Aanschrijving nr. 6 dd. 02.09.1996

AANSCHRIJVING 96/006

Aanschrijving nr. 6 dd. 02.09.1996


BTW-Revue nr. 124, blz. 927

Deze aanschrijving vervangt, met terugwerkende kracht op 01.01.1996, de aanschrijving nr. 9 dd. 29.04.1993, die over hetzelfde onderwerp handelde.
Wederinvoer van goederen
Passieve veredeling


INHOUDSTAFEL Nr. Inleiding A. Voorwerp van de aanschrijving 1 B. Algemeen 2-3 C. Doel van de vrijstelling 4 Hoofdstuk I: Goederen waarvoor bij wederinvoer vrijstelling kan worden verkregen 5-8 Hoofdstuk II: Personen die aanspraak kunnen maken op vrijstelling 9 Hoofdstuk III: Bedrag waarvoor vrijstelling wordt verleend A. Gedeeltelijke vrijstelling - Maatstaf van heffing en tarief 10 B. Gehele vrijstelling 11 Hoofdstuk IV: Voorwaarden van de vrijstelling A. Overzicht van de voorwaarden 12 B. Voorwaarden 13-30 C. Gevolgen van de niet-naleving van de voorwaarden 31 Hoofdstuk V: Slotbepaling 32 INLEIDING.

A.Voorwerp van de aanschrijving.
1. Op grond van artikel 40, §§ 1, 2°, b) en 3 van het BTW-Wetboek kan een gehele of een gedeeltelijke vrijstelling van de belasting worden verleend bij de wederinvoer van goederen die tijdelijk van België buiten de Gemeenschap werden gezonden voor herstelling, bewerking, aanpassing of verwerking (regeling "passieve veredeling").

Artikel 41 van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992, m.b.t. de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992) gewijzigd bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 19 november 1996 (Belgisch Staatsblad van 14 december 1996) bepaalt de toepassingsvoorwaarden van de vrijstelling.

Deze aanschrijving bevat een commentaar op voornoemde regeling en bepaalt de modaliteiten en formaliteiten die voor de toepassing van de vrijstelling in acht moeten worden genomen.

In bijlage gaan de voornaamste artikelen van de BTW-wetgeving waarnaar in onderhavige aanschrijving wordt verwezen.



B.Algemeen.
2. Onder "Gemeenschap" wordt verstaan het binnenland van de Lid-Staten zoals dat in artikel 227 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap voor elke Lid-Staat wordt omschreven voor de werkingssfeer van dat verdrag, met uitsluiting van volgende nationale grondgebieden :



Bondsrepubliek Duitsland :
  • het eiland Helgoland;
  • het grondgebied Büsingen;


Koninkrijk Spanje :
  • Ceuta;
  • Melilla;
  • de Canarische Eilanden;


Franse Republiek :
  • de overzeese departementen;


Helleense Republiek :
  • de Berg Athos;


Italiaanse Republiek :
  • Livigno;
  • Campione d'Italia;
  • de nationale wateren van het meer van Lugano;


Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland :
  • Gibraltar;
  • de Kanaaleilanden.


Republiek Finland :
  • de Aland-eilanden.
Voor de toepassing van de BTW worden het eiland Man en het Vorstendom Monaco geacht respectievelijk deel uit te maken van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en van de Franse Republiek.

3. Opgemerkt zij dat inzake douane de gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de "rechten bij invoer" voor passieve veredeling geregeld is bij de artikelen 145 tot 160 van de Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (Gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen nr. L 302 van 19 oktober 1992), en de artikelen 748 tot 785 van de Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 2 juli 1993 tot vaststelling van de toepassingsbepalingen van dat communautair douanewetboek (Gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen nr. L 253 van 11 oktober 1993).

Onder "rechten bij invoer" moet worden verstaan :

a) de douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij de invoer van goederen van toepassing zijn;

b) de landbouwheffingen en andere belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van de specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn.

Voornoemde artikels van de douanewetgeving slaan dus geenszins op de vrijstelling van BTW die bij de wederinvoer voor veredelde goederen kan worden verleend.



C.Doel van de vrijstelling.
4. Krachtens artikel 3 van het BTW-Wetboek is de invoer van goederen, door wie ook, onderworpen aan de belasting wanneer de invoer in België plaatsvindt. Die regel is ook toepasselijk bij de wederinvoer van goederen die tevoren uit België werden uitgevoerd en slechts tijdelijk buiten de Gemeenschap werden gezonden om te worden hersteld, bewerkt, aangepast of verwerkt.

Normaal mag worden gesteld dat de goederen die werden uitgevoerd tevoren reeds met BTW werden belast bij de hier te lande verrichte aankoop, intracommunautaire verwerving of invoer. Wanneer de tijdelijke uitvoer van de goederen en de wederinvoer wordt gedaan door iemand die geen recht heeft op aftrek van voorbelasting of die de voorbelasting maar gedeeltelijk mag aftrekken, zou het zonder meer toepassen van artikel 3 van het Wetboek bij de wederinvoer leiden tot een gehele of gedeeltelijke dubbele belasting. De vrijstelling van artikel 41 van het koninklijk besluit nr. 7, ingesteld op grond van artikel 40, § 1, 2°, b), van het Wetboek, strekt er dan ook in de eerste plaats toe dubbele heffing te voorkomen.

Wanneer de invoer daarentegen wordt gedaan door een belastingplichtige die de voorbelasting volledig in aftrek mag brengen, is er in principe geen bezwaar tegen dat de volledige waarde van het goed wordt belast bij de wederinvoer, aangezien door het mechanisme van de aftrek geen dubbele heffing ontstaat. De voorfinanciering van de belasting kan echter een zware financiële last betekenen voor die belastingplichtige en kan er zelfs toe leiden dat deze crediteur wordt van de Staat. Daarom kan de vrijstelling van artikel 41 aan iedereen worden toegestaan, zelfs aan de belastingplichtigen bedoeld in deze alinea.

HOOFDSTUK I. - Goederen waarvoor bij wederinvoer vrijstelling kan worden verkregen.



5.De vrijstelling kan worden verleend voor de invoer van :
a) goederen die worden wederingevoerd na buiten de Gemeenschap een herstelling, daaronder begrepen het reviseren en het afstellen, te hebben ondergaan (kon. besl. nr. 7, art. 41, § 1, 1°);

b) goederen die worden wederingevoerd na buiten de Gemeenschap een bewerking, daaronder begrepen het monteren en het samenbouwen, te hebben ondergaan (id., art. 41, § 1, 2°);

c) goederen waarvan delen of onderdelen werden uitgevoerd buiten de Gemeenschap en worden wederingevoerd na aan die goederen te zijn aangebracht (id., art. 41, § 1, 3°);

d) goederen die zijn vervaardigd door het verwerken van goederen die met dat doel werden uitgevoerd buiten de Gemeenschap (id., art. 41, § 1, 4°).

6. Bepaalde van de hiervoor bedoelde werken worden voor de toepassing van de BTW als een maakloonwerk aangemerkt.

Onder maakloonwerk wordt namelijk verstaan het vervaardigen of samenstellen van een roerend goed door een opdrachtnemer door middel van materialen en voorwerpen die daartoe door de opdrachtgever aan de opdrachtnemer zijn verstrekt, ongeacht of de opdrachtnemer al dan niet een deel van de gebruikte materialen heeft verstrekt (art. 18, § 1, tweede lid, 1°, van het BTW-Wetboek).

Van 1 januari 1993 tot 31 december 1995 werd de oplevering van een door de maakloonwerker vervaardigd of samengesteld goed als een levering van een goed beschouwd. In die periode omvatten de werken opgesomd in nr. 5 zowel handelingen die als een levering van een goed werden aangemerkt (het maakloonwerk) als handelingen die als een dienst werden gekwalificeerd (de andere werken dan maakloonwerk zoals herstellingen en restauratiewerken).

Ingevolge de implementatie in het Belgisch recht van de Richtlijn 95/7/EG van de Raad van de Europese Unie van 10 april 1995 (Gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen nr. L 102 van 5 mei 1995), wordt het maakloonwerk met ingang van 1 januari 1996 evenwel opnieuw als een dienst aangemerkt en meer bepaald als een materieel werk bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het BTW-Wetboek.

Vanaf 1 januari 1996 zijn alle werken bedoeld in nr. 5 dan ook diensten in de zin van voornoemd artikel 18, § 1, tweede lid, 1°.

7. Het gebruik maken van de regeling passieve veredeling wordt slechts toegestaan wanneer het mogelijk is na te gaan welke uitgevoerde goederen werden verwerkt om de ingevoerde goederen te verkrijgen (z. nr. 22 hierna).

8. Opgemerkt zij dat goederen die niet één van de in nr. 5 bedoelde behandelingen hebben ondergaan, met vrijstelling van BTW kunnen worden wederingevoerd in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald in artikel 40 van het koninklijk besluit nr. 7.

HOOFDSTUK II. - Personen die aanspraak kunnen maken op vrijstelling.

9. Eenieder die goederen tijdelijk uitvoert uit de Gemeenschap om ze een of meerdere veredelingsverrichtingen te doen ondergaan, kan onder de voorwaarden gesteld in deze aanschrijving vrijstelling genieten voor zover hij bij de wederinvoer van de goederen kan worden aangemerkt als geadresseerde in de zin van artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 7.

Het betreft voornamelijk de eigenaar van de goederen alsmede de maakloonwerker, de huurder en de ontlener bedoeld in artikel 6, § 4, van voornoemd besluit. Laatstgenoemde drie personen kunnen evenwel slechts als geadresseerde optreden mits zij zich bij de wederinvoer van de goederen kunnen beroepen op de vrijstelling bedoeld in artikel 41 van het koninklijk besluit nr. 7. Voor de maakloonwerker geldt bovendien een bijzondere voorwaarde (z. nr. 24). Onder maakloonwerker wordt niet alleen de persoon verstaan die een maakloonwerk verricht (z. nr. 6), maar meer algemeen elke opdrachtnemer die gelast is een goed dat hem door de opdrachtgever werd verstrekt één of meerdere handelingen bedoeld in nr. 5 te doen ondergaan.

Wanneer de geadresseerde de hoedanigheid van belastingplichtige heeft, is het voor de toepassing van de vrijstelling van geen belang dat hij de ter zake van invoer verschuldigde BTW al dan niet in aftrek kan brengen.

HOOFDSTUK III. - Bedrag waarvoor vrijstelling wordt verleend.



A.Gedeeltelijke vrijstelling - Maatstaf van heffing en tarief.
10. Overeenkomstig het bepaalde in § 3 van artikel 41 van het koninklijk besluit nr. 7, wordt de bij de invoer verschuldigde belasting beperkt tot de belasting berekend tegen het tarief dat van toepassing is voor de ingevoerde goederen en over de waarde van de in het buitenland verstrekte goederen en verrichte werken, vermeerderd met de niet reeds in die waarde begrepen sommen welke volgens artikel 34, § 2, van het BTW-Wetboek in de maatstaf van heffing moeten worden opgenomen. Die sommen zijn :

a) de in het buitenland verschuldigde rechten, heffingen en andere belastingen, alsmede die welke ter zake van de invoer in België verschuldigd zijn, met uitzondering van de te heffen belasting over de toegevoegde waarde;

b) de bijkomende kosten, zoals de kosten van commissie, douaneformaliteiten, verpakking, vervoer en verzekering tot op de eerste plaats van bestemming van de goederen in België. Bovendien omvatten laatstgenoemde kosten niet enkel de vervoer- en verzekeringskosten van de plaats in het buitenland waar de goederen werden bewerkt tot de eerste plaats van bestemming in België of tot een andere plaats van bestemming in de Gemeenschap, indien deze plaats bekend is op het tijdstip waarop de goederen in België worden ingevoerd, maar ook die met betrekking tot de verzending van de tijdelijk uitgevoerde goederen van de plaats van vertrek in België tot de plaats van bestemming in het buitenland.



B.Gehele vrijstelling.
11. In afwijking van nr. 10 wordt gehele vrijstelling van de belasting verleend voor goederen die worden wederingevoerd na in het buitenland één of meer in nr. 5 bedoelde handelingen te hebben ondergaan die niet aan de belasting zouden zijn onderworpen indien ze in België waren verricht (kon. besl. nr. 7, art. 41, § 4).

Het betreft meestal gevallen waarin de goederen in het buitenland gratis worden hersteld op grond van een contractuele of wettelijke garantieverplichting of wegens een fabricagefout.

HOOFDSTUK IV. - Voorwaarden van de vrijstelling.



A.Overzicht van de voorwaarden.
12. De vrijstelling wordt verleend onder de volgende voorwaarden (z. kon. besl. nr. 7, art. 41, § 2) :

a) de goederen moeten van België worden uitgevoerd buiten de Gemeenschap na hier te lande onder de regeling van de vrijstelling bij wederinvoer te zijn geplaatst;

b) de goederen moeten onderworpen geweest zijn aan de algemene belastingregels voor de Belgische binnenlandse markt en uit hoofde van uitvoer niet in aanmerking zijn gekomen voor ontheffing van de belasting;

c) de uitvoer buiten de Gemeenschap en de wederinvoer van de goederen die één of meer van de in nr. 5 bedoelde behandelingen hebben ondergaan moeten door dezelfde persoon zijn gedaan;

d) de wederinvoer moet plaatsvinden binnen de termijn gesteld in de nrs. 17 en 18;

e) de voorgeschreven formaliteiten moeten worden nageleefd; inzonderheid moet bij de uitvoer het voorbehoud zijn gemaakt met vrijstelling weder in te voeren;

f) de Administratie moet er zich kunnen van vergewissen dat de vrijstelling terecht werd ingeroepen wat de identiteit van de goederen betreft;

g) de dienst die de in nr. 9 bedoelde maakloonwerker die als geadresseerde optreedt aan zijn opdrachtgever verleent, moet worden aangemerkt als een werk dat materieel in België wordt verricht voor de toepassing van artikel 21, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek.



B.Voorwaarden.
Uitvoer uit België na plaatsing hier te lande onder de regeling van de vrijstelling.

13. De goederen moeten uit België worden uitgevoerd na hier te lande onder de regeling van de vrijstelling bij wederinvoer te zijn geplaatst. Aan die voorwaarde is voldaan wanneer de aangifte ten uitvoer op een Belgisch douanekantoor is ingediend, en in die aangifte voorbehoud is gemaakt de goederen achteraf met gehele of gedeeltelijke vrijstelling weder in te voeren (z. nr. 20).

Ingevolge de opheffing per 1 januari 1993 van de fiscale binnengrenzen tussen de Lid-Staten van de EG werd voor goederen die uit de Gemeenschap worden vervoerd of verzonden een uitvoerprocedure ingesteld waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen het "kantoor van uitvoer" en het "kantoor van uitgang". Het "kantoor van uitvoer" is het douanekantoor waar de aangifte ten uitvoer moet worden ingediend. Overeenkomstig de douanereglementering is dat het douanekantoor dat bevoegd is voor het toezicht op de plaats waar de exporteur is gevestigd of waar de goederen zijn verpakt of met het oog op de uitvoer in of op het vervoermiddel zijn geladen. Onder "kantoor voor uitgang" wordt daarentegen verstaan het douanekantoor waarlangs de goederen uiteindelijk de Gemeenschap verlaten. Laatstgenoemd kantoor stelt de uitvoer van de goederen uit de Gemeenschap vast en viseert het exemplaar voor de aangever van de aangifte ten uitvoer die door het "kantoor van uitvoer" werd gevalideerd. In de praktijk kunnen beide kantoren ook samenvallen.

De vrijstelling ingesteld bij artikel 41 van het koninklijk besluit nr. 7 is dan ook slechts toepasselijk mits het "kantoor van uitvoer" een Belgisch douanekantoor is. Voorts is het van geen belang dat het "kantoor van uitgang" in België dan wel in een andere Lid-Staat van de Gemeenschap is gelegen.

Onderwerping aan de algemene belastingregels voor de Belgische binnenlandse markt zonder uit hoofde van uitvoer in aanmerking te zijn gekomen voor ontheffing van de BTW.

14. De goederen die werden uitgevoerd om één of meer handelingen te ondergaan moeten vooraf onderworpen zijn geweest aan de algemene belastingregels voor de Belgische binnenlandse markt.

Worden als dusdanig aangemerkt :

  • de goederen die hier te lande zijn vervaardigd, gekocht, intracommunautair verworven of ingevoerd met een aangifte ten verbruik voor de toepassing van de BTW;
  • de goederen die in een Lid-Staat van de Gemeenschap zijn verkregen of ingevoerd met inachtneming van de aldaar geldende belastingregels voor de binnenlandse markt en die vervolgens naar België worden verzonden of vervoerd zonder dat het binnenbrengen van die goederen in België aanleiding geeft tot een heffing van BTW hier te lande.
Indien de tijdelijk uitgevoerde goederen in het land werden gekocht of intracommunautair verworven, mag die handeling niet zijn gedaan met vrijstelling van BTW bij toepassing van de artikelen 39 of 40, § 2, van het BTW-Wetboek.

Bovendien kunnen goederen die in het kader van de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot (het zogenaamde BTW-entrepot) het voorwerp hebben uitgemaakt van één of meerdere handelingen die van de BTW zijn vrijgesteld op grond van artikel 39quater, § 1, van het BTW-Wetboek slechts van de vrijstelling bij wederinvoer genieten op voorwaarde dat de onttrekking van die goederen aan de regeling BTW-entrepot in de fase die de tijdelijke uitvoer naar een derde land voorafgaat, heeft plaatsgevonden in de omstandigheden bedoeld in artikel 7, § 3, van het koninklijk besluit nr. 54 van 25 februari 1996 en derhalve de BTW opeisbaar heeft gemaakt over één of meerdere van de in die bepaling bedoelde handelingen.

Uitvoer en wederinvoer door dezelfde persoon.

15. De uitvoer en de wederinvoer moeten door dezelfde persoon worden gedaan, daarbij handelend in dezelfde hoedanigheid.

16. Over 't algemeen is en blijft de persoon die uitvoert en wederinvoert eigenaar van de goederen. Beide handelingen mogen evenwel ook worden gedaan door een persoon die de goederen anders dan als eigenaar onder zich houdt, zoals een loonbewerker of een huurder. Ook in dat geval moet die persoon bij de wederinvoer in dezelfde hoedanigheid handelen als bij de uitvoer. Daaruit volgt dat, indien degene die heeft uitgevoerd geen eigenaar van de goederen was op het tijdstip van de uitvoer, maar er eigenaar van geworden is tijdens het verblijf van de goederen in het buitenland, geen aanspraak op vrijstelling kan worden gemaakt bij de wederinvoer.



Wederinvoer.Termijn.
17. Wanneer de goederen, die tijdelijk van België naar het buitenland werden gezonden, bij toepassing van de regeling passieve veredeling met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van "rechten bij invoer" (z. nr. 3) worden wederingevoerd, en daarbij ook gehele of gedeeltelijke vrijstelling van BTW toepasselijk is krachtens onderhavige aanschrijving, moeten de goederen worden wederingevoerd binnen de (eventueel verlengde) termijn die is gesteld voor de vrijstelling van de rechten bij invoer.

18. Wanneer daarentegen alleen gehele of gedeeltelijke vrijstelling van BTW toepasselijk is, moeten de goederen worden wederingevoerd binnen een termijn van één jaar te rekenen vanaf de geldigmaking door het kantoor van uitvoer van de aangifte van tijdelijke uitvoer. Die termijn kan worden verlengd. Daartoe dient een gemotiveerde aanvraag te worden gestuurd aan de Centrale administratie van de BTW, registratie en domeinen, 2de dienst - 5de directie A, R.A.C.-Financietoren bus 39, Kruidtuinlaan 50, 1010 Brussel.

19. Tenzij anders is bepaald in de machtiging voor de "rechten bij invoer", mogen de goederen in deelzendingen worden wederingevoerd.

Formaliteiten.

20. Tenzij anders is bepaald, dient, voor de toepassing inzake BTW, de uitvoer en de wederinvoer te worden gedaan met inachtneming van de formaliteiten die bij de Verordeningen (EEG) nrs. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992 en 2454/93 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 2 juli 1993 zijn voorgeschreven voor de toepassing van de gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer. Die formaliteiten moeten worden nageleefd ook al vinden voornoemde verordeningen geen toepassing inzonderheid om reden dat het gaat om goederen die niet aan rechten bij invoer onderworpen zijn wegens hun aard, hun herkomst of om enige andere reden; in dat geval moet dan ook geen machtiging van de Administratie der douane en accijnzen worden voorgelegd.

Dat houdt inzonderheid in :

  • dat de uitvoer plaatsvindt met een formulier "Enig document" dat als aangifte ten uitvoer wordt gebezigd en waarin het voorbehoud is gemaakt de goederen met gehele of gedeeltelijke vrijstelling weder in te voeren. Daartoe moet in vak 44 van de aangifte ten uitvoer, of, indien dat bij plaatsgebrek niet mogelijk is, in een bij die aangifte gevoegde verklaring, naargelang het geval de volgende vermelding worden gesteld :
"Goederen weder in te voeren met gehele/gedeeltelijke vrijstelling van BTW. - Passieve veredeling - BTW-aanschrijving nr. 6/1996".

  • dat de wederinvoer eveneens plaatsvindt met een formulier "Enig Document" dat evenwel als aangifte ten verbruik wordt gebezigd. In die aangifte wordt verwezen naar de aangifte ten uitvoer. Samen met de aangifte ten verbruik wordt op het invoerkantoor ingediend het exemplaar voor de aangever van de aangifte ten uitvoer, in voorkomend geval de behoorlijk ingevulde inlichtingsfiche (z. nr. 22) en een exemplaar van de factuur door de leverancier of dienstverrichter opgesteld op naam van de geadresseerde der wederingevoerde goederen, of bij ontstentenis van een factuur (in geval van gratis herstelling) een door de dienstverrichter opgestelde verzendnota die vermeldt dat de herstelling werd gedaan zonder betaling van een prijs.
21. Het plaatselijk hoofd van de douane over het kantoor van wederinvoer gaat na of de gehele of gedeeltelijke vrijstelling mag worden toegestaan.

Identiteit van de goederen.

22. De vrijstelling wordt slechts verleend indien de identiteit van de goederen kan worden vastgesteld.

Om aanspraak te mogen maken op gehele of gedeeltelijke vrijstelling moet de geadresseerde kunnen aantonen dat het gaat om een wederinvoer van goederen.

Met dat doel kan de douane bij de uitvoer herkenningstekens aanbrengen of andere maatregelen treffen ter herkenning van de identiteit van de goederen; ze kan voorschrijven dat een inlichtingsfiche wordt opgemaakt en dat de wederinvoer moet plaatsvinden over het kantoor van uitvoer; ze kan ook opbrengstpercentages vaststellen. Van een en ander wordt aantekening gemaakt op de aangifte ten uitvoer.

De geadresseerde moet ook kunnen aantonen, aan de hand van zijn administratie (boekhouding en andere stukken, inzonderheid briefwisseling en contracten) dat het gaat om een wederinvoer en dat hij terecht vrijstelling heeft bekomen. Dat geldt inzonderheid wanneer grondstoffen naar het buitenland werden gezonden om er te worden verwerkt tot fabrikaten. De belanghebbende moet aantonen niet alleen dat de fabrikaten verkregen werden door verwerking van de uitgevoerde grondstoffen, maar ook dat de hoeveelheid ingevoerde goederen voortkomt van de hoeveelheid uitgevoerde goederen. Hij zal aan de ambtenaren die belast zijn met de controle alle nuttige inlichtingen moeten verstrekken, en met name de inlichtingen die het mogelijk maken het rendement te bepalen van de behandeling van de uitgevoerde goederen.

Bijzondere voorwaarde voor de maakloonwerker die als geadresseerde optreedt.

Algemeen.

23. Artikel 11, B, 5, van de Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977 bepaalt dat voor tijdelijk uit de Gemeenschap uitgevoerde goederen die, na buiten de Gemeenschap een herstelling, bewerking, verwerking of aanpassing te hebben ondergaan, worden wederingevoerd, de Lid-Staten de nodige voorzieningen dienen te treffen ten einde te verzekeren dat de voor de verkregen goederen geldende behandeling dezelfde is als die welke op de betrokken goederen zou zijn toegepast indien voornoemde handelingen zouden zijn verricht in het binnenland.

Zoals uiteengezet in nr. 9 mag de maakloonwerker die de goederen heeft uitgevoerd om ze één van de genoemde handelingen te doen ondergaan als geadresseerde optreden voor de toepassing van de vrijstelling bedoeld in artikel 40, § 1, 2°, b), van het BTW-Wetboek.

Hier wordt inzonderheid het geval beoogd waarin de dienstverrichter het werk dat hem wordt opgedragen of een deel ervan niet in België verricht of laat verrichten, maar :

  • de goederen daartoe tijdelijk naar een derde land uitvoert;
  • en vervolgens, als geadresseerde optreedt bij de wederinvoer van de in het buitenland behandelde goederen.
De maakloonwerker die als geadresseerde optreedt kan de bij wederinvoer voldane BTW daarbij volgens de ter zake geldende regels in aftrek brengen ongeacht of zijn opdrachtgever al dan niet een belastingplichtige is met een recht op aftrek. Bovendien is de dienst welke die maakloonwerker aan zijn opdrachtgever verleent evenmin aan de BTW onderworpen omdat het een werk betreft dat materieel buiten de Gemeenschap wordt verricht.

Om te voldoen aan artikel 11, B, 5 van de Richtlijn 77/388/EEG heeft de Belgische wetgever een wettelijke fictie ingevoerd die ertoe strekt de dienst van de maakloonwerker aan de belasting te onderwerpen in de Gemeenschap.

Fictie.

24. Overeenkomstig artikel 41, § 2, 4°, van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992, genomen ter uitvoering van artikel 40, § 3, van het BTW-Wetboek, moet de dienst die de in nr. 9 bedoelde maakloonwerker die als geadresseerde optreedt aan zijn opdrachtgever verleent, worden aangemerkt als een werk dat materieel in België wordt verricht voor de toepassing van artikel 21, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek.

Plaats van de dienst van de maakloonwerker.

25. Artikel 21, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek voorziet in twee criteria om de plaats van de dienst te bepalen inzake een materieel werk dat betrekking heeft op een ander goed dan een uit zijn aard onroerend goed, waaronder dus de werken bedoeld in nr. 5.

Overeenkomstig de algemene regel ingesteld bij artikel 21, § 3, 2°, a), van het BTW-Wetboek is de plaats van de dienst, de plaats waar het goed zich bevindt op het ogenblik dat de dienst materieel wordt verricht.

In afwijking van dat beginsel bepaalt artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek evenwel dat de plaats van de dienst het grondgebied van de Lid-Staat is die aan de ontvanger het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de dienst aan hem is verleend wanneer de dienst wordt verstrekt aan een ontvanger die voor de BTW is geïdentificeerd in een andere Lid-Staat dan die waarin de dienst materieel wordt verricht.

Daarbij mag echter niet uit het oog worden verloren dat die afwijking slechts toepasselijk is indien de goederen zijn vervoerd of verzonden buiten de Lid-Staat waar de dienst materieel is verricht. Wanneer de goederen laatstgenoemde Lid-Staat niet verlaten moet de plaats van de dienst derhalve worden bepaald overeenkomstig de algemene regel van artikel 21, § 3, 2°, a), van het BTW-Wetboek.

26. De maakloonwerker die als geadresseerde optreedt moet de dienst die hij aan zijn opdrachtgever verleent dan ook aanmerken als een dienst die in België of in een andere Lid-Staat plaatsvindt, naargelang de algemene regel dan wel de afwijking van artikel 21, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek toepasselijk is ingevolge de fictie bedoeld in nr. 24.

BTW-regeling toepasselijk op de dienst van de maakloonwerker die als geadresseerde optreedt.

De dienst wordt geacht plaats te vinden in België.

27. De maakloonwerker die als geadresseerde optreedt moet zijn dienst met Belgische BTW belasten wanneer die dienst geacht wordt in België plaats te vinden ingevolge de gecombineerde toepassing van de fictie uiteengezet in nr. 24 en artikel 21, § 3, 2°, a), van het BTW-Wetboek.

Dat is het geval in volgende situaties :

  • de opdrachtgever van de maakloonwerker heeft geen BTW-identificatienummer dat is toegekend door een Lid-Staat van de EEG (b.v. een particulier, een niet-belastingplichtige rechtspersoon die niet gehouden is zijn intracommunautaire verwervingen van goederen in België aan de belasting te onderwerpen, een belastingplichtige gevestigd buiten de Gemeenschap) of is wel houder van een dergelijk nummer maar heeft het niet aan de maakloonwerker medegedeeld;
  • de opdrachtgever van de maakloonwerker heeft een Belgisch BTW-identificatienummer waaronder de dienst hem wordt verleend;
  • de opdrachtgever van de maakloonwerker heeft een BTW-identificatienummer waaronder de dienst hem wordt verleend dat werd toegekend door een andere Lid-Staat dan België, maar de goederen worden niet buiten België vervoerd of verzonden.
28. Het werk van de maakloonwerker moet evenwel niet worden belast indien de vrijstelling van de artikelen 39, 41 of 42 van het BTW-Wetboek kan worden toegepast of indien die dienst niet aan de belasting zou zijn onderworpen indien hij in België was verricht (z. nr. 11).

  • De dienst wordt geacht plaats te vinden in een andere Lid-Staat dan België.
29. Ingevolge de gezamenlijke toepassing van de fictie bedoeld in nr. 24 en artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek wordt de dienst van de maakloonwerker die als geadresseerde optreedt geacht plaats te vinden in de Lid-Staat die aan de ontvanger van de dienst het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de dienst hem is verleend, wanneer die Lid-Staat een andere Lid-Staat is dan België en de goederen bovendien buiten België zijn vervoerd of verzonden.

Wanneer de dienst van de maakloonwerker aan de BTW is onderworpen in een andere Lid-Staat dan België is de schuldenaar van de belasting in de regel de afnemer van de dienst. In afwijking van die regel moet de maakloonwerker als schuldenaar van de buitenlandse BTW worden aangemerkt wanneer hij zelf is gevestigd in de Lid-Staat van taxatie.



30.Voorbeeld.
A laat een goed herstellen door B, een in België gevestigde en voor BTW-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige.

B voert het goed uit naar een derde land om de herstelling aldaar in onderaanneming te laten verrichten door C. Bij de wederinvoer in België van het herstelde goed treedt B op als geadresseerde en beroept hij zich op de gedeeltelijke vrijstelling bedoeld in artikel 41 van het K.B. nr. 7.

Bij de plaatsbepaling van de dienst die hij aan A verleent dient B derhalve ervan uit te gaan dat de herstelling materieel in België werd uitgevoerd (z. nr. 24).

1ste hypothese : A is een in België gevestigde en voor de BTW geïdentificeerde belastingplichtige. Na de wederinvoer worden de goederen hier te lande ter beschikking gesteld van A.

Ingevolge de gecombineerde toepassing van de fictie bedoeld in nr. 24 en de algemene regel uiteengezet in artikel 21, § 3, 2°, a), van het BTW-Wetboek wordt de dienst die B aan A verleent geacht in België plaats te vinden en is als dusdanig aan de Belgische BTW onderworpen. B is schuldenaar van die belasting.

De afwijkende regel van artikel 21, § 3, 2°, b, van het BTW-Wetboek kan geen toepassing vinden.

Enerzijds wordt de dienst aan A verleend onder een BTW-identificatienummer dat is toegekend door de Lid-Staat waar de herstelling geacht wordt materieel te zijn uitgevoerd (België). Anderzijds wordt het herstelde goed na zijn inverbruikstelling in België niet naar een andere Lid-Staat vervoerd of verzonden.

2de hypothese : A is een in Frankrijk gevestigde particulier en het goed wordt na de wederinvoer naar A in Frankrijk vervoerd.

Ook in dit geval wordt de dienst van B bij de gezamenlijke toepassing van de fictie bedoeld in nr. 24 en de algemene regel van artikel 21, § 3, 2°, a), van het BTW-Wetboek geacht in België plaats te vinden.

De afwijkende regel van artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek kan inderdaad niet worden toegepast daar de ontvanger van de dienst een particulier is aan wie geen BTW-identificatienummer werd toegekend.

3de hypothese : A is een belastingplichtige die voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd in Frankrijk en deelt zijn BTW-identificatienummer mee aan B. Het herstelde goed wordt na de wederinvoer naar A in Frankrijk verstuurd.

Ingevolge de gezamenlijke toepassing van de fictie bedoeld in nr. 24 en de afwijkende regel van artikel 21, § 3, 2°, b, van het BTW-Wetboek wordt de dienst die B aan A verleent geacht in Frankrijk plaats te vinden aangezien :

  • de ontvanger van de dienst A een door Frankrijk toegekend BTW-identificatienummer heeft waaronder de dienst hem wordt verleend;
  • Frankrijk een andere Lid-Staat is dan die waar de herstelling geacht wordt materieel te zijn verricht (België);
  • het goed buiten België wordt verzonden.
De dienst die B aan A verstrekt is dan ook aan de Franse BTW onderworpen. Daar B niet in Frankrijk is gevestigd, is A schuldenaar van die belasting.

4de hypothese : Idem als derde hypothese, maar het herstelde goed wordt na de wederinvoer in België naar Duitsland verstuurd waar A het zal gebruiken voor het verlenen van een dienst aan een aldaar gevestigde persoon.

De oplossing uiteengezet in de derde hypothese geldt eveneens in deze situatie. De omstandigheid dat het goed niet terug naar Frankrijk wordt vervoerd heeft geen belang. Voor de toepassing van de afwijkende regel van artikel 21, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek volstaat het immers dat het goed buiten België wordt vervoerd of verzonden.

5de hypothese : Zelfde situatie als in de derde hypothese, maar het herstelde goed blijft in België omdat A het heeft verkocht aan een in België gevestigde persoon.

Ingevolge de gecombineerde toepassing van de fictie bedoeld in nr. 24 en de algemene regel van artikel 21, § 3, 2°, a), van het BTW-Wetboek dient B zijn dienst met Belgische BTW te belasten.

De afwijkende regel kan geen toepassing vinden. De afnemer van de dienst heeft weliswaar een BTW-identificatienummer waaronder de dienst hem wordt verleend dat werd toegekend door een andere Lid-Staat (Frankrijk) dan die waar de herstelling geacht wordt materieel te zijn verricht (België), maar het goed wordt niet uit België vervoerd of verzonden.

Het is duidelijk dat de dienst die C aan B verleent in alle hiervoor beschouwde hypotheses overeenkomstig de algemene regel van artikel 21, § 3, 2°, a, van het BTW-Wetboek in een derde land plaatsvindt en derhalve niet aan de BTW is onderworpen in de Gemeenschap.

Inderdaad, daar B optreedt als geadresseerde van de ingevoerde goederen is de fictie bedoeld in nr. 24 alleen toepasselijk in de relatie B - A.



C.Gevolgen van de niet-naleving van de voorwaarden.
31. De vrijstelling vindt alleen toepassing indien de voorwaarden die gesteld zijn door deze aanschrijving strikt worden nageleefd.

Het voordeel van de vrijstelling kan nochtans geheel of gedeeltelijk opnieuw worden verleend door een administratieve beslissing wanneer de vormvoorwaarden, de formaliteiten of de termijn niet werden nageleefd.



HOOFDSTUKV. - Slotbepaling.
32. Deze aanschrijving vervangt, met terugwerkende kracht op 1 januari 1996, de aanschrijving nr. 9, van 29 april 1993, die over hetzelfde onderwerp handelde.

Namens de Minister :
De Directeur-generaal,
F. BURNONVILLE
BIJLAGE



1.BTW-Wetboek
Artikel 3. De invoer van goederen, door wie ook, is eveneens aan de belasting onderworpen wanneer de invoer in België plaatsvindt.

Artikel 18. § 1. Als een dienst wordt beschouwd elke handeling die geen levering van een goed is in de zin van dit Wetboek.

Als een dienst wordt onder meer beschouwd de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft :

1° een materieel of intellectueel werk waaronder het maakloonwerk. Onder maakloonwerk wordt verstaan het vervaardigen of samenstellen van een roerend goed door een opdrachtnemer door middel van materialen en voorwerpen die daartoe door de opdrachtgever aan de opdrachtnemer zijn verstrekt, ongeacht of de opdrachtnemer al dan niet een deel van de gebruikte materialen heeft verstrekt;



tot 15° (...)
§§ 2 en 3 (...)

Artikel 21. § 1. Een dienst vindt plaats in België als de overeenkomstig de §§ 2 tot 4 aangemerkte plaats zich in België bevindt.

§ 2. Als plaats van een dienst wordt aangemerkt de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht of, bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats.



§3. In afwijking van § 2 wordt als plaats van de dienst aangemerkt :
(...)
2° wanneer het gaat om een materieel werk of een expertise die betrekking heeft op een ander goed dan een uit zijn aard onroerend goed :

a) de plaats waar het goed zich bevindt op het ogenblik dat de dienst materieel wordt verricht;

b) in afwijking van a, op het grondgebied van de Lid-Staat die aan de ontvanger het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de dienst aan hem is verleend wanneer de dienst wordt verstrekt aan een ontvanger die voor de BTW is geïdentificeerd in een andere Lid-Staat dan die waarin de dienst materieel wordt verricht. Deze afwijking is niet van toepassing indien de goederen niet zijn verzonden of vervoerd buiten de Lid-Staat waar de dienst materieel is verricht;



tot 8° (...)
§§ 4 en 5 (...)

Artikel 40. § 1. Van de belasting zijn vrijgesteld :



(...)
2° de wederinvoer, door degene die de goederen heeft uitgevoerd buiten de Gemeenschap :



a)(...)
b) van goederen die buiten de Gemeenschap een herstelling, een bewerking, een verwerking of een aanpassing hebben ondergaan;



§2. (...)
§ 3. De Koning bepaalt de voorwaarden die voor het verkrijgen van de in de §§ 1 en 2 bedoelde vrijstellingen moeten worden nageleefd en kan daarbij afwijken van artikel 21. Voor de invoeren bedoeld in § 1, 1°, b, en 2°, kan Hij de vrijstelling beperken of, ter voorkoming van concurrentieverstoring, bepalen dat zij geen toepassing vindt.



§4. (...)
2. Koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde.

Artikel 6. § 1. De belasting wordt voldaan op naam van de geadresseerde van de ingevoerde goederen.

§ 2. De geadresseerde is de verkrijger of overnemer aan wie de goederen worden verzonden op het tijdstip, waarop de belasting opeisbaar wordt en, wanneer er geen verkrijger of overnemer is, degene die eigenaar is van de goederen.

De verkoper of overdrager of een vorige verkoper of overdrager mag als geadresseerde optreden op voorwaarde dat hij in België gevestigd of een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft voor de toepassing van de belasting.



§3. (...)
§ 4. De maakloonwerker, de huurder of de ontlener die goederen heeft uitgevoerd buiten de Gemeenschap om ze een herstelling, bewerking, verwerking of aanpassing te laten ondergaan, mag als geadresseerde optreden voor de toepassing van de vrijstelling bedoeld in artikel 40, § 1, 2°, b, van het Wetboek.



§5. (...)
Artikel 41. § 1. Gedeeltelijke vrijstelling van de belasting wordt verleend voor de invoer van de hierna vermelde goederen :

1° goederen die worden wederingevoerd na buiten de Gemeenschap een herstelling, daaronder begrepen het reviseren en het afstellen, te hebben ondergaan;

2° goederen die worden wederingevoerd na buiten de Gemeenschap een bewerking, daaronder begrepen het monteren en het samenbouwen, te hebben ondergaan;

3° goederen waarvan delen of onderdelen werden uitgevoerd buiten de Gemeenschap en worden wederingevoerd na aan die goederen te zijn aangebracht;

4° goederen die zijn vervaardigd door het verwerken van goederen die met dat doel werden uitgevoerd buiten de Gemeenschap.



§2. De vrijstelling wordt verleend onder de volgende voorwaarden :
1° de goederen moeten van België worden uitgevoerd buiten de Gemeenschap na in België onder de regeling van de vrijstelling te zijn geplaatst;

2° de goederen moeten onderworpen geweest zijn aan de algemene belastingregels voor de Belgische binnenlandse markt en uit hoofde van uitvoer niet in aanmerking zijn gekomen voor ontheffing van de belasting;

3° de uitvoer buiten de Gemeenschap en de wederinvoer van de goederen die één of meer van de in § 1 bedoelde behandelingen hebben ondergaan moeten door dezelfde persoon zijn gedaan;

4° de dienst die de in artikel 6, § 4, bedoelde maakloonwerken die als geadresseerde optreedt, aan zijn opdrachtgever verleent, moet worden aangemerkt als een werk dat materieel in België wordt verricht voor de toepassing van artikel 21, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek.

§ 3. De verschuldigde belasting wordt berekend over de waarde van de in het buitenland verstrekte goederen en verrichte werken, vermeerderd met de niet reeds in die waarde begrepen sommen, welke volgens artikel 34, § 2, van het BTW-Wetboek in de maatstaf van heffing moeten worden opgenomen, en tegen het tarief dat van toepassing is voor de in België ingevoerde goederen.

§ 4. Gehele vrijstelling van de belasting wordt verleend voor de goederen die worden wederingevoerd na één of meerdere in § 1 bedoelde handelingen te hebben ondergaan die niet aan de belasting zouden zijn onderworpen indien ze in België waren verricht.

§ 5. Door of vanwege de Minister van Financiën worden de modaliteiten en de formaliteiten bepaald voor de toepassing van de in dit artikel bedoelde vrijstelling.