Circulaire nr. Ci.RH.243/404.948 dd. 30.03.1989
CIRC 30.03.89/1
Circulaire nr. Ci.RH.243/404.948 dd. 30.03.1989
Bull. nr. 683, pag. 1020
BEROEPSKOSTEN
Forfait voor verre verplaatsingen.
Verplaatsingskosten van de woonplaats naar de plaats van
tewerkstelling.
DUBBELBELASTINGVERDRAGEN
N.A.V.O.
FISCALE WOONPLAATS
Beroepsmilitairen in de B.R.D.
Natuurlijke personen.
VERGOEDINGEN
Beroepsmilitairen in de B.R.D.
Vergoeding voor bedrijfsuitgaven.
1. Het hoofdbestuur verneemt dat er twijfel bestaat nopens de aftrek van de verplaatsingskosten die leden van de in de Duitse Bondsrepubliek gekazerneerde Belgische krijgsmachten dragen om naar België en terug naar de B.R.D. te reizen.
2. In dit verband wordt de aandacht gevestigd op het antwoord op de parlementaire vraag nr. 18, van 11.3.1988, van Volksvertegenwoordiger D'Hondt (B. 675, blz. 1565) dat hoofdzakelijk het volgende inhoudt :
3. Daaruit volgt dat, om de aftrekbare verplaatsingskosten vast te stellen, rekening moet worden gehouden met de afstand tussen de werkelijke woonplaats en de plaats van tewerkstelling in Duitsland en dat de vraag of de militairen in België al dan niet een woonplaats aanhouden niet relevant is.
4. Daaruit volgt eveneens dat dezelfde afstand in aanmerking moet worden genomen om vast te stellen of, en in voorkomend geval voor welk bedrag, het forfait voor verre verplaatsingen (art. 51, § 4, WIB) mag worden afgetrokken.
5. In dit verband wordt eraan herinnerd dat de aan sommige militairen toegekende verwijderingsvergoeding geen deel uitmaakt van de belastbare bezoldigingen, daar zij wordt beschouwd als een terugbetaling van eigen uitgaven van de werkgever in de zin van art. 26, laatste lid, WIB, maar mag worden afgetrokken van de overeenkomstig art. 44, 1ste lid, WIB, verantwoorde werkelijke kosten indien en in de mate waarin zij uitgaven bevatten die door deze vergoeding zijn gedekt (PV nr. 62 van 3.1.1983, van Senator Eicher, B. 616, blz. 997).
6. Tenslotte wordt opgemerkt dat de bepalingen van artikel X, § 1, van het voornoemde N.A.V.O.-Verdrag, krachtens de op 3.8.1959 te Bonn ondertekende internationale overeenkomst tot de in de voormelde bepalingen bedoelde gezinsleden van die militairen worden uitgebreid.
Wanneer de echtgenoot een eigen beroepswerkzaamheid in Duitsland uitoefent en uitgaande van dezelfde bepalingen dus niet als gezinslid van de militair kan worden aangemerkt, moet de vraag of hij al dan niet als rijksinwoner moet worden beschouwd, worden beantwoord op grond van het interne recht (art. 3, WIB).
In die hypothese en indien de echtgenoot van de militair aan de BNV moet worden onderworpen, is de samenvoeging van de inkomsten van het gezin onmogelijk en wordt de echtgenoot als een "alleenstaande" belast.
Circulaire nr. Ci.RH.243/404.948 dd. 30.03.1989
Bull. nr. 683, pag. 1020
BEROEPSKOSTEN
Forfait voor verre verplaatsingen.
Verplaatsingskosten van de woonplaats naar de plaats van
tewerkstelling.
DUBBELBELASTINGVERDRAGEN
N.A.V.O.
FISCALE WOONPLAATS
Beroepsmilitairen in de B.R.D.
Natuurlijke personen.
VERGOEDINGEN
Beroepsmilitairen in de B.R.D.
Vergoeding voor bedrijfsuitgaven.
1. Het hoofdbestuur verneemt dat er twijfel bestaat nopens de aftrek van de verplaatsingskosten die leden van de in de Duitse Bondsrepubliek gekazerneerde Belgische krijgsmachten dragen om naar België en terug naar de B.R.D. te reizen.
2. In dit verband wordt de aandacht gevestigd op het antwoord op de parlementaire vraag nr. 18, van 11.3.1988, van Volksvertegenwoordiger D'Hondt (B. 675, blz. 1565) dat hoofdzakelijk het volgende inhoudt :
- door de aanvullende overeenkomst van 3.8.1959 bij het N.A.V.O.-Verdrag, met betrekking tot de in de Duitse Bondsrepubliek gestationeerde buitenlandse krijgsmachten, hebben de leden van de Belgische krijgsmachten in Duitsland overeenkomstig § 1 van artikel X van het N.A.V.O.-Status Verdrag geen woonplaats binnen het Bondsgebied (Zie Wetboek, deel "Overeenk. org.", Bijlage XXIII);
- de aldus geschapen wettelijke fictie heeft enkel tot gevolg dat de militairen in kwestie met Belgische ingezetenen worden gelijkgesteld om te bepalen aan welke inkomstenbelasting zij onderworpen zijn; zij heeft geen uitstaans met de regels die inzake beroepskosten gelden.
3. Daaruit volgt dat, om de aftrekbare verplaatsingskosten vast te stellen, rekening moet worden gehouden met de afstand tussen de werkelijke woonplaats en de plaats van tewerkstelling in Duitsland en dat de vraag of de militairen in België al dan niet een woonplaats aanhouden niet relevant is.
4. Daaruit volgt eveneens dat dezelfde afstand in aanmerking moet worden genomen om vast te stellen of, en in voorkomend geval voor welk bedrag, het forfait voor verre verplaatsingen (art. 51, § 4, WIB) mag worden afgetrokken.
5. In dit verband wordt eraan herinnerd dat de aan sommige militairen toegekende verwijderingsvergoeding geen deel uitmaakt van de belastbare bezoldigingen, daar zij wordt beschouwd als een terugbetaling van eigen uitgaven van de werkgever in de zin van art. 26, laatste lid, WIB, maar mag worden afgetrokken van de overeenkomstig art. 44, 1ste lid, WIB, verantwoorde werkelijke kosten indien en in de mate waarin zij uitgaven bevatten die door deze vergoeding zijn gedekt (PV nr. 62 van 3.1.1983, van Senator Eicher, B. 616, blz. 997).
6. Tenslotte wordt opgemerkt dat de bepalingen van artikel X, § 1, van het voornoemde N.A.V.O.-Verdrag, krachtens de op 3.8.1959 te Bonn ondertekende internationale overeenkomst tot de in de voormelde bepalingen bedoelde gezinsleden van die militairen worden uitgebreid.
Wanneer de echtgenoot een eigen beroepswerkzaamheid in Duitsland uitoefent en uitgaande van dezelfde bepalingen dus niet als gezinslid van de militair kan worden aangemerkt, moet de vraag of hij al dan niet als rijksinwoner moet worden beschouwd, worden beantwoord op grond van het interne recht (art. 3, WIB).
In die hypothese en indien de echtgenoot van de militair aan de BNV moet worden onderworpen, is de samenvoeging van de inkomsten van het gezin onmogelijk en wordt de echtgenoot als een "alleenstaande" belast.
Bron: FisconetPlus
