Circulaire nr. Ci.RH.26/437.743 d.d. 30.04.1992

Bull. nr. 717, pag. 1577

HYPOTHECAIRE LENING
Inpandgeving van een spaarverzekeringscontract.

LEVENSVERZEKERING
Vrijstelling van de premies.

PENSIOENSPAREN
Attest 281.60.
Belastingstelsel van de uitkeringen.
Spaarverzekering.
Voorwaarden van aftrekbaarheid.


Spaarverzekeringscontracten kunnen in pand worden gegeven bij een bankinstelling of een verzekeringsonderneming als bijkomende waarborg voor een hypothecaire lening, mits aan welbepaalde voorwaarden is voldaan.

INHOUDSTABEL I. Toegelaten types van spaarverzekeringen 1 II. Inpandgeving van een spaarverzekeringscontract 2 tot 4 III. Uitwinning van het pand 5 tot 7 IV. Onverenigbaarheid 8 en 9 I. Toegelaten types van spaarverzekeringen

1. Voor de vrijstelling van de premies inzake het pensioensparen (art. 72 WIB) komen in principe alle types van levensverzekeringen in aanmerking, met inbegrip van de tijdelijke verzekering bij overlijden met vast of afnemend kapitaal (zie Com.I.B. 54/30 en 54/62, b).

II. Inpandgeving van een spaarverzekeringscontract

2. De hypothecaire schuldeiser mag echter niet worden aangeduid als voornaamste begunstigde -bij leven of bij overlijden van de verzekerde- van het verzekeringscontract, vermits alsdan aan de in art. 72, § 3, 2°, WIB, gestelde voorwaarde betreffende de vrijstelling niet is voldaan.

3. Het recht op aftrek van de premies van een spaarverzekering gaat echter niet teloor wanneer het spaarverzekeringscontract dat ten voordele van een der in art. 72, § 3, 2°, WIB, opgesomde personen is onderschreven, bij een bankinstelling of verzekeringsonderneming in pand wordt gegeven als bijkomende waarborg voor een door de verzekerde zelf aangegane hypothecaire lening op een in België gelegen onroerend goed dat zijn eigendom is ofwel door eenvoudige overdracht aan die instelling van de door de schuldenaar (verzekerde), de schuldeiser (begunstigde) en de verzekeraar getekende polis, ofwel door toekenning aan de schuldeiser, bij aanhangsel aan de polis, niet alleen van het genot van het contract, maar ook van alle rechten van de verzekeringnemer. Hieraan is evenwel de voorwaarde gekoppeld dat de overdracht van de polis aan de schuldeiser of de wijzigingen door het aanhangsel aan het contract, geen afbreuk doen aan de bij art. 72, § 3, 2°, WIB gestelde voorwaarde betreffende de hoedanigheid van de persoon ten bate van wie het levensverzekeringscontract onderschreven moet zijn.

4. Het bepaalde in nr. 3 is inzonderheid van toepassing wanneer de eerste begunstigde van het contract, in geval van overlijden van de verzekerde, het recht behoudt, om van diens erfgenamen de betaling te eisen van de sommen die ten bate van de schuldeiser op het verzekerde kapitaal zijn afgenomen om de schuld te delgen. Met andere woorden, de overdracht van de polis of de wijziging ervan bij aanhangsel, mag juridisch uitsluitend tot doel hebben de begunstigde van de polis te verplichten het verzekerde kapitaal geheel of gedeeltelijk aan te wenden (of te laten aanwenden) tot terugbetaling van het saldo van de door de overleden verzekeringnemer aangegane lening, zonder daarom de rechten van de begunstigde op het verzekerde kapitaal aan te tasten.

III. Uitwinning van het pand

5. Bij uitwinning van het pand door de schuldeiser wordt de oorspronkelijke begunstigde van de polis, hoe dan ook, op dat tijdstip belastbaar op het door de verzekeraar als kapitaal of afkoopwaarde van de polis aan de schuldeiser uitgekeerde bedrag.

6. Dit bedrag is belastbaar als een pensioen (art. 32bis, 1e lid, 3°, WIB). Het progressieve tarief van de personenbelasting is erop van toepassing behalve wanneer de belastingplichtige zich in een van de uitzonderingsgevallen bevindt die limitatief zijn opgesomd in art. 93, § 1, 2°, i, WIB en die recht geven op de afzonderlijke belasting tegen het vaste tarief van 16,5 %.

7. Er wordt op gewezen dat de belastingplichtige zodoende door de inpandgeving van zijn spaarverzekering een niet te verwaarlozen risico loopt zwaarder te zullen worden belast.

IV. Onverenigbaarheid

8. De administratie aanvaardt niet dat een levensverzekeringscontract tegelijkertijd of achtereenvolgens wordt aangewend voor aftrek van de beroepsinkomsten (art. 54, 2°, b of 3°, WIB, vervangen door art. 13, § 1 van de hervormingswet van 07.12.1988) en voor de aftrek van de totale inkomsten (in art. 72, WIB bedoeld pensioensparen). De belastingplichtige moet ter zake zelf een bindende keuze maken. Er zal hem niet toegestaan worden hierop terug te komen.



9.Concreet heeft de sub 8 bedoelde regel de volgende consequenties :
  • een levensverzekeringscontract waarvoor een attest is uitgereikt om de aftrek van de premies overeenkomstig de art. 55 of 56 WIB (zie Com.I.B. nrs. 54/55 en 54/56, alsmede nrs. II/412 en 414, circ. 25.04.1990 Ci.D.19/402.192 van 25.04.1990 - B. 695, blz. 1563) te verkrijgen, mag geen aanleiding geven tot het uitreiken van een attest nr. 281.60 inzake pensioensparen en vice versa;
  • tijdens de duur van het contract kan niet van het ene (art. 55 of 56 WIB) naar het andere (art. 72 WIB) aftrekstelsel worden overgestapt;
  • de premie van eenzelfde levensverzekeringscontract mag niet gesplitst worden in een deel waarvoor de aftrek van het totale beroepsinkomen wordt gevraagd (art. 55 of 56 WIB) en in een deel dat voor het pensioensparen wordt aangewend (art. 72 WIB);
  • het attest nr. 281.60 kan nooit een van de in art. 55 en 56 WIB bedoelde attesten vervangen;
  • er kan geen aftrek van kapitaalaflossingen worden toegestaan voor een hypothecaire lening die gewaarborgd is door een levensverzekering waarvan de premiebetaling door een attest nr. 281.60 is aangetoond.