Duitsland - Circulaire Circ. 954 dd. 05.07.1971

Bulletin nr. 488, p. 1489-1539

Dubbelbelastingverdragen. - Bondsrepubliek Duitsland.

Overeenkomst van 11 april 1967 tussen België en de Bondsrepubliek Duitsland.

KORTE INHOUD

I. Algemene beschouwingen.

A. Belangrijke data

B. Algemene draagwijdte van de overeenkomst

C. Opstelling van bijzondere termijnen door de goedkeuringswet

II. Synoptische tabellen die op bondige wijze de regeling aangeven die in België van toepassing is op de verschillende categorieën van inkomsten

III. Nadere toelichting en wijze van uitvoering van sommige bepalingen

A. Bepaling van sommige begrippen in verband met de reikwijdte van de overeenkomst.

1 ° Persoon en verblijfhouder.

2° Belastingen.

B. Belastingheffing naar de inkomsten.

1 ° Inkomsten van onroerende goederen - Vermindering van A.0.V.

2° Ondernemingswinst.

3° Belastingheffing van roerende inkomsten in de bronstaat.

1.Roerende inkomsten van Belgische afkomst verkregen door verblijfhouders van Duitsland

a) Dividenden.

b) Interest.

c) Royalty's.

d) Bovenmatig deel van interest en royalty's.

2. Roerende inkomsten van Duitse oorsprong verkregen door verblijfhouders van België.

a) Dividenden.

b) Interest.

c) Royalty's.

d) Bovenmatig deel van interest en royalty's.

4° Lonen en salarissen van de particuliere sector.

5° Openbare beloningen en pensioenen.

6° Artiesten en sportbeoefenaars.

7° Pensioenen en andere sociale uitkeringen.

8° Geldbedragen door de Bondsrepubliek Duitsland toegekend als vergoeding voor schade die als gevolg van oorlogshandelingen of politieke vervolgingen is ontstaan.

C. Vermijding van dubbele belasting in België.

D. Vennoten van personenvennootschappen.

E. Non-discriminatie (art. 24).

F. Minnelijke regeling (art. 25).

G. Uitwisseling van inlichtingen (art. 26).

H. Wederzijdse bijstand voor de invordering van belastingen (art. 27).

Bijlage: lijst van de gemeenten die respectievelijk in de Belgische en de Duitse grenszone zijn gelegen.

I. - Algemene beschouwingen.

A. Belangrijke data.

Ondertekening van de overeenkomst: 11.4.1967.

Goedkeuring: wet van 9.7.1969.

Uitwisseling van de bekrachtigingsoorkonden: 15.7.1969

Publicatie: Belgisch Staatsblad van 30.7.1969.

Inwerkingtreding: 30.7.1969.

Toepassing:

in België

a) op de bij de bron verschuldigde belastingen op inkomsten die na 31.12.1965 zijn toegekend of betaalbaar gesteld;

b) op de andere belastingen geheven van inkomsten van belastbare tijdperken die na 31.12.1965 eindigen;

in Duitsland

a) op de bij de bron verschuldigde belastingen op inkomsten die na 31.12.1965 zijn toegekend;

b) op de andere belastingen die voor de jaren 1966 en volgende worden geheven.

B. Algemene draagwijdte van de overeenkomst.

De Belgisch-Duitse over. beoogt in de eerste plaats de voorkoming van dubbele belastingheffing over het inkomen en over het vermogen (art. 6 tot 23) maar voorziet tevens in wederzijdse administratieve bijstand voor de vestiging (art. 2G) en voor de invordering (art. 27) van de in de overeenkomst bedoelde belastingen. Hier weze aangestipt dat, zoals uitdrukkelijk in punt 17 van het Slotprotocol bedongen is, beide Staten het recht behouden de bepalingen van hun wetgeving toe te passen, die er toe strekken belastingevasie en belastingontduiking te vermijden.

Daarnaast bevat de overeenkomst bepalingen betreffende verschillende aangelegenheden die gewoonlijk in een dubbelbelastingverdrag worden geregeld.

De hierna volgende onderrichtingen bevatten een algemene kommentaar en hernemen ook de voornaamste richtlijnen van onmiddellijk belang die in de gestencilde circ. van 9.10.1969. nr Ci.R 9 D/250.178, werden verstrekt.

C. Openstelling van bijzondere termijnen door de goedkeuringswet.

a) Termijn van ontheffing.

Art. 3 van de goedkeuringswet maakte het mogelijk ontheffing te verlenen van aanslagen die in strijd met de bepalingen van de overeenkomst zouden zijn gevestigd en volgens het gemeen recht niet meer voor herziening vatbaar zouden zijn.

De ontheffing kon door de gewestelijke directeur der belastingen worden verleend :

- of wel van ambtswege binnen de termijn van één jaar vanaf de bekendmaking van de goedkeuringswet in het Belgisch Staatsblad, d.w.z. uiterlijk tot 29.7.1970 ;

- of wel naar aanleiding van een gemotiveerd verzoekschrift dat ten laatste op 29.7.1970 bij de voornoemde ambtenaar was ingediend.

N.B. - Wanneer de directeur der belastingen uitspraak doet over een verzoekschrift dat tijdig werd ingediend binnen de uitzonderingstermijn van één jaar, doch niet als een geldig bezwaarschrift in de zin van de art. 267 en 272, W.I.B., kan worden beschouwd, verleent art. 3 van de goedkeuringswet deze ambtenaar niet de bevoegdheid om de aanslag waarop het verzoekschrift betrekking heeft ten nadele van de belastingplichtige te verbeteren en eventueel, na het verstrijken van de gewone aanslagtermijnen, de inkohiering van een belastingsupplement te bevelen, zelfs indien dit supplement het gevolg zou zijn van de juiste toepassing van de bepalingen der overeenkomst.

b) Termijn van inkohiering.

Art. 4 van de goedkeuringswet machtigde de administratie belastingen of belastingsupplementen die op grond van de overeenkomst verschuldigd zijn inzake inkomsten die tijdens het jaar 1966 zijn toegekend of betaalbaar gesteld of die voor het aanslagjaar 1967 belastbaar zijn, uiterlijk tot 29.7.1970 te vestigen.

Belastingen of supplementen over andere aanslagjaren die steunen op de bepalingen van de overeenkomst dienden dus binnen de gewone aanslagtermijnen te worden gevestigd, tenzij in geval van regelmatig bezwaarschrift dat binnen de in art. 272, W.I.B., bepaalde termijn werd ingediend.

II. - Synoptische tabellen die op bondige wijze de regeling aangeven die in België van toepassing is op de verschillende categorieën van inkomsten.

Inleidende opmerkingen.

1. Inkomsten van Belgische oorsprong die in België van belasting vrijgesteld komen in aanmerking voor de bepaling van het tarief van de B.N.V./nat. pers., indien de verkrijger van de inkomsten zich in de bij de art. 148, 149 en 151, W.I.B. (1) bedoelde voorwaarden bevindt.

--------

(1) De belastingheffing naar het minimuminkomen dat gelijk is aan het dubbel van het kadastraal inkomen is evenwel niet van toepassing op verblijfhouders van Duitsland die hier te lande over een woning beschikken (cf. Deel III, nr 66).

2. Evenzo komen – op een uitzondering na – de in België vrijgestelde inkomsten van Duitse oorsprong in aanmerking voor oe bepaling van het tarief van de P.B. dat op de andere inkomsten van de rijksinwoners van toepassing is (cf. Deel III, nrs 50 en 56).

3. - De inkomsten van Duitse oorsprong die bij over. van de Duitse belastingen zijn vrijgesteld en in België aan de P.B. of de Ven.B., zijn onderworpen, moeten deze belasting tegen het volle tarief ondergaan.

REGELING IN BELGIE VAN TOEPASSING

Op Belgische inkomsten van verblijfhouders van Duitsland

Op Duitse inkomsten van verblijfhouders van België

A. Inkomsten uit onroerende goederen

(meerwaarden inbegrepen)

O.V., en eventueel B.N.V., volgens het gemeen recht (art. 6 en 13, § 1).

A.O.V. beperkt tot het deel van de - eventueel fictief berekende - B.N.V. dat op de Belgische onroerende inkomsten betrekking heeft (nr 3,

Prat. - cf. Deel Ill, nr 9).

Vrijstelling (art. 6, 13, § 1 en 23, § 2, 1°).

B. Roerende inkomsten.

1. Dividenden (2)

a) Dividenden toegekend of betaalbaar gesteld van 1.1.1966 tot 31.12.1966 :

R.V. volgens gemeen recht. Geen A.R.V., indien de deelneming die de dividenden oplevert niet wezenlijk is verbonden met een Belgische vaste inrichting van de genieter; gemeen recht in het tegenovergestelde geval (art. 10, §§ 2 en 6 ; nr 5, Prot.).

b) Dividenden toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1.1.1967 :

R.V. beperkt tot 15 t.h. indien de deelneming die de dividenden oplevert niet wezenlijk is verbonden met een Belgische vaste inrichting van de genieter; gemeen recht in het tegenovergestelde geval (art. 10, § 2 en 6).

- Gemeen recht, behalve facultatieve vrijstelling van R.V. op Duitse dividenden verkregen door Belgische vennootschappen (art. 23, § 2, 3°, a en b).

- Vrijstelling indien de deelneming die de dividenden oplevert wezenlijk is verbonden met een Duitse vaste inrichting van de genieter (art. 10, § 6 en art. 23, § 2, 1 °).

---------

(2) Dit woord omvat ook de inkomsten – interest inbegrepen – die belastbaar zijn als inkomsten uit kapitalen belegd door vennoten in Belgische personenvennootschappen (art. 10, § 5, 2e lid, 1°, over.) alsmede de in nr 26 van Deel III bedoelde inkomsten.

2. Interest

a) Normale interest toegekend aan een onderneming :

Vrijstelling van R.V. (en A.R.V.), behalve indien het gaat om

- interest van obligaties of andere effecten van leningen of om interest door een Belgische

vennootschap betaald aan een Duitse vennootschap die onmiddellijk of middellijk

ten minste 25 t.h. van de stemgerechtigde aandelen der eerste vennootschap bezit (art. 11, § .3 - cf. Deel III, nr 18) ;

- interest betaald uit hoofde van een lening, een schuldvordering of een deposito die wezenlijk zijn verbonden met een Belgische vaste inrichting van de genieter (art. 11, § 5).

b) Normale interest waarop de vrijstelling sub a niet van toepassing is en toegekend van 1.1.1966 tot 31.12.1966 :

R. V. volgens gemeen recht.

Geen A.R.V. indien de lening, de schuldvordering of het deposito uit hoofde waarvan de interest wordt betaald niet wezenlijk is verbonden met een Belgische vaste inrichting van de genieter (art. 11, §§ 2 en 5 ; nr 6, Prot.)

c) Normale interest waarop de vrijstelling sub a niet van toepassing is en toegekend vanaf 1.1.1967 :

R.V. beperkt tot 15 t.h. wanneer de lening, de schuldvordering of het deposito uit hoofde waarvan de interest wordt betaald niet wezenlijk zijn verbonden met een Belgische vaste inrichting van de genieter (art. 11, §§ 2 en 5 - cf. Deel III, nr 17).

d) Interest betaald uit hoofde van een lening, een schuldvordering of een deposito die wezenlijk zijn verbonden met een Belgische vaste inrichting van de genieter : gemeen recht (art. 11, § 5).

e) Overdreven deel van interest : gemeen recht voor de toepassing van de P.B. en Ven.B. (en eventueel B.N.V.) in hoofde van de schuldenaar, maar beperking van de R.V. tot 15 t.h. (art. 11, § 7).

a) Vrijstelling indien de lening, de schuldvordering of het deposito die de interest opleveren wezenlijk zijn verbonden met een Duitse vaste inrichting van de genieter (art. 11, § 5 en art. 23, § 2, 1°).

b) Belastingheffing volgens het gemeen recht, met verrekening van het F.B.B., over :

- interest die voortkomt van obligaties of soortgelijke effecten, alsmede van een schuldvordering ingeschreven in een Grootboek van de Duitse openbare schuld, wanneer die obligaties, effecten of schuldvorderingen niet wezenlijk zijn verbonden met een Duitse vaste inrichting van de genieter (art. 11, §§ 2 en 5 en art. 23, § 2, 2°) ;

- het overdreven deel van interest indien dit deel werkelijk aan de Duitse belasting werd onderworpen (art. 11, § 7 en art. 23, § 2, 2°).

c) Belastingheffing tegen het volle tarief (geen F.B.B.) over

- interest die door een Belgische onderneming wordt verkregen, behalve in de gevallen bedoeld sub a en b hierboven (art. 11. § 3)

- andere interest die niet voortkomt van obligaties of soortgelijke effecten of van schuldvorderingen : ingeschreven in een Grootboek van de Duitse openbare schuld, behalve in een geval als bedoeld sub a hierboven (art. 11, § 2 en Duitse wetgeving - cf. Deel III, nr 29).

3. Royalty’s (auteursrechten inbegrepen).

a) Algemene regel: vrijstelling (art. 12, § 1).

b) Gemeen recht indien het recht of het goed dat de royalty's opbrengt wezenlijk is verbonden met een Belgische vaste inrichting van de genieter (art. 12,

§ 3).

c) Overdreven deel van de royalty's: gemeen recht voor de toepassing van de P.B. en Ven.B. (en eventueel de B.N.V.) in hoofde van de schuldenaar, maar beperking van de R.V. tot 15 t.h. (art. 12, §§ 5 en 6).

a) Algemene regel: belastingheffing tegen het volle tarief - F.B.B. enkel voor het in Duitsland belaste overdreven deel van de royalty's (art. 12, §§ 1, 5 en 6).

b) Vrijstelling indien het recht of het goed dat de royalty's oplevert wezenlijk is verbonden met een Duitse vaste inrichting van de genieter (art. 12, § 3 en art. 23, § 2, 1°).

C. Bedrijfsinkomsten.

1. Winsten (meerwaarden inbegrepen) uit de exploitatie van schepen en luchtvaartuigen in internationaal verkeer en van binnenschepen, alsmede winsten (en meerwaarden) uit een spoorwegexploitatie.

Vrijstelling wanneer de plaats van de werkelijke leiding van de scheepvaart-, luchtvaart- of spoorwegonderneming in Duitsland is gelegen (art. 8 en art. 13, § 2, lid 2).

Belastingheffing tegen het plaats volle tarief van de scheepvaart-, luchtvaart- of spoor- luchtvaart- of spoorwegondernemingen waarvan de plaats van werkelijke leiding in België is gelegen (art. 8 en art. 13, § 2, lid 2).

2. Handels- en nijverheidswinsten (meerwaarden inbegrepen).

Belastbaar in de mate dat zij aan een Belgische vaste inrichting kunnen worden toegerekend (art. 7, § 1 en art. 13, § 2).

B.N.V./Ven. ten laste van Duitse vennootschappen : tarief van het gemeen recht (art. 24, § 4 ; nr 15, 1°, b, Prot.).

Vrijstelling van inkomsten die aan een Duitse vaste inrichting kunnen worden toegerekend (art. 7. § 1, art. 13, § 2 en art. 23, § 2, 1°).

Idem voor inkomsten - niet zijnde inkomsten uit belegde kapitalen - toegekend aan vennoten van Belgische personenvennootschappen

3. Openbare bezoldigingen en pensioenen.

a) Wedden en pensioenen betaald aan personen die geen onderdaan zijn van Duitsland of die terzelfder tijd onderdaan zijn van België en van Duitsland :

- door de Belgische Staat, een staatkundig

onderdeel of een plaatselijke gemeenschap van België of door een Belgische rechtspersoon naar publiek recht, wegens diensten die niet zijn verricht in verband met enig handels- of nijverheidsbedrijf ;

- door de N.M.B.S., de Nationale Bank van België of de R.T.T. : heffing van de Belgische belastingen (art. 19, §§ 1 en 2 - cf. Deel III, nrs 46 en 47).

b) Andere gevallen: cf. nrs 4 of 5 hierna.

a) Wedden en pensioenen betaald aan personen die geen onderdaan zijn van België of die terzelfder tijd onderdaan zijn van België en van Duitsland :

- door de Duitse Staat. Staat, een Land, een staatkundig onderdeel of plaatselijke gemeenschap of door een Duitse rechtspersoon naar publiek recht, wegens diensten die niet zijn verricht in verband met enig handels- of nijverheidsbedrijf ;

- door de Deutsche Bundesbank, de Deutsche Bundesbank of de Deutsche Bundes post : vrijstelling (art. 19, §§ 1 en 2).

b) Andere gevallen: cf. nrs 4 of 5 hierna.

c) Pensioenen, lijfrenten en andere al dan niet periodieke uitkeringen door de Duitse Staat, een Land, een staatkundig onderdeel of plaatselijke gemeenschap, als vergoeding voor schade ten gevolge van oorlogshandelingen of politieke vervolging : vrijstelling (3) (art. 19, § 4)

-------

(3) In afwijking van de algemene regel komen de in c bedoelde inkomsten niet in aanmerking voor het bepalen van het tarief van de P.B., dat op : de andere, in België belastbare inkomsten van de verkrijger van toepassing is (cf. art. 23, § 2. 1°)

4. Andere bezoldigingen

a) Voor in België uitgeoefende werkzaamheden, behalve in de hierna bedoelde gevallen: gemeen recht (art. 15, § 1).

b) Voor tijdelijk in België uitgeoefende werkzaamheden in dienst van een buitenlandse werkgever: vrijstelling indien de werkzaamheden gedurende niet meer dan 183 dagen in de loop van een kalenderjaar worden uitgeoefend en indien de bezoldigingen niet ten laste vallen van een Belgische vaste inrichting of van een Belgische vaste basis (art. 15, § 2).

c) Bezoldigingen van Duitse grensarbeiders die in België zijn tewerkgesteld: vrijstelling (art. 15, § 3, 10).

d) Bezoldigingen ter zake van een dienstbetrekking aan boord van een schip of luchtvaartuig in internationaal verkeer, of aan boord van een schip in de binnenvaart :

- gemeen recht indien de plaats van de werkelijke leiding der onderneming in België is gelegen ;

- vrijstelling indien de plaats van de werkelijke leiding der onderneming in Duitsland is gelegen (art. 15, § 3, 20).

e) Bezoldigingen van leraren die voor een periode van ten hoogste twee jaar in België komen onderwijzen of wetenschappelijk onderzoek verrichten : vrijstelling (art. 20, § 1).

a) Voor in Duitsland uitgeoefende werkzaamheden, behalve in de hierna bedoelde gevallen : vrijstelling (art. 15, § 1 en 23, § 2, 1°).

b) Voor tijdelijk in Duitsland uitgeoefende werkzaamheden in dienst van een werkgever die geen verblijfhouder van Duitsland is : belastingheffing tegen het volle tarief indien de werkzaamheden gedurende niet meer dan 183 dagen in de loop van een kalenderjaar worden uitgeoefend en indien de bezoldigingen niet ten laste vallen van een Duitse vaste inrichting of van een Duitse vaste basis (art. 15, § 2).

c) Bezoldigingen van Belgische grensarbeiders die in Duitsland zijn tewerkgesteld: belastingheffing tegen het volle tarief (art. 15, § 3, 1°).

d) Bezoldigingen ter zake van een dienstbetrekking aan boord van een schip of luchtvaartuig in internationaal verkeer, of aan boord van een schip in de binnenvaart :

- vrijstelling indien de plaats van de werkelijke leiding der onderneming in Duitsland is gelegen ;

- belastingheffing tegen het volle tarief indien de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming in België is gelegen (art. 15, § 3, 20).

e) Bezoldigingen van leraren die voor een periode van ten hoogste twee jaar in Duitsland gaan onderwijzen of wetenschappelijk onderzoek verrichten : belastingheffing tegen het volle tarief (art. 20, § 1).

5. Andere pensioenen dan bedoeld onder nr 3.

a) Wettelijke sociale pensioenen : gemeen recht (art. 19, § 3).

b) Andere pensioenen : vrijstelling (art. 18).

a) Wettelijke sociale pensioenen : vrijstelling (art. 19, § 3 en 23, § 2, 1°).

b) Andere pensioenen : belastingheffing tegen het volle tarief (art. 18).

6. Bezoldigingen van beheerders en commissarissen van vennootschappen

Belastingheffing volgens het gemeen recht. Evenwel, vrijstelling van de bezoldigingen toegekend voor de uitoefening van dagelijkse werkzaamheden in een Duitse vaste inrichting, die de last van de bezoldigingen draagt (art. 16)

Vrijstelling. Evenwel, belastingheffing tegen het volle tarief van de bezoldigingen toegekend voor de uitoefening van dagelijkse werkzaamheden in een Belgische vaste inrichting, die de last van de bezoldigingen draagt (art. 16)

7. Baten van vrije beroepen (meerwaarden inbegrepen).

Belastingheffing in de mate dat de baten kunnen worden toegerekend aan werkzaamheden die door middel van een vaste basis in België worden uitgeoefend (art. 14 en 13, § 2).

Vrijstelling indien de baten kunnen worden toegerekend aan werkzaamheden die door middel van een vaste basis in Duitsland worden uitgeoefend ; belastingheffing tegen het volle tarief in het andere geval (art. 14, 13, § 2 en 23, § 2, 1°).

8. Inkomsten van zelfstandige beroepsartiesten en sportbeoefenaars.

Gemeen recht (art. 17).

Vrijstelling (art. 17 en 23, § 2, 1°).

D. Diversen.

1. Niet sub A en C, 1, 2 of 7 bedoelde meerwaarden.

Vrijstelling (art. 13, § 3).

Belastingheffing tegen het volle tarief (art. 13, § 3).

2. Toelagen aan studenten, leerlingen en stagiairs.

Vrijstelling van de toelagen die hun oorsprong in België niet hebben en toegekend worden aan studenten, leerlingen of stagiairs die uitsluitend voor hun onderwijs of hun opleiding in België verblijven (art. 20, § 2).

Gemeen recht voor de toelagen van Belgische oorsprong toegekend aan studenten, leerlingen of stagiairs die uitsluitend voor hun onderwijs of opleiding in Duitsland verblijven (art. 20, § 2).

3. Inkomstenbestanddelen die niet uitdrukkelijk in de overeenkomst zijn vermeld.

Vrijstelling (art. 21).

Gemeen recht (art. 21).

III. - Nadere toelichting en wijze van uitvoering van sommige bepalingen.

A. Bepaling van sommige begrippen in verband met de reikwijdte van de overeenkomst.

1° Persoon en verblijfhouder.

1. De over. is van toepassing op natuurlijke personen en op vennootschappen die op grond van de nationale wetgeving van België en Duitsland worden geacht verblijfhouder te zijn van een van deze Staten of van beide Staten (art. 1 en 4, § 1, over.).

Het woord « vennootschap » omvat (art. 3, § 1. 4°, over.) :

- elke rechtspersoon ;

- elk ander lichaam zonder rechtspersoonlijkheid dat in de Staat waarvan het verblijfhouder is als een eenheid wordt behandeld voor de heffing van de inkomsten- of vermogensbelastingen ;

- de Duitse vennootschappen onder gemeenschappelijke naam (offene Handelsgesellschaften) en bij wijze van eenvoudige geldschieting (Kommanditgesellschaften), alsmede de Duitse rederijen (Partenreedereien), die volgens het Duitse recht geen rechtspersoonlijkheid bezitten,

2. Wanneer een persoon (natuurlijke persoon of vennootschap in de hierboven aangegeven betekenis) terzelfder tijd verblijfhouder is van België en van Duitsland, moet zijn fiscale woonplaats voor de toepassing van de overeenkomst in een van de twee Staten worden gesitueerd volgens de hierna volgende criteria (art. 4, §§ 2 en 3, over.) :

- voor een natuurlijke persoon gelden achtereenvolgens als criterium het duurzaam tehuis, het middelpunt van de levensbelangen, het gewoonlijk verblijf en de nationaliteit ; indien deze criteria geen uitsluitsel geven voor de lokalisatie van de fiscale woonplaats, wordt de zaak opgelost door onderling overleg tussen de administraties van beide Staten (cf. nr 70) ;

- voor een vennootschap wordt de fiscale woonplaats bepaald door de plaats van haar werkelijke leiding ; voor ondernemingen van zeescheepvaart of binnenvaart, waarvan de plaats van de werkelijke leiding zich aan boord van een schip bevindt, moet deze plaats worden gesitueerd in de Staat waarvan de enige of de voornaamste exploitant verblijfhouder is.

Bijzondere gevallen van dubbele fiscale woonplaats.

3. De in nr 2 vermelde criteria vinden geen toepassing in hoofde van de volgende natuurlijke personen, indien deze door de beide Staten als verblijfhouder worden beschouwd (art. 4, § 2, 5°, over.) :

a) personen die als loon- of weddetrekker op vervoermiddelen in internationaal verkeer werkzaam zijn en hun enig duurzaam tehuis aan boord van die vervoermiddelen hebben, worden geacht hun fiscale woonplaats te hebben in de Staat waar de plaats van de werkelijke leiding der onderneming die de vervoermiddelen exploiteert, is gelegen ;

b) binnenschippers die metterwoon aan boord van het door hen geëxploiteerde schip zijn gevestigd, worden geacht hun fiscale woonplaats te hebben in de Staat waarvan zij de nationaliteit bezitten.

Personen die op grond van andere overeenkomsten de exceptie van fiscale woonplaats genieten.

a) Internationale en Europese ambtenaren.

4. Volgens nr 1, Prot., betekent de uitdrukking « de wetgeving van die Staat » welke in art. 4, § 1, over., voorkomt, de wetgeving van die Staat zoals ze in verband met de belastingplichtigheid van sommige personen door internationale verdragen is gewijzigd of aangevuld.

Deze precisering beoogt in hoofdzaak de ambtenaren en andere personeelsleden van internationale (o.a. de Europese) instellingen, die krachtens de bepalingen van een internationaal verdrag de exceptie van fiscale woonplaats genieten, d.w.z. dat zij worden geacht hun fiscale woonplaats niet te hebben in het land waar zij in feite zijn gevestigd. (Voorbeeld : de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen op wie art. 14 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen van toepassing is - cf. W.I.B., Deel V, 3, bijlage XVI).

De in België gevestigde internationale en Europese ambtenaren en beambten, die aldus voor de toepassing van de Belgische belastingen niet als rijksinwoner worden behandeld, kunnen dus evenmin als verblijfhouder van België voor de toepassing van de Belgisch-Duitse overeenkomst worden beschouwd.

Indien die ambtenaren en beambten evenwel op grond van de bepalingen van het verdrag, waaraan zij hun bijzonder status ontlenen, moeten worden geacht hun fiscale woonplaats in Duitsland te hebben, kunnen zij genieten van de vrijstellingen of verminderingen van Belgische belasting, waarin de overeenkomst van 11 april 1967 voorziet ten behoeve van de verblijfhouders van Duitsland, met betrekking tot hun inkomsten van Belgische oorsprong.

b) Ambtenaren en beambten, alsmede spoorwegpersoneel, tewerkgesteld in gemeenschappelijke stations of uitwisselingsstations in het Belgisch-Duitse grensgebied.

5. Volgens art. 28, § 2, over., brengt het dubbelbelastingverdrag geen wijziging aan de bepalingen van de art. 18, § 2, en 31. § 2, van de overeenkomst tussen België en Duitsland van 15 mei 1956 betreffende de oprichting van kantoren waar de nationale controles van beide landen naast elkaar geschieden, betreffende de controles in de rijdende treinen en de aanwijzing van gemeenschappelijke stations en van uitwisselingsstations, voor het verkeer over de Belgisch-Duitse grens (wet van 5.5.1960. Belgisch Staatsblad van 30.9.1960).

Bedoeld art. 18, § 2, over., van 15.5.1956 bepaalt :

- dat de ambtenaren en beambten van de met de grenscontroles belaste administraties van het aangrenzende land worden geacht hun fiscaal domicilie naar het grondgebied van het andere land niet te hebben overgebracht, indien hun verblijf op dat grondgebied enkel gerechtvaardigd is door het uitoefenen van hun dienst binnen het raam van deze overeenkomst ;

- dat zij onder dezelfde voorwaarden in het land van verblijf vrij zijn van alle directe belastingen op hun officiële bezoldiging.

Art. 31, § 2, over. van 15.5.1956, maakt deze regeling mede van toepassing op het personeel van de spoorwegadministratie van een der beide landen, die op het grondgebied van het andere land hun dienst uitoefenen in de stations waar de nationale controles van beide landen naast elkaar geschieden of in de gemeenschappelijke stations of de uitwisselingsstations of in de treinen tussen deze stations en de grens.

Aangezien het dubbelbelastingverdrag de hierboven aangehaalde bepalingen onverlet laat, worden de ambtenaren en beambten van de Belgische douanen of van de Belgische diensten belast met de passencontrole (rijkswacht, enz.), alsmede de personeelsleden van de N.M.B.S. die in Duitsland zouden verblijven en aldaar de exceptie van fiscale woonplaats genieten, ook voor de toepassing van de overeenkomst van 11.4.1967 als verblijfhouders van België beschouwd.

Anderdeels zijn de lonen en salarissen van die personen in elk geval alleen in België belastbaar, niettegenstaande d bepalingen van het dubbelbelastingverdrag ; m.a.w. de toepassing van de overeenkomst van 15.5.1956 heeft voorrang op de overeenkomst van 11.4.1967 (zie nrs 44 tot 47).

Beperkte gevolgen van de verdragsdefinitie van verblijfhouder.

6. Indien een belastingplichtige op grond van de bepalingen van het W.l.B. wordt beschouwd als hebbende zijn fiscale woonplaats in België, doch voor de toepassing, van de overeenkomst volgens de bepalingen van art. 4 als verblijfhouders van Duistland moet worden aangemerkt, mag België geen belasting heffen over inkomsten die de art. 6 tot 21, over., alleen in de domiciliestaat (in casu Duitsland) belastbaar stellen.

Daarentegen blijft de betrokken belastingplichtige onderworpen aan de Belgische wetgeving van gemeen recht met betrekking tot :

- de inkomsten waarvoor de overeenkomst het recht van belastingheffing aan België (als bronstaat) toekent, met dien verstande dat eventueel de door de overeenkomst opgelegde tariefbeperkingen voor dividenden, interest en overdreven royalty's (cf. nrs 15 tot 24) in acht moeten worden genomen ;

- de inkomsten die uit een derde Staat afkomstig zijn en als dusdanig niet onder de toepassing van de overeenkomst vallen ; indien België met deze derde Staat eveneens een overeenkomst tot vermijding van dubbele belasting heeft gesloten, zal deze overeenkomst ter zake toepasselijk zijn

2° Belastingen.

7. De over. is van toepassing op de in art. 2 vermelde belastingen. Buiten haar toepassingsgebied vallen de uitzonderlijke, buitengewone of exceptionele belastingen naar inkomsten of naar het vermogen, die in België en Duitsland werden geheven na afloop van de tweede wereldoorlog, alsmede de Duitse kerkbelasting (Kirchensteuer).

B. Belastingheffing naar de inkomsten.

1° Inkomsten van onroerende goederen - Beperking van A.O.V.

8. Inkomsten van onroerende goederen zijn belastbaar in de Staat waar die goederen zijn gelegen (art. 6, § 1). Een gelijkaardige regel geldt ook voor de meerwaarden op onroerende goederen (art. 13, § 1).

De uitdrukking « inkomsten van onroerende goederen» omvat onder meer de winsten van landbouw- en bosbedrijven, alsmede inkomsten uit onroerende goederen van een onderneming of uit onroerende goederen die voor de uitoefening van een vrij beroep worden gebruikt (afwijking van de regel van de vaste inrichting - cf. nr 10 - en van de vaste basis).

België heeft dus het recht de inkomsten van alle in België gelegen onroerende goederen te belasten volgens de nationale wetgeving, mits eventuele beperking van de A.O.V. (cf. nr 9). Wanneer die inkomsten volgens de Belgische wetgeving als winsten worden aangemerkt, is daarop de B.N.V. ten laste van verblijfhouders van Duitsland verschuldigd zo deze laatsten over een Belgische inrichting in de zin van art. 140, § 3, W.I.B., beschikken : in dat verband worde aangestipt dat een onroerend goed normaal als een dergelijke Belgische inrichting te beschouwen is (cf. nrs 140/13 en 16, Com.I.B.).

9. Volgens nr 3, Prot., wordt de A.O.V. beperkt tot het op de Belgische onroerende inkomsten betrekking hebbende deel van de B.N.V. die - zo nodig fictief - op het totale bedrag van de Belgische inkomsten van de betrokken belastingplichtige wordt berekend.

Voor de toepassing van deze beperking wordt verwezen naar nr 2, circ. 920, betreffende de overeenkomst met Frankrijk (V. 1120), die in een gelijkaardige regeling voorziet.

2° Ondernemingswinst.

1. Algemeen beginsel.

10. Winsten van een onderneming van een der Staten ogen in de andere Staat slechts worden belast voor zoverre zij aan een in die Staat gelegen vaste inrichting kunnen worden toegerekend (art. 7, § 1).

2. Definitie van de vaste inrichting (bijzonderheden).

11. Overeenkomstig art. 5, § 2, 7°, over., zijn bouwwerken en constructiewerkzaamheden een vaste inrichting indien de uitvoering daarvan meer dan negen maanden duurt. Aangezien België geen overeenkomst met een buurland heeft waarin de tijdsduur van dergelijke werkzaamheden op 12 maanden is bepaald, blijft de bepaling onder nr 2, Prot., voorlopig zonder praktisch gevolg.

Volgens art. 5, § 5, lid 2, over., wordt de vertegenwoordiger die gemachtigd is namens een verzekeringsonderneming overeenkomsten af te sluiten, niet beschouwd als een werkelijk zelfstandige agent ; de aanwezigheid van een zodanige vertegenwoordiger doet dus tot het bestaan van een vaste inrichting besluiten.

3. Bepaling van de aan de vaste inrichting toe te rekenen winst.

12. De aan de vaste inrichting toe te rekenen winst is die welke de inrichting had kunnen behalen indien zij een onafhankelijke en zelfstandige onderneming was (art. 7, § 2, over.).

Wanneer evenwel de vaste inrichting, naast haar gewone verrichtingen op het gebied van handel of nijverheid, ook goederen aankoopt voor de onderneming waarvan zij afhangt, mogen aan de inrichting geen winsten op die aankopen worden toegerekend (art. 7, § 5, over.). Als corollarium hiervan zijn kosten in verband met dezelfde aankopen niet aftrekbaar van de belastbare winst van de vaste inrichting.

Kosten van leiding en algemeen beheer gemaakt door de hoofdzetel van de onderneming mogen in mindering van de winst van de vaste inrichting worden gebracht in de mate dat zij ten behoeve van deze inrichting werden gedaan (art. 7, § 3, over.).

Indien geen afdoende gegevens voorhanden zijn om de winst van de vaste inrichting te bepalen, mag de Belgische belasting worden gevestigd op een volgens de Belgische wetgeving bepaalde grondslag (art. 7, § 4, over.). Dit sluit ondermeer de mogelijkheid in, de methode van vergelijking, met inbegrip van de bij art. 146, K.B., tot uitv. W.I.B. bepaalde forfaits. toe te passen.

4. Ondernemingen van zee - en luchtvaart, van binnenvaart en van spoorwegexploitaties.

13. In afwijking van de regel van de vaste inrichting zijn slechts belastbaar in de Staat waar de plaats van de werkelijke leiding der onderneming is gelegen (zoals nader bepaald in art. 4, § 4, over.) :

- winsten uit de exploitatie van schepen en luchtvaartuigen in internationaal verkeer ;

- winsten uit de exploitatie van schepen in de binnenvaart ;

- winsten van spoorwegexploitaties van een Staat waarvan de werkzaamheden zich tot het grondgebied van de andere Staat uitstrekken (art. 8, over.).

5. Meerwaarden up roerende goederen van een onderneming.

14. Meerwaarden uit de vervreemding van roerende goederen van een onderneming zijn in de regel belastbaar in de Staat waar de vaste inrichting tot het bedrijfsvermogen waarvan die goederen behoren, is gevestigd (art. 13, § 2, lid 1, over.).

Daarentegen zijn meerwaarden uit de vervreemding van schepen, luchtvaartuigen en binnenschepen en van roerende goederen die voor de exploitatie daarvan worden gebruikt, alsmede van materiaal van spoorwegexploitaties, slechts belastbaar in de Staat waar de plaats van de werkelijke leiding der onderneming is gelegen (art. 13, § 2, lid 2, over.).

3° Belastingheffing van roerende inkomsten in de bronstaat.

1. Roerende inkomsten van Belgische afkomst verkregen door verblijfhouders van Duitsland.

a) Dividenden.

15. Ingevolge art. 10, § 2, over., moet België de R.V. op dividenden (inkomsten van belegde kapitalen inbegrepen) die door een Belgische vennootschap aan een verblijfhouder van Duitsland worden toegekend, beperken tot 15 t.h. van het brutobedrag van de belastbare inkomsten. Voorwaarde : de deelneming die de dividenden oplevert mag niet wezenlijk verbonden zijn met een vaste inrichting waarover de genieter van de inkomsten in België zou beschikken (art. 10, § 6, over.).

Op dividenden die vóór 1.1.1967 werden toegekend mocht de R.V. worden berekend volgens de destijds geldende wetgeving (nr 5, Prot.).

16. De vermindering wordt verleend na overlegging van een aanvraag nr 276 Div. (D) (4) en volgens de in circ. 925bis van 29.1.1968 uiteengezette procedure.

-----------------

(4) Deze formulieren worden in België kosteloos afgeleverd door de Documentatiedienst der directe belastingen, Belliardstraat 45, 1040 Brussel.

b) Interest.

Algemene regel : beperking van R.V. tot 15 t.h.

17. Wat betreft het normale bedrag van interest van Belgische oorsprong die aan een verblijfhouder van Duitsland wordt toegekend, moet België de R.V. tot 15 t.h. van het brutobedrag van de interest beperken, indien de genieter in België niet beschikt over een vaste inrichting waarmede de lening, de schuldvordering of het deposito die de interest opleveren wezenlijk zijn verbonden (art. 11, §§ 2 en 5, over.).

Bijzonder geval : vrijstelling van R.V. op interest toegekend aan een Duitse onderneming.

18. Bij toepassing van art. 11, §§ 3, 5 en 7, over., is normale interest van Belgische oorsprong, toegekend aan een onderneming die door een verblijfhouder van Duitsland wordt gedreven, vrijgesteld van Belgische belasting. Er is echter geen vrijstelling :

(i) wanneer het gaat om interest van obligaties (op naam of aan toonder) of van andere effecten van leningen (overheidsfondsen, kasbons, schatkistcertificaten, enz.) ; handelspapier dat handelsschuldvorderingen vertegenwoordigt wordt niet als een effect beschouwd ;

(ii) wanneer de interest door een Belgische vennootschap wordt toegekend aan een Duitse vennootschap die onmiddellijk of middellijk (5) ten minste 25 t.h. van de stemgerechtigde aandelen der Belgische vennootschap die de interest verschuldigd is, bezit ;

(iii) wanneer de lening, de schuldvordering of het deposito die de interest opleveren wezenlijk zijn verbonden met een vaste inrichting welke de verkrijger van de inkomsten in België zou hebben.

Interest geldt als zijnde toegekend aan een onderneming indien hij deel uitmaakt van de winsten behaald uit enig handels­ of nijverheidsbedrijf (landbouwen bosbedrijven daaronder niet begrepen) of indien hij wordt verkregen door openbare kredietinstellingen zoals met name de Deutsche Bundesbank (nr 7, Prot.).

19. Op normale interest, waarop de vrijstelling van R.V. geen toepassing vindt doordat hij verschuldigd is uit hoofde van een in obligaties of andere effecten belichaamde schuldvordering of doordat hij door een Belgische dochtervennootschap aan een Duitse moedervennootschap wordt betaald, is de R.V. tegen

15 t.h. verschuldigd, in afwezigheid van een wezenlijke verbondenheid met een Belgische vaste inrichting.

20. De vrijstelling of vermindering van R.V. wordt verleend na overlegging van een aanvraag nr 276 Int. (D) (6) ; voor de wijze van berekening en de te volgen procedure wordt naar circ. 925bis verwezen, onder voorbehoud van de hierna volgende bijzonderheid.

-----------------

(5) Voor het begrip “middellijke deelneming”, cf. nr 27.

(6) Deze formulieren worden in België kosteloos afgeleverd door de Documentatiedienst der directe belastingen, Belliardstraat 45, 1040 Brussel.

21. Wanneer interest van Belgische belasting is vrijgesteld om reden dat hij aan een Duitse onderneming wordt toegekend, dient aan de genieter van de interest eventueel het bedrag van de werkelijk geïnde belasting te worden terugbetaald, ongeacht of de schuldenaar de belasting heeft ingehouden dan wel te zijnen laste heeft genomen.

Alleen in het geval dat de R.V. tegen het normale tarief van 20 t.h. werd geheven, is het terug te betalen bedrag gelijk aan een vierde (20/80) van de netto-interest. In de andere gevallen is het terug te betalen bedrag gelijk aan het bedrag van de werkelijk volgens het gemeen recht betaalde belasting, zonder dat de terugbetaling minder dan 6,25 t.h. van de netto-interest mag bedragen (regeling voor de beperking van de R.V. tot 15 t.h. ingevolge overeenkomst - cf. circ. 925bis, nr 10).

c) Royalty's.

22. Royalty's van Belgische oorsprong, toegekend aan een verblijfhouder van Duitsland, zijn tot hun normaal bedrag vrijgesteld van R.V., indien het recht of het goed dat de royalty's oplevert, niet wezenlijk is verbonden met een vaste inrichting waarover de genieter hier te lande zou beschikken (art. 12, §§ 1, 3 en 5, over.).

23. De te volgen procedure is analoog met die welke hierboven onder de nrs 16 en 20 voor dividenden en interest is aangegeven. De vrijstelling van royalty's mag echter normaal bij de bron worden verleend.

De genieter van de royalty's moet een aanvraag in duplo indienen door middel van een formulier nr 276 R (D) (7). Dit formulier legt hij ter echtverklaring voor aan het Finanzamt van zijn gebied en stuurt het vervolgens of wel aan de Belgische schuldenaar van de royalty's ten laatste binnen 10 dagen na de vervaldag van de royalty's (om aan de inhouding van de R.V. te ontsnappen), of wel aan. de Hfd.cr. te Sint-Joost-ten Node 1 (om teruggaaf van de bij de bron ingehouden R.V. te bekomen).

-----------------

(7) Deze formulieren worden in België kosteloos afgeleverd door de Documentatiedienst ··”der directe” belastingen, ·· ·Belliardstraat 45, 1040 Brussel.

d) Bovenmatig deel van interest en royalty's.

24. Indien tussen de schuldenaar en de genieter of tussen ben beiden en derden enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bestaat en het bedrag van de interest of de royalty's hoger is dan het bedrag dat in normale omstandigheden voor gelijkaardige prestaties zou worden bedongen, mag België op het deel van de betalingen dat overdreven voorkomt, de bepalingen van zijn wetgeving toepassen, wat insluit dat dit deel desvoorkomend op grond van de art. 24 en 50, W.I.B., bij de belastbare winst van de schuldenaar dient te worden gevoegd (zie ook art. 9, over.).

De R.V. op het bovenmatige deel van de interest of de royalty's moet evenwel in elk geval tot 15 t.h. worden beperkt (art. 11, § 7, en art. 12, § 5, over.).

2. Roerende inkomsten van Duitse oorsprong verkregen door verblijfhouders van België.

a) Dividenden.

25. Ingevolge art. 10, §§ 2. 3, 5 en 6, over., moet de Duitse “Kapitalertragsteuer” worden beperkt tot :

- 15 t.h. (algemene regel) ;

- 25 t.h. indien

i) de dividenden worden uitgekeerd door een Duitse kapitaalvennootschap d.w.z. door een naamloze vennootschap (Aktiengesellschaft), een commanditaire vennootschap op aandelen · (Kommanditgesellschaft auf Aktien), een vennootschap, met beperkte aansprakelijkheid (Gesellschaft mit beschrankter Haftung) of een mijnbouwvennootschap (bergrechtliche Gewerkschaft), en

ii) de genieter een Belgische naamloze vennootschap, een commanditaire vennootschap op aandelen of een personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid is, die onmiddellijk of middellijk ten minste 25 t.h. van de stemgerechtigde aandelen der Duitse vennootschap bezit.

Geen beperking indien de aandelen ter zake waarvan de dividenden worden betaald, wezenlijk zijn verbonden met een vaste inrichting waarover de Belgische genieter in Duitsland zou beschikken.

26. Het woord “dividenden” omvat ook de inkomsten die een “stiller Gesellschafter” (stille vennoot) uit zijn deelneming verkrijgt, voor zoverre die inkomsten door de Duitse wetgeving als inkomsten van roerende kapitalen worden aangemerkt (cf. art. 10, § 5, lid 2, 2°, over.).

Bedoeld zijn hier de inkomsten toegekend aan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon ter vergoeding van een inbreng in een onderneming die door een andere persoon (natuurlijke persoon, vennootschap of vereniging zonder rechtspersoonlijkheid) wordt gedreven ; de « stille Gesellschafter » is in dit geval niet deelgerechtigd in het vermogen en de reserves van de onderneming (geval van een geldschieter in een zogezegde echte of typische stille Gesellschaft). In de Bondsrepubliek worden de toekenningen aan een « stiller Gesellschafter » als aftrekbare uitgaven beschouwd, mits een bronheffing van 25 t.h., welke krachtens het verdrag tot 15 t.h. wordt herleid.

Is de stille deelnemer evenwel gerechtigd in het vermogen en de reserves van de onderneming (onechte of niet typische stille Gesellschaft), dan wordt hij volgens de Duitse wetgeving fiscaal als een mede-ondernemer behandeld ; zijn inkomsten uit de onderneming worden dan aangemerkt als winsten die onder de regeling van art. 7, over., vallen (regel van de vaste inrichting).

Opmerking.

Voor de toepassing van de Belgische belastingen worden de inkomsten van een echte « stille Gesellschafter » aangemerkt als inkomsten uit schuldvorderingen d.i. als interest, waarop in België de R.V. van 20 t.h. bij de inning verschuldigd is en waarvoor de verrekening van het F.B.B. van 15 t.h. wordt verleend bij natuurlijke personen en bij vennootschappen.

De inkomsten van een onechte “stille Gesellschafter” worden daarentegen in België behandeld als winsten behaald uit een Duitse personenvennootschap (cf. nr 65).

27. Voor de toepassing van de Duitse bronbelasting tegen het tarief van 25 t.h. is vereist dat de Belgische vennootschap die de dividenden verkrijgt een deelneming van ten minste 25 t.h. in de uitkerende vennootschap heeft, ongeacht of die deelneming rechtstreeks dan wel door tussenkomst van een andere vennootschap wordt aangehouden. In dit laatste geval wordt de omvang van de middellijke deelneming in hoofde van de Belgische vennootschap bepaald op het deel van de aandelen in de Duitse vennootschap, welke aan de derde vennootschap toebehoren, dat evenredig overeenstemt met de deelneming van de Belgische vennootschap in het kapitaal van de tussenvennootschap (nr 8, Prot.)

Voorbeeld.

Een Belgische vennootschap A bezit 20 t.h. van de aandelen van een Duitse vennootschap B en 60 t.h. van de aandelen van een andere Belgische vennootschap C, die op haar beurt 10 t.h. van de aandelen van de vennootschap B bezit. De omvang van de deelneming van A in B wordt als volgt berekend :

onmiddellijke deelneming : 20 t.h.

middellijke deelneming : 60 t.h. van 10 t.h. = 6 t.h.

----------

totale deelneming : 26 t.h.

De vennootschap A kan dus geen aanspraak maken op het verminderd tarief van 15 t.h., daar haar deelneming in de Duitse vennootschap de grens van 25 t.h. bereikt

b) Interest.

28. Interest van Duitse oorsprong die wordt verkregen door verblijfhouders van België mag in de regel in Duitsland aan een belasting van 15 t.h. worden onderworpen (art. 11, § 2, over.). Interest is vrijgesteld van Duitse belasting indien hij niet voortkomt van obligaties of andere soortgelijke effecten en indien de genieter een Belgische onderneming, een Belgische kredietinstelling of de Nationale Bank van België is ; geen vrijstelling voor interest door een Duitse vennootschap toegekend aan een Belgische vennootschap die onmiddellijk of middellijk (8) ten minste 25 t.h. van de stemgerechtigde aandelen der Duitse vennootschap bezit (art. 11, § 3, over., en nr 7, Prot. en nr 18 hierboven).

De vrijstelling of de beperking geldt slechts voor het normaal bedrag van de interest en indien de lening, de schuldvordering of het deposito die de interest opleveren, niet wezenlijk zijn verbonden met een in Duitsland gelegen vaste inrichting van de Belgische genieter (art. 11, § 5, over.).

-----------------

(8) Voor de notie « middellijke deelneming » : cf. nr 8, Prot. en nr 27 hierboven

29. Volgens de huidige Duitse belastingwetgeving treft de Duitse bronbelasting alleen interest die voortkomt van obligaties of andere, soortgelijke effecten, alsmede van schuldvorderingen ingeschreven in een Grootboek van de Duitse openbare schuld. Er is dus geen procedure nodig om de in de overeenkomst neergelegde tariefbeperking van de Duitse belasting op andere interest of de vrijstelling van belasting op interest die door Belgische ondernemingen wordt verkregen, te genieten.

Wijze waarop de vrijstelling of vermindering van Duitse belasting op dividenden en interest wordt verleend.

30. De Duitse belasting op inkomsten van roerende kapitalen (Kapitalertragsteuer), welke in de vorm van een bronheffing op dividenden en sommige interest wordt geheven, bedraagt 25 t.h. van het brutobedrag van de inkomsten. Sedert 1.1.1968 wordt ook een aanvullende belasting geheven tegen een vast tarief dat 3 t.h. van de “Kapitalertragsteuer” bedraagt ; het totale tarief van de Duitse inhouding is dus 25,75 t.h.

Niettegenstaande de overeenkomst, wordt de Duitse bronheffing toegepast volgens het gemeen recht ; het eventueel te veel geïnde wordt op aanvraag terugbetaald.

31. Een schriftelijke aanvraag is in te dienen door middel van een formulier « D.B.A.-Allgemein : Kapitalertragsteuererstattung » (9) : de aard van de bij te voegen bewijsstukken en de bevoegde Duitse diensten zijn in de aan het formulier gehechte toelichtende nota ’s vermeld.

De aanvrager moet aan de Belgische belastingdienst van zijn gebied zijn aanvraag in dubbel exemplaar voorleggen (het exemplaar nr 3 is bestemd voor de aanvrager) ; deze dienst bewaart het exemplaar nr 1 en bezorgt het exemplaar nr 2, na het echt te hebben verklaard, terug aan de aanvrager die het bij de bevoegde Duitse belastingdienst moet doen toekomen voor het einde van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de belasting werd gekweten.

-----------------

(9) Deze formulieren worden in België kosteloos afgeleverd door de Documentatiedienst der directe belastingen, Belliardstraat 45, 1040 Brussel

32. Indien de aanvraag niet in overweging kan worden genomen, zal deze dienst zijn beslissing mededelen. De aanvrager kan binnen de termijn van een maand tegen die beslissing een bezwaarschrift bij diezelfde dienst indienen ; van de beslissing, waarbij uitspraak wordt gedaan over het bezwaarschrift, kan hij in beroep komen bij de bevoegde rechtbank van Financiën (Finanzgericht).

c) Royalty's.

33. Royalty's van Duitse oorsprong verkregen door verblijfhouders van België zijn tot een normaal bedrag van Duitse belasting vrijgesteld, indien het recht of het goed dat de royalty's oplevert niet wezenlijk is verbonden met een vaste inrichting waarover de Belgische genieter in Duitsland zou beschikken (art. 12, §§ 1, 3 en 5, over.).

Krachtens de Duitse wetgeving ondergaan royalty's van Duitse oorsprong, die aan een niet-verblijfhouder worden toegekend, over het algemeen een inhouding gelijk aan 25 t.h. van hun brutobedrag. De aanvullende belasting van 3 t.h. brengt het totale tarief van de inhouding op 25,75 t.h.

Wijze waarop de vrijstelling van Duitse belasting op royalty's wordt verleend.

34. Wanneer de genieter van de royalty's een verblijfhouder van België is, mag de Duitse schuldenaar afzien van belastinginhouding, indien de bevoegde Duitse dienst hem, door middel van een verklaring voor vrijstelling, ter kennis brengt dat de voorwaarden voor niet-inhouding vervuld zijn.

Opdat de verklaring voor vrijstelling aan de Duitse schuldenaar zou worden afgeleverd, moet de genieter van de royalty's zulks aanvragen door middel van een formulier “D.B.A. . Allgemein : Lizenzgebühren-Antrag” (11) ; behalve indien zij wordt ingetrokken, is zulke aanvraag geldig voor drie jaren. De aard van de bij te voegen bewijsstukken en de bevoegde Duitse diensten zijn in de aan het formulier gehechte toelichtende nota's vermeld.

De aanvrager moet zijn aanvraag in dubbel exemplaar aan de Belgische belastingdienst van zijn gebied voorleggen (het exemplaar nr 3 is bestemd voor de aanvrager) ; deze dienst bewaart het exemplaar nr 1 en bezorgt het exemplaar nr 2, na het echt te hebben verklaard, terug aan de aanvrager die het moet doen toekomen bij de bevoegde belastingdienst van het “Land” waar de schuldenaar van de inkomsten zijn zetel, de leiding van zijn zaken of zijn woonplaats heeft.

Deze dienst brengt in alle gevallen zijn beslissing ter kennis van de aanvrager ; indien de aanvraag wordt verworpen staan de in fine van nr 32 hierboven bedoelde rechtsmiddelen open.

Ingeval de royalty's reeds aan de inhouding van de Duitse belasting werden onderworpen, moet de schuldeiser, verblijfhouder van België, die de fiscale vrijstelling wenst te genieten, aan de bevoegde Duitse dienst een aanvraag om teruggave indienen voor het einde van het kalenderjaar volgend op dat waarin de ingehouden belastingen werden gestort.

-----------------

(11) Deze formulieren worden in België kosteloos afgeleverd door de Documentatiedienst der directe belastingen, Belliardstraat 45, 1040 Brussel.

d) Bovenmatig deel van interest en royalty's.

35. Het deel van interest of van royalty's dat overdreven voorkomt in de zin van de art. 11. § 7 en 12, §§ 5 en 6, over., mag, wanneer het door een Duitse verblijfhouder aan een verblijfhouder van België wordt toegekend, overeenkomstig de wetgeving van de Bondsrepubliek worden belast. Indien dat deel evenwel als een dividend wordt beschouwd voor de toepassing van de Duitse belastingen, moet de belasting welke daarop ten laste van de verblijfhouder van België wordt ingehouden, in elk geval worden beperkt tot 15 t.h. van het brutobedrag (nr 9, Prot.).

4° Lonen en salarissen van de particuliere sector.

36. Als algemene regel geldt dat lonen en salarissen uit een dienstbetrekking bij een werkgever uit de particuliere sector belastbaar zijn in de Staat waar de werkzaamheden, worden verricht (art. 15, § 1, over.).

Deze regel kent drie uitzonderingen :

a) werknemers, verblijfhouders van een Staat die slechts tijdelijk in de andere Staat werkzaamheden verrichten gedurende ten hoogste 183 dagen in de loop van een kalenderjaar, zijn alleen in hun domiciliestaat belastbaar, op voorwaarde dat de lonen of salarissen niet worden betaald door of namens een werkgever die in die andere Staat is gevestigd en niet als zodanig ten laste komen van een in die Staat gelegen vaste inrichting (art. 15, § 2, over.) ;

b) de bezoldigingen van grensarbeiders zijn uitsluitend belastbaar in de Staat waarvan zij verblijfhouder zijn (art. 15, § 3, 1°, over., cf. nrs 37 tot 43) ; ,

c) werknemers die hun, werkzaamheden verrichten aan boord van een schip of een luchtvaartuig in internationaal verkeer of aan boord van een binnenschip zijn ter zake van hun lonen of salarissen belastbaar in de Staat waar de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen (art. 15. § 3, 2°, over.).

Grensarbeiders.

37. Lonen, salarissen en andere beloningen van personen die in de grenszone van een Staat werken en hun duurzaam tehuis in de grenszone van de andere Staat hebben, waar zij normaal dagelijks terugkeren, zijn slechts in die andere Staat belastbaar (art. 15, § 3, 1°, over.).

De grenszone wordt aan weerszijden van de grens bepaald door een denkbeeldige op een afstand van 20 km van de grens getrokken lijn en zij omvat eveneens de gemeenten die door deze denkbeeldige lijn worden doorsneden. De lijst van de gemeenten die tot de grenszone van beide landen behoren is opgenomen in bijlage.

a) Belgische grensarbeiders die in Duitsland werken.

38. Belgische grensarbeiders zijn de loontrekkers die, ongeacht hun nationaliteit, in de Duitse grenszone werken en die hun duurzaam tehuis in de Belgische grenszone hebben, waar zij normaal dagelijks terugkeren. Hun salarissen, lonen en andere beloningen zijn vrijgesteld van Duitse belastingen.

De Duitse werkgever van de Belgische grensarbeider mag de inhouding van Duitse belasting achterwege laten indien hij daartoe de toelating (verklaring voor vrijstelling “Freistellungsbescheinigung”) van zijn “Finanzamt” heeft verkregen.

39. Voor de afgifte van de verklaring voor vrijstelling is het nodig dat de Belgische grensarbeider een verzoek “D.B.A./ Belgien : Grenzganger-Freistellungsantrag” (Overeenkomst/ België : Grensarbeider - Verzoek om vrijstelling) (12) onderschrijft.

De grensarbeider vult vak A van de twee exemplaren van het formulier in. Beide exemplaren legt hij voor aan zijn Duitse werkgever om ze te laten aanvullen met de verklaring in vak B : vervolgens bezorgt hij de twee exemplaren aan de Belgische belastingdienst in wiens ambtsgebied zijn woonplaats is gelegen, met het oog op het invullen van vak C. Na er de verklaring te hebben op aangebracht behoudt de Belgische belastingdienst het eerste exemplaar van het formulier en bezorgt het tweede exemplaar terug aan de grensarbeider die dit aan zijn Duitse werkgever afgeeft.

De Duitse werkgever stuurt het verzoek naar het Finanzamt, waarbij de loonbelasting zou worden afgedragen, en verzoekt die dienst om afgifte van een verklaring voor vrijstelling. Zodra hij in het bezit van die verklaring is, mag de werkgever de inhouding van loonbelasting achterwege laten voor de in de verklaring vermelde loonperiodes.

-----------------

(12) Deze formulieren worden in België kosteloos afgeleverd door de Documentatiedienst der directe belastingen, Belliardstraat 45, 1040 Brussel.

40. Als regel geldt dat de verklaring voor vrijstelling slechts voor een kalenderjaar geldig is. Derhalve moet de grensarbeider voor elk kalenderjaar zijn verzoek D.B.A./Belgien : Grenzganger· - Freistellungsantrag » tijdig indienen, opdat zijn werkgever over de verklaring voor vrijstelling zou kunnen beschikken vóór de uitbetaling van de beloningen over de eerste loonperiode (week, maand).

Een nieuw verzoek moet worden gedaan wanneer de werknemer in dienst van een nieuwe werkgever treedt.

b) Duitse grensarbeiders die in België werken.

41. Duitse grensarbeiders zijn de loontrekkers die, ongeacht hun nationaliteit, in de Belgische grenszone werken en die hun duurzaam tehuis in de Duitse grenszone hebben waar zij normaal dagelijks terugkeren. Hun lonen, salarissen en andere beloningen zijn vrijgesteld van Belgische belastingen.

42. Om de vrijstelling van Belgische belastingen bij de bron te kunnen genieten, moet de Duitse grensarbeider een verklaring model 276 Grens. (D) (13) in dubbel exemplaar onderschrijven.

Na vak I van dit formulier te hebben ingevuld en ondertekend, legt hij de twee exemplaren voor aan zijn Belgische werkgever, die de in vak II voorkomende vermelding aanvult en de twee exemplaren aan de arbeider terugbezorgt. Deze laatste geeft de twee exemplaren vervolgens af aan het Finanzamt, waarvan hij in Duitsland afhangt.

Het Finanzamt brengt in vak III de vereiste verklaring aan, bewaart een exemplaar van het formulier en bezorgt het andere exemplaar aan de werknemer, die het aan zijn Belgische werkgever overhandigt.

Op zicht van de verklaring van het Duitse Finanzamt mag de Belgische werkgever zich ervan onthouden belastingen op de beloningen van de betrokken grensarbeider in te houden en aan de Schatkist te storten. Om de niet-inning van de belasting te verantwoorden moet de Belgische werkgever het formulier met de voormelde verklaring voegen bij de samenvattende opgave nr 325, waarop de Duitse grensarbeider voorkomt.

43. In principe moet elk jaar een nieuwe verklaring worden afgegeven. Er moet ook een nieuwe verklaring worden gevraagd wanneer de Duitse grensarbeider in de loop van het jaar bij een andere Belgische werkgever in dienst treedt.

-----------------

(13) Deze formulieren worden in België kosteloos afgeleverd door de Documentatiedienst der directe belastingen, Belliardstraat 45, 1040 Brussel.

5°Openbare beloningen en pensioenen.

Algemene regel.

44. In beginsel zijn beloningen en pensioenen die door een Staat (een Land), een staatkundig onderdeel, een plaatselijke gemeenschap of een rechtspersoon naar publiek recht van die Staat worden betaald slechts in die Staat belastbaar (art. 19, § 1, over.).

Afwijkingen.

45. De regel van de belastingheffing in de Staat die de beloningen of pensioenen uitkeert, is niet van toepassing in de volgende gevallen :

- wanneer de genieter verblijfhouder een onderdaan is van de andere Staat en geen onderdaan is van de Staat die de inkomsten betaalt (art. 19, § 1, lid 2, over.):

- wanneer de beloningen of pensioenen worden betaald wegens diensten die de genieter verricht, of vroeger heeft verricht, in verband, met enig handels- of nijverheidsbedrijf uitgeoefend door de schuldenaar van de inkomsten (art. 19, § 2, lid 1, over.).

In beide gevallen is op de desbetreffende beloningen en pensioenen de regeling van art. 15 of 18 van toepassing, behoudens het in nr 46 bepaalde.

Bijzonder geval : Beloningen en pensioenen betaald door sommige autonoom georganiseerde overheidsdiensten.

46. De regel « belastingheffing in de debiteurstaat », zoals vermeld in nr 44 is ongeacht de aard van de uitgeoefende werkzaamheden, van toepassing op lonen, salarissen en pensioenen die aan hun werknemers of aan hun vroegere werknemers worden uitgekeerd door :

− de N.M.B.S., de Nationale Bank van België en de Regie van Telegrafie en Telefonie ;

- de Deutsche Bundesbahn, de Deutsche Bundesbank en de Deutsche Bundespost.

De voorwaarde met betrekking tot de nationaliteit van de genieters blijft ter zake evenwel een vereiste (art. 19, § 2, lid 2, over.).

Aanvulling van het gemeen recht (art. 2, goedkeuringswet).

47. Gelet op art. 141, 2°, W.I.B., zou België volgens het recht van belastingheffing dat art. 19, §§ 1 en 2, over., aan België toekent, niet kunnen uitoefenen met betrekking tot de lonen en salarissen die te lande door een andere schuldenaar dan de Belgische Staat, een provincie of een gemeente worden uitgekeerd. Om deze leemte aan te vullen bepaalt art. 2 van de goedkeuringswet dat de vrijstelling, waarin art. 141, 2°, W.I.B., voorziet, niet van toepassing is op de bezoldigingen die krachtens art. 19, §§ 1 en 2, over., in België mogen worden belast.

Dientengevolge is, bij afwijking van het gemeen recht, de B.V. verschuldigd op de bezoldigingen die door een Belgisch publiekrechtelijk rechtspersoon, door de N.M.B.S., de Nationale Bank van België of door de R.T.T. worden betaald aan verblijfhouders van Duitsland, voor zover de voorwaarden betreffende de nationaliteit van de genieter en, eventueel, de aard van de uitgeoefende werkzaamheden zijn vervuld.

6° Artiesten en sportbeoefenaars.

48. Beroepsartiesten en sportbeoefenaars die verblijfhouder zijn van Duitsland, zijn in België belastbaar op de inkomsten die zij behalen uit in België zelfstandig uitgeoefende werkzaamheden.

Artiesten en sportbeoefenaars die in België in dienstverband optreden vallen, volgens het geval, onder de regeling van art. 15 of van art. 19, over.

7° Pensioenen en andere sociale uitkeringen.

49. Pensioenen en andere sociale uitkeringen, die tot uitvoering van de Belgische sociale wetgeving aan verblijfhouders van Duitsland worden betaald (met name wettelijke pensioenen door pensioenkassen betaald ter zake van een vroeger in de particuliere sector uitgeoefende dienstbetrekking), zijn uitsluitend in België belastbaar (art. 19, § 3, over.) ; zij moeten dus eventueel de B.V. bij de bron volgens het gemeen recht ondergaan. Pensioenen, die benevens het wettelijk pensioen (extra-wettelijke pensioenen) aan de hierboven bedoelde verblijfhouders van Duitsland worden betaald, zijn alleen in Duitsland belastbaar (art. 18, over.) ; zij zijn derhalve vrijgesteld van Belgische belastingen en ontsnappen aan de heffing van de B.V.

Pensioenen en andere uitkeringen van dezelfde aard als de hierboven bedoelde, welke verblijfhouders van België uit Duitse bronnen verkrijgen, zijn op dezelfde voorwaarden hetzij van Belgische belastingen vrijgesteld, hetzij in de P.B. tegen het volle tarief belastbaar.

8° Geldbedragen door de Bondsrepubliek Duitsland toegekend als vergoeding voor schade, die ais gevolg van oorlogshandelingen of politieke vervolging is ontstaan.

50. Geldbedragen die in de vorm van pensioenen, lijfrenten en andere al dan niet periodieke uitkeringen (er zijn ook uitkeringen in kapitaal) aan verblijfhouders van België worden toegekend door de Bondsrepubliek Duitsland ais vergoeding voor schade ten gevolge van oorlogsbandelingen of politieke vervolgingen, zijn van Belgische belastingen vrijgesteld (art. 19, § 4, over.).

Bij wijze van uitzondering op de gewone regel mag België daarenboven de aldus vrijgestelde inkomsten niet in aanmerking nemen om het belastingtarief te bepalen dat van toepassing is op de belastbare inkomsten van de genieters (art. 23, § 2, 1°. over.).

C. Vermijding van dubbele belasting in België.

51. Dubbele belastingheffing van inkomsten die door een verblijfhouder van België uit Duitse bronnen worden verkregen en volgens de overeenkomst in Duitsland mogen worden belast, wordt op de gebruikelijke wijze vermeden. De ter zake geldende regelen worden hierna bondig toegelicht.

1° Dividenden verkregen door een natuurlijke persoon (art. 23, § 2, 2°, over.).

52. Het F.B.B. wordt tegen het tarief van het gemeen recht verrekend.

2° Dividenden verkregen door een vennootschap ( art. 23, § 2, 3°, over.).

53. In België zijn de Duitse dividenden in beginsel aan de regeling van het gemeen recht onderworpen ; normaal zijn zij op grond van de incassering aan de R.V. van 10 t.h. onderworpen en zijn zij daarna vrijgesteld van Ven.B. en, wanneer zij door de Belgische vennootschap worden uitgekeerd, van de R.V. (art. 23, § 2, 3°, a, over.).

54. Belgische vennootschappen die de aanslag van hun winsten in de P.B. niet hebben gekozen, kunnen echter desgewenst de R.V. van 10 t.h. op grond van de incassering ontgaan met betrekking tot dividenden van aandelen of delen die zij gedurende het volledige boekjaar van de uitdelende Duitse vennootschap in uitsluitende eigendom hebben gehad (art. 23, § 2, 3°, b, over.). De Duitse dividenden die vrij van R.V. worden geïnd, blijven tot hun nettobedrag van Ven.B. vrijgesteld, doch moeten dan later de R.V. ondergaan wanneer zij door de Belgische vennootschap aan haar aandeelhouders worden uitgekeerd (afwijking van art. 169, 2° en 3°, W.I.B.).

Om deze bijzondere regeling te doen toepassen dienen de betrokken vennootschappen schriftelijk een aanvraag te doen volgens de procedure uiteengezet in dbr. van 16.4.1968, nr Ci.R.9. S/ 244.214, nrs 15 en 16.

3° interest en royalty's (art. 23, § 2, 2°, over.).

55. Het F.B.B. wordt overeenkomstig het gemeen recht verrekend, op voorwaarde dat de genieter aantoont dat deze inkomsten in Duitsland werkelijk werden belast. Geen verrekening van F.B.B. wordt toegestaan met betrekking tot interest of royalty's waarover geen Duitse belasting werd geheven.

4° Andere inkomsten (art. 23, § 2, 1°, over.).

56. Wat de andere inkomsten van Duitse oorsprong betreft, die volgens de overeenkomst in Duitsland belastbaar zijn, verleent België vrijstelling van belasting ; met uitzondering van inkomsten ais bedoeld in nr 50 worden de aldus in België vrijgestelde inkomsten evenwel in aanmerking genomen voor het bepalen van het belastingtarief (vrijstelling met progressievoorbehoud).

57. Inkomsten die een verblijfhouder van België verkrijgt als vennoot of als deelgenoot in een Duitse vennootschap onder gemeenschappelijke naam (offene Handelsgesellschaft), een vennootschap bij wijze van eenvoudige geldschieting of van een Duitse Partenreederei zijn in België slechts van belasting vrijgesteld, voor zoverre het bewijs wordt geleverd dat die inkomsten in hoofde van de Belgische vennoot of deelgenoot aan de Duitse belasting werden onderworpen. (Prot., nr 13-B-2). Over het algemeen wordt in Duitsland immers geen belasting geheven over de inkomsten die een niet-verblijfhouder uit een dergelijke vereniging behaalt indien die inkomsten geacht worden voort te komen van winsten uit een buiten Duitsland gelegen vaste inrichting.

5° Vermijding van dubbele verliescompensatie (nr 14, Prot.).

58. Ten einde dubbele compensatie te vermijden van verliezen die een Belgische onderneming in haar Duitse vaste inrichting heeft geleden, mag België belasting heffen van de winsten van die vaste inrichting, indien die winsten in Duitsland niet werden belast doordat zij er werden gecompenseerd met verliezen die, voor enig aanslagjaar, ook van in België belastbare winsten werden afgetrokken (Prot., nr 14). Een gelijkaardige bepaling komt in alle recente Belgische overeenkomsten voor en is toegelicht in circ. 920, nr 39 (over. met Frankrijk).

D. Vennoten van personenvennootschappen.

1° Vennoten van Belgische personenvennootschappen.

59. De over brengt geen wijziging aan de kwalificatie die de inkomsten van vennoten in Belgische personenvennootschappen volgens het gemeen recht hebben. De verdragsregeling die op die inkomsten van toepassing is wordt dus bepaald door de aard van de inkomsten.

a) Inkomsten van belegde kapitalen.

60. Inkomsten van belegde kapitalen - daaronder begrepen interest van voorschotten aan de vennootschap toegestaan door vennoten of door sommige leden van hun gezin (art. 15, lid 2, 2°, W.I.B.) - vallen onder dezelfde regeling als de dividenden op grond van art. 10, § 5, lid 2, 1°, over. De R.V. is derhalve verschuldigd op ink.bel.kap. toegekend aan verblijfhouders van België, van Duitsland of van een derde land, ongeacht of de winst, waaruit de inkomsten worden betaald, in een Belgische dan wel in een Duitse vaste inrichting werd behaald.

Weliswaar vindt de tariefbeperking van de R.V. tot 15 t.h. volgens art. 10, § 2, over., toepassing indien· de vennoot verblijfhouder van Duitsland is. Voor verblijfhouders van derde landen gelden eventueel de beperkingen waarin andere dubbelbelastingverdragen voorzien.

b) Inkomsten die als winst ten name van de vennoten belastbaar zijn.

61. Deze inkomsten omvatten de inkomsten van werkend vennoot in het stelsel van de Ven.B. en het deel van de totale maatschappelijke winst dat in geval van optie ten name van elke vennoot belastbaar is.

Aangezien dergelijke inkomsten door de Belgische wetgeving als winsten worden aangemerkt, is de regel van de vaste inrichting van toepassing voor de toewijzing van het recht van belastingheffing. Daaruit volgt dat die inkomsten, voor zoverre zij overeenstemmen met winst van een Duitse vaste inrichting, in België van belasting zijn vrijgesteld, onverschillig of de vennoot verblijfhouder is van België, van Duitsland of van een derde land (cf. nr 13, B, 1, a, Prot.).

62. Wanneer, in geval van optie, de maatschappelijke winst dividenden, interest of royalty's van Duitse oorsprong bevat, moet aan de vennoten de verrekening van het F.B.B. worden toegekend voor het deel van die inkomsten dat op hun naam aan de belasting wordt onderworpen en voor zoverre in Duitstland werkelijk belasting werd geheven over de interest of over overdreven royalty's (cf. nr 13, B, 1, b, Prot.).

63. Er worde ten slotte opgemerkt dat de facultatieve vrijstelling van R.V. van 10 t.h. op Duitse dividenden verkregen door een Belgische vennootschap geen toepassing vindt bij personenvennootschappen die voor de P.B. hebben geopteerd (cf. nr 54 hiervoren).

2° Vennoten van Duitse personenvennootschappen.

64. In de Bondsrepubliek bezitten personenvennootschappen. (cf. nr 1 hiervoren) geen rechtspersoonlijkheid ; volgens de Duitse wetgeving zijn de vennoten individueel als ondernemer belastbaar ter zake van hun deel in de maatschappelijke winst. Wanneer de vennoot niet verblijfhouder is van Duitsland, is hij in dat land slechts aan de beperkte belastingplicht onderworpen, wat insluit dat de Duitse belasting alleen wordt geheven over de fractie van zijn winstaandeel, die volgens de Duitse wetgeving wordt geacht overeen te stemmen met in Duitsland behaalde winst (dus geen belasting op het deel dat overeenstemt met winst behaald door een buiten Duitsland gelegen vaste inrichting, bvb.).

Voor de toepassing van de Belgische belastingen hebben de inkomsten die een verblijfhouder van België (natuurlijke persoon of vennootschap) verkrijgt in zijn hoedanigheid van vennoot of deelgenoot in een personenvennootschap of -vereniging, verblijfhouder van de Bondsrepubliek, de aard van winsten (14).

-----------------

(14) Behalve wanneer de verblijfhouder van België in Duitsland als een «Stille Gesellschafter » in de zin van art. 10, § 5, lid 2, 2°, over. wordt beschouwd - cf. nr 26 hiervoren.

65. Onder de overeenkomst is dus in België de volgende regeling van toepassing :

a) Duitse personenvennootschap zonder vaste inrichting in België :

vrijstelling van de vennoot, verblijfhouder van België, voor de inkomsten welke overeenstemmen met winst van een Duitse vaste inrichting ; wanneer de aan de Belgische vennoot toegekende inkomsten voortkomen uit winst die in een derde land is behaald, wordt vrijstelling verleend indien de belanghebbende aantoont dat die inkomsten volgens de Duitse wetgeving belastbare inkomsten vertegenwoordigen (werkelijke belastingheffing in Duitsland is niet vereist - cf. nr 13, B, 2, Prot.). De vennootschap zelve is niet belastbaar.

b) Duitse personenvennootschap met vaste inrichting in België:

(i) belasting in de P.B. van de vennoot, verblijfhouder van België, op het deel van de hem toegekende inkomsten dat met winst van de Belgische vaste inrichting overeenstemt;

(ii) belasting van de vennootschap in de B.N.V.-Ven. op de winst van de Belgische vaste inrichting ; indien de Belgische vennoot werkzaamheden in die inrichting verricht en zijn bezoldiging door de inrichting ten laste wordt genomen : belasting van de vennootschap in de B.N.V.- Ven. op de winst verminderd met de aan de Belgische vennoot toegekende bezoldiging ; belasting van de vennoot in de P.B. op die bezoldiging ( = winst), alsmede op het deel van de boven die bezoldiging aan de vennoot toegekende inkomsten dat overeenstemt met winst van de Belgische vaste inrichting.

E. Non-discriminatie (art. 24).

66. Op grond van de overeenkomst en in het bijzonder van art. 21 wordt, ten behoeve van verblijfhouders van Duitsland die in België over een woning beschikken, afgezien van de belastingheffing op een minimuminkomen dat gelijk is aan tweemaal het kadastraal inkomen van die woning.·

67. Daarentegen bevestigt de overeenkomst het recht van België de B.N.V.-Ven. te heffen tegen het tarief van het gemeen recht ten laste van Duitse vennootschappen en verenigingen van personen die in België over een vaste inrichting beschikken (nr 15, 1°, b, Prot.).

F. Minnelijke regeling (art. 25).

68. Art. 25, over. voert een speciale procedure in, waardoor de bevoegde autoriteiten van de twee Staten met elkaar overleg kunnen plegen om gevallen van dubbele belastingheffing in strijd met de overeenkomst, in onderlinge overeenstemming te regelen en om administratieve maatregelen te treffen die voor de uitvoering van de overeenkomst nodig zijn.

In het raam van die procedure kan een verblijfhouder van België, onverminderd de rechtsmiddelen van het gemeen recht, in geval van dubbele belasting ten gevolge van belastingheffing in België en in Duitsland, bij de Belgische bevoegde autoriteiten een verzoek om herziening indienen binnen een termijn van twee jaren vanaf de betekening of vanaf de inhouding aan de bron van de tweede aanslag. Indien die verblijfhouder een aanslag in een van beide Staten heeft betwist door gebruik te maken van de rechtsmiddelen waarin de wetgeving van die Staat voorziet, kan de termijn van twee jaren worden verlengd met een jaar te rekenen vanaf de datum waarop de belasting definitief is geworden.

69. Elk verzoek dat op grond van art. 25 strekt tot de herziening van een belastingheffing die in strijd met de overeenkomst wordt geacht, moet door de verblijfhouders van België normaal worden ingediend bij de gewestelijke directeur der belastingen van het ambtsgebied waar de verzoekende verblijfhouders hun woonplaats hebben. Dergelijke verzoeken die aan de Minister van Financiën of aan de Directeur-generaal der directe belastingen zijn gericht worden echter eveneens beschouwd als zijnde geldig ingediend ten aanzien van art. 25.

70. In elk geval en overeenkomstig de gevestigde regels is alleen het Hoofdbestuur bevoegd in verbinding te treden met de belastingadministratie van de Bondsrepubliek om de in art. 25, §§ 2 en 3, over. (of in enig ander artikel), neergelegde regeling van onderling overleg in werking te stellen. Te dien einde moeten de hh. gewestelijke directeurs de verzoeken die bij hen zijn toegekomen, desnoods na onderzoek, aan het Hoofdbestuur zenden.

71. Wanneer ingevolge het onderling overleg de in België gevestigde aanslag zou moeten worden beschouwd als zijnde in strijd met de overeenkomst, dan zou het aan de gewestelijke directeur van het ambtsgebied, waar de aanslag werd gevestigd, behoren uitspraak te doen over het verzoek om herziening, niettegenstaande het bestaan van een vroegere beslissing. Art. 25, § 1, heeft precies tot doel de herziening van dossiers mogelijk te maken om, indien zulks doenlijk is, dubbele belastingheffing die ontstaan is door de onjuiste toepassing van de overeenkomst, te verhelpen.

G. Uitwisseling van inlichtingen (art. 26).

72. Binnen de aldaar gestelde perken voorziet art. 26, over. in de uitwisseling van inlichtingen tussen België en Duitsland, die nodig zijn voor de uitvoering van de overeenkomst en voor de toepassing van de nationale wetgeving in verband met belastingen die binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst vallen en waarvan de heffing niet in strijd is met de overeenkomst.

73. Deze uitwisseling van inlichtingen kan uitsluitend op het vlak van de centrale besturen plaatsvinden. De plaatselijke diensten dienen zich derhalve ervan te onthouden rechtstreeks inlichtingen bij de Duitse belastingdiensten in te winnen ; evenmin kunnen zij ingaan op verzoeken om inlichtingen die hen vanwege de Duitse diensten rechtstreeks zouden bereiken.

H. Wederzijdse bijstand voor de invordering van belastingen (art.27).

74. Art. 27, over. voorziet in wederzijdse bijstand van de Belgische en de Duitse administratie voor de invordering van de in de overeenkomst bedoelde belastingen. De nodige onderrichtingen dienaangaande zullen later worden verstrekt, zodra het overleg tussen de twee landen aangaande de wijze van uitvoering van art. 27 zal zijn beëindigd.

LIJST VAN DE GEMEENTEN DIE IN DE BELGISCHE EN DE DUITSE GRENSZONE BEGREPEN ZIJN.

A. Gemeenten van de Belgische grenszone.

Amblève (Amel)

Andrimont

As

Aubel

Baelen

Battice

Beho

Bellevaux-Ligneuville

Berneau

Bévercé

Bilstain

Bolland

Bombaye

Boorsem

Bovigny

Bree

Bullange (Büllingen)

Butgenbach

Chaineux

Charneux

Cherain

Clermont (Sur-Berwinne)

Crombach

Dalhem

Dilsem

Dison

Eisden

Elen

Elsenborn

Eupen

Eynatten

Faymonville

Francorchamps

Gemmenich

Goé

Grand-Halleux

Grand-Rechain

Gruitrode

Hausset

Henri-Chapelle

Heppenbach

Hergenrath

Herve

Heussy

Hombourg

Jalhay

Julémont

Kessenich

Kettenis

Kinrooi

La Calamine (Kelmis)

La Gleize

Lambermont

Lanaken

Lanaye

Lanklaar

Leut

Lierneux

Limbourg

Limerlé

Lommersweiler

Longvilly

Lontzen

Maaseik

Malmédy

Manderfeld

Mechelen-aan-de-Maas

Meeswijk

Membach

Meyrode (Meyerode)

Moelingen (Mouland)

Molenbeersel

Montleban

Montzen

Moresnet

Mortroux

Neerglabeek

Neerharen

Neeroeteren

Neufchâteau (Liège)

Neu-Moresnet

Niel-bij-As

Opglabbeek

Opgrimbie

Ophoven

Opitter

Opoeteren

Petit-Rechain

Petit-Thier

Polleur

Raeren

Recht

Rekem

Remersdael

Reuland

Robertville

Rocherath

Rotem

Saint-André

Saint-Vith (Sankt Vith)

Sart-lez-Spa

Schoenberg (Schönberg)

‘s – Graevenvoeren (Fouron-le-comte)

Sint-Martens-Voeren (Fouron-Saint-Martin)

Sint-Pieters-Voeren (Fouron-Saint-Pierre)

Sippenaeken

Spa

Stavelot

Stembert

Stokkem

Tavigny

Teuven

Thimister

Thommem

Tongerlo (Limburg)

Uikhoven

Verviers

Vielsalm

Visé

Vucht

Waimes (Weismes)

Walhorn

Wanne

Warsage

Welkenraedt

B. Gemeenten van de Duitse grenszone.

1. Rijnpalts (Land Rheinland-Pfalz).

Affler

Altscheid

Ammeldingen bei Neuerburg

Arzfeld

Auel

Auw

Basberg

Bauler

Bellscheid

Berkoth

Berndorf

Berscheid

Bewingen

Binscheid

Birgel (Landkreis Daun)

Bleialf

Bolsdorf

Brandscheid

Buchest

Büdesheim

Burscheid

Dackscheid

Dahnen

Daleiden

Dasburg

Dauwelshausen

Dausfeld

Dingdorf

Dohm-Lammersdorf

Duppach

Eilscheid

Ellwerath

Emmelbaum

Esch

Eschfeld

Euscheid

Feuerscheid

Feusdorf

Fischbach

Fleringen

Gemünd (Landkreis Bitburg)

Gerolstein

Giesdorf

Gönnersdorf

Gondelsheim

Gondenbrett

Greimelscheid

Grosskampenberg

Grosslangenfeld

Habscheid

Halenbach

Hallschlag

Hargarten

Harspelt

Heckhalenfeld

Heckhuscheid

Heilbach

Heilhausen

Heisdorf

Herbstmühle

Hermespand

Herzfeld

Hickeshausen

Hillesheim

Hinterhausen

Hölzchen

Hollnich

Hütten

Huf

Irrhaussen

Jünkerath

Jucken

Kalenborn

Karlshausen

Keppeshausen

Kerpen

Kerschenbach

Kesfeld

Kickeshausen

Kinzenburn

Kleinlangenfeld

Kobscheid

Kopp

Kopscheid

Koxhausen

Krautscheid

Lahr

Lambertsberg

Lascheid

Lasel

Laudesfeld

Lauperath

Leidenborn

Leimbach

Lichtenborn

Lieerfeld

Manderscheid

Masthorn

Matzerath

Mauel

Merkeshausen

Merlscheid

Mirbach

Müllenborn

Mützenich (Landkreis Prüm)

Muxerath

Nasingen

Neuendorf

Neuerburg

Neurath

Niederbettingen

Lissendorf

Lissingen

Loogh (sedert 8.6.1969)

Lünebach

Lützkampen

Niederhersdorf

Niederlauch

Niedermehlen

Nierderpierscheid

Niederprüm

Niederüttfeld

Niederweidingen (sedert 8.6.1969)

Nimsreuland

Oberbettingen

Obergeckler

Oberhersdorf

Oberlascheid

Oberlauch

Obermehlen

Oberpierscheid

Oberraden

Oberüttfeld

Olmscheid

Olzheim

Oos

Orlenbach

Ormonf

Pintesfeld

Pittenbach

Plütscheid

Preischeid

Pronsfeld

Prüm

Reiff

Reipeldingen

Reuth

Ringhuscheid

Rodershaussen

Rommersheim

Roscheid

Roth (Landkreis Prüm)

Roth (Landkreis Daun)

Scheid

Scheuern (Landkris Daun)

Scheuern (Lankriss Bitburg)

Scheitenkorb

Schlaussenbach

Schöneeken – Wetteldorf

Schönfeld

Schüller

Schwirzheim

Seiwerath

Sellerich

Sengerich

Sevenig (Landkreis Prüm)

Sevenig (Landkreis Bitburg)

Stadtkyll

Stalbach

Steffeln

Steinmehlen

Strickscheid

Stupbach

Ubereisenbach

Uppershausen

Urb

Waldhof-Felkenstein

Wallersheim

Wascheid

Watzerath

Waxweiler

Weidingen

Weinsfeld

Weinsheim

Welchenhausen

Wiesbaum

Willwerath

Winringen

Winterscheid

Winterspelt

Wischeid

Zweifelscheid

2. Rijnland-Westfalen (Land Nordrhein-Westfalen).

Aachen

Alendorf (sedert 1.7.1969 Blankenheim)

Abenden

Alsdorf

Aphoven (sedert 1.7.1969 Heinsberg)

Baasem (sedert 1.7.1969 Dahlem)

Baesweiler

Bardenberg

Berg (sedert 1.7.1969 Mechernich)

Bergstein (sedert 1.7.1969 Hürtgenwald)

Berg-Thuir

Berk (sedert 1.7.1969 Dahlem)

Berzbuir-Kufferath (sedert 1.7.1969 Lendersdorf)

Bettendorf

Birgden (sedert 1.7.1969 Gangelt)

Birgel (Landkreis Düren)

Birgelen

Blankenheim

Blankenheimerdorf (sedert 1.7.1969 Blankenheim)

Bleibuir (sedert 1.7.1969 Mechernich)

Bogheim (sedert 1.7.1969 Kreuzau)

Boich – Leversbach (sedert 1.7.1969)

Bracht (Landkreis Kemen-Krefeld)

Brand

Brandenberg (sedert 1.7.1969 Hürtgenwald)

Braunsrath

Breberen -Schümm (sedert1.7.1969 Gangelt)

Broich

Broichweiden

Bronsfeld

Brüggen (Landkreis Kempen-Krefeld)

Dahlem

Derichsweiler

D’horn (sedert 1.7.1969)

Dollendorf (sedert 1.7.1969 Blankenheim)

Dreiborn

Drove (sedert le 1.7.1969 Kreuzau)

Dürwiss

Effeld

Eicherscheid

Eilendorf

Elmpt

Embken

Engelgau (sedert 1.7.1969 Nettersheim)

Eschweiler

Frenz

Frohngau (sedert 1.7.1969 Nettersheim)

Gangelt

Geilenkirchen

Gemünd, Satdt (Landkreis Schleiden)

Gey (sedert 1.7.1969 Hürtgenwald)

Glehn (sedert 1.7.1969 Mechernich)

Golbach (sedert 1.7.1969 Kall)

Gressenich

Grosshau (sedert 1.7.1969 Hürtgenwald)

Gürzenich

Haaren (Landkreis Aachen)

Haaren (Seltkantkreis Geilenkirchen-Heinsberg)

Havert (sedert 1.7.1969 Selfkant)

Harperscheid

Hausen (sedert 1.7.1969 Heimbach)

Heimbach

Heinsberg

Hellenthal

Hergarten (sedert1.7.1969 Heimbach)

Herzogenrath

Hillensberg (sedert1.7.1969 Selfkant)

Höten

Hoengen (Landkreis Aachen)

Höngen (sedert 1.7.1969 Selfkant)

Hollerath (sedert 1.7.1969 Hellenthal)

Hüngersdorf (sedert 1.7.1969 Blankenheim)

Hürtgen (sedert 1.7.1969 Hürtgenwald)

Hürtgenwald (sedert 1.7.1969)

Imgenbroich

Jüngerdorf

Kall

Kallmuth (sedert 1.7.1969 Mechernich)

Kalterherberg

Karken

Kempen (Selfkantkreis Geilenkirchen-Heinsberg)

Keldenich (sedert le 1.7.1969 Kall)

Kesternich

Kinzweiler

Kirchhoven

Kleinhau (sedert le 1.7.1969 Hürtgenwald)

Kohlsheid

Konzen

Kornelimünster

Kreuzau

Kronenburg (sedert le 1.7.1969 Dahlem)

Lammersdorf

Langerwehe

Langweifer (sedert 1.7.1969 Niedermerz)

Laurensberg (Landkreis Aachen)

Laurenzberg (Landkreis Jülich)

Lendersdorf (sedert 1.7.1969)

Lohn

Losheim (sedert 1.7.1969 Hellenthal)

Marmagen (sedert 1.7.1969 Nettersheim)

Mechernich (sedert 1.7.1969)

Merkstein

Merode (sedert 1.7.1969 D’horn)

Millen (sedert 1.7.1969 Selfkant)

Monschau

Mülheim (sedert 1.7.1969 Blankenheim)

Mützenich (Landkreis Monschau)

Nettersheim

Nideggen

Niedermerz

Oberhaussen (Landkreis Schleiden)

Obermaubach-Schlagstein

Oidtweiler

Ophoven

Richterich

Ripsdorf (sedert 1.7.1969 Blankenheim)

Rohren

Roetgen

Rott (sedert 1.7.1969 Roetgen)

Rurberg

Saeffelen (sedert 1.7.1969 Selfkant)

Schafhausen (sedert 1.7.1969 Heinsberg)

Schierwaldenrath (sedert 1.7.1969 Gangelt)

Schleiden (Landkreis Jülich)

Schlich-D’horn (sedert 1.7.1969 D’horn)

Schmidt

Schmidthiem (sedert 1.7.1969 Dahlem)

Schöneseiffen

Selfkant (sedert 1.7.1969)

Siersdorf

Simmerath

Sistig (sedert 1.7.1969 Kall)

Sötenich (sedert 1.7.1969 Kall)

Steckenborn

Stolberg

Strass (sedert 1.7.1969 Hürtgenwald)

Strauch

Süsterseel (sedert 1.7.1969 Selfkant)

Teveren

Thum (sedert 1.7.1969 Kreuzau)

Tüddern (sedert 1.7.1969 Selfkant)

Udenbreth (sedert 1.7.1969 Hellenthal)

Ubach-Palenberg

Udingen (sedert 1.7.1969 Kreuzau)

Unterbruch (sedert 1.7.1969 Heinsberg)

Untermaubach

Urft (sedert 1.7.1969 Kall)

Vlatten (sedert 1.7.1969 Heimbach)

Vossenack

Wahlen (sedert 1.7.1969 Kall)

Waldenrath

Waldfeucht

Waldorf (sedert 1.7.1969 Blankenheim)

Walheim

Wallenthal (sedert 1.7.1969 Kall)

Wassenberg

Wehr (sedert 1.7.1969 Selfkant)

Weisweiler

Wenau

Weyer (sedert 1.7.1969 Mechernich)

Winden (sedert 1.7.1969 Kreuzau)

Wollersheim

Würselen

Zingsheim (sedert 1.7.1969 Nettersheim)

Zweifall (sedert 1.7.1969 Roetgen)