Aanschrijving nr. 2 dd. 10.02.1982

AANSCHRIJVING 82/002

Aanschrijving nr. 2 dd. 10.02.1982


Internationale organisaties

In het Belgisch Staatsblad van 31 maart 1981 werd de wet van 9 februari 1981 bekendgemaakt, houdende goedkeuring van het Zetelakkoord tussen het Koninkrijk België en het Centrum voor Industriële Ontwikkeling dat werd ondertekend te Brussel op 29 november 1978.

Luidens de voornoemde wet van 9 februari 1981 hebben de bepalingen van het Akkoord uitwerking met ingang van 1 januari 1977 (art. 2) en gaat de verjaring van de vorderingen tot terugbetaling, die verantwoord zijn wegens de terugwerkende kracht die de genoemde wet aan de fiscale bepalingen van het Akkoord toekent, in op de dag waarop die wet in werking treedt (art. 3).

Artikel 31 van het Akkoord bepaalt dat het Akkoord in werking treedt "vijftien dagen nadat de akte van bekrachtiging van België op het Co-Sekretariaat van de Raad van Ministers A.C.S. - E.E.G. is neergelegd." De bekrachtigingsoorkonde werd aldaar neergelegd op 25 februari 1981 zodat het Akkoord in werking is getreden op 12 maart 1981.

De regeling die inzake belasting over de toegevoegde waarde van toepassing is op het Centrum voor Industriële Ontwikkeling, op de directeur en de adjunct-directeur van het Centrum en op de personeelsleden van het Centrum, maakt het voorwerp uit van de bijlage bij deze aanschrijving, die als "§ 3(2)." moet worden ingevoegd in de aanschrijving van 3 januari 1978, nr. 2. De inhoudstabel van deze laatste aanschrijving moet worden aangevuld met de woorden : "§ 3(2). Centrum voor Industriële Ontwikkeling (C.I.O.)".

De bijlage VI bij de aanschrijving van 3 januari 1978, nr. 1, laatst herdrukt en gevoegd als bijlage 11 bij de aanschrijving van 28 februari 1979, nr. 8, moet worden aangevuld, onder de rubriek "Organisaties" met de woorden : "Centrum voor Industriële Ontwikkeling (C.I.O.)", en onder de rubriek "Ambtenaren" met de woorden : "De directeur en de adjunct-directeur."

De termijn met betrekking tot de verjaring van de vorderingen tot terugbetaling van de belasting over de toegevoegde waarde, die voortvloeien uit de terugwerkende kracht tot 1 januari 1977 van de bepalingen van het Akkoord van 29 november 1978, is ingegaan op 10 april 1981 (datum waarop de wet houdende goedkeuring van het Akkoord in werking is getreden).

§ 3(2). Centrum voor Industriële Ontwikkeling (C.I.O.).

Het Centrum voor Industriële Ontwikkeling bezit rechtspersoonlijkheid en heeft zijn zetel in Brussel.

Grondslag van de voorrechten.

Zetelakkoord tussen het Koninkrijk België en het Centrum voor Industriële Ontwikkeling, ondertekend te Brussel op 29 november 1978 en goedgekeurd door de wet van 9 februari 1981 (Belgisch Staatsblad van 31 maart 1981).

1. Hier te lande verrichte leveringen van goederen en diensten.

Artikel 7 van het Akkoord luidt als volgt : "Wanneer het Centrum belangrijke aankopen van roerende of onroerende goederen doet of belangrijke diensten laat verrichten, die voor de uitoefening van zijn officiële werkzaamheden volstrekt noodzakelijk zijn en in de prijs waarvan indirecte rechten of belastingen op de verkoop zijn begrepen, worden, telkens wanneer dit mogelijk is, passende maatregelen tot kwijtschelding of terugbetaling van het bedrag van deze rechten en belastingen genomen."

Bij toepassing van die bepaling :

a) zijn de leveringen van gebouwen aan het Centrum voor Industriële Ontwikkeling verricht in de voorzieningen van artikel 9, § 3, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, voor zijn officiële werkzaamheden, vrijgesteld van die belasting, op grond van een beslissing te nemen door de Centrale administratie van de BTW, registratie en domeinen.

De beslissing waarbij de Centrale administratie de kosteloze registratie van de aankoopakte toestaat, geldt ook voor de vrijstelling van de BTW voor de vervreemde gebouwen. Die beslissing wordt ter kennis gebracht van de hoofdcontroleur van het controlekantoor waaronder de belastingplichtige ressorteert.

De factuur, die de belastingplichtige uitreikt aan het Centrum moet de volgende vermelding bevatten : "Vrijstelling van de BTW. Artikel 42, § 3, 3°, van het Wetboek";

b) genieten de leveringen van roerende goederen en diensten aan het Centrum voor Industriële Ontwikkeling, en die strikt noodzakelijk zijn voor de uitoefening van zijn officiële werkzaamheden, vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde, op voorwaarde dat het bedrag per levering tenminste 5 000 F bereikt, BTW niet inbegrepen.

De vrijstelling is afhankelijk van het uitreiken aan de leverancier of de dienstverrichter, van een bestelbon door het Centrum.

Die bestelbon waarop de stempel van het Centrum is aangebracht, vermeldt onder meer op duidelijke wijze, de naam en het adres van de leverancier of van de dienstverrichter, de aard en de hoeveelheid van de te leveren goederen of de aard van de te verstrekken diensten. Hij moet bovendien vermelden dat de bestelling geschiedt voor het officieel gebruik van het Centrum. Op de bestelbon moet door degene die daartoe gemachtigd is door het Centrum een ontvangstmelding worden aangebracht van de bestelde en geleverde goederen of de verstrekte diensten. De bon moet door de leverancier of de dienstverrichter worden bewaard bij zijn boek voor uitgaande facturen als rechtvaardiging voor het niet voldoen van de belasting over de toegevoegde waarde.

De factuur, die de leverancier van de goederen of de dienstverrichter uitreikt aan het Centrum, moet de volgende vermelding bevatten : "Vrijstelling van BTW. Artikel 42, § 3, 3°, van het Wetboek" .

2. Invoer.

Artikel 9 van het Akkoord bepaalt dat het Centrum vrijgesteld is "van alle indirecte landelijke en plaatselijke belastingen ten opzichte van de goederen die door het Centrum zelf, of in zijn naam, voor zijn officieel gebruik worden in- of uitgevoerd."

Artikel 10 van het Akkoord bepaalt dat het Centrum vrijgesteld is "van alle landelijke en plaatselijke indirecte belastingen ten opzichte van officiële publikaties die voor het Centrum zijn bestemd of die het naar het buitenland zendt."

Op grond van voornoemde bepalingen is de invoer van goederen en van publikaties verricht door het Centrum voor Industriële Ontwikkeling, voor de uitoefening van zijn officiële werkzaamheden, vrijgesteld van de BTW.

Deze vrijstelling bij invoer wordt verleend onder dekking van een document 136 F.

De vrijstelling kan worden verleend bij rechtstreekse invoer, bij uitslag uit entrepot en bij aanzuivering van een regeling van tijdelijke vrijstelling.

Artikel 11 van het Akkoord bepaalt : "Goederen die aan het Centrum toebehoren, mogen in België niet worden overgedragen, tenzij dit gebeurt onder voorwaarden die door de Belgische wetten en reglementen zijn voorgeschreven."

3. Personeelsleden van het Centrum.

3.1. Invoer.

Artikel 21 van het Akkoord bepaalt : "Onverminderd de verplichtingen welke voor België uit de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en de toepassing van de wetten en voorschriften voortvloeien, genieten de personeelsleden van het Centrum, wanneer zij voor de eerste maal hun functie in België op zich nemen en gedurende een tijdvak van twaalf maanden volgend op het tijdstip waarop zij voor de eerste maal hun functie op zich hebben genomen, het recht hun meubelen en persoonlijke bezittingen, daaronder begrepen een autovoer-

tuig dat voor hun persoonlijk gebruik is bestemd, vrij van rechten in te voeren, en hebben zij het recht, wanneer zij hun functie in België beëindigen, hun meubelen, hun voor persoonlijk gebruik bestemd autovoertuig alsook hun persoonlijke bezittingen vrij van rechten uit te voeren."

De vrijstellingen bedoeld in voornoemd artikel 21 gelden ook voor de belasting over de toegevoegde waarde.

De vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde wordt verleend onder dekking van een document 136 F.

De voornoemde vrijstelling is niet van toepassing voor invoeren verricht door personeelsleden van het Centrum die Belgische onderdanen zijn of in België duurzaam verblijf houden (artikel 22 van het Akkoord).

3.2. Binnenlandse verrichtingen.

De personeelsleden van het Centrum genieten geen enkele vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor de leveringen van goederen en de diensten die hen hier te lande worden verstrekt.

4. Diplomatieke regeling.

De directeur en de adjunct-directeur van het Centrum genieten de voordelen die aan het diplomatiek personeel van de diplomatieke zendingen worden toegekend (artikel 15 van het Akkoord).

De regeling inzake belasting over de toegevoegde waarde uiteengezet in de aanschrijving van 3 januari 1978, nr. 1, is in dit geval toepasselijk (1).

NOOT
(1) De personen aan wie het diplomatiek statuut werd toegekend, genieten slechts van de vrijstelling van de BTW binnen de voorziene perken en op voorwaarde dat zij geen Belgische onderdaan zijn, noch in België duurzaam verblijf houden, noch er een eigen winstgevende activiteit uitoefenen.