Circulaire nr. Ci.RH.244/573.732 (AOIF 34/2008) van 26.09.2008

BEDRIJFSVOORHEFFING

Aangifte in de BV

Berekening van de BV

Bezoldiging ingevolge overwerk

Gedeeltelijke vrijstelling van storting van de BV

BEREKENING VAN DE BELASTING

Belasting van niet-inwoners natuurlijke personen

Belastingvermindering

Personenbelasting

Vermindering voor bezoldigingen ingevolge overwerk

BEZOLDIGING

Bezoldiging ingevolge overwerk

Deze circulaire bespreekt enerzijds de belastingvermindering voor bezoldigingen ten name van de werknemers ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag en anderzijds de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ten name van de werkgevers ingevolge het betalen of toekennen van bezoldigingen die betrekking hebben op door de werknemer gepresteerd overwerk.

Aan alle ambtenaren

INHOUDSTAFEL

Nrs.

I. Inleiding

1

II. Wettelijke en reglementaire bepalingen

2

III. Begrippen "belastingvermindering" en "vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing"

3 en 4

IV. Belastingvermindering en de vermindering van de bedrijfsvoorheffing ten name van de werknemers, ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag (Art. 154bis, WIB 92 en 6319, KB/WIB 92)

Waaruit bestaat het fiscaal gunstregime ?

5

Welke werknemers komen in aanmerking ?

6

Hoe wordt de belastingvermindering berekend ?

7

In de PB en de BNI/nat.pers.

7.1

Relevante wettelijke en reglementaire bepalingen

7.1.1

Berekening

7.1.2

In de bedrijfsvoorheffing

7.2

Relevante wettelijke en reglementaire bepalingen

7.2.1

Berekening

7.2.2

V. Vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ten name van de werkgevers (Art. 275^1, WIB 92 en 951 en 2, KB/WIB92)

Waaruit bestaat het fiscaal gunstregime ?

8

Welke werkgevers komen in aanmerking ?

9

Hoe wordt de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing berekend?

10

Relevante wettelijke en reglementaire bepalingen

10.1

Berekening

10.2

VI. Ingehouden bedrijfsvoorheffing

11

VII. Praktische werkwijze voor de betrokken werkgevers

a) Aangifte bedrijfsvoorheffing

12

Relevante wettelijke en reglementaire bepalingen

12.1

Opmaak aangifte bedrijfsvoorheffing

12.2

b) Aanvullende aangiften in de bedrijfsvoorheffing

13

c) Rechtzetting van de bedrijfsvoorheffing m.b.t. de maanden april, mei, juni en juli 2007 waarvoor nog een negatieve aangifte 274 werd ingediend waarbij in het vak "aard der inkomsten" de code"08" werd ingevuld i.p.v. de code "44" of "45"

14

d) Loonfiches 281.10 en samenvattende opgaven 325.10

15

e) Samenvattende tabel

16

VIII. Bewijsvoering

Algemeen

17

Uitzendbedrijven

18

IX. Inwerkingtreding

19

X. Frequently asked questions

20 tot 43

XI. Voorbeelden

44 tot 48

XII. Lijst van de verwijzingen

49

Bijlagen :

Bijlage 1 Wet van 3 juli 2005 houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg

Bijlage 2 Koninklijk besluit van 28 juni 2005 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing

Bijlage 3 Koninklijk besluit van 4 augustus 2005 tot vaststelling van de toepassingsmodaliteiten zoals voorzien in artikel 275^1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en tot wijziging van het KB/WIB 92, inzake vrijstelling van storting van bedrijfsvoorheffing (- Erratum)

Bijlage 4 Koninklijk besluit van 22 augustus 2006 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing

Bijlage 5 Koninklijk besluit van 11 december 2006 tot wijziging van het KB/WIB 92, tot uitvoering van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, van diverse bepalingen van het Wetboek van deinkomstenbelastingen 1992 en van de wet van 25 juni 2005 tot invoering van een belastingaftrek voor risicokapitaal

Bijlage 6 Wet van 27december 2006 houdende diverse bepalingen (I)

Bijlage 7 Programmawet (I) van 27 december 2006 (- Errata)

Bijlage 8 Wet van 17 mei 2007 houdende uitvoering van het interprofessioneel akkoord voor de periode 2007-2008

Bijlage 9 Koninklijk besluit van 3 juni 2007 tot uitvoering van de artikelen 154bis, derde lid, en 275^1, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992

Bijlage 10 Koninklijk besluit van 3 juni 2007 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing

Bijlage 11 Koninklijk besluit van 8 juni 2007 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing

Bijlage 12 Brief van 16.11.2005 van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg

Bijlage 13 Gecoördineerde tekst van artikel 154bis, WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 juli 2005 tot 31 december 2005 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd

Bijlage 14 Gecoördineerde tekst artikel 154bis, WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 januari 2006 tot 31 maart 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd

Bijlage 15 Gecoördineerde tekst artikel 154bis, WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd

Bijlage 16 Gecoördineerde tekst van artikel 243, WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 juli 2005 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd

Bijlage 17 Gecoördineerde tekst van artikel 63^19, KB/WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd

Bijlage 18 Gecoördineerde tekst van de Bijlage III, KB/WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 juli 2005 tot 31 maart 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd

Bijlage 19 Gecoördineerde tekst van de Bijlage III, KB/WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd

Bijlage 20 Gecoördineerde tekst van artikel 275^1, WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 juli 2005 tot 31 maart 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd

Bijlage 21 Gecoördineerde tekst van artikel 275^1, WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd

Bijlage 22 Gecoördineerde tekst van artikel 95^1, KB/WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd

Bijlage 23 Gecoördineerde tekst van artikel 90, KB/WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 juli 2005 tot 31 december 2005 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd

Bijlage 24 Gecoördineerde tekst van artikel 95^2, KB/WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 januari 2006 tot 31 maart 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd

Bijlage 25 Gecoördineerde tekst van de Bijlage IIIbis, KB/WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 januari 2006 tot 31 maart 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd

Bijlage 26 Gecoördineerde tekst van de Bijlage IIIter, KB/WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 januari 2006 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd

Bijlage 27 Gecoördineerde tekst van artikel 952, KB/WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd

Bijlage 28 Gecoördineerde tekst van de Bijlage IIIbis, KB/WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd

I. INLEIDING

1. Deze circulaire bespreekt :

- de artikelen 23 t/m 25 en 27 van de Wet van 3 juli 2005 houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg;

- het KB van 28 juni 2005 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing;

- de artikelen 1, 2e en 2 t/m 4 van het KB van 4 augustus 2005 tot vaststelling van de toepassingsmodaliteiten zoals voorzien in artikel 275^1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en tot wijziging van het KB/WIB 92, inzake vrijstelling van storting van bedrijfsvoorheffing (-Erratum);

- de artikelen 1 t/m 4 en 6 t/m 8 van het KB van 22 augustus 2006 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing;

- de artikelen 18 en 26, vierde lid, van het KB van 11 december 2006 tot wijziging van het KB/WIB 92, tot uitvoering van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, van diverse bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van de wet van 25 juni 2005 tot invoering van een belastingaftrek voor risicokapitaal;

- de artikelen 284 en 289, derde lid, van de Wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I);

- de artikelen 16, 18, derde lid, 29 en 33 van de Programmawet(I) van 27 december 2006 (- Errata);

- de artikelen 25 tot 27 van de Wet van 17 mei 2007 houdende uitvoering van het interprofessioneel akkoord voor de periode 2007- 2008;

- het KB van 3 juni 2007 tot uitvoering van de artikelen 154bis, derde lid, en 275^1, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;

- de artikelen 1, 1e en 4e, 2, eerste streepje en 3 van het KB van 3 juni 2007 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing;

- de artikelen 1, 3, b, 4, 6, eerste streepje en 7 van het KB van 8 juni 2007 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing.

De voormelde bepalingen hebben betrekking op :

- een belastingvermindering voor bezoldigingen ten name van de werknemers ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag;

- een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ten name van de werkgevers ingevolge het betalen of toekennen van bezoldigingen die betrekking hebben op door de werknemer gepresteerd overwerk.

De fiscale maatregelen inzake overuren bestaan uit twee onderscheiden delen, die op zich volledig losstaan van elkaar en onafhankelijk van elkaar moeten worden toegepast. Er moet dus steeds een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen :

- de belastingvermindering;

- de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.

II. WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE BEPALINGEN

2. De integrale tekst van de hiervoor in nr. 1 aangehaalde wettelijke en reglementaire bepalingen is als bijlage aan deze circulaire toegevoegd (zie bijlagen 1 tot en met11).

III. BEGRIPPEN "BELASTINGVERMINDERING" EN "VRIJSTELLING VAN DOORSTORTING VAN BEDRIJFSVOORHEFFING"

3. Belastingvermindering ten name van de werknemers

De belastingvermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag wordt verleend krachtens art. 154bis, WIB 92. Het is een vermindering die in de personenbelasting (PB) en de belasting van niet-inwoners/natuurlijke personen (BNI/nat.pers.) zal worden verleend aan de rechthebbende werknemers.

Deze belastingvermindering wordt reeds op het niveau van de bedrijfsvoorheffing verleend voor de maand waarin de overuren werkelijk worden gepresteerd. De bedrijfsvoorheffing wordt berekend overeenkomstig de toepassingsregels vervat in Bijlage III KB/WIB 92.

De bedrijfsvoorheffing wordt bij het vestigen van de aanslag in de PB of in de BNI/nat.pers. ten name van de betrokken werknemer met die belasting verrekend. Het overschot (te veel geïnde bedrijfsvoorheffing) wordt desgevallend terugbetaald.

4. Vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ten name van de werkgevers

De vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt overeenkomstig de bepalingen van art.275^1, WIB 92, verleend aan welbepaalde werkgevers die bezoldigingen betalen of toekennen met betrekking tot door de werknemer gepresteerd overwerk en die overeenkomstig art. 270, 1°, WIB 92, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen.

De werkgever heeft het recht (art. 272, WIB 92) de bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen in te houden. Hij moet die voorheffing krachtens art. 412, WIB 92, hoe dan ook binnen de gestelde termijnen storten in de Schatkist.

Ingevolge onderhavige maatregel wordt aan bedoelde werkgevers een vrijstelling verleend van doorstorting van een gedeelte van de bedrijfsvoorheffing die volledig op de bezoldigingen is ingehouden.

IV. BELASTINGVERMINDERING EN DE VERMINDERING VAN DE BEDRIJFSVOORHEFFING TEN NAME VAN DE WERKNEMERS, INGEVOLGE HET PRESTEREN VAN OVERWERK DAT RECHT GEEFT OP EEN OVERWERKTOESLAG (Art. 154bis, WIB 92 en 63^19, KB/WIB 92)

5. Waaruit bestaat het fiscaal gunstregime ?

Krachtens artikel 154bis, WIB 92, wordt er een belastingvermindering verleend aan de werknemers die gedurende het belastbare tijdperk overwerk hebben gepresteerd dat recht geeft op een overwerktoeslag als bedoeld in artikel 29 van de Arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren.

Voormelde belastingvermindering wordt uitsluitend verleend wanneer overwerk wordt gepresteerd dat recht geeft op een wettelijke overwerktoeslag die wordt betaald tegen een bedrag dat ten minste 50 pct. hoger is dan het gewone loon, of ten minste 100 pct. wanneer het overwerk wordt gepresteerd op zondag of op de rustdagen toegekend krachtens de wetgeving op de betaalde feestdagen (ten minste 20 pct. voor de bouwsector) en die de werkgever verplicht moet betalen omdat er arbeid werd verricht boven 9 uren per dag (8 uren per dag voor de bouwsector) of boven de 40 uren per week of boven de lagere grenzen van de arbeidsduur die zijn vastgelegd door een CAO, zodat de zuiver goedgunstig betaalde of toegekende overwerktoeslagen die niet hun oorsprong vinden in een wettelijke of reglementaire bepaling of in een CAO hier niet zijn bedoeld.

De belastingvermindering zal niet enkel in de personenbelasting, maar ook in de belasting van niet-inwoners/natuurlijke personen van toepassing zijn.

Deze belastingvermindering wordt reeds verrekend in de bedrijfsvoorheffing voor de maand waarin het overwerk is gepresteerd.

6. Welke werknemers komen in aanmerking ?

Opdat de belastingvermindering kan worden verleend, is het vooreerst vereist dat de werknemers onderworpen zijn aan de Arbeidswet van 16 maart 1971 en tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 (1) aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.

Volgens de Memorie van Toelichting bij de Wet van 3.7.2005 houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg (Kamer, DOC 51, 1767/001, blz. 18) gaat het derhalve om de werknemers uit de profit sector en de werknemers uit de non profit, andere dan de publieke ondernemingen uit die laatste sector.

Het toepassingsgebied van voormelde wetten wordt summier toegelicht in de brief van 16.11.2005 van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg waarvan een afschrift als bijlage is toegevoegd (zie bijlage 12).

Voor nadere toelichtingen ter zake kan de website worden geconsulteerd van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, www.werk.belgie.be, door het volgende pad te volgen "thema's Arbeidsreglementering -> Arbeidsduur en rusttijden -> Arbeidsduur en vermindering van arbeidsduur".

7. Hoe wordt de belastingvermindering berekend ?

7.1. In de PB en de BNI/nat.pers.

7.1.1. Relevante wettelijke en reglementaire bepalingen

- Onderafdeling IIIbis en art. 154bis ingevoegd in Titel II, Hoofdstuk III, Afdeling I, WIB 92, bij art. 23 en 27, W 3 juli 2005 houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg voor de vanaf 1 juli 2005 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (zie bijlage 1 en bijlage 13 wat de gecoördineerde tekst betreft van art. 154bis, WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 juli 2005 tot 31 december 2005 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd);

- Art. 154bis, derde lid, WIB 92, zoals gewijzigd bij art. 284 en 289, derde lid, W 27 december 2006 houdende diverse bepalingen(I) voor de vanaf 1 januari 2006 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (zie bijlage 6 en bijlage 14 wat de gecoördineerde tekst van art.154bis, WIB 92, betreft zoals van toepassing op de vanaf 1 januari 2006 tot 31 maart 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd);

- Art. 154bis, nieuw derde lid, WIB 92, zoals ingevoegd bij art.16 en 18, derde lid, PW (I) 27 december 2006 voor de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (zie bijlage 7) en vervolgens vanaf dezelfde datum vervangen en aangevuld met een nieuw vierde lid bij art. 25 en 27, W 17 mei 2007 houdende uitvoering van het interprofessioneel akkoord voor de periode 2007 - 2008 (zie bijlage 8 en bijlage 15 wat de gecoördineerde tekst van art. 154bis, WIB92, betreft zoals van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd);

- Art. 243, vierde lid, WIB 92, zoals gewijzigd bij art. 24 en 27, W 3 juli 2005 houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg voor de vanaf 1 juli 2005 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (zie bijlage 1 en bijlage 16 wat de gecoördineerde tekst betreft van art. 243, WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 juli 2005 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd);

- Afdeling XXVduodecies en art. 63^19 ingevoegd in Hoofdstuk I KB/WIB 92, bij art. 1 en 3, KB 3 juni 2007 tot uitvoering van de artikelen 154bis, derde lid, en 275^1, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voor de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (zie bijlage 9 en bijlage 17 wat de gecoördineerde tekst van art. 63^19, KB/WIB 92, betreft zoals van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd).

7.1.2. Berekening

Voor de berekening van de belastingvermindering in de PB en de BNI/nat.pers. moet een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd en die zijn betaald of toegekend vanaf 1.7.2005 tot en met 31.3.2007 en anderzijds de uren die zijn betaald of toegekend vanaf 1.4.2007.

7.1.2.1. Bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd en die zijn betaald of toegekend vanaf 1.7.2005 tot en met 31.3.2007

De belastingvermindering is gelijk aan 24,75 % van het totaal van de berekeningsgrondslagen voor de overwerktoeslag betreffende de uren die de werknemer tijdens het belastbare tijdperk als overwerk heeft gepresteerd.

De belastingvermindering is beperkt. Indien meer dan 65 uren als overwerk zijn gepresteerd, wordt dat totaal slechts in aanmerking genomen ten belope van een deel dat wordt bepaald door de verhouding tussen, eensdeels, 65 uren en, anderdeels, het totaal van de uren die als overwerk zijn gepresteerd. Dit betekent dat het totale aantal werkelijk gepresteerde overuren in geen geval mag worden beperkt tot de eerste 65 uren. Alle tijdens het belastbare tijdperk werkelijk gepresteerde overuren moeten in aanmerking worden genomen, ongeacht het tijdstip waarop de overwerktoeslag werd betaald of waarop de inhaalrust werd genomen. Ook de overuren waarvoor geen of slechts een gedeeltelijke vermindering van bedrijfsvoorheffing is verleend, moeten in aanmerking worden genomen voor de berekening van de beperking.

De belastingvermindering mag evenwel niet meer bedragen dan de belasting met betrekking tot de netto belastbare bezoldigingen die zijn begrepen in de netto belastbare beroepsinkomsten. Hieronder moet worden verstaan, de belasting op het geheel van die bezoldigingen, dus niet beperkt tot de overwerktoeslag of tot de belastbare grondslag voor de berekening van de overwerktoeslag. Het spreekt vanzelf dat hier de bezoldigingen van werknemers in de enge betekenis van het woord zijn beoogd, en niet de vervangingsinkomsten die door artikel 31, WIB 92, als bezoldigingen van werknemers worden omschreven

(Kamer, DOC 51, 2760/001, blz. 173).

Voor alle duidelijkheid heeft de wetgever gemeend de wettekst ter zake te moeten verfijnen zodat onbetwistbaar vaststaat dat de belastingvermindering voor bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd en die zijn betaald of toegekend vanaf 1.1.2006 niet meer mag bedragen dan de belasting met betrekking tot het netto bedrag van de in artikel 30, 1°, WIB 92, bedoelde bezoldigingen, andere dan de vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen. Hieronder moet eveneens worden verstaan, de belasting op het geheel van voornoemde bezoldigingen, dus niet beperkt tot de overwerktoeslag of tot de belastbare grondslag voorde berekening van de overwerktoeslag.

7.1.2.2. Bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd en die zijn betaald of toegekend vanaf 1.4.2007

De belastingvermindering is gelijk aan:

- 66,81 % : voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 20 % (2) van toepassing is(3);

- 57,75 % : voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 % (2) van toepassing is;

van het totaal van de berekeningsgrondslagen voor de overwerktoeslag betreffende de uren die de werknemer tijdens het belastbare tijdperk als overwerk heeft gepresteerd.

De belastingvermindering is beperkt. Indien meer dan 65 uren als overwerk zijn gepresteerd, wordt dat totaal slechts in aanmerking genomen ten belope van een deel dat wordt bepaald door de verhouding tussen, eensdeels, 65 uren en, anderdeels, het totaal van de uren die als overwerk zijn gepresteerd. Dit betekent dat het totale aantal werkelijk gepresteerde overuren in geen geval mag worden beperkt tot de eerste 65 uren. Alle tijdens het belastbare tijdperk werkelijk gepresteerde overuren moeten in aanmerking worden genomen, ongeacht het tijdstip waarop de overwerktoeslag werd betaald of waarop de inhaalrust werd genomen. Ook de overuren waarvoor geen of slechts een gedeeltelijke vermindering van bedrijfsvoorheffing is verleend, moeten in aanmerking worden genomen voor de berekening van de beperking.

De belastingvermindering mag evenwel niet meer bedragen dan de belasting met betrekking tot het netto bedrag van de in artikel 30, 1°, WIB 92, bedoelde bezoldigingen, andere dan de vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen. Hieronder moet worden verstaan, de belasting op het geheel van voornoemde bezoldigingen, dus niet beperkt tot de overwerktoeslag of tot de belastbare grondslag voor de berekening van de overwerktoeslag.

7.2. In de bedrijfsvoorheffing

7.2.1. Relevante wettelijke en reglementaire bepalingen

- Bijlage III, KB/WIB 92, Hoofdstuk II, Afdeling 1, nummers 11, A, en 12, en Afdeling 2 nummers 13, A, c, en 14, c en Hoofdstuk V, Afdeling 1, Onderafdeling 1 en onderafdeling 2 van de toepassingsregels zoals gewijzigd bij art. 1 en 2, KB 28 juni 2005 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing voor de vanaf 1 juli 2005 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (zie bijlage 2 en bijlage 18 wat de gecoördineerde tekst betreft van de bijlage III, KB/WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 juli 2005 tot 31 maart 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd);

- Bijlage III, KB/WIB 92, nummers 11, d, derde lid, 12, d, derde lid, en 51bis, b, derde lid, van de toepassingsregels zoals gewijzigd bij art. 1, 1° en 4°, en art. 2, eerste streepje, KB 3 juni 2007 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing voor de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (zie bijlage 10 en bijlage 19 wat de gecoördineerde tekst betreft van de bijlage III, KB/WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd).

7.2.2. Berekening

In de bedrijfsvoorheffing is de vermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag slechts van toepassing op de berekeningsgrondslag voor de overwerktoeslag betreffende de eerste 65 uren die de werknemer als overwerk heeft gepresteerd.

Wanneer een werknemer evenwel gedurende eenzelfde jaar bij verschillende werkgevers heeft gewerkt, waarbij hij telkens 65 uren overwerk heeft gepresteerd bij elk van die werkgevers die recht geven op een overwerktoeslag, kan elke werkgever de vermindering van bedrijfsvoorheffing toepassen voor de eerste 65 uren die de werknemer bij hem als overwerk heeft gepresteerd. De definitieve belastingvermindering zal in de personenbelasting of in de belasting niet-inwoners/natuurlijke personen worden verleend. Daartoe zal iedere werkgever het totale aantal werkelijk gepresteerde overuren (zelfs als dit meer of minder dan 65 uren beloopt) en de berekeningsgrondslag van de overwerktoeslag voor die overuren op de individuele fiche 281.10 van die werknemer moeten vermelden. De belastingvermindering die de werknemer verkrijgt wordt beperkt tot 65 uren overwerk (zie ook Frequently asked questions, nr. 32).

7.2.2.1. Voor de werknemers die of:

- rijksinwoner zijn;

- niet-inwoner zijn maar die gedurende het volledige belastbare tijdperk in België een tehuis hebben behouden;

- niet-inwoner zijn die niet gedurende het volledige belastbare tijdperk in België een tehuis hebben behouden maar die bezoldigingen verkrijgen :

  • voor in België geleverde arbeidsprestaties,
  • ingevolge een arbeidsovereenkomst die het volledige kalenderjaar bestrijkt,
  • en voor zover die arbeidsprestaties ten minste 75 % van de wettelijk voorziene arbeidsduur bedragen,

wordt schaal I of schaal II van de Bijlage III, KB/WIB 92, toegepast.

De vermindering voor overwerk wordt toegepast na de eventuele verminderingen voor kinderen ten laste en andere gezinslasten, voor groepsverzekering en voor extra wettelijke verzekering tegen ouderdom of vroegtijdige dood.

Ook op het vlak van de bedrijfsvoorheffing moet een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd en die zijn betaald of toegekend vanaf 1.7.2005 tot en met 31.3.2007en anderzijds de uren die zijn betaald of toegekend vanaf 1.4.2007.

De vermindering bedraagt :

- voor de bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd en die zijn betaald of toegekend vanaf 1.7.2005 tot en met 31.3.2007 :

24,75 % van het "sociale brutobedrag" van de bezoldigingen (dit is vóór aftrek van de verplichte inhoudingen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een ermede gelijkgesteld wettelijk of reglementair statuut), dat als berekeningsgrondslag voor de berekening van de overwerktoeslag heeft gediend.

- voor bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd en die zijn betaald of toegekend vanaf 1.4.2007 :

  • 57,75 % : voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 % (2) van toepassing is;
  • 66,81 % : voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 20 % (2) van toepassing is (3),

van het "sociale brutobedrag" van de bezoldigingen (dit is vóór aftrek van de verplichte inhoudingen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een ermede gelijkgesteld wettelijk of reglementair statuut), dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag.

7.2.2.2. Voor niet-inwoners andere dan de hierboven vermelde niet-inwoners wordt schaal III toegepast

Van de bedrijfsvoorheffing berekend volgens schaal III van de voormelde Bijlage III, mag na de eventuele vermindering voor groepsverzekering en voor extrawettelijke verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood de vermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag, worden afgetrokken. De vermindering bedraagt:

- voor de bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd en die zijn betaald of toegekend vanaf 1.7.2005 tot en met 31.3.2007 :

24,75 % van het "sociale brutobedrag" van de bezoldigingen (dit is vóór aftrek van de verplichte inhoudingen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een ermede gelijkgesteld wettelijk of reglementair statuut), dat als berekeningsgrondslag voor de berekening van de overwerktoeslag heeft gediend.

- voor de bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd en die zijn betaald of toegekend vanaf 1.4.2007 :

  • 57,75 % : voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 % (2) van toepassing is;
  • 66,81 % : voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 20 % (2) van toepassing is (3),

van het "sociale brutobedrag" van de bezoldigingen (dit is vóór aftrek van de verplichte inhoudingen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een ermede gelijkgesteld wettelijk of reglementair statuut), dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag.

V. VRIJSTELLING VAN DOORSTORTING VAN BEDRIJFSVOORHEFFING TEN NAME VAN DE WERKGEVERS (Art. 275^1, WIB 92 en 951 en 2, KB/WIB92)

8. Waaruit bestaat het fiscaal gunstregime ?

De werkgevers die bezoldigingen betalen of toekennen die betrekking hebben op door de werknemer gepresteerd overwerk, en die krachtens artikel 270, 1°, WIB 92, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen, worden ervan vrijgesteld een deel van de bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op de bezoldigingen wordt ingehouden.

De vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt enkel verleend wanneer de werknemer overwerk heeft gepresteerd dat recht geeft op een wettelijke overwerktoeslag (zie nr. 5).

9. Welke werkgevers komen in aanmerking ?

Er wordt een vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing verleend aan volgende categorieën van werkgevers :

9.1. de werkgevers die onderworpen zijn aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités wat de werknemers betreft die zijn onderworpen aan de Arbeidswet van16 maart 1971 en die vallen onder categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002 (4) (wat voormelde wetten van 5 december 1968 en 16 maart 1971 betreft, wordt verwezen naar nr. 6);

9.2. de ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikkingstellen van de in nr. 9.1. bedoelde ondernemingen voor zover de uitzendkrachten worden tewerkgesteld in de functie van een werknemer van categorie 1 en voor zover zij overwerk presteren.

10. Hoe wordt de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing berekend?

10.1. Relevante wettelijke en reglementaire bepalingen

- Art. 275^1 ingevoegd in Titel VI, Hoofdstuk I, Afdeling IV, WIB 92, bij art. 25 en 27, W 3 juli 2005 houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg voor de vanaf 1 juli 2005 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (zie bijlage 1 en bijlage 20 wat de gecoördineerde tekst betreft van art. 275^1, WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 juli 2005 tot 31 maart 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd);

- Art. 275^1, nieuw vierde lid, WIB 92, zoals ingevoegd bij art. 29 en 33, PW (I) 27 december 2006 voor de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (zie bijlage 7) en vervolgens vanaf dezelfde datum vervangen en aangevuld met een nieuw vijfde lid bij art. 26 en 27, W 17 mei 2007 houdende uitvoering van het interprofessioneel akkoord voor de periode 2007 - 2008 (zie bijlage 8 en bijlage 21 wat de gecoördineerde tekst van art. 275^1, WIB 92, betreft zoals van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd);

- Art. 95^1, nieuw eerste lid, KB/WIB 92, zoals ingevoegd bij art. 2 en 3, KB 3 juni 2007 tot uitvoering van de artikelen 154bis, derde lid, en 275^1, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voor de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (zie bijlage 9 en bijlage 22 wat de gecoördineerde tekst van art. 95^1, KB/WIB 92, betreft zoals van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd).

10.2. Berekening

Voor de berekening van de niet te storten bedrijfsvoorheffing moet ook hier een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd en die zijn betaald of toegekend vanaf 1.7.2005 tot en met 31.3.2007 en anderzijds de uren die zijn betaald of toegekend vanaf 1.4.2007.

10.2.1. Bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd en die zijn betaald of toegekend vanaf 1.7.2005 tot en met 31.3.2007

De niet te storten bedrijfsvoorheffing bedraagt 24,75 % van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag.

De vrijstelling geldt per jaar en per werknemer slechts voor de eerste 65 uren die hij als overwerk presteert.

De berekening moet aldus per werknemer gebeuren. Het is niet toegestaan om, indien de ingehouden bedrijfsvoorheffing bij een werknemer meer bedraagt dan het ten zijne name berekende bedrag aan niet te storten bedrijfsvoorheffingen bij een andere werknemer minder, dit onderling te compenseren.

Het bedrag van de niet te storten bedrijfsvoorheffing moet evenwel niet worden beperkt tot de bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen die daadwerkelijk betrekking hebben op de door de werknemer gepresteerd overwerk.

De bedrijfsvoorheffing die vrijgesteld wordt van doorstorting kan dus ook de bedrijfsvoorheffing zijn die betrekking heeft en ingehouden is op de andere (gewone) bezoldigingen van de werknemer die in dezelfde aangifte bedrijfsvoorheffing is opgenomen.

10.2.2. Bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd en die zijn betaald of toegekend vanaf 1.4.2007

De niet te storten bedrijfsvoorheffing bedraagt :

  • 32,19 % : voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 20 % (2) van toepassing is (3);
  • 41,25 % : voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 % (2) van toepassing is,

van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag.

De vrijstelling geldt per jaar en per werknemer slechts voor de eerste 65 uren die hij als overwerk presteert.

De berekening moet aldus per werknemer gebeuren. Het is niet toegestaan om, indien de ingehouden bedrijfsvoorheffing bij een werknemer meer bedraagt dan het ten zijne name berekende bedrag aan niet te storten bedrijfsvoorheffing en bij een andere werknemer minder, dit onderling te compenseren.

Het bedrag van de niet te storten bedrijfsvoorheffing moet evenwel niet worden beperkt tot de bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen die daadwerkelijk betrekking hebben op de door de werknemer gepresteerd overwerk.

De bedrijfsvoorheffing die vrijgesteld wordt van doorstorting kan dus ook de bedrijfsvoorheffing zijn die betrekking heeft en ingehouden is op de andere (gewone) bezoldigingen van de werknemer die in dezelfde aangifte bedrijfsvoorheffing is opgenomen.

VI. INGEHOUDEN BEDRIJFSVOORHEFFING

11. De gehele of gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing geldt alleen op voorwaarde dat de bedrijfsvoorheffing, zowel op de bezoldigingen overwerk als de andere bezoldigingen, volledig is ingehouden. Onder bedrijfsvoorheffing moet ter zake worden verstaan de bedrijfsvoorheffing die volgens de gebruikelijke regels verschuldigd is op basis van de wettelijke en reglementaire bepalingen; inzonderheid op basis van de regels opgenomen in Bijlage III KB/WIB 92 (5).

Wat de toepassing van voornoemde regels op het overwerk betreft, wordt verwezen naar verwijzing 10 bij nr. 44.

VII. PRAKTISCHE WERKWIJZE VOOR DE BETROKKEN WERKGEVERS

12. a) Aangifte bedrijfsvoorheffing (vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing)

12.1. Relevante wettelijke en reglementaire bepalingen

- Art. 90, § 1, nieuw achtste lid, KB/WIB 92, zoals ingevoegd bij art. 1, 2° en 3, KB 4 augustus 2005 tot vaststelling van de toepassingsmodaliteiten zoals voorzien in artikel 275^1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en tot wijziging van het KB/WIB 92, inzake vrijstelling van storting van bedrijfsvoorheffing voor de vanaf 1 juli 2005 tot 31 december 2005 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (zie bijlage 3 en bijlage 23 wat de gecoördineerde tekst van art. 90, KB/WIB 92, betreft zoals van toepassing op de vanaf 1 juli 2005 tot 31 december 2005 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd);

- Art. 90, § 1, vierde tot achtste lid, KB/WIB 92, opgeheven bij art. 1, 6 en 7, KB 22 augustus 2006 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor de vanaf 1 januari 2006 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (zie bijlage 4);

- Afdeling IIbis en artikel 95^2, § 1, 1ste lid en 2de lid, 1°, § 2, § 3, a, b, 1°, c, 1° en § 4, ingevoegd in Hoofdstuk II, KB/WIB 92, bij art. 2en 7, KB 22 augustus 2006 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor de vanaf 1 januari 2006 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (zie bijlage 4) en vervolgens vanaf dezelfde datum vervangen bij art. 18 en 26, vierde lid, KB 11 december 2006 tot wijziging van het KB/WIB 92, tot uitvoering van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, van diverse bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van de wet van 25 juni 2005 tot invoering van een belastingaftrek voor risicokapitaal (zie bijlage 5 en bijlage 24 wat de gecoördineerde tekst van art.95^2, KB/WIB 92, betreft zoals van toepassing op de vanaf 1 januari 2006 tot 31 maart 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd);

- Bijlage IIIbis toegevoegd bij het KB/WIB 92, bij art. 3 en 7, KB 22 augustus 2006 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor de vanaf 1 januari 2006 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (zie bijlage 4 en bijlage 25 wat de gecoördineerde tekst van de bijlage IIIbis, KB/WIB 92, betreft zoals van toepassing op de vanaf 1 januari 2006 tot 31 maart 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd).

- Bijlage IIIter, I, toegevoegd bij het KB/WIB 92 bij art. 4 en7, KB 22 augustus 2006 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor de vanaf 1 januari 2006 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (zie bijlage 4 en bijlage 26 wat de gecoördineerde tekst van de bijlage IIIter, KB/WIB 92, betreft zoals van toepassing op de vanaf 1 januari 2006 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd);

- Afdeling IIbis en art. 95^2, § 3, c, 1°, KB/WIB 92, zoals gewijzigd bij art. 1, 3, b, en 6, eerste streepje, KB 8 juni2007 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (zie bijlage 11 en bijlage 27 wat de gecoördineerde tekst van art. 95^2, KB/WIB 92, betreft zoals van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd).

- Bijlage IIIbis, KB/WIB 92, zoals gewijzigd bij art. 4 en 6, eerste streepje, KB 8 juni 2007 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (zie bijlage 11 en bijlage 28 wat de gecoördineerde tekst van de bijlage IIIbis, KB/WIB 92, betreft zoals van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd).

12.2. Opmaak aangifte bedrijfsvoorheffing

De hiervoor bedoelde werkgevers (zie nrs. 8 en 9) moeten, voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor zij een deel of het geheel van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet in de schatkist moeten storten, twee afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen volgens het hierna vermelde onderscheid :

- de eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing (de aangifte 274 in de bedrijfsvoorheffing) heeft betrekking op de aan al de werknemers betaalde of toegekende bezoldigingen en moet de volgende specifieke vermeldingen bevatten :

  • in het vak "aard der inkomsten" : de code "10" (gewone bezoldigingen);
  • in het vak "belastbare inkomsten" : de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen;
  • in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing" de ingehouden bedrijfsvoorheffing.

Het betreft hier eigenlijk de aangifte bedrijfsvoorheffing die gewoonlijk moet worden ingediend.

- de tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft uitsluitend betrekking op de bezoldigingen van werknemers waarvoor een deel of het geheel van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet in de schatkist moet worden gestort.

Voor het invullen van de tweede aangifte moet eveneens een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd en die zijn betaald of toegekend vanaf 1.7.2005 tot en met 31.3.2007 en anderzijds diegene die zijn betaald of toegekend vanaf 1.4.2007.

12.2.1. Bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd en die zijn betaald of toegekend vanaf 1.7.2005 tot en met 31.3.2007

De aangifte 274 moet de volgende specifieke vermeldingen bevatten :

- in het vak "aard der inkomsten" : de code"08";

- in het vak "belastbare inkomsten" : de berekeningsgrondslag die heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag van de werkelijk gepresteerde overuren in die periode (6). De aandacht wordt gevestigd op het feit dat hier enkel de berekeningsgrondslagen betreffende de eerste 65 uren overwerk van iedere werknemer mogen worden vermeld, aangezien de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing slechts geldt per jaar en per werknemer voor de eerste 65 uren die hij als overwerk presteert;

in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing" : een negatief bedrag gelijk aan 24,75 % van het brutobedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag.

De code "08" in het vak "aard der inkomsten" van de aangifte 274 is van toepassing tot en met 31.3.2007; vanaf 1.4.2007 moeten de hierna vermelde aangiften worden gebruikt (7).

12.2.2. Bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd en die zijn betaald of toegekend vanaf 1.4.2007

- Voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 20 % van toepassing is, moet de aangifte 274 de volgende specifieke vermeldingen bevatten:

  • in het vak "aard der inkomsten" : de code "45";
  • in het vak "belastbare inkomsten" : de berekeningsgrondslag die heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag van de werkelijk gepresteerde overuren in die periode. De aandacht wordt gevestigd op het feit dat hier enkel de berekeningsgrondslagen betreffende de eerste 65 uren overwerk van iedere werknemer mogen worden vermeld, aangezien de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing slechts geldt per jaar en per werknemer voor de eerste 65 uren die hij als overwerk presteert;
  • in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing" : een negatief bedrag gelijk aan 32,19 % van het brutobedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag wanneer een wettelijke overwerk toeslag van 20 % (2) is toegepast.

- Voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 % van toepassing is, moet de aangifte 274 de volgende specifieke vermeldingen bevatten :

  • in het vak "aard der inkomsten" : de code "44";
  • in het vak "belastbare inkomsten" : de berekeningsgrondslag die heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag van de werkelijk gepresteerde overuren in die periode. De aandacht wordt gevestigd op het feit dat hier enkel de berekeningsgrondslagen betreffende de eerste 65 uren overwerk van iedere werknemer mogen worden vermeld, aangezien de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing slechts geldt per jaar en per werknemer voor de eerste 65 uren die hij als overwerk presteert;
  • in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing" : een negatief bedrag gelijk aan 41,25 % van het brutobedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag wanneer een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 % (2) is toegepast.

b) Aanvullende aangiften in de bedrijfsvoorheffing

13. Wanneer de werkgever vaststelt dat in de "tweede aangifte" in de bedrijfsvoorheffing (zie nr.12.2.) het bedrag van de "belastbare inkomsten" en/of van de "verschuldigde bedrijfsvoorheffing" moet gewijzigd worden, kan hij een aanvullende "tweede aangifte" indienen ten bedrage van het verschil in meer of in min.

Bij opeenvolgende wijzigende of aanvullende aangiften moet steeds op het volgende worden gelet:

- de totaal aangegeven bedrijfsvoorheffing (van de "eerste" en "tweede" aangifte tezamen) voor een bepaalde periode kan nooit negatief zijn of worden;

- het totaal bedrag van de bedrijfsvoorheffing met code 08, 44 of 45 (op de "tweede" aangifte) voor een bepaalde periode kan nooit positief zijn of worden.

Het is steeds mogelijk (aanvullende) aangiften met code 08 (de zogenaamde "tweede" aangifte) in te dienen voor periodes die ten vroegste teruggaan tot inkomstenperiode juli 2005 en ten laatste tot inkomstenperiode maart 2007. In dat geval moet aan het ontvangkantoor steeds worden medegedeeld wat met de eventueel teveel gestorte bedrijfsvoorheffing moet gebeuren. Aanvullende aangiften met code 44 of 45 ("tweede aangifte") kunnen nog worden ingediend voor periodes die ten vroegste teruggaan tot inkomstenperiode april 2007.

c) Rechtzetting van de bedrijfsvoorheffing m.b.t. de maanden april, mei, juni en juli 2007 waarvoor nog een negatieve aangifte 274 werd ingediend waarbij in het vak "aard der inkomsten" de code "08" werd ingevuld i.p.v. de code "44" of "45"

14. De bedrijfsvoorheffing m.b.t. de maanden april, mei, juni en juli 2007 waarvoor nog een negatieve aangifte 274 werd ingediend waarbij in het vak "aard der inkomsten" de code "08" werd ingevuld i.p.v. de code "44" of "45" en waarbij in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing" een negatief bedrag gelijk aan 24,75 % van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag werd ingevuld, kan worden rechtgezet. Hiertoe moet de werkgever de volgende stappen ondernemen:

- stap 1 : vernietiging van de desbetreffende aangifte 274, waarbij in het vak "aard der inkomsten" de code "08" werd ingevuld, door de indiening van een aangifte 274 waarbij alle gegevens van de oorspronkelijke aangifte 274 worden hernomen met dien verstande dat het oorspronkelijk positief bedrag in het vak "belastbare inkomsten" wordt vervangen door eenzelfde negatief bedrag en het oorspronkelijk negatief bedrag in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing" wordt vervangen door eenzelfde positiefbedrag;

- stap 2 : een nieuwe verbeterende aangifte 274 indienen, op de wijze zoals vermeld in het nr. 12.2.2..

d) Loonfiches 281.10 en samenvattende opgaven 325.10 (met oog op de toepassing van de belastingvermindering in de PB of in de BNI/nat.pers.)

15. Wat de opmaak van de individuele loonfiches 281.10 en de samenvattende opgaven 325.10 betreft moeten :

- enerzijds de gewone richtlijnen worden gevolgd die zijn opgenomen in het "bericht aan de werkgevers en aan de andere schuldenaars van aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen inkomsten", lonen (fiche 281.10 - opgave 325.10) die voor de inkomsten van het jaar 2005, 2006 en 2007 consulteerbaar zijn via http://www.fiscus.fgov.be/interfaoifnl/Werkgevers/Fichesopgaven/fchesopgaven.htm );

- en anderzijds moeten inzake de overuren die recht geven op een wettelijke overwerktoeslag de volgende specifieke gegevens worden vermeld :

15.1. wat de opmaak van de individuele loonfiches 281.10 en de samenvattende opgaven 325.10 inkomsten 2005 betreft :

- totale aantal werkelijk gepresteerde overuren (vak 15, code 246). Het betreft de overuren die effectief werden gepresteerd tijdens de periode van 1 juli 2005 tot 31 december 2005 en die recht hebben gegeven op een wettelijke overwerktoeslag, ongeacht of die toeslag werd betaald of toegekend dan wel in inhaalrust werd omgezet. Men moet hier dus alle tijdens de periode van 1 juli 2005 tot 31 december 2005 werkelijk gepresteerde overuren vermelden, ongeacht het tijdstip waarop de overwerktoeslag werd betaald of de inhaalrust werd genomen.

Het totale aantal werkelijk gepresteerde overuren mag hier in geen geval worden beperkt tot de eerste 65 uren.

Gedeelten van overuren moeten in decimalen worden uitgedrukt. Honderdsten worden afgerond naargelang het cijfer van de duizendsten al dan niet 5 overschrijdt (vb 3 overuren en 20 minuten = 3,333 afgerond tot 3,33 en 6 overuren en 40 minuten = 6,666 afgerond tot 6,67).

In de code 246 moet steeds het aantal decimalen worden vermeld. (vb. 3,33 + 6,67 = 10,00 op te nemen tegenover de code 246);

- berekeningsgrondslag van de overwerktoeslag voor die overuren (vak 15, code 247). Het betreft het totale brutobedrag dat als berekeningsgrondslag voor het berekenen van de wettelijke overwerktoeslag van de werkelijk tijdens de periode van 1 juli 2005 tot 31 december 2005 gepresteerde overuren heeft gediend. Het brutobedrag dat hier moet worden vermeld is het brutobedrag van het basisloon dat als berekeningsgrondslag voor de berekening van de overwerktoeslag heeft gediend, dit is VÓÓR aftrek van de sociale bijdragen en de eigenlijke overwerktoeslag NIET inbegrepen. De werkbonus toegekend krachtens de Wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen, moet niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van het hier te vermelden brutobedrag

15.2. wat de opmaak van de individuele loonfiches 281.10 en de samenvattende opgaven 325.10 inkomsten 2006 betreft :

- totale aantal werkelijk gepresteerde overuren (vak 14, code 246). Het betreft de overuren die effectief werden gepresteerd tijdens het belastbare tijdperk en die recht hebben gegeven op een wettelijke overwerktoeslag, ongeacht of die toeslag werd betaald of toegekend dan wel in inhaalrust werd omgezet. Men moet hier dus alle tijdens het belastbare tijdperk werkelijk gepresteerde overuren vermelden, ongeacht het tijdstip waarop de overwerktoeslag werd betaald of de inhaalrust werd genomen.

Het totale aantal werkelijk gepresteerde overuren mag hier in geen geval worden beperkt tot de eerste 65 uren.

Gedeelten van overuren moeten in decimalen worden uitgedrukt. Honderdsten worden afgerond naargelang het cijfer van de duizendsten al dan niet 5 overschrijdt (vb 3 overuren en 20 minuten = 3,333 afgerond tot 3,33 en 6 overuren en 40 minuten = 6,666 afgerond tot 6,67).

In de code 246 moet steeds het aantal decimalen worden vermeld. (vb 3,33 + 6,67 = 10,00 op te nemen tegenover de code 246);

- berekeningsgrondslag van de overwerktoeslag voor die overuren (vak 14, code 247). Het betreft het totale brutobedrag dat als berekeningsgrondslag voor het berekenen van de wettelijke overwerktoeslag van de werkelijk tijdens het belastbare tijdperk gepresteerde overuren heeft gediend. Het brutobedrag dat hier moet worden vermeld is het brutobedrag van het basisloon dat als berekeningsgrondslag voor de berekening van de overwerktoeslag heeft gediend, dit is VÓÓR aftrek van de sociale bijdragen en de eigenlijke overwerktoeslag NIET inbegrepen. De werkbonus toegekend krachtens de Wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen, moet niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van het hier te vermelden brutobedrag

15.3. wat de opmaak van de individuele loonfiches 281.10 en de samenvattende opgaven 325.10 inkomsten 2007 betreft:

- totaal aantal werkelijk gepresteerde overuren (vak 14, code 246);

- berekeningsgrondslag van de overwerktoeslag voor overuren die recht geven op een vermindering van 24,75 % (….uren) (vak 14, code 247). Het betreft het totale brutobedrag dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor het berekenen van de wettelijke overwerktoeslag van de werkelijk tijdens de periode van 1 januari 2007 tot 31 maart 2007gepresteerde overuren die recht geven op een vermindering van 24,75 %;

- berekeningsgrondslag van de overwerktoeslag voor overuren die recht geven op een vermindering van 66,81 % (….uren) (vak 14, code 233). Het betreft het totale brutobedrag dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor het berekenen van de wettelijke overwerktoeslag van de werkelijk tijdens de periode van 1 april 2007 tot 31 december 2007 gepresteerde overuren die recht geven op een vermindering van 66,81 %;

- berekeningsgrondslag van de overwerktoeslag voor overuren die recht geven op een vermindering van 57,75 % (….uren) (vak 14, code 234). Het betreft het totale brutobedrag dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor het berekenen van de wettelijke overwerktoeslag van de werkelijk tijdens de periode van 1 april 2007 tot 31 december 2007gepresteerde overuren die recht geven op een vermindering van 57,75 %.

Op de individuele loonfiche 281.10, moet het aantal werkelijk gepresteerde overuren per berekeningsgrondslag worden uitgesplitst en naast het desbetreffende tarief in het daartoe voorziene vakje (…. uren) worden vermeld. Het totale aantal gepresteerde overuren moet nog steeds naast de code 246 worden vermeld. Verder zijn ook hier de in nr. 15.2. opgenomen richtlijnen met betrekking tot het totale aantal werkelijk gepresteerde overuren en de berekeningsgrondslag van de overwerktoeslag voor die overuren eveneens van toepassing.

e) Samenvattende tabel

16.

Aangiften bedrijfsvoorheffing

Aangifte 1

Aangifte 2

Heeft betrekking op alle bezoldigingen van alle werknemers

Heeft uitsluitend betrekking op de bezoldigingen van werknemers die recht geven op een wettelijke overwerktoeslag

In het vak "aard der inkomsten":

Code "10" m.b.t. bezoldigingen werknemers

In het vak "aard der inkomsten":

Code "08", "44" of "45" (naar gelang het geval, zie nr. 12)

In het vak "belastbare inkomsten":

alle voor die periode toegekende belastbare bezoldigingen

in het vak "belastbare inkomsten": de berekeningsgrondslag die heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag van de werkelijk gepresteerde overuren in die periode (6). De aandacht wordt gevestigd op het feit dat hier enkel de berekeningsgrondslagen betreffende de eerste 65 uren overwerk van iedere werknemer mogen worden vermeld, aangezien de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing slechts geldt per jaar en per werknemer voor de eerste 65 uren die hij als overwerk presteert.

In het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing": de verschuldigde bedrijfsvoorheffing

In het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing": een negatief bedrag gelijk aan 24,75 %, 32,19 % of 41,25 % (naar gelang het geval, zie nr. 10)van het brutobedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag.

Fiche 281.10 inkomsten 2005 en 2006

Code 250 = Belastbaar bedrag bezoldigingen

Code 286 = Verschuldigde bedrijfsvoorheffing

Code 246 = totale aantal werkelijk gepresteerde overuren

Code 247 = berekeningsgrondslag van de overwerktoeslag voor die overuren

Fiche 281.10 inkomsten 2007

Code 250 = Belastbaar bedrag bezoldigingen

Code 286 = Verschuldigde bedrijfsvoorheffing

Code 246 = totale aantal werkelijk gepresteerde overuren

Code 247 = berekeningsgrondslag van de overwerktoeslag voor de overuren waarop een belastingvermindering van 24,75 pct. Van toepassing is

Code 233 = berekeningsgrondslag van de overwerktoeslag voor de overuren waarop een belastingvermindering van 66,81 pct. Van toepassing is

Code 234 = berekeningsgrondslag van de overwerktoeslag voor de overuren waarop een belastingvermindering van 57,75 pct. Van toepassing is

Geen fiche 281.10

Samenvattende opgave 325.10

Geen samenvattende opgave325.10

VIII. BEWIJSVOERING

17. Algemeen

Overeenkomstig artikel 275^1, zevende lid, WIB 92, moet de in hetzelfde artikel vermelde werkgever, ter gelegenheid van zijn aangifte in de bedrijfsvoorheffing, het bewijs leveren dat de werknemers in hoofde van wie de vrijstelling wordt gevraagd, overwerk hebben gepresteerd tijdens de periode waarop die aangifte betrekking heeft. Deze werkgevers moeten een nominatieve lijst ter beschikking van de administratie houden met daarin, voor elke werknemer, de volledige identiteit, het aantal uren overwerk, de berekeningsgrondslag van de overwerktoeslag en de periode van het jaar gedurende dewelke die werknemer overwerk heeft gepresteerd (Artikel 95^2, KB/WIB 92 en Bijlage IIIter, KB/WIB 92).

Die lijst moet niet bij de aangifte in de bedrijfsvoorheffing worden gevoegd. Ze moet echter wel bij een eventuele controle aan de administratie worden voorgelegd.

18. Uitzendbedrijven

Wat de uitzendbedrijven betreft moet de in nr. 17 bedoelde nominatieve lijst worden aangevuld met de naam, het volledige adres alsook het nationaal nummer van de onderneming waarde overuren werden gepresteerd.

Die lijst moet evenmin bij de aangifte inde bedrijfsvoorheffing worden gevoegd, maar moet wel bij een eventuele controle aan de administratie worden voorgelegd.

IX. INWERKINGTREDING

19. Wat de inwerkingtreding van voornoemde maatregelen betreft, moet er een onderscheid worden gemaakt tussen:

- enerzijds de belastingvermindering ten name van de werknemers (PB, BNI/nat.pers. en BV) en de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ten name van de werkgevers waarvoor een éénvormig tarief van 24,75 % werd vastgesteld.

Deze regelingen zijn van toepassing op de bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd en die zijn betaald of toegekend vanaf 1.7.2005 tot en met 31.3.2007.

Dit vloeit voort uit :

  • artikel 27 van de Wet van 3 juli 2005 houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg (bijlage 1);
  • artikel 2 van het koninklijk besluit van 28 juni 2005 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing (bijlage 2);
  • artikel 3 van het koninklijk besluit van 4 augustus 2005 tot vaststelling van de toepassingsmodaliteiten zoals voorzien in art. 275^1, WIB 92, en tot wijziging van het KB/WIB92, inzake vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing (bijlage 3);
  • de in de volgende gedachtestreep vermelde bepalingen.

- en anderzijds de belastingvermindering ten name van de werknemers (PB, BNI/nat.pers. en BV) waarvoor een verhoogd tarief van 66,81 of 57,75 pct werd vastgesteld en de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ten name van de werkgevers waarvoor een verhoogd tarief van 32,19 % of 41,25 % werd vastgesteld.

Deze regelingen zijn van toepassing op de bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd en die worden betaald of toegekend vanaf 1.4.2007.

Dit vloeit voort uit :

  • artikel 18 en 33 van de Programmawet (I) van 27 december 2006 (bijlage 7);
  • artikel 27 van de wet van 17 mei 2007 houdende uitvoering van het interprofessioneel akkoord voor de periode 2007 - 2008 (bijlage 8);
  • artikel 3 van het koninklijk besluit van 3 juni 2007 tot uitvoering van de artikelen 154bis, derde lid, en 275^1, vierde lid, WIB 92, (bijlage 9);
  • artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juni 2007 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing (bijlage 10);
  • artikel 6 van het koninklijk besluit van 8 juni 2007 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing (bijlage 11).

Bijgevolg vindt het voormelde éénvormig tarief van 24,75 % vanaf 1.4.2007 in de praktijk geen toepassing meer.

X. FREQUENTLY ASKED QUESTIONS

Interpretatie van het begrip wettelijke overwerktoeslag

20. Wat moet worden verstaan onder wettelijke overwerktoeslag ? Enkel de toeslagen voor gepresteerde uren boven de voorziene grenzen van artikel 29 van de Arbeidswet van 16 maart 1971 (9 uren per dag en/of 40 uren per week) ? Of mag men ook de overuren in aanmerking nemen die recht geven op een overwerktoeslag op grond van een algemeen verbindend verklaarde CAO (het voormelde artikel 29 laat de ondernemingen toe de daggrenzen en de weekgrenzen te verlagen) ?

Onder wettelijke overwerktoeslag moet worden verstaan de overwerktoeslag die de werkgever verplicht MOET betalen omdat het uur gepresteerd werd boven de daggrens (9 uur per dag of 8 uur per dag voor de bouwsector) of boven de weekgrens (40 uur) of elke lagere grens die bij CAO werd vastgesteld.

21. Welke behandeling ondergaan de overuren die conventioneel recht geven op een hogere overwerktoeslag dan wat op wettelijk niveau werd voorzien ? Voorbeeld: een onderneming uit de bouwsector kent een overwerktoeslag toe van 50 % voor overuren die in principe maar recht geven op een overwerktoeslag van 20 % Welk percentage van belastingvermindering moet worden toegepast ?

Daar in onderhavig voorbeeld voor de bouwsector een wettelijke overwerktoeslag van 20 % Is voorzien, bedraagt de niet te storten bedrijfsvoorheffing 32,19 % van het brutobedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag. Ter zake heeft het geen belang dat er in werkelijkheid een overwerktoeslag van 50 % wordt betaald. Men moet steeds terugvallen op de wettelijke basis, zijnde een overwerktoeslag van 20 % voor een gepresteerd overuur in de bouwsector.

Wanneer diezelfde werkgever daarentegen zou voorzien in een conventionele overwerktoeslag van slechts 10 % is er geen sprake van een wettelijke overwerktoeslag zodat de belastingvermindering en de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing niet kan worden toegepast.

In de wettelijke en reglementaire bepalingen terzake wordt uitsluitend naar de percentages van 20, 50 en 100 % verwezen omdat dit de standaard percentages zijn voor respectievelijk de overuren in de bouwsector, op weekdagen en op zon- en feestdagen (zie artikel 29 van de Arbeidswet van 16 maart 1971 en artikel 7 van het Koninklijk Besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren). Afwijkingen naar boven op voormelde percentages komen evenwel frequent voor. Het is dan ook vanzelfsprekend dat de overuren met een overwerktoeslag van minstens 20, 50 of 100 % in aanmerking komen voor de belastingvermindering en de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing. Dit voordeel moet dus niet worden beperkt tot de overuren waarvoor de overwerktoeslag tegen de standaardpercentages van precies 20, 50 of 100 % wordt betaald. De ondernemingen die een hogere overwerktoeslag betalen of de werknemers die een hogere overwerktoeslag betaald krijgen, kunnen eveneens aanspraak maken op het voordeel.

22. Blijft het percentage van 24,75 % inzake de belastingvermindering voor overwerk, dat initieel werd toegepast voor de overuren, bestaan voor de overuren waarop een andere overwerktoeslag dan 20, 50 of 100 % Wordt toegepast ? Voorbeeld: een onderneming kent een overwerktoeslag toe van 70 % zoals vastgelegd in een ondernemings-CAO voor overuren waarop wettelijk een toeslag van 50 % is voorzien. Moeten deze overuren worden beschouwd als overuren waarop een overwerktoeslag van minstens 50 % wordt toegepast en dus recht geven op de verhoogde belastingvermindering (57,75 %) of moeten deze overuren worden beschouwd als zijnde overuren waarop geen toeslag van 50 % wordt toegepast ? Geven die overuren in dat geval nog recht op een belastingvermindering van 24,75 %?

Het percentage van 24,75 % Is slechts van toepassing tot en met 31.3.2007. Vanaf 1.4.2007 gelden inzake de beoogde belastingvermindering, naargelang het geval de percentages van 66,81 of 57,75 % In onderhavig voorbeeld moeten de overuren worden beschouwd als overuren waarop een overwerktoeslag van minstens 50 % wordt toegepast die vanaf 1.4.2007 dus recht geven op een verhoogde belastingvermindering van 57,75 %

23. Een onderneming kent een overwerktoeslag toe van 10 % voor uren die als overuren worden beschouwd door een ondernemings-CAO, waarin de drempel lager ligt dan 9 uren per dag en/of 40 uren per week. Welk percentage aan belastingvermindering moet worden toegepast op deze overuren?

Onder wettelijke overwerktoeslag moet worden verstaan de overwerktoeslag die de werkgever verplicht MOET betalen omdat het uur gepresteerd werd boven de daggrens (9 uur per dag of 8 uur per dag voor de bouwsector) of boven de weekgrens (40 uur) of elke lagere grens die bij CAO werd vastgesteld. In praktijk is de weekgrens overal 38 uur of lager. Indien er overeenkomstig de ondernemings-CAO sprake is van overwerk kan de verhoogde vermindering van 57,75 % dus in principe van toepassing zijn; maar aangezien de overwerktoeslag van 10 % geen wettelijke overwerktoeslag is, is de belastingvermindering en vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing in dit geval niet van toepassing.

Inhaalrust

24. Worden overuren die worden omgezet in inhaalrust al of niet meegerekend bij de vaststelling van de eerste 65 overuren ?

"Ieder uur moet dus meetellen. Wanneer men bijvoorbeeld zegt het eerste uur overuren te hebben gedaan maar dit via verlof te hebben gecompenseerd, waardoor het volgende overuur weer het eerste wordt, betekent dit dat zowel het eerste als het tweede fiscaal vrijgesteld wordt, enzovoort" (antwoord van Dhr. Minister van Begroting Vande Lanotte in de Kamercommissie voor de Financiën en begroting dd. 25.5.2005, CRIV51 COM 612, blz. 1 en 2).

"Tijdens de namiddagvergadering van de Commissie voor de Financiën en de Begroting van 25.5.2005 heeft Vice-eerste minister en minister van Begroting Vande Lanotte (..) duidelijk gezegd dat zowel de betaalde overuren als de overuren die worden omgezet in verlof, worden meegenomen voor de vaststelling van de eerste 65 overuren" (antwoord van Dhr. Staatssecretaris in de Kamercommissie voor de Financiën en begroting dd. 12.7.2005, CRIV 51 COM 680, blz. 6 - 8).

25. Geldt de belastingvermindering ten name van de werknemers en de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ten name van de werkgevers ook indien de overwerktoeslag wordt omgezet in bijkomende inhaalrust ? Artikel 29, § 4 van de Arbeidswet van 16 maart 1971 laat immers toe om de verschuldigde overwerktoeslag om te zetten in bijkomende inhaalrust, op voorwaarde dat een collectieve arbeidsovereenkomst wordt gesloten (overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités) die dit toelaat. Elk uur overwerk dat met een toeslag van 50 % moet worden betaald, geeft recht op ten minste een half uur bijkomende inhaalrust, terwijl elk uur overwerk dat met een toeslag van 100 % wordt betaald, recht geeft op tenminste 1 uur bijkomende inhaalrust ?

In de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake de belastingvermindering ten name van de werknemers, is het vereist dat er overwerk wordt gepresteerd dat overeenkomstig artikel 29 van de Arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het KB nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een overwerktoeslag. Het feit dat deze overwerktoeslag, eens het recht erop verworven is, onder bepaalde voorwaarden wordt omgezet in bijkomende inhaalrust, doet hieraan geen afbreuk.

Zelfs wanneer zowel de gepresteerde overuren als de hierop verschuldigde overwerktoeslag volledig in inhaalrust worden omgezet (en er bijgevolg geen sprake is van betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd waarop bedrijfsvoorheffing moet worden ingehouden), kan de werkgever toch genieten van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.

Voor de toepassing van voormelde maatregelen is het van belang dat de bijkomende uren recht geven op een wettelijke overwerktoeslag waarbij het dan zonder belang is of daarvoor inhaalrust wordt toegestaan of een effectieve overwerktoeslag wordt betaald. Indien de "bijkomende uren" geen recht geven op een wettelijke overwerktoeslag is het evident dat die uren niet beoogd zijn voor de toepassing van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing en de belastingvermindering voor overwerk.

Deeltijdse arbeid

26. Geldt de belastingvermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag ook ten aanzien van deeltijdse werknemers ?

De wettelijke bepalingen inzake deze maatregel maken geen onderscheid tussen voltijdse en deeltijdse werknemers. Er wordt alleen vereist dat de werknemers onderworpen zijn aan de bepalingen van de Arbeidswet van 16 maart 1971 en tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. Voormelde werknemers moeten gedurende het belastbaar tijdperk overwerk hebben gepresteerd dat, overeenkomstig artikel 29 van de Arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het KB nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een overwerktoeslag.

Er wordt in dit kader op algemene wijze naar artikel 29 van de Arbeidswet van 16 maart 1971 verwezen. Op grond van dit artikel kunnen bepaalde prestaties van deeltijdse werknemers met overwerk worden gelijkgesteld (cfr. K.B. van 25 juni 1990). Voormeld KB stelt dat, mits vrijstelling van een bepaald krediet (in sommige gevallen 12 uren per kalendermaand), bepaalde prestaties (bijkomende uren) van deeltijdse werknemers worden gelijkgesteld met overwerk in de zin van artikel 29 van de Arbeidswet van 16 maart 1971, met als gevolg dat de deeltijds werkende recht kan hebben op een overwerktoeslag.

Uitgaande hiervan, kan het volgende worden gesteld :

1° Waar er bij overschrijding van het krediet van 12 uren per kalendermaand, overeenkomstig het koninklijk besluit van 25 juni 1990 sprake is van (gelijkstelling met) overwerk in de zin van artikel 29 van de Arbeidswet van 16 maart 1971, zal de fiscale voordeelregeling van toepassing zijn.

2° Waar er, zolang men binnen het krediet van 12 uren per kalendermaand blijft, overeenkomstig het genoemde koninklijk besluit geen sprake is van (gelijkstelling met) overwerk in de zin van artikel 29 van de Arbeidswet van 16 maart 1971, zal de fiscale voordeelregeling ook niet toepasselijk zijn.

3° Enkel de bijkomende uren die door een deeltijdse werknemer gepresteerd worden boven een bepaald krediet, worden door het genoemde koninklijk besluit gelijkgesteld met overwerk in de zin van artikel 29 van de Arbeidswet van 16 maart 1971, zodat er enkel voor deze uren verplicht een overwerktoeslag is verschuldigd. Het is mogelijk dat een bepaalde onderneming voorziet dat ook de bijkomende uren beneden dit krediet aanleiding geven tot een overwerktoeslag, doch deze uren hebben dan niet de aard van "overwerk" in de zin van artikel 29 van de Arbeidswet van 16 maart 1971. De fiscale voordeelregeling zal dan ook niet van toepassing zijn voor deze uren die slechts op conventionele basis aanleiding geven tot een toeslag.

4° Voor zover een bepaalde onderneming ten onrechte geen overwerktoeslag toekent voor bijkomende uren gepresteerd boven het betreffende krediet, kan deze onderneming evenmin genieten van het fiscaal voordeel. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat degene die een bepaalde wettelijke verplichting niet nakomt niettemin kan genieten van de voordelen die voortvloeien uit of samenhangen met de toepassing van die zelfde wettelijke verplichting.

De gelijkgestelde prestaties geven bijgevolg recht op een overwerktoeslag, net zoals dat voor de voltijdse werknemers geldt (zelfde toeslagen, berekeningsbasis en betalingsmodaliteiten).

Voor de toepassing van de maatregel is het van belang dat de bijkomende uren recht geven op een wettelijke overwerktoeslag. Indien de "bijkomende uren" geen recht geven op een wettelijke overwerktoeslag is het evident dat die uren niet beoogd zijn voor de toepassing van de belastingvermindering en de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.

27. Geldt het fiscaal voordeel ten aanzien van deze deeltijdse werknemers dan onverkort voor maximaal 65 overuren per kalenderjaar of wordt dit maximale aantal overuren herleid in verhouding tot de door hen gepresteerde arbeidsduur?

Deeltijdse werknemers krijgen ook het voordeel voor maximaal 65 uren. Het voordeel wordt dus niet geprorateerd in functie van hun arbeidsduur.

Brutobezoldigingen

28. De vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt berekend door een percentage toe te passen op het brutobedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag. Wat wordt precies bedoeld met "het brutobedrag van de bezoldigingen" ?

Het brutobedrag van de bezoldigingen waarin de wettekst naar wordt verwezen, is het brutoloon, dat wil zeggen, de bezoldiging met inbegrip van de in te houden sociale bijdragen.

Toepassingsgebied werkgever en werknemer

29. Profit sector versus non-profitsector

Opdat de werkgever vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing zou verkrijgen moet hij werknemers tewerkstellen die onderworpen zijn aan de Arbeidswet van16 maart 1971 EN die vallen onder categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de Programmawet van 24 december 2002. Om de belastingvermindering te genieten, is niet vereist dat de werknemer tot de voormelde categorie 1 behoort … Is dit een bewuste nuancering ?

Dit is inderdaad een bewuste keuze. In de memorie van toelichting bij artikel 23 van de Wet van 3 juli 2005 houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg (belastingvermindering ten name van de werknemers - Kamer, Doc. 51,1767/001, blz. 18) wordt vermeld dat dit artikel van toepassing is op de werknemers uit de profit sector en de werknemers uit de non profit, andere dan de publieke ondernemingen uit die laatste sector. Op het vlak van de werknemers geeft de Wetgever bijgevolg ook het recht op belastingvermindering aan sommige werknemers van de non profit sector, sector die volledig buiten het interprofessioneel akkoord valt. Op het vlak van de werkgevers (artikel 25 van voornoemde Wet van 3 juli 2005 - vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing) wordt gewoon uitvoering gegeven aan het interprofessioneel akkoord.

30. Leidende functie of vertrouwenspost

Een firma is actief in de distributiesector. Zij heeft aan verschillende functies het statuut "leidende functie of vertrouwenspost" toegekend. Dat betekent dat deze functies niet onderworpen zijn aan de bepalingen van de Arbeidswet van 16 maart 1971 in verband met de arbeidsduur en dat er voor deze personen dus ook geen sprake kan zijn van overuren.

Daarom zijn deze categorieën van werknemers ook uitgesloten uit het toepassingsgebied van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing vooroverwerk.

Maar deze firma betaalt op vrijwillige basis aan de mensen die het statuut hebben van "leidende functie of vertrouwenspost" een overwerktoeslag voor de overuren die zij presteren. Komen deze overuren in aanmerking voor de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing omdat de werkgever hiervoor vrijwillig een overwerktoeslag betaalt ? Of komen deze overuren niet voor de fiscale gunstmaatregel in aanmerking omdat de werknemers niet onder het toepassingsgebied van de voormelde wet vallen, zelfs wanneer de werkgever in de praktijk wel degelijk een overwerktoeslag betaalt ?

De wetteksten zijn duidelijk wat de hoedanigheid van de werknemers betreft :

- overeenkomstig art. 154bis, WIB 92, wordt een belastingvermindering verleend aan de werknemers die onderworpen zijn aan de Arbeidswet van 16 maart 1971 en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;

- overeenkomstig art. 275^1, WIB 92, zijn de bepalingen van dit artikel van toepassing op werkgevers onderworpen aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités wat de werknemers betreft die zijn onderworpen aan de Arbeidswet van 16 maart 1971 en die vallen onder categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.

De bepalingen inzake arbeidsduur zijn o.a. niet van toepassing op de door de Koning aangewezen werknemers die een leidende functie of een vertrouwenspost bekleden (zie artikel 3, § 3, 1e, van de Arbeidswet van 16 maart 1971 en het koninklijk besluit van 10 februari 1965 tot aanwijzing van de personen die met een leidende functie of met een vertrouwenspost zijn bekleed in de particuliere sectors van 's lands bedrijfsleven, voor de toepassing van de wet betreffende de arbeidsduur).

Deze werknemers vallen dus buiten het toepassingsgebied van de bepalingen inzake arbeidsduur, ongeacht of zij van hun werkgever toch een overwerktoeslag krijgen.

Berekening 65-uren

31. De maatregel heeft uitwerking vanaf 1.7.2005. Hoe worden de 65 uren per jaar berekend ? Is dit 65 uren vanaf 1.7.2005 ?

Inderdaad, 65 uren vanaf 1.7.2005 aangezien de wet geen overgangsmaatregel bevat.

32. Een arbeider was gedurende de eerste helft van het jaar tewerkgesteld bij werkgever X en heeft gedurende die periode 65 uren overwerk gepresteerd die recht geven op een overwerktoeslag. De tweede helft van het jaar was de arbeider tewerkgesteld bij werkgever Y en heeft gedurende die periode 30 uren overwerk gepresteerd die recht geven op een overwerktoeslag.

Hoe moet de belastingvermindering ten name van de werknemer worden berekend ? Kan in onderhavig voorbeeld de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing zowel ten name van werkgever X (65 uren) als ten name van werkgever Y (30 uren) worden verleend? Of moet de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing enkel worden verleend aan werkgever X en niet aan werkgever Y aangezien de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing slechts geldt per jaar en per werknemer voor de eerste 65 uren die hij als overwerk presteert en die eerste 65 uren in dat geval bij werkgever X zijn gepresteerd ?

Belastingvermindering ten name van de werknemer

Zowel werkgever X als werkgever Y zullen voor deze werknemer de vermindering van bedrijfsvoorheffing toepassen voor respectievelijk 65 en 30 uren aangezien het voor werkgever Y quasi onmogelijk is om na te gaan hoeveel overuren de werknemer bij zijn vorige werkgever heeft gepresteerd. De definitieve belastingvermindering zal in de personenbelasting of in de belasting niet-inwoners/natuurlijke personen worden verleend. Daartoe zal zowel werkgever X als werkgever Y het totale aantal werkelijke gepresteerde overuren (zelfs als dit meer of minder dan 65 uren beloopt) en de berekeningsgrondslag van de overwerktoeslag voor die overuren op de individuele fiche 281.10 van die werknemer moeten vermelden. De belastingvermindering die de werknemer ver krijgt wordt beperkt tot 65 uren overwerk.

Vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ten name van de werkgever

Zowel werkgever X als werkgever Y kunnen in onderhavig voorbeeld de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing toepassen voor respectievelijk 65 en 30 uren. Elke werkgever heeft per jaar en per werknemer recht op een vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor de eerste 65 uren die de werknemer bij hem als overwerk presteert en dit ongeacht het aantal uren overwerk die door deze werknemer bij andere werkgevers zouden zijn gepresteerd.

33. Wat indien een werknemer gedurende eenzelfde jaar bij verschillende ondernemingen werkt (elk met een aparte rechtspersoonlijkheid) binnen eenzelfde groep van ondernemingen waarbij hij telkens 65 uren overwerk heeft gepresteerd bij elk van die ondernemingen die recht geven op een overwerktoeslag. Heeft elke onderneming recht op de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor de eerste 65 uren die hij voor die onderneming heeft verricht of kan de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing enkel maar worden verleend aan de onderneming waar de werknemer zijn eerste 65 uren overwerk van dat jaar heeft gepresteerd. De werknemer in kwestie kan zelfs contracten van deeltijdse tewerkstelling bij de verschillende ondernemingen hebben waarbij hij bijvoorbeeld in de voormiddag werkt voor de onderneming X en in de namiddag voor onderneming Y.

In een dergelijk geval kan elke rechtspersoon als werkgever worden aangemerkt, zelfs al behoren die verschillende rechtspersonen tot eenzelfde groep van ondernemingen, zodat ook hier de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing bij de verschillende ondernemingen kan worden toegepast voor de eerste 65 uren overwerk die de betrokken werknemer bij elk van die ondernemingen heeft gepresteerd.

Onvoldoende bedrijfsvoorheffing

34. Wat indien er onvoldoende bedrijfsvoorheffing beschikbaar is om zowel de vermindering van bedrijfsvoorheffing ten name van de werknemer als de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ten name van de werkgever volledig toe te passen ? Moet in dergelijk geval een aparte telling van het aantal uren worden gehanteerd voor de vermindering van bedrijfsvoorheffing ten name van de werknemer enerzijds en de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ten name van de werkgever anderzijds ?

Voorbeeld: stel dat een werknemer 10 overuren heeft gepresteerd die recht geven op een overwerktoeslag. De beschikbare bedrijfsvoorheffing laat enkel toe dat de 10 overuren in aanmerking worden genomen om de vermindering van bedrijfsvoorheffing bij de werknemer toe te passen, en niet meer in aanmerking worden genomen voor de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing bij de werkgever. Moet voor de telling van de eerste 65 overuren in dat geval 10 overuren worden geteld bij de werknemer en 0 bij de werkgever, omdat de werkgever geen vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing heeft kunnen toepassen ? Of moeten daarentegen de 10 overuren zowel bij de werknemer als bij de werkgever worden geteld ? Stel dat de beschikbare bedrijfsvoorheffing toelaat dat er slechts 5 van de 10 gepresteerde overuren in aanmerking komen voor de vermindering van bedrijfsvoorheffing ten name van de werknemer. Hoe moet er dan worden geteld: 10 of 5 overuren voor de berekening van de 65 overuren ?

Voor de betrokken werknemers moet de bedrijfsvoorheffing worden berekend overeenkomstig de toepassingsregels opgenomen in Bijlage III, KB/WIB 92. Dit betekent dat bij de berekening van de bedrijfsvoorheffing onder meer rekening moet worden gehouden met de verminderingen voor gezinslasten, vermindering voor groepsverzekering en voor extrawettelijke verzekering tegen ouderdom of vroegtijdige dood en uiteraard ook met de vermindering voor gepresteerde overuren. De maatregel inzake de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing is enkel toepasbaar indien die voorheffing daadwerkelijk volledig op de bezoldigingen van de werknemer voor wie de vrijstelling wordt gevraagd, werd ingehouden. Wanneer, mede door toepassing van voornoemde verminderingen, zou blijken dat de bedrijfsvoorheffing voor een bepaalde werknemer nihil is, kan er voor die werknemer logischerwijze geen sprake meer zijn van een "ingehouden bedrijfsvoorheffing" zodat evenmin nog een vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing kan worden toegepast. Deze overuren moeten hoe dan ook worden meegeteld bij de werkgever.

Wanneer de bedrijfsvoorheffing onvoldoende is om de vermindering van bedrijfsvoorheffing of de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing te verlenen is een overdracht van de resterende uren naar de volgende periode niet mogelijk, noch ten name van de werknemer, noch ten name van de werkgever.

Wat dat betreft kan er dus geen aparte telling worden bijgehouden. De uren moeten hoe dan ook worden meegeteld en op de fiche 281.10 worden vermeld, zelfs als er wegens onvoldoende bedrijfsvoorheffing geen of slechts een gedeeltelijke vermindering van bedrijfsvoorheffing is verleend. De definitieve belastingvermindering zal in de personenbelasting of in de belasting niet-inwoners/natuurlijke personen worden toegepast.

35. Mag de vermindering die op de bedrijfsvoorheffing wordt toegepast overeenkomstig de regels van Bijlage III, KB/WIB 92, ook worden aangerekend op de bedrijfsvoorheffing met betrekking tot exceptionele vergoedingen of achterstallen ?

De vermindering van bedrijfsvoorheffing wegens overwerk wordt afgetrokken van de "normale" bedrijfsvoorheffing; m.a.w. de bedrijfsvoorheffing berekend volgens schaal I, II of III. Concreet wil dit zeggen op de bedrijfsvoorheffing vastgesteld volgens de nrs. 11, A en 12;13, A en 14; 51 en 51bis en 52 van Bijlage III van het KB/WIB 92, (en impliciet ook de nrs. 11, B en 13, B aangezien daarin wordt verwezen naar resp. de nrs. 12 en 14). Het is bijgevolg logisch dat die vermindering van bedrijfsvoorheffing (tezamen met de eventuele andere verminderingen die desgevallend op basis van de voormelde nrs. van toepassing zijn) beperkt is tot de "normale" bedrijfsvoorheffing en niet van toepassing is op de bedrijfsvoorheffing op de exceptionele vergoedingen, achterstallen, enz.

36. Komt het fiscaal volontariaat ook in aanmerking voor vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ten name van de werkgever ?

De vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ten name van de werkgever, berekend overeenkomstig de regels opgenomen in Bijlage III KB/WIB 92 geldt inderdaad ook indien overeenkomstig toepassingsregel nr. 78 van voormelde Bijlage III aanvullende inhoudingen worden verricht.

37. Heeft de vermindering van bedrijfsvoorheffing ten name van de werknemer voorrang op de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ten name van de werkgever ?

Moet de vermindering van bedrijfsvoorheffing voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag eerst aan de werknemer worden verleend en vervolgens voor het saldo aan de werkgever (of net omgekeerd omdat de afrekening voor de werkgever een definitief karakter heeft en deze voor de werknemer toch nog in de inkomstenbelasting wordt geregulariseerd) of moet er proportioneel worden omgedeeld ?

Voor de betrokken werknemers, moet eerst de bedrijfsvoorheffing worden berekend overeenkomstig de toepassingsregels opgenomen in Bijlage III van het KB/WIB 92. Dit betekent dat onder meer rekening moet worden gehouden met de verminderingen voor gezinslasten, voor groepsverzekering en voor extrawettelijke verzekering tegen ouderdom of vroegtijdige dood en uiteraard ook met de vermindering voor gepresteerde overuren.

De vrijstelling van doorstorting van de aldus berekende bedrijfsvoorheffing is enkel mogelijk indien die voorheffing daadwerkelijk volledig op de bezoldigingen van de werknemer voor wie de vrijstelling wordt gevraagd, werd ingehouden. Het is bijgevolg logisch dat eerst de vermindering van de bedrijfsvoorheffing ten name van de werknemer moet worden toegepast vooraleer de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ten name van de werkgever kan worden toegepast en dit in de mate dat er nog voldoende bedrijfsvoorheffing is overgebleven.

Volgorde van aanrekening bij verschillende soorten van vrijstelling van doorstorting

38. Welke volgorde van aanrekening moet worden gehanteerd indien een werkgever voor éénzelfde werknemer geniet van zowel de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor ploegenpremies en nachtpremies, als de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor wetenschappelijk onderzoek en de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor overuren. Heeft de oudste regeling dan voorrang of niet ?

Het speelt geen enkele rol welke volgorde wordt gehanteerd. Er kan niet meer worden toegekend dan dat er beschikbaar is. Dat is in feite de enige regel ter zake.

Uitzendkrachten

39. In de uitzendsector is de bedrijfsvoorheffing eenvormig vastgesteld op 11,11 pct. van het belastbaar loon. Dit forfaitair percentage is een minimum. Indien een uitzendkracht voor deze minimale bedrijfsvoorheffing kiest mag de vermindering van bedrijfsvoorheffing voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag dan worden toegepast op deze al minimale bedrijfsvoorheffing ?

Het voor uitzendbureaus speciaal toegestaan tarief van 11,11 pct. is een éénvormig tarief. Dit houdt in dat van de bedrijfsvoorheffing berekend overeenkomstig dit tarief geen verminderingen mogen worden afgetrokken. Hetzelfde geldt trouwens voor alle andere in Bijlage III KB/WIB 92 opgenomen éénvormige tarieven.

Het éénvormig tarief van 11,11 pct., dat niet is opgenomen in Bijlage III KB/WIB 92, is geen verplichting maar een administratieve afwijking die indertijd werd toegestaan. Aan de basis lag het feit dat uitzendkrachten veelal slechts sporadisch aan het werk waren en de normale toepassing van de schalen dan ook vaak aanleiding gaf tot hoge belastingsupplementen.

Mettertijd is de toestand op het vlak van interim-arbeid geëvolueerd. Voor uitzendkrachten die nagenoeg wekelijks aan de slag zijn, is het eenvormig tarief veel te laag. Aangezien het hier slechts een administratieve afwijking betreft, kan er uiteraard steeds voor geopteerd worden om de toepassingsregels opgenomen in Bijlage III, KB/WIB 92 toe te passen.

Indien de bedrijfsvoorheffing wordt berekend overeenkomstig de toepassingsregels opgenomen in Bijlage III, KB/WIB 92, kan eventueel de vermindering van bedrijfsvoorheffing worden toegepast.

De vrijstelling van doorstorting bedrijfsvoorheffing ten name van de werkgever kan worden toegepast in de mate dat er ten name van de betrokken werknemer nog ingehouden bedrijfsvoorheffing over is.

40. De vermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag wordt voor de uitzendkrachten in de bedrijfsvoorheffing niet verrekend wanneer het éénvormig tarief van11,11 pct. wordt toegepast. Wordt de belastingvermindering voor die uitzendkrachten dan wel in de personenbelasting of in de belasting niet-inwoners/natuurlijke personen verrekend en zo ja, hoe ? Moeten de gepresteerde overuren dooruitzendkrachten op de fiche vermeld worden ?

Uiteraard zal de belastingvermindering in de personenbelasting of in de belasting niet-inwoners/natuurlijke personen worden doorgevoerd. Daartoe zal iedere werkgever voor iedere in aanmerking genomen werknemer het totale aantal werkelijk gepresteerde overuren (ongeacht of de vermindering van bedrijfsvoorheffing of de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing is verleend) en de berekeningsgrondslag van de overwerktoeslag voor die overuren op de individuele fiche 281.10 van die werknemer moeten vermelden.

41. Een uitzendkracht heeft in de periode van 1.5.2006 tot en met 30.9.2006, 40 overuren gepresteerd die recht hebben gegeven op een overwerktoeslag. In die periode werd 11,11 pct. bedrijfsvoorheffing ingehouden. In de periode van 1.10.2006 tot en met 31.12.2006 heeft de uitzendkracht eveneens 40 overuren gepresteerd. Vanaf 1.10.2006 werd de bedrijfsvoorheffing berekend volgens de toepassingsregels opgenomen in Bijlage III, KB/WIB 92. Hoe zit het in dit geval met de belastingvermindering en de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ?

In onderhavig voorbeeld kan de vermindering van bedrijfsvoorheffing niet worden toegepast m.b.t. de eerste 40 gepresteerde overuren gelet op het toegepaste éénvormig tarief van11,11 pct. (zie nr. 39 hiervoor). Bijgevolg zal de vermindering van bedrijfsvoorheffing slechts op de resterende 25 (65 - 40) overuren kunnen worden toegepast. Opdat de belastingvermindering in de personenbelasting of in de belasting niet-inwoners/natuurlijke personen kan worden doorgevoerd, moet de werkgever voor de uitzendkracht het totale aantal werkelijk gepresteerde overuren (80 overuren) en de berekeningsgrondslag van de overwerktoeslag voor die overuren op de individuele fiche 281.10 van de uitzendkracht vermelden.

De vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ten name van de werkgever kan in principe worden verleend voor de eerste 65 uren die de uitzendkracht als overwerk heeft gepresteerd.

42. Geldt de belastingvermindering en de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing eveneens voor overuren gepresteerd door bedrijfsleiders ?

De bepalingen inzake arbeidsduur zijn o.a. niet van toepassing op de door de Koning aangewezen werknemers die een leidende functie of een vertrouwenspost bekleden (zie artikel 3, § 3, 1°, van de Arbeidswet van 16 maart 1971 en het koninklijk besluit van 10 februari 1965 tot aanwijzing van de personen die met een leidende functie of met een vertrouwenspost zijn bekleed in de particuliere sectors van 's lands bedrijfsleven, voor de toepassing van de wet betreffende de arbeidsduur). Krachtens artikel 2, I, 1, van het bovenvermelde koninklijk besluit van 10 februari 1965, worden de directeurs, de onderdirecteurs, de zeevaartkapiteins alsmede de personen die werkelijk gezag uitoefenen en die verantwoordelijkheid dragen voor de gehele onderneming of een belangrijke onderafdeling ervan beschouwd als personen die met een leidende functie of met een vertrouwenspost zijn bekleed. Bijgevolg vallen de bedrijfsleiders buiten het toepassingsgebied van de regels inzake arbeidsduur opgenomen in de Arbeidswet van 16 maart 1971 en is de in onderhavige circulaire besproken belastingvermindering en vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing dan ook niet van toepassing op de door de bedrijfsleiders gepresteerde overuren (zie ook bijlage 12).

43. Geldt de maatregel voor overuren gepresteerd door werknemers wier bezoldigingen ingevolge het "attractiebeginsel" als bezoldigingen van bedrijfsleidersmoeten worden aangemerkt ? (fiche 281.20) ?

Neen, de bedrijfsleiders moeten worden uitgesloten, zelfs wanneer ze hun mandaat gratis uitoefenen en een bezoldigde functie uitoefenen (of een arbeidsovereenkomst hebben gesloten) en hun bezoldigingen als bezoldigingen van werknemers (enkel fiche 281.10) worden beschouwd. Er mag immers worden vanuit gegaan dat een bedrijfsleider als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, WIB 92, die een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of gelijksoortige functies uitoefent een leidende functie of vertrouwenspost bekleedt, ook als hij die opdracht of functie gratis uitoefent (zie bijlage 12).

XI.VOORBEELDEN

44. Voorbeeld 1

Een werknemer, had tijdens de maand juli van het jaar 2007 een bruto bezoldiging van 3.000,00 EUR. (sociaal bruto : d.w.z. vóór inhouding RSZ). Dit komt overeen meteen bruto uurloon van 19,00 EUR. (eveneens sociaal bruto). Hij is gehuwd, zijn echtgenote heeft eveneens beroepsinkomsten. De werknemer heeft 2 kinderen ten laste en het jaarbedrag van zijn bruto belastbare bezoldigingen bedraagt 32.000,00 EUR.

Tijdens dezelfde maand juli heeft hij bovendien 7 overuren gepresteerd, waarvan hij er 3 wenst te laten uitbetalen en 4 uren wenst om te zetten in inhaalrust. Hij verricht op regelmatige basis overuren en heeft in de periode januari 2007 tot en met juni 2007 reeds 20 overuren gepresteerd. De wettelijke overwerktoeslag op voormelde gepresteerde overuren bedraagt 50 pct. De werknemer heeft niet geopteerd om de verschuldigde overwerktoeslag in bijkomende inhaalrust om te zetten. De overwerktoeslag zal hem m.a.w. worden uitbetaald.

Bruto maandbezoldiging (sociaal bruto): 3.000,00 EUR

Bruto bezoldiging uitbetaalde overuren (8) :

19,00 EUR x 3 x 100 pct. : + 57,00 EUR

Bruto overwerktoeslag (9) :

19,00 EUR x 7 x 50 pct. : + 66,50 EUR

Totaal bruto : 3.123,50 EUR

RSZ (13,07 pct.) : - 408,24 EUR

Bruto belastbaar loon :

BV volgens schaal I (10) : 2.715,26 EUR

903,41 EUR

2° Bedrag van de verminderingen :

2 kinderen ten laste : -79,00 EUR

Overuren :

57,75 pct. van het bedrag van de

bruto bezoldigingen dat als

berekeningsgrondslag heeft gediend

voor de berekening van de overwerktoeslag :

7 x 19,00 EUR (sociaal bruto) x 57,75 pct. : -76,81 EUR

Totaal van de verminderingen : - 155,81 EUR

3° Totaal van de BV : 903,41EUR

Totaal van de verminderingen : -155,81 EUR

Uiteindelijk verschuldigde BV : 747,60 EUR

4° Vrijstelling van doorstorting BV

ten name van de werkgever (11) : 54,86 EUR

41,25 pct. van het brutobedrag van de

bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag

heeft gediend voor de berekening van de

overwerktoeslag :

7 x 19,00 EUR x 41,25 pct. :

Op de "eerste" aangifte 274 m.b.t. juli en m.b.t. deze werknemer dient de werkgever te vermelden :

- In het vak "aard der inkomsten" : de code"10"

- In het vak "belastbare inkomsten" : 2.715,26 EUR

- In het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing" : 747,60 EUR

Op de "tweede (negatieve)"aangifte 274 m.b.t. juli en m.b.t. deze werknemer dient de werkgever te vermelden :

- In het vak "aard der inkomsten" : de code"44"

- In het vak "belastbare inkomsten" : 133,00 EUR

- In het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing" : -54,86 EUR

Bij het opstellen van de fiche 281.10 van deze werknemer zal, m.b.t. deze periode, rekening worden gehouden met volgende gegevens:

- Code 250 : gewone bezoldigingen :2.715,26 EUR

- Code 286 : bedrijfsvoorheffing :747,60 EUR

- Code 234 :berekeningsgrondslag van de overwerktoeslag voor de overuren die recht geven op een vermindering van 57,75 pct. (7 uren) : 133,00EUR

- Code 246 : totale aantal werkelijk gepresteerde overuren : 7 uren.

45. Voorbeeld 2

Een werknemer, had tijdens de maand oktober van het jaar 2007 een bruto bezoldiging van 2.000,00 EUR. (sociaal bruto: d.w.z. vóór inhouding RSZ). Dit komt overeen met een bruto uurloon van 12,67 EUR. (eveneens sociaal bruto).Hij is gehuwd, zijn echtgenote heeft geen beroepsinkomsten. De werknemer heeft 2 kinderen ten laste en het jaarbedrag van zijn bruto belastbare bezoldigingen bedraagt 21.000,00EUR.

Tijdens dezelfde maand oktober heeft hij bovendien 7 overuren gepresteerd, waarvan hij er 7 wenst te laten uitbetalen en geen uren wenst om te zetten in inhaalrust. Hij verricht sporadisch overuren en heeft in de periode januari 2007 tot en met september 2007 slechts 4 overuren gepresteerd. De wettelijke overwerktoeslag op voormelde gepresteerde overuren bedraagt 50 pct.

1° Bruto maandbezoldiging (sociaal bruto) : 2.000,00 EUR

RSZ (13,07 pct.) : - 261,40 EUR

Bruto belastbaar loon : 1.738,60 EUR

BV volgens schaal II :

234,59 EUR

2° Bruto bezoldiging uitbetaalde overuren: + 88,69 EUR

12,67 EUR x 7 x 100 pct. :

Bruto overwerktoeslag : + 44,35 EUR

12,67 EUR x 7 x 50 pct. :

Totaal : 133,04 EUR

RSZ (13,07 pct.) : - 17,39 EUR

Bruto belastbaar loon dat betrekking

heeft op de door de werknemer gepresteerd

overwerk : 115,65 EUR

BV volgens toepassingsregel nr.18

(exceptionele vergoedingen) (10) :

Jaarbedrag bruto bezoldigingen : 21.000,00 EUR

Percentage exceptionele vergoedingen

hierop : 46,44 pct.

115,65 EUR x 46,44 pct. : 53,71 EUR

3° Bedrag van de verminderingen : - 79,00 EUR

2 kinderen ten laste :

Overuren : 57,75 pct. Van het bedrag van

de bruto bezoldigingen dat als

berekeningsgrondslag heeft gediend voor

de berekening van de overwerktoeslag : - 51,22EUR

7 x 12,67 EUR (sociaal bruto) x 57,75 pct. :

Totaal van de verminderingen : - 130,22 EUR

4° Totaal van de BV volgens schaal II: 234,59 EUR

Totaal van de verminderingen : -130,22 EUR

104,37 EUR

+ 53,71 EUR

Totaal BV volgens toepassingsregel nr. 18

Uiteindelijk verschuldigde BV : 158,08 EUR

5° Vrijstelling van doorstorting BV

ten name van de werkgever : 36,58 EUR

41,25 pct. van het brutobedrag van de

bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag

heeft gediend voor de berekening van de

overwerktoeslag :

7 x 12,67 EUR x 41,25 pct. :

Op de "eerste" aangifte 274 m.b.t. oktober en m.b.t. deze werknemer dient de werkgever te vermelden :

- In het vak "aard der inkomsten" : de code"10"

- In het vak "belastbare inkomsten" : 1.854,25 EUR

- In het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing" :158,08 EUR

Op de "tweede (negatieve)"aangifte 274 m.b.t. oktober en m.b.t. deze werknemer dient de werkgever te vermelden :

- In het vak "aard der inkomsten" : de code"44"

- In het vak "belastbare inkomsten" : 88,69 EUR

- In het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing" : -36,58 EUR

Bij het opstellen van de fiche 281.10 van deze werknemer zal, m.b.t. deze periode, rekening worden gehouden met volgende gegevens:

- Code 250 : gewone bezoldigingen : 1.854,25 EUR

- Code 286 : bedrijfsvoorheffing : 158,08 EUR

- Code 234 : berekeningsgrondslag van de overwerktoeslag voor de overuren die recht geven op een vermindering van 57,75 pct. (7 uren) : 88,69 EUR.

- Code 246 : totale aantal werkelijk gepresteerde overuren : 7 uren.

46. Voorbeeld 3

Een werknemer, had tijdens de maand juli van het jaar 2007 een bruto bezoldiging van 2.000,00 EUR. (sociaal bruto : d.w.z. vóór inhouding RSZ). Dit komt overeen meteen bruto uurloon van 12,67 EUR. (eveneens sociaal bruto). Hij is gehuwd, zijn echtgenote heeft eveneens beroepsinkomsten. De werknemer heeft 5 kinderen ten laste en het jaarbedrag van zijn bruto belastbare bezoldigingen bedraagt 21.000,00 EUR.

Tijdens dezelfde maand juli heeft hij bovendien 7 overuren gepresteerd, waarvan hij er 3 wenst te laten uitbetalen en 4 uren wenst om te zetten in inhaalrust. Hij verricht op regelmatige basis overuren en heeft in de periode januari 2007 tot en met juni 2007 reeds 35 overuren gepresteerd. De wettelijke overwerktoeslag op voormelde gepresteerde overuren bedraagt 50 pct. De werknemer heeft niet geopteerd om de verschuldigde toeslag in bijkomende inhaalrust om te zetten. De overwerktoeslag zal hem m.a.w. worden uitbetaald.

1° Bruto maandbezoldiging (sociaal bruto) : 2.000,00 EUR

Bruto bezoldiging uitbetaalde overuren (12) :

12,67 EUR x 3 x 100 pct. : + 38,01 EUR

Bruto overwerktoeslag (9) :

12,67 EUR x 7 x 50 pct. : + 44,35 EUR

Totaal bruto : 2.082,36 EUR

RSZ (13,07 pct.) : - 272,16 EUR

Bruto belastbaar loon : 1.810,20 EUR

BV volgens schaal I (10) : 476,06 EUR

2° Bedrag van de verminderingen :

5 kinderen ten laste : - 569,00 EUR

Overuren : 57,75 pct. Van het bedrag van de - 51,22EUR

bruto bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag - 620,22 EUR

heeft gediend voor de berekening van

de overwerktoeslag :

7 x 12,67 EUR (sociaal bruto) x 57,75 pct. :

Totaal van de verminderingen :

3° Totaal van de BV : 476,06 EUR

Totaal van de verminderingen : - 620,22 EUR

Uiteindelijk verschuldigde BV : 0,00 EUR

4° Vrijstelling van doorstorting BV ten name

van de werkgever (13) : 0,00 EUR

Op de "eerste" aangifte 274 m.b.t. juli en m.b.t. deze werknemer dient de werkgever te vermelden :

- In het vak "aard der inkomsten" : de code "10"

- In het vak "belastbare inkomsten" : 1.810,20 EUR

- In het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing" : 0,00 EUR

M.b.t. juli en m.b.t. deze werknemer dient de werkgever geen "tweede (negatieve)" aangifte 274 op te maken.

Bij het opstellen van de fiche 281.10 van deze werknemer zal, m.b.t. deze periode, rekening worden gehouden met volgende gegevens :

- Code 250 : gewone bezoldigingen : 1.810,20 EUR

- Code 286 : bedrijfsvoorheffing : 0,00 EUR

- Code 234 : berekeningsgrondslag van de overwerktoeslag voor de overuren die recht geven op een vermindering van 57,75 pct. (7 uren) : 88,69 EUR.

- Code 246 : totale aantal werkelijk gepresteerde overuren : 7 uren.

47. Voorbeeld 4

Een werknemer, had tijdens de maandseptember van het jaar 2007 een bruto bezoldiging van 3.000,00 EUR. (sociaal bruto : d.w.z. vóór inhouding RSZ). Dit komt overeen met een bruto uurloon van 19,00 EUR. (eveneens sociaal bruto). Hij is gehuwd, zijn echtgenote heeft eveneens beroepsinkomsten. De werknemer heeft 2 kinderen ten laste en het jaarbedrag van zijn bruto belastbare bezoldigingen bedraagt 32.000,00 EUR.

Tijdens dezelfde maand september heeft hij bovendien 7 overuren gepresteerd, waarvan hij er 3 wenst te laten uitbetalen en 4 uren wenst om te zetten in inhaalrust. Hij verricht op regelmatige basis overuren en heeft in de periode januari 2007 tot en met augustus 2007 reeds 62 overuren gepresteerd. De wettelijke overwerktoeslag op voormelde gepresteerde overuren bedraagt 50 pct. De werknemer heeft niet geopteerd om de verschuldigde overwerktoeslag in bijkomende inhaalrust om te zetten. De overwerktoeslag zal hem m.a.w. worden uitbetaald.

1° Bruto maandbezoldiging (sociaal bruto) : 3.000,00 EUR

Bruto bezoldiging uitbetaalde overuren (8) :

19,00 EUR x 3 x 100 pct. : + 57,00 EUR

Bruto overwerktoeslag (9) :

19,00 EUR x 7 x 50 pct. : + 66,50 EUR

Totaal bruto : 3.123,50 EUR

RSZ (13,07 pct.) : - 408,24 EUR

Bruto belastbaar loon : 2.715,26 EUR

BV volgens schaal I (10) : 903,41 EUR

2° Bedrag van de verminderingen :

2 kinderen ten laste : - 79,00 EUR

Overuren : 57,75 pct. Van het bedrag -32,92EUR

van de bruto bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag - 111,92 EUR

heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag :

3 x 19,00 EUR (sociaal bruto) x 57,75 pct. (14) :

Totaal van de verminderingen :

3° Totaal van de BV : 903,41 EUR

Totaal van de verminderingen : -111,92 EUR

Uiteindelijk verschuldigde BV : 791,49 EUR

4° Vrijstelling van doorstorting BV ten 23,51 EUR

name van de werkgever :

41,25 pct. van het brutobedrag van de bezoldigingen dat

als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening

van de overwerktoeslag :

3 x 19,00 EUR x 41,25 pct. (14) :

Op de "eerste" aangifte 274 m.b.t. september en m.b.t. deze werknemer dient de werkgever te vermelden :

- In het vak "aard der inkomsten" : de code"10"

- In het vak "belastbare inkomsten" : 2.715,26 EUR

- In het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing" :791,49 EUR

Op de "tweede (negatieve)" aangifte 274 m.b.t. september en m.b.t. deze werknemer dient de werkgever te vermelden :

- In het vak "aard der inkomsten" : de code"44"

- In het vak "belastbare inkomsten" : 57,00 EUR

- In het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing" : -23,51 EUR

Bij het opstellen van de fiche 281.10 van deze werknemer zal, m.b.t. deze periode, rekening worden gehouden met volgende gegevens :

- Code 250 : gewone bezoldigingen : 2.715,26 EUR

- Code 286 : bedrijfsvoorheffing : 791,49 EUR

- Code 234 : berekeningsgrondslag van de overwerktoeslag voor de overuren die recht geven op een vermindering van 57,75 pct. (7 uren) : 133,00 EUR.

Code 246 : totale aantal werkelijk gepresteerde overuren : 7uren.

48. Voorbeeld 5

Een werknemer, had tijdens de maand augustus van het jaar 2007 een bruto bezoldiging van 3.000,00 EUR. (sociaal bruto: d.w.z. vóór inhouding RSZ). Dit komt overeen met een bruto uurloon van 19,00 EUR. (eveneens sociaal bruto). Hij is gehuwd, zijn echtgenote heeft eveneens beroepsinkomsten. De werknemer heeft 2 kinderen ten laste en het jaarbedrag van zijn bruto belastbare bezoldigingen bedraagt 32.000,00 EUR.

Tijdens dezelfde maand augustus heeft hij bovendien 7 overuren gepresteerd, waarvan hij 7 uren wenst om te zetten in inhaalrust. Hij verricht op regelmatige basis overuren en heeft in de periode januari 2007 tot en met juli 2007 reeds 50 overuren gepresteerd. De wettelijke overwerktoeslag op voormelde gepresteerde overuren bedraagt 50 pct. De werknemer heeft geopteerd om, in toepassing van artikel 29, § 4 van de Arbeidswet van 16 maart 1971, de verschuldigde toeslag in bijkomende inhaalrust om te zetten. De inhaalrust is opgenomen in de maand augustus 2007.

1° Bruto maandbezoldiging (sociaal bruto) : 3.000,00 EUR

RSZ (13,07 pct.) : - 392,10 EUR

Bruto belastbaar loon : 2.607,90 EUR

BV volgens schaal I : 847,36 EUR

2° Bedrag van de verminderingen : -79,00 EUR

2 kinderen ten laste :

Overuren : 57,75 pct. Van het bedrag van de -76,81EUR

bruto bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag - 155,81 EUR

heeft gediend voor de berekening van

de overwerktoeslag :

7 x 19,00 EUR (sociaal bruto) x 57,75 pct. (15) :

Totaal van de verminderingen :

3° Totaal van de BV : 847,36 EUR

Totaal van de verminderingen : -155,81 EUR

Uiteindelijk verschuldigde BV : 691,55 EUR

4° Vrijstelling van doorstorting BV

ten name van de werkgever (16) : 54,86 EUR

41,25 pct. van het brutobedrag van de

bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag

heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag :

7 x 19,00 EUR x 41,25 pct. :

Op de "eerste" aangifte 274 m.b.t. augustus en m.b.t. deze werknemer dient de werkgever te vermelden :

- In het vak "aard der inkomsten" : de code"10"

- In het vak "belastbare inkomsten" : 2.607,90 EUR

- In het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing" :691,55 EUR

Op de "tweede (negatieve)" aangifte 274 m.b.t. augustus en m.b.t. deze werknemer dient de werkgever te vermelden :

- In het vak "aard der inkomsten" : de code "44"

- In het vak "belastbare inkomsten" : 133,00 EUR

- In het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing" : -54,86 EUR

Bij het opstellen van de fiche 281.10 van deze werknemer zal, m.b.t. deze periode, rekening worden gehouden met volgende gegevens :

- Code 250 : gewone bezoldigingen : 2.607,90 EUR

- Code 286 : bedrijfsvoorheffing : 691,55 EUR

- Code 234 : berekeningsgrondslag van de overwerktoeslag voor de overuren die recht geven op een vermindering van 57,75 pct. (7 uren) : 133,00 EUR.

- Code 246 : totale aantal werkelijk gepresteerde overuren : 7uren.

XII. LIJST VAN DEVERWIJZINGEN

49.

(1) De aandacht wordt gevestigd op het feit dat ook de werknemers van de vervoersmaatschappijen De Lijn, de MIVB en de SRWT in principe in aanmerking kunnen komen voor de belastingvermindering vermeld in art. 154bis, WIB 92, aangezien voormelde vervoersmaatschappijen vallen onder het toepassingsgebied van de Wet van 5 december 1968 aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.

(2) Een hogere overwerktoeslag kan eveneens in aanmerking komen voor de bedoelde fiscale gunstmaatregel (naar gelang van het geval: de belastingvermindering in de PB en de BNI/nat.pers., de belastingvermindering in de bedrijfsvoorheffing of de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing) - zie terzake nr. 21.

(3) De wettelijke overwerktoeslag van 20 pct. wordt enkel toegepast in de bouwsector.

(4) Art. 330 Programmawet (I) van 24.12.2002 bevat drie categorieën van tewerkstelling van werknemers, te weten :

- Categorie 1 : de tewerkstellingen in de hoedanigheid van werknemer onderworpen aan het geheel der regelingen als bedoeld in artikel 21, § 1, van de wet van 29 juni 1981 en die niet in een andere categorie wordt bedoeld.

- Categorie 2 : de tewerkstellingen in de hoedanigheid van werknemer bij een werkgever van de non-profit sector, als bedoeld in artikel 1, van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling inde non-profit sector, met uitzondering van werknemers die worden tewerkgesteld door werkgevers behorende tot het paritair comité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp en door de werkgevers van de beschutte werkplaatsen behorende tot het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen.

- Categorie 3 : de tewerkstellingen in de hoedanigheid van werknemer bij een werkgever behorende tot het paritair comité voorde beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen.

Voor nadere toelichtingen ter zake wordt verwezen naar nr. 5 circulaire Ci.RH.244/568.064 van 11.1.2005.

(5) Hierop wordt evenwel een uitzondering gemaakt voor uitzendkrachten (zie nr. 39).

(6) Voor de bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd en die zijn betaald of toegekend vanaf 1.7.2005 tot en met 31.12.2005, diende de werkgever in het vak "belastbare inkomsten" de voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen die betrekking hebben op het door de werknemer gepresteerd overwerk te vermelden. Bij wijze van administratieve tolerantie aanvaardde de administratie evenwel dat ook hier de berekeningsgrondslag die heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag van de werkelijk gepresteerde overuren in die periode mocht worden ingevuld.

(7) Voor de maanden april, mei, juni en juli 2007 zijn er mogelijk nog aangiften 274 gebruikt waarbij in het vak "aard der inkomsten" de code "08" werd ingevuld en die moeten worden vervangen door een aangifte 274 waarbij in het vak "aard der inkomsten" de code "44" of "45" moet worden ingevuld (zie ter zake nr. 14).

(8) De bruto bezoldiging betreffende de overuren die zullen worden omgezet in inhaalrust (nl. 19,00 EUR x 4x 100 pct.) worden uitbetaald op het moment waarop de inhaalrust wordt toegekend. Op die manier ontvangen de werknemers maandelijks een regelmatig loon.

(9) De verschuldigde overwerktoeslag wordt steeds uitbetaald op het einde van de betaalperiode in de loop waarvan de overuren werden verricht.

(10) Op voorwaarde dat er sprake is van een periodieke betaling van overuren, kunnen de normale schalen (schaal I, II of III opgenomen in Bijlage III KB/WIB 92, vervangen door het koninklijk besluit van 18 december 2006 (Belgisch Staatsblad van 22december 2006), zoals van toepassing op de vanaf 1.1.2007 betaalde of toegekende inkomsten) van de bedrijfsvoorheffing worden toegepast op de bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd. Indien er daarentegen slechts sporadisch een betaling van overuren is, moet de bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd, worden vastgesteld volgens toepassingsregel nr. 18"exceptionele vergoedingen" van Bijlage III KB/WIB 92, vervangen door het koninklijk besluit van 18 december 2006 (Belgisch Staatsblad van 22 december 2006), zoals van toepassing op de vanaf 1.1.2007 betaalde of toegekende inkomsten.

Voor alle duidelijkheid en teneinde elke twijfel te vermijden werd de toepassingsregel van het nr. 18 "exceptionele vergoedingen" aangepast voor de vanaf 1.1.2008 betaalde of toegekende inkomsten in die zin dat de vergoedingen voor extra werk niet meer onder dat nummer worden vermeld zodat zij voortaan aan de normale schalen van de bedrijfsvoorheffing worden onderworpen (Bijlage III KB/WIB 92, vervangen door het koninklijk besluit van 7december 2007 - Belgisch Staatsblad van 17 december 2007).

(11) Het bedrag van de niet te storten bedrijfsvoorheffing moet evenwel niet worden beperkt tot de bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen die daadwerkelijk betrekking hebben op de door de werknemer gepresteerd overwerk.

De bedrijfsvoorheffing die vrijgesteld wordt van doorstorting kan dus ook de bedrijfsvoorheffing zijn die betrekking heeft en ingehouden is op de andere (gewone) bezoldigingen van de werknemer die in dezelfde aangifte bedrijfsvoorheffing is opgenomen.

(12) De bruto bezoldiging betreffende de overuren die zullen worden omgezet in inhaalrust (nl. 12,67 EUR x 4x 100 pct.) worden uitbetaald op het moment waarop de inhaalrust wordt toegekend. Op die manier ontvangen de werknemers maandelijks een regelmatig loon.

(13) Aangezien er geen bedrijfsvoorheffingmeer overblijft kan de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ten name van de werkgever niet worden toegepast.

(14) Werknemer had reeds vóór september 62 uren overwerk gepresteerd, dus zijn er nog 3 uren die in aanmerking kunnen komen.

(15) Wat de toepassing van artikel 154bis, WIB 92, betreft, moet er door de werknemer overwerk zijn gepresteerd dat overeenkomstig artikel 29 van de Arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het KB nr. 213 van 26 september1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een overwerktoeslag. Het feit dat deze overwerktoeslag, eens dat ze verworven is, onder bepaalde voorwaarden wordt omgezet in bijkomende inhaalrust, doet hieraan geen afbreuk.

(16) Alhoewel de werknemer in onderhavig voorbeeld geopteerd heeft om zowel de gepresteerde overuren als de hierop verschuldigde overwerktoeslag in inhaalrust om te zetten (en er bijgevolg geen sprake is van betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd waarop bedrijfsvoorheffing moet worden ingehouden), kan de werkgever toch in principe genieten van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.

Voor de administrateur

Kleine en Middelgrote Ondernemingen :

De Directeur,

S. QUINTENS

Bijlage 1

3 JULI 2005. - Wet houdende diverse bepalingen

betreffende het sociaal overleg (1)

HOOFDSTUK VIII. - Fiscale bepalingen inzake

overwerk en ploegenarbeid

Art. 23. In Titel II, Hoofdstuk III, afdeling I, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt een onderafdeling IIIbis ingevoegd met als opschrift "Vermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag", die een artikel 154bis bevat dat luidt als volgt :

« Art. 154bis. Er wordt een belastingvermindering verleend aan de werknemers :

- die onderworpen zijn aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;

- en die gedurende het belastbare tijdperk overwerk hebben gepresteerd dat, overeenkomstig artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een overwerktoeslag.

De belastingvermindering is gelijk aan 24,75 pct. van het totaal van de berekeningsgrondslagen voor de overwerktoeslag betreffende de uren die de werknemer tijdens het belastbare tijdperk als overwerk heeft gepresteerd. Indien meer dan 65 uren als overwerk zijn gepresteerd, wordt dat totaal slechts in aanmerking genomen ten belope van een deel dat wordt bepaald door de verhouding tussen, eensdeels, 65 uren en, anderdeels, het totaal van de uren die als overwerk zijn gepresteerd.

De belastingvermindering mag evenwel niet meer bedragen dan de belasting met betrekking tot de netto belastbare bezoldigingen die zijn begrepen in de netto belastbare beroepsinkomsten. »

Art. 24. In artikel 243, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de programmawet van 27 december 2004, worden de woorden "154bis, " ingevoegd tussen de woorden "145^21 tot 145^28" en de woorden "157 tot 169, ".

Art. 25. In Titel VI, Hoofdstuk l, afdeling IV, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 2751 ingevoegd dat luidt als volgt :

« Art. 275^1. De in het tweede lid omschreven werkgevers die bezoldigingen betalen of toekennen die betrekking hebben op door de werknemer gepresteerd overwerk, en die krachtens artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen, worden ervan vrijgesteld een deel van die bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden.

De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op :

- werkgevers onderworpen aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités wat de werknemers betreft die zijn onderworpen aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die vallen onder categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002;

- de ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stellen van in het eerste streepje bedoelde ondernemingen voorzover de uitzendkrachten worden tewerkgesteld in de functie van een werknemer van categorie 1 en voorzover zij overwerk presteren.

De niet te storten bedrijfsvoorheffing bedraagt 24,75 pct. van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag.

De vrijstelling geldt per jaar en per werknemer slechts voor de eerste 65 uren die hij als overwerk presteert.

Om de in het eerste lid bedoelde vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing te verkrijgen, moet de werkgever, ter gelegenheid van zijn aangifte in de bedrijfsvoorheffing, het bewijs leveren dat de werknemers in hoofde van wie de vrijstelling wordt gevraagd overwerk hebben gepresteerd tijdens de periode waarop die aangifte betrekking heeft. De Koning bepaalt de nadere modaliteiten voor het leveren van dit bewijs. »

Art. 26. In artikel 301 van de programmawet van 22 december 2003 worden de volgende wijzigingen aangebracht :

a) in § 1, eerste lid, worden de woorden "gelijk aan 1 pct. " vervangen door de woorden "gelijk aan 2,5 pct." ;

b) § 2 wordt aangevuld met een 4° die luidt als volgt :

« 4° de ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stellen van in 1° en 2° bedoelde ondernemingen die deze uitzendkrachten tewerkstellen in een systeem van ploegen- of nachtwerk in de functie van een werknemer van categorie 1, worden, wat de vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen van die uitzendkrachten waarin ploegenpremies zijn begrepen, betreft, gelijkgesteld met die ondernemingen. »

Art. 27. De artikelen 23 tot 26 zijn van toepassing op de vanaf 1 juli 2005 betaalde of toegekende ploegen- en nachtpremies en bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd.

Bijlage 2

28 JUNI 2005. - Koninklijk besluit tot wijziging van het KB/WIB 92,

op het stuk van de bedrijfsvoorheffing (1)

Artikel 1. In bijlage III van het KB/WIB 92, vervangen door de bijlage van het koninklijk besluit van 26 november 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

§ 1. In hoofdstuk II, afdeling 1, van de toepassingsregels worden de nummers 11, A, en 12 aangevuld met een punt d luidend als volgt :

« d) Vermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag.

Deze vermindering is van toepassing op werknemers :

- die onderworpen zijn aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;

- en die overwerk hebben gepresteerd dat, overeenkomstig artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een overwerktoeslag.

Deze vermindering is slechts van toepassing op de berekeningsgrondslag voor de overwerktoeslag betreffende de eerste 65 uren die de werknemer als overwerk heeft gepresteerd.

De vermindering wordt toegepast na de onder sub a, b en c vermelde verminderingen en bedraagt 24,75 pct. van het « sociale brutobedrag » van de bezoldigingen (dit is vóór aftrek van de verplichte inhoudingen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een ermede gelijkgesteld wettelijk of reglementair statuut), dat als berekeningsgrondslag voor de berekening van de overwerktoeslag heeft gediend. »

§ 2. In hoofdstuk II, afdeling 2, nr. 13, A, c, van de toepassingsregels worden de woorden « nr. 11, a tot c » vervangen door de woorden « nr. 11, a tot d ».

§ 3. In hoofdstuk II, afdeling 2, nr. 14, c van de toepassingsregels worden de woorden « nr. 12, a tot c » vervangen door de woorden « nr. 12, a tot d ».

§ 4. Onderafdeling 1 van afdeling 1 van hoofdstuk V van de toepassingsregels wordt vervangen als volgt :

« Onderafdeling 1. - Maandelijkse brutobezoldigingen tot 7.500,00 EUR

51. Wanneer de maandelijkse brutobezoldigingen niet hoger zijn dan 7.500,00 EUR wordt de bedrijfsvoorheffing vastgesteld volgens schaal III.

51bis. Van de bedrijfsvoorheffing berekend volgens die schaal mag evenwel nog de vermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag, worden afgetrokken.

Deze vermindering is van toepassing op werknemers :

- die onderworpen zijn aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;

- en die overwerk hebben gepresteerd dat, overeenkomstig artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een overwerktoeslag.

Deze vermindering is slechts van toepassing op de berekeningsgrondslag voor de overwerktoeslag betreffende de eerste 65 uren die de werknemer als overwerk heeft gepresteerd.

De vermindering bedraagt 24,75 pct. van het « sociale brutobedrag » van de bezoldigingen (dit is vóór aftrek van de verplichte inhoudingen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een ermede gelijkgesteld wettelijk of reglementair statuut), dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag. »

§ 5. Onderafdeling 2 van afdeling 1 van hoofdstuk V van de toepassingsregels, wordt vervangen als volgt :

« Onderafdeling 2. - Maandelijkse brutobezoldigingen boven 7.500,00 EUR.

52. A. Wanneer de maandelijkse brutobezoldigingen hoger zijn dan 7.500,00 EUR wordt de bedrijfsvoorheffing als volgt vastgesteld :

a) de maandelijkse brutobezoldiging afronden op het lagere veelvoud van vijftien euro;

b) de bedrijfsvoorheffing op dat afgeronde bedrag is gelijk aan 3.556,50 EUR verhoogd met 53,50 pct. van het gedeelte van de maandelijkse brutobezoldiging boven 7.500,00 EUR.

B. Van de bedrijfsvoorheffing berekend overeenkomstig punt A mag evenwel nog de vermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag worden afgetrokken; die vermindering is vermeld in nr. 51bis. »

Art. 2. Artikel 1 is van toepassing op de vanaf 1 juli 2005 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd.

Art. 3. Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlage 3

4 AUGUSTUS 2005. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de toepassingsmodaliteiten zoals voorzien in artikel 275^1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en tot wijziging van het KB/WIB 92, inzake vrijstelling van storting van bedrijfsvoorheffing (1)

Artikel 1. In artikel 90, § 1, van het KB/WIB 92, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 maart 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° in het zevende lid worden de woorden « gelijk aan 1 pct. » telkens vervangen door de woorden « gelijk aan 2,5 pct. »;

2° het wordt aangevuld met het volgende lid:

« De schuldenaars van bedrijfsvoorheffing die zijn bedoeld in artikel 2751 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, moeten, voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor zij een bedrag aan bedrijfsvoorheffing dat gelijk is aan 24,75 pct. van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag niet in de schatkist moeten storten, twee afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen volgens het hierna volgend onderscheid:

- de eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft betrekking op de aan al de werknemers betaalde of toegekende bezoldigingen en moet de volgende specifieke vermeldingen bevatten:

  • in het vak "belastbare inkomsten": de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen;
  • in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing": de ingehouden bedrijfsvoorheffing;

- de tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft uitsluitend betrekking op de in het voornoemde artikel 275^1, bedoelde bezoldigingen van werknemers evenals op het bedrag van de bedrijfsvoorheffing dat overeenkomstig hetzelfde artikel niet moet worden gestort en moet de volgende specifieke vermeldingen bevatten:

  • in het vak "aard der inkomsten": de code die door de FOD Financiën zal worden vastgesteld;
  • in het vak "belastbare inkomsten": de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen als bedoeld in het eerste lid van hetzelfde artikel;
  • in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing": een negatief bedrag gelijk aan 24,75 pct. van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag. »

Art. 2. Voor de toepassing van artikel 275^1, vijfde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, moeten de in hetzelfde artikel vermelde werkgevers een nominatieve lijst ter beschikking van de administratie houden met daarin, voor elke werknemer, de volledige identiteit, het aantal uren overwerk, de berekeningsgrondslag van de overwerktoeslag en de periode van het jaar gedurende dewelke die werknemer overwerk heeft gepresteerd.

Art. 3. Dit besluit is van toepassing op de vanaf 1 juli 2005 betaalde of toegekende ploegen- en nachtpremies en bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd.

Art. 4. Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

4 AUGUSTUS 2005. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de toepassingsmodaliteiten zoals voorzien in artikel 275^1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en tot wijziging van het KB/WIB 92, inzake vrijstelling van storting van bedrijfsvoorheffing. - Erratum

In het Belgisch Staatsblad van 12 augustus 2005, 2e uitgave, bl. 35768, artikel 2, moeten de woorden « artikel 275^1 » vervangen worden door « artikel 275^1 ».

Bijlage 4

22 AUGUSTUS 2006. - Koninklijk besluit

tot wijziging van het KB/WIB 92

op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing

Artikel 1. In artikel 90, § 1, KB/WIB 92, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 3 januari 1995, 10 januari 1997, 3 mei 1999, 5 december 2000, 3 april 2003,28 september 2003, 16 juni 2004, 11 maart 2005, 4 augustus 2005 en 8 januari 2006 worden het vierde tot het achtste lid, opgeheven.

Art. 2. In hoofdstuk II, van hetzelfde besluit wordt een afdeling IIbis ingevoegd, die de artikelen 95^1 en 95^2 omvat, luidende :

"Afdeling IIbis

Vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing

(Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 275^1 tot 275^5)

Art. 95^1. - In uitvoering van artikel 2753, laatste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt, voor de in het eerste lid van dat artikel bedoelde universiteiten, hogescholen, het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek en het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen, het percentage van 50 pct. verhoogd tot 65 pct.

Art. 95^2. - § 1. De in het tweede lid vermelde schuldenaars van bedrijfsvoorheffing moeten voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor zij een deel of het geheel van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet in de Schatkist moeten storten, twee afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen volgens het in §§ 2 en 3 vermelde onderscheid.

De in het eerste lid bedoelde schuldenaars zijn :

1° de werkgevers beoogd in artikel 275^1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 die bezoldigingen betalen of toekennen die betrekking hebben op door de werknemer gepresteerd overwerk, en die :

- ofwel onderworpen zijn aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités wat de werknemers betreft die zijn onderworpen aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die vallen onder categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002;

- ofwel erkend zijn voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stellen van in het eerste streepje bedoelde ondernemingen voor zover de uitzendkrachten worden tewerkgesteld in de functie van een werknemer van categorie 1 en voor zover zij overwerk presteren;

(…)

§ 2. De eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft betrekking op de aan al de werknemers betaalde of toegekende bezoldigingen en moet de volgende specifieke vermeldingen bevatten :

a) in het vak "belastbare inkomsten" : de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen;

b) in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing" : de ingehouden bedrijfsvoorheffing.

§ 3. De tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft uitsluitend betrekking op de bezoldigingen van werknemers waarvoor een deel of het geheel van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet in de Schatkist moet worden gestort en moet, afhankelijk van de schuldenaars, de volgende specifieke vermeldingen bevatten :

a) in het vak "aard der inkomsten" : de code die is opgenomen in bijlage IIIbis ;

b) in het vak "belastbare inkomsten" :

1° voor de in § 1, tweede lid, 1° en 3° tot 5°, bedoelde schuldenaars : de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen;

(…)

c) in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing" :

1° voor de in § 1, tweede lid, 1°, bedoelde schuldenaars : een negatief bedrag gelijk aan 24,75 pct. van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag;

(…)

§ 4. Ter staving van hun aangiften in de bedrijfsvoorheffing moeten de in § 1 vermelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing de modaliteiten naleven die zijn opgenomen in bijlage IIIter.

(…)

Art. 3. Bij het KB/WIB 92, wordt een bijlage IIIbis toegevoegd die luidt als volgt :

« Bijlage IIIbis - Lijst van de Codes met betrekking tot de aard van de inkomsten in toepassing van artikel 95^2, § 3, a), KB/WIB 92

01 koopvaardij (Art. 275^2, WIB 92)

02 bagger (Art. 275^2, WIB 92)

03 zeesleepvaart (Art. 275^2, WIB 92)

04 zeevisserij (Art. 275^4, WIB 92)

05 wetenschappelijk onderzoek (Art. 275^3, 1ste lid, WIB 92)

06 ploegenpremies en nachtpremies (Art. 275^5, WIB 92)

07 wetenschappelijk onderzoek (Art. 275^3, 2de lid, WIB 92)

08 overuren (Art. 275^1, WIB 92)

09 wetenschappelijk onderzoek (Art. 275^3, 3de lid, 1°, WIB 92)

31 wetenschappelijk onderzoek (Art. 275^3, 3de lid, 2°, WIB 92)

32 wetenschappelijk onderzoek (Art. 275^3, 3de lid, 3°, WIB 92)".

Art. 4. Bij het KB/WIB 92, wordt een bijlage IIIter toegevoegd die luidt als volgt :

« Bijlage IIIter - Modaliteiten na te leven door de in artikel 95^2, § 1 bedoelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing

I. De in artikel 95^2, § 1, tweede lid, 1°, bedoelde schuldenaars :

Deze schuldenaars moeten een nominatieve lijst ter beschikking van de administratie houden met daarin, voor elke werknemer, de volledige identiteit, het aantal uren overwerk, de berekeningsgrondslag van de overwerktoeslag en de periode van het jaar gedurende dewelke die werknemer overwerk heeft gepresteerd.

(…)

Art. 6. Worden opgeheven :

- het koninklijk besluit van 5 december 2000;

- het koninklijk besluit van 3 april 2003;

- het koninklijk besluit van 28 september 2003;

- het koninklijk besluit van 4 mei 2004;

- het koninklijk besluit van 16 juni 2004;

- het koninklijk besluit van 4 juli 2004;

- het koninklijk besluit van 11 maart 2005;

- het koninklijk besluit van 4 augustus 2005;

- het koninklijk besluit van 24 augustus 2005;

- het koninklijk besluit van 8 december 2005;

- het koninklijk besluit van 8 januari 2006.

Art. 7. Dit besluit is van toepassing op de bezoldigingen die worden betaald of toegekend vanaf 1 januari 2006 behalve de bepalingen betreffende de in artikel 275^3, derde lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde Young Innovative Companies die uitwerking hebben vanaf 1 juli 2006.

Art. 8. Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlage 5

11 DECEMBER 2006. - Koninklijk besluit tot wijziging van het KB/WIB 92 tot uitvoering van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, van diverse bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van de wet van 25 juni 2005 tot invoering van een belastingaftrek voor risicokapitaal

Art. 18. Artikel 95^2, § 3, b, KB/WIB 92, ingevoegd bij koninklijk besluit van 22 augustus 2006, wordt vervangen als volgt :

« b) in het vak « belastbare inkomsten » :

1° voor de in § 1, tweede lid, 1°, bedoelde schuldenaars : de berekeningsgrondslag die heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag van de werkelijk gepresteerde overuren in die periode;

2° voor de in § 1, tweede lid, 2°, bedoelde schuldenaars : de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen aan hun werknemers die zij als communautaire zeelieden tewerkstellen aan boord van in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte geregistreerde schepen waarvoor een zeebrief wordt voorgelegd;

3° voor de in § 1, tweede lid, 3° tot 5°, bedoelde schuldenaars : de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen; ».

(…)

Art. 26. De artikelen 2 en 13 zijn van toepassing op de kosten die worden gedragen vanaf 1 januari 2006.

De artikelen 3 tot 7, 11 en 14 tot 17 treden in werking vanaf aanslagjaar 2007.

Artikel 12 is van toepassing op premies en subsidies die worden betekend vanaf 1 januari 2006 en voor zover de datum van betekening ten vroegste behoort tot het belastbaar tijdperk dat aan het aanslagjaar 2007 verbonden is.

De artikelen 18, 23 en 25 zijn van toepassing op de bezoldigingen die worden betaald of toegekend vanaf 1 januari 2006 behalve de bepalingen betreffende de in artikel 275^3, derde lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde Young Innovative Companies die van toepassing zijn vanaf 1 juli 2006.

(…)

Bijlage 6

27 DECEMBER 2006. - Wet houdende diverse bepalingen (I) (1)

(…)

Art. 284. In artikel 154bis, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005, worden de woorden "met betrekking tot de netto belastbare bezoldigingen die zijn begrepen in de netto belastbare beroepsinkomsten. » vervangen door de woorden "met betrekking tot het netto bedrag van de in artikel 30, 1°, bedoelde bezoldigingen, andere dan de vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen. »

(…)

Art. 289. Artikel 285 heeft uitwerking met ingang van het aanslagjaar 2005.

Artikel 278 is van toepassing vanaf 1 januari 2005.

Artikel 284 is van toepassing op de vanaf 1 januari 2006 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd.

De artikelen 276, 282 en 283 zijn van toepassing op de aanvullende vergoedingen die vanaf 1 januari 2006 worden betaald of toegekend.

De artikelen 286 tot 288 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2007.

Artikel 277, 3°, is van toepassing op de giften die vanaf 1 januari 2007 worden gedaan aan het FWO-Vlaanderen.

De artikelen 277, 1°, 2° en 5°, en 279 tot 281 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2008.

(…)

Bijlage 7

27 DECEMBER 2006. - Programmawet (I) (1)

(…)

Art. 16. In artikel 154bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005, wordt tussen het tweede en derde lid, een nieuw lid ingevoegd, luidende :

« De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het in het tweede lid bedoelde percentage tot maximaal 66,81 pct. verhogen. »

(…)

Art. 18. De artikelen 12 en 13 zijn van toepassing op de uitgaven gedaan vanaf 1 januari 2007 tot 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar in hetwelk de Europese Commissie de verplichting invoert dat alle voertuigen standaard moeten worden uitgerust met een roetfilter.

De artikelen 11, 14 en 15 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2008.

Artikel 16 is van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd.

(…)

Art. 29. In artikel 275^1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005, wordt tussen het derde en vierde lid een nieuw lid ingevoegd, luidende :

« De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het in het derde lid bedoelde percentage tot maximaal 32,19 pct. verhogen. »

(…)

Art. 33. Artikel 29 is van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd.

Bijlage 8

17 MEI 2007. - Wet houdende uitvoering van het interprofessioneel akkoord voor de periode 2007-2008 (1)

Art. 25. In artikel 154bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005 en gewijzigd bij de programmawet (I) van 27 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° het derde lid wordt vervangen als volgt :

« De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het in het tweede lid bedoelde percentage verhogen tot maximaal :

- 66,81 pct. voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 20 pct. van toepassing is;

- 57,75 pct. voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 pct. van toepassing is. »;

2° het volgende lid wordt ingevoegd tussen het derde en het vierde lid :

« Hij zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zoniet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van het vorige lid genomen besluiten. ».

Art. 26. In artikel 2751 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005 en gewijzigd bij de programmawet (I) van 27 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° het vierde lid wordt vervangen als volgt :

« De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het in het derde lid bedoelde percentage verhogen tot maximaal :

- 32,19 pct. voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 20 pct. van toepassing is;

- 41,25 pct. voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 pct. van toepassing is. »;

2° het volgende lid wordt ingevoegd tussen het vierde en het vijfde lid :

« Hij zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zoniet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van het vorige lid genomen besluiten. ».

Art. 27. De artikelen 25 en 26 zijn van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd.

Bijlage 9

3 JUNI 2007. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen 154 bis, derde lid, en 275^1, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (1)

Artikel 1. In hoofdstuk I van het KB/WIB 92 wordt een afdeling XXVduodecies ingevoegd die luidt als volgt :

« Afdeling XXVduodecies - Vermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 154bis )

Art. 63^19 In uitvoering van artikel 154bis, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt het in het tweede lid van datzelfde artikel vermelde percentage van 24,75 pct. verhoogd tot :

- 66,81 pct. voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 20 pct. van toepassing is;

- 57,75 pct. voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 pct. van toepassing is. » .

Art. 2. In artikel 95^1 van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 22 augustus 2006 en gewijzigd bij koninklijke besluiten van 21 december 2006 en 12 maart 2007, worden volgende wijzigingen aangebracht :

1° vóór het eerste lid wordt het volgende lid toegevoegd :

« In uitvoering van artikel 275^1, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt het in het derde lid van datzelfde artikel vermelde percentage van 24,75 pct. verhoogd tot :

- 32,19 pct. voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 20 pct. van toepassing is;

- 41,25 pct. voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 pct. van toepassing is. ».

2° in het tweede lid worden de woorden « van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 » vervangen door de woorden « van hetzelfde Wetboek ».

Art. 3. Dit besluit is van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd.

Art. 4. Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlage 10

3 JUNI 2007. - Koninklijk besluit tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing (1)

Artikel 1. In bijlage III van het KB/WIB 92, vervangen door het koninklijk besluit van 18 december 2006 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 april 2007 worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° de nummers 11, d, derde lid en 12, d, derde lid van de toepassingsregels worden telkens vervangen als volgt :

« De vermindering wordt toegepast na de onder sub a, b en c vermelde verminderingen en bedraagt :

- voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 pct. van toepassing is : 57,75 pct.;

- voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 20 pct. van toepassing is : 66,81 pct.,

van het « sociale brutobedrag » van de bezoldigingen (dit is vóór aftrek van de verplichte inhoudingen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een ermede gelijkgesteld wettelijk of reglementair statuut), dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag. » ;

4° het nummer 51bis, b, derde lid, van de toepassingsregels wordt vervangen als volgt :

« De vermindering wordt toegepast na de onder sub a vermelde vermindering en bedraagt :

- voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 pct. van toepassing is : 57,75 pct.;

- voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 20 pct. van toepassing is : 66,81 pct.,

van het « sociale brutobedrag » van de bezoldigingen (dit is vóór aftrek van de verplichte inhoudingen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een ermede gelijkgesteld wettelijk of reglementair statuut), dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag. ».

Art. 2. Dit besluit is van toepassing op :

- de in artikel 1, 1°, 3° en 4°, bedoelde inkomsten die betaald of toegekend zijn vanaf 1 april 2007;

- de in artikel 1, 2°, bedoelde wettelijke onderbrekingsuitkeringen die betaald of toegekend zijn aan werknemers die hun beroepsloopbaan voltijds of deeltijds onderbreken vanaf 1 juni 2007.

Art. 3. Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlage 11

8 JUNI 2007. - Koninklijk besluit tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing (1)

Artikel 1. In hoofdstuk II, KB/WIB 92, wordt het opschrift van afdeling IIbis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 22 augustus 2006, gewijzigd als volgt :

« Afdeling IIbis. - Vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing

(Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 275^1 tot 275^8) ».

Art. 3. Artikel 95^2, § 3, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 22 augustus 2006 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 11 december 2006 en 21 december 2006, wordt als volgt gewijzigd :

b) c, 1°, wordt vervangen als volgt :

« 1° voor de in § 1, tweede lid, 1°, bedoelde schuldenaars : een negatief bedrag gelijk aan :

- 32,19 pct. van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag wanneer een wettelijke overwerktoeslag van 20 pct. is toegepast;

- 41,25 pct. van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag wanneer een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 pct. is toegepast; ».

Art. 4. Bijlage IIIbis, KB/WIB 92, ingevoegd bij koninklijk besluit van 22 augustus 2006 en gewijzigd bij koninklijk besluit van 11 december 2006 en 12 maart 2007 wordt vervangen als volgt :

« Bijlage IIIbis. - Lijst van de codes met betrekking tot de aard van de inkomsten in toepassing van artikel 95^2, § 3, a, KB/WIB 92

01 Koopvaardij (Art. 275^2, WIB 92)

02 bagger (Art. 275^2, WIB 92)

03 zeesleepvaart (Art. 275^2, WIB 92)

04 zeevisserij (Art. 275^4, WIB 92)

05 wetenschappelijk onderzoek (Art. 275^3, 1ste lid, WIB 92)

06 ploegenpremies en nachtpremies (Art. 275^5, WIB 92)

07 wetenschappelijk onderzoek (Art. 275^3, 2de lid, WIB 92)

08 overuren (Art. 275^1, WIB 92, van toepassing tot en met 31 maart 2007)

09 wetenschappelijk onderzoek (Art. 275^3, 3de lid, 1°, WIB 92)

31 wetenschappelijk onderzoek (Art. 275^3, 3de lid, 2°, WIB 92)

32 wetenschappelijk onderzoek (Art. 275^3, 3de lid, 3°, WIB 92)

41 sportbeoefenaar (Art. 275^6, 1ste lid, WIB 92)

42 sportbeoefenaar (Art. 275^6, 2de lid, WIB 92)

43 champignonteelt (Art. 275^8, WIB 92)

44 overuren (Art. 275^1, 4de lid, 2de streepje, WIB 92, van toepassing vanaf 1 april 2007)

45 overuren (Art. 275^1, 4de lid, 1ste streepje, WIB 92, van toepassing vanaf 1 april 2007)

46 profit sector (Art 275^7, WIB 92). ».

Art. 7. Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlage 12

Federale Overheidsdienst

Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg

FOD Financiën

Administratie van Fiscale Zaken

Uw bericht van :

27.10.2005 (e-mail)

Uw kenmerk :

Ons kenmerk :

IAB/25030/AW/PB

Brussel,

16.11.2005

Betreft :

- Wet van 3 juli 2005 houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg (IPA-wet),

- zie artikel 26bis, § 2bis, van de arbeidswet van 16 maart 1971.

Geachte heer,

In antwoord op uw bovenvermeld bericht dat aan mijn administratie voor verder gevolg werd toegestuurd door de heer Cis CAES, medewerker van de Beleidscel Werk, heb ik de eer u volgende inlichtingen mede te delen.

Door artikel 23 van de wet van 3 juli 2005houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg (hoofdstuk VIII - Fiscale bepalingen inzake overwerk en ploegenarbeid) wordt een nieuw artikel 154bis ingevoegd in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. Dit artikel bepaalt aan welke werknemers een belastingvermindering wordt verleend. Het betreft hier de werknemers die onderworpen zijn aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.

1. Werkgevers onderworpen aan de wet van 5 december 1968

De wet van 5 december 1968 is niet van toepassing op degenen die in dienst zijn van de Staat, de provincies, de gemeenten, de daaronder ressorterende openbare instellingen en de instellingen van openbaar nut met uitzondering van de Nationale Bank van België, enz. … (zie de opsomming in artikel 2, § 3, 1, van de wet van 5 december 1968).

De reden van deze basisuitsluiting uit het toepassingsgebied van de CAO-wet is dat die personen immers onderworpen zijn aan statutaire en reglementaire bepalingen die slecht passen in het kader van de collectieve arbeidsovereenkomsten(Memorie van Toelichting, Gedr. St., Senaat,1966-67, nr. 148, 8).

In de voorbereidende werken wordt evenwel geen enkele definitie gegeven van het begrip "instellingen van openbaar nut". De rechtspraak bevat eveneens weinig uitspraken over het begrip "openbare instellingen" of "instellingen van openbaar nut". Het arbeidshof van Brussel stelt dat openbare instellingen of instellingen van openbaar nut, welke zijn opgericht onder de vorm van intercommunale verenigingen, buiten het toepassingsgebied vallen van de CAO-wet(Arbh. Brussel, 15 september 1988, J.T.T., 1988, nr.418).

Met "de daaronder ressorterende openbare instellingen " bedoelt men de openbare instellingen die tot stand gebracht zijn door de staat, de gemeenschappen, gewesten, provincies en gemeenten, en die onder de voogdij en controle staan van het oprichtend orgaan (bv. RVA, OCMW, Nationale Arbeidsraad, Orde van Geneesheren, …). Een kerkfabriek (katholieke eredienst) wordt door het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en de werking van de erkende erediensten beschouwd als een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid. Een gelijkaardige bepaling is opgenomen voorde organen van de protestantse, anglicaanse, orthodoxe, joodse en islamitische eredienst.

Onder "instellingen van openbaar nut " dienen niet de privaatrechtelijke instellingen te worden verstaan die vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 27 juni 1921 betreffende de VZW's, maar wel de publiekrechtelijke instellingen zoals bedoeld in de wet van 16 maart 1954 (Gedr. St., Senaat, 1967-68, nr. 78, 34 en35).

Concreet betekent dit dat de VZW's, evenals de private instellingen opgericht door bijzondere wetten, onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december1968.

Ook de private organismen aan wie een openbaar bestuur een door hem ingestelde activiteit van uitvoering heeft toevertrouwd, vallen binnen het toepassingsgebied (bv. de erkende kassen voor kinderbijslag, de mutualiteitsvereniging en voor verzekeringen tegen ziekte en invaliditeit, de sociale secretariaten van werkgevers, …).

Anders is het voor gemeentelijke VZW's waar de vertegenwoordigers van de gemeente genieten van een beslissingsmacht binnen de algemene vergadering en de beheerraad. Zij worden beschouwd als een organisme van openbaar nut dat ontsnapt aan het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968(Arbh. Luik, 20 december 1989, J.T.T., 1990, nr. 475).

De koning kan evenwel, bij gemotiveerd en in Ministerraad overlegd besluit, de toepassing van deze wet geheel of gedeeltelijk uitbreiden tot die personen of bepaalde categorieën ervan, die in dienst zijn van de Staat, de provincies, de gemeentenen de daaronder ressorterende openbare instellingen en instellingen van openbaar nut (zie artikel 2, § 3, 1, tweede lid, van de wet van5 december 1968).

2. Bedrijfsleiders

De bepalingen inzake arbeidsduur zijn niet van toepassing (zie artikel 3, § 1, 1°, van de arbeidswet van 16 maart 1971) op de werknemers die een leidende functie of een vertrouwenspost bekleden. Dezen worden vermeld in het koninklijk besluit van 10 februari 1965 tot aanduiding van de met een leidende functie of vertrouwenspost beklede personen in de particuliere sector van 's lands bedrijfsleven voor de toepassing van de wetbetreffende de arbeidsduur.

Zo vermeldt artikel 2, I, van dit koninklijk besluit o.a. als personen die met een leidende functie of een vertrouwenspost zijn bekleed :

- de directeurs, de onderdirecteurs, de zeevaartkapiteins, alsmede de personen die werkelijk gezag uitoefenen en de verantwoordelijkheid dragen voor de gehele onderneming of een belangrijke onderafdeling ervan;

- de personen die onder hun verantwoordelijkheid de onderneming tegenover derden kunnen verbinden;

- de filiaalhouders die al of niet personeel onder hun gezag hebben;

- de ingenieurs en de technische personeelsleden, voor zover hun persoonlijke aanwezigheid voor de veiligheid van de werknemers en voor de veilige werking van de onderneming noodzakelijk is;

- …

Ingevolge artikel 3, § 3, 1°, van de arbeidswet van 16 maart 1971 vallen de opgesomde werknemers buiten het toepassingsgebied van de regels inzake arbeidsduur opgenomen inde arbeidswet. Hun rechten en plichten inzake te presteren arbeidsduur vloeien in beginsel voort uit hetgeen daaromtrent is overeengekomen in de arbeidsovereenkomst. In dergelijk geval kan eventueel ook een collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing zijn, gesloten hetzij op het niveau van het paritair comité waaronder de onderneming ressorteert, hetzij op het niveau van de onderneming zelf.

Om uit te maken of concrete personen al dan niet zijn uitgesloten van de bepalingen inzake arbeidsduur van de arbeidswet, dient de precieze functie-inhoud van elk van die personen getoetst te worden aan de functies vermeld in het koninklijk besluit van 10 februari 1965. Volledigheidshalve kan ik hier wel aan toevoegen dat de bepalingen van dit koninklijk besluit restrictief moeten worden geïnterpreteerd, aangezien deze bepalingen uitzonderingen instellen op de strafrechtelijk gesanctioneerde bepalingen inzake arbeidsduur van de arbeidswet van 16 maart 1971 (Arbh. Brussel, 31 maart 1993, J.T.T., 1994,291;

Arbrb. Brussel, 22 mei 1991, T.S.R., 1991, 359).

3. Werknemers die onderworpen zijn aan de arbeidswet van 16 maart 1971

De bepalingen van de arbeidswet betreffende de arbeidsduur zijn van toepassing op de werknemers en op de werkgevers (zie artikel 1 van de arbeidswet).

De personen die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon worden voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met werknemers.

Met werknemers of gelijkgestelden worden bij wijze van voorbeeld bedoeld:

- de werknemers verbonden met een arbeidsovereenkomst (zie de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten);

- de personen verbonden met een overeenkomst van betaalde sportbeoefenaar (zie de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars);

- de personen verbonden met een overeenkomst van binnenschipper (zie wet van 1 april 1936 op de arbeidsovereenkomst wegens dienst op binnenschepen);

- de personen verbonden met een overeenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij (zie wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij);

- de personen verbonden met een IBO-overeenkomst (individuele beroepsopleiding);

- de personen verbonden met een startbaanovereenkomst (zie hoofdstuk 8 van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid);

- de personen verbonden met een middenstandsleercontract;

- de personen verbonden met een industriële leerovereenkomst (zie de wet 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst);

- de werknemers verbonden met een PWA-arbeidsovereenkomst (zie wet van 7 april 1999 betreffende de PWA-arbeidsovereenkomsten);

- de personen verbonden met een beroepsinlevingsovereenkomst (zie artikel 104-109 van de programmawet van 2 augustus 2002);

- de schoolstagiairs;

- de vrijwilligers (ParL. Vragen en Antwoorden Kamer, 1994-1995, nr. 4, p. 273).

De bepalingen inzake arbeidsduur, het naleven van de uurroosters en de rusttijden zijn evenwel niet van toepassing op een gedeelte van de overheidssector, meer bepaald de personen tewerkgesteld door de Staat, de provincies, de gemeenten, de openbare instellingen die eronder ressorteren en de instellingen van openbaar nut, behoudens indien ze tewerkgesteld worden door :

- instellingen die een industriële of commerciële activiteit uitoefenen;

- instellingen die geneeskundige, profylactische of hygiënische verzorging verlenen.

Zo valt bijvoorbeeld het personeel van een OCMW-ziekenhuis onder de bepalingen inzake arbeidsduur opgenomen in de arbeidswet. Doch rekening houdend met de elementen vermeld in punt 1 ("werkgevers onderworpen aan de wet van 5 december 1968"), valt een OCMW-ziekenhuis evenwel niet onder het toepassingsgebied van hoofdstuk VIII (Fiscale bepalingen inzake overwerk en ploegenarbeid) van de wet van 3 juli 2005 houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg.

4. Overuren waarvoor de vermindering/vrijstelling geldt

Het nieuw artikel 154bis bepaalt dat er een belastingvermindering wordt verleend aan de werknemers die gedurende het belastbare tijdperk overwerk hebben gepresteerd dat recht geeft op een overwerktoeslag (overeenkomstig artikel 29 van de arbeidswet of artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213).

Artikel 29 van de arbeidswet definieert overwerk als arbeid verricht boven 9 uur per dag of 40 uur per week of boven lagere grenzen vastgesteld bij collectieve arbeidsovereenkomst.

De belastingvermindering wordt niet beperkt tot de situaties bedoeld in de artikelen 25 (buiten gewone vermeerdering van werk) en 26, § 1, 3° (onvoorziene noodzakelijkheid) van de arbeidswet.

Dit antwoord geldt slechts als advies datgeen afbreuk doet aan de soevereine beoordelingsmacht van hoven en rechtbanken.

Hoogachtend,

(w.g.) Michel De Gols

Directeur-generaal

Bijlage13

Gecoördineerde tekst van art. 154bis, WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 juli 2005 tot 31 december 2005 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (art. 23, W 3.7.2005 – BS 19.7.2005).

Er wordt een belastingvermindering verleend aan de werknemers :

- die onderworpen zijn aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;

- en die gedurende het belastbare tijdperk overwerk hebben gepresteerd dat, overeenkomstig artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een overwerktoeslag.

De belastingvermindering is gelijk aan24,75 pct. van het totaal van de berekeningsgrondslagen voor deo verwerktoeslag betreffende de uren die de werknemer tijdens het belastbare tijdperk als overwerk heeft gepresteerd. Indien meer dan 65 uren als overwerk zijn gepresteerd, wordt dat totaal slechts in aanmerking genomen ten belope van een deel dat wordt bepaald door de verhouding tussen, eensdeels, 65 uren en, anderdeels, het totaal van de uren die als overwerk zijn gepresteerd.

De belastingvermindering mag evenwel niet meer bedragen dan de belasting met betrekking tot de netto belastbare bezoldigingen die zijn begrepen in de netto belastbare beroepsinkomsten.

Bijlage 14

Gecoördineerde tekst van art. 154bis, WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 januari 2006 tot 31 maart 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (art. 284, W 27.12.2006 -BS 28.12.2006).

Er wordt een belastingvermindering verleend aan de werknemers :

- die onderworpen zijn aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;

- en die gedurende het belastbare tijdperk overwerk hebben gepresteerd dat, overeenkomstig artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een overwerktoeslag.

De belastingvermindering is gelijk aan 24,75 pct. van het totaal van de berekeningsgrondslagen voor de overwerktoeslag betreffende de uren die de werknemer tijdens het belastbare tijdperk als overwerk heeft gepresteerd. Indien meer dan 65 uren als overwerk zijn gepresteerd, wordt dat totaal slechts in aanmerking genomen ten belope van een deel dat wordt bepaald door de verhouding tussen, eensdeels, 65 uren en, anderdeels, het totaal van de uren die als overwerk zijn gepresteerd.

De belastingvermindering mag evenwel niet meer bedragen dan de belasting met betrekking tot het netto bedrag van de in artikel 30, 1°, bedoelde bezoldigingen, andere dan de vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen.

Bijlage15

Gecoördineerde tekst van art. 154bis, WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (art. 16, W 27.12.2006 - BS 28.12.2006 en art. 25, W 17.5.2007 -BS 19.6.2007).

Er wordt een belastingvermindering verleend aan de werknemers :

- die onderworpen zijn aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;

- en die gedurende het belastbare tijdperk overwerk hebben gepresteerd dat, overeenkomstig artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een overwerktoeslag.

De belastingvermindering is gelijk aan24,75 pct. van het totaal van de berekeningsgrondslagen voor de overwerktoeslag betreffende de uren die de werknemer tijdens het belastbare tijdperk als overwerk heeft gepresteerd. Indien meer dan 65 uren als overwerk zijn gepresteerd, wordt dat totaal slechts in aanmerking genomen ten belope van een deel dat wordt bepaald door de verhouding tussen, eensdeels, 65 uren en, anderdeels, het totaal van de uren die als overwerk zijn gepresteerd.

De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het in het tweede lid bedoelde percentage verhogen tot maximaal :

- 66,81 pct. voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 20 pct. van toepassing is;

- 57,75 pct. voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 pct. van toepassing is.

Hij zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zoniet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van het vorige lid genomen besluiten.

De belastingvermindering mag evenwel niet meer bedragen dan de belasting met betrekking tot het netto bedrag van de in artikel 30, 1°, bedoelde bezoldigingen, andere dan de vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen.

Bijlage 16

Gecoördineerde tekst van art. 243, WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 juli 2005 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (art. 24, W 3.7.2005 - BS 19.7.2005, art. 353, W 27.12.2006 -BS 28.12.2006 en art. 4, W 25.4.2007 - BS10.5.2007).

In gevallen vermeld in artikel 232 vindende bepalingen van de artikelen 86 tot 89 geen toepassing en wordt de belasting berekend volgens de belastingschaal vermeld in artikel130.

Op de overeenkomstig het vorige lid berekende belasting worden de verminderingen genoemd in de artikelen 146 tot 154 verleend binnen de perken en onder de voorwaarden bepaald in die artikelen en met inachtneming van het geheel van de binnenlandse en de buitenlandse inkomsten, onder voorbehoud van de volgende afwijkingen :

1° de in artikel 147, 1° en 7°, vermelde bedragen worden vervangen door het bedrag van 2.975,76 EUR (basisbedrag 2.392,67 EUR);

2° ...

3° het in artikel 147, 9°, vermelde bedrag wordt vervangen door het bedrag van 3.450,15 EUR (basisbedrag 2.774,10 EUR).

Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en het inkomen geheel of gedeeltelijk uitwerkloosheidsuitkeringen bestaat, wordt de vermindering voor die werkloosheidsuitkeringen, die overeenkomstig het vorige lid zijn berekend, voor beide echtgenoten samen slechts eenmaal verleend.

De artikelen 126 tot 129, 145/1, 1° tot 4°,145/2 tot 145/7, 145/21 tot 145/28, 154bis, 157 tot 169 en 171 tot178 zijn eveneens van toepassing.

--------------------

Van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2007

(het vierde lid wordt als volgt vervangen) :

De artikelen 126 tot 129, 145/1, 1° tot 5°, 145/2 tot 145/16, 145/21 tot 145/28, 154bis, 157 tot 169 en 171 tot 178 zijn eveneens van toepassing.

--------------------

Van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2008

(het vierde lid wordt als volgt vervangen)

De artikelen 126 tot 129, 145^1, 1°, 2° en5°, 145^2 tot 145^4, 145^6, wat de toepassing van artikel 145^1, 2°, betreft, 145^8 tot 1451^6, 145^21 tot 145^31, 154bis, 157 tot 169 en 171 tot 178 zijn eveneens van toepassing.

(Nieuw ingevoegd vijfde lid)

Wat de individuele levensverzekering betreft die dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening, is artikel 1451, 2°, slechts van toepassing wanneer de hypothecaire lening is aangegaan voor :

- een in België gelegen woning;

- een in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen woning die de belastingplichtige op 31 december van het jaar waarin het leningcontract is gesloten, zelf betrekt en waarvan hij eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is. Om te beoordelen of de belastingplichtige de woning zelf betrekt, gelden dezelfde regels als in artikel 12, § 3.

Bijlage 17

Gecoördineerde tekst van art. 63^19, KB/WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (art. 1, KB 3.6.2007 - BS 19.6.2007).

In uitvoering van artikel 154bis, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt het in het tweede lid van datzelfde artikel vermelde percentage van 24,75 pct. verhoogd tot :

- 66,81 pct. voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 20 pct. van toepassing is;

- 57,75 pct. voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 pct. van toepassing is.

Bijlage 18

Gecoördineerde tekst van de Bijlage III, KB/WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 juli 2005 tot 31 maart 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (art. 1, KB 28.6.2005 - BS 4.7.2005).

(…)

HOOFDSTUK II. Bezoldigingen van werknemers en ermede gelijkgestelde inkomsten

(…)

Afdeling 1. – Maandelijkse brutobezoldigingen tot 7.500,00 EUR

11. De verkrijger van de inkomsten is een alleenstaande OF de echtgenoot van de verkrijger van de inkomsten heeft eveneens beroepsinkomsten (schaal I)

A. Wanneer de maandelijkse brutobezoldigingen niet hoger zijn dan 7.500,00 EUR wordt de bedrijfsvoorheffing vastgesteld volgens schaal I.

Van de bedrijfsvoorheffing vastgesteld volgens die schaal mogen evenwel nog de volgende verminderingen worden afgetrokken :

(…)

d) Vermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag.

Deze vermindering is van toepassing op werknemers :

- die onderworpen zijn aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;

- en die overwerk hebben gepresteerd dat, overeenkomstig artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een overwerktoeslag.

Deze vermindering is slechts van toepassing op de berekeningsgrondslag voor de overwerktoeslag betreffende de eerste 65 uren die de werknemer als overwerk heeft gepresteerd.

De vermindering wordt toegepast na de onder sub a, b en c vermelde verminderingen en bedraagt 24,75 pct. Van het "sociale brutobedrag" van de bezoldigingen (dit is vóór aftrek van de verplichte inhoudingen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een ermede gelijkgesteld wettelijk of reglementair statuut), dat als berekeningsgrondslag voor de berekening van de overwerktoeslag heeft gediend.

(…)

12. De echtgenoot van de verkrijger van de inkomsten heeft geen beroepsinkomsten (schaal II)

Wanneer de maandelijkse brutobezoldigingen niet hoger zijn dan 7.500,00 EUR wordt de bedrijfsvoorheffing vastgesteld volgens schaal II.

Van de bedrijfsvoorheffing volgens die schaal mogen evenwel nog de volgende verminderingen worden afgetrokken :

(…)

d) Vermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag.

Deze vermindering is van toepassing op werknemers :

- die onderworpen zijn aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;

- en die overwerk hebben gepresteerd dat, overeenkomstig artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een overwerktoeslag.

Deze vermindering is slechts van toepassing op de berekeningsgrondslag voor de overwerktoeslag betreffende de eerste 65 uren die de werknemer als overwerk heeft gepresteerd.

De vermindering wordt toegepast na de onder sub a, b en c vermelde verminderingen en bedraagt 24,75 pct. Van het "sociale brutobedrag" van de bezoldigingen (dit is vóór aftrek van de verplichte inhoudingen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een ermede gelijkgesteld wettelijk of reglementair statuut), dat als berekeningsgrondslag voor de berekening van de overwerktoeslag heeft gediend.

Afdeling 2. – Maandelijkse brutobezoldigingen boven 7.500,00 EUR

13. De verkrijger van de inkomsten is een alleenstaande OF de echtgenoot van de verkrijger van de inkomsten heeft eveneens beroepsinkomsten

A. Wanneer de maandelijkse brutobezoldigingen hoger zijn dan 7.500,00 EUR wordt de bedrijfsvoorheffing als volgt vastgesteld :

(…)

c) van de bedrijfsvoorheffing berekend overeenkomstig b mogen evenwel nog de verminderingen worden afgetrokken die zijn vermeld in nr. 11, A, a tot d.

(…)

14. De echtgenoot van de verkrijger van de inkomsten heeft geen beroepsinkomsten

Wanneer de maandelijkse brutobezoldigingen hoger zijn dan 7.500,00 EUR wordt de bedrijfsvoorheffing als volgt vastgesteld :

(…)

c) van de bedrijfsvoorheffing berekend overeenkomstig punt b mogen evenwel nog de verminderingen worden afgetrokken die zijn vermeld in nr. 12, a tot d.

(…)

HOOFDSTUK V. Bezoldigingen en brugpensioenen betaald of toegekend aan andere niet-inwoners dan diegenen vermeld in de nrs. 10, B en C en 42, B en C

Afdeling 1. - Bezoldigingen van werknemers en ermede gelijkgestelde inkomsten

(…)

Onderafdeling 1. – Maandelijkse brutobezoldigingen tot 7.500,00 EUR

51. Wanneer de maandelijkse brutobezoldigingen niet hoger zijn dan 7.500,00 EUR wordt de bedrijfsvoorheffing vastgesteld volgens schaal III.

51bis. Van de bedrijfsvoorheffing berekend volgens die schaal mag evenwel nog de vermindering voorbezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag, worden afgetrokken.

Deze vermindering is van toepassing op werknemers :

- die onderworpen zijn aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5december 1968 aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;

- en die overwerk hebben gepresteerd dat, overeenkomstig artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een overwerktoeslag.

Deze vermindering is slechts van toepassing op de berekeningsgrondslag voor de overwerktoeslag betreffende de eerste 65 uren die de werknemer als overwerk heeft gepresteerd.

De vermindering bedraagt 24,75 pct. van het "sociale brutobedrag" van de bezoldigingen (dit is vóór aftrek van de verplichte inhoudingen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een ermede gelijkgesteld wettelijk of reglementair statuut), dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag.

--------------------

Van toepassing op de inkomsten die betaald of toegekend zijn vanaf 1 januari 2006 (art. 1, KB 15.12.2005 - BS 28.12.2005) :

51bis. Van de bedrijfsvoorheffing vastgesteld volgens die schaal mogen evenwel nog de volgendeverminderingen worden afgetrokken :

(…)

b) Vermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag

Deze vermindering is van toepassing op werknemers :

- die onderworpen zijn aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;

- en die overwerk hebben gepresteerd dat, overeenkomstig artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een overwerktoeslag.

Deze vermindering is slechts van toepassing op de berekeningsgrondslag voor de overwerktoeslag betreffende de eerste 65 uren die de werknemer als overwerk heeft gepresteerd.

De vermindering wordt toegepast na de onder sub a vermelde vermindering en bedraagt 24,75 pct. van het "sociale brutobedrag" van de bezoldigingen (dit is vóór aftrek van de verplichte inhoudingen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een ermede gelijkgesteld wettelijk of reglementair statuut), dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag.

--------------------

Onderafdeling 2. – Maandelijkse brutobezoldigingen boven 7.500,00 EUR

52. A. Wanneer de maandelijksebrutobezoldigingen hoger zijn dan 7.500,00 EUR wordt de bedrijfsvoorheffing als volgt vastgesteld :

a) de maandelijkse brutobezoldiging afronden op het lagere veelvoud van vijftien euro;

b) de bedrijfsvoorheffing op dat afgeronde bedrag is gelijk aan 3.556,50 EUR verhoogd met 53,50 pct. van het gedeelte van de maandelijkse brutobezoldiging boven 7.500,00EUR.

B. Van de bedrijfsvoorheffing berekend overeenkomstig punt A mag evenwel nog de vermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag worden afgetrokken; die vermindering is vermeld in nr. 51bis.

--------------------

Van toepassing op de inkomsten die betaald of toegekend zijn vanaf

1 januari 2006 (art. 1, KB 15.12.2005 - BS 28.12.2005):

52. A. Wanneer de maandelijkse brutobezoldigingen hoger zijn dan 7.500,00 EUR wordt de bedrijfsvoorheffing als volgt vastgesteld :

a) de maandelijkse brutobezoldiging afronden op het lagere veelvoud van vijftien euro;

b) de bedrijfsvoorheffing op dat afgeronde bedrag is gelijk aan 3.543,26 EUR verhoogd met 53,50 pct. van het gedeelte van de maandelijkse brutobezoldiging boven 7.500,00 EUR.

B. Van de bedrijfsvoorheffing berekend overeenkomstig punt A mogen evenwel nog de vermindering voor groepsverzekering en voor extra-wettelijke verzekering tegen ouderdom of vroegtijdige dood en de vermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag worden afgetrokken; die verminderingen zijn vermeld in nr. 51bis.

--------------------

Van toepassing op de inkomsten die betaald of toegekend zijn vanaf

1 januari 2007 (art. 1, KB 18.12.2006 - BS 22.12.2006):

52. A. Wanneer de maandelijkse brutobezoldigingen hoger zijn dan 7.500,00 EUR wordt de bedrijfsvoorheffing als volgt vastgesteld :

a) de maandelijkse brutobezoldiging afronden op het lagere veelvoud van vijftien euro;

b) de bedrijfsvoorheffing op dat afgeronde bedrag is gelijk aan 3.535,41 EUR verhoogd met 53,50 pct. van het gedeelte van de maandelijkse brutobezoldiging boven 7.500,00 EUR.

B. Van de bedrijfsvoorheffing berekend overeenkomstig punt A mogen evenwel nog de vermindering voor groepsverzekering en voor extrawettelijke verzekering tegen ouderdom of vroegtijdige dood en de vermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag worden afgetrokken; die verminderingen zijn vermeld in nr. 51bis.

(…)

Bijlage 19

Gecoördineerde tekst van de Bijlage III, KB/WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (art. 1, 1° en 4°, KB 3.6.2007 - BS 19.6.2007).

(…)

HOOFDSTUK II. - Bezoldigingen van werknemers en ermede gelijkgestelde inkomsten

(…)

Afdeling 1. – Maandelijkse brutobezoldigingen tot 7.500,00 EUR

11. De verkrijger van de inkomsten is een alleenstaande OF de echtgenoot van de verkrijger van de inkomsten heeft eveneens beroepsinkomsten (schaal I).

A. Wanneer de maandelijkse brutobezoldigingen niet hoger zijn dan 7.500,00 EUR wordt de bedrijfsvoorheffing vastgesteld volgens schaal I.

Van de bedrijfsvoorheffing vastgesteld volgens die schaal mogen evenwel nog de volgende verminderingen worden afgetrokken :

(…)

d) Vermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag.

Deze vermindering is van toepassing op werknemers :

- die onderworpen zijn aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;

- en die overwerk hebben gepresteerd dat, overeenkomstig artikel29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een overwerktoeslag.

Deze vermindering is slechts van toepassing op de berekeningsgrondslag voor de overwerktoeslag betreffende de eerste 65 uren die de werknemer als overwerk heeft gepresteerd.

De vermindering wordt toegepast na de onder sub a, b en c vermelde verminderingen en bedraagt :

- voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 pct. van toepassing is : 57,75 pct.;

- voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 20 pct. van toepassing is : 66,81 pct.,

- van het "sociale brutobedrag" van de bezoldigingen (dit is vóór aftrek van de verplichte inhoudingen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een ermede gelijkgesteld wettelijk of reglementair statuut), dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag.

(…)

12. De echtgenoot van de verkrijger van deinkomsten heeft geen beroepsinkomsten (schaal II).

Wanneer de maandelijkse brutobezoldigingen niet hoger zijn dan 7.500,00 EUR wordt de bedrijfsvoorheffing vastgesteld volgens schaal II.

Van de bedrijfsvoorheffing volgens die schaal mogen evenwel nog de volgende verminderingen worden afgetrokken :

(…)

d) Vermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag.

Deze vermindering is van toepassing op werknemers :

- die onderworpen zijn aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5december 1968 aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;

- en die overwerk hebben gepresteerd dat, overeenkomstig artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een overwerktoeslag.

Deze vermindering is slechts van toepassing op de berekeningsgrondslag voor de overwerktoeslag betreffende de eerste 65 uren die de werknemer als overwerk heeft gepresteerd.

De vermindering wordt toegepast na de onder sub a, b en c vermelde verminderingen en bedraagt :

- voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 pct. van toepassing is : 57,75 pct.;

- voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 20 pct. van toepassing is : 66,81 pct.,

- van het "sociale brutobedrag" van de bezoldigingen (dit is vóór aftrek van de verplichte inhoudingen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een ermede gelijkgesteld wettelijk of reglementair statuut), dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag.

Afdeling 2. – Maandelijkse brutobezoldigingen boven 7.500,00 EUR

13. De verkrijger van de inkomsten is een alleenstaande OF de echtgenoot van de verkrijger van de inkomsten heeft eveneens beroepsinkomsten.

A. Wanneer de maandelijkse brutobezoldigingen hoger zijn dan 7.500,00 EUR wordt de bedrijfsvoorheffing als volgt vastgesteld :

(…)

c) van de bedrijfsvoorheffing berekend overeenkomstig b mogen evenwel nog de verminderingen worden afgetrokken die zijn vermeld in nr. 11, A, a tot d.

(…)

14. De echtgenoot van de verkrijger van de inkomsten heeft geen beroepsinkomsten.

Wanneer de maandelijkse brutobezoldigingen hoger zijn dan 7.500,00 EUR wordt de bedrijfsvoorheffing als volgt vastgesteld :

(…)

c) van de bedrijfsvoorheffing berekend overeenkomstig punt b mogen evenwel nog de verminderingen worden afgetrokken die zijn vermeld in nr. 12, a tot d.

(…)

HOOFDSTUK V. - Bezoldigingen en brugpensioenen betaald of toegekend aan andere niet-inwoners dan diegenen vermeld in de nrs. 10, B en C en 42, B en C

Afdeling 1. - Bezoldigingen van werknemers en ermede gelijkgestelde inkomsten

(…)

Onderafdeling 1. – Maandelijkse brutobezoldigingen tot 7.500,00 EUR

(…)

51bis. Van de bedrijfsvoorheffing vastgesteld volgens die schaal mogen evenwel nog de volgende verminderingen worden afgetrokken :

(…)

b) Vermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag.

Deze vermindering is van toepassing op werknemers :

- die onderworpen zijn aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 aangaande de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;

- en die overwerk hebben gepresteerd dat, overeenkomstig artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een overwerktoeslag.

Deze vermindering is slechts van toepassing op de berekeningsgrondslag voor de overwerktoeslag betreffende de eerste 65 uren die de werknemer als overwerk heeft gepresteerd.

De vermindering wordt toegepast na de ondersub a vermelde vermindering en bedraagt :

- voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 pct. van toepassing is : 57,75 pct.;

- voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 20 pct. van toepassing is : 66,81 pct.,

- van het "sociale brutobedrag" van de bezoldigingen (dit is vóór aftrek van de verplichte inhoudingen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een ermede gelijkgesteld wettelijk of reglementair statuut), dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag.

Onderafdeling 2. – Maandelijkse brutobezoldigingen boven 7.500,00 EUR

52. A. Wanneer de maandelijkse brutobezoldigingen hoger zijn dan 7.500,00 EUR wordt de bedrijfsvoorheffing als volgt vastgesteld :

a) de maandelijkse brutobezoldiging afronden op het lagere veelvoud van vijftien euro;

b) de bedrijfsvoorheffing op dat afgeronde bedrag is gelijk aan 3.535,41 EUR verhoogd met 53,50 pct. van het gedeelte van de maandelijkse brutobezoldiging boven7.500,00 EUR.

B. Van de bedrijfsvoorheffing berekend overeenkomstig punt A mogen evenwel nog de vermindering voor groepsverzekering en voor extrawettelijke verzekering tegen ouderdom of vroegtijdige dood en de vermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag worden afgetrokken; die verminderingen zijn vermeld in nr. 51bis.

--------------------

Van toepassing op de inkomsten die betaald of toegekend zijn vanaf 1 januari 2008 (art. 1, KB 7.12.2007 - BS 17.12.2007) :

52. A. Wanneer de maandelijkse brutobezoldigingen hoger zijn dan 7.500,00 EUR wordt de bedrijfsvoorheffing als volgt vastgesteld :

a) de maandelijkse brutobezoldiging afronden op het lagere veelvoud van 15 EUR;

b) de bedrijfsvoorheffing op dat afgeronde bedrag is gelijk aan 3.527,34 EUR verhoogd met 53,50 pct. van het gedeelte van de maandelijkse brutobezoldiging boven 7.500,00 EUR.

B. Van de bedrijfsvoorheffing berekend overeenkomstig punt A mogen evenwel nog de vermindering voor groepsverzekering en voor extrawettelijke verzekering tegen ouderdom of vroegtijdige dood en de vermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag worden afgetrokken; die verminderingen zijn vermeld in nr. 51bis.

(…)

Bijlage 20

Gecoördineerde tekst van art. 275^1, WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 juli 2005 tot 31 maart 200 7betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (art. 25, W 3.7.2005 - BS19.7.2005).

De in het tweede lid omschreven werkgevers die bezoldigingen betalen of toekennen die betrekking hebben op door de werknemer gepresteerd overwerk, en die krachtens artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen, worden ervan vrijgesteld een deel van die bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden.

De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op :

- werkgevers onderworpen aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités wat de werknemers betreft die zijn onderworpen aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die vallen onder categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december2002;

- de ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stellen van in het eerste streepje bedoelde ondernemingen voor zover de uitzendkrachten worden tewerkgesteld in de functie van een werknemer van categorie 1 en voor zover zij overwerk presteren.

De niet te storten bedrijfsvoorheffing bedraagt 24,75 pct. van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag.

De vrijstelling geldt per jaar en per werknemer slechts voor de eerste 65 uren die hij als overwerk presteert.

Om de in het eerste lid bedoelde vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing te verkrijgen, moet de werkgever, ter gelegenheid van zijn aangifte in de bedrijfsvoorheffing, het bewijs leveren dat de werknemers in hoofde van wie de vrijstelling wordt gevraagd overwerk hebben gepresteerd tijdens de periode waarop die aangifte betrekking heeft. De Koning bepaalt de nadere modaliteiten voor het leveren van dit bewijs.

Bijlage 21

Gecoördineerde tekst van art. 275^1, WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (art. 29, W 27.12.2006 - BS 28.12.2006 - errata BS 24.1.2007 en art. 26, W 17.5.2007 - BS 19.6.2007).

De in het tweede lid omschreven werkgevers die bezoldigingen betalen of toekennen die betrekking hebben op door de werknemer gepresteerd overwerk, en die krachtens artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen, worden ervan vrijgesteld een deel van die bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden.

De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op :

- werkgevers onderworpen aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités wat de werknemers betreft die zijn onderworpen aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die vallen onder categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002;

- de ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stellen van in het eerste streepje bedoelde ondernemingen voor zover de uitzendkrachten worden tewerkgesteld in de functie van een werknemer van categorie 1 en voor zover zij overwerk presteren.

De niet te storten bedrijfsvoorheffing bedraagt 24,75 pct. van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag.

De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het in het derde lid bedoelde percentage verhogen tot maximaal :

- 32,19 pct. voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 20 pct. van toepassing is;

- 41,25 pct. voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 pct. van toepassing is.

Hij zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van het vorige lid genomenbesluiten.

De vrijstelling geldt per jaar en per werknemer slechts voor de eerste 65 uren die hij als overwerk presteert.

Om de in het eerste lid bedoelde vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing te verkrijgen, moet de werkgever, ter gelegenheid van zijn aangifte in de bedrijfsvoorheffing, het bewijs leveren dat de werknemers in hoofde van wie de vrijstelling wordt gevraagd overwerk hebben gepresteerd tijdens de periode waarop die aangifte betrekking heeft. De Koning bepaalt de nadere modaliteiten voor het leveren van dit bewijs.

Bijlage 22

Gecoördineerde tekst van art. 95^1, KB/WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (art. 2, KB 3.6.2007 - BS 19.6.2007).

In uitvoering van artikel 275^1, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt het in het derde lid van datzelfde artikel vermelde percentage van 24,75 pct. verhoogd tot :

- 32,19 pct. voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 20 pct. van toepassing is;

- 41,25 pct. voor een gepresteerd uur waarop een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 pct. van toepassing is.

(…)

Bijlage 23

Gecoördineerde tekst van art. 90, KB/WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 juli 2005 tot 31 december 2005 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (art. 1, KB 4.8.2005 - BS 12.8.2005; opgeheven bij art.1 en 6, KB 22.8.2006 - BS 22.8.2006).

§ 1. De schuldenaars van bedrijfsvoorheffing, die in artikel 87, 1° tot 7°, vermelde belastbare inkomsten hebben betaald of toegekend, moeten binnen de in artikel 412 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen1992 gestelde termijn een aangifte in de bedrijfsvoorheffing overleggen bij de bevoegde ontvanger van de directe belastingen ende verschuldigde bedrijfsvoorheffing bij dezelfde ambtenaar betalen volgens de regels van hoofdstuk III, afdeling III.

(…)

(Achtste lid) De schuldenaars van bedrijfsvoorheffing die zijn bedoeld in artikel 275^1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, moeten, voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor zij een bedrag aan bedrijfsvoorheffing dat gelijk is aan 24,75 pct. van het brutobedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag niet in de schatkist moeten storten, twee afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen volgens het hierna volgend onderscheid :

- de eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft betrekking op de aan al de werknemers betaalde of toegekende bezoldigingen en moet de volgende specifieke vermeldingen bevatten :

  • in het vak "belastbare inkomsten": de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen;
  • in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing": de ingehouden bedrijfsvoorheffing;

- de tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft uitsluitend betrekking op de in het voornoemde artikel 275^1, bedoelde bezoldigingen van werknemers evenals op het bedrag van de bedrijfsvoorheffing dat overeenkomstig hetzelfde artikel niet moet worden gestort en moet de volgende specifieke vermeldingen bevatten:

  • in het vak "aard der inkomsten": de code die door de FOD Financiën zal worden vastgesteld;
  • in het vak "belastbare inkomsten": de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen als bedoeld in het eerste lid van hetzelfde artikel;
  • in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing": een negatief bedrag gelijk aan 24,75 pct. van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag.

(…)

Bijlage 24

Gecoördineerde tekst van art. 95^2, KB/WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 januari 2006 tot 31 maart 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (art. 2, KB 22.8.2006 - BS 28.8.2006 en art. 18, KB 11.12.2006 - BS 18.12.2006).

§ 1. De in het tweede lid vermelde schuldenaars van bedrijfsvoorheffing moeten voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor zij een deel of het geheel van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet in de Schatkist moeten storten, twee afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen volgens het in §§ 2 en 3 vermelde onderscheid.

De in het eerste lid bedoelde schuldenaars zijn :

1° de werkgevers beoogd in artikel 2751 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 die bezoldigingen betalen of toekennen die betrekking hebben op door de werknemer gepresteerd overwerk, en die :

  • ofwel onderworpen zijn aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités wat de werknemers betreft die zijn onderworpen aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die vallen onder categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december2002;
  • ofwel erkend zijn voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stellen van in het eerste streepje bedoelde ondernemingen voor zover de uitzendkrachten worden tewerkgesteld inde functie van een werknemer van categorie 1 en voor zover zij overwerk presteren;

(…)

§ 2. De eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft betrekking op de aan al de werknemers betaalde of toegekende bezoldigingen en moet de volgende specifieke vermeldingen bevatten :

a) in het vak "belastbare inkomsten" : de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen;

b) in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing" : de ingehouden bedrijfsvoorheffing.

§ 3. De tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft uitsluitend betrekking op de bezoldigingen van werknemers waarvoor een deel of het geheel van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet in de Schatkist moet worden gestort en moet, afhankelijk van de schuldenaars, de volgende specifieke vermeldingen bevatten :

a) in het vak "aard der inkomsten" : de code die is opgenomen in bijlage IIIbis;

b) in het vak "belastbare inkomsten" :

1° voor de in § 1, tweede lid, 1°, bedoelde schuldenaars : de berekeningsgrondslag die heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag van de werkelijk gepresteerde overuren in die periode;

(…)

c) in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing" :

1° voor de in § 1, tweede lid, 1°, bedoelde schuldenaars : een negatief bedrag gelijk aan 24,75 pct. van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag;

(…)

§ 4. Ter staving van hun aangiften in de bedrijfsvoorheffing moeten de in § 1 vermelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing de modaliteiten naleven die zijn opgenomen in bijlage IIIter.

(…)

Bijlage 25

Gecoördineerde tekst van de Bijlage IIIbis, KB/WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 januari 2006 tot 31 maart 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (art. 3, KB 22.8.2006 -BS 28.8.2006).

Lijst van de Codes met betrekking tot de aard van de inkomsten in toepassing van artikel 95^2, § 3, a), KB/WIB 92

(…)

08 overuren (Art. 275/1, WIB 92)

(…)

Bijlage 26

Gecoördineerde tekst van de Bijlage IIIter, KB/WIB 92zoals van toepassing op de vanaf 1 januari 2006 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (art. 4, KB 22.8.2006 - BS 28.8.2006).

Modaliteiten na te leven door de in artikel 95^2, § 1, KB/WIB 92 bedoelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing

I. De in artikel 95^2, § 1, tweede lid, 1°, bedoelde schuldenaars :

Deze schuldenaars moeten een nominatieve lijst ter beschikking van de administratie houden met daarin, voor elke werknemer, de volledige identiteit, het aantal uren overwerk, de berekeningsgrondslag van de overwerktoeslag en de periode van het jaar gedurende dewelke die werknemer overwerk heeft gepresteerd.

(…)

Bijlage 27

Gecoördineerde tekst van artikel 95^2, KB/WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (art. 3, KB 8.6.2007 - BS 19.6.2007).

§ 1. De in het tweede lid vermelde schuldenaars van bedrijfsvoorheffing moeten voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor zij een deel of het geheel van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet in de Schatkist moeten storten, twee afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen volgens het in §§ 2 en 3 vermelde onderscheid.

De in het eerste lid bedoelde schuldenaars zijn :

1° de werkgevers beoogd in artikel 275^1van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 die bezoldigingen betalen of toekennen die betrekking hebben op door de werknemer gepresteerd overwerk, en die :

- ofwel onderworpen zijn aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités wat de werknemers betreft die zijn onderworpen aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die vallen onder categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december2002;

- ofwel erkend zijn voor uitzendarbeid die uitzendkrachten terbeschikking stellen van in het eerste streepje bedoelde ondernemingen voor zover de uitzendkrachten worden tewerkgesteld in de functie van een werknemer van categorie 1 en voor zover zij overwerk presteren;

(…)

§ 2. De eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft betrekking op de aan al de werknemers betaalde of toegekende bezoldigingen en moet de volgende specifieke vermeldingen bevatten :

a) in het vak "belastbare inkomsten" : de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen;

b) in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing" : de ingehouden bedrijfsvoorheffing.

§ 3. De tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft uitsluitend betrekking op de bezoldigingen van werknemers waarvoor een deel of het geheel van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet in de Schatkist moet worden gestort en moet, afhankelijk van de schuldenaars, de volgende specifieke vermeldingen bevatten :

a) in het vak "aard der inkomsten" : de code die is opgenomen in bijlage IIIbis;

b) in het vak "belastbare inkomsten" :

1° voor de in § 1, tweede lid, 1°, bedoelde schuldenaars : de berekeningsgrondslag die heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag van de werkelijk gepresteerde overuren in die periode;

(…)

c) in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing" :

1° voor de in § 1, tweede lid, 1°, bedoelde schuldenaars : een negatief bedrag gelijk aan :

- 32,19 pct. van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag wanneer een wettelijke overwerktoeslag van 20 pct.is toegepast;

- 41,25 pct. van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag wanneer een wettelijke overwerktoeslag van 50 of100 pct. is toegepast;

(…)

§ 4. Ter staving van hun aangiften in de bedrijfsvoorheffing moeten de in § 1 vermelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing de modaliteiten naleven die zijn opgenomen in bijlage IIIter.

(…)

Bijlage 28

Gecoördineerde tekst van de Bijlage IIIbis, KB/WIB 92, zoals van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (art. 4, KB 8.6.2007 - BS 19.6.2007).

Lijst van de codes met betrekking tot de aard van de inkomsten in toepassing van artikel 95^2, § 3, a, KB/WIB92

(…)

08 overuren (Art. 275^1, WIB 92, van toepassing tot en met 31 maart 2007)

(…)

44 overuren (Art. 275^1, vierde lid, 2de streepje, WIB 92, van toepassing vanaf 1 april 2007)

45 overuren (Art. 275^1, vierde lid, 2de streepje, WIB 92, van toepassing vanaf 1 april 2007)

(…)