Circulaire nr. Ci.RH.331/563.457 (AOIF 17/2005) van 14.04.2005
CIRC 14.04.05/6
PERSONENBELASTING
Berekening van de PB
UITGAVE VOOR VERNIEUWING VAN WONINGEN
Vermindering voor uitgaven voor vernieuwing van woningen in zones voor positief grootstedelijk beleid
VERMINDERING VOOR UITGAVEN VOOR VERNIEUWING VAN WONINGEN IN ZONES VOOR POSITIEF GROOTSTEDELIJK BELEID
Toepassingsvoorwaarden van de vermindering voor uitgaven voor vernieuwing van woningen in zones voor positief grootstedelijk beleid
Berekening van de PB
UITGAVE VOOR VERNIEUWING VAN WONINGEN
Vermindering voor uitgaven voor vernieuwing van woningen in zones voor positief grootstedelijk beleid
VERMINDERING VOOR UITGAVEN VOOR VERNIEUWING VAN WONINGEN IN ZONES VOOR POSITIEF GROOTSTEDELIJK BELEID
Toepassingsvoorwaarden van de vermindering voor uitgaven voor vernieuwing van woningen in zones voor positief grootstedelijk beleid
Belastingvermindering voor uitgaven voor vernieuwing van woningen gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid.
Aan alle ambtenaren.
INHOUDSTAFEL |
1. Om renovatie in welbepaalde wijken van de grootsteden aan te moedigen, teneinde de verpaupering, de verloedering, de onveiligheid, de vastgoedspeculatie en de stadsvlucht tegen te gaan, heeft
art. 110 van de programmawet (I) van 8 april 2003 het WIB 92 aangepast door een specifieke vermindering in te voeren voor uitgaven voor vernieuwing van woningen gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid (BS van 17 april 2003).
Art. 494, § 6, WIB 92 zoals ingevoegd door art. 111 van deze programmawet bepaalt dat de inwerkingtreding van de herschatting van het kadastraal inkomen van de onroerende goederen die volledig gelegen zijn in een zone voor positief grootstedelijk beleid, behalve voor de storting van de onroerende voorheffing, met zes jaar wordt uitgesteld. Deze bepaling wordt niet in deze circulaire besproken.
Bij
koninklijk besluit van 12 mei 2003 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de belastingvermindering voor uitgaven voor vernieuwing van woningen gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid (BS van 20 juni 2003), bepaalt de Koning de aard van de bedoelde dienstverrichtingen en de toepassingsmodaliteiten van de vermindering.
Bij
koninklijk besluit van 4 juni 2003 tot vastlegging van de zones voor positief grootstedelijk beleid in uitvoering van artikel 145^25, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (BS van 20 juni 2003), legt de Koning, op basis van een wetenschappelijke studie, de zones voor positief grootstedelijk beleid vast voor een periode van zes kalenderjaren.
Hoofdstuk IX van de programmawet (I) van 9 juli 2004 wijzigt art. 145^25, WIB 92 (BS van 15 juli 2004 - Ed. 2).
2.
Programmawet van 8 april 2003 (BS van 17 april 2003)
HOOFDSTUK III. - Fiscaal voordeel - Maatregelen in het kader van het grootstedenbeleid.
Art. 110. - A. In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een onderafdeling IIsexies ingevoegd, dat luidt als volgt :
"
Onderafdeling IIsexies. - Vermindering voor uitgaven voor vernieuwing van woningen gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid.
Art. 145^25 . - Er wordt een belastingvermindering verleend voor de uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald voor de vernieuwing van een woning gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid en waarvan de belastingplichtige eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is.
Een zone voor positief grootstedelijk beleid is een gemeente of een afgebakend deel van een gemeente waar het woon- en leefklimaat moet worden verbeterd door specifieke maatregelen. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op basis van een wetenschappelijke studie, de zones voor positief grootstedelijk beleid voor een periode van 6 kalenderjaren.
Een hernieuwing van de periode is mogelijk na een nieuwe wetenschappelijke studie.
De belastingvermindering wordt verleend onder de volgende voorwaarden :
1° op het ogenblik van de uitvoering van de werken is die woning de enige woning van de belastingplichtige;
2° de woning is op het ogenblik van de aanvang van de werken sedert ten minste vijftien jaar in gebruik genomen;
3° de totale kostprijs van de werken, inclusief de belasting over de toegevoegde waarde, bedraagt ten minste 2.500 euro;
4° de dienstverrichtingen met betrekking tot die werken worden verricht door een persoon die op het ogenblik van het sluiten van het aannemingscontract als aannemer is geregistreerd overeenkomstig artikel 401.
De belastingvermindering is niet van toepassing op uitgaven die :
a) in aanmerking komen voor de bepaling van de verantwoorde beroepskosten;
b) recht geven op de in artikel 69 vermelde investeringsaftrek;
c) in aanmerking komen voor de toepassing van artikel 104, 8°, of 145^24.
De belastingvermindering is gelijk aan 15 % van de werkelijk gedane uitgaven.
Het totaal van de belastingvermindering mag per belastbaar tijdperk niet meer dan 500 euro per woning bedragen.
Wanneer een aanslag wordt gevestigd overeenkomstig artikel 126, §§ 1 en 2, wordt de belastingvermindering evenredig omgedeeld in functie van het aandeel van elk der echtgenoten in het kadastraal inkomen van de woning waaraan de werken zijn uitgevoerd.
De Koning bepaalt de aard van de in het tweede lid, 4°, bedoelde dienstverrichtingen en de toepassingsmodaliteiten van de vermindering."
B. In hetzelfde artikel 145^25, zevende lid, worden de woorden "Wanneer een aanslag wordt gevestigd overeenkomstig artikel 126, §§ 1 en 2, " vervangen door de woorden "Bij een gemeenschappelijke aanslag".
(…)
Art. 112. - Artikel 110, A, treedt in werking vanaf aanslagjaar 2004.
(…)
Artikel 110, B, treedt in werking vanaf aanslagjaar 2005.
3.
Koninklijk besluit van 12 mei 2003 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de belastingvermindering voor uitgaven voor vernieuwing van woningen gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid (BS van 20 juni 2003)
Artikel 1. - In hoofdstuk I van het KB/WIB 92 wordt een afdeling XXVocties ingevoegd die luidt als volgt :
"
Afdeling XXVocties. - Vermindering voor uitgaven voor vernieuwing van woningen gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 145^25).
Art. 63^12, § 1. - De dienstverrichtingen die aan de basis liggen van de in artikel 145^25 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde uitgaven zijn deze vermeld in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven.
De geregistreerde aannemer die de werken uitvoert, moet een factuur uitreiken die :
a) melding maakt van de woning waar de werken worden uitgevoerd;
b) op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, bevestigt dat de woning op het ogenblik van de aanvang van de werken sedert ten minste 15 jaar in gebruik is genomen;
c) bevestigt dat de uitgevoerde werken binnen de toepassingssfeer van § 1, eerste lid vallen door de vermelding van de formule "Uitvoering van werken die zijn bedoeld in artikel 63^12, KB/WIB 92" en die, desnoods, de verdeling van de kosten van de werken volgens hun aard opgeeft tussen deze bedoeld in § 1, eerste lid en de andere werken.
§ 2. - De belastingplichtige die het voordeel vermeld in artikel 145^25 van het genoemde Wetboek aanvraagt, moet bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen van het betrokken belastbare tijdperk het origineel of een door hem eensluidend verklaarde fotokopie toevoegen van :
- de facturen betreffende de dienstverrichtingen die aan de basis liggen van de uitgaven die zijn vermeld in artikel 145^25, van hetzelfde Wetboek;
- het betalingsbewijs van de bedragen die voorkomen op die facturen."
Art. 2. - Dit besluit treedt in werking vanaf aanslagjaar 2004.
Art. 3. - Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.
4.
Koninklijk besluit van 4 juni 2003 tot vastlegging van de zones voor positief grootstedelijk beleid in uitvoering van artikel 145^25, tweede lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (BS van 20 juni 2003)
Artikel 1. - De zones voor positief grootstedelijk beleid bedoeld in artikel 145^25, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zijn, voor de kalenderjaren 2003 tot en met 2008, deze opgenomen in de bijlage van dit besluit.
Art. 2. - Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, belast met het Grootstedenbeleid, zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gelet op de omvang van de bijlage, is het niet mogelijk om die bijlage hier over te nemen. De bijlage kan echter worden geraadpleegd op de internetsite fisconet.fgov.be (Directe belastingen - wetgeving - wettelijke en reglementaire bepalingen - 4.6.03).
5.
Programmawet van 9 juli 2004 (BS van 15 juli 2004)
HOOFDSTUK IX. - Wijziging van artikel 145^25 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 om de vernieuwing van een woning gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid aan te moedigen.
Art. 42. - In artikel 145^25 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de programmawet van 8 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid vervallen de woorden ", op basis van een wetenschappelijke studie" en, in de laatste zin, de woorden "na een nieuwe wetenschappelijke studie";
2° in het zesde lid, worden de woorden "500 euro" vervangen door de woorden "1.000 euro".
Art. 43. - Artikel 42, 2°, treedt in werking op een datum te bepalen door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
In de huidige stand van zaken werd de inwerkingtreding van art. 42, 2°, nog niet bepaald, zodat het maximumbedrag van 500 euro (te indexeren bedrag) nog steeds van toepassing is.
Met betrekking tot art. 42, 1°, werd geen bijzondere inwerkingtreding voorzien. Dat artikel treedt dus in werking 10 d. na publicatie in het Belgisch Staatsblad, namelijk op 25 juli 2004.
Met betrekking tot art. 42, 1°, werd geen bijzondere inwerkingtreding voorzien. Dat artikel treedt dus in werking 10 d. na publicatie in het Belgisch Staatsblad, namelijk op 25 juli 2004.
6.1 De belastingvermindering wordt verleend aan een belastingplichtige die welbepaalde uitgaven doet voor de vernieuwing van een woning gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid en waarvan hij
eigenaar, bezitter, erfpachter of vruchtgebruiker is.
De belastingplichtige die als opstalhouder eigenaar zou zijn van een woning die op andermans grond werd opgericht, komt eveneens in aanmerking voor de belastingvermindering.
Een belastingplichtige die naakte eigenaar is, kan de belastingvermindering dus niet verkrijgen.
6.2 Zijn in principe bedoeld, alle belastingplichtigen, of ze nu onderworpen zijn aan de personenbelasting of aan de belasting van niet-inwoners/natuurlijke personen.
6.3 Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de belastingvermindering evenredig omgedeeld in functie van het aandeel van elk der echtgenoten in het kadastraal inkomen van de woning waarin de werken zijn uitgevoerd.
Wanneer de bedoelde uitgaven zijn gedaan voor onroerende goederen waarvoor geen kadastraal inkomen werd vastgesteld vindt de omdeling plaats in functie van het aandeel van elk der echtgenoten in de eigendom van het desbetreffende onroerende goed.
6.4 Door de fasering van de bepalingen van de hervormingswet van de personenbelasting (W 10.8.2001), wordt de vermindering voor uitgaven voor vernieuwing vroeger ingevoerd dan de notie "gemeenschappelijke aanslag". In afwachting van de toepassing van deze notie (voor aanslagjaar 2005, inkomstenjaar 2004) verwijst het 7
de lid van art. 145^25 WIB 92 naar de aanslag die wordt gevestigd overeenkomstig art. 126, §§ 1 en 2, WIB 92.
7.1 a)
Woning
Het moet gaan om een "woning" en niet om een gebouw van een andere aard.
Onder "woning" moet worden verstaan een gebouw (of een deel van een gebouw), zoals inzonderheid een eengezinswoning, een appartement, een studio, dat wegens zijn aard normaliter is bestemd voor bewoning door een of meerdere personen.
Een gebouw waarin een beroepsactiviteit wordt uitgeoefend, maar waarvan blijkt dat het nog steeds kan worden beschouwd als een gebouw dat door zijn aard normaal bestemd is om te worden bewoond, wordt beschouwd als een woning.
7.2 Zijn geen woningen in de zin van wat voorafgaat : de kamers in gemeenschappelijke gebouwen (kloosters, klinieken, hospitalen, weeshuizen, enz.) noch de kamers voor studenten of voor seizoenarbeiders. Een gebouw waarvan de kamers aan studenten of seizoenarbeiders worden verhuurd kan echter in aanmerking worden genomen in de mate dat het gebouw een woning is (bijvoorbeeld een appartement dat zonder verbouwing aan studenten wordt verhuurd).
De tweede verblijven worden hier in principe bedoeld.
7.3 Het is niet vereist dat de belastingplichtige de woning zelf betrekt. Die woning mag dus worden verhuurd aan een derde - ongeacht of deze laatste ze gebruikt voor privé- of beroepsdoeleinden - voor zover het onroerend goed (of een deel van het onroerend goed) de aard van een woning blijft behouden (b.v. een onroerend goed verhuurd aan een vennootschap om te worden bewoond door een bedrijfsleider; een "eengezins"woning die, zonder omvorming, door de huurder wordt gebruikt voor beroepsdoeleinden, enz.).
7.4 b)
Enige woning
Om de belastingvermindering te verkrijgen mag de belastingplichtige geen eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker (geheel of gedeeltelijk) zijn van een andere woning dan deze waarin de werken worden uitgevoerd. De toestand moet worden beoordeeld op het moment van uitvoering van de werken.
7.5 De naakte eigendom van één of meerdere woningen (in onverdeeldheid of volledig) vormt geen belemmering voor de toepassing van de belastingvermindering.
Het bezit van een ander onroerend goed waarin een handelszaak wordt uitgebaat, maar waarvan blijkt (bijvoorbeeld na raadpleging van de Administratie van het kadaster) dat het nog steeds moet worden beschouwd als een gebouw dat door zijn aard normaal bestemd is om te worden bewoond, sluit de toepassing van de belastingvermindering uit.
Het bezit van een ander onroerend goed, zoals een vakantiewoning die wegens haar aard normaliter is bestemd om te worden bewoond, sluit de toepassing van de belastingvermindering uit.
Het bezit van andere ongebouwde of gebouwde onroerende goederen dan woningen is geen beletsel voor de belastingvermindering. Bijvoorbeeld : bouwgronden, serres, stallen (op voorwaarde dat ze niet zouden omgevormd zijn tot een bewoonbaar gebouwd onroerend goed), handelspanden (zonder woongelegenheid), enz.
7.6 De belastingvermindering wordt evenwel toegestaan wanneer de belastingplichtige ingevolge erfenis of schenking onder levenden
in onverdeeldheid een zakelijk recht (eigendom, blote eigendom of vruchtgebruik) heeft op één of meer andere woningen.
7.7 c)
Ingebruikneming van de woning
Bij de aanvang van de werken moet de woning minstens 15 jaar in gebruik zijn, maar niet noodzakelijk door dezelfde belastingplichtige die aanspraak maakt op de belastingvermindering.
7.8 De bewijslast inzake het tijdstip van de ingebruikneming van de woning rust op de belastingplichtige, die daarvoor alle middelen van het gemeen recht kan aanwenden, met uitzondering van de eed. Hij kan de datum van de ingebruikneming inzonderheid doen blijken aan de hand van één van de volgende stukken :
- aankoopakte van de woning;
- polis van de brandverzekering;
- betekening van het KI door de Administratie van het kadaster;
- een aanslagbiljet inzake OV of inzake grondbelasting (GB);
- inschrijving van de nieuwe verblijfplaats op de identiteitskaart;
- attest van het gemeentebestuur.
7.9 d)
Gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid (zie nr. 4)
8.1
Beroepsgebruik door de belastingplichtige-eigenaar
De uitgaven die betrekking hebben op het gedeelte van de woning dat door de belastingplichtige wordt gebruikt voor de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid, zijn uitgesloten van belastingvermindering in de mate dat :
- ze in aanmerking worden genomen als beroepskosten;
- ze recht geven op de in art. 69, WIB 92 vermelde investeringsaftrek.
8.2
Uitgaven voor onderhoud en restauratie van beschermde onroerende goederen en landschappen
De uitgaven zijn uitgesloten in de mate dat ze recht geven op de aftrek vermeld in art. 104, 8°, WIB 92 betreffende het onderhoud en de restauratie van beschermde onroerende goederen en landschappen.
8.3
Energiebesparende uitgaven
De energiebesparende uitgaven zijn eveneens uitgesloten van de belastingvermindering in de mate dat er rekening mee werd gehouden voor de toepassing van art. 145^24,
WIB 92.
8.4 De aandacht wordt gevestigd op het feit dat de uitsluitingen op proportionele basis gebeuren. De uitsluiting gebeurt in de mate dat een van de voormelde voordelen werkelijk is verkregen. Niets belet derhalve dat de uitgaven die het voorwerp uitmaken van eenzelfde factuur, voor een deel recht geven op de vermindering voor energiebesparende uitgaven en voor een ander deel op de hier bedoelde vermindering voor vernieuwing.
9.1 De belastingvermindering wordt verleend voor de uitgaven (gefactureerde bedragen BTW inbegrepen) die effectief door de belastingplichtige zijn
betaald tijdens het belastbaar tijdperk en dit onafhankelijk van het ogenblik van uitvoering van de werken.
9.2 Aan het begrip "betalen" moet de betekenis worden gegeven die bepaald is in de artikelen 1235 tot 1248 van het Burgerlijk Wetboek. Dit betekent in het bijzonder dat wanneer door de belastingplichtige een voorschot is gestort aan de aannemer, er een onderscheid moet worden gemaakt naargelang dit voorschot, op grond van de specifieke bepalingen van het aannemingscontract, al dan niet door de aannemer definitief is verworven. Het voorschot moet worden beschouwd als betaald op het moment dat het definitief verworven is door de aannemer.
9.3 Het feit dat deze uitgaven het voorwerp hebben uitgemaakt van een financiële tussenkomst (premie, subsidie, terugbetaling, …) eventueel van de gewestelijke overheden, heeft geen enkele weerslag op de toepassing van de belastingvermindering.
9.4 Wanneer de werken zijn uitgevoerd in een appartementsgebouw door tussenkomst van de beheerder van het gebouw, zijn het de betalingen die
door de beheerder werden gedaan die in aanmerking komen, zelfs wanneer deze werden gedaan door middel van een gemeenschappelijk fonds, gestijfd door bijdragen van de eigenaars.
10.1 Art. 63^12, § 1, KB/WIB 92, verwijst terzake naar de rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij KB nr. 20, van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven.
***
BTW - KB 20
Tabel A
Goederen en diensten onderworpen aan het tarief van 6 %.
XXXI. Werk in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen
§ 1. - Het werk in onroerende staat en de andere handelingen bedoeld in § 3 worden onderworpen aan het verlaagd tarief, voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld :
1° de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben;
2° de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privé-woning wordt gebruikt;
3° de handelingen moeten worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming ten minste vijftien jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van verschuldigdheid van de BTW dat zich voordoet overeenkomstig artikel 22 van het Wetboek;
4° de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker door een persoon die, op het tijdstip van het sluiten van het aannemingscontract, geregistreerd is als zelfstandig aannemer overeenkomstig de artikelen 400 en 401 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
5° de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, moeten, op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet naleven van onderhavige bepaling, ontlast het attest van de afnemer de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
§ 2. - …
§ 3. - Worden beoogd :
1° het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed;
2° prestaties die erin bestaan een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt;
3° iedere handeling, ook indien niet beoogd in 2° hierboven, die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw :
a) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming of airconditioning, daaronder begrepen de branders, de reservoirs en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketel of aan de radiatoren;
b) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een sanitaire installatie van een gebouw en, meer algemeen, van al de vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik aangesloten op een waterleiding of een riool;
c) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische installatie van een gebouw, met uitzondering van toestellen voor de verlichting en van lampen;
d) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische belinstallatie, van brandalarmtoestellen, van alarmtoestellen tegen diefstal en van een huistelefoon;
e) van opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken of een badkamer is uitgerust;
f) van luiken, rolluiken en rolgordijnen die aan de buitenkant van het gebouw worden geplaatst;
4° iedere handeling, ook indien niet beoogd in 2° hierboven, die tot voorwerp heeft zowel de levering van wandbekleding of vloerbekleding of -bedekking als de plaatsing ervan in een gebouw ongeacht of die bekleding of bedekking aan het gebouw wordt vastgehecht of eenvoudig ter plaatse op maat gesneden volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte;
5° het aanhechten, het plaatsen, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, van goederen bedoeld in 3° en 4° hierboven;
6° de terbeschikkingstelling van personeel met het oog op het verrichten van de hierboven bedoelde handelingen.
§ 4. - Het verlaagd tarief is in geen geval van toepassing op :
1° werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;
2° werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties.
***
10.2 Uit de voormelde tabel A, rubriek XXXI, blijkt dat terzake bedoeld zijn de dienstverrichtingen die de omvorming, de renovatie, de rehabilitatie, de verbetering, de herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele, van een woning tot voorwerp hebben.
Uitgesloten zijn echter eveneens :
- de honoraria van architecten, landmeters en ingenieurs;
- de werken i.v.m. beplantingen, tuinaanleg en afsluitingen;
- het aanleggen of herstellen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen en tennisterreinen.
Er bestaat in de regel voldoende zekerheid over de aard van de desbetreffende werken, indien deze aan het BTW-tarief van 6 % zijn onderworpen.
Niets belet dat de werken worden gespreid in de tijd.
11.1 De werken die aan de basis liggen van de uitgaven voor belastingvermindering moeten worden uitgevoerd door een persoon die, op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst voor de uit te voeren werken, geregistreerd is als aannemer overeenkomstig art. 401, WIB 92.
11.2 De aannemer moet geregistreerd zijn op het ogenblik van het
afsluiten van overeenkomst van uit te voeren werken. De schrapping van de aannemer na het afsluiten van het contract heeft geen gevolg.
11.3
Op louter fiscaal vlak en onverminderd de andere wettelijke en reglementaire bepalingen in het bijzonder inzake de toegang tot een beroep, is niet vereist dat de aannemer die de werken uitvoert, gerangschikt is in een bepaalde categorie van geregistreerde aannemers. Voor de toekenning van de belastingvermindering mogen de werken dus uitgevoerd worden door elke aannemer, mits deze geregistreerd is.
11.4 Om te weten of een aannemer al dan niet geregistreerd is, kan men bellen naar de centrale dienst van geregistreerde aannemers, elke maandag, woensdag en vrijdag van 9 tot 12 uur op het nummer 02/336 24 70 of 02/336 24 73.
11.5 Om volledig voor de belastingvermindering in aanmerking te komen, moeten zowel de levering als de plaatsing van de materialen door een geregistreerd aannemer gebeuren.
Wanneer de belastingplichtige zijn materialen of apparaten zelf aankoopt en ze daarna door een geregistreerd aannemer laat plaatsen, kunnen alleen de uitgaven m.b.t. de plaatsing voor de vermindering in aanmerking komen.
12.1 De totale kostprijs van de werken, inclusief BTW, bedraagt minstens 2.500 euro (vóór indexering); dit wordt 3.000 euro voor aanslagjaar 2004 (inkomsten 2003), 3.050 euro voor aanslagjaar 2005 (inkomsten 2004) en 3.110 euro voor aanslagjaar 2006 (inkomsten 2005).
Die minimumkostprijs moet worden beoordeeld op het ogenblik waarop hij wordt gefactureerd, maar niet noodzakelijkerwijze betaald.
Het gaat om een minimumbedrag
per woning en niet per belastingplichtige.
12.2 Indien de woning eigendom is van meerdere belastingplichtigen die afzonderlijk worden belast, moet het minimumbedrag per belastingplichtige worden beperkt naar verhouding van zijn aandeel in het eigendomsrecht (zie tevens nr. 15.5).
12.3 De werken die in aanmerking komen om dit minimumbedrag te bepalen mogen
ten vroegste op 1 januari 2003 zijn gefactureerd. Daarenboven moeten ze van dezelfde aard zijn als de werken die zijn bedoeld voor het verkrijgen van onderhavige belastingvermindering (zie nr. 10.1) en moeten ze zijn uitgevoerd door een persoon die, op het ogenblik van het afsluiten van het aannemingscontract, geregistreerd is als aannemer overeenkomstig artikel 401, WIB 92 (zie nr. 11.1).
12.4 De kostprijs van de vernieuwingswerken die betrekking heeft op het deel van het onroerend goed dat wegens zijn aard normaliter
niet voor bewoning bestemd is (bijvoorbeeld lokalen specifiek ingericht als burelen of voor de uitoefening van een vrij beroep, magazijnen, depots, enz.), komt evenwel niet in aanmerking om te oordelen of het geïndexeerd minimumbedrag al dan niet is bereikt.
12.5 Om het minimumbedrag te bepalen, mag rekening worden gehouden met alle bedoelde kosten die op de woning betrekking hebben, met inbegrip van de kosten die in aanmerking zijn genomen als beroepskosten, voor de investeringsaftrek, de aftrek voor onderhoud of restauratie van beschermde onroerende goederen of landschappen en voor de vermindering voor energiebesparende uitgaven.
12.6 Het geïndexeerde minimumbedrag is het bedrag dat geldt voor het belastbaar tijdperk waarin de betaling is verricht.
Indien de werken over meerdere belastbare tijdperken zijn gespreid, moet er om uit te maken of het geïndexeerde minimumbedrag van de werken is bereikt, rekening worden gehouden met het minimumbedrag dat van toepassing is voor het aanslagjaar met betrekking tot de betaling. Om uit te maken of dat minimumbedrag is bereikt, mag eventueel de kostprijs worden samengeteld van de werken die tijdens meerdere belastbare tijdperken zijn uitgevoerd. De belastingvermindering mag dan worden verleend ten belope van de uitgaven die werden betaald gedurende een belastbaar tijdperk waarin het totaal van de gefactureerde kosten het minimumbedrag van 2.500 euro (te indexeren basisbedrag) bereikte.
Voorbeeld
Kostprijs van de in 2003 gefactureerde werken = 2.500 euro
Betaald bedrag in 2003 = 500 euro
Kostprijs van de in 2004 gefactureerde werken = 1.000 euro
Betaald bedrag in 2004 = 1.000 euro
Aanslagjaar 2004 :
De kostprijs van de gefactureerde werken bereikt niet het minimum geïndexeerd bedrag van 3.000 euro, zodat de belastingvermindering niet kan worden verleend voor het betaald bedrag van 500 euro.
Aanslagjaar 2005 :
De totale kostprijs van de in 2003 en 2004 gefactureerde werken bedraagt 3.500 euro, zodat het minimum geïndexeerd bedrag van 3.050 euro werd overschreden en de belastingvermindering kan worden verleend als volgt :
1.000 euro x 15 % = 150 euro.
13.1 De belastingplichtige die het voordeel van de belastingvermindering wil verkrijgen, moet bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen van het betrokken belastbare tijdperk het origineel of een door hem eensluidend verklaarde fotokopie toevoegen van :
- de facturen betreffende de werken die aan de basis liggen van de bedoelde uitgaven;
- de betalingsbewijzen van de bedragen die voorkomen op die facturen.
13.2 Wanneer de werken werden uitgevoerd in een appartementsgebouw met tussenkomst van de beheerder van het gebouw, moet de belastingplichtige bij zijn aangifte het volgende toevoegen :
- een door de beheerder voor eensluidend verklaarde fotokopie van :
- de facturen betreffende de werken die aan de basis liggen van de bedoelde uitgaven;
- het betalingsbewijs van de bedragen die voorkomen op die facturen.
- een attest van de beheerder met een becijfering van het aandeel van de belastingplichtige in de bedoelde uitgaven.
13.3 De facturen mogen worden uitgereikt voor het materiaal
en de werken, of voor de werken alleen, echter niet voor het materiaal alleen.
13.4 Alleen schriftelijke bewijzen worden als bewijs van betaling aanvaard.
14. De geregistreerde aannemer die de werken uitvoert, moet een factuur uitreiken die :
a) melding maakt van de woning waar de werken worden uitgevoerd;
b) op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, bevestigt dat de woning op het ogenblik van de aanvang van de werken sedert ten minste 15 jaar in gebruik is genomen;
c) bevestigt dat de uitgevoerde werken binnen de toepassingssfeer van de onderhavige maatregel vallen (zie nr. 10.1) door de vermelding van de formule "Uitvoering van werken die zijn bedoeld in artikel 63^12, KB/WIB 92" en die, desnoods, de verdeling van de kosten van de werken volgens hun aard opgeeft tussen deze bedoeld door de onderhavige maatregel en de andere werken.
15.1 De belastingvermindering is gelijk aan 15 % van de werkelijk tijdens het belastbaar tijdperk betaalde uitgaven.
15.2 Het totale bedrag van de belastingvermindering mag
per belastbaar tijdperk en per woning niet meer dan 500 euro (basisbedrag) bedragen; na indexering wordt dit 600 euro voor aanslagjaar 2004 (inkomsten 2003), 610 euro voor aanslagjaar 2005 (inkomsten 2004) en 620 euro voor aanslagjaar 2006 (inkomsten 2005).
15.3 Indien de belastingplichtige bijvoorbeeld in 2003 achtereenvolgens twee woningen bezit en hij voor aanslagjaar 2004 uitgaven voor vernieuwing doet die, vóór de aftrekbeperking, aanleiding geven tot een belastingvermindering van 400 euro (minder dan het maximumbedrag) voor de ene woning en van 700 euro (meer dan het maximumbedrag) voor de andere woning, dan bedraagt zijn belastingvermindering na de aftrekbeperking 1.000 euro (= 400 euro + 600 euro).
15.4 Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de belastingvermindering
evenredig omgedeeld in functie van het aandeel van elk der echtgenoten in het kadastraal inkomen van de woning waarin de werken zijn uitgevoerd (zie nr. 6.3).
15.5 Wanneer een woning eigendom is van meerdere belastingplichtigen die als alleenstaanden worden belast, heeft ieder van hen recht op een belastingvermindering rekening houdend met de kosten die respectievelijk aan hen zijn gefactureerd en die zij werkelijk hebben gedragen. In overeenstemming met hetgeen voor een gemeenschappelijke aanslag is bepaald en rekening houdend met het feit dat het maximumbedrag van 500 euro (te indexeren basisbedrag) een maximumbedrag per woning is, zal dit bedrag in dat geval eveneens worden verdeeld in functie van het aandeel van elke belastingplichtige in de eigendom van het onroerend goed. Bij elke belastingplichtige wordt m.a.w. de belastingvermindering beperkt tot een bedrag van 500 euro (te indexeren basisbedrag) vermenigvuldigd met zijn aandeel in de eigendom van de woning.
16. Die nieuwe maatregel is voor de eerste keer van toepassing op de betalingen die zijn gedaan vanaf 1 januari 2003 (aanslagjaar 2004).
Wanneer de werken bijvoorbeeld op 21 december 2002 zijn voltooid en in 2003 zijn gefactureerd, en de betrokkenen de factuur op 5 januari 2003 betalen, dan komen deze uitgaven in aanmerking voor belastingvermindering voor aanslagjaar 2004.
17.1
Voorbeeld 1
De heer en mevrouw MARTENS zijn gehuwd en worden gezamenlijk belast. Ze zijn elk voor 50 % eigenaar van een woning gelegen te Brussel in een zone voor positief grootstedelijk beleid. Het gaat om een onroerend goed dat in 1985 werd gebouwd en dat ze samen in 1998 onder bezwarende titel hebben verkregen. Deze woning werd steeds bewoond.
De heer MARTENS gebruikt 1/3 van dat onroerend goed voor zijn beroepswerkzaamheid als advocaat.
De echtgenoten MARTENS doen een beroep op een geregistreerd aannemer om werken uit te voeren die aan alle voorwaarden beantwoorden om de belastingvermindering te verkrijgen.
Uitgaven betaald in 2003
- 5.500 euro voor de plaatsing van dubbele beglazing, waarvan :
- 1.800 euro in aanmerking wordt genomen als beroepskosten, gelet op de verdeling van de ramen en
- 1.500 euro in aanmerking wordt genomen voor de belastingvermindering voor energiebesparende uitgaven.
- 1.200 euro voor de vervanging van de tegelvloer.
Berekening van de belastingvermindering
5.500 euro - 1.800 euro - 1.500 euro + 1.200 euro = 3.400 euro x 15 % = 510 euro
Omdeling van de belastingvermindering over de echtgenoten
Bij de heer MARTENS :
510 euro X 50 % = 255 euro
510 euro X 50 % = 255 euro
Bij mevrouw MARTENS :
510 euro x 50 % = 255 euro
510 euro x 50 % = 255 euro
17.2
Voorbeeld 2
Zelfde gegevens dan in voorbeeld 1, maar het gaat om een niet-gehuwd koppel, de heer MAES en mevrouw JANSEN, die afzonderlijk worden belast.
De facturen staan op beider naam en ze hebben elk 50 % betaald.
In aanmerking te nemen uitgaven
Bij de heer MAES :
5.500 euro x 50 % = 2.750 euro
5.500 euro x 50 % = 2.750 euro
Bij mevrouw JANSEN :
5.500 euro X 50 % = 2.750 euro
Berekening van de belastingvermindering
Bij de heer MAES :
2.750 euro - 1.800 euro (voor 100 % beroepskosten) - 750 euro (energiebesparende uitgaven à 50 %) + 600 euro = 800 euro x 15 % =
120 euro
Bij mevrouw JANSEN :
Bij mevrouw JANSEN :
2.750 euro - 750 euro (energiebesparende uitgaven à 50 %) + 600 euro = 2.600 euro x 15 % = 390 euro te beperken tot
300 euro (600 euro x 50 %)
17.3
Voorbeeld 3
Zelfde gegevens dan in voorbeeld 2, maar de heer MAES is voor 2/3 eigenaar van de woning en mevrouw JANSEN voor 1/3.
In aanmerking te nemen uitgaven
Bij de heer MAES :
5.500 euro x 50 % = 2.750 euro
Bij mevrouw JANSEN :
5.500 euro x 50 % = 2.750 euro te beperken tot 1.833,33 euro (5.500 x 1/3)
Berekening van de belastingvermindering
Bij de heer MAES :
2.750 euro - 1.800 euro (voor 100 % beroepskosten) - 750 euro (energiebesparende uitgaven à 50 %) + 600 euro = 800 euro x 15 % =
120 euro
Bij mevrouw JANSEN :
1.833,33 euro - 500 euro (energiebesparende uitgaven beperkt tot 1.500 euro x 1/3) + 400 euro (600 euro beperkt tot 1.200 euro x 1/3) = 1.733,33 euro x 15 % = 260,00 euro te beperken tot 200 euro (600 euro x 1/3).
1.833,33 euro - 500 euro (energiebesparende uitgaven beperkt tot 1.500 euro x 1/3) + 400 euro (600 euro beperkt tot 1.200 euro x 1/3) = 1.733,33 euro x 15 % = 260,00 euro te beperken tot 200 euro (600 euro x 1/3).
18. De kopieën van de facturen moeten worden gerangschikt in het permanent dossier van de belastingplichtige zodat een overzicht wordt verkregen van de aard en van het bedrag van de in de loop der jaren uitgevoerde werken.
Voor de Administrateur-generaal
van de Belastingen en de Invordering :
De Directeur,
S. QUINTENS
Bron: FisconetPlus
