Circulaire nr. Ci.RH.221/404.202 dd. 30.05.1989
CIRC 30.05.89/1
Circulaire nr. Ci.RH.221/404.202 dd. 30.05.1989
Bull. nr. 685, pag. 1409
ONROERENDE GOEDEREN
Loopbaanpacht
Verhuring overeenkomstig de pachtwetgeving
ONROERENDE INKOMSTEN
Inkomsten niet aan te geven in de PB
Onroerende goederen door de huurder voor zijn beroepswerkzaamheid gebruikt
Verhuring overeenkomstig de pachtwetgeving
PACHT
Loopbaanpacht
Verhuring overeenkomstig de pachtwetgeving
Commentaar op :
INHOUDSTAFEL I. WETTEKSTEN 1 en 2 II. ALGEMEEN 3 en 4 III. OVEREENKOMSTIG DE PACHTWETGEVING VERHUURDE ONROERENDE GOEDEREN A. Bedoelde onroerende goederen 5 tot 10 B. Belastingstelsel 11 en 12 C. Inwerkingtreding 13 IV. ONROERENDE GOEDEREN ONDER LOOPBAANPACHT A. Bedoelde onroerende goederen 14 B. Definitie van de loopbaanpacht 15 C. Belastingstelsel 16 en 17 D. Inwerkingtreding 18 I. WETTEKSTEN
1. Art. 1, W. 07.11.1988 tot wijziging van de belasting op de inkomsten uit de aan landbouwers verhuurde gronden (V. 1959 - B. 680) heeft aan art. 7, § 1, WIB, een tweede lid toegevoegd, luidend als volgt :
"In afwijking van het eerste lid, 2°, b, wordt het kadastraal inkomen niet verhoogd met het gedeelte van het nettobedrag van de huurprijs en de huurlasten dat hoger ligt dan het kadastraal inkomen, wanneer het gaat om in België gelegen onroerende goederen die door de huurder worden gebruikt voor land- of tuinbouwdoeleinden en die worden verhuurd overeenkomstig de pachtwetgeving".
2. Anderzijds heeft art. 43, W. 07.11.1988 tot wijziging van de wetgeving betreffende de pacht en de beperking van de pachtprijzen (V. 1958 - B. 680) in het WIB een nieuw art. 8bis ingevoegd, luidend als volgt :
"In afwijking van artikel 7, § 1, eerste lid, 2°, b, is vrijgesteld het netto-inkomen van de onroerende goederen die het voorwerp uitmaken van een loopbaanpacht, zoals bepaald in artikel 8, § 3, van afdeling III van boek III, titel VIII, hoofdstuk II van het Burgerlijk Wetboek".
II. ALGEMEEN
3. Art. 7, U 1, 1° lid, 2°, b, WIB, bepaalt dat de eigenaar die een onroerend goed verhuurt ofwel aan een natuurlijke persoon die het gebruikt voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid, ofwel aan een rechtspersoon, vennootschap, enz. ..., belastbaar is op het K.I. van het onroerend goed en het gedeelte van het nettobedrag van de huurprijs en de huurlasten dat het K.I. overtreft (d.i. het huurexcedent) samen.
4. De nieuwe wettelijke bepalingen voorzien in twee afwijkingen op dit algemene principe :
III. VERHUURDE ONROERENDE GOEDEREN OVEREENKOMSTIG DE PACHTWETGEVING
A. Bedoelde onroerende goederen
5. Art. 1, W. 07.11.1988 tot wijziging van de belasting op de inkomsten uit aan landbouwers verhuurde gronden betreft, niettegenstaande de andersluidende titel van de wet, zowel gebouwde als ongebouwde onroerende goederen, voor zover deze in België zijn gelegen.
Derhalve dient geen onderscheid te worden gemaakt tussen de verschillende verhuurde goederen, ongeacht of het hoevegebouwen dan wel landbouwgronden betreft.
6. Het moet evenwel een onroerend goed betreffen dat verhuurd wordt overeenkomstig de pachtwetgeving, omschreven in afdeling III van het boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek en gewijzigd door de W. 07.11.1988, tot wijziging van de wetgeving betreffende de pacht en de beperking van de pachtprijzen.
7. Uit art. 1, W. 07.11.1988 tot wijziging van de wetgeving betreffende de pacht en de beperking van de pachtprijzen, volgt dat inzonderheid als pacht wordt beschouwd "de pacht van onroerende goederen die, hetzij vanaf de ingenottreding van de pachter, hetzij krachtens een overeenkomst van partijen in de loop van de pachttijd, hoofdzakelijk gebruikt worden in zijn landbouwbedrijf, met uitsluiting van de bosbouw".
8. Hetzelfde wetsartikel omschrijft het begrip "landbouwbedrijf" als "de bedrijfsmatige exploitatie van onroerende goederen met het oog op het voortbrengen van landbouwprodukten die in hoofdzaak bestemd zijn voor de verkoop".
10. Voor de toepassing van art. 7, WIB, worden de in een tuinbouwbedrijf gebruikte gebouwen en terreinen op dezelfde wet behandeld als die van een landbouwbedrijf. Bijgevolg moet geen onderscheid worden gemaakt tussen gewone en speciale teelten.
B. Belastingstelsel
11. Bij de eigenaar van zulke onroerende goederen is alleen het K.I. belastbaar. Het huurexcedent wordt dus niet als onroerend inkomend inkomen belast.
Voormelde regel geldt tevens voor het deel van de hoeve dat tot woning van de landbouwer en zijn gezin dient.
12. Indien de verhuring niet overeenkomstig de pachtwetgeving gebeurt (bv. ingevolge het niet naleven van de bepalingen betreffende de beperking van de pachtprijzen), is het gewone belastingstelsel van toepassing en wordt het huurexcedent overeenkomstig art. 7, § 1, 1° lid, 2°, b, WIB, bij het K.I. van het onroerend goed opgeteld.
C. Inwerkingtreding
13. De nieuwe wettelijke bepaling is van toepassing met ingang van het aj. 1988 (art. 2 van bedoelde wet).
Voor het aj. 1988 zijn de betrokken belastingplichtigen, door een bericht in het B.S. van 30.07.1988 en het B. 675 verzocht hun aanslagdienst, in een afzonderlijk schrijven of in hun aangifte PB, de nodige inlichtingen te verstrekken om het belasten van het huurexcedent van de goederen in kwestie voorlopig op te schorten. De richtlijnen die dienaangaande aan de belastingdiensten zijn verstrekt (circ. 01.08.1988, nr. Ci.RH.221/365.042), zijn aldus door de wet bekrachtigd.
Indien ondanks deze maatregelen toch nog huurgelden zijn belast, moeten de passende ontheffingen worden verleend, hetzij ambtshalve, hetzij ingevolge een door de belastingplichtige ingediend bezwaarschrift.
IV. ONROERENDE GOEDEREN ONDER LOOPBAANPACHT
A. Bedoelde onroerende goederen
14. Zowel gebouwde als ongebouwde onroerende goederen komen ter zake in aanmerking.
Als enige voorwaarde is gesteld dat het onroerend goed het voorwerp is van een loopbaanpacht.
B. Definitie van de loopbaanpacht
15. De loopbaanpacht is een nieuwigheid die is verwoord in art. 8, § 3, van afdeling III van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek en is ingevoerd door art. 6, W. 07.11.1988 tot wijziging van de wetgeving betreffende de pacht en de beperking van de pachtprijzen.
De loopbaanpacht vertoont de volgende kenmerken :
C. Belastingstelsel
16. Overeenkomstig art. 8bis (nieuw), WIB, zijn de inkomsten uit onroerende goederen onder loopbaanpacht volledig van PB vrijgesteld.
Dit betekent dat noch het K.I. van de desbetreffende onroerende goederen, noch het eventuele huurexcedent bij de eigenaar in de PB worden belast.
Deze onroerende goederen blijven weliswaar aan de O.V. onderworpen en deze O.V. mag in geen geval met de PB verrekend worden aangezien de ermede verband houdende inkomsten niet in de belastbare grondslag zijn begrepen (art. 137, KB/WIB).
Opmerking
17. De betrokken belastingplichtige heeft niet de mogelijkheid de vrijstelling te verzaken en zijn inkomsten aan te geven met het oog op de aftrek van interesten van schulden of de verrekening van de O.V.
D. Inwerkingtreding
18. De W. 07.11.1988 tot wijziging van de wetgeving betreffende de pacht en de beperking van de pachtprijzen bevat geen enkele bepaling met betrekking tot haar inwerkingtreding.
Volgens de algemene regel is die wet derhalve van toepassing vanaf de tiende dag na haar publikatie in het Belgisch Staatsblad, d.w.z. van af 16 december 1988.
De vanaf dat tijdstip uit een loopbaanpacht verkregen inkomsten, zijn dus volledig van PB vrijgesteld.
Circulaire nr. Ci.RH.221/404.202 dd. 30.05.1989
Bull. nr. 685, pag. 1409
ONROERENDE GOEDEREN
Loopbaanpacht
Verhuring overeenkomstig de pachtwetgeving
ONROERENDE INKOMSTEN
Inkomsten niet aan te geven in de PB
Onroerende goederen door de huurder voor zijn beroepswerkzaamheid gebruikt
Verhuring overeenkomstig de pachtwetgeving
PACHT
Loopbaanpacht
Verhuring overeenkomstig de pachtwetgeving
Commentaar op :
- W. 07.11.1988 tot wijziging van de belasting op de inkomsten uit aan landbouwers verhuurde gronden;
- art. 43, W. 07.11.1988 tot wijziging van de wetgeving betreffende de pacht en de beperking van de pachtprijzen.
INHOUDSTAFEL I. WETTEKSTEN 1 en 2 II. ALGEMEEN 3 en 4 III. OVEREENKOMSTIG DE PACHTWETGEVING VERHUURDE ONROERENDE GOEDEREN A. Bedoelde onroerende goederen 5 tot 10 B. Belastingstelsel 11 en 12 C. Inwerkingtreding 13 IV. ONROERENDE GOEDEREN ONDER LOOPBAANPACHT A. Bedoelde onroerende goederen 14 B. Definitie van de loopbaanpacht 15 C. Belastingstelsel 16 en 17 D. Inwerkingtreding 18 I. WETTEKSTEN
1. Art. 1, W. 07.11.1988 tot wijziging van de belasting op de inkomsten uit de aan landbouwers verhuurde gronden (V. 1959 - B. 680) heeft aan art. 7, § 1, WIB, een tweede lid toegevoegd, luidend als volgt :
"In afwijking van het eerste lid, 2°, b, wordt het kadastraal inkomen niet verhoogd met het gedeelte van het nettobedrag van de huurprijs en de huurlasten dat hoger ligt dan het kadastraal inkomen, wanneer het gaat om in België gelegen onroerende goederen die door de huurder worden gebruikt voor land- of tuinbouwdoeleinden en die worden verhuurd overeenkomstig de pachtwetgeving".
2. Anderzijds heeft art. 43, W. 07.11.1988 tot wijziging van de wetgeving betreffende de pacht en de beperking van de pachtprijzen (V. 1958 - B. 680) in het WIB een nieuw art. 8bis ingevoegd, luidend als volgt :
"In afwijking van artikel 7, § 1, eerste lid, 2°, b, is vrijgesteld het netto-inkomen van de onroerende goederen die het voorwerp uitmaken van een loopbaanpacht, zoals bepaald in artikel 8, § 3, van afdeling III van boek III, titel VIII, hoofdstuk II van het Burgerlijk Wetboek".
II. ALGEMEEN
3. Art. 7, U 1, 1° lid, 2°, b, WIB, bepaalt dat de eigenaar die een onroerend goed verhuurt ofwel aan een natuurlijke persoon die het gebruikt voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid, ofwel aan een rechtspersoon, vennootschap, enz. ..., belastbaar is op het K.I. van het onroerend goed en het gedeelte van het nettobedrag van de huurprijs en de huurlasten dat het K.I. overtreft (d.i. het huurexcedent) samen.
4. De nieuwe wettelijke bepalingen voorzien in twee afwijkingen op dit algemene principe :
- de eerste betreft de overeenkomstig de pachtwetgeving verhuurde onroerende goederen, waarvoor alleen het K.I. aan de PB onderworpen blijft;
- de tweede voert en volledige vrijstelling in van PB (maar niet van O.V.), voor onroerende goederen die het voorwerp zijn van een loopbaanpacht.
III. VERHUURDE ONROERENDE GOEDEREN OVEREENKOMSTIG DE PACHTWETGEVING
A. Bedoelde onroerende goederen
5. Art. 1, W. 07.11.1988 tot wijziging van de belasting op de inkomsten uit aan landbouwers verhuurde gronden betreft, niettegenstaande de andersluidende titel van de wet, zowel gebouwde als ongebouwde onroerende goederen, voor zover deze in België zijn gelegen.
Derhalve dient geen onderscheid te worden gemaakt tussen de verschillende verhuurde goederen, ongeacht of het hoevegebouwen dan wel landbouwgronden betreft.
6. Het moet evenwel een onroerend goed betreffen dat verhuurd wordt overeenkomstig de pachtwetgeving, omschreven in afdeling III van het boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek en gewijzigd door de W. 07.11.1988, tot wijziging van de wetgeving betreffende de pacht en de beperking van de pachtprijzen.
7. Uit art. 1, W. 07.11.1988 tot wijziging van de wetgeving betreffende de pacht en de beperking van de pachtprijzen, volgt dat inzonderheid als pacht wordt beschouwd "de pacht van onroerende goederen die, hetzij vanaf de ingenottreding van de pachter, hetzij krachtens een overeenkomst van partijen in de loop van de pachttijd, hoofdzakelijk gebruikt worden in zijn landbouwbedrijf, met uitsluiting van de bosbouw".
8. Hetzelfde wetsartikel omschrijft het begrip "landbouwbedrijf" als "de bedrijfsmatige exploitatie van onroerende goederen met het oog op het voortbrengen van landbouwprodukten die in hoofdzaak bestemd zijn voor de verkoop".
| 9. |
Art. 2 van dezelfde wet sluit uitdrukkelijk uit : |
- de pacht van onroerende goederen die gebruikt worden voor industriële vetmesterij en industriële fokkerij, onafhankelijk van een landbouwbedrijf;
- de overeenkomsten waarvan het voorwerp een duur van minder dan één jaar gebruik in zich sluit en waardoor de exploitant van gronden en weiden, na de voorbereidings- en bemestingswerken te hebben uitgevoerd, het genot daarvan voor een bepaalde landbouwteelt aan een derde afstaat tegen betaling.
10. Voor de toepassing van art. 7, WIB, worden de in een tuinbouwbedrijf gebruikte gebouwen en terreinen op dezelfde wet behandeld als die van een landbouwbedrijf. Bijgevolg moet geen onderscheid worden gemaakt tussen gewone en speciale teelten.
B. Belastingstelsel
11. Bij de eigenaar van zulke onroerende goederen is alleen het K.I. belastbaar. Het huurexcedent wordt dus niet als onroerend inkomend inkomen belast.
Voormelde regel geldt tevens voor het deel van de hoeve dat tot woning van de landbouwer en zijn gezin dient.
12. Indien de verhuring niet overeenkomstig de pachtwetgeving gebeurt (bv. ingevolge het niet naleven van de bepalingen betreffende de beperking van de pachtprijzen), is het gewone belastingstelsel van toepassing en wordt het huurexcedent overeenkomstig art. 7, § 1, 1° lid, 2°, b, WIB, bij het K.I. van het onroerend goed opgeteld.
C. Inwerkingtreding
13. De nieuwe wettelijke bepaling is van toepassing met ingang van het aj. 1988 (art. 2 van bedoelde wet).
Voor het aj. 1988 zijn de betrokken belastingplichtigen, door een bericht in het B.S. van 30.07.1988 en het B. 675 verzocht hun aanslagdienst, in een afzonderlijk schrijven of in hun aangifte PB, de nodige inlichtingen te verstrekken om het belasten van het huurexcedent van de goederen in kwestie voorlopig op te schorten. De richtlijnen die dienaangaande aan de belastingdiensten zijn verstrekt (circ. 01.08.1988, nr. Ci.RH.221/365.042), zijn aldus door de wet bekrachtigd.
Indien ondanks deze maatregelen toch nog huurgelden zijn belast, moeten de passende ontheffingen worden verleend, hetzij ambtshalve, hetzij ingevolge een door de belastingplichtige ingediend bezwaarschrift.
IV. ONROERENDE GOEDEREN ONDER LOOPBAANPACHT
A. Bedoelde onroerende goederen
14. Zowel gebouwde als ongebouwde onroerende goederen komen ter zake in aanmerking.
Als enige voorwaarde is gesteld dat het onroerend goed het voorwerp is van een loopbaanpacht.
B. Definitie van de loopbaanpacht
15. De loopbaanpacht is een nieuwigheid die is verwoord in art. 8, § 3, van afdeling III van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek en is ingevoerd door art. 6, W. 07.11.1988 tot wijziging van de wetgeving betreffende de pacht en de beperking van de pachtprijzen.
De loopbaanpacht vertoont de volgende kenmerken :
- zij wordt afgesloten voor een vaste duur die gelijk is aan het verschil tussen het ogenblik waarop de pachter vijfenzestig jaar zal zijn en de huidige leeftijd van de kandidaat-pachter. Deze vaste periode moet ten minste 27 jaar omvatten (de pachter mag dus niet ouder zijn dan 38 jaar op de dag waarop de pacht wordt gesloten). Indien er meerdere pachters zijn, wordt de vaste duur berekend volgens de leeftijd van de jongste medepachter;
- op het einde van een loopbaanpacht kan de verpachter van rechtswege vrij over zijn goed beschikken zonder dat de pachter zich hiertegen kan verzetten;
- onderpacht en pachtoverdracht zijn mogelijk zonder dat hierdoor echter de vaste duur overschreden kan worden;
- wanneer de pachter in het bezit van het goed wordt gelaten na het einde van de loopbaanpacht, wordt deze stilzwijgend van jaar tot jaar verlengd.
C. Belastingstelsel
16. Overeenkomstig art. 8bis (nieuw), WIB, zijn de inkomsten uit onroerende goederen onder loopbaanpacht volledig van PB vrijgesteld.
Dit betekent dat noch het K.I. van de desbetreffende onroerende goederen, noch het eventuele huurexcedent bij de eigenaar in de PB worden belast.
Deze onroerende goederen blijven weliswaar aan de O.V. onderworpen en deze O.V. mag in geen geval met de PB verrekend worden aangezien de ermede verband houdende inkomsten niet in de belastbare grondslag zijn begrepen (art. 137, KB/WIB).
Opmerking
17. De betrokken belastingplichtige heeft niet de mogelijkheid de vrijstelling te verzaken en zijn inkomsten aan te geven met het oog op de aftrek van interesten van schulden of de verrekening van de O.V.
D. Inwerkingtreding
18. De W. 07.11.1988 tot wijziging van de wetgeving betreffende de pacht en de beperking van de pachtprijzen bevat geen enkele bepaling met betrekking tot haar inwerkingtreding.
Volgens de algemene regel is die wet derhalve van toepassing vanaf de tiende dag na haar publikatie in het Belgisch Staatsblad, d.w.z. van af 16 december 1988.
De vanaf dat tijdstip uit een loopbaanpacht verkregen inkomsten, zijn dus volledig van PB vrijgesteld.
Bron: FisconetPlus
