Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 22.09.1989 (11e aflevering)
CIRC 22.09.89/1
Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 22.09.1989 (11e aflevering)
Bull. nr. 687, pag. 2154
BELASTINGKREDIET
Belastingkrediet op inkomsten van aandelen of delen.
Verrekenbaar bedrag.
FORFAITAIR GEDEELTE VAN DE BUITENLANDSE BELASTING
Verrekenbaar bedrag.
HERVORMINGSWET 1988
Roerende inkomsten.
Verrekening van de voorheffingen.
ROERENDE INKOMSTEN
Belastbaar bedrag.
Inkomsten met beroepskarakter.
VOORHEFFINGEN
Verrekening.
Commentaar op art. 29, §§ 1 en 3, W. 07.12.1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen:
ROERENDE INKOMSTEN MET BEROEPSKARAKTER
Inhoudstabel Nrs. I. WETTEKSTEN II/121 II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE II/122 III. BEDOELDE INKOMSTEN II/123 IV. VASTSTELLING VAN HET BELASTBARE INKOMEN II/124 V. IN AANMERKING TE NEMEN F.B.B. A. Principe II/125 B. Bedrag II/126 tot 128 VI. VERREKENBARE BESTANDDELEN II/129 VII. INWERKINGTREDING II/130 I. WETTEKSTEN
Artikel 29
II/121
§ 1. De netto-inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt omvatten de werkelijke of fictieve roerende voorheffing bepaald in de artikelen 174, 191, 3°, en 193 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, het belastingkrediet bedoeld in artikel 135, § 1, tweede lid, 1°, en derde lid van hetzelfde Wetboek, alsmede het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting bedoeld in artikel 187 van hetzelfde Wetboek maar berekend overeenkomstig § 3 van dit artikel, doch niet de innings- en bewaringskosten en de andere soortgelijke kosten of lasten.
§ 2.
§ 3. Het krachtens artikel 187 van hetzelfde Wetboek aftrekbare forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting wordt bepaald op vijftien vijfentachtigsten van het bedrag van de geïnde of verkregen inkomsten, vóór aftrek van de roerende voorheffing.
Artikel 35
§ 1. In het Wetboek van de inkomstenbelastingen worden opgeheven:
28° artikel 195;
Artikel 39
Titel I van deze wet is van toepassing:
1° met betrekking tot de artikelen ... 22 tot 30 en 32 tot 35, ... met ingang van het aanslagjaar 1990;
II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE
II/122
Art. 33, WIB bepaalt inzonderheid dat inkomsten van roerende goederen en kapitalen, wanneer zij worden voortgebracht door activa die voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger worden gebruikt, als beroepsinkomsten worden belast doch onderworpen blijven aan de RV
Art. 197, § 1, 3°, WIB bepaalt anderzijds de mate waarin de voorheffingen en andere bestanddelen met betrekking tot in art. 33, WIB bedoelde inkomsten kunnen worden verrekend met het gedeelte van de PB dat evenredig op de beroepsinkomsten betrekking heeft.
De wijzigingen die art. 29, § 1, van de hervormingswet aanbrengt in het belastingstelsel van de in art. 33, WIB bedoelde inkomsten, betreffen niet de aard van die inkomsten - die onveranderd blijft - maar wel de vaststelling van het belastbare bedrag van de roerende inkomsten met beroepskarakter, dat inderdaad voortaan het verrekenbare F.B.B. moet omvatten.
Paragraaf 3 van voormeld art. 29 stelt dat F.B.B. vast op 15/85 van het geïnde of verkregen inkomen (vóór aftrek van de eventuele RV).
De wijze van verrekening van de voorheffingen en andere gelijkaardige bestanddelen met de PB, die betrekking heeft op de beroepsinkomsten, blijft ongewijzigd.
III. BEDOELDE INKOMSTEN
II/123
Art. 29 van de hervormingswet heeft de definitie van de in art. 33, WIB bedoelde inkomsten niet gewijzigd; ter zake kan zonder meer worden verwezen naar de nrs. 33/2 en 3, Com.IB
IV. VASTSTELLING VAN HET BELASTBARE INKOMEN
II/124
Uit de art. 28, eerste lid (Die bepaling wordt besproken in de 10e aflevering, nrs. II/51 tot 67.), en 29, § 1, van de hervormingswet samen volgt dat het nettobedrag van de roerende inkomsten met beroepskarakter gelijk is aan het in enigerlei vorm geïnde of verkregen bedrag, vóór aftrek van de innings- en bewaringskosten en van andere soortgelijke kosten of lasten.
Dit bedrag moet evenwel nog:
2. vervolgens worden verminderd met de innings- en bewaringskosten en andere gelijkaardige kosten of lasten (het betreft in dit geval beroepskosten).
In feite is de enige nieuwigheid de toevoeging van het verrekenbare F.B.B. aan het belastbare inkomen; dat F.B.B. wordt op de hierna uiteengezette wijze berekend.
V. IN AANMERKING TE NEMEN F.B.B.
A. Principe
II/125
Zoals verduidelijkt in nr. II/124, moet het nettobedrag van de roerende inkomsten met beroepskarakter, die in het buitenland zijn onderworpen aan een belasting gelijkaardig aan de PB, de Ven.B., of de B.NV, voortaan het F.B.B. omvatten dat verrekenbaar is overeenkomstig art. 187, WIB
Inzake PB zijn er niettemin twee gevallen waarin geen F.B.B. mag worden verrekend niettegenstaande de inkomsten werkelijk in het buitenland werden belast, namelijk:
In die twee gevallen mag geen F.B.B. worden verrekend, noch bij het belastbare inkomen worden opgeteld.
B. Bedrag
II/126
Art. 29, § 3, van de hervormingswet bepaalt dat het ingevolge art. 187, WIB verrekenbare F.B.B. wordt bepaald op 15/85 van het geïnde of verkregen inkomen, vóór aftrek van de RV
Uit die formulering blijkt dat de berekeningsgrondslag van het F.B.B. in feite precies dezelfde is als die welke vroeger bepaald was in art. 195, WIB (opgeheven door art. 35, § 1, 28°, van de hervormingswet). Ter zake bestaat de nieuwigheid erin dat de voormalige 15 pct. is vervangen door de breuk 15/85, teneinde rekening te houden met de opneming van het F.B.B. in het belastbare inkomen.
Schematisch gezien, wordt het bedrag van het F.B.B. bepaald door het werkelijk geïnde of verkregen bedrag, vóór aftrek van de innings- en bewaringskosten en andere soortgelijke kosten (Belgische en/of buitenlandse), in aanmerking te nemen en daarop:
Daar het verrekenbare F.B.B. voortaan deel uitmaakt van het belastbare inkomen, bedraagt het altijd, net zoals vroeger trouwens, 15 pct. van dat inkomen.
Voorbeeld 1
II/127
Roerend inkomen van buitenlandse oorsprong als vermeld in art. 33, WIB en in het buitenland belast (het F.B.B. mag worden verrekend). De belastingplichtige heeft dat inkomen rechtstreeks in het buitenland geïnd. Ontvangen bedrag: de tegenwaarde van 5.100 B.F.
Vaststelling van het belastbare inkomen: - Geïnd nettobedrag: 5.100 F - Verrekenbaar F.B.B.: 5.100 x 15/85 900 F ------- - Belastbaar bedrag: 6.000 F Het F.B.B. is dus gelijk aan (900/6.000 =) 15 pct. van het belastbare inkomen.
Voorbeeld 2
II/128
Roerend inkomen van buitenlandse oorsprong als vermeld in art. 33, WIB en het F.B.B. mag worden verrekend. De belastingplichtige heeft dat inkomen geïnd via een Belgische bank. Ontvangen bedrag (na inhouding van 1.275 F RV en 25 F innings- en bewaringskosten): 3.800 F.
Vaststelling van het belastbare inkomen: - Geïnd nettobedrag: 3.800 F - Innings- en bewaringskosten: 25 F ------- - Totaal: 3.825 F - RV: 3.825 x 1/3= 1.275 F - Verrekenbaar F.B.B.: 3.825 x 20/85 = 900 F ------- - Belastbaar bedrag: 6.000 F Zoals in het eerste voorbeeld is het F.B.B. dus gelijk aan (900/6.000=) 15 pct. van het belastbare inkomen.
VI. VERREKENBARE BESTANDDELEN
II/129
De enige wijziging die de hervormingswet heeft aangebracht in de regels voor de verrekening van de voorheffingen en andere gelijkaardige bestanddelen die specifiek betrekking hebben op de in art. 33, WIB vermelde inkomsten, betreft het F.B.B. en is reeds in titel V besproken.
Voor het overige blijven de algemene regels inzake de verrekening van de voorheffingen met betrekking tot beroepsinkomsten (met inbegrip van de onroerende en roerende inkomsten met beroepskarakter, zonder onderscheid) van toepassing.
VII. INWERKINGTREDING
II/130
Overeenkomstig art. 39, eerste lid, 1°, van de hervormingswet, treedt art. 29 van dezelfde wet in werking met ingang van het aj. 1990.
Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 22.09.1989 (11e aflevering)
Bull. nr. 687, pag. 2154
BELASTINGKREDIET
Belastingkrediet op inkomsten van aandelen of delen.
Verrekenbaar bedrag.
FORFAITAIR GEDEELTE VAN DE BUITENLANDSE BELASTING
Verrekenbaar bedrag.
HERVORMINGSWET 1988
Roerende inkomsten.
Verrekening van de voorheffingen.
ROERENDE INKOMSTEN
Belastbaar bedrag.
Inkomsten met beroepskarakter.
VOORHEFFINGEN
Verrekening.
Commentaar op art. 29, §§ 1 en 3, W. 07.12.1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen:
- roerende inkomsten met beroepskarakter
ROERENDE INKOMSTEN MET BEROEPSKARAKTER
Inhoudstabel Nrs. I. WETTEKSTEN II/121 II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE II/122 III. BEDOELDE INKOMSTEN II/123 IV. VASTSTELLING VAN HET BELASTBARE INKOMEN II/124 V. IN AANMERKING TE NEMEN F.B.B. A. Principe II/125 B. Bedrag II/126 tot 128 VI. VERREKENBARE BESTANDDELEN II/129 VII. INWERKINGTREDING II/130 I. WETTEKSTEN
Artikel 29
II/121
§ 1. De netto-inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt omvatten de werkelijke of fictieve roerende voorheffing bepaald in de artikelen 174, 191, 3°, en 193 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, het belastingkrediet bedoeld in artikel 135, § 1, tweede lid, 1°, en derde lid van hetzelfde Wetboek, alsmede het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting bedoeld in artikel 187 van hetzelfde Wetboek maar berekend overeenkomstig § 3 van dit artikel, doch niet de innings- en bewaringskosten en de andere soortgelijke kosten of lasten.
§ 2.
§ 3. Het krachtens artikel 187 van hetzelfde Wetboek aftrekbare forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting wordt bepaald op vijftien vijfentachtigsten van het bedrag van de geïnde of verkregen inkomsten, vóór aftrek van de roerende voorheffing.
Artikel 35
§ 1. In het Wetboek van de inkomstenbelastingen worden opgeheven:
28° artikel 195;
Artikel 39
Titel I van deze wet is van toepassing:
1° met betrekking tot de artikelen ... 22 tot 30 en 32 tot 35, ... met ingang van het aanslagjaar 1990;
II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE
II/122
Art. 33, WIB bepaalt inzonderheid dat inkomsten van roerende goederen en kapitalen, wanneer zij worden voortgebracht door activa die voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger worden gebruikt, als beroepsinkomsten worden belast doch onderworpen blijven aan de RV
Art. 197, § 1, 3°, WIB bepaalt anderzijds de mate waarin de voorheffingen en andere bestanddelen met betrekking tot in art. 33, WIB bedoelde inkomsten kunnen worden verrekend met het gedeelte van de PB dat evenredig op de beroepsinkomsten betrekking heeft.
De wijzigingen die art. 29, § 1, van de hervormingswet aanbrengt in het belastingstelsel van de in art. 33, WIB bedoelde inkomsten, betreffen niet de aard van die inkomsten - die onveranderd blijft - maar wel de vaststelling van het belastbare bedrag van de roerende inkomsten met beroepskarakter, dat inderdaad voortaan het verrekenbare F.B.B. moet omvatten.
Paragraaf 3 van voormeld art. 29 stelt dat F.B.B. vast op 15/85 van het geïnde of verkregen inkomen (vóór aftrek van de eventuele RV).
De wijze van verrekening van de voorheffingen en andere gelijkaardige bestanddelen met de PB, die betrekking heeft op de beroepsinkomsten, blijft ongewijzigd.
III. BEDOELDE INKOMSTEN
II/123
Art. 29 van de hervormingswet heeft de definitie van de in art. 33, WIB bedoelde inkomsten niet gewijzigd; ter zake kan zonder meer worden verwezen naar de nrs. 33/2 en 3, Com.IB
IV. VASTSTELLING VAN HET BELASTBARE INKOMEN
II/124
Uit de art. 28, eerste lid (Die bepaling wordt besproken in de 10e aflevering, nrs. II/51 tot 67.), en 29, § 1, van de hervormingswet samen volgt dat het nettobedrag van de roerende inkomsten met beroepskarakter gelijk is aan het in enigerlei vorm geïnde of verkregen bedrag, vóór aftrek van de innings- en bewaringskosten en van andere soortgelijke kosten of lasten.
Dit bedrag moet evenwel nog:
| 1. | verhoogd worden: |
- met de werkelijke of fictieve RV als bepaald in de art. 174, 191, 3°, en 193, WIB;
- voor inkomsten van aandelen of van belegde kapitalen van Belgische oorsprong, met het B.K. vermeld in art. 135, § 1, tweede lid, 1°, en derde lid, WIB;
- voor inkomsten die in het buitenland zijn onderworpen aan een belasting gelijkaardig aan de PB, de Ven.B. of de B.NV, met het F.B.B. dat verrekenbaar is overeenkomstig art. 187, WIB;
2. vervolgens worden verminderd met de innings- en bewaringskosten en andere gelijkaardige kosten of lasten (het betreft in dit geval beroepskosten).
In feite is de enige nieuwigheid de toevoeging van het verrekenbare F.B.B. aan het belastbare inkomen; dat F.B.B. wordt op de hierna uiteengezette wijze berekend.
V. IN AANMERKING TE NEMEN F.B.B.
A. Principe
II/125
Zoals verduidelijkt in nr. II/124, moet het nettobedrag van de roerende inkomsten met beroepskarakter, die in het buitenland zijn onderworpen aan een belasting gelijkaardig aan de PB, de Ven.B., of de B.NV, voortaan het F.B.B. omvatten dat verrekenbaar is overeenkomstig art. 187, WIB
Inzake PB zijn er niettemin twee gevallen waarin geen F.B.B. mag worden verrekend niettegenstaande de inkomsten werkelijk in het buitenland werden belast, namelijk:
- met betrekking tot inkomsten van schuldvorderingen en leningen die de schuldeiser in België gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid, wanneer de schuldeiser, niettegenstaande hij de verrichting in eigen naam heeft gedaan, in werkelijkheid is opgetreden voor rekening van derden die hem met het oog op de financiering van de verrichting de nodige middelen hebben verschaft en geheel of gedeeltelijk de aan de verrichting verbonden risico's dragen (art. 187, tweede en derde lid, WIB - zie circ. 03.09.1985, Ci.RH.714/367.324, B. 643, blz. 2.247);
- wanneer het inkomsten van roerende goederen en kapitalen betreft die de belastingplichtige voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid gebruikt in de inrichting waarover hij in het buitenland beschikt (art. 196, 1°, WIB) (De erop betrekking hebbende belasting wordt tot de helft verminderd bij toepassing van art. 88, WIB (zie Com.IB 88/7).)
In die twee gevallen mag geen F.B.B. worden verrekend, noch bij het belastbare inkomen worden opgeteld.
B. Bedrag
II/126
Art. 29, § 3, van de hervormingswet bepaalt dat het ingevolge art. 187, WIB verrekenbare F.B.B. wordt bepaald op 15/85 van het geïnde of verkregen inkomen, vóór aftrek van de RV
Uit die formulering blijkt dat de berekeningsgrondslag van het F.B.B. in feite precies dezelfde is als die welke vroeger bepaald was in art. 195, WIB (opgeheven door art. 35, § 1, 28°, van de hervormingswet). Ter zake bestaat de nieuwigheid erin dat de voormalige 15 pct. is vervangen door de breuk 15/85, teneinde rekening te houden met de opneming van het F.B.B. in het belastbare inkomen.
Schematisch gezien, wordt het bedrag van het F.B.B. bepaald door het werkelijk geïnde of verkregen bedrag, vóór aftrek van de innings- en bewaringskosten en andere soortgelijke kosten (Belgische en/of buitenlandse), in aanmerking te nemen en daarop:
- de breuk 15/85 toe te passen indien op de bedoelde inkomsten geen RV is ingehouden;
- de breuk 20/85 toe te passen in het tegenovergestelde geval (Het verschil in de breuk is te verklaren doordat zij hier wordt toegepast op het inkomen na aftrek van de RV (20/85 x 75 pct. = 15/85).)
Daar het verrekenbare F.B.B. voortaan deel uitmaakt van het belastbare inkomen, bedraagt het altijd, net zoals vroeger trouwens, 15 pct. van dat inkomen.
Voorbeeld 1
II/127
Roerend inkomen van buitenlandse oorsprong als vermeld in art. 33, WIB en in het buitenland belast (het F.B.B. mag worden verrekend). De belastingplichtige heeft dat inkomen rechtstreeks in het buitenland geïnd. Ontvangen bedrag: de tegenwaarde van 5.100 B.F.
Vaststelling van het belastbare inkomen: - Geïnd nettobedrag: 5.100 F - Verrekenbaar F.B.B.: 5.100 x 15/85 900 F ------- - Belastbaar bedrag: 6.000 F Het F.B.B. is dus gelijk aan (900/6.000 =) 15 pct. van het belastbare inkomen.
Voorbeeld 2
II/128
Roerend inkomen van buitenlandse oorsprong als vermeld in art. 33, WIB en het F.B.B. mag worden verrekend. De belastingplichtige heeft dat inkomen geïnd via een Belgische bank. Ontvangen bedrag (na inhouding van 1.275 F RV en 25 F innings- en bewaringskosten): 3.800 F.
Vaststelling van het belastbare inkomen: - Geïnd nettobedrag: 3.800 F - Innings- en bewaringskosten: 25 F ------- - Totaal: 3.825 F - RV: 3.825 x 1/3= 1.275 F - Verrekenbaar F.B.B.: 3.825 x 20/85 = 900 F ------- - Belastbaar bedrag: 6.000 F Zoals in het eerste voorbeeld is het F.B.B. dus gelijk aan (900/6.000=) 15 pct. van het belastbare inkomen.
VI. VERREKENBARE BESTANDDELEN
II/129
De enige wijziging die de hervormingswet heeft aangebracht in de regels voor de verrekening van de voorheffingen en andere gelijkaardige bestanddelen die specifiek betrekking hebben op de in art. 33, WIB vermelde inkomsten, betreft het F.B.B. en is reeds in titel V besproken.
Voor het overige blijven de algemene regels inzake de verrekening van de voorheffingen met betrekking tot beroepsinkomsten (met inbegrip van de onroerende en roerende inkomsten met beroepskarakter, zonder onderscheid) van toepassing.
VII. INWERKINGTREDING
II/130
Overeenkomstig art. 39, eerste lid, 1°, van de hervormingswet, treedt art. 29 van dezelfde wet in werking met ingang van het aj. 1990.
Bron: FisconetPlus
