Circulaire nr. Ci.RH.222/457.501 van 23.03.1995
CIRC 23.03.95/1
Bull. nr. 749, pag. 1207
BEZWAARSCHRIFT
Onroerende voorheffing.
KADASTRAAL INKOMEN
Vrijstelling van het kadastraal inkomen.
ONROERENDE VOORHEFFING
Kwijtschelding van de onroerende voorheffing.
Vermindering van de onroerende voorheffing.
Vermindering voor bejaardenvoorziening.
Vrijstelling van de onroerende voorheffing.
Onroerende voorheffing.
KADASTRAAL INKOMEN
Vrijstelling van het kadastraal inkomen.
ONROERENDE VOORHEFFING
Kwijtschelding van de onroerende voorheffing.
Vermindering van de onroerende voorheffing.
Vermindering voor bejaardenvoorziening.
Vrijstelling van de onroerende voorheffing.
I. INLEIDING
1. Het decreet van 22.12.1993 van de Vlaamse Raad houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994 (BS 29.12.1993 - V 2279) heeft enerzijds art. 50, D VI.R 25.6.1992 (BS 11.7.1992 - V 2182) opgeheven en anderzijds nieuwe wijzigingen aangebracht aan het WIB 92.
II. WETTELIJKE BEPALINGEN
2. Art. 60 van het voormeld D VI.R 22.12.1993 voert, naast de opheffing van voornoemd art. 50, D VI.R 25.6.1992, een beperking in van de draagwijdte van art. 257, 4°, WIB 92 voor de onroerende goederen gelegen in het Vlaamse Gewest. Dit art. 60 luidt als volgt :
"Artikel 50 van het decreet van 25 juni 1992 houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992 wordt opgeheven.
Wat het Vlaamse Gewest betreft, wordt, in afwijking van artikel 257, 4° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, voor zover het belastbare kadastraal inkomen ingevolge artikel 15, § 1, 1° kan worden verminderd, geen kwijtschelding of proportionele vermindering verleend wanneer het onroerend goed, langer dan 12 maanden, rekening houdend met het vorige aanslagjaar, niet in gebruik is genomen".
3. Art. 90 van hetzelfde decreet last in art. 253, WIB 92, voor wat de in het Vlaamse Gewest gelegen onroerende goederen betreft, een nieuw punt 1°bis en een tweede lid in. Voor het Vlaamse Gewest moet art. 253, WIB als volgt worden gelezen (De decretale bepalingen zullen nochtans niet als zodanig in het WIB 92 worden opgenomen) :
"Van de onroerende voorheffing wordt het kadastraal inkomen vrijgesteld :
| 1° | van de in artikel 12, § 1, vermelde onroerende goederen of delen van onroerende goederen; |
| 1°bis | van de onroerende goederen of delen van onroerende goederen welke gelegen zijn in het Vlaamse Gewest en welke door een openbaar bestuur of een belastingplichtige die geen winstoogmerk nastreeft worden aangewend als bejaardenvoorziening uitgebaat door een rechtspersoon, zoals bedoeld in artikel 5 van het decreet van 5 maart 1985 houdende regeling van de erkenning en subsidiëring voor bejaarden; |
| 2° | van de in artikel 231, 1° vermelde onroerende goederen; |
| 3° | van onroerende goederen die de aard van nationale domeingoederen hebben, op zichzelf niets opbrengen en voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt; de vrijstelling is van de drie voorwaarden samen afhankelijk. |
De onder 1°, 1°bis, 2° en 3° bedoelde vrijstelling wordt evenzeer verleend wanneer het betreffend onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een financiering door middel van financiële leasing of huurkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht voor de duur van de overeenkomst.
III. INWERKINGTREDING
4. Art. 60, D VI.R 22.12.1993 heeft uitwerking vanaf 1.1.1993 (art. 61 van het decreet - V 2279 Addendum - BS 25.2.1994).
5. Art. 90, D VI.R 22.12.1993 treedt in werking op 1.1.1994 (art. 109 van het decreet).
IV. DRAAGWIJDTE VAN DE NIEUWE BEPALINGEN
A. Betreffende art. 257, 4°, WIB 92
1. Opheffing van art. 50, D VI.R 25.6.1992
6. De opheffing van dit artikel met uitwerking op 1.1.1993 heeft tot gevolg dat de bepaling die er in vervat was enkel geldt voor het aj. 1992.
2. Nieuwe beperking ingesteld door art. 257, 4°, WIB 92 voor de in het Vlaamse Gewest gelegen onroerende goederen
7. De nieuwe aan art. 257, 4°, WIB 92 toegevoegde bepaling houdt in dat naast de drie reeds bestaande voorwaarden tot het bekomen van de kwijtschelding of proportionele vermindering van OV wegens onproduktiviteit van een in het Vlaamse Gewest gelegen onroerend goed, een vierde voorwaarde wordt opgelegd : het onroerend goed mag niet langer dan 12 maanden, rekening gehouden met het vorige aanslagjaar, niet in gebruik zijn genomen.
De 12 maanden van niet-ingebruikneming moeten niet op elkaar volgen.
Al de tijdperken van niet-ingebruikneming begrepen tussen 1 januari en 31 december van het aanslagjaar waarvoor de kwijtschelding of proportionele vermindering wegens onproduktiviteit wordt gevraagd en de tijdperken van niet-ingebruikneming van het eraan voorafgaand aanslagjaar zijn in aanmerking te nemen en samen te voegen om te bepalen of het voorgeschreven aantal maanden al dan niet is overschreden.
De berekening van de periode van niet-ingebruikneming (minimum 90 dagen; maximum : 12 maanden) gebeurt volgens de regels die bepaald zijn in nr. 257/118, 2e lid, Com.IB 92, met dien verstande dat de periode van 12 maanden gelijk is aan 365 dagen (of aan 366 dagen wanneer de laatste dag van de maand februari van een schrikkeljaar in voornoemde periode valt) indien het begin of het einde van het (of één van de) in aanmerking te nemen tijdperk(en) niet samenvalt met het begin of het einde van een burgelijke maand (zie voorbeeld 2).
Tenslotte moet worden gepreciseerd dat, luidens het decreet, de kwijtschelding of proportionele vermindering volledig moet worden geweigerd wanneer de periode van 12 maanden wordt overschreden (zie voorbeeld 3).
Voorbeeld 1
8. Een niet gemeubileerd onroerend goed was van 1 februari 1993 tot 30 juni 1993 ongebruikt en werd tijdens deze periode vruchteloos te huur gesteld. Bovendien was het onroerend goed tijdens het jaar 1992 van 1 januari tot 31 mei en van 1 september tot 30 november niet in gebruik genomen.
Tijdperken van niet-ingebruikneming die in aanmerking komen :
van 1 januari 1992 tot 31 mei 1992 : 5 maanden van 1 september 1992 tot 30 november 1992 : 3 maanden van 1 februari 1993 tot 30 juni 1993 : 5 maanden ----------- 13 maanden Alhoewel tijdens het aj. 1993 het wettelijk vereiste minimum aantal dagen (90) is bereikt, kan geen ontheffing van OV wegens onproduktiviteit voor dit aanslagjaar worden verleend. Het onroerend goed is immers, rekening houdend met het vorig aanslagjaar, langer dan 12 maanden niet in gebruik genomen.
Voorbeeld 2
9. Een niet gemeubileerd onroerend goed was in 1993 van 15 februari tot 17 september ongebruikt en werd tijdens deze periode vruchteloos te huur gesteld. Bovendien was het onroerend goed tijdens het jaar 1992 van 1 februari tot 30 juni niet in gebruik genomen.
Tijdperken van niet-ingebruikneming die in aanmerking komen :
van 1 februari 1992 tot 30 juni 1992 : 29 + 31 + 30 + 31 + 30 = 151 dagen van 15 februari 1993 tot 17 september 1993 : 14 + 31 + 30 + 31 + 30 + 31 + 31 + 17 = 215 dagen ---------- 366 dagen Tijdens het aj. 1993 werd het wettelijk vereiste minimum aantal dagen van niet-ingebruikneming en onproduktiviteit bereikt. Aangezien het onroerend goed, rekening houdend met het vorig aanslagjaar, niet langer dan 12 maanden (hier gelijk te stellen met 366 dagen) niet in gebruik is genomen, kan een proportionele vermindering van 215/360sten van de OV wegens onproduktiviteit worden verleend voor de periode van 15 februari 1993 tot 17 september 1993.
Voorbeeld 3
10. Een niet gemeubileerd onroerend goed was in 1993 van 15 februari tot 30 september ongebruikt en werd tijdens deze periode vruchteloos te huur gesteld.
Bovendien was het onroerend goed tijdens het jaar 1992 van 1 februari tot 30 september ongebruikt en werd tijdens deze periode vruchteloos te huur gesteld.
Tijdperken van niet-ingebruikneming die in aanmerking komen :
van 1 februari 1992 tot 30 juni 1992 : 29 + 31 + 30 + 31 + 30 = 151 dagen van 15 februari 1993 tot 30 september 1993 : 14 + 31 + 30 + 31 + 30 + 31 + 31 + 30 = 228 dagen ---------- 379 dagen Tijdens het aj. 1993 werd het wettelijk vereiste minimum aantal dagen bereikt. Aangezien het maximum aantal van 12 maanden (hier 366 dagen) overschreden werd, rekening gehouden met het vorige aanslagjaar, kan de proportionele vermindering niet worden verleend voor het aj. 1993.
Deze afwijzing betreffende het aj. 1993 belet niet dat bedoelde vermindering eventueel wordt toegekend voor het aj. 1994.
B. Betreffende art. 253, WIB 92
1. Toevoeging van een nieuw punt 1°bis
11. Het in art. 253 na het punt 1° nieuw ingevoerde punt 1°bis is een woordelijke herneming van het punt 1°bis dat door art. 103 van het reeds genoemd D VI.R 25.6.1992 na het punt 1° van art. 157, WIB werd toegevoegd (Het punt 1°ter dat eveneens door hetzelfde art. 103 aan het punt 1° van art. 157, WIB (thans art. 253, WIB 92) werd toegevoegd, wordt door het huidig decreet niet afgeschaft. Daar het aan art. 253, WIB 92 toegevoegde tweede lid echter hetzelfde onderwerp betreft, doch ruimer is dan het voormelde punt 1°ter, is dit laatste punt vanaf 1.1.1993 in onbruik, evenals het nr. 6 van de circ. 15.3.1993, Ci.RH.222/447.542).
De richtlijnen verstrekt in nr. 5 van de circ. 15.3.1993, Ci.RH.222/447.542, blijven uiteraard van toepassing.
2. Toevoeging van een tweede lid
12. De toevoeging van een tweede lid aan art. 253, WIB 92 heeft voor gevolg dat de in het eerste lid beoogde vrijstellingen eveneens verleend worden voor de in het Vlaamse Gewest gelegen onroerende goederen wanneer deze goederen het voorwerp uitmaken van een financiering door middel van financiële leasing of van een huurkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht voor de duur van de overeenkomst.
Het principe is dus dat dergelijke goederen aanleiding geven tot vrijstelling van de OV wanneer die vrijstelling evenzeer zou worden verleend indien die goederen zouden verworven zijn met eigen middelen van de koper of via een gewone hypothecaire lening.
Bijgevolg kan vrijstelling van de OV worden verleend, met ingang van het aj. 1994, voor de in het Vlaamse Gewest gelegen onroerende goederen (of delen van onroerende goederen) voor de duur van het kontrakt van financiële leasing of van huurkoop waarvan bedoelde goederen het voorwerp uitmaken, op voorwaarde :
| 1° | dat in de overeenkomst gesloten tussen de leasinggever en de leasingnemer of tussen de verkoper en de huurkoper bepaald is dat de betrokken onroerende goederen slechts de eigendom worden van de leasingnemer of van de huurkoper, naargelang het geval, op het einde van het kontrakt en |
| 2° | dat de leasingnemer of de huurkoper, naargelang het geval, zich in een van de volgende toestanden bevindt : |
- de onroerende goederen of delen van onroerende goederen zonder winstoogmerken aanwenden tot één van de bestemmingen opgenomen onder art. 12, § 1, WIB 92;
- geen winstoogmerk nastreven en het onroerend goed of delen van het onroerend goed aanwenden als bejaardenvoorziening die uitgebaat is door een rechtspersoon zoals bedoeld in art. 5, D 5.3.1985 houdende regeling van de erkenning en subsidiëring van voorzieningen voor bejaarden;
- een vreemde Staat zijn die het onroerend goed bestemd heeft voor de huisvesting van zijn diplomatieke of consulaire zendingen of van culturele instellingen die zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden en op voorwaarde van wederkerigheid;
- de Staat, een Gemeenschap, een Gewest, een provincie, een gemeente of aan één van deze laatste ondergeschikt bestuur zijn of een maatschappij, vereniging of instelling of organisme van publiek recht, die krachtens een uitdrukkelijke bepaling van hun oprichtingswet, gelijkgesteld zijn met de Staat voor de toepassing van de inkomstenbelastingen of vrijgesteld zijn van elke aanslag op de inkomsten ten voordele van de Staat en op voorwaarde dat de onroerende goederen op zichzelf niets opbrengen en voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut wordt gebruikt.
De vrijstelling van OV wordt, naargelang het geval, aan de leasingnemer of aan de verkoper toegekend.
V. ONDERZOEKSPROCEDURE DOOR DE ADMINISTRATIES DER DIRECTE BELASTINGEN EN HET KADASTER
A. Betreffende art. 257, 4°, WIB 92
13. Het huidig decreet geeft geen aanleiding tot wijziging van de bestaande richtlijnen tot regeling van de taakverdeling tussen de beide administraties (zie nrs. 257/172 tot 175, Com.IB 92).
B. Betreffende art. 253, WIB 92
14. De richtlijnen betreffende de administratieve taakverdeling blijven eveneens van kracht (zie evenwel de voetnoot bij nr. 11).
De administratie der directe belastingen heeft echter als bijkomende taak te onderzoeken of in de overeenkomst gesloten tussen de leasinggever en de leasingnemer (of de verkoper en de huurkoper) bepaald is dat na het verstrijken van de termijn van de financiële leasing (of de huurkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht) het onroerend goed eigendom wordt van de leasingnemer (of de huurkoper). Dit onderzoek moet steeds worden uitgevoerd vóór de eventuele verzending van het dossier aan de administratie van het kadaster.
Opmerking :
15. De administratie dringt er bijzonder op aan dat zo spoedig mogelijk uitspraak wordt gedaan over de bezwaarschriften die het bekomen van de vrijstelling van OV op basis van art. 253, 1°, en 1°bis, WIB 92 beogen (zie nr. 9 van de circ. 15.3.1993, Ci.RH.222/447.542).
Voor de Directeur-generaal :De Auditeur-generaal,
G. MALEMPRE
Bron: FisconetPlus
