Aanschrijving nr. 3 (AFZ/98-0370 - Dos. 86) d.d. 08.03.1999
Met het zegel gelijkgestelde taksen
Registratie-, hypotheek en griffierechten
Successierechten
Afronding van de heffingsgrondslag
Opheffing
1. In het Belgisch Staatsblad van 13 februari 1999 werd de wet van 20 januari 1999 tot opheffing van de regels voor het afronden van de heffingsgrondslag inzake met het zegel gelijkgestelde taksen, registratierechten en successierechten bekendgemaakt.
2. De regels van afronding van de heffingsgrondslag op het hoger tiental, honderdtal of duizendtal frank, naargelang van het soort recht of taks, worden door onderhavige wet eenvoudigweg opgeheven. Daartoe werden gewijzigd:
Het dient benadrukt dat de wet het vroegere derde lid van artikel 82 van het Wetboek der successierecten - dat nu het tweede lid van dat artikel is geworden - niet heeft gewijzigd. Dat lid bepaalt dat de interest wordt berekend per vijftien dagen waarbij iedere breuk van vijftien dagen wordt verwaarloosd. Er wordt aan herinnerd dat deze berekeningswijze de interesten betreft die verschuldigd zijn vóór vervolging, d.w.z. tot de dag van de betekening van het dwangbevel. Die welke verschuldigd zijn na de instelling van de vervolging, d.w.z. vanaf de betekening van het dwangbevel, worden berekend volgens de regels bepaald in burgerlijke zaken, overeenkomstig artikel 142² van dat Wetboek.
De afronding bepaald in artikel 161 ter van het Wetboek der successierechten (jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen, op de kredietinstellingen en op de verzekeringsondernemingen) werd evenwel behouden.
De wet is in werking getreden op 1 januari 1999. De afrondingen, die niets anders zijn dan een modaliteit van berekening, worden dus niet meer toegepast voor alle berekeningen die vanaf 1 ianuari 1999 worden gemaakt.
Registratie-, hypotheek en griffierechten
Successierechten
Afronding van de heffingsgrondslag
Opheffing
1. In het Belgisch Staatsblad van 13 februari 1999 werd de wet van 20 januari 1999 tot opheffing van de regels voor het afronden van de heffingsgrondslag inzake met het zegel gelijkgestelde taksen, registratierechten en successierechten bekendgemaakt.
2. De regels van afronding van de heffingsgrondslag op het hoger tiental, honderdtal of duizendtal frank, naargelang van het soort recht of taks, worden door onderhavige wet eenvoudigweg opgeheven. Daartoe werden gewijzigd:
l° inzake de met het zegel gelijkgestelde taksen, de artikelen 124, 161, vierde lid, 176 [ Ref. Centr. Adm. BTW. Reg. en Dom. - 6de dienst A: E.E./L. 80.], 183 quater, tweede lid, 183 quater decies, tweede lid en 186, § 3, van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen (art. 2 en 3 van de wet);Onderhavige wet bepaalt ook de afschaffing van de op het vlak van de successierechten toepasselijke regel inzake afronding van de termen van de verhoudingen die moeten worden gemaakt ter bepaling van de heffingsgrondslag of ter verevening van de rechten (art. 63 Wb. succ.). Idem dito wat betreft de afrondingsregel voor de berekening van de interesten (art. 82 Wb. succ.).
2° inzake registratierechten, de artikelen 166, eerste, tweede en derde lid, en 264 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (art. 4 en 5 van de wet);
3° inzake successierechten, de artikelen 62, eerste lid, 63, 82, eerste en tweede lid, 152, tweede lid en 161 quater, vierde en vijfde lid, van het Wetboek der successierechten (art. 6 tot 10 van de wet).
Het dient benadrukt dat de wet het vroegere derde lid van artikel 82 van het Wetboek der successierecten - dat nu het tweede lid van dat artikel is geworden - niet heeft gewijzigd. Dat lid bepaalt dat de interest wordt berekend per vijftien dagen waarbij iedere breuk van vijftien dagen wordt verwaarloosd. Er wordt aan herinnerd dat deze berekeningswijze de interesten betreft die verschuldigd zijn vóór vervolging, d.w.z. tot de dag van de betekening van het dwangbevel. Die welke verschuldigd zijn na de instelling van de vervolging, d.w.z. vanaf de betekening van het dwangbevel, worden berekend volgens de regels bepaald in burgerlijke zaken, overeenkomstig artikel 142² van dat Wetboek.
De afronding bepaald in artikel 161 ter van het Wetboek der successierechten (jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen, op de kredietinstellingen en op de verzekeringsondernemingen) werd evenwel behouden.
De wet is in werking getreden op 1 januari 1999. De afrondingen, die niets anders zijn dan een modaliteit van berekening, worden dus niet meer toegepast voor alle berekeningen die vanaf 1 ianuari 1999 worden gemaakt.
Namens de Minister:
De Adjunct Administrateur-generaal van de belasting
J.-M. DELPORTE Bron: FisconetPlus
