Circulaire 2021/C/23 betreffende de inschrijving in de administratie van de aangever (EIDR) (opgeheven)

Deze circulaire werd vervangen door circulaire 2023/C/104

definitie; aanvraag; voorwaarden; vergunning

530.11; EIDR; kennisgeving van aanbrengen; aanvullende aangifte; controleprogramma

FOD Financiën, 04.03.2021
Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen

Inhoudstabel

Circulaire 2021/C/23 betreffende de inschrijving in de administratie van de aangever (EIDR)

1. Wettelijke basis

2. Toepassingsgebied

3. Definities en afkortingen

3.1. Definities

3.2. Afkortingen

4. Overgangsmaatregelen

4.1. Overgangsperiode ICT

4.1.1. Wettelijke bepalingen

4.1.2. Toelichting

4.2. Overgangsmaatregelen betreffende vergunningen EIDR verleend vanaf 1 mei 2016

4.2.1. Wettelijke bepalingen

4.2.2. Toelichting

5. Aanvraag van een vergunning EIDR

5.1. Wettelijke bepalingen

5.2. Toelichting

5.2.1. Wijze en vorm van de aanvraag

5.2.2. Plaats van de aanvraag

5.2.3. Aanvaarding van de aanvraag

5.3. Vergunning EIDR en douanevertegenwoordiging

5.3.1. Wettelijke bepalingen

5.3.2. Toelichting

6. Voorwaarden voor het verlenen van een vergunning EIDR

6.1. Wettelijke bepalingen

6.2. Toelichting

6.2.1. Uitsluitingen voor het gebruik van de vergunning EIDR

6.2.2. Ontheffing van de verplichting om de goederen aan te brengen

6.3. Voorafgaande audit

6.4. Verslag van de audit

6.5. Controleprogramma

7. Verlenen van een vergunning EIDR

7.1. Wettelijke bepalingen

7.2. Toelichting

7.3. Zekerheid

7.3.1. Wettelijke bepalingen

7.3.2. Toelichting

7.4. Vrijgave van de goederen

7.4.1. Wettelijke bepalingen

7.4.2. Toelichting

8. Toepassing van de vergunning EIDR

8.1. Verplichtingen van de vergunninghouder

8.1.1. Wettelijke bepalingen

8.1.2. Toelichting

8.2. Gegevens in de douaneaangifte in de vorm van een inschrijving in de administratie en in de aanvullende aangifte

8.2.1. Wettelijke bepalingen

8.2.2. Toelichting

8.3. Aanvullende bepalingen

8.3.1. Wettelijke bepalingen

8.3.2. Toelichting

9. Opvolging van de vergunningen en toezicht op de verrichtingen

9.1. Wettelijke bepalingen

9.2. Toezicht door de douaneautoriteiten

9.3. Toezicht door de economische operator

9.4. Toezicht op de verrichtingen

10. Opheffingsbepalingen

BIJLAGEN

BIJLAGE I: Gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aanvragen en beschikkingen (Bijlage A DWU DA)

BIJLAGE II: Ontheffing van de verplichting tot indiening van een aangifte vóór vertrek

BIJLAGE III: Aanvullende voorwaarden voor ontheffing van de verplichting om de goederen aan te brengen (Guidance Simplifications 2.3.1 b)

BIJLAGE IV: Te controleren aspecten tijdens de voorafgaande bedrijfscontrole (Guidance Simplifications 2.3.1 c)

BIJLAGE V: Gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aangiften, kennisgevingen en bewijs van de douanestatus van Uniegoederen (Bijlage B DWU DA).

BIJLAGE VI: Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151 van de Commissie van 13 december 2019 tot vaststelling van het werkprogramma voor de ontwikkeling en de uitrol van de elektronische systemen waarin het douanewetboek van de Unie voorziet.

1. Wettelijke basis

Een vergunning “inschrijving in de administratie van de aangever” wordt door de douaneautoriteiten verleend op basis van de volgende wettelijke en administratieve bepalingen:
- Artikels 22, 167, 182, 183, 194, 195, 211, 263 en 278 van Verordening (EU) 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (verder afgekort als DWU);
- Artikels 11, 146, 149, 150, 183 en 245 en bijlagen A en B van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (verder afgekort als DWU DA);
- Artikels 157 en 233 tot en met 236 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (verder afgekort als DWU IA);
- Artikels 2, 21, 55, van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 van de Commissie van 17 december 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 (verder afgekort als DWU TDA);
- Ministerieel besluit van 11 juli 2019 tot vaststelling van de datum van de tweede stap in toepassing van het koninklijk besluit van 13 maart 2016 tot vaststelling van de douaneregelingen en de modaliteiten waaronder de directe en indirecte vertegenwoordiging kunnen worden toegepast (B.S. 25/09/2019);
- UCC Guidance document “Commission staff working document – General Guidance on customs decisions”, Ref. Ares TAXUD (A2)(2016)3945564 – 8 juli 2016. Te raadplegen via de link https://ec.europa.eu/taxation_customs/system/files/2016-09/guidance_general_cust_dec_en.pdf;
- UCC Guidance document “Simplifications – Title V UCC/“Guidance for MSs and Trade ”, Ref. Ares(2019)7672202 - 13/12/2019 (verder naar verwezen als Guidance Simplifications). Te raadplegen via de link https://ec.europa.eu/taxation_customs/sites/taxation/files/guidance_simplifications_en.pdf;
- Nota van de Europese Commissie inzake douanevertegenwoordiging: “Customs representation in the context of simplifications and certain special procedures”, Ref. Ares TAXUD (A2)(2017)3500081 – 19 juni 2017. Te raadplegen via de link https://ec.europa.eu/taxation_customs/system/files/2017-10/working_document_customs_representation_simplification_en.pdf.

2. Toepassingsgebied

1. Deze circulaire behandelt de vereenvoudigde aangifteprocedure “inschrijving in de administratie van de aangever” (verder afgekort als EIDR). De procedure biedt de vergunninghouder de mogelijkheid om een douaneaangifte in te dienen en de goederen onder een douaneregeling te plaatsen door middel van een inschrijving in de administratie van de aangever.

3. Definities en afkortingen

3.1. Definities

Artikel 5 DWU

“4) "persoon": een natuurlijk persoon, een rechtspersoon of een vereniging van personen die geen rechtspersoonlijkheid bezit maar krachtens het Unierecht of het nationale recht wel als handelingsbekwaam is erkend”;
12) "douaneaangifte": de handeling waarbij een persoon in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze het voornemen kenbaar maakt om goederen onder een bepaalde douaneregeling te plaatsen, in voorkomend geval met opgave van eventuele specifieke procedures die moeten worden toegepast”;
15) "aangever": de persoon die in eigen naam een douaneaangifte, een aangifte tot tijdelijke opslag, een summiere aangifte bij binnenbrengen, een summiere aangifte bij uitgaan, een aangifte tot wederuitvoer of een kennisgeving van wederuitvoer indient, dan wel de persoon namens wie deze aangifte of deze kennisgeving wordt ingediend”;
16) "douaneregeling": een van de onderstaande regelingen waaronder goederen overeenkomstig het wetboek kunnen worden geplaatst:
a) in het vrije verkeer brengen,
b) bijzondere regelingen,
c) uitvoer”;
26) ‘vrijgave van goederen’: terbeschikkingstelling door de douaneautoriteiten van goederen voor de doeleinden die zijn voorzien in de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst”;
“27) "douanetoezicht": de activiteiten die door de douaneautoriteiten in het algemeen worden ontplooid teneinde te zorgen voor de naleving van de douanewetgeving en, in voorkomend geval, van de andere bepalingen die op goederen onder douanetoezicht van toepassing zijn”;
33) "aanbrengen bij de douane": mededeling aan de douaneautoriteiten dat de goederen bij het douanekantoor of op enige andere, door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats zijn aangekomen en beschikbaar zijn voor douanecontrole”;
39) ‘beschikking’: elke beslissing welke verband houdt met de douanewetgeving die door een douaneautoriteit over een bepaald geval wordt genomen en die voor de betrokken persoon of betrokken personen rechtsgevolgen heeft”

Artikel 182 DWU

Inschrijving in de administratie van de aangever
1. De douaneautoriteiten kunnen een persoon, op diens verzoek, vergunning geven om een douaneaangifte, waaronder begrepen een vereenvoudigde aangifte in te dienen in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, op voorwaarde dat de gegevens van die aangifte ter beschikking staan van de douaneautoriteiten in het elektronische systeem van de aangever op het tijdstip waarop de douaneaangifte, in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, wordt ingediend.
2. De douaneaangifte wordt geacht te zijn aanvaard op het tijdstip van inschrijving van de goederen in de administratie.
3. De douaneautoriteiten kunnen, op verzoek, ontheffing verlenen van de verplichting om de goederen aan te brengen. In dat geval worden de goederen geacht te zijn vrijgegeven op het moment van inschrijving in de administratie.
Deze ontheffing kan worden toegestaan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a) de aangever is een geautoriseerd marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen;
b) de aard van de goederen en de goederenstroom van de betrokken goederen dit rechtvaardigen zulks en bekend zijn bij de douaneautoriteit;
c) het toezichthoudende douanekantoor heeft toegang tot alle informatie welke zij nodig acht om, indien nodig, haar recht te kunnen uitoefenen de goederen te controleren, indien nodig;
d) op het moment van de inschrijving in de administratie zijn de goederen niet langer onderhevig aan verboden of beperkingen, tenzij in de vergunning anders is bepaald.
Het toezichthoudende douanekantoor kan in specifieke situaties evenwel verzoeken om de goederen aan te brengen.”
4. De voorwaarden waaronder de vrijgave van de goederen is toegestaan, worden in de vergunning vastgesteld.”

3.2. Afkortingen

AAFisc: Algemene administratie van de fiscaliteit
AEO: Authorised economic operator
AEO C: Authorised economic operator for customs simplifications
AES: Automated export system
AWDA: Algemene wet inzake douane en accijnzen
CDMS: Customs decisions management system
DWU: Douanewetboek van de Unie
DWU DA: Gedelegeerde handelingen van het douanewetboek van de Unie
DWU IA: Uitvoeringshandelingen van de het douanewetboek van de Unie
DWU TDA: Gedelegeerde overgangshandelingen van het douanewetboek van de Unie
EIDR: Entry into the declarant’s records
EORI: Economic operator registration and identification
G.E.: Gegevenselement
INF: Inlichtingenblad voor bijzondere regelingen
KIS-SIC: Klanten informatie systeem – Système d’information clients
PLDA: Paperless douane en accijnzen

4. Overgangsmaatregelen

4.1. Overgangsperiode ICT

4.1.1. Wettelijke bepalingen

Artikel 278 DWU

Overgangsmaatregelen
1. Uiterlijk tot en met 31 december 2020 mogen andere middelen voor de uitwisseling en opslag van informatie dan de in artikel 6, lid 1, bedoelde elektronische gegevensverwerkingstechnieken op overgangsbasis worden gebruikt, indien de elektronische systemen die nodig zijn voor de toepassing van andere dan de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde bepalingen van het wetboek nog niet operationeel zijn.
2. Uiterlijk tot en met 31 december 2022 mogen andere middelen dan de in artikel 6, lid 1, bedoelde elektronische gegevensverwerkingstechnieken op overgangsbasis worden gebruikt, indien de elektronische systemen die nodig zijn voor de toepassing van de volgende bepalingen van het wetboek nog niet operationeel zijn:
a) de bepalingen inzake de kennisgeving van de aankomst, inzake het aanbrengen en inzake aangiften van tijdelijke opslag als bedoeld in de artikelen 133, 139, 145 en 146, en
b) de bepalingen inzake de douaneaangifte voor goederen die het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht als bedoeld in de artikelen 158, 162, 163, 166, 167, 170 tot en met 174, 201, 240, 250, 254 en 256.
3. Uiterlijk tot en met 31 december 2025 mogen andere middelen dan de in artikel 6, lid 1, bedoelde elektronische gegevensverwerkingstechnieken op overgangsbasis worden gebruikt, indien de elektronische systemen die nodig zijn voor de toepassing van de volgende bepalingen van het wetboek nog niet operationeel zijn:
a) de in artikel 89, lid 2, onder b), en lid 6, neergelegde bepalingen inzake zekerheidstellingen voor mogelijke of bestaande douaneschulden;
b) de in de artikelen 46, 47, 127, 128 en 129 neergelegde bepalingen inzake summiere aangiften bij binnenbrengen en risicoanalyse;
c) de in artikel 153, lid 2, neergelegde bepalingen inzake de douanestatus van goederen;
d) de in artikel 179 neergelegde bepalingen inzake gecentraliseerde vrijmaking;
e) de in artikel 210, onder a), artikel 215, lid 2, en de artikelen 226, 227, 233 en 234 neergelegde bepalingen inzake douanevervoer, en
f) de bepalingen inzake passieve veredeling, aangifte vóór vertrek, formaliteiten bij het uitgaan van goederen, de uitvoer van Uniegoederen, de wederuitvoer van niet-Uniegoederen, en summiere aangiften bij uitgaan voor goederen die het douanegebied van de Unie verlaten als bedoeld in de artikelen 258, 259, 263, 267, 269, 270, 271, 272, 274 en 275. “

4.1.2. Toelichting

2. Het DWU is op 9 oktober 2013 in werking getreden en is vanaf 1 mei 2016 volledig van toepassing. De nieuwe systemen voor elektronische uitwisseling van informatie tussen de douaneautoriteiten onderling en tussen de douaneautoriteiten en de marktdeelnemers zijn echter nog steeds in ontwikkeling. Daarom is er een DWU werkprogramma opgesteld om de ontwikkeling en de uitrol van de diverse systemen te coördineren (Guidance Simplifications 1.1.).
3. Het actuele werkprogramma is opgenomen in uitvoeringbesluit (EU)2019/2151 van 13 december 2019. Dit besluit vervangt de opgeheven besluiten 2014/255/EU en 2016/578. Verdere verwijzingen naar deze opgeheven besluiten dienen gelezen te worden als een verwijzing naar het besluit (EU)2019/2151[1]. Een lijst met de voorziene data voor uitrol van de verscheidene systemen is opgenomen in bijlage VI van deze circulaire.
4. Tijdens de I.T. overgang zijn de overgangsmaatregelen van toepassing wanneer de elektronische systemen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de bepalingen van het wetboek nog niet operationeel zijn. De overgangsmaatregelen zijn verdeeld over de gedelegeerde overgangsverordening (DWU TDA), de gedelegeerde verordening (DWU DA) en de uitvoeringsverordening (DWU IA). De toepassingsperiode van deze maatregelen is gekoppeld aan de termijn voor de introductie of modernisering van de relevante systemen uit het hoger genoemde werkprogramma. De uiterlijke data voor de inwerkingtreding van de verscheidene informatie-uitwisselingssystemen zijn vastgelegd in artikel 278 DWU[2]. Bepaalde systemen zullen voor die datum gereed zijn en de overgangsperioden zijn voor elk afzonderlijk systeem verschillend. Tijdens de overgangsperiode zal voor de meeste maatregelen gebruik worden gemaakt van bestaande toepassingen of systemen die in het verleden werden ontwikkeld door de lidstaten. De voordelen van de vereenvoudigingen mogen hierdoor niet in het gedrang komen (Guidance Simplifications 1.2.).

4.2. Overgangsmaatregelen betreffende vergunningen EIDR verleend vanaf 1 mei 2016

4.2.1. Wettelijke bepalingen

Artikel 21 DWU TDA

Inschrijving in de administratie van de aangever
1. Tot de respectieve datums van de upgrade van de nationale invoersystemen en van de uitrol van het AES zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/255/EU kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat andere middelen dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken worden gebruikt voor de indiening van de kennisgeving van aanbrengen, behalve wanneer ontheffing is verleend van de verplichting om de goederen bij de douane aan te brengen in overeenstemming met artikel 182, lid 3, van het wetboek.
2. Tot de datum van de uitrol van het AES zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/255/EU kunnen de douaneautoriteiten, met het oog op de plaatsing van goederen onder de regeling uitvoer of wederuitvoer, toestaan dat de kennisgeving van aanbrengen wordt vervangen door een aangifte, waaronder een vereenvoudigde aangifte.”

Artikel 2 DWU DA

Gemeenschappelijke gegevensvereisten
(Artikel 6, lid 2, van het wetboek)
1.
2. Voor de uitwisseling en de opslag van informatie die voor aangiften, kennisgevingen en bewijs van douanestatus vereist is, gelden de in bijlage B vastgestelde gemeenschappelijke gegevensvereisten.
3.
4. Wat de IT-systemen betreft die in bijlage 1 bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 zijn opgenomen, zijn in afwijking van lid 2 van dit artikel de gemeenschappelijke gegevensvereisten die in bijlage B bij deze verordening zijn vastgesteld, niet van toepassing tot de respectieve datums van de uitrol of de upgrade van de relevante IT-systemen zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/255/EU.
Wat de IT-systemen betreft die in bijlage 1 bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 zijn opgenomen, zijn de uitwisseling en de opslag van informatie die voor aangiften, kennisgevingen en bewijs van douanestatus vereist is, onderworpen aan de gegevensvereisten die in bijlage 9 bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 zijn vastgesteld, tot de respectieve datums van de uitrol of de upgrade van de relevante IT- systemen zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/255/EU.

Wanneer de gegevensvereisten voor de uitwisseling en de opslag van informatie die voor aangiften, kennisgevingen en bewijs van douanestatus vereist is, niet zijn vastgesteld in bijlage 9 bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341, dragen de lidstaten er zorg voor dat de respectieve gegevensvereisten waarborgen dat de bepalingen betreffende deze aangiften, kennisgevingen en bewijs van douanestatus kunnen worden toegepast.
…”

Artikel 146 DWU DA

Aanvullende aangifte
(Artikel 167, lid 1, van het wetboek)
1.
2.
3.
4. Tot de respectieve datums van de uitrol van het AES-systeem en de upgrade van de desbetreffende nationale invoersystemen zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit ( EU ) 2019/2151 kunnen de douaneautoriteiten, onverminderd artikel 105, lid 1, van het wetboek, andere dan de in de leden 1 tot en met 3 van dit artikel genoemde termijnen toestaan.”

4.2.2. Toelichting

Kennisgeving van aanbrengen

5. Conform artikel 21 DWU TDA kunnen andere middelen dan de elektronische gegevensverwerkingstechnieken worden gebruikt om een kennisgeving van aanbrengen in te dienen. De overgangsmaatregel is van toepassing tot het tijdstip waarop de nationale invoersystemen en het AES (Automated Export System), zoals bepaald in het uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151, operationeel zijn.
6. Voor de in België verleende vergunningen EIDR kan als overgangsmaatregel een douaneaangifte type Z worden gebruikt als kennisgeving van aanbrengen. In het kader van de procedure EIDR is deze douaneaangifte type Z de aanvullende aangifte die volgt op de inschrijving in de administratie van de aangever.[3] Bij toepassing van deze overgangsmaatregel vervult de aangifte type Z zowel de functie van kennisgeving van aanbrengen, als de functie van aanvullende aangifte. Deze werkwijze wordt gebruikt wanneer er een aanvullende aangifte per zending (transactioneel) wordt ingediend.[4] Wanneer de vergunninghouder ontheven is van de verplichting om de goederen aan te brengen (vrijstelling van kennisgeving), vervult de aangifte type Z enkel de functie van aanvullende aangifte.
7. Indien de vergunning EIDR wordt verleend met de mogelijkheid tot globalisatie, gebeurt de kennisgeving van aanbrengen doormiddel van een e-mail aan het bevoegde douanekantoor. De specificaties omtrent de vorm en de inhoud van dit e-mail bericht zullen worden opgenomen in de individuele vergunning EIDR. De vergunninghouder moet vervolgens een globale aangifte type Z indienen via PLDA. Deze aanvullende aangifte herneemt de gegevens van alle zendingen van de periode waarop de globalisatie betrekking heeft.[5]
8. In de DWU TDA zijn geen concrete gegevensvereisten opgenomen voor de kennisgeving van aanbrengen bij de douane. Gezien deze informatievereisten evenmin werden voorzien in Verordening (EEG) nr. 2913/92 (Communautair Douanewetboek), kunnen de lidstaten hun werkwijzen van vóór 1 mei 2016 blijven toepassen in overeenstemming met artikel 21, lid 1 DWU TDA (Guidance Simplifications 2.3.9).
9. Indien er gebruik gemaakt wordt van een aangifte type Z per zending (zonder globalisatie), moeten alle verplichte gegevenselementen, zoals omschreven in de toelichting op het Enig Document (afhankelijk van de gevraagde douaneregeling), worden vermeld. Indien een e-mail wordt gebruikt als kennisgeving van aanbrengen, worden de vereiste gegevens door de vergunningverlenende autoriteit in de beschikking omschreven. Het e-mail bericht bevat ten minste de gegevens die noodzakelijk zijn voor de selectie in functie van een douanecontrole.
10. Na de overgangsperiode zal de kennisgeving op elektronische wijze gebeuren overeenkomstig artikel 6 DWU en bijlage B DWU DA.

Douaneregelingen ‘vrij verkeer’ met vrijstelling btw wegens intracommunautaire levering

11. De douaneregelingen ‘42[6]’ en ‘63[7]’ zijn juridisch uitgesloten in het kader van EIDR (artikel 150, lid 3 DWU DA) omdat hiervoor specifieke informatie moet worden meegedeeld aan de douane vooraleer de goederen kunnen worden vrijgegeven[8]. Deze informatie maakt geen deel uit van de gegevensvereisten voor de kennisgeving van aanbrengen van bijlage B DWU DA. Gezien artikel 21 DWU TDA toelaat dat er andere middelen kunnen worden gebruikt als kennisgeving van aanbrengen, kan elke lidstaat zelfstandig beslissen of de kennisgeving voldoende informatie bevat om de goederen onder deze regelingen te plaatsen.
12. Omdat in België de aangifte type Z wordt gebruikt (met de volledige dataset voor de desbetreffende douaneregelingen zoals omschreven in de toelichting bij het Enig Document), wordt de plaatsing van de goederen onder de regelingen ‘42’ en ‘63’ voorlopig nog toegestaan. Na afloop van de overgangsperiode zal dit niet meer mogelijk zijn. Dit geldt zowel voor de herbeoordeelde vergunningen als voor de nieuwe vergunningen EIDR afgeleverd sinds 1 mei 2016 (Guidance Simplifications 3.1.1., f ).

Gemeenschappelijke gegevensvereisten[9]

13. Op grond van artikel 2, lid 4 DWU DA zijn de gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aangiften, kennisgevingen en bewijs van douanestatus van Uniegoederen van Bijlage B DWU DA tijdens de overgangsperiode opgeschort. Tot het ogenblik van de actualisering van de elektronische systemen zijn de informatievereisten uit bijlage 9 DWU TDA van toepassing. Wanneer de gegevensvereisten niet zijn vastgesteld in bijlage 9 DWU TDA dragen de lidstaten er zorg voor dat de respectieve gegevensvereisten waarborgen dat de bepalingen betreffende deze aangiften, kennisgevingen en bewijs van douanestatus kunnen worden toegepast.

Aanvullende aangifte

14. Artikel 146 DWU DA bepaalt de uiterlijke termijnen voor het indienen van de aanvullende aangifte die volgt op de inschrijving in de administratie van de aangever. Ingevolge lid 4 van dit artikel kunnen de douaneautoriteiten, tot de respectieve datums van de uitrol van het AES-systeem en de upgrade van de desbetreffende nationale invoersystemen, andere dan de wettelijk bepaalde termijnen voor het indienen van de aanvullende aangifte toestaan.

5. Aanvraag van een vergunning EIDR

5.1. Wettelijke bepalingen

Artikel 182 DWU

Inschrijving in de administratie van de aangever
1. De douaneautoriteiten kunnen een persoon, op diens verzoek, vergunning geven om een douaneaangifte, waaronder begrepen een vereenvoudigde aangifte in te dienen in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, op voorwaarde dat de gegevens van die aangifte ter beschikking staan van de douaneautoriteiten in het elektronische systeem van de aangever op het tijdstip waarop de douaneaangifte, in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, wordt ingediend.
…”

Artikel 5 DWU

Definities
4) "persoon": een natuurlijk persoon, een rechtspersoon of een vereniging van personen die geen rechtspersoonlijkheid bezit maar krachtens het Unierecht of het nationale recht wel als handelingsbekwaam is erkend;”

Artikel 6 DWU

Middelen voor het uitwisselen en het opslaan van informatie en gemeenschappelijke gegevensvereisten
1. Alle uitwisselingen van informatie, zoals aangiften, aanvragen of beschikkingen tussen douaneautoriteiten onderling en tussen marktdeelnemers en douaneautoriteiten, alsmede de door de douanewetgeving vereiste opslag van die informatie, geschieden met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken.”

Artikel 22 DWU

Beschikkingen naar aanleiding van aanvragen
1. Indien een persoon een beschikking betreffende de toepassing van de douanewetgeving aanvraagt, verstrekt hij alle door de bevoegde douane autoriteiten gevraagde inlichtingen die het voor hen mogelijk maken om een beschikking af te geven.
Een beschikking mag ook worden aangevraagd door en gericht worden tot verschillende personen, overeenkomstig de in de douanewetgeving vastgelegde voorwaarden.
Tenzij anders is bepaald, is de bevoegde douaneautoriteit de autoriteit van de plaats waar de hoofdadministratie voor douanedoeleinden van de aanvrager zich bevindt of waar deze toegankelijk is, en waar op zijn minst een deel van de activiteiten die onder de beschikking moeten vallen, zal worden uitgevoerd.
2. De douaneautoriteiten gaan onverwijld, doch uiterlijk binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag voor een beschikking, na of aan de voorwaarden voor aanvaarding van de aanvraag is voldaan.
Wanneer de douaneautoriteiten vaststellen dat de aanvraag alle inlichtingen bevat opdat zij de beschikking zouden kunnen verlenen, stellen zij de aanvrager binnen de in de eerste alinea vermelde termijn daarvan in kennis.
3. De bevoegde douaneautoriteit verleent een beschikking als bedoeld in lid 1 en deelt deze aan de aanvrager onverwijld en uiterlijk 120 dagen nadat de aanvraag is aanvaard mee, tenzij anders is bepaald.
Indien de douaneautoriteiten de termijn voor het verlenen van een beschikking niet kunnen naleven, stellen zij de aanvrager daarvan in kennis vóór het verstrijken van die termijn, met opgave van de redenen en van de nieuwe termijn die zij nodig achten om een beschikking af te geven. Tenzij anders bepaald, is die nieuwe termijn niet langer dan 30 dagen.
… .”

Artikel 11 DWU DA

“Voorwaarden voor de aanvaarding van een aanvraag
(Artikel 22, lid 2, van het wetboek)
1. Een aanvraag voor een beschikking betreffende de toepassing van de douanewetgeving wordt aanvaard mits de volgende voorwaarden zijn vervuld:
a) de aanvrager is, indien vereist krachtens de regeling waarop de aanvraag ziet, geregistreerd overeenkomstig artikel 9 van het wetboek;
b) de aanvrager is, indien vereist krachtens de regeling waarop de aanvraag ziet, gevestigd in het douanegebied van de Unie;
c) de aanvraag is ingediend bij een douaneautoriteit die is aangewezen voor het in ontvangst nemen van aanvragen in de lidstaat van de bevoegde douaneautoriteit zoals bedoeld in artikel 22, lid 1, derde alinea, van het wetboek;
d) de aanvraag ziet niet op een beschikking met hetzelfde oogmerk als een vorige, tot dezelfde aanvrager gerichte beschikking, die gedurende het jaar voorafgaand aan de aanvraag nietig is verklaard of ingetrokken op grond van het feit dat de aanvrager niet heeft voldaan aan een krachtens die beschikking opgelegde verplichting.
2. In afwijking van lid 1, onder d), bedraagt de daarin genoemde termijn drie jaar wanneer de vorige beschikking nietig is verklaard overeenkomstig artikel 27, lid 1, van het wetboek of wanneer de aanvraag een overeenkomstig artikel 38 van het wetboek ingediende aanvraag voor de status van geautoriseerde marktdeelnemer betreft. “

Bijlage A (DWU DA)
Gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aanvragen en beschikkingen

Inleidende aantekeningen bij de tabellen met gegevensvereisten voor aanvragen en beschikkingen
Algemene bepalingen
1. De bepalingen in deze aantekeningen zijn van toepassing op alle titels van deze bijlage.
2. De tabellen met gegevensvereisten in titel I tot en met titel XXI bevatten alle gegevenselementen die voor de in deze bijlage behandelde aanvragen en beschikkingen noodzakelijk zijn.
3. De formaten, codes en, indien van toepassing, de structuur van de in deze bijlage beschreven gegevensvereisten zijn gespecificeerd in Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (1), die overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder a), van het wetboek is vastgesteld.
4. De in deze bijlage omschreven gegevensvereisten zijn van toepassing op aanvragen die worden ingediend en beschikkingen die worden afgegeven zowel met behulp van een elektronische gegevensverwerkingstechniek als op papier.
5. De gegevenselementen die voor verschillende aanvragen en beschikkingen kunnen worden verstrekt, zijn opgenomen in de tabel met gegevensvereisten in hoofdstuk 1 van titel I van deze bijlage.
6. De gegevenselementen voor specifieke soorten aanvragen en beschikkingen zijn vermeld in titel II tot en met titel XXI van deze bijlage.
7. De specifieke bepalingen met betrekking tot elk gegevenselement in hoofdstuk 2 van de titels I tot en met XXI van deze bijlage doen geen afbreuk aan de status van het gegevenselement zoals omschreven in de tabellen met gegevensvereisten. […]
8. De gegevenselementen in de respectieve tabel met gegevensvereisten kunnen zowel voor de aanvragen als voor de beschikkingen worden gebruikt, tenzij het betrokken gegevenselement anders is aangemerkt.
9. De status in onderstaande tabel met gegevensvereisten laat onverlet dat bepaalde gegevens alleen worden verstrekt wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen. […]
10. […]
------------------------

(1) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 (zie bladzijde 558 van dit Publicatieblad).

Titel I
Aanvragen en beschikkingen
Hoofdstuk I
Legende tabel

Kolommen

Soort aanvraag/beschikking

Rechtsgrond

Titelnr. Van de specifieke gegevensvereisten

Volgnummer G.E.

Volgnummer van het betrokken gegevenselement

Naam G.E.

Naam van het betrokken gegevenselement

Douaneformaliteiten

7c

Aanvraag en vergunning voor het doen van een douaneaangifte door inschrijving in de administratie van de aangever, inclusief de regeling uitvoer

Artikel 182 van het wetboek

Titel XIV

… .”

5.2. Toelichting

15. Iedere persoon die voldoet aan de voorwaarden van artikel 5 DWU kan een vergunning EIDR aanvragen. Overeenkomstig artikel 18, lid 2 DWU en artikel 11, lid 1b) DWU DA moeten de douanevertegenwoordigers, de economische operatoren of anderen die een vergunning EIDR aanvragen in het douanegebied van de Unie gevestigd zijn. Artikel 170, lid 2 DWU vereist daarenboven dat de aangever die de douaneaangifte indient in het douanegebied gevestigd is (Guidance Simplifications 2.1.1. b).
16. De algemene bepalingen inzake de aanvraag, het beheer, de nietigverklaring en wijziging van vergunningen zijn opgenomen in de artikels 22, 23, 27 en 28 van het Douanewetboek van de Unie. Deze bepalingen worden toegelicht in de circulaire 2017/C/90 van 22/12/2017.

5.2.1. Wijze en vorm van de aanvraag

17. De aanvraag voor een vergunning EIDR moet ingediend worden via de elektronische middelen voor het uitwisselen en het opslaan van informatie en moet voldoen aan de gemeenschappelijke gegevensvereisten (bijlage A DWU DA) zoals bepaald in artikel 6, lid 1 en 2 DWU. De aanvraag, het beheer en de opvolging van de nationale vergunningen EIDR verloopt overeenkomstig de richtlijnen van de Administratie Operations met behulp van het elektronische systeem KIS-SIC, in afwachting van de verdere ontwikkeling van het systeem voor douanebeschikkingen in het kader van het DWU. Wanneer het een vergunning betreft waarin meerdere lidstaten betrokken zijn, is de Centrale Component van de Administratie Operations bevoegd en moet de aanvraag thans worden ingediend via het Europese elektronische systeem CDMS.
18. In de aanvraag voor een vergunning EIDR moeten de gegevenselementen worden vermeld volgens bijlage A DWU DA. Deze gegevenselementen zijn opgenomen in kolom 7c van de tabel in hoofdstuk 1 van titel I van bijlage A. De specifieke gegevenselementen die uitsluitend betrekking hebben op een vergunning EIDR worden beschreven in hoofdstuk I van Titel XIV van bijlage A.
19. Bijlage I van deze circulaire herneemt alle gegevensvereisten die van toepassing zijn op de aanvragen en de beschikkingen voor EIDR. De gegevens die enkel vereist zijn voor de aanvraag van een vergunning zijn aangeduid met [*]. De gegevens die enkel vereist zijn voor de beschikking van een vergunning zijn aangeduid met [+].
20. De aanvraag moet worden opgesteld overeenkomstig de Belgische taalwetgeving. De bepalingen van het Koninklijk Besluit van 18 juli 1966 houdende de coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken zijn van toepassing. Indien de inlichtingen op de aanvraag worden geleverd in een andere taal dan die van de aanvraag, dient een vertaling van deze inlichtingen te worden bijgevoegd. De juistheid van geleverde informatie en de authenticiteit van de aangebrachte documenten behoren tot de verantwoordelijkheid van de aanvrager.

5.2.2. Plaats van de aanvraag

21. De aanvraag voor een vergunning EIDR moet, tenzij anders bepaald, worden ingediend bij de bevoegde douaneautoriteit van de plaats waar de hoofdadministratie voor douanedoeleinden van de aanvrager (G.E. 4/3 van bijlage A DWU DA) zich bevindt en waar op zijn minst een deel van de activiteiten die onder de beschikking vallen, zal worden uitgevoerd (artikel 22, lid 1 DWU). Voor het bepalen van de bevoegde douaneautoriteit, moet voldaan zijn aan beide voorwaarden van artikel 22 DWU.
22. Deze hoofdadministratie voor douanedoeleinden is de boekhouding die door de douaneautoriteiten wordt beschouwd als de hoofdadministratie voor douanedoeleinden aan de hand waarvan de douaneautoriteiten het toezicht en de controle kunnen uitoefenen op alle activiteiten waarop de betrokken vergunning of beschikking betrekking heeft.

5.2.3. Aanvaarding van de aanvraag

23. Op grond van artikel 22, lid 2 DWU bepalen de douaneautoriteiten binnen de 30 dagen na ontvangst van de aanvraag of er voldaan is aan de voorwaarden voor aanvaarding van de aanvraag. De aanvraag moet enerzijds alle inlichtingen bevatten die nodig zijn voor het verlenen van de beschikking (artikel 22, lid 2, 2de alinea DWU) en moet anderzijds voldoen aan de voorwaarden die zijn vervat in artikel 11 DWU DA.
24. De voorwaarden in artikel 11 DWU DA zijn:
- de aanvrager moet een geldig EORI-nummer hebben en moet gevestigd zijn in het douanegebied van de Unie,
- de aanvrager moet zijn aanvraag indienen bij de douaneautoriteit die is aangewezen voor het in ontvangst nemen van aanvragen in de lidstaat van de bevoegde douaneautoriteit,
- de aanvraag heeft geen betrekking op een beschikking die in het voorafgaande jaar werd ingetrokken of nietig verklaard wegens het niet nakomen van de verplichtingen van de beschikking.
25. Indien alle benodigde informatie verstrekt is, wordt de aanvaarding van de aanvraag binnen de 30 dagen bekendgemaakt aan de aanvrager. Wanneer de beschikkende douaneautoriteit vaststelt dat er bijkomende inlichtingen noodzakelijk zijn, stelt zij de aanvrager hiervan in kennis. De aanvrager beschikt over een aanvullende termijn van maximum 30 dagen om de relevante informatie te bezorgen (artikel 12, lid 2 DWU IA).
26. Indien de douaneautoriteiten de aanvrager niet binnen de wettelijke termijn op de hoogte brengen, wordt de aanvraag geacht te zijn aanvaard. De datum van aanvaarding is de datum waarop de aanvraag of de aanvullende informatie wordt ontvangen (artikel 12, lid 3 DWU IA).
27. Vanaf de datum van aanvaarding van de aanvraag begint de wettelijke termijn waarbinnen de douaneautoriteiten een beslissing moeten nemen omtrent de inhoud van de aanvraag, te lopen.
(Guidance Simplifications 2.1.1. “The applicant – Period of acceptance)

5.3. Vergunning EIDR en douanevertegenwoordiging

5.3.1. Wettelijke bepalingen

Artikel 5 DWU

“6) "douanevertegenwoordiger": iedere persoon die door een andere persoon is aangewezen voor het vervullen van de in de douanewetgeving voorgeschreven handelingen en formaliteiten bij de douaneautoriteiten;
15) "aangever": de persoon die in eigen naam een douaneaangifte, een aangifte tot tijdelijke opslag, een summiere aangifte bij binnenbrengen, een summiere aangifte bij uitgaan, een aangifte tot wederuitvoer of een kennisgeving van wederuitvoer indient, dan wel de persoon namens wie deze aangifte of deze kennisgeving wordt ingediend; “

Artikel 18 DWU

Douanevertegenwoordiger
1. Eenieder kan zich laten vertegenwoordigen door een douanevertegenwoordiger.
De vertegenwoordiging kan direct zijn, in welk geval de douanevertegenwoordiger in naam en voor rekening van een andere persoon handelt, dan wel indirect, in welk geval de douanevertegenwoordiger in eigen naam doch voor rekening van een andere persoon handelt.”

Artikel 127. § 2 AWDA

“Elke natuurlijke of rechtspersoon die beroepsmatig, in zijn naam of op naam van een opdrachtgever, maar voor rekening van een opdrachtgever, de douaneformaliteiten bij in-, uit- of douanevervoer vervult en die door de administratie erkend is als geautoriseerde marktdeelnemer volgens de Europese wetgeving of het bewijs levert van voldoende kennis van de douane-en accijnsreglementering.”

Artikel 1 van het Ministerieel besluit van 11 juli 2019 tot vaststelling van de datum van de tweede stap in toepassing van het koninklijk besluit van 13 maart 2016 tot vaststelling van de douaneregelingen en de modaliteiten waaronder de directe en indirecte vertegenwoordiging kunnen worden toegepast (B.S. 25/09/2019)

“§ 1. De indirecte vertegenwoordiging kan worden toegepast voor de douaneregelingen, zoals bepaald in artikel 5, 16), van de Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, zowel in de normale procedure bedoeld in artikel 162 als in de vereenvoudigde procedures bedoeld in de artikelen 166, 182 en 233, lid 4, van dezelfde verordening.
§ 2. De indirecte vertegenwoordiging kan niet worden toegepast voor plaatsing onder de douaneregelingen actieve veredeling, passieve veredeling, bijzondere bestemming, tijdelijke invoer of particulier douane-entrepot, tenzij de houder van de regeling en van de vergunning dezelfde persoon zijn.
§ 3. De directe vertegenwoordiging kan worden toegepast voor de douaneregelingen zoals bepaald in artikel 5, 16), van het douanewetboek van de Unie, met uitzondering van douanevervoer, ongeacht of de normale procedure in de zin van artikel 162 of de vereenvoudigde procedure in de zin van de artikelen 166 en 182 van hetzelfde wetboek wordt gebruikt.”

5.3.2. Toelichting

28. In het kader van de douanevertegenwoordiging moet een onderscheid gemaakt worden tussen twee soorten, namelijk de directe en de indirecte douanevertegenwoordiging.
29. Bij de directe vertegenwoordiging handelt de douanevertegenwoordiger in naam en voor rekening van zijn opdrachtgever (importeur/exporteur van goederen). De douanevertegenwoordiger verricht een dienst, een feitelijke handeling die voor hem (tot op zeker hoogte) geen juridische binding tot gevolg heeft. Hij zorgt er enkel voor dat de douaneaangifte van de belanghebbende bij de douane terecht komt. De opdrachtgever wordt beschouwd als aangever in de zin van artikel 5 DWU en is bijgevolg de persoon die juridisch wordt gebonden.
30. Bij de indirecte vertegenwoordiging handelt de douanevertegenwoordiger in eigen naam, maar voor rekening van zijn opdrachtgever. De vertegenwoordiger stelt een douaneaangifte (of een andere officiële douaneformaliteit) op in eigen naam. Dit heeft juridische gevolgen, want hij is hierdoor aangever (in de zin van artikel 5 DWU), en dus verantwoordelijk voor de inhoud van de aangifte en aansprakelijk voor het nakomen van de verplichtingen die samenhangen met het doen van een douaneaangifte. Indien er een douaneschuld ontstaat, zijn zowel de vertegenwoordiger als de opdrachtgever aansprakelijk.

Vergunning EIDR in combinatie met directe douanevertegenwoordiging

31. Krachtens het Ministerieel besluit van 11 juli 2019 kunnen zowel de directe als de indirecte vertegenwoordiging worden toegepast bij EIDR. De Europese Commissie heeft hieromtrent echter een aantal belangrijke opmerkingen geformuleerd.[10]
32. Als uitgangspunt geldt dat de houder van een vergunning EIDR het recht heeft om een directe vertegenwoordiger aan te duiden om bepaalde douaneformaliteiten te vervullen, waaronder het indienen van de douaneaangifte.
33. Een andere mogelijkheid kan zijn dat de directe vertegenwoordiger zelf houder is van een vergunning EIDR en dat hij gebruik maakt van zijn vergunning om voor rekening en in naam van de opdrachtgever te handelen. Volgens de Europese Commissie wordt de directe vertegenwoordiging in principe niet uitgesloten van het gebruik van EIDR, maar de vertegenwoordiger moet een rechtstreekse toegang hebben tot het elektronisch systeem van de opdrachtgever om te voldoen aan de voorwaarden van artikel 182 DWU. Daarnaast zal, in tegenstelling tot de algemene regel, de directe vertegenwoordiger zelf aan alle voorwaarden tot verkrijgen van de vergunning EIDR moeten voldoen. Rekening houdend met het voorgaande, wordt verondersteld dat dergelijke vergunningen maar beperkt kunnen worden toegestaan.

Vergunning EIDR in combinatie met indirecte douanevertegenwoordiging

34. Als uitgangspunt geldt dat een indirecte vertegenwoordiger, die houder is van een vergunning EIDR en die handelt in eigen naam als aangever, gebruik kan maken van deze vereenvoudigingsprocedure wanneer hij douaneformaliteiten vervult voor rekening van zijn opdrachtgever.

35. Het gebruik van de indirecte vertegenwoordiging is echter uitgesloten wanneer de importeur of exporteur houder is van de vergunning EIDR. Volgens de stellingname van de Europese Commissie kan de persoon die handelt in eigen naam (juridisch beschouwd als aangever) enkel genieten van de voordelen van een vereenvoudigde procedure wanneer hijzelf voldoet aan de voorwaarden van die vergunning. Het feit dat de opdrachtgever (importeur of exporteur voor wiens rekening wordt gehandeld) aan de voorwaarden van de vergunning voldoet, is niet voldoende.
36. Volledigheidshalve moet worden vermeld dat de indirecte douanevertegenwoordiging niet kan worden toegepast voor de plaatsing onder de douaneregelingen actieve veredeling, passieve veredeling, bijzondere bestemming, tijdelijke invoer of particulier douane-entrepot, tenzij de houder van de regeling en van de vergunning dezelfde persoon zijn (Artikel 1, § 2 van het Ministerieel Besluit van 11 juli 2019). Dit geldt zowel voor de normale procedure, als voor de vereenvoudigde procedures.

6. Voorwaarden voor het verlenen van een vergunning EIDR

6.1. Wettelijke bepalingen

Artikel 182 DWU

Inschrijving in de administratie van de aangever
1. De douaneautoriteiten kunnen een persoon, op diens verzoek, vergunning geven om een douaneaangifte, waaronder begrepen een vereenvoudigde aangifte in te dienen in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, op voorwaarde dat de gegevens van die aangifte ter beschikking staan van de douaneautoriteiten in het elektronische systeem van de aangever op het tijdstip waarop de douaneaangifte, in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, wordt ingediend.
2. De douaneaangifte wordt geacht te zijn aanvaard op het tijdstip van inschrijving van de goederen in de administratie.
3. De douaneautoriteiten kunnen, op verzoek, ontheffing verlenen van de verplichting om de goederen aan te brengen. In dat geval worden de goederen geacht te zijn vrijgegeven op het moment van inschrijving in de administratie.
Deze ontheffing kan worden toegestaan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a) de aangever is een geautoriseerd marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen;
b) de aard van de goederen en de goederenstroom van de betrokken goederen dit rechtvaardigen zulks en bekend zijn bij de douaneautoriteit;
c) het toezichthoudende douanekantoor heeft toegang tot alle informatie welke zij nodig acht om, indien nodig, haar recht te kunnen uitoefenen de goederen te controleren, indien nodig;
d) op het moment van de inschrijving in de administratie zijn de goederen niet langer onderhevig aan verboden of beperkingen, tenzij in de vergunning anders is bepaald.
Het toezichthoudende douanekantoor kan in specifieke situaties evenwel verzoeken om de goederen aan te brengen.
4. De voorwaarden waaronder de vrijgave van de goederen is toegestaan, worden in de vergunning vastgesteld.”

Artikel 150 DWU DA

Voorwaarden voor het verlenen van vergunning voor inschrijving in de administratie van de aangever
(Artikel 182, lid 1, van het Wetboek)
1. Er wordt vergunning verleend voor het indienen van een douaneaangifte in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever als de aanvrager aantoont dat hij aan de in artikel 39, onder a), b) en d), van het wetboek vastgestelde criteria voldoet.
2. Er wordt slechts vergunning verleend voor het indienen van een douaneaangifte in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever overeenkomstig artikel 182, lid 1, van het wetboek als de aanvraag betrekking heeft op een van de volgende regelingen:
a) in het vrije verkeer brengen;
b) douane-entrepot;
c) tijdelijke invoer;
d) bijzondere bestemming;
e) actieve veredeling;
f) passieve veredeling;
g) uitvoer en wederuitvoer.
3. Wanneer de aanvraag voor een vergunning betrekking heeft op het in het vrije verkeer brengen, wordt de vergunning niet verleend voor:
a) de aangifte voor het vrije verkeer van goederen die zijn vrijgesteld van de btw overeenkomstig artikel 143, lid 1, onder d), van Richtlijn 2006/112/EG en waarvoor, indien van toepassing, de accijns is geschorst overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 2008/118/EG;
b) de wederinvoer met aangifte voor het vrije verkeer van goederen die zijn vrijgesteld van de btw overeenkomstig artikel 143, lid 1, onder d), van Richtlijn 2006/112/EG en waarvoor, indien van toepassing, de accijns is geschorst overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 2008/118/EG.
4. Wanneer de aanvraag voor een vergunning betrekking heeft op uitvoer en wederuitvoer, wordt slechts vergunning verleend indien aan beide van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a) er wordt afgezien van de verplichting tot indiening van een aangifte vóór vertrek overeenkomstig artikel 263, lid 2, van het wetboek;
b) het douanekantoor van uitvoer is ook het douanekantoor van uitgang of het douanekantoor van uitvoer en het douanekantoor van uitgang hebben een regeling getroffen om ervoor te zorgen dat de goederen bij uitgang aan douanetoezicht onderworpen zijn.
5. Wanneer de aanvraag voor een vergunning betrekking heeft op uitvoer en wederuitvoer, is de uitvoer van accijnsgoederen niet toegestaan tenzij artikel 30 van Richtlijn 2008/118/EG van toepassing is.
6. Er wordt geen vergunning verleend voor inschrijving in de administratie van de aangever wanneer de aanvraag betrekking heeft op een regeling waarvoor een gestandaardiseerde inlichtingenuitwisseling tussen de douaneautoriteiten vereist is overeenkomstig artikel 181, tenzij de douaneautoriteiten overeenkomen om andere middelen voor de elektronische uitwisseling van inlichtingen te gebruiken.”

Artikel 233 DWU IA

Controleprogramma
(Artikel 23, lid 5, van het wetboek)
1. De douaneautoriteiten stellen een voor de marktdeelnemer specifiek controleprogramma op wanneer zij een vergunning verlenen om een douaneaangifte in te dienen in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever in overeenstemming met artikel 182, lid 1, van het wetboek, waarin het toezicht op de in het kader van de vergunning gebruikte douaneregelingen is geregeld, de frequentie van de douanecontroles is bepaald en wordt gewaarborgd dat, onder meer, doeltreffende douanecontroles kunnen worden verricht in alle stadia van de procedure in de vorm van inschrijving in de administratie van de aangever.
2. Het controleprogramma houdt in voorkomend geval rekening met de verjaringstermijn voor de mededeling van de douaneschuld zoals bedoeld in artikel 103, lid 1, van het wetboek.
3. Het controleprogramma voorziet in de uit te voeren controle wanneer een ontheffing van de aanbrenging is verleend in overeenstemming met artikel 182, lid 3, van het wetboek.
4. … “

Artikel 234 DWU IA

Verplichtingen van de vergunninghouder die een douaneaangifte indient in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever
1.
2. De vergunning om een douaneaangifte in te dienen in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever is niet van toepassing op de volgende aangiften:
a) douaneaangiften bestaande uit een aanvraag voor een vergunning voor een bijzondere regeling in overeenstemming met artikel 163 van Gedelegeerde Verordening EU) 2015/2446;
b) douaneaangiften die zijn ingediend in plaats van een summiere aangifte bij binnenbrengen in overeenstemming met artikel 130, lid 1, van het wetboek.
3. Wanneer het toezichthoudende douanekantoor overeenkomstig artikel 182, lid 3, derde alinea, van het wetboek verzoekt om goederen bij de douane aan te brengen omdat de douaneautoriteiten hebben vastgesteld dat er sprake is van een nieuw ernstig financieel risico of een andere specifieke situatie in verband met een vergunning voor het indienen van een douaneaangifte in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever met ontheffing van de verplichting om de goederen aan te brengen, stelt het toezichthoudende douanekantoor de houder van een dergelijke vergunning in kennis van:
a) de specifieke termijn waarbinnen de goederen waarop deze situaties van toepassing zijn, bij de douane moeten worden aangebracht;
b) de verplichting om de datum van kennisgeving van aanbrenging in de administratie te vermelden; en
c) de verplichting om te voldoen aan lid 1, onder b) tot en met e), en g).
In deze situaties worden de goederen vrijgegeven overeenkomstig artikel 194 van het wetboek. “

6.2. Toelichting

37. De eerste voorwaarde voor het verlenen van een vergunning EIDR wordt vermeld in artikel 182, lid 1 DWU: de gegevens van de aangifte moeten ter beschikking staan van de douaneautoriteiten in het elektronisch systeem van de aangever op het tijdstip waarop de douaneaangifte, in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, wordt ingediend.
38. De overige voorwaarden zijn opgenomen in artikel 150 DWU DA en zijn afgestemd op de AEO-criteria die worden beschreven in artikel 39 a), b en d) DWU. De aanvrager moet beantwoorden aan de volgende criteria:
- geen ernstige of herhaalde overtredingen van de douanewetgeving en belastingvoorschriften hebben gepleegd en geen strafblad hebben met zware misdrijven in verband met de economische activiteit van de aanvrager (artikel 39, a) DWU),
- aantonen dat hij zijn handelingen en de goederenstroom goed onder controle heeft dankzij een handels- en, in voorkomend geval, vervoersadministratie die passende douanecontroles mogelijk maakt (artikel 39, b) DWU),
- beschikken over een attest van de praktische vakbekwaamheid of beroepskwalificaties die rechtstreeks samenhangen met de verrichte activiteit (artikel 39, d) DWU).
39. Deze criteria worden meer gedetailleerd omschreven in de respectievelijke artikels 24, 25 en 27 DWU IA. Bij de beoordeling van de criteria tijdens de voorafgaande audit wordt bijzondere aandacht besteed aan artikel 25, lid 1b DWU IA. Krachtens dit artikel moet de administratie voor douanedoeleinden worden geïntegreerd in het boekhoudsysteem van de aanvrager of moet het mogelijk maken dat kruiscontroles van de gegevens met het boekhoudsysteem kunnen worden verricht.
40. Indien de aanvrager reeds een AEO C (Authorised Economic Operator for customs simplifications) is, moet er rekening worden gehouden met de datum van afgifte van de AEO-status en de eventuele monitoring en/of herbeoordeling.
41. De criteria die reeds werden beoordeeld in verband met het toekennen van de AEO-status zullen mogelijkerwijs niet opnieuw worden gecontroleerd. Maar indien dit noodzakelijk is, kunnen douaneautoriteiten steeds aanvullende informatie vragen aan de aanvrager (bv. bij een verandering in de omstandigheden). De specifieke voorwaarden met betrekking tot de aangevraagde vergunning EIDR moeten echter worden gecontroleerd indien dit niet is gebeurd tijdens de AEO-controle (Guidance Simplifications 2.3.1.a).
42. De procedure EIDR kan uitsluitend worden gebruikt voor de douaneregelingen opgesomd in artikel 150, lid 2 DWU DA:
- in het vrij verkeer brengen;
- douane-entrepot;
- tijdelijke invoer;
- bijzondere bestemming;
- actieve veredeling;
- passieve veredeling;
- uitvoer en wederuitvoer.
43. Er is geen wettelijke verplichting ten aanzien van de aanvrager om zich te beperkingen tot één douaneregeling per aanvraag voor een vergunning EIDR. De douaneautoriteiten kunnen een vergunning EIDR verlenen waarin meerdere douaneregelingen worden toegepast. Indien er tussen de verschillende regelingen een onderscheid wordt gemaakt op het niveau van de kennisgeving van aanbrengen (met of zonder vrijstelling) of op het gebied van de aanvullende aangifte (met of zonder globalisatie) dienen er echter wel aparte aanvragen te gebeuren en zullen er aparte beschikkingen worden verleend. De specifieke modaliteiten omtrent de kennisgeving van aanbrengen en de wijze van indienen van de aanvullende aangifte komen later in deze circulaire aan bod.

6.2.1. Uitsluitingen voor het gebruik van de vergunning EIDR

Douaneregelingen

44. EIDR kan niet worden gebruikt voor de regeling douanevervoer[11] en voor de plaatsing van goederen in tijdelijk opslag[12].
45. Daarnaast kan de procedure EIDR niet worden gebruikt voor het in het vrije verkeer brengen van goederen met vrijstelling van btw wegens intracommunautaire levering op basis van artikel 39bis van het Btw-wetboek en waarvoor, indien van toepassing, de accijns is geschorst[13] (artikel 150, lid 3 a en b DWU DA). Het betreft de regelingen met codes ‘42’ en ‘63’ in vak 37(1) van het Enig Document en gegevenselement 1/10 van bijlage B DWU DA. De overgangsmaatregelen hieromtrent zijn beschreven in titel 4.2. van deze circulaire.
46. Tenslotte kan EIDR niet worden toegepast bij bijzondere regelingen wanneer er een douaneaangifte wordt ingediend voor actieve of passieve veredeling en er informatie moet worden uitgewisseld tussen douaneautoriteiten in meer dan één lidstaat door middel van een gestandaardiseerde informatie-uitwisseling (INF), tenzij de douaneautoriteiten een andere wijze van elektronische inlichtingenuitwisseling overeenkomen zoals bepaald in artikel 176, lid 1, a) DWU DA (artikel 150, lid 6 DWU DA).
47. Voor het gebruik van de bijzondere douaneregelingen is steeds een vergunning voor de regeling zelf nodig, maar het is wel mogelijk de goederen onder de relevante bijzondere regeling te plaatsen door een douaneaangifte in te dienen in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever (Guidance Simplifications 2.3.2. b).

Uitvoer en wederuitvoer

48. Om gebruik te kunnen maken van EIDR voor de regelingen uitvoer of wederuitvoer, moet aan twee voorwaarden worden voldaan (Artikel 150, lid 4 a en b DWU DA):
- er is een ontheffing van de verplichting voor het indienen van een aangifte vóór vertrek op basis van artikel 263, lid 2 DWU ;
- het douanekantoor van uitvoer is ook het douanekantoor van uitgang of het douanekantoor van uitvoer en het douanekantoor van uitgang hebben een regeling getroffen om ervoor te zorgen dat de goederen bij uitgang aan douanetoezicht onderworpen zijn.
49. Artikel 245 DWU DA bevat een opsomming van alle specifieke gevallen (‘specifieke gevallen’ zoals genoemd in artikel 263, lid 2 b DWU) waarbij wordt afgezien van de verplichting om een aangifte vóór vertrek van de goederen in te dienen. De lijst uit artikel 245 DWU DA is opgenomen in bijlage II van deze circulaire. Voor de goederen omschreven in dit artikel kan de procedure EIDR bij uitvoer of wederuitvoer worden toegepast, voor zover eveneens aan de tweede voorwaarde van artikel 150, lid 4 DWU DA is voldaan.

Accijnsgoederen

50. EIDR mag niet worden gebruikt voor de uitvoer of wederuitvoer van accijnsgoederen, behalve wanneer artikel 30 van Richtlijn 2008/118/EG van toepassing is. Dit is het geval wanneer de gehele uitvoer of wederuitvoer plaatsvindt in België (directe uitvoer) zonder over het grondgebied van een andere lidstaat te zijn vervoerd[14] (Artikel 150, lid 5 DWU DA) .

Andere uitsluitingen

51. Op grond van artikels 234, lid 2 a) DWU IA en 163, lid 2 c) DWU DA kan een aangifte in de vorm van een inschrijving in de administratie niet worden gebruikt wanneer de douaneaangifte wordt beschouwd als een aanvraag voor een vergunning voor een bijzondere regeling.
52. Op grond van artikel 234, lid 2 b) DWU IA kan een aangifte in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever niet worden gebruikt in plaats van een summiere aangifte bij het binnenbrengen zoals omschreven in artikel 130 DWU.

6.2.2. Ontheffing van de verplichting om de goederen aan te brengen

53. Het aanbrengen van de goederen heeft tot doel de douane op de hoogte brengen van de aankomst en beschikbaarheid van de goederen voor controle (zie artikel 5, punt 33 DWU). In het kader van de procedure EIDR houdt het aanbrengen in dat er een kennisgeving naar de douane wordt verstuurd om te melden dat de goederen beschikbaar zijn voor controle op de aangewezen locatie (die is bepaald in de vergunning) en dat de nodige gegevensvereisten van de aangifte zijn opgenomen in de administratie. Na de ontvangst van de kennisgeving zullen de douaneautoriteiten binnen een vooraf in de vergunning bepaalde termijn te kennen geven of ze zullen overgaan tot controle. De kennisgeving kan worden verstuurd zodra de goederen zijn ingeschreven in de administratie (Guidance Simplifications 2.3.5).
54. Op basis van artikel 182, lid 3 DWU kunnen de douaneautoriteiten, op verzoek van de aanvrager, een ontheffing verlenen om de goederen aan te brengen. Dit betekent dat er geen kennisgeving van aanbrengen moet worden verstuurd. In dit geval worden de goederen geacht te zijn vrijgegeven op het ogenblik van de inschrijving in de administratie van de aangever. Deze datum van inschrijving moet duidelijk worden vermeld in de administratie.

Aanvullende voorwaarden

55. De aanvullende voorwaarden om van deze ontheffing gebruik te kunnen maken, zijn opgesomd in artikel 182, lid 3 DWU:
- de aangever is een geautoriseerd marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen (AEOC);
- de aard van de goederen en de goederenstroom van de betrokken goederen rechtvaardigen dit en zijn bekend bij de douaneautoriteit;
- het toezichthoudende douanekantoor heeft toegang tot alle informatie welke zij nodig acht om, indien nodig, haar recht te kunnen uitoefenen om de goederen te controleren;
- op het moment van de inschrijving in de administratie zijn de goederen niet langer onderhevig aan verboden of beperkingen, tenzij in de vergunning anders is bepaald.
56. De aanvullende voorwaarden met betrekking tot de aard en het verkeer van de goederen worden meer gedetailleerd omschreven in de Guidance Simplifications onder punt 2.3.1. b). Deze informatie is eveneens opgenomen in Bijlage III van deze circulaire. Het onderzoek naar deze bijkomende voorwaarden zal gebeuren tijdens de voorafgaande audit.
57. Wanneer een ontheffing van de verplichting om de goederen aan te brengen wordt verleend, kan de aanzuivering van de tijdelijke opslag of de vorige douaneregeling niet op automatische of elektronische manier gebeuren. Daarom kunnen de douaneautoriteiten eisen dat de procedure inzake de aanzuivering duidelijk in de vergunning EIDR wordt omschreven (Guidance Simplifications 2.3.7).
58. Op grond van artikel 234, lid 3 DWU IA kunnen de douaneautoriteiten een vergunninghouder die beschikt over een ontheffing om de goederen aan te brengen alsnog verplichten om een kennisgeving in te dienen. Dit kan wanneer er sprake is van een nieuw ernstig financieel risico of een andere specifieke situatie in verband met de vergunning EIDR. Het toezichthoudende douanekantoor stelt de vergunninghouder op de hoogte van deze beslissing en communiceert de termijn waarbinnen de kennisgeving van toepassing is. In dit geval is de vergunninghouder eveneens verplicht om de datum van de kennisgeving te vermelden in de administratie en om te voldoen aan de overige verplichtingen opgenomen in artikel 234, lid 1 DWU IA.

6.3. Voorafgaande audit

59. Er moet een voorafgaande bedrijfscontrole, de zogenaamde audit, worden uitgevoerd door de douaneautoriteiten alvorens de vergunning EIDR kan worden toegekend. De resultaten van vorige controles kunnen eventueel worden gebruikt indien er aan een aantal voorwaarden wordt voldaan:
- de eerdere controle heeft niet meer dan 3 jaar voor indiening van de aanvraag plaatsgevonden;
- de voorwaarden voor de huidige vergunning EIDR zijn dezelfde;
- de wet is niet gewijzigd;
- de activiteiten, interne controles, IT-systemen en producten van de marktdeelnemer zijn niet veranderd.
60. De audit is gericht op de relevante AEO-criteria, maar er wordt ook controle uitgevoerd op de specifieke aspecten van de vergunning EIDR.
61. Indien de aanvrager van een vergunning EIDR reeds AEOC is, wordt hij geacht te voldoen aan de criteria voor alle vereenvoudigde procedures. Desalniettemin moeten bepaalde elementen of aanvullende voorwaarden die verband houden met de specifieke vorm van vereenvoudiging die wordt aangevraagd, beoordeeld worden vooraleer een vergunning kan worden verleend. De controle van de voorwaarden voor een ontheffing van de verplichting tot aanbrengen kan hier ook deel van uitmaken (Guidance Simplifications 2.1.2).
62. In het kader van de procedure EIDR moeten de volgende bijkomende aspecten worden gecontroleerd (Guidance Simplifications 2.3.1. c):
- de modaliteiten die worden aangereikt om de goederen aan te brengen indien er geen vrijstelling van kennisgeving is verleend;
- de voorwaarden waaronder de vrijgave van de goederen is toegestaan (artikel 182, lid 4 DWU);
- eerbiediging van de uitsluitingen van artikel 150, lid 3 tot 6 DWU DA (zie titel 6.2.1).
Bijlage IV van deze circulaire bevat een lijst van andere punten die moeten worden gecontroleerd tijdens de audit. Deze lijst is niet exhaustief.

6.4. Verslag van de audit

63. Het verslag van de voorafgaande audit is vergelijkbaar met dat van de AEO en dient onder meer een schriftelijke beoordeling te bevatten omtrent de criteria waaraan de aanvrager moet voldoen. Verder bevat het verslag een duidelijke aanbeveling om de vereenvoudigde procedure al dan niet toe te kennen op basis van resultaten van de controle-activiteiten.
64. Alle werkzaamheden die door het douanekantoor werden verricht, moeten worden gedocumenteerd. Het verslag moet gedetailleerde informatie bevatten over de resultaten van het bezoek aan de bedrijfsruimten, de procedures die door de marktdeelnemer zijn vastgelegd, de organisatie van het bedrijf, informatie over de geïmporteerde of geëxporteerde producten, enzovoort.
65. Wanneer de aanvrager reeds AEOC-houder is, moeten het definitieve verslag en de auditdocumenten die zijn gebruikt voor de verlening van de AEO-vergunning, worden gebruikt voor de voorbereiding en de uitvoering van de voorafgaande audit in het kader van de vereenvoudigde procedures (Guidance Simplifications 2.1.2.b).

6.5. Controleprogramma

66. Krachtens artikel 233 DWU IA is het ontwikkelen van een controleprogramma verplicht voor een vergunning EIDR. Dit programma wordt samengesteld op basis van de risicobeoordeling die wordt uitgevoerd tijdens de voorafgaande bedrijfscontrole. Het controleprogramma zal worden gebruikt als leidraad voor het uitvoeren van controles op het ogenblik dat de vergunning effectief wordt toegepast.
67. Het controleprogramma moet onder meer informatie bevatten over het toezicht op de douaneregelingen die in de vergunning zijn opgenomen en de frequentie waarmee de controles worden uitgevoerd. Het programma moeten garanderen dat er doeltreffende controles kunnen worden uitgevoerd in alle fasen van de procedure EIDR.
68. Voor gedetailleerde informatie over de methodologieën voor controles en audits, moeten de douane-auditeurs gebruik maken van de richtsnoeren die beschikbaar zijn gesteld door de Europese Unie voor de uitvoering van controles en audits en rekening houden met de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer (Speciaal verslag nr. 1/2010) (Guidance Simplifications 2.1.4).
69. Artikel 233 DWU IA vereist dat het controleprogramma (Guidance Simplifications 2.3.3):
- alleen geldt voor de betrokken marktdeelnemer (individueel en alleen voor gebruik door de douane);
- verband houdt met het toezicht op zowel de douaneregelingen als de vergunning;
- de belangrijkste elementen worden bepaald die naar gelang het risiconiveau moeten worden gecontroleerd;
- de risico’s worden aangegeven die zijn vastgesteld voor de vergunning in kwestie;
- de frequentie wordt bepaald waarmee de douanecontroles zullen worden uitgevoerd, op basis van het aantal transacties, de risico’s die ermee samenhangen en de kwaliteit van de interne controlesystemen;
- garandeert dat er tijdens alle fasen van EIDR doeltreffende controles kunnen worden uitgevoerd en dat deze worden aangepast indien de risico’s veranderen;
- wordt aangegeven welke soorten controles er zullen worden uitgevoerd (op risicoanalyse gebaseerde controles/controles a posteriori/onaangekondigde controles), welke controles minimaal moeten worden uitgevoerd en welke maatregelen uit het DWU zullen worden toegepast met betrekking tot de risico’s (documentaire of fysieke controles);
- indien relevant, rekening wordt gehouden met de verjaringstermijn voor kennisgeving van de douaneschuld;
- specifieke controleprocedures zijn opgenomen voor situaties waarin sprake is van een vrijstelling van kennisgeving (zoals mogelijke perioden van schorsing van de vrijstelling van kennisgeving uit hoofde van artikels 182, lid 3 DWU en artikel 234, lid 3 DWU IA);
- rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat risico’s veranderen en met de veranderingen die nodig zijn met betrekking tot de controles om een doeltreffende analyse en beheer van de risico’s te garanderen. Er kan onder meer worden gevraagd dat de goederen worden aangebracht overeenkomstig artikel 182, lid 3 d), 2de alinea DWU.

7. Verlenen van een vergunning EIDR

7.1. Wettelijke bepalingen

Artikel 6 DWU

“Middelen voor het uitwisselen en het opslaan van informatie en gemeenschappelijke gegevensvereisten
1. Alle uitwisselingen van informatie, zoals aangiften, aanvragen of beschikkingen tussen douaneautoriteiten onderling en tussen marktdeelnemers en douaneautoriteiten, alsmede de door de douanewetgeving vereiste opslag van die informatie, geschieden met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken.
… ”

Artikel 22 DWU

“Beschikkingen naar aanleiding van aanvragen
1. Indien een persoon een beschikking betreffende de toepassing van de douanewetgeving aanvraagt, verstrekt hij alle door de bevoegde douane autoriteiten gevraagde inlichtingen die het voor hen mogelijk maken om een beschikking af te geven.
Een beschikking mag ook worden aangevraagd door en gericht worden tot verschillende personen, overeenkomstig de in de douanewetgeving vastgelegde voorwaarden.
Tenzij anders is bepaald, is de bevoegde douaneautoriteit de autoriteit van de plaats waar de hoofdadministratie voor douanedoeleinden van de aanvrager zich bevindt of waar deze toegankelijk is, en waar op zijn minst een deel van de activiteiten die onder de beschikking moeten vallen, zal worden uitgevoerd.
2. De douaneautoriteiten gaan onverwijld, doch uiterlijk binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag voor een beschikking, na of aan de voorwaarden voor aanvaarding van de aanvraag is voldaan.
Wanneer de douaneautoriteiten vaststellen dat de aanvraag alle inlichtingen bevat opdat zij de beschikking zouden kunnen verlenen, stellen zij de aanvrager binnen de in de eerste alinea vermelde termijn daarvan in kennis.
3. De bevoegde douaneautoriteit verleent een beschikking als bedoeld in lid 1 en deelt deze aan de aanvrager onverwijld en uiterlijk 120 dagen nadat de aanvraag is aanvaard mee, tenzij anders is bepaald.
Indien de douaneautoriteiten de termijn voor het verlenen van een beschikking niet kunnen naleven, stellen zij de aanvrager daarvan in kennis vóór het verstrijken van die termijn, met opgave van de redenen en van de nieuwe termijn die zij nodig achten om een beschikking af te geven. Tenzij anders bepaald, is die nieuwe termijn niet langer dan 30 dagen.
Onverminderd het bepaalde in de tweede alinea kunnen de douaneautoriteiten de termijn voor het verlenen van een beschikking, zoals vastgelegd in de douanewetgeving, verlengen indien de aanvrager daarom verzoekt voor het uitvoeren van aanpassingen teneinde aan de voorwaarden en criteria te voldoen. Deze aanpassingen en de aanvullende termijn die noodzakelijk is om ze uit te voeren, worden ter kennis gebracht van de douaneautoriteiten, die een besluit nemen over de verlenging.
4. Tenzij in de beschikking of de douanewetgeving anders is bepaald, wordt de beschikking van kracht op de datum waarop de aanvrager deze ontvangt of wordt geacht deze te hebben ontvangen. Met uitzondering van de in artikel 45, lid 2, bedoelde gevallen zijn de afgegeven beschikkingen vanaf die datum uitvoerbaar door de douaneautoriteiten.
5. Tenzij de douanewetgeving anders bepaalt, is de beschikking onbeperkt geldig.
… .”

Bijlage A (DWU DA)
“Gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aanvragen en beschikkingen

Inleidende aantekeningen bij de tabellen met gegevensvereisten voor aanvragen en beschikkingen
Algemene bepalingen
1. De bepalingen in deze aantekeningen zijn van toepassing op alle titels van deze bijlage.
2. De tabellen met gegevensvereisten in titel I tot en met titel XXI bevatten alle gegevenselementen die voor de in deze bijlage behandelde aanvragen en beschikkingen noodzakelijk zijn.
3. De formaten, codes en, indien van toepassing, de structuur van de in deze bijlage beschreven gegevensvereisten zijn gespecificeerd in Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (1), die overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder a), van het wetboek is vastgesteld.
4. De in deze bijlage omschreven gegevensvereisten zijn van toepassing op aanvragen die worden ingediend en beschikkingen die worden afgegeven zowel met behulp van een elektronische gegevensverwerkingstechniek als op papier.
5. De gegevenselementen die voor verschillende aanvragen en beschikkingen kunnen worden verstrekt, zijn opgenomen in de tabel met gegevensvereisten in hoofdstuk 1 van titel I van deze bijlage.
6. De gegevenselementen voor specifieke soorten aanvragen en beschikkingen zijn vermeld in titel II tot en met titel XXI van deze bijlage.
7. De specifieke bepalingen met betrekking tot elk gegevenselement in hoofdstuk 2 van de titels I tot en met XXI van deze bijlage doen geen afbreuk aan de status van het gegevenselement zoals omschreven in de tabellen met gegevensvereisten. […]
8. De gegevenselementen in de respectieve tabel met gegevensvereisten kunnen zowel voor de aanvragen als voor de beschikkingen worden gebruikt, tenzij het betrokken gegevenselement anders is aangemerkt.
9. De status in onderstaande tabel met gegevensvereisten laat onverlet dat bepaalde gegevens alleen worden verstrekt wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen. […]
10. […]
------------------------

(1) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 (zie bladzijde 558 van dit Publicatieblad).

Titel I
Aanvragen en beschikkingen
Hoofdstuk I

Legende tabel

Kolommen

Soort aanvraag/beschikking

Rechtsgrond

Titelnr. van de specifieke gegevensvereisten

Volgnummer G.E.

Volgnummer van het betrokken gegevenselement

Naam G.E.

Naam van het betrokken gegevenselement

Douaneformaliteiten

7c

Aanvraag en vergunning voor het doen van een douaneaangifte door inschrijving in de administratie van de aangever, inclusief de regeling uitvoer

Artikel 182 van het wetboek

Titel XIV

… .”

Bijlage A (DWU IA)
“TITEL II
Codes betreffende de gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aanvragen en beschikkingen

1. INLEIDING
Deze titel bevat de codes die in aanvragen en beschikkingen moeten worden gebruikt.
2. CODES

1/1. Code soort aanvraag/beschikking

Er moet gebruik worden gemaakt van de volgende codes

Code

Soort aanvraag/beschikking

Opschrift van de kolom in bijlage A bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446

EIR

Aanvraag of vergunning voor het doen van een douaneaangifte door inschrijving in de administratie van de aangever, daaronder begrepen voor de regeling uitvoer

7c

1/6. Referentienummer beschikking

Het referentienummer van de beschikking is als volgt opgebouwd:
Veld 1: Identificator van de lidstaat waar de beschikking is gegeven (tweeletterige landcode): BE
Veld 2: Code soort beschikking: EIR
Veld 3: Unieke identificator voor de beschikking per land (maximum 29 alfanumeriek karakters)
… ”

7.2. Toelichting

70. De algemene bepalingen inzake de aanvraag, het beheer, de nietigverklaring en wijziging van vergunningen zijn opgenomen in de artikels 22, 23, 27 en 28 DWU. Deze bepalingen worden toegelicht in circulaire 2017/C/90 van 22/12/2017.
71. Overeenkomstig artikel 22, lid 3 DWU moeten de douaneautoriteiten uiterlijk 120 dagen na de aanvaarding van de aanvraag een beschikking verlenen. Deze termijn start op de datum van aanvaarding van de aanvraag (zie titel 4 van deze circulaire).
72. De beschikking voor een vergunning EIDR moet verleend worden via de middelen voor het uitwisselen en het opslaan van informatie en moet beantwoorden aan de gemeenschappelijke gegevensvereisten (bijlage A DWU DA) zoals bepaald in artikel 6, lid 1 en 2 DWU.
73. In de beschikking voor een vergunning EIDR moeten de gegevenselementen van bijlage A DWU DA worden vermeld. Deze gegevenselementen zijn opgenomen in kolom 7c van de tabel in hoofdstuk 1 van titel I van bijlage A DWU DA. De specifieke gegevenselementen die uitsluitend betrekking hebben op de vergunning EIDR worden beschreven in hoofdstuk I van Titel XIV van bijlage A.
Bijlage I van deze circulaire herneemt alle gegevensvereisten die van toepassing zijn op de aanvragen en de beschikkingen voor EIDR. De gegevens die enkel vereist zijn voor de aanvraag van een vergunning zijn aangeduid met [*]. De gegevens die enkel vereist zijn voor de beschikking van een vergunning zijn aangeduid met [+].
74. Zoals bepaald in titel II van bijlage A DWU IA wordt voor België het vergunningsnummer (gegevenselement 1/6 bijlage A DWU DA) samengesteld uit de code van de lidstaat (BE voor België) en de code van het type vergunning (EIR voor inschrijving in de administratie van de aangever), aangevuld met een nummer van maximaal 29 alfanumerieke tekens dat uniek is voor de desbetreffende beschikking. Het referentienummer van de beschikking moet worden gecreëerd overeenkomstig de bepalingen die daartoe door de Administratie Operations worden vastgelegd.

7.3. Zekerheid

7.3.1. Wettelijke bepalingen

Artikel 211 DWU

1. Een vergunning van de douaneautoriteiten is vereist voor:
a) het gebruik van de regeling actieve of passieve veredeling, tijdelijke invoer of bijzondere bestemming;
b) het beheer van een opslagruimte voor opslag in een douane- entrepot, tenzij de opslagruimte wordt beheerd door de douaneautoriteit zelf.
De voorwaarden waaronder één of meer van de in de eerste alinea bedoelde regelingen mogen worden gebruikt of het beheer van opslagruimten is toegestaan, worden in de vergunning vastgesteld.
2.
3. Tenzij anders is bepaald, wordt de in lid 1 bedoelde vergunning slechts verleend aan personen die aan elk van de volgende voorwaarden voldoen:
a)
b)
c) zij stellen zekerheid overeenkomstig artikel 89, indien een douaneschuld kan ontstaan of andere heffingen verschuldigd kunnen worden voor de onder een bijzondere regeling geplaatste goederen;
d)
4.
5.
6. …”

Artikel 195 DWU

Vrijgave afhankelijk van betaling van het met de douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten of zekerheidstelling
1. Indien het plaatsen van goederen onder een douaneregeling een douaneschuld doet ontstaan, kunnen de goederen waarop deze aangifte betrekking heeft slechts worden vrijgegeven indien het met de douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten is betaald of indien daarvoor zekerheid is gesteld.

2.
3. Wanneer een vereenvoudiging als bedoeld in de artikelen 166, 182 en 185 wordt toegepast en een doorlopende zekerheid is gesteld, is toezicht op de zekerheid door de douaneautoriteiten geen voorwaarde voor de vrijgave van de goederen.”

Artikel 157 DWU IA

Toezicht op het referentiebedrag door de douaneautoriteiten
1. Het toezicht op het deel van het referentiebedrag dat het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten dekt, en op andere in verband met de invoer of uitvoer van goederen verschuldigde heffingen, die verschuldigd zullen worden voor goederen die in het vrije verkeer worden gebracht, wordt voor elke douaneaangifte gewaarborgd op het tijdstip dat de goederen onder de regeling worden geplaatst. Wanneer de douaneaangiften voor het vrije verkeer zijn ingediend in overeenstemming met een vergunning zoals bedoeld in artikel 166, lid 2, of artikel 182 van het wetboek, wordt het toezicht op het relevante deel van het referentiebedrag gewaarborgd op basis van de aanvullende aangiften of, indien van toepassing, op basis van de in de administratie opgenomen gegevens.
2.
3. Het toezicht op het deel van het referentiebedrag dat het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten dekt, en op andere in verband met de invoer of uitvoer verschuldigde heffingen voor zover deze gedekt moeten zijn door de zekerheid en die in andere dan de in de leden 1 en 2 genoemde gevallen zullen of kunnen ontstaan, wordt gewaarborgd door regelmatige en passende controle. “

7.3.2. Toelichting

75. De zekerheid maakt geen deel uit van de voorwaarden voor het verlenen van de vergunning EIDR. Het stellen van een zekerheid wordt echter opgelegd aan de hand van een aantal andere wetsbepalingen.
76. Indien de aanvrager van een vergunning EIDR gebruik wil maken van één of meer bijzondere douaneregelingen vermeld in artikel 210, b) tot en met d) DWU, kan de vergunning EIDR enkel worden verleend indien de aanvrager reeds beschikt over een vergunning voor de desbetreffende bijzondere douaneregeling(en). Voor het verlenen van een vergunning voor een bijzondere douaneregeling moet steeds een zekerheid worden gesteld (artikel 211, lid 3, c) DWU).
77. Wanneer er een douaneschuld is verschuldigd, moet er overeenkomstig artikel 102, lid 4, artikel 105, leden 1 en 2 (tijdstip van boeking) en artikel 195, lid 1 DWU (vrijgave), een zekerheid worden gesteld. Indien toestemming is gegeven voor een uitstel van betaling van douanerechten (artikel 110 DWU), moet een dergelijke zekerheid worden gesteld alvorens gebruik kan worden gemaakt van de vereenvoudigde procedure EIDR. Indien dit het geval is, moet een afzonderlijke aanvraag voor de zekerheid en/of voor het uitstel van betaling worden ingediend en moet deze afzonderlijk worden goedgekeurd (Guidance Simplifications 2.1.3).
78. Om op correcte wijze gebruik te kunnen maken van de procedure EIDR, is het aan te bevelen een doorlopende zekerheid, zoals gedefinieerd in artikel 95 DWU, te stellen. In overeenstemming met artikel 195, lid 3 DWU, is de vrijgave van de goederen, indien er een doorlopende zekerheid wordt gesteld, niet afhankelijk van het toezicht op de zekerheid door de douaneautoriteiten.
79. In het geval van vrijgave voor het vrije verkeer, houden de douaneautoriteiten in overeenstemming met artikel 157, lid 1 DWU IA, toezicht op het referentiebedrag aan de hand van de aanvullende aangifte. In het geval van bijzondere douaneregelingen, houden de douaneautoriteiten toezicht door middel van audits in overeenstemming met artikel 157, lid 3 DWU IA. Als er een individuele zekerheid wordt gesteld, is de vrijgave van de goederen daarentegen wel afhankelijk van het toezicht op de zekerheid (Guidance Simplifications 2.1.3).

7.4. Vrijgave van de goederen

7.4.1. Wettelijke bepalingen

Artikel 194 DWU

Vrijgave van de goederen
1. Mits is voldaan aan de voorwaarden voor de plaatsing van de goederen onder de betrokken regeling en voor zover er geen beperking op de goederen is gesteld en de goederen niet onder een verbod vallen, geven de douaneautoriteiten de goederen vrij zodra de vermeldingen op de douaneaangifte zijn geverifieerd of zonder verificatie zijn aanvaard.
De eerste alinea is tevens van toepassing indien een in artikel 188 bedoelde verificatie niet binnen een redelijke termijn kan worden beëindigd en de goederen niet meer aanwezig behoeven te zijn met het oog op de verificatie.
2. …”

Artikel 235 DWU IA

“Vrijgave van de goederen wanneer een douaneaangifte is ingediend in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever
(artikel 182 van het wetboek)
1. Wanneer in de vergunning om een douaneaangifte in te dienen in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever een termijn is vastgesteld waarbinnen de houder van deze vergunning in kennis moet worden gesteld van de uit te voeren controles, worden de goederen geacht bij het verstrijken van de termijn te zijn vrijgegeven, tenzij het controlekantoor kenbaar heeft gemaakt voornemens te zijn binnen deze termijn een controle uit te voeren.
2. Wanneer in de vergunning geen termijn is vastgelegd zoals bedoeld in lid 1, geeft het controlekantoor de goederen vrij in overeenstemming met artikel 194 van het wetboek.”

7.4.2. Toelichting

80. Krachtens artikel 182, lid 2 DWU wordt de douaneaangifte geacht te zijn aanvaard op het tijdstip van inschrijving van de goederen in de administratie. Op het moment van inschrijving in de administratie wordt een kennisgeving van aanbrengen verstuurd naar het bevoegde douanekantoor. De wijze van vrijgave van de goederen moet worden verduidelijkt in de vergunning (artikel 182, lid 4 DWU).
81. De vergunningverlenende dienst kan in de vergunning EIDR een termijn vastleggen om de vergunninghouder op de hoogte te brengen van het voornemen van het bevoegde douanekantoor om over te gaan tot een controle. Deze termijn start op het ogenblik dat de kennisgeving van aanbrengen wordt verstuurd. Indien de vergunning EIDR een dergelijke termijn bevat, worden de goederen verondersteld te zijn vrijgegeven op het moment dat de termijn verstrijkt, tenzij het controlekantoor binnen die zelfde termijn heeft aangegeven een controle te zullen uitvoeren (artikel 235, lid 1 DWU IA). De specifieke termijn moet zo worden gekozen dat deze het bevoegde douanekantoor voldoende tijd geeft om de noodzakelijke controles uit te voeren. Wanneer er geen termijn in de vergunning is vastgelegd, geeft het controlekantoor de goederen vrij overeenkomstig artikel 194 DWU (artikel 235, lid 2 DWU IA).
82. Wanneer de vergunninghouder beschikt over een ontheffing van de verplichting om de goederen aan te brengen, worden de goederen geacht te zijn vrijgegeven op het moment van de inschrijving in de administratie van de aangever (artikel 182, lid 3 DWU). Dit tijdstip moet duidelijk in de administratie worden vermeld. Omdat in dit geval de goederen op automatische wijze worden vrijgegeven, zonder tussenkomst van de douaneautoriteiten, is artikel 235 DWU IA hier niet van toepassing. Artikel 235 DWU IA kan alsnog van toepassing zijn indien het bevoegde controlekantoor op basis van de artikels 182, lid 3 DWU en 234, lid 3 DWU IA, de vergunninghouder verplicht om in specifieke situaties de goederen aan te brengen (zie titel 6.2.2. van deze circulaire).
83. De ontheffing van de verplichting om de goederen aan te brengen of, indien er geen ontheffing wordt verleend, de termijn tussen de ontvangst van de kennisgeving en het vrijgeven van de goederen wordt door de vergunningverlenende douaneautoriteit in de beschikking vermeld overeenkomstig bijlage A DWU DA, titel XIV, gegevenselement XIV/1.

8. Toepassing van de vergunning EIDR

8.1. Verplichtingen van de vergunninghouder

8.1.1. Wettelijke bepalingen

Artikel 234 DWU IA

Verplichtingen van de vergunninghouder die een douaneaangifte indient in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever
(Artikel 182, lid 1, van het wetboek)
1. De vergunninghouder die een douaneaangifte indient in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever:
a) brengt de goederen aan bij de douane, behalve wanneer artikel 182, lid 3, van het wetboek van toepassing is, en vermeldt de datum van de kennisgeving van aanbrenging in de administratie;
b) vermeldt ten minste de gegevens van een vereenvoudigde douaneaangifte en alle bewijsstukken in de administratie;
c) stelt op verzoek van het controlekantoor de gegevens van de in de administratie opgenomen douaneaangifte en eventuele bewijsstukken beschikbaar, tenzij de douaneautoriteiten toestaan dat de aangever rechtstreekse elektronische toegang tot die informatie in zijn administratie verschaft;
d) stelt aan het controlekantoor informatie beschikbaar over goederen die aan verboden en beperkingen zijn onderworpen;
e) voorziet het controlekantoor van bewijsstukken zoals bedoeld in artikel 163, lid 2, van het wetboek voordat de aangegeven goederen kunnen worden vrijgegeven;
f) zorgt ervoor, wanneer de ontheffing zoals bedoeld in artikel 182, lid 3, van het wetboek van toepassing is, dat de houder van de vergunning voor het beheer van de opslagruimten voor tijdelijke opslag over de noodzakelijke informatie beschikt om de beëindiging van de tijdelijke opslag te bewijzen;
g) dient de aanvullende aangifte in bij het controlekantoor op de wijze en binnen de termijn vastgesteld in de vergunning, tenzij ontheffing van de verplichting tot indiening van een aanvullende aangifte is verleend in overeenstemming met artikel 167, lid 2, van het wetboek.
2.
3. …”

Artikel 167 DWU

Aanvullende aangifte
1. Bij een vereenvoudigde aangifte overeenkomstig artikel 166 of een inschrijving in de administratie van de aangever overeenkomstig artikel 182 dient de aangever binnen een specifieke termijn bij het bevoegde douanekantoor een aanvullende aangifte in met de gegevens die vereist zijn voor de betrokken douaneregeling.
Bij een vereenvoudigde aangifte overeenkomstig artikel 166 moeten de nodige bewijsstukken binnen een specifieke termijn in het bezit zijn van de aangever en ter beschikking staan van de douaneautoriteiten.
De aanvullende aangifte kan een algemeen, periodiek of samenvattend karakter hebben
2. In de volgende gevallen wordt ontheffing verleend van de verplichting tot indiening van een aanvullende aangifte:
a) de goederen zijn onder het stelsel van douane-entrepots geplaatst;
b) andere specifieke gevallen.
3. Onder de volgende voorwaarden kunnen de douaneautoriteiten afzien van de eis dat een aanvullende aangifte moet worden ingediend:
a) de vereenvoudigde aangifte betreft goederen waarvan de waarde en hoeveelheid onder de statistische drempel liggen;
b) de vereenvoudigde aangifte bevat reeds alle informatie die nodig is voor de betreffende douaneregeling; en
c) de vereenvoudigde aangifte is niet ingediend in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever.
4. De in artikel 166 bedoelde vereenvoudigde aangifte of de in artikel 182 bedoelde inschrijving in de administratie van de aangever wordt geacht samen met de aanvullende aangifte een enkele en ondeelbare akte te vormen, die geldig is respectievelijk vanaf de datum van aanvaarding van de vereenvoudigde aangifte overeenkomstig artikel 172 en vanaf de datum van inschrijving van de goederen in de administratie van de aangever.
5. …”

Artikel 146 DWU DA

“Aanvullende aangifte
(Artikel 167, lid 1, van het wetboek)
1. Wanneer de douaneautoriteiten het verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten overeenkomstig artikel 105, lid 1, eerste alinea, van het wetboek dienen te boeken, is de termijn voor het indienen van de aanvullende aangifte, als bedoeld in artikel 167, lid 1, eerste alinea, van het wetboek, wanneer die aangifte een algemeen karakter heeft, tien dagen na de vrijgave van de goederen.
2. Wanneer een boeking geschiedt overeenkomstig artikel 105, lid 1, tweede alinea, van het wetboek of wanneer geen douaneschuld ontstaat en de aanvullende aangifte een periodiek of samenvattend karakter heeft, beloopt het tijdvak waarop de aanvullende aangifte betrekking heeft, maximaal één kalendermaand.
3. De termijn voor de indiening van de aanvullende aangifte met een periodiek of samenvattend karakter beloopt tien dagen vanaf de einddatum van het tijdvak waarop de aanvullende aangifte betrekking heeft.
3bis. Wanneer geen douaneschuld ontstaat, mag de termijn voor de indiening van de aanvullende aangifte niet meer belopen dan 30 dagen, te rekenen vanaf de vrijgave van de goederen.
3ter. De douaneautoriteiten staan, in naar behoren gemotiveerde gevallen, een langere termijn toe voor de indiening van de in lid 1, 3 en 3bis bedoelde aanvullende aangifte. Deze termijn mag niet meer dan 120 dagen belopen, te rekenen vanaf de vrijgave van de goederen. In uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen die verband houden met de douanewaarde van goederen, kan deze termijn echter verder worden verlengd maar niet langer zijn dan twee jaar vanaf de datum van vrijgave van de goederen.
4. Tot de respectieve datums van de uitrol van het AES-systeem en de upgrade van de desbetreffende nationale invoersystemen zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151 kunnen de douaneautoriteiten, onverminderd artikel 105, lid 1, van het wetboek, andere dan de in de leden 1 tot en met 3 ter van dit artikel genoemde termijnen toestaan.”

Artikel 183 DWU DA

Ontheffing van de verplichting tot indiening van een aanvullende aangifte
(Artikel 167, lid 2, onder b), van het wetboek)
Er wordt ontheffing van de verplichting tot indiening van een aanvullende aangifte verleend voor goederen waarvoor een bijzondere regeling, met uitzondering van douanevervoer, is aangezuiverd door plaatsing van deze goederen onder een volgende bijzondere regeling, met uitzondering van douanevervoer, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a) de houder van de vergunning voor de eerste en de volgende bijzondere regeling is dezelfde persoon;
b) de douaneaangifte voor de eerste bijzondere regeling werd ingediend op de standaardwijze, of de aangever heeft voor de eerste bijzondere regeling een aanvullende aangifte ingediend overeenkomstig artikel 167, lid 1, eerste alinea, van het wetboek;
c) de eerste bijzondere regeling is aangezuiverd door plaatsing van de goederen onder een volgende bijzondere regeling, met uitzondering van bijzondere bestemming of actieve veredeling, in aansluiting op de indiening van een douaneaangifte in de vorm van inschrijving in de administratie van de aangever.”

8.1.2. Toelichting

Inschrijving in de administratie

84. De vergunninghouder dient een douaneaangifte in onder de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever. De inschrijving in de administratie bevat ten minste de gegevens van een vereenvoudigde douaneaangifte en de bewijsstukken (artikel 234, lid 1b) DWU IA). De gegevensvereisten van de aangiften worden behandeld in titel 8.2. van deze circulaire.
85. Op het moment van de inschrijving van de douaneaangifte in de administratie van de aangever moeten de gegevens van de aangifte in het elektronisch systeem van de aangever ter beschikking staan van de douaneautoriteiten (artikel 182, lid 1 DWU). Dit geldt eveneens voor de eventuele bewijsstukken. De douaneaangifte wordt geacht te zijn aanvaard op het tijdstip van inschrijving van de goederen in de administratie (artikel 182, lid 2 DWU).

Kennisgeving van aanbrengen

86. Op het tijdstip van inschrijving in de administratie zal de vergunninghouder een kennisgeving van aanbrengen versturen naar het in de vergunning vermelde douanekantoor (artikel 234, lid 1 a) DWU IA). De kennisgeving van aanbrengen bevat de gegevens van de kolommen C2 (uitvoer) of I2 (invoer) van de tabel van bijlage B DWU DA. Bijlage V van deze circulaire bevat een overzicht van de gegevensvereisten van de kennisgeving van aanbrengen.
87. De overgangsmaatregelen betreffende de kennisgeving van aanbrengen die momenteel nog van toepassing zijn, worden behandeld in titel 4.2. van deze circulaire. Het tijdstip van versturen van de kennisgeving moet in de administratie worden vermeld (artikel 234, lid 1 a) DWU IA).
88. Deze kennisgeving moet niet worden ingestuurd wanneer de vergunninghouder beschikt over een ontheffing van de verplichting van aanbrengen. In dit geval zijn de goederen reeds vrijgegeven op het ogenblik van de inschrijving in de administratie (artikel 182, lid 3 DWU).

Vrijgave en controle

89. De wijze van vrijgave van de goederen wordt vermeld in de vergunning EIDR. De modaliteiten van de vrijgave worden besproken in titel 7.4.2. van deze circulaire. Indien de zending geselecteerd wordt voor controle, blijven de goederen ter beschikking van de douaneautoriteiten op de plaats die is bepaald in de vergunning.
90. De vergunninghouder stelt op verzoek van het controlekantoor de gegevens van de in de administratie opgenomen douaneaangifte en eventuele bewijsstukken beschikbaar, tenzij de douaneautoriteiten toestaan dat de aangever rechtstreekse elektronische toegang tot die informatie in zijn administratie verschaft (artikel 234, lid 1 c) DWU IA). De gegevens in de douaneaangifte, de bewijsstukken en de eventuele vergunningen of certificaten kunnen door het bevoegde douanekantoor worden aangewend om een controle uit te voeren.
91. Wanneer de vergunninghouder beschikt over een ontheffing van de verplichting om de goederen aan te brengen, kunnen de douaneautoriteiten eisen dat de het proces van zuivering van de vorige regeling of van de tijdelijk opslag in de vergunning wordt beschreven. Krachtens artikel 234, lid 1 f) DWU IA moet de houder van de vergunning voor het beheer van de opslagruimten voor tijdelijke opslag over de noodzakelijke informatie beschikken om de beëindiging van de tijdelijke opslag te bewijzen (Guidance Simplifications 2.3.7).

Verboden en beperkingen

92. De vergunninghouder stelt aan het controlekantoor informatie beschikbaar over goederen die aan verboden en beperkingen zijn onderworpen (artikel 234, lid 1 d) DWU IA). Vanuit praktisch oogpunt kan de procedure EIDR slechts worden toegepast voor aan verboden of beperkingen onderhevige goederen indien een passend beschermingsniveau kan worden gewaarborgd en wanneer er afspraken zijn gemaakt met de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het beleid inzake de betreffende verboden of beperkingen. De procedure voor verboden of aan beperkingen onderhevige goederen moet duidelijk zijn opgenomen in de vergunning (Guidance Simplifications 2.1.6., b).

Aanvullende aangifte

93. Volgend op de inschrijving in de administratie en de vrijgave van de goederen, moet de vergunninghouder een aanvullende douaneaangifte type Z[15] indienen bij het controlekantoor op de wijze en binnen de termijn vastgelegd in de vergunning, tenzij een ontheffing van de verplichting tot indiening van een aanvullende aangifte is verleend (artikel 234, lid 1, g) DWU IA). Het indienen van een aanvullende aangifte, volgend op een inschrijving in de administratie, wordt eveneens opgelegd door artikel 167, lid 1 DWU. De aanvullende aangifte bevat de gegevens, naar gelang de gevraagde douaneregeling, volgens bijlage B DWU DA (of bijlage 9 DWU TDA gedurende de overgangsfase).
94. De douaneaangifte die wordt ingeschreven in de administratie van de aangever en de aanvullende aangifte worden geacht samen één enkele, ondeelbare akte te vormen. De akte treedt in werking op de datum dat de goederen worden ingeschreven in de administratie (artikel 167, lid 4 DWU - Guidance Simplifications 2.3.8.).
95. Artikel 146 DWU DA maakt een onderscheid tussen aanvullende aangiften met een algemeen karakter enerzijds en aanvullende aangiften met een periodiek of samenvattend karakter anderzijds.
96. Een aanvullende aangifte met een algemeen karakter heeft betrekking op één enkele zending die wordt ingeschreven in de administratie van de aangever. De invoerrechten worden uiterlijk 14 dagen na de vrijgave van de goederen geboekt overeenkomstig artikel 105, lid 1, 1ste alinea DWU. Een aanvullende aangifte met een algemeen karakter moet uiterlijk 10 dagen na de vrijgave van de goederen worden ingediend (artikel 146, lid 1 DWU DA).
97. Een aanvullende aangifte met een periodiek of samenvattend karakter dekt één of meerdere zendingen die werden ingeschreven in de administratie van de aangever gedurende een welbepaalde periode. Het totale bedrag aan invoerrechten wordt gelijktijdig geboekt, uiterlijk 14 dagen na afloop van de betrokken periode, overeenkomstig artikel 105, lid1, 2de alinea DWU. De termijn voor de indiening van de aanvullende aangifte met een periodiek of samenvattend karakter beloopt 10 dagen vanaf de einddatum van het tijdvak waarop de aanvullende aangifte betrekking heeft (artikel 146, lid 3 DWU DA). Het tijdvak of de periode waarop deze aanvullende aangifte betrekking heeft, bedraagt maximaal 1 kalendermaand (artikel 146, lid 2 DWU DA). In de aanvragen en de vergunningen EIDR wordt de werkwijze waarbij meerdere zendingen gedekt worden door één aanvullende aangifte per vastgelegde periode, aangeduid door middel van de terminologie dag-, week- of maandglobalisatie.
98. Artikel 146 DWU DA voorziet eveneens een aantal specifieke gevallen waarin de termijn voor het indienen van de aanvullende aangifte kan worden verlengd. Wanneer er geen douaneschuld ontstaat, mag de termijn voor de indiening van de aanvullende aangifte niet meer belopen dan 30 dagen, te rekenen vanaf de vrijgave van de goederen. Daarnaast kunnen de douaneautoriteiten in naar behoren gemotiveerde gevallen een termijn van maximum 120 dagen toestaan, te rekenen vanaf de vrijgave van de goederen, ongeacht van het feit of er al dan niet een douaneschuld ontstaat. In uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen die verband houden met de douanewaarde van de goederen, kunnen de douaneautoriteiten een verlenging van de termijn tot maximaal 2 jaar vanaf de vrijgave van de goederen toestaan, ongeacht van het feit of er al dan niet een douaneschuld ontstaat.
99. Bij het gebruik van samenvattende (globale) aanvullende douaneaangiften voor het in het vrije verkeer brengen van goederen is de btw-geadresseerde wettelijk niet verplicht om te beschikken over een vergunning om de btw te verleggen naar de periodieke btw-aangifte (vergunning ET/14000). Deze vergunning wordt verleend door de AAFisc.
100. Vergunninghouders EIDR voor het in het vrije verkeer brengen die optreden als btw-geadresseerde en die niet beschikken over een vergunning ET/14000 dienen de btw te voldoen volgens de bepalingen die gelden bij het in verbruikstellen van de goederen per zending/transactie.

Ontheffing van de verplichting tot indiening van een aanvullende aangifte

101. Artikel 167, lid 2 DWU geeft twee aparte mogelijkheden voor het verlenen van een ontheffing van de verplichting tot indiening van een aanvullende aangifte:
- plaatsing van goederen onder de regeling douane-entrepot;
- specifieke gevallen die verder worden toegelicht in artikel 183 DWU DA. Het betreft de situatie waarbij de goederen onder twee opeenvolgende bijzondere regelingen worden geplaatst, waarvan de plaatsing onder de tweede bijzondere regeling gebeurt doormiddel van de inschrijving in de administratie van de aangever.
102. Om de ontheffing van de verplichting tot indiening van een aanvullende aangifte te kunnen verlenen in het kader van artikel 183 DWU DA, moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
- geen van beide bijzondere regelingen mag douanevervoer zijn;
- de houder van de vergunning van de twee opéénvolgende bijzondere regelingen moet dezelfde zijn;
- de goederen werden onder de eerste bijzondere douaneregeling geplaatst doormiddel van een standaardaangifte of er werd reeds een aanvullende aangifte ingediend voor de eerste bijzondere regeling;

- de tweede, aansluitende bijzondere regeling mag niet bijzondere bestemming of actieve veredeling zijn.
103. Op basis van artikel 167, lid 2 DWU kan er evenmin een ontheffing van de verplichting tot indiening van een aanvullende aangifte voor de tweede bijzondere regeling worden verleend, wanneer de regeling douane-entrepot de eerste regeling is, tenzij er voor deze eerste regeling geen ontheffing wordt toegepast.

8.2. Gegevens in de douaneaangifte in de vorm van een inschrijving in de administratie en in de aanvullende aangifte

8.2.1. Wettelijke bepalingen

Bijlage B DWU DA
“gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aangiften, kennisgevingen en bewijs van de douanestatus van uniegoederen
TITEL I
Gegevensvereisten
HOOFDSTUK 1
Inleidende aantekeningen bij de tabel met gegevensvereisten

(1) De aangifteberichten bevatten een aantal gegevenselementen, waarvan naargelang de gevraagde douaneregeling(en) maar een deel wordt gebruikt.
(2) De gegevenselementen die voor elke regeling kunnen worden gebruikt, zijn vermeld in de tabel met gegevensvereisten. De specifieke bepalingen met betrekking tot elk gegevenselement in titel II doen geen afbreuk aan de status van de in de tabel met gegevensvereisten omschreven gegevenselementen. De bepalingen die van toepassing zijn op alle situaties waarin het betrokken gegevenselement wordt gevraagd, zijn opgenomen onder het opschrift „Alle relevante kolommen van de tabel met gegevensvereisten worden gebruikt”. Daarnaast zijn bepalingen die op specifieke kolommen van de tabel van toepassing zijn, opgenomen in de specifieke delen die precies op die kolommen betrekking hebben. Beide reeksen bepalingen moeten worden gecombineerd om de situatie van elke kolom van de tabel te weerspiegelen.
(3) Onderstaande symbolen „A”, „B” of „C” in deel 3 van hoofdstuk 2 laten onverlet dat bepaalde gegevens alleen worden verstrekt wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen. Zo wordt bv. de opgave van de bijzondere maatstaf (categorie „A”) enkel verlangd wanneer Taric daarin voorziet.
(4) De in deel 3 van hoofdstuk 2 omschreven symbolen „A”, ”B” of „C” kunnen worden aangevuld met voorwaarden of verduidelijkingen die zijn vermeld in de voetnoten bij de tabel met gegevensvereisten in deel 1 van hoofdstuk 3 hieronder.
(5) Als de lidstaat van aanvaarding van de douaneaangifte het toestaat, kan een douaneaangifte (kolommenreeksen B en H) of een vereenvoudigde aangifte (kolommenreeksen C en I) artikelen bevatten die aan verschillende codes voor regelingen worden onderworpen, op voorwaarde dat deze codes voor regelingen allemaal dezelfde, in deel 1 van hoofdstuk 3 omschreven gegevenssets gebruiken en tot dezelfde, in hoofdstuk 2 omschreven kolom van de tabel behoren. Deze mogelijkheid wordt echter niet gebruikt voor douaneaangiften die worden ingediend in het kader van gecentraliseerde vrijmaking overeenkomstig artikel 179, van het wetboek.
(6) Zonder op enigerlei wijze afbreuk te doen aan de verplichtingen om overeenkomstig deze bijlage gegevens te verstrekken en onverminderd artikel 15 van het wetboek, zal de inhoud van de aan de douane verstrekte gegevens voor een bepaalde vereiste gebaseerd zijn op de informatie die bij de marktdeelnemer bekend is op het moment dat deze aan de douane wordt verstrekt.
(7)
(8)
(9)
(10)
(11)
(12) De in artikel 166 bedoelde vereenvoudigde aangiften bevatten de in de kolommen C1 en I1 vermelde informatie.
(13) De beknopte lijst van gegevenselementen die voor de regelingen in de kolommen C1 en I1 wordt verstrekt, houdt geen beperking in van en doet geen afbreuk aan de vereisten voor de regelingen in de andere kolommen van de tabel met gegevensvereisten, met name ten aanzien van informatie die in een aanvullende aangifte moet worden verstrekt.
(14) De formaten, codes en, indien van toepassing, de structuur van de in deze bijlage beschreven gegevensvereisten zijn gespecificeerd in Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447, die overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder a), van het wetboek is vastgesteld.
(15) De lidstaten delen de Commissie de lijst mee van de gegevens waarvan zij de opgave verlangen voor elk van de in deze bijlage bedoelde procedures. De Commissie publiceert de lijst van die gegevens. “

8.2.2. Toelichting[16]

Overgangsbepalingen

104. De toepassing van Bijlage B DWU DA is opgeschort gedurende de overgangsperiode. De effectieve inwerkingtreding van bijlage B is afhankelijk van de respectieve datums van de uitrol of de upgrade van de relevante IT-systemen zoals bedoeld in het werkprogramma dat is opgenomen in het Uitvoeringsbesluit (EU)2019/2151. Tot op dat moment zijn de gegevenselementen voor douaneaangiften van bijlage 9 DWU TDA vereist (Guidance Simplifications 2.2.5).

Inschrijving in de administratie

105. De inschrijving in de administratie van de aangever staat gelijk aan een vereenvoudigde aangifte of een standaard aangifte (Guidance Simplifications 2.3.8).
106. Krachtens artikel 234, lid 1 b) DWU IA bestaat de douaneaangifte in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever ten minste uit de gegevens van de vereenvoudigde aangifte. De wettelijke gegevensvereisten voor de vereenvoudigde aangifte zijn vermeld in de kolommen C1 (uitvoer) en I1 (invoer) van bijlage B DWU DA[17]. De gegevenselementen die tijdens de overgangsperiode van toepassing zijn op de vereenvoudigde aangifte zijn opgenomen in aanhangsel A van bijlage 9 DWU TDA.
107. De beknopte lijst van gegevens van de kolommen C1 en I1 bevat slechts een gedeelte van de informatie die nodig is om de goederen onder een specifieke douaneregeling te plaatsen. De volledige gegevensreeks (in functie van de gevraagde regeling) zal naderhand deel uitmaken van de aanvullende aangifte.[18] Zoals reeds beschreven in titel 8.1.2 van deze circulaire, vormen de inschrijving in de administratie en de aanvullende aangifte één enkele, ondeelbare akte die in werking treedt op de datum dat de goederen worden ingeschreven in de administratie (artikel 167, lid 4 DWU - Guidance Simplifications 2.3.8.). Bijlage V van deze circulaire bevat een overzicht van de gegevensvereisten van de kolommen C1 en I1.
108. Indien de vereenvoudigde aangifte wordt ingeschreven in de administratie van de aangever, mogen bepaalde documenten, behalve de documenten of bewijsstukken die worden genoemd in artikel 163, lid 2 DWU, ontbreken op het moment van vrijgave van de goederen (Guidance Simplifications 2.3.6.). De vrijgave van de goederen gebeurt op het moment van de inschrijving van de goederen in de administratie (bij een ontheffing van de verplichting om de goederen aan te brengen) of na de kennisgeving van aanbrengen (tijdspanne vastgelegd in de vergunning). De aangever moet binnen de termijnen vermeld in artikel 147 DWU DA in het bezit zijn van de ontbrekende stukken. Het ter beschikking stellen van certificaten of bewijsstukken die worden vereist op basis van Uniewetgeving (zoals omschreven in artikel 163, lid 2 DWU) kan echter niet worden uitgesteld naar het moment van indienen van de aanvullende aangifte (artikel 234, lid 1, e) DWU IA).
109. De vergunninghouder kan er eveneens voor kiezen om gebruik te maken van de gegevens van een standaard aangifte als de inschrijving in de administratie. In dit geval bevat de inschrijving in de administratie alle gegevens die, naar gelang de gevraagde douaneregeling, vermeld zijn in bijlage B DWU DA.
110. De structuur en de vorm van de gegevens in de administratie zijn niet wettelijk omschreven. Er is geen standaardversie en er zijn geen regels met betrekking tot bijvoorbeeld de standaardlengte van het document. Het wordt echter aanbevolen rekening te houden met de gegevensvereisten die na de overgangsfase verplicht moeten worden opgenomen in de kennisgeving van aanbrengen en in de (aanvullende) aangifte van bijlage B DWU DA (Guidance Simplifications 2.3.6).

Aanvullende aangifte

111. Ongeacht de vorm en de inhoud (vereenvoudigde of standaard aangifte) van de inschrijving in de administratie, bevat de aanvullende douaneaangifte steeds de volledige dataset naar gelang de gevraagde regeling, zoals vermeld in de kolommen B1 (uitvoer of wederuitvoer), B2 (passieve veredeling), B3 (douane-entrepot voor uniegoederen), H1 (vrij verkeer en bijzondere bestemming), H2 (douane-entrepot), H3 (tijdelijke invoer), H4 (actieve veredeling), H5 (binnenbrengen van goederen in het kader van het handelsverkeer met gebieden met een bijzonder fiscaal regime), H6 (douaneaangifte in postverkeer voor in het vrije verkeer brengen) of H7 (in het vrije verkeer brengen voor een zending waarvoor vrijstelling van invoerrechten is verleend) van bijlage B DWU DA (of bijlage 9 DWU TDA gedurende de overgangsperiode). Bijlage V van deze circulaire bevat een overzicht van de gegevensvereisten voor de douaneregelingen ‘in vrij verkeer brengen’ en ‘uitvoer’. Voor de gegevensvereisten van alle andere douaneregelingen wordt verwezen naar bijlage B DWU DA.
112. Zoals beschreven in titel 6 van deze circulaire, is het plaatsen van goederen onder de regeling douanevervoer en het indienen van een summiere aangifte bij binnenbrengen niet mogelijk met de procedure EIDR.

Specifieke vereisten met betrekking tot de vergunning EIDR

113. Ter identificatie van de vergunning EIDR moet de TARIC-certificaatcode C514 worden opgenomen in vak 44 van het Enig Document (gegevenselement 2/3 van bijlage B DWU DA). Deze Uniecode wordt gevolgd door het identificatienummer van de desbetreffende vergunning EIDR. De lijst van documenten, certificaten en vergunningen en de overeenkomstige codes zijn in de TARIC-databank opgenomen. De lijst met codes kan eveneens worden geraadpleegd in bijvoegsel 6b van de toelichting op het Enig Document.
114. In welbepaalde gevallen dienen er eveneens nationale codes te worden vermeld op de aanvullende aangifte. Indien nodig wordt het gebruik van deze codes omschreven in de vergunning EIDR. De volledige lijst van nationale codes en de bijhorende uitleg kan worden geraadpleegd in bijvoegsel 6d van de toelichting van het Enig Document.
De toelichting van het Enig Document kan online worden geconsulteerd via de internetlink https://financien.belgium.be/nl/douane_accijnzen/ondernemingen/douane/enig-document.

8.3. Aanvullende bepalingen

8.3.1. Wettelijke bepalingen

Artikel 236 DWU IA

Tariefcontingent
1. Wanneer een douaneaangifte wordt ingediend in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever voor het in het vrije verkeer brengen van goederen die zijn onderworpen aan een tariefcontingent dat wordt beheerd met inachtneming van de chronologische volgorde van de data waarin de douaneaangiften zijn aanvaard, verzoekt de vergunninghouder die een douaneaangifte in die vorm indient, in een aanvullende aangifte om gebruik te mogen maken van het tariefcontingent.
2. Wanneer het verzoek om gebruik te mogen maken van een tariefcontingent dat wordt beheerd met inachtneming van de chronologische volgorde van de data waarin de douaneaangiften zijn aanvaard, in een aanvullende aangifte wordt gedaan, kan dit verzoek pas worden behandeld wanneer de aanvullende aangifte is ingediend. Voor de toewijzing van het tariefcontingent wordt echter rekening gehouden met de datum waarop de goederen in de administratie van de aangever zijn ingeschreven.
3. In afwijking van lid 1 van dit artikel kunnen de lidstaten, tot de datums waarop de upgrade van de nationale systemen voor invoeraangiften zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/255/EU wordt uitgerold, bepalen dat het verzoek om gebruik te mogen maken van een tariefcontingent dat overeenkomstig de artikelen 49 tot en met 54 van deze verordening wordt beheerd, in een andere dan de in lid 1 van dit artikel bedoelde vorm wordt gedaan, op voorwaarde dat de lidstaten alle noodzakelijke gegevens tot hun beschikking hebben om de geldigheid van het verzoek te beoordelen.”

Artikel 149 DWU DA

Voorwaarden voor het verlenen van vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking
(Artikel 179, lid 1, van het wetboek)
1.
2. Wanneer de douaneaangifte gebeurt in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, kan vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking worden verleend onder de in artikel 150 vastgestelde voorwaarden”

Artikel 231 DWU IA

Douaneformaliteiten en -controles met betrekking tot gecentraliseerde vrijmaking
(Artikel 179, lid 4, van het wetboek)
1. De houder van de vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking brengt de goederen aan bij het bevoegde douanekantoor dat in deze vergunning is vermeld door een van de volgende zaken in te dienen bij het controlekantoor:
a)
b)
c) een kennisgeving van aanbrenging als bedoeld in artikel 234, lid 1, onder a), van deze verordening.
2. Wanneer de douaneaangifte geschiedt in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, zijn de artikelen 234, 235 en 236 van deze verordening van toepassing.
3. De toegestane ontheffing van de aanbrenging in overeenstemming met artikel 182, lid 3, van het wetboek, is van toepassing op de gecentraliseerde vrijmaking op voorwaarde dat de vergunninghouder die een douaneaangifte indient in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, aan de verplichtingen in artikel 234, lid 1, onder f), van deze verordening heeft voldaan.
4. Wanneer het controlekantoor de douaneaangifte heeft aanvaard of de in lid 1, onder c), bedoelde kennisgeving heeft ontvangen:
a) verricht het de passende controles om de douaneaangifte of de kennisgeving van aanbrenging te verifiëren;
b) zendt het de douaneaangifte of de kennisgeving en de resultaten van de risicoanalyse onmiddellijk aan het douanekantoor van aanbrenging;
c) … “

8.3.2. Toelichting

Tariefcontingent

115. Wanneer het gaat om het in het vrije verkeer brengen van goederen die onderworpen zijn aan een tariefcontingent dat wordt beheerd met inachtneming van de chronologische volgorde van de data waarin de douaneaangiften zijn aanvaard, dient de vergunninghouder EIDR in de aanvullende aangifte een verzoek in om gebruik te kunnen maken van het betreffende tariefcontingent (artikel 236 DWU IA). Voor de toewijzing van het tariefcontingent wordt echter rekening gehouden met de datum waarop de goederen in de administratie van de aangever zijn ingeschreven.
116. De toepassing van artikel 236, lid 3 DWU IA wordt niet toegestaan in België. Alle aanvragen voor tariefcontingenten die worden beheerd met inachtneming van de chronologische volgorde van de data waarin de douaneaangiften zijn aanvaard moeten via PLDA gebeuren (§ 40 van de Instructie Tariefcontingenten (D.I. 625) van 6 oktober 2016 (DT 00.003.496).

Combinatie met gecentraliseerde vrijmaking

117. De inschrijving in de administratie van de aangever kan gecombineerd worden met de procedure gecentraliseerde vrijmaking, waarbij een douaneaangifte wordt ingediend bij het kantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de aangever gevestigd is, voor goederen die bij een ander douanekantoor worden aangebracht. De locatie van aanbrenging kan zich in een andere lidstaat van de Europese Unie bevinden.
118. In plaats van een standaard of een vereenvoudigde aangifte, zal de vergunninghouder EIDR de kennisgeving van aanbrengingen overmaken aan het douanekantoor vermeld in de vergunning. De goederen dienen te zijn aangebracht bij het bevoegd douanekantoor of op de goedgekeurde plaats overeenkomstig artikel 231, lid 4 b DWU IA.
119. Indien er een ontheffing van de verplichting van het aanbrengen van de goederen wordt verleend, zijn de bijzondere maatregelen betreffende aanzuivering van de tijdelijke opslag van toepassing zoals omschreven in titel 6.2.2. van deze circulaire. De wettelijke bepalingen en principes van gecentraliseerde vrijmaking zijn opgenomen in circulaire 2020/C/15.

9. Opvolging van de vergunningen en toezicht op de verrichtingen

9.1. Wettelijke bepalingen

Artikel 23 DWU

Beheer van beschikkingen naar aanleiding van aanvragen
1. De houder van de beschikking komt de daaruit voortvloeiende verplichtingen na.
2. De houder van de beschikking stelt de douaneautoriteit onverwijld in kennis van alle voorvallen die zich na de vaststelling van de beschikking voordoen en die op de continuïteit of de inhoud ervan van invloed kunnen zijn.
3. Onverminderd bepalingen op andere gebieden tot vaststelling van de gevallen waarin beschikkingen geen werking hebben of hun werking verliezen, kunnen de douaneautoriteiten die een beschikking hebben afgegeven, deze op elk moment nietig verklaren, wijzigen of intrekken indien zij niet in overeenstemming is met de douanewetgeving.
4. In specifieke gevallen, gaan de douaneautoriteiten over tot:
a) herziening van een beschikking;
b) schorsing van een beschikking die niet nietig verklaard, ingetrokken of gewijzigd moet worden.
5. De douaneautoriteiten verifiëren de voorwaarden en criteria waaraan de houder van een beschikking moet voldoen. Zij gaan tevens na of alle uit de beschikking voortvloeiende verplichtingen worden nagekomen. Indien de houder van de beschikking minder dan drie jaar gevestigd is, wordt deze in het eerste jaar na het verlenen van de beschikking door de douaneautoriteiten grondig gecontroleerd.”

Artikel 134 DWU

Douanetoezicht
1. Goederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen, zijn aan douanetoezicht onderworpen vanaf het tijdstip van binnenkomst en kunnen aan douanecontroles worden onderworpen. Zij zijn in voorkomend geval onderworpen aan de verboden of beperkingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van, onder meer, de openbare zedelijkheid, de openbare orde of de openbare veiligheid, de bescherming van de gezondheid en het leven van mens, dier of plant, de bescherming van het milieu, de bescherming van het nationaal artistiek, historisch en archeologisch bezit en de bescherming van industriële en commerciële eigendom, inclusief controles op drugsprecursoren, goederen die inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten en liquide middelen, alsmede aan de uitvoering van maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden en van handelspolitieke maatregelen.
Deze goederen blijven onder dit toezicht zolang dit nodig is om de douanestatus ervan te bepalen en worden er niet aan onttrokken zonder toestemming van de douaneautoriteiten.
Onverminderd artikel 254 zijn Uniegoederen niet aan douanetoezicht onderworpen zodra de douanestatus ervan is vastgesteld.
Niet-Uniegoederen blijven aan douanetoezicht onderworpen totdat zij een andere douanestatus krijgen of totdat zij het douanegebied van de Unie hebben verlaten of vernietigd zijn.
2. De houder van goederen onder douanetoezicht kan, met toestemming van de douaneautoriteiten, op elk tijdstip de goederen onderzoeken of daarvan monsters nemen, met name om de tariefindeling, douanewaarde of douanestatus vast te stellen. “

9.2. Toezicht door de douaneautoriteiten

120. De algemene eis om alle douanebeschikkingen te verifiëren is opgenomen in artikel 23, lid 5 DWU. De douaneautoriteiten controleren de voorwaarden en criteria waaraan de houder van een beschikking moet voldoen. Zij moeten tevens nagaan of alle uit de beschikking voortvloeiende verplichtingen worden nagekomen. De verificatie en de opvolging van vergunningen is bedoeld om eventuele signalen van niet-naleving in een vroeg stadium op te merken. Indien er moeilijkheden of gevallen van niet-naleving aan het licht komen, worden onverwijld maatregelen genomen.
121. Het wordt aanbevolen ten minste eens in de drie jaar een risicobeoordeling van de vergunninghouder uit te voeren. Daarnaast moet er steeds een risicobeoordeling gebeuren wanneer er een relevante verandering in een systeem (IT of ander) heeft plaatsgevonden die gevolgen heeft voor de uitvoering van de douaneregeling(en).
122. Met behulp van controles a posteriori kan er onderzoek worden gevoerd naar de administratieve, organisatorische of interne procedures van een marktdeelnemer, om bewijs te verzamelen dat de marktdeelnemer nog steeds voldoet aan de relevante wet- en regelgeving (Guidance Simplifications 2.1.5.a).

9.3. Toezicht door de economische operator

123. Regelmatig toezicht is eveneens de verantwoordelijkheid van de vergunninghouder zelf. Het moet deel uitmaken van het interne controlesysteem van de economische operator. De economische operator moet zijn manier van interne controle en de resultaten die hieruit volgen aan de douaneautoriteiten bekend maken. De economische operator doet nazicht op de processen, risico’s en systemen die invloed hebben op zijn verrichtingen of transacties. Wanneer de verrichtingen aan verandering onderhevig zijn, moet dit aan de douaneautoriteiten worden gemeld. Verdere toelichting kan worden geraadpleegd in Deel 5 van de AEO-Richtsnoeren[19].

124. Het toezicht op vergunningen voor vereenvoudigingen en op de AEO-status moet zo veel mogelijk worden gecoördineerd om dubbel onderzoek te voorkomen Indien de houder van de beschikking minder dan drie jaar is gevestigd, wordt deze in het eerste jaar na het verlenen van de beschikking door de douaneautoriteiten grondig gecontroleerd (Guidance Simplifications 2.1.5.b).

9.4. Toezicht op de verrichtingen

125. Artikel 134 DWU is de wettelijke basis voor het toezicht op de verrichtingen van de marktdeelnemers. Het toezicht bestaat uit eerstelijnscontroles, met inbegrip van op risicoanalyse gebaseerde controles en steekproefcontroles bij de in- en uitklaring van goederen, en controles a posteriori (controles na vrijage van de goederen), in het bijzonder van de aanvullende aangiften, zoals gedefinieerd in artikel 48 DWU.
126. Om het risico van de verjaring van rechten op gepaste wijze te beheersen, moeten regelmatig en naar behoren controles na vrijgave van de goederen worden uitgevoerd op transacties. Het aantal transacties dat bij elke controle a posteriori wordt gecontroleerd, hangt af van de desbetreffende risico’s.
127. Het doel van controles a posteriori is om de nauwkeurigheid en volledigheid van douaneaangiften te garanderen op een specifiek gebied, bijvoorbeeld antidumping, de verificatie van oorsprong of preferenties, verificatie van certificaten van oorsprong, bepaling van de douanewaarde, controles die worden uitgevoerd naar aanleiding van verzoeken om wederzijdse bijstand, douanecontroles in douane-entrepots (bv. inventaris of verificatie van de voorraadboekhouding), controles met betrekking tot tariefindeling, enzovoort (Guidance Simplifications 2.1.5.c).

10. Opheffingsbepalingen

128. De circulaire 2017/C/89 betreffende de inschrijving in de administratie van de aangever van 22/12/2017 wordt opgeheven.

Voor de Administrateur-generaal van de douane en accijnzen.
De Adviseur-generaal,
Jo LEMAIRE

BIJLAGEN

BIJLAGE I: Gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aanvragen en beschikkingen (Bijlage A DWU DA)

Symbolen in de vakken

A: Verplicht: gegevens die door elke lidstaat worden verlangd.
B: Facultatief voor de lidstaten: gegevens waarvan de lidstaten al dan niet kunnen afzien.
C: Facultatief voor de aanvrager: gegevens die de aanvrager vrijwillig kan verstrekken, maar waarvan de opgave niet door de lidstaten kan worden verlangd.

Gegevensgroepen

Groep 1: Informatie aanvraag/beschikking
Groep 2: Verwijzingen naar bewijsstukken, certificaten en vergunningen
Groep 3: Partijen
Groep 4: Data, tijden, termijnen en plaatsen
Groep 5: Identificatie van de goederen
Groep 6: Voorwaarden
Groep 7: Activiteiten en procedures
Groep 8: Overige

Merktekens

[*] Dit gegevenselement wordt uitsluitend voor de betrokken aanvraag gebruikt.
[+] Dit gegevenselement wordt uitsluitend voor de betrokken beschikking gebruikt.

Titel I
Aanvragen en beschikkingen
Hoofdstuk I
Legende tabel

Kolommen

Soort aanvraag/beschikking

Rechtsgrond

Titelnr. Van de specifieke gegevensvereisten

Volgnummer G.E.

Volgnummer van het betrokken gegevenselement

Naam G.E.

Naam van het betrokken gegevenselement

Douaneformaliteiten

7C

Aanvraag en vergunning voor het doen van een douaneaangifte door inschrijving in de administratie van de aangever, inclusief de regeling uitvoer

Artikel 182 van het wetboek

Titel XIV

TABEL 7C bijlage A DWU DA

Nr. G.E.

Naam Gegevenselement

Status G.E.

Toelichting

1/1

Code soort aanvraag/beschikking

A

Code vergunning: EIR

1/2

Handtekening/authenticatie

A

(zie hoofdstuk 2 van Titel I)

1/3

Soort aanvraag

A[*]

Eerste aanvraag, wijziging, verlenging of intrekking

1/4

Geografische geldigheid – Unie

A

Code van geografische geldigheid (zie hoofdstuk 2 van Titel 1)

1/6

Referentienummer beschikking

A[2]

BEEIR, gevolgd door 29 alfanumerieke tekens
(zie hoofdstuk 2 van Titel 1)

1/7

Beschikkende douaneautoriteit

A[+]

Aan de hand van code (zie hoofdstuk 2 van Titel 1)

2/4

Bijgevoegde documenten

A

(zie hoofdstuk 2 van Titel 1)

3/1

Aanvrager/vergunninghouder

A[4]

Naam en adresgegevens aanvrager

3/2

Identificatie aanvrager/vergunninghouder

A

EORI-nummer

3/3

Vertegenwoordiger

A[4]

Relevante informatie

3/4

Identificatie vertegenwoordiger

A

EORI-nummer

3/5

Naam en contactgegevens van de persoon die verantwoordelijk is voor douanezaken

A[*]
[5]

Contactinformatie van de betrokkene

3/6

Contactpersoon verantwoordelijk voor de aanvraag

A[*]

Enkel wanneer het gaat om een andere persoon dan 3/5
(zie hoofdstuk 2 van Titel 1)

3/7

Persoon die aan het hoofd staat van het bedrijf dat de aanvraag heeft ingediend, of die zeggenschap uitoefent over het beheer ervan

A[*]
[5]

Contactgegevens van de betrokkene(n) overeenkomstig de wettelijke vestiging/vorm van het bedrijf dat de aanvraag heeft ingediend
(zie hoofdstuk 2 van Titel 1)

4/1

Plaats

A[7]

Plaats waar de aanvraag werd ondertekend of op andere wijze geauthenticeerd

4/2

Datum

A

Datum van ondertekening of authentificering

4/3

Plaats waar de hoofdadministratie voor douanedoeleinden wordt bijgehouden of toegankelijk is

A[*]
[5]

De in artikel 22, lid 1, derde alinea, van het wetboek bedoelde hoofdadministratie voor douanedoeleinden
(zie hoofdstuk 2 van Titel 1)

4/4

Plaats van administratievoering

A[*]

Volledige adres van de locatie(s), inclusief de lidsta(a)t(en) waar de administratie van de aanvrager wordt gevoerd of waar het de bedoeling is die te voeren
(zie hoofdstuk 2 van Titel 1)

4/6

[Gevraagd] Begindatum van de beschikking

C[*]
A[+]

Wanneer de aanvrager een specifieke datum vraagt
(zie hoofdstuk 2 van Titel 1)

4/8

Plaats van de goederen

A

De desbetreffende code van de locatie of locaties waar de goederen zich kunnen bevinden wanneer ze onder een douaneregeling zijn geplaatst

4/13

Controlekantoor

A[+]

Vermeld het bevoegde controlekantoor zoals omschreven in artikel 1, punt 36). (zie hoofdstuk 2 van Titel 1)

4/16

Termijn

A[+]
[13]

De termijn in minuten waarbinnen het douanekantoor blijk kan geven van zijn voornemen om een controle uit te voeren voordat de goederen worden geacht te zijn vrijgegeven.

5/1

Goederencode

A

Ten minste de eerste 4 cijfers van de GN-code

5/2

Omschrijving van de goederen

A

Gedetailleerde omschrijving van de goederen waardoor ze kunnen worden geïdentificeerd en in de douanenomenclatuur kunnen worden ingedeeld.
(zie hoofdstuk 2 van Titel 1)

6/1

Verboden en beperkingen

A

verboden en beperkingen die op nationaal of Unieniveau van toepassing zijn op de goederen en/of de betrokken regeling in de lidsta(a)t(en) van aanbrenging. Specificeer de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uit te voeren controles of formaliteiten voorafgaand aan het vrijgeven van de goederen.
(zie hoofdstuk 2 van Titel 1)

6/3

Algemene opmerkingen

A[+]

Algemene informatie over de verplichtingen en/of formaliteiten die uit de vergunning voortvloeien. (zie hoofdstuk 2 Titel 1)

7/2

Soort douaneregeling

A

Aan de hand van relevante Uniecodes.
(zie hoofdstuk 2 van Titel 1)

7/4

Aantal handelingen

A[*]

Schatting van het aantal keer per maand dat de aanvrager de vereenvoudiging zal gebruiken

8/1

Soort hoofdadministratie voor douanedoeleinden

A[*]

Specificeer het soort hoofdadministratie door gegevens te verstrekken over het systeem dat zal worden gebruikt, inclusief de software.
(zie hoofdstuk 2 van Titel 1)

8/2

Soort administratie

A[*]

Specificeer het soort administratie door gegevens te verstrekken over het systeem dat zal worden gebruikt, inclusief de software.
(zie hoofdstuk 2 van Titel 1)

8/3

Toegang tot gegevens

A

Specifieer de manieren waarop de douaneautoriteiten kunnen beschikken over de bijzonderheden van de douaneaangifte

8/5

Aanvullende informatie

C[*]

Vermeld eventuele aanvullende informatie als die van nut wordt geacht.
(zie hoofdstuk 2 van Titel 1)

8/12

Toestemming voor bekendmaking in de lijst van vergunninghouders

A[*]

Vermeld (ja/neen) of de aanvrager instemt met bekendmaking in de openbare lijst van vergunninghouders van de volgende gegevens van de vergunning die hij/zij aanvraagt.
(zie hoofdstuk 2 van Titel 1)

Voetnoten

[2]: Dit gegevenselement wordt niet gebruikt in de aanvraag, tenzij het gaat om een aanvraag voor een wijziging, verlenging of intrekking van de beschikking.
[4]: Deze informatie is uitsluitend verplicht wanneer het EORI-nummer van de persoon niet wordt vereist. Wanneer het EORI-nummer is verstrekt, hoeft geen naam of adres te worden verstrekt, tenzij een papieren aanvraag of beschikking wordt gebruikt.
[5]: Deze informatie wordt niet verstrekt als de aanvrager een geautoriseerde marktdeelnemer is.
[13]: Deze informatie wordt alleen in de beschikking verstrekt indien de vergunninghouder niet is vrijgesteld van de verplichting om de goederen aan te brengen.

Specifieke gegevensvereisten aanvraag/beschikking vergunning EIDR

De specifieke gegevens voor de aanvraag voor het doen van een douaneaangifte door inschrijving in de administratie van de aangever zijn opgenomen in Titel XIV van Bijlage A van Verordening 2015/2446 (DWU DA).

Nr. G.E.

Naam Gegevenselement

Status G.E.

Toelichting

XIV/1

Ontheffing van de kennisgeving van aanbrengen

A

Ontheffing van de verplichting tot het indienen van een kennisgeving van aanbrengen van de goederen (ja of neen).
Indien in de vergunning niet is voorzien in een ontheffing van de kennisgeving, bepaalt de vergunningverlenende douaneautoriteit de termijn tussen de ontvangst van de kennisgeving en het vrijgeven van de goederen.
(zie hoofdstuk 1 van Titel XIV)

XIV/2

Ontheffing van aangifte vóór vertrek

A

Artikel 263, lid 2 DWU
(zie hoofdstuk 1 van Titel XIV)

XIV/3

Douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de goederen beschikbaar zijn voor controle

C[*]
A [+]

Vermeld de identificator van het betrokken douanekantoor
(zie hoofdstuk 1 van Titel XIV)

XIV/4

Termijn voor indiening van de aanvullende aangifte

A [+]

De beschikkende douaneautoriteit bepaalt in de vergunning een termijn waarbinnen de vergunninghouder de gegevens van de aanvullende aangifte naar het controlekantoor moet sturen. De termijn wordt uitgedrukt in dagen.
(zie hoofdstuk 1 van Titel XIV)

BIJLAGE II: Ontheffing van de verplichting tot indiening van een aangifte vóór vertrek

Artikel 245 DWU DA

“Ontheffing van de verplichting tot indiening van een aangifte vóór vertrek
(Artikel 263, lid 2, onder b), van het wetboek)
1. Onverminderd de verplichting tot indiening van een douaneaangifte overeenkomstig artikel 158, lid 1, van het wetboek of van een aangifte tot wederuitvoer overeenkomstig artikel 270, lid 1, van het wetboek, wordt afgezien van de verplichting om een aangifte vóór vertrek in te dienen voor de volgende goederen:
a) elektrische energie;
b) goederen die via een pijpleiding vertrekken;
c) brievenpost;
d) goederen die worden vervoerd krachtens de Akten van de Wereldpostunie;
e) roerende goederen en voorwerpen zoals omschreven in artikel 2, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 1186/2009, mits zij niet op grond van een vervoersovereenkomst worden vervoerd;
f) goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers;
g) goederen zoals bedoeld in artikel 140, lid 1, met uitzondering van, in het geval van vervoer op grond van een vervoersovereenkomst:
i) laadborden en reserveonderdelen, toebehoren en uitrusting van laadborden;
ii) containers en reserveonderdelen, toebehoren en uitrusting van containers;
iii) vervoermiddelen en reserveonderdelen, toebehoren en uitrusting van vervoermiddelen;
h) door ATA- en CPD-carnets gedekte goederen;
i) goederen die worden vervoerd of gebruikt in het kader van militaire activiteiten onder dekking van een NAVO-formulier 302 of een EU-formulier 302;
j) goederen die worden vervoerd aan boord van vaartuigen tussen EU-havens zonder dat een haven buiten het douanegebied van de Unie wordt aangedaan;
k) goederen die worden vervoerd aan boord van luchtvaartuigen tussen EU-luchthavens zonder dat een luchthaven buiten het douanegebied van de Unie wordt aangedaan;
l) wapens en militaire uitrusting die door de met de militaire verdediging van een lidstaat belaste autoriteiten buiten het douanegebied van de Unie worden gebracht in het kader van een militair vervoer of een uitsluitend voor de militaire autoriteiten bestemd vervoer;
m) de volgende goederen die het douanegebied van de Unie rechtstreeks verlaten naar offshore installaties die door een in het douanegebied van de Unie gevestigde persoon worden geëxploiteerd:
i) goederen die zijn bestemd voor de bouw, het herstellen, het onderhoud of de verbouwing van de offshore installaties;
ii) goederen die zijn bestemd voor de uitrusting van de offshore installaties;
iii) provisie die is bestemd om op de offshore installaties te worden gebruikt of verbruikt;
n) goederen waarvoor vrijstelling kan worden gevraagd op grond van het Verdrag van Wenen inzake diplomatieke betrekkingen van 18 april 1961, het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 24 april 1963, andere consulaire verdragen of het Verdrag van New York inzake bijzondere missies van 16 december 1969;
o) goederen die worden geleverd om als onderdeel of toebehoren in schepen of luchtvaartuigen te worden gemonteerd, of voor de werking van de motoren, machines en andere uitrusting van schepen of luchtvaartuigen te worden gebruikt, alsook levensmiddelen en andere artikelen bestemd om aan boord te worden verbruikt of verkocht;
p) goederen die vanuit het douanegebied van de Unie worden verzonden naar Ceuta en Melilla, Gibraltar, Helgoland, de Republiek San Marino, Vaticaanstad of de gemeente Livigno.
2. In de volgende situaties wordt afgezien van de verplichting om een aangifte vóór vertrek in te dienen:
a) wanneer een schip dat de goederen tussen EU-havens vervoert, een haven buiten het douanegebied van de Unie zal aandoen en de goederen gedurende het verblijf in de haven buiten het douanegebied van de Unie aan boord van het schip zullen blijven;
b) wanneer een luchtvaartuig dat de goederen tussen EU-luchthavens vervoert, een luchthaven buiten het douanegebied van de Unie zal aandoen en de goederen gedurende het verblijf in de luchthaven buiten het douanegebied van de Unie aan boord van het luchtvaartuig zullen blijven;
c) wanneer de goederen, in een haven of luchthaven, niet gelost worden uit het vervoermiddel waarmee ze het douanegebied van de Unie zijn binnengekomen en waarmee ze dat gebied zullen verlaten;
d) wanneer de goederen in een vorige haven of luchthaven in het douanegebied van de Unie werden geladen en daar een aangifte vóór vertrek werd ingediend of een ontheffing van de verplichting tot indiening van een aangifte vóór vertrek gold, en zij in het vervoermiddel blijven waarmee ze het douanegebied van de Unie zullen verlaten;
e) wanneer goederen in tijdelijke opslag of onder de regeling vrije zone van het vervoermiddel waarmee zij naar de ruimte voor tijdelijke opslag of de vrije zone zijn gebracht, onder toezicht van hetzelfde douanekantoor worden overgeladen in of op een vaartuig, luchtvaartuig of trein waarmee zij het douanegebied van de Unie zullen verlaten, mits de volgende voorwaarden zijn vervuld:
i) de overlading vindt plaats binnen veertien dagen nadat de goederen zijn aangebracht overeenkomstig de artikelen 144 of 245 van het wetboek of, in uitzonderlijke omstandigheden, binnen een langere termijn die door de douaneautoriteiten is toegestaan wanneer de termijn van veertien dagen ontoereikend is rekening houdend met die omstandigheden;
ii) informatie over de goederen ter beschikking staat van de douaneautoriteiten;
iii) de bestemming en de geadresseerde van de goederen niet wijzigen, voor zover de vervoerder bekend is;
f) wanneer goederen het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht, maar door de bevoegde douaneautoriteit zijn geweigerd en onmiddellijk teruggezonden zijn naar het land van uitvoer.

BIJLAGE III: Aanvullende voorwaarden voor ontheffing van de verplichting om de goederen aan te brengen (Guidance Simplifications 2.3.1 b)

Voorwaarden (artikel 182, lid 3, van het wetboek)

Informatie die moet worden gecontroleerd tijdens de voorafgaande bedrijfscontrole

a) De aangever is een AEO voor douanevereenvoudigingen

Zie artikelen 38 en 39 van het wetboek, artikelen 24 tot en met 27 IA en de AEO-richtsnoeren voor douanevereenvoudigingen.

b) De aard van de goederen en de goederenstroom van de betrokken goederen rechtvaardigen dit zulks en zijn bekend bij de douaneautoriteit

- De aard van de goederen moet bekend zijn op het moment van de voorafgaande bedrijfscontrole, zodat kan worden beoordeeld of ontheffing kan worden verleend van de verplichting om de goederen aan te brengen.
Indien er een wijziging is in de aard van de goederen, moeten de douaneautoriteiten hiervan op de hoogte worden gebracht.
De volgende soorten goederen zouden hiervan bijvoorbeeld kunnen worden uitgesloten:
* goederen waarvoor ondersteunende documenten als bedoeld in artikel 163, lid 2, DWU, vereist zijn voordat zij kunnen worden vrijgegeven,
* goederen waarop verboden en beperkingen van toepassing zijn, tenzij wordt voldaan aan artikel 182, lid 3, onder d), DWU (zie hieronder).
- Wat de goederenstroom betreft, kunnen de volgende factoren redenen voor uitsluiting zijn:
* routes,
* toeleveringsketens,
* de aard of frequentie van de stroom.
Dit zal per geval moeten worden besloten.

c) Het controlekantoor heeft toegang tot alle informatie welke zij nodig acht om, indien nodig, haar recht te kunnen uitoefenen de goederen te controleren

Het controlekantoor moet de toegankelijkheid van het bedrijfsterrein controleren evenals de beschikbaarheid van de informatie die nodig is voor de risicoanalyse die door de aangever moet worden overlegd (de administratie, de aanwezigheid van een vertegenwoordiger van het bedrijf enz.).

d) Op het moment van de inschrijving in de administratie zijn de goederen niet langer onderhevig aan verboden of beperkingen, tenzij in de vergunning anders is bepaald

- In het geval van goederen waarop verboden en beperkingen van toepassing zijn, kunnen, afhankelijk van de resultaten van de voorafgaande bedrijfscontrole, de voorwaarden voor een vrijstelling van kennisgeving worden geïntegreerd in de vergunning.
- Er moet nauwlettend toezicht worden gehouden op het bedrijf.

e) Het controlekantoor kan in specifieke situaties evenwel verzoeken om de goederen aan te brengen

- In alle gevallen moet de aangever in staat zijn kennis te geven van de aanbrenging van de goederen bij de douane wanneer de douaneautoriteit dit vereist. Verzoeken om aanbrenging van de goederen kunnen worden voorzien in omstandigheden waarin de risico's veranderen.

BIJLAGE IV: Te controleren aspecten tijdens de voorafgaande bedrijfscontrole (Guidance Simplifications 2.3.1 c)

  • Het gebruik van bijzondere regelingen
  • Soort douaneregeling
  • Termijn om de noodzakelijke ondersteunende documenten beschikbaar te stellen voor de douaneautoriteiten (artikel 167, lid 1, van het wetboek en artikel 147 DWU DA)
  • Termijn om de aanvullende aangifte in te dienen (artikel 146 DWU DA)
  • Ontheffing van de verplichting tot indiening van een aanvullende aangifte (artikel 167, lid 2, van het wetboek; artikel 183 DWU DA)
  • Zie voor de goedkeuring van plaatsen voor aanbrenging van goederen bij de douane en/of aangewezen plaatsen (voor goederen die de EU binnenkomen of die, nadat ze onder de regeling douanevervoer zijn geplaatst, bij een kantoor of op een bestemming aankomen) de overeenkomstige artikelen 139 van het wetboek en 115, DWU DA).
  • De vertegenwoordiger of aangever (indien van toepassing, machtiging)
  • Aansluiting tussen de kennisgeving van aanbrenging en de aanvullende aangifte. In het geval van een ontheffing van de verplichting om goederen aan te brengen moet het bedrijf kunnen aantonen dat de gegevens die zijn ingevoerd voor de vrijgave van de goederen nauwkeurig waren en vervolgens zijn opgenomen in de aanvullende aangifte.
  • Koppeling tussen de administratie en het boekhoudkundig systeem, indien van toepassing
  • Plaats waar de administratie wordt bijgehouden
  • Plaats waar de administratie toegankelijk is (niet per definitie dezelfde plek waar de administratie wordt bijgehouden, met name in het geval van vertegenwoordiging)
  • Zekerheden indien van toepassing voor de vereiste douaneregeling
  • Soort goederen, hoeveelheid, waarde
  • Voorbeelden van de bedrijven die profiteren van de vergunning, in het geval van vertegenwoordiging
  • Specifieke kwesties voor invoer: btw-identificatienummers, toegelaten geadresseerde en andere vervoersaspecten, informatie over uitstel van betaling
  • Specifieke kwesties voor uitvoer: formaliteiten voor vertrek, toegelaten afzender en bevestiging van het vertrek, indien van toepassing

BIJLAGE V: Gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aangiften, kennisgevingen en bewijs van de douanestatus van Uniegoederen (Bijlage B DWU DA).

Gegevensgroepen

Groep 1: Informatie over berichten (inclusief codes voor regelingen)
Groep 2: Verwijzingen naar berichten, documenten, certificaten, vergunningen
Groep 3: Partijen
Groep 4: Informatie over douanewaarde/Belastingen
Groep 5: Data/Tijden/Termijnen/Plaatsen/Landen/Regio’s
Groep 6: Identificatie van de goederen
Groep 7: Vervoersinformatie (methoden, middelen en uitrusting)
Groep 8: Andere gegevenselementen (statistische gegevens, zekerheidstellingen, tariefgerelateerde gegevens)

Symbolen

A: Verplicht: gegevens die door elke lidstaat worden verlangd.
B: Facultatief voor de lidstaten: gegevens waarvan de lidstaten al dan niet kunnen afzien.
C: Facultatief voor marktdeelnemers: gegevens die marktdeelnemers vrijwillig kunnen verstrekken, maar waarvan de opgave niet door de lidstaten kan worden verlangd.
X: Vereist gegevenselement op het artikelniveau van de aangifte van de goederen. De informatie die op het artikelniveau van de goederen is ingevuld, is alleen geldig voor de betrokken artikelen.
Y: Vereist gegevenselement op het rubriekniveau van de aangifte van de goederen. De informatie die op het rubriekniveau is ingevuld, is geldig voor alle aangegeven artikelen.
Elke combinatie van de symbolen „X” en „Y” betekent dat het desbetreffende gegevenselement op elk van de betrokken niveaus door de aangever kan worden verstrekt.

VERGELIJKENDE TABEL MET GEGEVENSVEREISTEN VOOR DE VEREENVOUDIGDE AANGIFTE, DE KENNISGEVING VAN AANBRENGEN, DE AANGIFTE VRIJ VERKEER EN DE AANGIFTE TEN UITVOER OF WEDERUITVOER.

Deze gegevens zijn vermeld in de Bijlage B (DWU DA) in de volgende kolommen:
C1 = vereenvoudigde aangifte ten uitvoer (artikel 5, punt 12), en artikel 166 DWU)
C2 = kennisgeving aanbrengen van goederen bij de douane in geval van inschrijving in de administratie van de aangever of in het kader van de indiening van een douaneaangifte vóór de aanbrenging van de goederen bij uitvoer (kennisgeving)(artikel 5, punt 33), en artikel 182 DWU)
I1 = Vereenvoudigde invoeraangifte (artikel 5, punt 12), en artikel 166 DWU)
I2 = Kennisgeving aanbrengen van goederen bij de douane in geval van inschrijving in de administratie van de aangever of in het kader van de indiening van een douaneaangifte vóór de aanbrenging van de goederen bij invoer (kennisgeving) (artikel 5, punt 33), en artikel 182 DWU)
B1: Aangifte ten uitvoer en aangifte tot wederuitvoer (artikel 5, punt 14) en artikel 274 DWU
H1: Aangifte voor het vrije verkeer en bijzondere regeling — Specifieke bestemming — Aangifte voor bijzondere bestemming (artikel 5, punt 12) en artikelen 162, 201, 210 en 254 DWU)

Groep 1: Informatie over berichten (inclusief codes voor regelingen)

Nr. G.E.

Naam G.E.

Vak nr.

C1

C2

I1

I2

B1

H1

1/1

Soort aangifte

1/1

A
Y

Nihil

A
Y

Nihil

A
Y

A
Y

1/2

Soort aangifte - aanvulling

1/2

A
Y

Nihil

A
Y

Nihil

A
Y

A
Y

1/6

Artikelnummer

32

A
X

A[3]
X

A
X

A[3]
X

A
X

A
X

1/8

Handtekening/Authenticatie

54

A
Y

A
Y

A
Y

A
Y

A
Y

A
Y

1/10

Regeling

37(1)

A
X

Nihil

A
X

Nihil

A
X

A
X

1/11

Aanvullende regeling

37(2)

A[5]
X

Nihil

A[5]
X

Nihil

A
X

A
X

Groep 2: Verwijzingen naar berichten, documenten, certificaten, vergunningen

Nr. G.E.

Naam G.E.

Vak nr.

C1

C2

I1

I2

B1

H1

2/1

Vereenvoudigde aangifte / Voorafgaande documenten

40

Nihil

Nihil

A[5]
XY

A
XY

A
XY

A
XY

2/2

Aanvullende informatie

44

A
X Y

Nihil

A
X Y

Nihil

A
XY

A
XY

2/3

Overgelegde documenten, certificaten en vergunningen, aanvullende referenties

44

A[7][9]
X Y

Nihil

A[7][9]
X Y

Nihil

A[7]
X Y

A[7]
X Y

2/4

Referentienummer/UCR

7

C
XY

Nihil

C
XY

Nihil

C
XY

C
XY

2/5

LRN

A
Y

A
Y

A
Y

A
Y

A
Y

A
Y

2/6

Uitstel van betaling

48

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

B
Y

B
Y

2/7

Identificatie van een entrepot

49

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

B [11]
Y

B [11]
Y

Groep 3: Partijen

Nr. G.E.

Naam G.E.

Vak nr.

C1

C2

I1

I2

B1

H1

3/1

Exporteur

2

A[12]
Y

Nihil

A
XY

Nihil

A [12]
Y

A [12]
XY

3/2

Identificatienummer exporteur

2

B
XY

Nihil

Nihil

Nihil

A

Y

A [14]
XY]

3/9

Geadresseerde

8

B
XY

Nihil

Nihil

Nihil

B
XY

Nihil

3/10

Identificatienummer geadresseerde

8

B
XY

Nihil

Nihil

Nihil

B
XY

Nihil

3/15

Importeur

8

Nihil

Nihil

A[12]
Y

Nihil

Nihil

A[12]
Y

3/16

Identificatienummer importeur

8

Nihil

Nihil

A
Y

Nihil

Nihil

A
Y

3/17

Aangever

14

A[12]
Y

Nihil

A[12]
Y

Nihil

A[12]
Y

A[12]
Y

3/18

Identificatienummer aangever

14

A
Y

Nihil

A
Y

Nihil

A
Y

A
Y

3/19

Vertegenwoordiger

14

A[12]
Y

Nihil

A[12]
Y

Nihil

A[12]
Y

A[12]
Y

3/20

Identificatienummer vertegenwoordiger

14

A
Y

A
Y

A
Y

A
Y

A
Y

A
Y

3/21

Code status vertegenwoordiger

14

A
Y

A
Y

A
Y

A
Y

A
Y

A
Y

3/24

Verkoper

2

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

A[12]
XY

3/25

Identificatienummer van de verkoper

2

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

A
XY

3/26

Koper

8

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

A[12]
XY

3/27

Identificatienummer koper

8

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

A
XY

3/37

Identificatienummer extra actor(en) in de toeleveringen

44

C
XY

Nihil

C
XY

Nihil

C
XY

C
XY

3/39

Identificatienummer vergunninghouder

44

A
Y

A[3]
Y

A
Y

A[3]
Y

A
Y

A
Y

3/41

Identificatienummer persoon die de goederen bij de douane aanbrengt in geval van inschrijving in de administratie van de aangever of vooraf ingediende douaneaangiften

Nihil

A
Y

Nihil

A
Y

Nihil

Nihil

3/45

Identificatienummer persoon die een zekerheid stelt

A
Y

Nihil

Nihil

Nihil

A
Y

A
Y

3/46

Identificatienummer persoon die het douanerecht betaalt

A
Y

Nihil

A
Y

Nihil

A
Y

A
Y

Groep 4: Informatie over douanewaarde/Belastingen

Nr. G.E.

Naam G.E.

Vak Nr.

C1

C2

I1

I2

B1

H1

4/1

Leveringsvoorwaarden

20

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

B
Y

A[16]
Y

4/3

Berekening van de belastingen – soort belasting

47

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

B[17]
X

A[18] [19]
X

4/4

Berekening van de belastingen - heffingsgrondslag

47

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

B
X

A[18] [19]
X

4/5

Berekening van de belastingen - belastingtarief

47

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

B [17]
X

B[18] [17]
X

4/6

Berekening van de belastingen – verschuldigd bedrag

47

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

B [17]
X

B[18] [17]
X

4/7

Berekening van de belastingen – totaal

47

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

B [17]
X

B[18] [17]
X

4/8

Berekening van de belastingen- betalingswijze

47

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

B
X

B[18]
X

4/9

Bijtel – en aftrekposten

45

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

A[20] [16]
XY

4/10

Valuta factuur

22(1)

Nihil

Nihil

A[5]
Y

Nihil

B
Y

A
Y

4/11

Totaal gefactureerd bedrag

22(2)

Nihil

Nihil

C
Y

Nihil

B

Y

C
Y

4/12

Binnenlandse valuta-eenheid

44

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

B
Y

A
Y

4/13

Waarderingsindicatoren

45

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

A[20] [16]
X

4/14

Prijs/Bedrag per artikel

42

Nihil

Nihil

A[5]
X

Nihil

Nihil

A
X

4/15

Wisselkoers

23

B [22]
Y

B [22]
Y

4/16

Waarderingsmethode

43

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

A
X

4/17

Preferentie

36

Nihil

Nihil

A[5]
X

Nihil

A
X

Groep 5: Data / Tijden / Termijnen / Plaatsen / Landen / Regio’s

Nr. G.E.

Naam G.E.

Vak Nr.

C1

C2

I1

I2

B1

H1

5/8

Code land van bestemming

17a

A[25]
XY

Nihil

Nihil

Nihil

A
XY

A
XY

5/9

Code regio van bestemming

17b

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

B
XY

5/12

Douanekantoor van uitgaan

29

A
Y

Nihil

Nihil

Nihil

A
Y

Nihil

5/14

Code land van verzending/uitvoer

15a

Nihil

Nihil

A[5]
XY

Nihil

A
Y

B
XY

5/15

Code land van oorsprong

34a

C
X

Nihil

A[5][28]
X

Nihil

C [26]
X

A[28]
X

5/16

Code land van preferentiële oorsprong

34b

Nihil

Nihil

A[5][29]
X

Nihil

Nihil

A[29]
X

5/17

Code regio van oorsprong

34b

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

B
X

Nihil

5/23

Plaats van de goederen

30

A
Y

A
Y

A
Y

A
Y

A
Y

A
Y

5/26

Douanekantoor van aanbrenging

44

A[30]
Y

A[30]
Y

A[30]
Y

A[30]
Y

A[30]
Y

A[30]
Y

5/27

Controlekantoor

44

A[31]
Y

Nihil

A[31]
Y

Nihil

Nihil

A[31]
Y

5/31

Datum van aanvaarding

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

A[51]
XY

A[51]
XY

Groep 6 : Identificatie van de goederen

Nr. G.E.

Naam G.E.

Vak Nr.

C1

C2

I1

I2

B1

H1

6/1

Netto massa (kg)

38

Nihil

Nihil

A[5]
X

Nihil

A
X

A
X

6/2

Aanvullende eenheden (bijzondere maatstaf)

41

Nihil

Nihil

A[5]
X

Nihil

A
X

A
X

6/5

Bruto massa (kg)

35

Nihil

Nihil

B
XY

A[33]
XY

A
XY

B
XY

6/8

Omschrijving van de goederen

31

A
X

Nihil

A
X

Nihil

A
X

A
X

6/9

Soort verpakking

31

A
X

Nihil

A
X

A[33]
X

A
X

A
X

6/10

Aantal colli

31

A
X

Nihil

A
X

A[33]
X

A
X

A
X

6/11

Verzendingsmerken

31

A
X

Nihil

A
X

Nihil

A
X

A
X

6/13

CUS-code

31

C
X

Nihil

C
X

Nihil

A
X

A
X

6/14

Goederencode – Code van de gecombineerde nomenclatuur

33(1)

A[5]
X

Nihil

A[5]
X

Nihil

A
X

A
X

6/15

Goederencode – Taric-code

33(2)

Nihil

Nihil

A[5]
X

Nihil

Nihil

A
X

6/16

Goederencode – Aanvullende Tariccode(s)

33(3)
(4)

A[5]
X

Nihil

A[5]
X

Nihil

A
X

A
X

6/17

Goederencode – Nationale aanvullende code(s)

33(5)

B[5]
X

Nihil

B[5]
X

Nihil

B
X

B
X

6/18

Totaal aantal colli

6

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

B
Y

B
Y

Groep 7 : Vervoersinformatie (methoden, middelen en uitrusting)

Nr. G.E.

Naam G.E.

Vak Nr.

C1

C2

I1

I2

B1

H1

7/2

Container

19

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

A
Y

A
Y

7/4

Vervoerswijze aan de grens

25

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

A
Y

A
Y

7/5

Binnenlandse vervoerswijze

26

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

A[40]
Y

A[41]
Y

7/7

Identiteit van het vervoermiddel bij vertrek

18(1)

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

B[42]
Y

Nihil

7/9

Identiteit van het vervoermiddel bij aankomst

18(1)

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

B[43]
Y

7/10

Identificatienummer container

31

Nihil

Nihil

A
XY

A
XY

A
XY

A
XY

7/14

Identiteit van het grensoverschrijdende actieve vervoermiddel

21(1)

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

B[47]
Y

Nihil

7/15

Nationaliteit van het grensoverschrijdende actieve vervoermiddel

21(2)

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

A[46]
Y

A[46]
Y

Groep 8 : Overige gegevenselementen (statistische gegevens, zekerheidstellingen, tariefgerelateerde gegevens)

Nr. G.E.

Naam G.E.

Vak Nr.

C1

C2

I1

I2

B1

H1

8/1

Contingent-volgnummer

39

Nihil

Nihil

A[5]
X

Nihil

Nihil

A
X

8/2

Soort zekerheidstelling

52

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

A[49]
Y

8/3

Referentie zekerheidstelling

52

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

A[49]
Y

8/5

Aard van de transactie

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

A
XY

A
XY

8/6

Statistische waarde

46

Nihil

Nihil

Nihil

Nihil

A[50]
X

A[50]
X

Voetnoten

[3] Deze informatie wordt niet verstrekt als de douaneaangifte is ingediend vóór de aanbrenging van de goederen overeenkomstig artikel 171 van het wetboek.
[5] In de gevallen waarin artikel 166, lid 2, van het wetboek van toepassing is (vereenvoudigde aangiften op basis van vergunningen), kunnen de lidstaten afzien van de eis deze informatie te verstrekken wanneer die op basis van de voorwaarden van de vergunningen bij de betrokken regelingen pas in de aanvullende aangifte hoeft te worden verstrekt.
[7] De lidstaten kunnen van deze eis afzien indien zij met hun systemen deze informatie automatisch en eenduidig uit de andere gegevens van de aangifte kunnen afleiden.
[9] Deze informatie hoeft uitsluitend te worden verstrekt wanneer artikel 166, lid 2, van het wetboek (vereenvoudigde aangiften op basis van vergunningen) van toepassing is; in dit geval gaat het om het nummer van de vergunning voor vereenvoudigde procedures. Dit gegevenselement kan echter ook het betrokken vervoersdocumentnummer bevatten.
[11] Deze informatie is vereist wanneer de aangifte tot plaatsing onder een douaneregeling ten doel heeft de regeling douane-entrepot aan te zuiveren.
[12] Deze informatie is uitsluitend verplicht in de gevallen waarin het EORI-nummer of een door de Unie erkend uniek derdeland-identificatienummer van de betrokkene niet is verstrekt. Wanneer het EORI- nummer of het door de Unie erkende uniek derdeland-identificatienummer is verstrekt, hoeft geen naam of adres te worden verstrekt.
[14] Deze informatie wordt alleen verstrekt wanneer ze beschikbaar is.
[16] De lidstaten kunnen van deze informatie afzien wanneer de douanewaarde van de betrokken goederen niet kan worden vastgesteld met toepassing van artikel 70 van het wetboek. In die gevallen verstrekt de aangever de douaneautoriteiten alle andere informatie die nodig kan zijn om de douanewaarde vast te stellen, of laat hij dat doen.
[17] Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt wanneer de douanediensten de rechten ten behoeve van de marktdeelnemers op basis van de andere gegevens in de aangifte berekenen. In andere gevallen is het facultatief voor de lidstaten.
[18] Dit gegeven is niet verplicht voor goederen die voor vrijstelling van invoerrechten in aanmerking komen, tenzij de douaneautoriteiten dit noodzakelijk achten voor de toepassing van de bepalingen betreffende het in het vrije verkeer brengen van de betrokken goederen.
[19] Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt wanneer de douanediensten de rechten ten behoeve van de marktdeelnemers op basis van de andere gegevens in de aangifte berekenen.
[20] Behoudens wanneer dit onmisbaar is voor de juiste vaststelling van de douanewaarde, ziet de lidstaat van aanvaarding van de aangifte af van de eis deze informatie te verstrekken:
wanneer de douanewaarde van de ingevoerde goederen per zending niet hoger is dan 20 000 EUR, voor zover het geen deelzendingen of meervoudige zendingen betreft welke door een zelfde afzender aan een zelfde geadresseerde worden verzonden;
of
wanneer het invoer betreft waaraan elk handelskarakter vreemd is;
of
ten aanzien van de regelmatige invoer van goederen die het voorwerp uitmaken van transacties gesloten onder dezelfde handelsvoorwaarden tussen dezelfde verkoper en dezelfde koper.
[22] De lidstaten kunnen alleen om deze informatie verzoeken indien de wisselkoers vooraf door een overeenkomst tussen de betrokken partijen is vastgesteld.
[25] Deze informatie hoeft alleen te worden verstrekt wanneer de vereenvoudigde aangifte niet samen met een summiere aangifte bij uitgaan wordt ingediend.
[26] Dit gegevenselement is verplicht voor landbouwproducten die voor uitvoerrestituties in aanmerking komen.
[28] Deze informatie is vereist wanneer:
a) geen preferentiële behandeling wordt toegepast of
b) het land van niet-preferentiële oorsprong verschilt van het land van preferentiële oorsprong.
[29] Deze informatie is vereist wanneer een preferentiële behandeling wordt toegepast, onder vermelding van de passende code in G.E. 4/17 Preferentie.
[30] Deze informatie wordt alleen gebruikt in het geval van gecentraliseerde vrijmaking.
[31] Deze informatie wordt alleen gebruikt indien de aangifte tot tijdelijke opslag of de douaneaangifte om de goederen onder een andere bijzondere regeling dan douanevervoer te plaatsen, wordt ingediend bij een ander douanekantoor dan het controlekantoor als vermeld in de desbetreffende vergunning.
[33] Deze informatie hoeft alleen te worden verstrekt als de aanzuivering van de tijdelijk opgeslagen goederen uitsluitend betrekking heeft op delen van de aangifte tot tijdelijke opslag die eerder in verband met de betrokken goederen is ingediend.
[40] Deze informatie moet niet worden verstrekt wanneer de uitvoerformaliteiten worden vervuld op de plaats van uitgang uit het douanegebied van de Unie.
[41] Dit gegevenselement moet niet worden verstrekt wanneer de invoerformaliteiten worden vervuld op de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Unie.
[42] Dit gegevenselement is verplicht voor landbouwproducten die voor uitvoerrestituties in aanmerking komen, tenzij ze met de post of door vaste transportinrichtingen worden vervoerd. [In geval van vervoer per post of door vaste transportinrichtingen wordt deze informatie niet verstrekt.]
[46] Niet gebruiken bij verzending met de post, door vaste transportinrichtingen of per spoor.
[47] Dit gegevenselement is verplicht voor landbouwproducten die voor uitvoerrestituties in aanmerking komen, tenzij ze per post, door vaste transportinrichtingen of per spoor worden vervoerd. [In geval van vervoer per post, door vaste transportinrichtingen of per spoor, wordt deze informatie niet verstrekt.]
[49] Deze informatie hoeft alleen te worden verstrekt bij plaatsing van de goederen onder de regeling bijzondere bestemming of bij voorafgaande invoer van veredelingsproducten of voorafgaande invoer van vervangende producten.
[50] De lidstaat van aanvaarding van de aangifte kan afzien van de eis deze informatie te verstrekken wanneer hij in de positie verkeert om dit correct te beoordelen en routineberekeningen heeft uitgevoerd om tot een resultaat te komen dat vergelijkbaar is met statistische eisen.

BIJLAGE VI: Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151 van de Commissie van 13 december 2019 tot vaststelling van het werkprogramma voor de ontwikkeling en de uitrol van de elektronische systemen waarin het douanewetboek van de Unie voorziet.

LIJST VAN PROJECTEN VOOR DE ONTWIKKELING EN DE UITROL VAN ELEKTRONISCHE SYSTEMEN

DWU-projecten betreffende elektronische systemen

Uitroldatums/
uitroltermijnen

‘17

‘18

‘19

‘20

‘21

‘22

‘23

‘24

‘25

1. DWU Systeem van geregistreerde exporteurs (REX)

1.1.2017

X

2. DWU Bindende tariefinlichtingen (BTI-systeem)

1.3.2017
(fase 1 — stap 1)
2.10.2017
(fase 1 — stap 2)
1.10.2019
(fase 2)

X
X

X

3. DWU Douanebeschikkingen

2.10.2017

X

4. Directe toegang voor ondernemers tot Europese informatiesystemen (uniform gebruikersbeheer digitale handtekening)

2.10.2017

X

5. DWU Geautoriseerde marktdeelnemers (AEO-systeem) — upgrade

1.3.2018
(fase 1)
1.10.2019
(fase 2 — deel 1)
16.12.2019
(fase 2 — deel 2)

X

X
X

6. DWU Systeem voor de registratie en identificatie van marktdeelnemers — upgrade
(EORI 2)

1.3.2018

X

7. DWU Surveillance 3

1.10.2018

X

8. DWU Bewijs van Uniestatus (PoUS)

1.3.2024
(fase 1)
2.6.2025
(fase 2)

X

X

9. DWU Nieuw geautomatiseerd systeem voor douanevervoer (NCTS) — upgrade

1.3.2021-1.12.2023 (fase 5)
3.6.2024-2.6.2025 (fase 6)

X

X

X

X

X

10. DWU Geautomatiseerd uitvoersysteem (AES) —
Component 1: trans-Europees AES

1.3.2021-1.12.2023

X

X

X

10. DWU Geautomatiseerd uitvoersysteem (AES) —
Component 2: nationale uitvoersystemen — upgrade

1.3.2021-1.12.2023

X

X

X

11.

DWU Inlichtingenbladen (INF) voor bijzondere regelingen

1.6.2020

X

12. DWU Bijzondere regelingen —
Component 1: Nationaal SP EXP

nationale planning
1.3.2021-1.12.2023— zie ook project 10

X

X

X

X

X

X

X

12. DWU Bijzondere regelingen —
Component 2: nationaal SP IMP

nationale planning voor SP IMP
(tot en met 31.12.2022) — zie ook project 14

X

X

X

X

X

X

13. DWU Kennisgeving van aankomst, kennisgeving van aanbrengen en tijdelijke opslag

nationale planning
(tot en met 31.12.2022)

X

X

X

X

X

X

14. DWU Nationale invoersystemen — upgrade

nationale planning
(tot en met 31.12.2022)

X

X

X

X

X

X

15. DWU Gecentraliseerde inklaring (CCI)

1.3.2022-1.12.2023 (fase 1)
2.10.2023-2.6.2025 (fase 2)

X

X
X

X

X

16. DWU Beheer van de zekerheidstelling (GUM) —
Component 1: trans-Europees GUM

2.10.2023—2.6.2025

X

X

X

16. DWU Beheer van de zekerheidstelling (GUM) —
Component 2: beheer nationale zekerheden

nationale planning
(tot 2.6.2025)

X

X

X

X

X

X

X

X

X

17. DWU Invoercontrolesysteem
(ICS 2)

15.3.2021—1.10.2021
(release 1)
1.3.2023—2.10.2023
(release 2)
1.3.2024—1.10.2024
(release 3)

X

X

X


---------------

Interne ref.: D.I. 530.11 – OEO/DD 15.027


[1] Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151 van de Commissie van 13 december 2019 tot vaststelling van het werkprogramma voor de ontwikkeling en de uitrol van de elektronische systemen waarin het douanewetboek van de Unie voorziet. Bijlage VI van deze circulaire bevat een lijst met de voorziene data voor uitrol van de elektronische systemen.

[2] Afhankelijk van de wettelijke bepalingen waarop de elektronische systemen betrekking hebben, zijn de uiterlijke data van het inwerking treden vastgelegd op 31/12/2020, 31/12/2022 of 31/12/2025 (artikel 278 DWU, lid 1, 2 en 3).

[3] In bijlage B DWU IA, TITEL II “Codes betreffende de gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aangiften en kennisgevingen - data element 1 / 2 Soort aangifte” wordt de aangifte Z benoemd als “aanvullende aangifte in het kader van de regeling van artikel 182 van het wetboek”.

[4] Een aanvullende aangifte per zending (transactioneel) wordt in artikel 146, lid 1 DWU DA omschreven als een aanvullende aangifte met algemeen karakter.

[5] Een globale aanvullende aangifte wordt in artikel 146, lid 2 DWU DA omschreven als een aanvullende aangifte met een samenvattend karakter. Zie titel 8 van deze circulaire omtrent de toepassing van de vergunning.

[6] De aangifte voor het vrije verkeer van goederen die zijn vrijgesteld van de btw overeenkomstig artikel 143, lid 1, onder d), van Richtlijn 2006/112/EG en waarvoor, indien van toepassing, de accijns is geschorst overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 2008/118/EG.

[7] De wederinvoer met aangifte voor het vrije verkeer van goederen die zijn vrijgesteld van de btw overeenkomstig artikel 143, lid 1, onder d), van Richtlijn 2006/112/EG en waarvoor, indien van toepassing, de accijns is geschorst overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 2008/118/EG.

[8] Zie titel 6.2. van deze circulaire.

[9] Op het ogenblik van de publicatie van deze circulaire treft de Europese Commissie voorbereidingen tot wijziging van artikel 2 en bijlage B DWU DA. De eventuele aanpassingen zullen naderhand deel uitmaken van een herziening van de circulaire.

[10] Nota van de Europese Commissie inzake douanevertegenwoordiging: “Customs representation in the context of simplifications and certain special procedures”, Ref. Ares TAXUD (A2)(2017)3500081 – 19 juni 2017.

[11] Regelingen extern en intern douanevervoer zoals opgenomen in artikel 226 en 227 DWU.

[12]Tijdelijke opslag van goederen zoals opgenomen in artikel 144 tot 148 DWU.

[13] Regeling “42” - De aangifte voor het vrije verkeer van goederen die zijn vrijgesteld van de btw overeenkomstig artikel 143, lid 1, onder d), van Richtlijn 2006/112/EG en waarvoor, indien van toepassing, de accijns is geschorst overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 2008/118/EG.

“Regeling “63” - De wederinvoer met aangifte voor het vrije verkeer van goederen die zijn vrijgesteld van de btw overeenkomstig artikel 143, lid 1, onder d), van Richtlijn 2006/112/EG en waarvoor, indien van toepassing, de accijns is geschorst overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 2008/118/EG.

[14] Artikel 30 van Richtlijn 2008/118/EG: “De lidstaten kunnen vereenvoudigde procedures vaststellen voor overbrengingen onder een accijnsschorsingsregeling die uitsluitend over hun grondgebied verlopen, inclusief de mogelijkheid op dergelijke overbrengingen geen elektronische controle toe te passen.”

[15] Bijlage B DWU IA, TITEL II “Codes betreffende de gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aangiften en kennisgevingen - data element 1 / 2 Soort aangifte - aangifte Z: aanvullende aangifte in het kader van de regeling van artikel 182 van het wetboek”.

[16] Op het ogenblik van de publicatie van deze circulaire treft de Europese Commissie voorbereidingen tot wijziging van artikel 2 en bijlage B DWU DA. De eventuele aanpassingen zullen naderhand deel uitmaken van een herziening van de circulaire.

[17] Bijlage B DWU DA, Titel 1, Hoofdstuk 1, aantekening (12): De in artikel 166 bedoelde vereenvoudigde aangiften bevatten de in de kolommen C1 en I1 vermelde informatie.

[18] Bijlage B DWU DA, Titel 1, Hoofdstuk 1, aantekening (13): De beknopte lijst van gegevenselementen die voor de regelingen in de kolommen C1 en I1 wordt verstrekt, houdt geen beperking in van en doet geen afbreuk aan de vereisten voor de regelingen in de andere kolommen van de tabel met gegevensvereisten, met name ten aanzien van informatie die in een aanvullende aangifte moet worden verstrekt.

[19] Authorised Economic Operator Guidelines, Part 5: Management of the authorisation, 5.1.1., Monitoring. https://ec.europa.eu/taxation_customs/sites/taxation/files/resources/documents/customs/policy_issues/customs_security/aeo_guidelines_en.pdf.