Circulaire nr. Ci.RH.241/305.445 dd. 08.03.1979
Circulaire nr. Ci.RH.241/305.445 dd. 08.03.1979
Bull. nr. 573, pag. 673
PROVISIES VOOR WAARSCHIJNLIJKE LASTEN
Vrijstellingsvoorwaarden
PROVISIES VOOR WAARSCHIJNLIJKE VERLIEZEN
Vrijstellingsvoorwaarden
I. INLEIDING
1. Deze circ. verstrekt commentaar op het KB 24.10.1978 tot wijziging, op het stuk van de provisies bestemd om het hoofd te bieden aan de waarschijnlijke verliezen of lasten, van het KB tot uitv. van het WIB (V. 1495 - B. 569).
Dit KB wijzigt op twee punten de voorwaarden waaronder provisies voor waarschijnlijke verliezen en lasten kunnen worden vrijgesteld : eensdeels wat de boekhoudkundige vereisten en anderdeels wat de verantwoording betreft.
II. BOEKHOUDKUNDIGE VEREISTEN
2. Zoals reeds werd vermeld in de circ. 31.3.1978, Ci.RH.421/290.379, nr. 10, moeten de waardeverminderingen, luidens art. 12, lid 3, KB 08.10.1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen (V. 1435 - B. 545), bij de opstelling van de balans worden afgetrokken van de actiefposten waarop ze betrekking hebben.
Wat die waardeverminderingen betreft die als provisie voor waarschijnlijke verliezen of lasten kunnen worden vrijgesteld, eiste art. 4, 3°, KB tot uitv. van het WIB, evenwel dat ze op één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief voorkomen.
Zoals in voormelde circ. reeds in uitzicht was gesteld werden, om deze tegenstrijdigheid ongedaan te maken, in art. 4, 3°, KB tot uitv. van het WIB, de woorden "van het passief" geschrapt.
Er weze nogmaals aan herinnerd dat aan de voorwaarde inzake de boeking van de provisies nochtans slechts is voldaan indien in de boekhouding zelf een of meer afzonderlijke rekeningen bestaan die uitsluitend worden gebruikt voor de inschrijvingen van de op die provisies betrekking hebbende verrichtingen.
3. De aandacht wordt gevestigd op het feit dat de nieuwe boekhoudkundige vereisten niet slaan op de voorzieningen voor risico's en lasten, die niet tot doel mogen hebben de waarden van de onder de activa opgenomen bestanddelen te corrigeren en dus op het passief van de balans moeten voorkomen. Bovendien verzet niets zich ertegen dat belastingplichtigen, die niet overeenkomstig voormeld KB 8.10.1976 boekhouden, hun vrijstelbare provisies bij voortduur op het passief van de balans boeken.
III. VERANTWOORDING
4. Op grond van de vroegere tekst van art. 4, 4°, KB tot uitv. van het WIB, moesten de provisies voor waarschijnlijke verliezen en lasten opgenomen zijn in een opgave 204.3 welke, op straffe van verval van het recht op vrijstelling of behoud van de vrijstelling, ten laatste samen met de tijdig ingediende aangifte in de inkomstenbelastingen moest worden overgelegd.
De nieuwe tekst van gezegd 4° behoudt die verplichting zodat, zoals voorheen, geen enkele provisie mag worden vrijgesteld die niet in de opgave 204.3 voorkomt. Evenwel voorziet hij niet langer in het rechtsverval dat aan het niet naleven van de termijn waarin die opgave moet worden ingediend, verbonden was.
5. Die wijziging laat inzonderheid toe dat belastingplichtigen, die in de mening verkeerden dat door hen geboekte waardeverminderingen of voorzieningen als bedrijfslast aftrekbaar waren, nog een opgave 204.3 zouden indienen wanneer, in om het even welk stadium van de procedure, blijkt dat sommige van die waardeverminderingen of voorzieningen enkel als provisie voor waarschijnlijke verliezen of lasten kunnen worden vrijgesteld. In dezelfde gedachtengang mag worden aanvaard dat een voorheen ingediende opgave 204.3 wordt vervangen of aangevuld.
IV. TOEPASSING VAN DE NIEUWE BEPALINGEN
6. De nieuwe bepalingen van art. 4, KB tot uitv. van het WIB, zijn in beginsel van toepassing op de winsten van de boekjaren die ingaan na 31.12.1976, t.t.z. met ingang van de boekjaren waarvoor de voorschriften van voormeld KB 8.10.1976 kunnen gelden.
De onder voorgaand nr. 5 opgenomen richtlijnen mogen nochtans eveneens worden in aanmerking genomen voor de regeling van betwistingen in verband met vroegere boekjaren.
