Circulaire nr. Ci.D.19/416.334 13e afl. dd. 26.03.1991 (Corrigendum op 29.05.91)
CIRC 26.03.91/1
Circulaire nr. Ci.D.19/416.334 13e afl. dd. 26.03.1991 (Corrigendum op 29.05.91)
Bull. nr. 705, pag. 1136
FISCALE BEPALINGEN 1989
Monetaire meerwaarden
Uitgedrukte meerwaarden
VRIJGESTELDE MEERWAARDEN
Monetaire meerwaarden
Uitgedrukte meerwaarden
Vaste activa gebruikt voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid
Commentaar op de art. 259 en 309, 5°, W. 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen : vrijstelling van uitgedrukte en van monetaire meerwaarden (art. 34 nieuw, WIB).
VRIJSTELLING VAN UITGEDRUKTE EN VAN MONETAIRE MEERWAARDEN
Inhoudstabel Nrs. I. WETTEKSTEN I/211-I/212 II. ALGEMEEN I/213-I/215 III. BEDOELDE MEERWAARDEN A. Uitgedrukte meerwaarden I/216-I/219 B. Monetaire meerwaarden 1. Algemeen I/220-I/222 2. Bedoelde goederen a) Immateriële en materiële vaste activa I/223 b) Financiële vaste activa en andere portefeuillewaarden I/224-I/226 3. Kenmerken van de vrijstelling I/227-I/228 4. Berekening van de vrijstelling I/229-I/230 5. Gronden van land- en tuinbouw- ondernemingen I/231 IV. INWERKINGTREDING I/232 VRIJSTELLING VAN UITGEDRUKTE EN VAN MONETAIRE MEERWAARDEN I. WETTEKSTEN
I/211
Art. 259, W. 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen (V. 2019 - B. 691) vervangt art. 34, WIB door de volgende bepaling :
"Art. 34. - In afwijking van de artikelen 21, eerste lid, 2°, 30, tweede lid, 1° en 31, 1°, worden de meerwaarden op goederen die in de zin van artikel 32quinquies zijn gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid, vrijgesteld wanneer het gaat om :
1° uitgedrukte maar niet-verwezenlijkte meerwaarden op andere goederen dan voorraden en bestellingen in uitvoering, zoals omschreven in de wetgeving betreffende de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen;
2° meerwaarden verwezenlijkt op goederen die de aard hebben van immateriële, materiële of financiële vaste activa, zoals omschreven in de wetgeving betreffende de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen, alsook op andere portefeuillewaarden voor zover de verkoopprijs niet hoger is dan het bedrag dat wordt verkregen door de sommen besteed aan de aanschaffing of voortbrenging van de verwezenlijkte bestanddelen te vermenigvuldigen met de in artikel 119 bepaalde coëfficiënten, gelet op het jaar van belegging en door van dat produkt de fiscaal reeds aangenomen afschrijvingen of minderwaarden af te trekken.
Onverminderd het belasten als divers inkomen met toepassing van art. 67, 7°, zijn de meerwaarden bedoeld in 2° van het vorige lid die voortkomen van ongebouwde onroerende goederen van landbouw- of tuinbouwondernemingen evenwel volledig en onvoorwaardelijk vrijgesteld.
Het eerste lid, 1°, is niet van toepassing op de uitgedrukte doch niet verwezenlijkte meerwaarden die zijn vastgesteld ter gelegenheid van de omzetting, voor dezelfde belastingplichtige, van de deelnemingsrechten in een afdeling van een investeringsvennootschap, in deelnemingsrechten in een andere afdeling van dezelfde investeringsvennootschap".
I/212
Anderzijds wordt art. 39, WIB opgeheven door art. 309, 5°, van diezelfde wet van 22.12.1989.
II. ALGEMEEN
I/213
Art. 21, 1e lid, 2°, art. 30, 2e lid, 1°, en art. 31, 1°, WIB bepalen respectievelijk dat in principe belastbaar zijn :
(1) Bijzonderheden ter zake van Ven.B. worden in een afzonderlijke
aflevering behandeld.
(2) Krachtens art. 32, WIB wordt hiermede gelijkgesteld, de volledige en
definitieve stopzetting van een of meer takken van werkzaamheid.
I/214
Art. 34, WIB is naar de vorm herschreven. Daarbij is de terminologie afgestemd op die van het boekhoudrecht. Inhoudelijk zijn de wijzigingen eerder beperkt.
Aldus zijn vrijgesteld krachtens deze wettelijke bepaling :
Voorts is de vroegere vrijstelling als beroepsinkomen van meerwaarden die door natuurlijke personen op ongebouwde onroerende goederen worden verwezenlijkt, voortaan beperkt tot gronden die belegd zijn in land- en tuinbouwondernemingen.
I/215
Tenslotte vervalt de bijzondere regeling voor vastgoedhandelaars die was ingeschreven in art. 36bis, WIB Mede gelet op de verwijzingen naar de terminologie van de boekhoudwetgeving :
A. Uitgedrukte meerwaarden
I/216
Op grond van art. 34, 1e lid, 1°, WIB, blijven in ondernemingen van natuurlijke personen de uitgedrukte maar niet-verwezenlijkte meerwaarden op andere goederen dan voorraden en bestellingen in uitvoering zoals die omschreven zijn in de wetgeving betreffende de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen, vrijgesteld.
I/217
Voorheen waren "grondstoffen, produkten of koopwaren" uitgesloten; thans geldt de vrijstelling niet voor "voorraden en bestellingen in uitvoering" zoals omschreven in de boekhoudwetgeving.
Blijkens het KB 08.10.1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen, Bijlage, Hoofdstuk I, Afdeling 1 (B. 545 - V. 1435), omvat de onder de vlottende activa voorkomende rubriek "VI. Voorraden en bestellingen in uitvoering" :
"A. Voorraden
B. Bestellingen in uitvoering".
Onder post "VI. B. Bestellingen in uitvoering" worden opgenomen :
I/218
Overeenkomstig de uitdrukkelijke bewoordingen van het laatste lid van art. 34, WIB, geldt de vrijstelling evenmin voor uitgedrukte doch niet- verwezenlijkte meerwaarden die zijn vastgesteld ter gelegenheid van de omzetting, voor dezelfde belastingplichtige, van de deelnemingsrechten in een afdeling van een investeringsvennootschap in deelnemingsrechten in een andere afdeling van diezelfde vennootschap.
Als investeringsvennootschappen worden aangemerkt, vennootschappen die uitsluitend of hoofdzakelijk het gemeenschappelijk beleggen van roerende waarde, deviezen en geldmiddelen tot doel hebben, zoals de "Beleggingsvennootschap met veranderlijk kapitaal" (afgekort Bevak) en de beleggingsvennootschap met vast kapitaal" (afgekort Bevak).
I/219
Behoudens de hierboven in nrs. I/217 en I/218 besproken wijzigingen, heeft de vrijstellingsregeling voor uitgedrukte maar niet-verwezenlijkte meerwaarden geen wijzigingen ondergaan, zodat de onderrichtingen in de Com.IB op art. 34 in beginsel van toepassing blijven. (1).
B. Monetaire meerwaarden
1. Algemeen
I/220
Het monetaire gedeelte van vrijwillig verwezenlijkte en gedwongen meerwaarden op immateriële, materiële of financiële vaste activa, zoals omschreven in de boekhoudwetgeving, zomede op andere portefeuillewaarden, is vrijgesteld ingevolge art. 34, 1e lid, 2°, WIB (1).
Deze wetsbepaling geldt ook voor meerwaarden die zijn behaald uit hoofde of ter gelegenheid van de volledige en definitieve stopzetting van de beroepswerkzaamheid of van één of meer takken daarvan (deze vrijstelling was vroeger afzonderlijk geregeld in het nu opgeheven art. 39, WIB).
(1) Het excedentaire of niet-monetaire gedeelte van meerwaarden op
immateriële of materiële vaste activa kan gespreid worden belast
ingevolge art. 32sexies, WIB
I/221
De nieuwe vrijstellingsregeling verschilt van de vorige op volgende punten :
Dit laatste punt betekent dat thans meerwaarden die zijn verwezenlijkt op andere gronden dan ongebouwde onroerende goederen van land- en tuinbouwondernemingen, die in de zin van art. 32quinquies, WIB voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid zijn gebruikt, in beginsel als beroepsinkomsten belastbaar zijn (2) en niet langer als diverse inkomsten als bedoeld in art. 67, 7°, WIB Die meerwaarden zijn wel vrijgesteld ten belope van het monetaire gedeelte.
I/222
Daar de in art. 119, WIB bepaalde herwaarderingscoëfficiënt voor de berekening van het vrijgestelde monetaire gedeelte van meerwaarden (zie I/229), vanaf het jaar 1950 gelijk is aan 1, heeft deze vrijstellingsregeling nog alleen belang voor activa die voor 1950 zijn verworven of tot stand gebracht.
2. Bedoelde goederen
I/223
Voor een omschrijving van de begrippen "immateriële" en "materiële vaste activa" wordt verwezen naar nrs. I/167 en I/68.
I/224
De rubriek "financiële vaste activa" omvat (KB 08.10.1976, Bijlage, hoofdstuk I, afdeling 1, vervangen door art. 46, KB 12.09.1983, V. 1692- B.622) :
"A. Verbonden ondernemingen
I/225
In hoofdstuk III van de bijlage bij het voormelde KB 08.10.1976, zoals dat hoofdstuk gewijzigd is door art. 3, KB 06.03.1990 (V.2.045-B.694), wordt een nadere omschrijving gegeven van de in nr. I/224 opgesomde posten.
In algemene zin kunnen "financiële vaste activa" worden omschreven als duurzame portefeuillewaarden (aandelen, vorderingen en borgtochten) die in andere ondernemingen worden aangehouden om een invloed op hun beleid uit te oefenen.
I/226
Om verzekeringsondernemingen, waarvan de jaarrekeningen op een bijzondere manier worden voorgesteld, ter zake niet te benadelen, heeft de wetgever de monetaire vrijstelling niet beperkt tot financiële vaste activa maar deze uitgebreid tot "andere portefeuillewaarden", ten einde ook beleggingseffecten als bedoeld in het KB 12.11.1979 betreffende de jaarrekening van verzekeringsondernemingen die zijn toegelaten bij toepassing van de wetgeving betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, voor de vrijstellingsregeling in aanmerking te laten komen (zie stuk 806-11, Senaat, zitting 1989-1990, blz. 1 en 2, waaruit blijkt dat het oorspronkelijk wetsontwerp bij amendement van de Regering is gewijzigd). Deze uitbreiding is evenwel niet uitdrukkelijk beperkt tot verzekeringsondernemingen.
Derhalve geldt de monetaire vrijstelling ook voor aandelen en vastrentende waarden van andere belastingplichtigen mits zij zich reeds voor 01.01.1950 in de portefeuille van de belastingplichtige bevonden.
3. Kenmerken van de vrijstelling
I/227
De vrijstelling van verwezenlijkte meerwaarden op immateriële, materiële en financiële vaste activa, zomede op "andere portefeuillewaarden", is beperkt (1); ze is inderdaad slechts van toepassing in zover de behaalde meerwaarde overeenstemt met de muntontwaarding, berekend aan de hand van de in art. 119, WIB bepaalde coëfficiënten.
I/228
De vrijstelling is overigens wat de P.B. betreft onvoorwaardelijk, omdat voor het verkrijgen ervan geen enkele voorwaarde is gesteld; ze is tenslotte definitief omdat ze niet kan worden ingetrokken op grond van latere feiten of omstandigheden.
4. Berekening van de vrijstelling
I/229
De verwezenlijkte meerwaarden op bedoelde activa zijn slechts vrijgesteld in zover de verkoopprijs (2) niet meer bedraagt dan het bedrag dat wordt verkregen :
Om dubbele belasting te voorkomen, wordt het aldus verkregen bedrag in voorkomend geval verhoogd met de reeds belaste meerwaarden op het vervreemde of verdwenen actiefbestanddeel.
I/230
Inzake de berekening van het vrijgestelde monetaire gedeelte van verwezenlijkte meerwaarden is dus in feite niets gewijzigd ten opzichte van de vroegere regeling, zodat de richtlijnen van Com.IB 34/25 en volgende in beginsel van toepassing blijven.
5. Land- en tuinbouwondernemingen
I/231
Voortaan zijn alleen nog de door natuurlijke personen verwezenlijkte meerwaarden op ongebouwde onroerende goederen van land- en tuinbouwondernemingen totaal en onvoorwaardelijk als beroepsinkomen vrijgesteld.
Die vrijstelling geldt zowel tijdens de exploitatie als bij stopzetting maar doet geen afbreuk aan de eventuele belasting van die meerwaarden als in art. 67, 7°, W.I.B bedoelde diverse inkomsten.
IV. INWERKINGTREDING
I/232
Overeenkomstig art. 333, § 1, 7°, W. 22.12.1989, is art. 34, WIB in zijn gewijzigde vorm van toepassing op vanaf 01.01.1990 vastgestelde, uitgedrukte of verwezenlijkte meerwaarden.
Circulaire nr. Ci.D.19/416.334 13e afl. dd. 26.03.1991 (Corrigendum op 29.05.91)
Bull. nr. 705, pag. 1136
FISCALE BEPALINGEN 1989
Monetaire meerwaarden
Uitgedrukte meerwaarden
VRIJGESTELDE MEERWAARDEN
Monetaire meerwaarden
Uitgedrukte meerwaarden
Vaste activa gebruikt voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid
Commentaar op de art. 259 en 309, 5°, W. 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen : vrijstelling van uitgedrukte en van monetaire meerwaarden (art. 34 nieuw, WIB).
VRIJSTELLING VAN UITGEDRUKTE EN VAN MONETAIRE MEERWAARDEN
Inhoudstabel Nrs. I. WETTEKSTEN I/211-I/212 II. ALGEMEEN I/213-I/215 III. BEDOELDE MEERWAARDEN A. Uitgedrukte meerwaarden I/216-I/219 B. Monetaire meerwaarden 1. Algemeen I/220-I/222 2. Bedoelde goederen a) Immateriële en materiële vaste activa I/223 b) Financiële vaste activa en andere portefeuillewaarden I/224-I/226 3. Kenmerken van de vrijstelling I/227-I/228 4. Berekening van de vrijstelling I/229-I/230 5. Gronden van land- en tuinbouw- ondernemingen I/231 IV. INWERKINGTREDING I/232 VRIJSTELLING VAN UITGEDRUKTE EN VAN MONETAIRE MEERWAARDEN I. WETTEKSTEN
I/211
Art. 259, W. 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen (V. 2019 - B. 691) vervangt art. 34, WIB door de volgende bepaling :
"Art. 34. - In afwijking van de artikelen 21, eerste lid, 2°, 30, tweede lid, 1° en 31, 1°, worden de meerwaarden op goederen die in de zin van artikel 32quinquies zijn gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid, vrijgesteld wanneer het gaat om :
1° uitgedrukte maar niet-verwezenlijkte meerwaarden op andere goederen dan voorraden en bestellingen in uitvoering, zoals omschreven in de wetgeving betreffende de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen;
2° meerwaarden verwezenlijkt op goederen die de aard hebben van immateriële, materiële of financiële vaste activa, zoals omschreven in de wetgeving betreffende de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen, alsook op andere portefeuillewaarden voor zover de verkoopprijs niet hoger is dan het bedrag dat wordt verkregen door de sommen besteed aan de aanschaffing of voortbrenging van de verwezenlijkte bestanddelen te vermenigvuldigen met de in artikel 119 bepaalde coëfficiënten, gelet op het jaar van belegging en door van dat produkt de fiscaal reeds aangenomen afschrijvingen of minderwaarden af te trekken.
Onverminderd het belasten als divers inkomen met toepassing van art. 67, 7°, zijn de meerwaarden bedoeld in 2° van het vorige lid die voortkomen van ongebouwde onroerende goederen van landbouw- of tuinbouwondernemingen evenwel volledig en onvoorwaardelijk vrijgesteld.
Het eerste lid, 1°, is niet van toepassing op de uitgedrukte doch niet verwezenlijkte meerwaarden die zijn vastgesteld ter gelegenheid van de omzetting, voor dezelfde belastingplichtige, van de deelnemingsrechten in een afdeling van een investeringsvennootschap, in deelnemingsrechten in een andere afdeling van dezelfde investeringsvennootschap".
I/212
Anderzijds wordt art. 39, WIB opgeheven door art. 309, 5°, van diezelfde wet van 22.12.1989.
II. ALGEMEEN
I/213
Art. 21, 1e lid, 2°, art. 30, 2e lid, 1°, en art. 31, 1°, WIB bepalen respectievelijk dat in principe belastbaar zijn :
- meerwaarden op activa resp. minderwaarden op passiva in een nijverheids-, handels- of landbouwbedrijf (1), wanneer deze ofwel verwezenlijkt, ofwel in de rekeningen, balansen of inventarissen uitgedrukt zijn;
- meerwaarden verwezenlijkt op activa die voor een vrij beroep, ambt, post of andere winstgevende bezigheid worden gebruikt;
- meerwaarden behaald of vastgesteld uit hoofde of ter gelegenheid van de volledige en definitieve stopzetting van een hierboven bedoelde beroepswerkzaamheid (2) (zogenaamde "stopzettingsmeerwaarden").
| Art. | 34, WIB houdt bepaalde afwijkingen van dat principe in. |
aflevering behandeld.
(2) Krachtens art. 32, WIB wordt hiermede gelijkgesteld, de volledige en
definitieve stopzetting van een of meer takken van werkzaamheid.
I/214
Art. 34, WIB is naar de vorm herschreven. Daarbij is de terminologie afgestemd op die van het boekhoudrecht. Inhoudelijk zijn de wijzigingen eerder beperkt.
Aldus zijn vrijgesteld krachtens deze wettelijke bepaling :
- uitgedrukte, maar niet-verwezenlijkte meerwaarden op andere goederen dan voorraden en bestelling in uitvoering;
- waardevermeerderingen ten gevolge van uitgedrukte maar niet-verwezenlijkte minderwaarden van het passief (zie Com.IB 34/5.1 en 14.1 tot 14.3);
- het monetaire gedeelte van meerwaarden verwezenlijkt op immateriële, materiële of financiële vaste activa en op andere portefeuillewaarden; dit laatste behelst een uitbreiding daar de vrijstelling voorheen niet op immateriële activa van toepassing was.
Voorts is de vroegere vrijstelling als beroepsinkomen van meerwaarden die door natuurlijke personen op ongebouwde onroerende goederen worden verwezenlijkt, voortaan beperkt tot gronden die belegd zijn in land- en tuinbouwondernemingen.
I/215
Tenslotte vervalt de bijzondere regeling voor vastgoedhandelaars die was ingeschreven in art. 36bis, WIB Mede gelet op de verwijzingen naar de terminologie van de boekhoudwetgeving :
- worden vastgoedhandelaars voortaan aan het algemene meerwaardenstelsel onderworpen, vermits onroerende goederen die als voorraden worden aangehouden boekhoudkundig geen vastliggende activa zijn;
- geldt de monetaire vrijstelling niet alleen voor meerwaarden of financiële vaste activa, maar ook voor die op alle andere portefeuillewaarden, inzonderheid obligaties.
A. Uitgedrukte meerwaarden
I/216
Op grond van art. 34, 1e lid, 1°, WIB, blijven in ondernemingen van natuurlijke personen de uitgedrukte maar niet-verwezenlijkte meerwaarden op andere goederen dan voorraden en bestellingen in uitvoering zoals die omschreven zijn in de wetgeving betreffende de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen, vrijgesteld.
I/217
Voorheen waren "grondstoffen, produkten of koopwaren" uitgesloten; thans geldt de vrijstelling niet voor "voorraden en bestellingen in uitvoering" zoals omschreven in de boekhoudwetgeving.
Blijkens het KB 08.10.1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen, Bijlage, Hoofdstuk I, Afdeling 1 (B. 545 - V. 1435), omvat de onder de vlottende activa voorkomende rubriek "VI. Voorraden en bestellingen in uitvoering" :
"A. Voorraden
| 1. | Grond- en hulpstoffen |
| 2. | Goederen in bewerking |
| 3. | Gereed produkt |
| 4. | Handelsgoederen |
| 5. | Onroerende goederen bestemd voor verkoop |
| 6. | Vooruitbetalingen |
Onder post "VI. B. Bestellingen in uitvoering" worden opgenomen :
| a) | het onderhanden werk dat voor rekening van een derde op bestelling wordt uitgevoerd en waarvoor nog geen oplevering is geschied; |
| b) | de goederen in bewerking die voor rekening van een derde op bestelling worden gemaakt en die nog niet zijn geleverd, tenzij het seriewerk betreft; |
| c) | dienstprestaties die voor rekening van een derde op bestelling worden uitgevoerd en nog niet zijn geleverd, tenzij het een standaardtype van dienstprestatie betreft. |
Overeenkomstig de uitdrukkelijke bewoordingen van het laatste lid van art. 34, WIB, geldt de vrijstelling evenmin voor uitgedrukte doch niet- verwezenlijkte meerwaarden die zijn vastgesteld ter gelegenheid van de omzetting, voor dezelfde belastingplichtige, van de deelnemingsrechten in een afdeling van een investeringsvennootschap in deelnemingsrechten in een andere afdeling van diezelfde vennootschap.
Als investeringsvennootschappen worden aangemerkt, vennootschappen die uitsluitend of hoofdzakelijk het gemeenschappelijk beleggen van roerende waarde, deviezen en geldmiddelen tot doel hebben, zoals de "Beleggingsvennootschap met veranderlijk kapitaal" (afgekort Bevak) en de beleggingsvennootschap met vast kapitaal" (afgekort Bevak).
I/219
Behoudens de hierboven in nrs. I/217 en I/218 besproken wijzigingen, heeft de vrijstellingsregeling voor uitgedrukte maar niet-verwezenlijkte meerwaarden geen wijzigingen ondergaan, zodat de onderrichtingen in de Com.IB op art. 34 in beginsel van toepassing blijven. (1).
| (1) | Daar geen onderscheid meer moet worden gemaakt tussen vastgoedhandelaars en andere belastingplichtigen (zie I/215), is Com.IB 34/5 niet meer van toepassing. |
1. Algemeen
I/220
Het monetaire gedeelte van vrijwillig verwezenlijkte en gedwongen meerwaarden op immateriële, materiële of financiële vaste activa, zoals omschreven in de boekhoudwetgeving, zomede op andere portefeuillewaarden, is vrijgesteld ingevolge art. 34, 1e lid, 2°, WIB (1).
Deze wetsbepaling geldt ook voor meerwaarden die zijn behaald uit hoofde of ter gelegenheid van de volledige en definitieve stopzetting van de beroepswerkzaamheid of van één of meer takken daarvan (deze vrijstelling was vroeger afzonderlijk geregeld in het nu opgeheven art. 39, WIB).
(1) Het excedentaire of niet-monetaire gedeelte van meerwaarden op
immateriële of materiële vaste activa kan gespreid worden belast
ingevolge art. 32sexies, WIB
I/221
De nieuwe vrijstellingsregeling verschilt van de vorige op volgende punten :
| 1° | voor de omschrijving van de goederen die voor de vrijstelling in aanmerking komen, wordt thans verwezen naar de boekhoudwetgeving; |
| 2° | voortaan is ook het monetaire gedeelte van meerwaarden op immateriële vaste activa vrijgesteld; |
| 3° | het vroegere onderscheid tussen vastgoedhandelaars en andere belastingplichtigen valt weg; |
| 4° | de voorheen door de wet gestelde minimum gebruiksduur van "meer dan 5 jaar" is eveneens geschrapt (deze bepaling had trouwens geen praktisch belang nu slechts voor 01.01.1950 verkregen activa geherwaardeerd worden); |
| 5° | de vroegere (volledige) vrijstelling van meerwaarden, verwezenlijkt door andere natuurlijke personen dan vastgoedhandelaars op ongebouwde onroerende goederen, wordt voortaan beperkt tot land- en tuinbouwgronden. |
| (2) | Ofwel ineens voor het belastbare tijdperk van verwezenlijking ofwel gespreid ingevolge art. 32sexies, WIB |
Daar de in art. 119, WIB bepaalde herwaarderingscoëfficiënt voor de berekening van het vrijgestelde monetaire gedeelte van meerwaarden (zie I/229), vanaf het jaar 1950 gelijk is aan 1, heeft deze vrijstellingsregeling nog alleen belang voor activa die voor 1950 zijn verworven of tot stand gebracht.
2. Bedoelde goederen
| a) | Immateriële en materiële vaste activa |
Voor een omschrijving van de begrippen "immateriële" en "materiële vaste activa" wordt verwezen naar nrs. I/167 en I/68.
| b) | Financiële vaste activa en andere portefeuillewaarden |
De rubriek "financiële vaste activa" omvat (KB 08.10.1976, Bijlage, hoofdstuk I, afdeling 1, vervangen door art. 46, KB 12.09.1983, V. 1692- B.622) :
"A. Verbonden ondernemingen
| 1. | Deelnemingen |
| 2. | Vorderingen |
| B. | Ondernemingen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat 1. Deelnemingen 2. Vorderingen |
| C. | Andere financiële vaste activa 1. Aandelen 2. Vorderingen en borgtochten in contanten". |
In hoofdstuk III van de bijlage bij het voormelde KB 08.10.1976, zoals dat hoofdstuk gewijzigd is door art. 3, KB 06.03.1990 (V.2.045-B.694), wordt een nadere omschrijving gegeven van de in nr. I/224 opgesomde posten.
In algemene zin kunnen "financiële vaste activa" worden omschreven als duurzame portefeuillewaarden (aandelen, vorderingen en borgtochten) die in andere ondernemingen worden aangehouden om een invloed op hun beleid uit te oefenen.
I/226
Om verzekeringsondernemingen, waarvan de jaarrekeningen op een bijzondere manier worden voorgesteld, ter zake niet te benadelen, heeft de wetgever de monetaire vrijstelling niet beperkt tot financiële vaste activa maar deze uitgebreid tot "andere portefeuillewaarden", ten einde ook beleggingseffecten als bedoeld in het KB 12.11.1979 betreffende de jaarrekening van verzekeringsondernemingen die zijn toegelaten bij toepassing van de wetgeving betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, voor de vrijstellingsregeling in aanmerking te laten komen (zie stuk 806-11, Senaat, zitting 1989-1990, blz. 1 en 2, waaruit blijkt dat het oorspronkelijk wetsontwerp bij amendement van de Regering is gewijzigd). Deze uitbreiding is evenwel niet uitdrukkelijk beperkt tot verzekeringsondernemingen.
Derhalve geldt de monetaire vrijstelling ook voor aandelen en vastrentende waarden van andere belastingplichtigen mits zij zich reeds voor 01.01.1950 in de portefeuille van de belastingplichtige bevonden.
3. Kenmerken van de vrijstelling
I/227
De vrijstelling van verwezenlijkte meerwaarden op immateriële, materiële en financiële vaste activa, zomede op "andere portefeuillewaarden", is beperkt (1); ze is inderdaad slechts van toepassing in zover de behaalde meerwaarde overeenstemt met de muntontwaarding, berekend aan de hand van de in art. 119, WIB bepaalde coëfficiënten.
| (1) | Meerwaarden op aandelen kunnen evenwel volledig worden vrijgesteld op grond van art. 36 (nieuw), WIB |
De vrijstelling is overigens wat de P.B. betreft onvoorwaardelijk, omdat voor het verkrijgen ervan geen enkele voorwaarde is gesteld; ze is tenslotte definitief omdat ze niet kan worden ingetrokken op grond van latere feiten of omstandigheden.
4. Berekening van de vrijstelling
I/229
De verwezenlijkte meerwaarden op bedoelde activa zijn slechts vrijgesteld in zover de verkoopprijs (2) niet meer bedraagt dan het bedrag dat wordt verkregen :
| 1° | door de aanschaffings- of beleggingswaarde, d.i. de voor de aankoop of opstelling van het vervreemde of verdwenen actiefbestanddeel bestede som te vermenigvuldigen met de in art. 119, WIB, bepaalde coëfficiënt, gelet op het jaar vanaf hetwelk het bestanddeel voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid is gebruikt; |
| 2° | en door van het produkt de fiscale afschrijvingen of waardeverminderingen af te trekken. |
| (2) | Of de ontvangen schadevergoeding als het een gedwongen meerwaarde betreft, zomede in voorkomend geval de terugbetalingsprijs van effecten. |
Inzake de berekening van het vrijgestelde monetaire gedeelte van verwezenlijkte meerwaarden is dus in feite niets gewijzigd ten opzichte van de vroegere regeling, zodat de richtlijnen van Com.IB 34/25 en volgende in beginsel van toepassing blijven.
5. Land- en tuinbouwondernemingen
I/231
Voortaan zijn alleen nog de door natuurlijke personen verwezenlijkte meerwaarden op ongebouwde onroerende goederen van land- en tuinbouwondernemingen totaal en onvoorwaardelijk als beroepsinkomen vrijgesteld.
Die vrijstelling geldt zowel tijdens de exploitatie als bij stopzetting maar doet geen afbreuk aan de eventuele belasting van die meerwaarden als in art. 67, 7°, W.I.B bedoelde diverse inkomsten.
IV. INWERKINGTREDING
I/232
Overeenkomstig art. 333, § 1, 7°, W. 22.12.1989, is art. 34, WIB in zijn gewijzigde vorm van toepassing op vanaf 01.01.1990 vastgestelde, uitgedrukte of verwezenlijkte meerwaarden.
Bron: FisconetPlus
