pag. 1078
BEROEPSKOSTEN
Forfait.
Forfait voor verre verplaatsingen.
HERVORMINGSWET 1988
Beroepskosten.
Commentaar op art. 24, W. 07.12.1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen:
- percenten van de forfaitaire beroepskosten;
- berekeningsgrondslag van de forfaitaire beroepskosten.
Inhoudstabel Nrs. I. WETTEKSTEN II/351 II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE II/352 tot 354 III. PERCENTEN VAN DE FORFAITAIRE BEROEPSKOSTEN A. Loon- en weddetrekkers (art. 20, 2°, a, WIB) en beoefenaars van vrije beroepen (art. 20, 3°, WIB) II/355 B. Bestuurders (art. 20, 2°, b, WIB) en werkende vennoten (art. 20, 2°, c), WIB) II/356 IV. BEREKENINGSGRONDSLAG II/357 V. FORFAIT VOOR VERRE VERPLAATSINGEN II/358 VI. INWERKINGTREDING II/359 I. WETTEKSTEN
Artikel 24
II/351
§ 1. Met betrekking tot de in artikel 20, 2° en 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde bezoldigingen en baten, andere dan de vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen of baten, worden de bedrijfsuitgaven of -lasten, de sociale bijdragen en de in artikel 12, § 2, 1°, van deze wet bedoelde bijdragen uitgezonderd, bij gebreke van de in artikel 44 van hetzelfde Wetboek vermelde bewijzen, forfaitair bepaald op een percent van het brutobedrag van die inkomsten, vooraf verminderd met voormelde bijdragen.
| § | 2. Die percenten zijn: |
| a) | 20 pct. van de eerste schijf van 150.000 frank; |
| b) | 10 pct. van de schijf van 150.000 frank tot 300.000 frank; |
| c) | 5 pct. van de schijf van 300.000 frank tot 500.000 frank; |
| d) | 3 pct. van de schijf boven 500.000 frank; |
§ 3. In geen geval mag het forfait méér bedragen dan 100.000 frank.
Artikel 35
§ 1. In het Wetboek van de inkomstenbelastingen worden opgeheven:
5° artikel 51, §§ 1 tot 3;(§ 4 van hetzelfde artikel blijft behouden)
II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE
II/352
Nu om budgettaire redenen de aftrek van bepaalde werkelijke beroepskosten (autokosten, restaurant- en receptiekosten, kosten van relatiegeschenken, kledingkosten) door de art. 22 en 23 van de hervormingswet wordt verminderd, is het logisch en normaal ook een deel van de besparingen ten laste te leggen van diegenen die voor het wettelijk forfait inzake beroepskosten kiezen (zie Senaat, buitengewone zitting 1988, Doc. 440-2, blz. 118).
II/353
Bijgevolg wijzigt art. 24 van de hervormingswet de in art. 51, WIB bepaalde forfaits op de volgende manier:
- voor gewone bezoldigingen van loon- en weddetrekkers, zomede voor baten van beoefenaars van vrije beroepen, wordt het forfait voor de inkomstenschijf boven 500.000 F van 5 pct. tot 3 pct. teruggebracht;
- het maximumbedrag van het forfait wordt van 125.000 F naar 100.000 F teruggebracht.
II/354
Bovendien wijzigt diezelfde wetsbepaling de grondslag waarop de forfaitaire beroepskosten voortaan moeten worden berekend.
III. PERCENTEN VAN DE FORFAITAIRE BEROEPSKOSTEN
A. Loon- en weddetrekkers (art. 20, 2°, a, WIB) en beoefenaars van vrije beroepen (art. 20, 3°, WIB)
II/355
Met betrekking tot gewone bezoldigingen van loon- en weddetrekkers (art. 20, 2°, a, WIB) en baten van beoefenaars van vrije beroepen (art. 20, 3°, WIB), worden de forfaitaire beroepskosten voortaan als volgt bepaald:
- indien het inkomen gelijk is aan of kleiner is dan 150.000 F: 20 pct.;
- indien het inkomen groter is dan 150.000 F zonder 300.000 F te overtreffen: 30.000 F plus 10 pct. van de schijf van boven 150.000 F;
- indien het inkomen groter is dan 300.000 F zonder 500.000 F te overtreffen: 45.000 F plus 5 pct. van de schijf boven 300.000 F;
- indien het inkomen groter is dan 500.000 F zonder 2.000.000 F te overtreffen: 55.000 F plus 3 pct. van de schijf boven 500.000 F;
- indien het inkomen groter is dan 2.000.000 F: 100.000 F.
B. Bestuurders (art. 20, 2°, b, WIB) en werkende vennoten (art. 20, 2°, c, WIB)
II/356
Met betrekking tot bezoldigingen van bestuurders (art. 20, 2°, b, WIB) en van werkende vennoten (art. 20, 2°, c, WIB), worden de forfaitaire beroepskosten voortaan op de volgende manier bepaald:
- ongeacht de hoogte van het inkomen: 5 pct. (zoals voorheen);
- maximum: 100.000 F (in plaats van 125.000 F vroeger).
Zoals voor bezoldigingen van loontrekkers en baten van beoefenaars van vrije beroepen, geldt het maximumbedrag van 100.000 F zodra het inkomen 2.000.000 F bereikt; inderdaad: 2.000.000 x 5 pct. = 100.000 F.
IV. BEREKENINGSGRONDSLAG
II/357
Art. 24 van de hervormingswet bepaalt uitdrukkelijk dat de forfaitaire beroepskosten worden berekend na aftrek van:
1. de sociale bijdragen, d.w.z. de persoonlijke bijdragen die verschuldigd zijn ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een wettelijk of reglementair statuut dat de betrokkenen uit het toepassingsgebied van de sociale wetgeving sluit (art. 45, 5°, WIB); in dit verband wordt opgemerkt dat art. 12, § 1, van dezelfde wet de bedragen die gewoonlijk als "bijdragen aan ziekenfondsen van zelfstandigen voor verzekering tegen kleine ziekterisico's" worden bestempeld en die tot nu in art. 54, 1°, a, WIB vermeld waren, voortaan bij de bovenbedoelde bijdragen indeelt;
2. de bijdragen vermeld in art. 12, § 2, 1°, van de voormelde wet, zijnde de op de bezoldigingen ingehouden bijdragen voor groepsverzekeringen en pensioenfondsen die voortaan als beroepskosten worden aangemerkt (voorheen kwamen die bijdragen na de aftrek van de beroepskosten in mindering van het totale gezamenlijk belastbare beroepsinkomen).
In vergelijking met het vroegere stelsel, zal de berekeningsgrondslag dus in het algemeen lager zijn wegens de aftrek, vóór toepassing van het forfait, van:
- de persoonlijke bijdragen voor groepsverzekering of pensioenfonds van loon- en weddetrekkers en bestuurders;
- de ziekenfondsbijdragen tegen "kleine risico's" van beoefenaars van vrije beroepen.
V. FORFAIT VOOR VERRE VERPLAATSINGEN
II/358
De hervormingswet brengt geen enkele wijziging aan in § 4 van art. 51, WIB, die de forfaitaire beroepskosten op gewone bezoldigingen van loon- en weddetrekkers met een bepaald bedrag (1.000 tot 6.000 F) verhoogt wanneer de afstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling ten minste 75 km bedraagt.
Bijgevolg blijven de huidige richtlijnen van de nrs. 51/20.1 tot 20.6, Com.IB van toepassing.
VI. INWERKINGTREDING
II/359
Overeenkomstig art. 39, eerste lid, 1°, van de hervormingswet, is art. 24 van toepassing met ingang van het aj. 1990, (inkomsten van het jaar 1989).
Bron: FisconetPlus
