Aanschrijving nr. 5 dd. 11.02.1993
AANSCHRIJVING 93/005
Aanschrijving nr. 5 dd. 11.02.1993
Overdracht van nieuwe gebouwen
Vestiging, overdracht en wederoverdracht zakelijk recht
Het Belgisch Staatsblad van 31 december 1992 heeft bekendgemaakt :
Vanaf 1 januari 1993 breidt deze wet het toepassingsgebied van de belasting over de toegevoegde waarde uit tot verrichtingen die normaal aan een evenredig registratierecht onderworpen zijn. Zij past dan ook het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten aan met het doel om, in de regel, de heffing van het registratierecht te vermijden op verrichtingen die aan de BTW onderworpen zijn (art. 99 van voornoemde wet, dat art. 159, 8° en 10° Wb. Reg. vervangt).
1. De eigendomsoverdragende of -aanwijzende verrichtingen onder bezwarende titel blijven van het evenredig registratierecht vrijgesteld wanneer de verrichting de BTW opeisbaar maakt.
Alle verrichtingen onder bezwarende titel worden beoogd, met inbegrip van de inbreng in vennootschap in de mate dat hij het recht van 12,50 % opeisbaar maakt (art. 120 Wb. Reg.).
Sommige voorwaarden voor de toepassing van de BTW en voor de vrijstelling van de registratierechten zijn echter gewijzigd.
2. Om een gebouw met toepassing van de BTW te kunnen overdragen, moet de cedent nog steeds de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige bezitten.
Het BTW-Wetboek onderscheidt drie categorieën van belastingplichtigen die een gebouw met toepassing van de BTW kunnen vervreemden. Eén van deze categorieën betreft de belastingplichtigen van rechtswege, de twee andere betreffen de belastingplichtigen door optie.
1° De "beroepsmatige aannemer", die als dusdanig van rechtswege belastingplichtig is. Dit is de persoon die geregeld onder bezwarende titel nieuwe gebouwen vervreemdt die hij heeft opgericht of laten oprichten of die hij met voldoening van de BTW heeft verkregen (zie art. 44, § 3, 1°, a, 1ste streepje, Wb. BTW).
a) De op grond van een andere economische activiteit aan de BTW onderworpen belastingplichtige - met of zonder recht van aftrek - die geen beroepsmatige aannemer van nieuwe gebouwen is. Deze belastingplichtige moet opteren om een nieuw gebouw, dat hij heeft opgericht of laten oprichten of dat hij met voldoening van de BTW heeft verkregen, met toepassing van de BTW onder bezwarende titel te vervreemden (zie art. 44, § 3, 1°, a, 2de streepje, Wb. BTW).
b) De persoon, die geen economische activiteit uitoefent. Deze persoon moet opteren om een nieuw gebouw, dat hij heeft opgericht of laten oprichten of dat hij met voldoening van de BTW heeft verkregen, met toepassing van de BTW onder bezwarende titel te vervreemden (zie art. 8, § 1, en 44, § 3, 1°, a, 3de streepje, WB. BTW).
3. De hoedanigheid van belastingplichtige voor de vervreemding van een nieuw gebouw moet vaststaan op de datum van de overeenkomst volgens de regels die op die datum gelden. De belastingplichtigen onder nummer 2, 2°, hiervoor moeten, vooraleer de overeenkomst van vervreemding af te sluiten, op het BTW-controlekantoor, waaronder zij ressorteren, de optieverklaring bedoeld in artikel 1, 1°, van het K.B. BTW nr 14, neerleggen.
4. Opdat de vervreemding van een gebouw of van een gedeelte van een gebouw aan de belasting over de toegevoegde waarde onderworpen wordt en van het evenredig registratierecht vrijgesteld wordt, is vereist dat de overdracht een nieuw gebouw zoals bedoeld in het BTW-Wetboek betreft.
Bijgevolg moet de overdracht vóór, tijdens of na de oprichting van het gebouw plaatsvinden, maar ten laatste op 31 december van het jaar na dat waarin (en niet meer "waarvoor") het gebouw voor het eerst ten kohiere van de onroerende voorheffing werd gebracht. Het beslissende criterium voor de berekening van de termijn is dus niet meer het aanslagjaar maar het jaar binnen hetwelk het gebouw daadwerkelijk ten kohiere van de onroerende voorheffing werd gebracht. Gelet op de duur van de procedure voor de opname in het kohier van de onroerende voorheffing kan deze nieuwe regeling o.a. tot gevolg hebben dat de termijn, binnen dewelke een gebouw met toepassing van de BTW vervreemd mag worden, verlengd wordt.
De oprichting van een gebouw wordt in 1992 beëindigd. Op 1 maart 1993 wordt het gebouw in gebruik genomen. De onroerende voorheffing op dit gebouw is opeisbaar vanaf het jaar 1994 (eerste aanslagjaar) maar de opname in het kohier van de onroerende voorheffing gebeurt slechts op 1 februari 1995. De overdracht van dit gebouw kan ten laatste tot en met 31 december 1996 onder het BTW-stelsel en met vrijstelling van het evenredig registratierecht gebeuren (volgens de oude tekst zou de termijn in elk geval op 31 december 1995 verstreken zijn).
6. De termijn waarin een nieuw gebouw onder het BTW-stelsel vervreemd kan worden, wordt bepaald door de wetgeving die bij de eerste opname in het kohier van de onroerende voorheffing van kracht is . Indien de opname in het kohier plaatsvindt vóór 1 januari 1993, wordt deze termijn door de oude wetgeving vastgesteld. Indien zij plaatsvindt n 31 december 1992, wordt de termijn door de nieuwe wetgeving bepaald.
1° Een gebouw wordt opgericht in 1991; de eerste ingebruikneming ervan heeft plaats in 1992, het wordt voor het eerst opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing in 1993. Tot en met 31 december 1994 (d.w.z. de 31ste december van het jaar na dat waarin het voor het eerst is opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing) kan de verkoop van het gebouw onder het BTW-stelsel gebeuren. De termijn voor de verkoop wordt in dit geval berekend in functie van de nieuwe bepalingen (opmerking : indien de oude wetgeving toepasselijk was geweest, zou, in dit geval, de termijn voor de toepassing van de BTW in ieder geval op 31 december 1994 afgelopen zijn, aangezien de eerste opname in het kohier voor het jaar 1993 had moeten plaatsvinden, zijnde het jaar dat volgt op de eerste ingebruikneming).
2° Een gebouw wordt opgericht in 1990; de eerste ingebruikneming ervan heeft plaats in 1991, het wordt voor het eerst opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing in 1992. Tot en met 31 december 1993 (d.w.z. de 31ste december van het jaar na dat waarvoor de eerste inkohiering van de onroerende voorheffing heeft plaatsgehad) kan de verkoop van het gebouw onder het BTW-stelsel gebeuren. De termijn voor de verkoop wordt in dit geval dus berekend in functie van de oude bepalingen.
3° Een gebouw wordt opgericht in 1989 of in 1990; de eerste ingebruikneming ervan heeft plaats in 1990, het wordt voor het eest opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing in 1992 met uitwerking op 1 januari 1991. Tot en met 31 december 1992 (d.w.z. de 31ste december van het jaar na dat waarvoor de eerste inkohiering van de onroerende voorheffing heeft plaatsgehad) kan de verkoop van het gebouw onder het BTW-stelsel gebeuren. Ook in dit geval wordt de termijn voor verkoop berekend in functie van de oude bepalingen. Het BTW-stelsel wordt uitsluitend bepaald door de wetgeving die toepasselijk is op het moment dat het gebouw voor het eerst ten kohiere wordt gebracht; de mogelijkheid tot verkoop onder het BTW-stelsel eindigt in dit geval dus op 31 december 1992. Iedere verkoop of wederverkoop gedaan vanaf 1 januari 1993 zal aan het registratierecht onderworpen zijn.
4° Zelfde voorbeeld als onder nr. 3°, maar de eerste opname in het kohier van de onroerende voorheffing geschiedt in 1993 met uitwerking op 1 januari 1991. Tot en met 31 december 1994 kan de verkoop van het gebouw onder het BTW-stelsel gebeuren. In dit geval wordt de termijn voor de verkoop dus berekend in functie van de nieuwe bepalingen.
8. Iedere verkoper onder het BTW-stelsel - zowel de belastingplichtige van rechtswege als de belastingplichtige door optie - moet in de akte van overdracht :
De belastingplichtige door optie moet de datum opgeven waarop hij de verkrijger op de hoogte heeft gesteld van zijn voornemen om onder het BTW-stelsel te verkopen.
B. Vestiging, overdracht en wederoverdracht van zakelijke rechten op nieuwe gebouwen.
9. Tot 31 december 1992 konden enkel het eigendomsrecht en het vruchtgebruik een levering van goederen in de zin van het BTW-Wetboek uitmaken. Deze mogelijkheid is uitgebreid tot sommige andere zakelijke rechten, indien zij op een nieuw gebouw betrekking hebben.
Naast de lichamelijke goederen zelf in eigendom, worden de zakelijke rechten die hun bezitter een recht van gebruik op onroerende goederen verlenen ook als lichamelijke goederen beschouwd (nieuw artikel 9, 2de lid, 2°, Wb. BTW). Van die regel is uitgesloten het recht van erfpacht, dat gevestigd of overgedragen wordt door een onderneming die de onroerende financieringshuur toepast in het kader van een contract van financieringshuur van gebouwen in de zin van artikel 44, § 3, 2°, b, Wb. BTW.
10. Er is levering van goederen, telkens als er vestiging, overdracht of wederoverdracht is van een recht welk aan zijn bezitter het recht verleent om over het goed te beschikken als een eigenaar (z. art. 10, § 1, 1ste lid, Wb. BTW).
Om te vermijden dat de vestigingen, overdrachten of wederoverdrachten van bedoelde zakelijke rechten gelijktijdig aan de BTW en aan het evenredig registratierecht onderworpen worden, stelt het nieuwe artikel 159, 8°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten ze vrij van het evenredig recht.
11. Deze bepalingen treden in werking op 1 januari 1993. De vrijstelling van het registratierecht is toepasselijk vanaf deze datum in de gevallen waarin de verrichtingen betreffende die zakelijke rechten de BTW opeisbaar maken.
De voorwaarden voor de vrijstelling worden hierna hernomen.
12. Alle zakelijke rechten andere dan het eigendomsrecht (omdat dit recht in de levering van het goed zelf begrepen is; zie A hierboven) die aan hun bezitter een recht van beschikking over het gebouw gelijk aan dat van een eigenaar geven, worden als goederen beschouwd, die het voorwerp kunnen uitmaken van een aan de BTW onderworpen levering.
Deze definitie sluit zowel de vestigingen als de overdrachten van het hypotheekrecht, het recht van bewoning en het recht van gebruik uit. Deze laatste twee rechten geven aan hun bezitter een recht van gebruik op het goed en zouden inderdaad als goederen in de zin van artikel 9, lid 2, 2°, Wb. BTW beschouwd kunnen worden, maar door het feit dat zij niet overgedragen kunnen worden, kunnen zij ook niet het voorwerp uitmaken van een levering in de zin van artikel 10, § 1, lid 1, Wb. BTW. Er wordt opgemerkt dat, in tegenstelling tot het recht van erfpacht waarvan hierna sprake, hun vestiging ook niet kan beschouwd worden als een aan de BTW onderworpen dienst en bijgevolg buiten het toepassingsgebied van de BTW valt (zie art. 18, § 1, lid 2, 4°, Wb. BTW). De vestiging van deze rechten blijft dus aan het evenredig registratierecht onderworpen.
13. Het recht van erfpacht, dat gevestigd of overgedragen wordt door een onderneming van onroerende financieringshuur in het kader van een overeenkomst van financieringshuur waarop de BTW van toepassing is, wordt niet gelijkgesteld met een goed en is dus uitgesloten van de in artikel 159, 8°, Wb. Reg. bepaalde vrijstelling. De vestiging of de overdracht van dit recht onder de hiervoor bepaalde voorwaarden is echter een dienst (zie art. 18, § 1, 1ste lid, Wb. BTW) die nooit kan gescheiden worden van de dienst bestaande uit de bijhorende financieringshuur zelf. Om deze reden wordt zij van het registratierecht vrijgesteld (zie C hierna).
14. Worden dus bedoeld : het vruchtgebruik, het recht van opstal, de erfpacht maar enkel in de mate dat hij niet gekoppeld is aan een leasingcontract dat onder de toepassing van het BTW-stelsel valt en de erfdienstbaarheid.
15. Het goed waarop het zakelijk recht betrekking heeft moet een nieuw gebouw zijn in de zin van het BTW-Wetboek (zie art. 8, §§ 2 en 3, en 44, § 3, 1°, b, Wb. BTW; vgl. A, § 2 hiervoor). De vestigingen, overdrachten of wederoverdrachten van zakelijke rechten moeten bijgevolg ten laatste plaatsvinden op 31 december van het jaar dat volgt op datgene waarin het gebouw voor het eerst in het kohier van de onroerende voorheffing is opgenomen (zie nr. 4 hiervoor).
16. Opdat de vestiging, overdracht of wederoverdracht van een zakelijk recht op een gebouw onder de BTW zou vallen en dus vrijgesteld zou zijn van het evenredig registratierecht, is vereist dat de verrichting onder bezwarende titel plaats heeft. Dezelfde vereiste geldt wanneer de verrichting bestaat in de overdracht van de eigendom van een nieuw gebouw (zie nr. 1 hiervoor).
17. De vestiger of overdrager (of wederoverdrager) van een zakelijk recht bedoeld in artikel 9, lid 2, 2° Wb. BTW moet de hoedanigheid van belastingplichtige hebben opdat de verrichting onder de BTW en dus met vrijstelling van het evenredig registratierecht zou kunnen geschieden.
De artikelen 8, §§ 2 en 3, en 44, § 3, 1°, b, Wb. BTW onderscheiden de volgende 3 categorieën van belastingplichtigen :
1° de "beroepsmatige aannemer", die als dusdanig van rechtswege belastingplichtige is. Dit is de persoon die geregeld onder bezwarende titel nieuwe gebouwen vervreemdt die hij heeft opgericht of laten oprichten of die hij met voldoening van de BTW heeft verkregen (zie art. 44, § 3, 1°, b, 1ste streepje, Wb. BTW; het betreft dezelfde persoon als deze bepaald in punt 2, 1°, hiervoor). Deze belastingplichtige van rechtswege kan de in punt 14 bedoelde rechten onder het BTW-stelsel vestigen en hij kan deze rechten, die hij met voldoening van de BTW verkregen heeft, onder het BTW-stelsel overdragen of wederoverdragen;
2° iedere BTW-belastingplichtige, andere dan deze bedoeld onder het 1° hiervoor, die geopteerd heeft voor de toepassing van de BTW
3° de persoon die geen economische activiteit uitoefent maar die opteert voor de toepassing van de BTW :
§ 5. Tijdstip van vestiging, overdracht of wederoverdracht van het zakelijk recht.
18. zie hiervoor, A. § 2, nr. 4.
19. De toepassing van de vrijstelling van het registratierecht is afhankelijk van bepaalde vermeldingen in de akte of in een vóór de registratie eraan gehecht geschrift. Het betreft dezelfde vermeldingen als deze vereist voor de vrijstelling inzake de overdracht van gebouwen (art. 159, 8°, lid 5, Wb. Reg. - zie A, § 4, nr. 8).
20 Ingevolge de wijzigingen van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde werd artikel 159, 10°, Wb. Reg. aangepast. Deze aanpassing is louter formeel.
De overeenkomsten die in het verleden onder de vrijstelling vielen, vallen er nu ook onder : de huur- of erfpachtovereenkomsten gesloten in het kader van een aan de BTW onderworpen onroerende financieringshuur of onroerende leasing.
21. Hoewel het BTW-Wetboek bepaalt dat sommige huurcontracten, onder de door de Koning te bepalen voorwaarden, aan de BTW kunnen onderworpen worden, werd er terzake geen vrijstelling van het evenredig registratierecht van 0,20 % voorzien. Het stelsel van de heffing van registratierechten op huurcontracten blijft dus ongewijzigd.
Bijlage 1.
Uittreksel uit het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (gewijzigd bij de wet van 28 december 1992 en het koninklijk besluit van 29 december 1992 - B.S. 31 december 1992)
Artikel 159
...
8° (vervangen door artikel 99, 1°, van de wet van 28 december 1992) de overdragende of aanwijzende vervreemdingen onder bezwarende titel, anders dan door inbreng in vennootschappen, van op te richten, in oprichting zijnde of nieuw opgerichte gebouwen, op voorwaarde dat de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar is voor de levering van de vervreemde gebouwen; de vestigingen, overdrachten of wederoverdrachten van de zakelijke rechten bedoeld in artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde met betrekking tot op te richten, in oprichting zijnde of nieuw opgerichte gebouwen, op voorwaarde dat de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar is op de vestiging of de overdracht van deze rechten.
De vrijstelling geldt niet voor de grond begrepen in de overeenkomst.
Wanneer de gebouwen samen met de grond waarop zij staan voor een enige prijs worden vervreemd, wordt het evenredig recht wegens de vervreemding van de grond berekend over de verkoopwaarde van de grond, geraamd op het tijdstip van de vervreemding, doch met inachtneming van de staat van de grond vóór de aanvang van het werk. Wanneer de vestiging of de overdracht van de in het eerst lid bedoelde zakelijke rechten tevens betrekking heeft op de grond waarop de gebouwen staan en voor een enige prijs gebeurt, wordt het evenredig recht wegens de vestiging of de overdracht van die rechten op de grond, berekend over de waarde van die rechten, geraamd op het tijdstip van de vestiging of de overdracht, doch met inachtneming van de staat van de grond vóór de aanvang van het werk. In die gevallen worden de gegevens nodig voor de berekening van de rechten opgegeven in een verklaring als omschreven in artikel 168.
Indien de overeenkomst betrekking heeft op het vruchtgebruik of de blote eigendom van de grond, wordt de belastbare grondslag bepaald op de wijze vermeld in de artikelen 47 tot 50.
De bepalingen van dit 8° zijn alleen toepasselijk, indien in de akte of in een vóór de registratie bij de akte te voegen geschrift worden vermeld :
a) het jaar waarin, in voorkomend geval, de onroerende voorheffing van het gebouw waarop de overeenkomst betrekking heeft voor het eest ten kohiere is gebracht;
b) het kantoor waar de belastingplichtige de aangifte moet indienen voor de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde;
c) wanneer de overeenkomst het werk is van een andere dan in artikel 12, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde belastingplichtige, de datum waarop hij kennis heeft gegeven van zijn bedoeling de verrichting te doen met betaling van de belasting over de toegevoegde waarde.
In geval van onjuistheid van die vermeldingen verbeurt de cedent een boete gelijk aan het ontdoken recht;
...
10° (vervangen door artikel 23 van het koninklijk besluit van 29 december 1992) de contracten van onroerende financieringshuur bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, b, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;
Aanschrijving nr. 5 dd. 11.02.1993
Overdracht van nieuwe gebouwen
Vestiging, overdracht en wederoverdracht zakelijk recht
Het Belgisch Staatsblad van 31 december 1992 heeft bekendgemaakt :
- de wet van 28 december 1992 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten;
- het koninklijk besluit van 29 december 1992 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
Vanaf 1 januari 1993 breidt deze wet het toepassingsgebied van de belasting over de toegevoegde waarde uit tot verrichtingen die normaal aan een evenredig registratierecht onderworpen zijn. Zij past dan ook het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten aan met het doel om, in de regel, de heffing van het registratierecht te vermijden op verrichtingen die aan de BTW onderworpen zijn (art. 99 van voornoemde wet, dat art. 159, 8° en 10° Wb. Reg. vervangt).
| A. | Overdracht van nieuwe gebouwen. |
Alle verrichtingen onder bezwarende titel worden beoogd, met inbegrip van de inbreng in vennootschap in de mate dat hij het recht van 12,50 % opeisbaar maakt (art. 120 Wb. Reg.).
Sommige voorwaarden voor de toepassing van de BTW en voor de vrijstelling van de registratierechten zijn echter gewijzigd.
| § | 1. Hoedanigheid van de cedent. |
Het BTW-Wetboek onderscheidt drie categorieën van belastingplichtigen die een gebouw met toepassing van de BTW kunnen vervreemden. Eén van deze categorieën betreft de belastingplichtigen van rechtswege, de twee andere betreffen de belastingplichtigen door optie.
1° De "beroepsmatige aannemer", die als dusdanig van rechtswege belastingplichtig is. Dit is de persoon die geregeld onder bezwarende titel nieuwe gebouwen vervreemdt die hij heeft opgericht of laten oprichten of die hij met voldoening van de BTW heeft verkregen (zie art. 44, § 3, 1°, a, 1ste streepje, Wb. BTW).
| 2° |
b) De persoon, die geen economische activiteit uitoefent. Deze persoon moet opteren om een nieuw gebouw, dat hij heeft opgericht of laten oprichten of dat hij met voldoening van de BTW heeft verkregen, met toepassing van de BTW onder bezwarende titel te vervreemden (zie art. 8, § 1, en 44, § 3, 1°, a, 3de streepje, WB. BTW).
3. De hoedanigheid van belastingplichtige voor de vervreemding van een nieuw gebouw moet vaststaan op de datum van de overeenkomst volgens de regels die op die datum gelden. De belastingplichtigen onder nummer 2, 2°, hiervoor moeten, vooraleer de overeenkomst van vervreemding af te sluiten, op het BTW-controlekantoor, waaronder zij ressorteren, de optieverklaring bedoeld in artikel 1, 1°, van het K.B. BTW nr 14, neerleggen.
| § | 2. Aard van het goed. - Tijdstip van de overdracht. |
Bijgevolg moet de overdracht vóór, tijdens of na de oprichting van het gebouw plaatsvinden, maar ten laatste op 31 december van het jaar na dat waarin (en niet meer "waarvoor") het gebouw voor het eerst ten kohiere van de onroerende voorheffing werd gebracht. Het beslissende criterium voor de berekening van de termijn is dus niet meer het aanslagjaar maar het jaar binnen hetwelk het gebouw daadwerkelijk ten kohiere van de onroerende voorheffing werd gebracht. Gelet op de duur van de procedure voor de opname in het kohier van de onroerende voorheffing kan deze nieuwe regeling o.a. tot gevolg hebben dat de termijn, binnen dewelke een gebouw met toepassing van de BTW vervreemd mag worden, verlengd wordt.
| 5. | Voorbeeld : |
| § | 3. Overgangsregeling. |
| 7. | Voorbeelden : |
2° Een gebouw wordt opgericht in 1990; de eerste ingebruikneming ervan heeft plaats in 1991, het wordt voor het eerst opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing in 1992. Tot en met 31 december 1993 (d.w.z. de 31ste december van het jaar na dat waarvoor de eerste inkohiering van de onroerende voorheffing heeft plaatsgehad) kan de verkoop van het gebouw onder het BTW-stelsel gebeuren. De termijn voor de verkoop wordt in dit geval dus berekend in functie van de oude bepalingen.
3° Een gebouw wordt opgericht in 1989 of in 1990; de eerste ingebruikneming ervan heeft plaats in 1990, het wordt voor het eest opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing in 1992 met uitwerking op 1 januari 1991. Tot en met 31 december 1992 (d.w.z. de 31ste december van het jaar na dat waarvoor de eerste inkohiering van de onroerende voorheffing heeft plaatsgehad) kan de verkoop van het gebouw onder het BTW-stelsel gebeuren. Ook in dit geval wordt de termijn voor verkoop berekend in functie van de oude bepalingen. Het BTW-stelsel wordt uitsluitend bepaald door de wetgeving die toepasselijk is op het moment dat het gebouw voor het eerst ten kohiere wordt gebracht; de mogelijkheid tot verkoop onder het BTW-stelsel eindigt in dit geval dus op 31 december 1992. Iedere verkoop of wederverkoop gedaan vanaf 1 januari 1993 zal aan het registratierecht onderworpen zijn.
4° Zelfde voorbeeld als onder nr. 3°, maar de eerste opname in het kohier van de onroerende voorheffing geschiedt in 1993 met uitwerking op 1 januari 1991. Tot en met 31 december 1994 kan de verkoop van het gebouw onder het BTW-stelsel gebeuren. In dit geval wordt de termijn voor de verkoop dus berekend in functie van de nieuwe bepalingen.
| § | 4. Vormvoorwaarden. |
- het kantoor aanduiden waar hij zijn verklaring met het oog op de inning van de belasting over de toegevoegde waarde moet indienen
- en het jaar vermelden waarin de eerste opname in het kohier plaatsvond.
De belastingplichtige door optie moet de datum opgeven waarop hij de verkrijger op de hoogte heeft gesteld van zijn voornemen om onder het BTW-stelsel te verkopen.
B. Vestiging, overdracht en wederoverdracht van zakelijke rechten op nieuwe gebouwen.
9. Tot 31 december 1992 konden enkel het eigendomsrecht en het vruchtgebruik een levering van goederen in de zin van het BTW-Wetboek uitmaken. Deze mogelijkheid is uitgebreid tot sommige andere zakelijke rechten, indien zij op een nieuw gebouw betrekking hebben.
Naast de lichamelijke goederen zelf in eigendom, worden de zakelijke rechten die hun bezitter een recht van gebruik op onroerende goederen verlenen ook als lichamelijke goederen beschouwd (nieuw artikel 9, 2de lid, 2°, Wb. BTW). Van die regel is uitgesloten het recht van erfpacht, dat gevestigd of overgedragen wordt door een onderneming die de onroerende financieringshuur toepast in het kader van een contract van financieringshuur van gebouwen in de zin van artikel 44, § 3, 2°, b, Wb. BTW.
10. Er is levering van goederen, telkens als er vestiging, overdracht of wederoverdracht is van een recht welk aan zijn bezitter het recht verleent om over het goed te beschikken als een eigenaar (z. art. 10, § 1, 1ste lid, Wb. BTW).
Om te vermijden dat de vestigingen, overdrachten of wederoverdrachten van bedoelde zakelijke rechten gelijktijdig aan de BTW en aan het evenredig registratierecht onderworpen worden, stelt het nieuwe artikel 159, 8°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten ze vrij van het evenredig recht.
11. Deze bepalingen treden in werking op 1 januari 1993. De vrijstelling van het registratierecht is toepasselijk vanaf deze datum in de gevallen waarin de verrichtingen betreffende die zakelijke rechten de BTW opeisbaar maken.
De voorwaarden voor de vrijstelling worden hierna hernomen.
| § | 1. Aard van het zakelijk recht. |
Deze definitie sluit zowel de vestigingen als de overdrachten van het hypotheekrecht, het recht van bewoning en het recht van gebruik uit. Deze laatste twee rechten geven aan hun bezitter een recht van gebruik op het goed en zouden inderdaad als goederen in de zin van artikel 9, lid 2, 2°, Wb. BTW beschouwd kunnen worden, maar door het feit dat zij niet overgedragen kunnen worden, kunnen zij ook niet het voorwerp uitmaken van een levering in de zin van artikel 10, § 1, lid 1, Wb. BTW. Er wordt opgemerkt dat, in tegenstelling tot het recht van erfpacht waarvan hierna sprake, hun vestiging ook niet kan beschouwd worden als een aan de BTW onderworpen dienst en bijgevolg buiten het toepassingsgebied van de BTW valt (zie art. 18, § 1, lid 2, 4°, Wb. BTW). De vestiging van deze rechten blijft dus aan het evenredig registratierecht onderworpen.
13. Het recht van erfpacht, dat gevestigd of overgedragen wordt door een onderneming van onroerende financieringshuur in het kader van een overeenkomst van financieringshuur waarop de BTW van toepassing is, wordt niet gelijkgesteld met een goed en is dus uitgesloten van de in artikel 159, 8°, Wb. Reg. bepaalde vrijstelling. De vestiging of de overdracht van dit recht onder de hiervoor bepaalde voorwaarden is echter een dienst (zie art. 18, § 1, 1ste lid, Wb. BTW) die nooit kan gescheiden worden van de dienst bestaande uit de bijhorende financieringshuur zelf. Om deze reden wordt zij van het registratierecht vrijgesteld (zie C hierna).
14. Worden dus bedoeld : het vruchtgebruik, het recht van opstal, de erfpacht maar enkel in de mate dat hij niet gekoppeld is aan een leasingcontract dat onder de toepassing van het BTW-stelsel valt en de erfdienstbaarheid.
| § | 2. Aard van het goed. |
| § | 3. Aard van het contract. |
| § | 4. Hoedanigheid van de vestiger of van de cedent. |
De artikelen 8, §§ 2 en 3, en 44, § 3, 1°, b, Wb. BTW onderscheiden de volgende 3 categorieën van belastingplichtigen :
1° de "beroepsmatige aannemer", die als dusdanig van rechtswege belastingplichtige is. Dit is de persoon die geregeld onder bezwarende titel nieuwe gebouwen vervreemdt die hij heeft opgericht of laten oprichten of die hij met voldoening van de BTW heeft verkregen (zie art. 44, § 3, 1°, b, 1ste streepje, Wb. BTW; het betreft dezelfde persoon als deze bepaald in punt 2, 1°, hiervoor). Deze belastingplichtige van rechtswege kan de in punt 14 bedoelde rechten onder het BTW-stelsel vestigen en hij kan deze rechten, die hij met voldoening van de BTW verkregen heeft, onder het BTW-stelsel overdragen of wederoverdragen;
2° iedere BTW-belastingplichtige, andere dan deze bedoeld onder het 1° hiervoor, die geopteerd heeft voor de toepassing van de BTW
- op de vestiging onder bezwarende titel van een vorenbedoeld zakelijk recht op een nieuw gebouw dat hij heeft opgericht of laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen;
- op de overdracht of de wederoverdracht onder bezwarende titel van een vorenbedoeld recht dat te zijnen bate gevestigd werd of dat hij betrekkelijk een nieuw gebouw met voldoening van de belasting verkregen heeft (zie art. 44, § 3, 1°, b, 2de streepje, Wb. BTW; vgl. punt 2, 2°, a, hiervoor);
3° de persoon die geen economische activiteit uitoefent maar die opteert voor de toepassing van de BTW :
- op de vestiging onder bezwarende titel van een vorenbedoeld zakelijk recht op een nieuw gebouw dat hij heeft opgericht of laten oprichten of dat hij met voldoening van de BTW heeft verkregen;
- op de overdracht of wederoverdracht onder bezwarende titel van een dergelijk zakelijk recht op een nieuw gebouw, dat te zijnen gunste is gevestigd of dat hem met voldoening van de belasting werd overgedragen ( zie art. 8, §§ 2 en 3, en 44, § 3, 1°, b, 3de streepje, Wb. BTW; vgl. punt 2, 2°, b, hiervoor).
§ 5. Tijdstip van vestiging, overdracht of wederoverdracht van het zakelijk recht.
18. zie hiervoor, A. § 2, nr. 4.
| § | 6. Vormvoorwaarden |
| C. | Onroerende leasing. |
De overeenkomsten die in het verleden onder de vrijstelling vielen, vallen er nu ook onder : de huur- of erfpachtovereenkomsten gesloten in het kader van een aan de BTW onderworpen onroerende financieringshuur of onroerende leasing.
| D. | Huurcontracten. |
Namens de Minister :
De Directeur-generaal;
F. QUAGHEBEUR
Bijlage 1.
Uittreksel uit het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (gewijzigd bij de wet van 28 december 1992 en het koninklijk besluit van 29 december 1992 - B.S. 31 december 1992)
Artikel 159
...
8° (vervangen door artikel 99, 1°, van de wet van 28 december 1992) de overdragende of aanwijzende vervreemdingen onder bezwarende titel, anders dan door inbreng in vennootschappen, van op te richten, in oprichting zijnde of nieuw opgerichte gebouwen, op voorwaarde dat de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar is voor de levering van de vervreemde gebouwen; de vestigingen, overdrachten of wederoverdrachten van de zakelijke rechten bedoeld in artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde met betrekking tot op te richten, in oprichting zijnde of nieuw opgerichte gebouwen, op voorwaarde dat de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar is op de vestiging of de overdracht van deze rechten.
De vrijstelling geldt niet voor de grond begrepen in de overeenkomst.
Wanneer de gebouwen samen met de grond waarop zij staan voor een enige prijs worden vervreemd, wordt het evenredig recht wegens de vervreemding van de grond berekend over de verkoopwaarde van de grond, geraamd op het tijdstip van de vervreemding, doch met inachtneming van de staat van de grond vóór de aanvang van het werk. Wanneer de vestiging of de overdracht van de in het eerst lid bedoelde zakelijke rechten tevens betrekking heeft op de grond waarop de gebouwen staan en voor een enige prijs gebeurt, wordt het evenredig recht wegens de vestiging of de overdracht van die rechten op de grond, berekend over de waarde van die rechten, geraamd op het tijdstip van de vestiging of de overdracht, doch met inachtneming van de staat van de grond vóór de aanvang van het werk. In die gevallen worden de gegevens nodig voor de berekening van de rechten opgegeven in een verklaring als omschreven in artikel 168.
Indien de overeenkomst betrekking heeft op het vruchtgebruik of de blote eigendom van de grond, wordt de belastbare grondslag bepaald op de wijze vermeld in de artikelen 47 tot 50.
De bepalingen van dit 8° zijn alleen toepasselijk, indien in de akte of in een vóór de registratie bij de akte te voegen geschrift worden vermeld :
a) het jaar waarin, in voorkomend geval, de onroerende voorheffing van het gebouw waarop de overeenkomst betrekking heeft voor het eest ten kohiere is gebracht;
b) het kantoor waar de belastingplichtige de aangifte moet indienen voor de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde;
c) wanneer de overeenkomst het werk is van een andere dan in artikel 12, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde belastingplichtige, de datum waarop hij kennis heeft gegeven van zijn bedoeling de verrichting te doen met betaling van de belasting over de toegevoegde waarde.
In geval van onjuistheid van die vermeldingen verbeurt de cedent een boete gelijk aan het ontdoken recht;
...
10° (vervangen door artikel 23 van het koninklijk besluit van 29 december 1992) de contracten van onroerende financieringshuur bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, b, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;
Bron: FisconetPlus
