Circulaire nr. Ci.RH.26/371.961 dd. 27.12.1984
CIRC 27.12.84/1
Circulaire nr. Ci.RH.26/371.961 dd. 27.12.1984
UITGAVEN VOOR ONDERHOUD EN RESTAURATIE VAN GEKLASSEERDE ONROERENDE GOEDEREN
Algemene commentaar
Commentaar op art. 9, 2°, W. 27.12.1984 houdende fiscale bepalingen en op het KB 14.10.1985 tot aanvulling van het KB/WIB met bepalingen betreffende de uitgaven voor onderhoud en restauratie van geklasseerde goederen.
INHOUDSOPGAVE Nrs. I. Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1 II. Wettelijke en reglementaire bepalingen . . . . . . . . 2 en 3 III. Voorwaarden waaraan de onroerende goederen moeten voldoen : A. De gebouwde onroerende goederen, delen van gebouwde onroerende goederen of landschappen moeten beschermd zijn krachtens de wetgeving (wet of decreet) op het behoud van Monumenten en Landschappen . . . . . . . 4 tot 7 B. Het onroerend goed mag niet verhuurd zijn . . . . . 8 tot 14 C. Het onroerend goed moet toegankelijk zijn voor het publiek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15 en 16 IV. Aard van de werken waarvoor de aftrek geldt . . . . . . 17 tot 19 V. Aftrekbaar bedrag van de uitgaven . . . . . . . . . . . 20 tot 23 VI. Te vervullen formaliteiten . . . . . . . . . . . . . . 24 VII. Inwerkingtreding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25 VIII. Opmerkingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26 en 27 I. INLEIDING 1. Art. 9, 2°, W. 27.12.1984 houdende fiscale bepalingen (V. 1748 - B. 636) en het KB 14.10.1985 (V. 1816 - B 646), waarvan het eerste art. 71, § 1, WIB, met een 9° aanvult en het tweede in het KB/WIB een afdeling VIIquater met een daarbij samengaand art. 47sexies invoegt, strekken ertoe, in het raam van het behoud van het culturele erfgoed, het onderhoud en de restauratie van bepaalde beschermde onroerende goederen of landschappen aan te moedigen.
Voortaan mag de eigenaar van niet in huur gegeven gebouwde onroerende goederen, delen van gebouwde onroerende goederen of landschappen die beschermd zijn overeenkomstig de wetgeving op het behoud van Monumenten en landschappen, sommige uitgaven die hij voor het onderhoud en de restauratie van die goederen heeft gedaan, van zijn gezamenlijk belastbare netto-inkomsten aftrekken.
II. WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE BEPALINGEN
2. Art. 71, WIB
§ 1. Van de gezamenlijke netto-inkomsten van de verschillende in artikel 6 bedoelde categorieën worden afgetrokken, voor zover zij niet konden worden afgetrokken voor de vaststelling van die netto-inkomsten:
3. Art. 47sexies, KB/WIB
§ 1. Voor de toepassing van artikel 71, § 1, 9°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen:
§ 2. Belastingplichtigen die de toepassing van gezegd artikel 71, § 1, 9°, inroepen, voegen bij hun aangifte:
III. VOORWAARDEN WAARAAN DE ONROERENDE GOEDEREN MOETEN
VOLDOEN
A. De gebouwde onroerende goederen, delen van gebouwde onroerende goederen of landschappen moeten beschermd zijn krachtens de wetgeving (wet of decreet) op het behoud van Monumenten en Landschappen
4. Ter zake zijn van toepassing :
5. De bescherming van een onroerend goed als monument (1) en van een landschap (1) geschiedt bij wege van een klasseringsbesluit.
6. Dat besluit moet, al naargelang het geval, worden getroffen :
(cf. art. 1, 1e lid en 6) welke nadien op dit punt is gewijzigd door :
7. Wat uitsluitend het Nederlandse taalgebied betreft, houdt het door de bevoegde instantie genomen verbindend besluit tot bescherming van een stads- of dorpsgezicht of landschap niet in, dat alle gebouwde onroerende goederen in de als stads- of dorpsgezicht of landschap beschermde omgeving afzonderlijk als monument beschermd zijn.
Niettemin zijn alle erin gelegen onroerende goederen gezamenlijk beschermd en met bepaalde erfdienstbaarheden tot openbaar nut bezwaard. Derhalve kunnen deze onroerende goederen in aanmerking komen.
B. Het onroerend goed mag niet verhuurd zijn
8. Voor de toepassing van de in deze circulatie besproken bepalingen, omvat het begrip eigenaar eveneens de bezitter, erfpachter, opstalhouder en vruchtgebruiker.
9. De beschermde gebouwde onroerende goederen, delen ervan of landschappen mogen niet verhuurd zijn gedurende het belastbare tijdperk waarvoor de aftrek wordt gevraagd.
De verhuring gedurende een gedeelte van dat tijdperk sluit elke aftrek uit.
10. Ter zake wordt een occasionele en kosteloze terbeschikkingstelling niet met een verhuring gelijkgesteld.
11. Daar een monument telkens als een feitelijke eenheid wordt beschouwd - zelfs al kan het worden onderverdeeld of gesplitst - is de aftrek niet van toepassing wanneer het zelfs maar gedeeltelijk wordt verhuurd.
12. Is een of ander afzonderlijk gedeelte van een gebouwd onroerend goed beschermd overeenkomstig de geldende wetgeving (BV een gevel of de bedaking), dan mag het onroerend goed waarover het gaat geenszins in huur gegeven zijn.
13. Of een gebouwd of ongebouwd onroerend goed verhuurd of verpacht is, moet per kadastraal perceel worden nagegaan.
14. Behoren de verdiepingen of gedeelten van verdiepingen van een bepaald onroerend goed aan onderscheiden eigenaars toe, dan dient het begrip "niet in huur gegeven zijn" per eigenaar te worden toegepast.
C. Het onroerend goed moet voor het publiek toegankelijk zijn
15. In de praktijk is de toegankelijkheid voor het publiek van een beschermd onroerend goed of gedeelte van een onroerend goed geregeld door een overeenkomst tussen de eigenaar en de bevoegde Executieve of overheid. Volgens de regel geldt deze overeenkomst voor de duur van 10 jaar wanneer het gaat om een onroerend goed of gedeelte van een onroerend goed en voor de duur van 5 jaar wanneer het gaat om binnenin gelegen delen van een onroerend goed.
De bevoegde Executieve of overheid oefent het toezicht uit over de naleving van die overeenkomst.
16. Een beschermd onroerend goed wordt beschouwd voor het publiek toegankelijk te zijn in de zin van art. 47sexies, § 1, 2°, KB/WIB, wanneer het, rekening houdend met zijn specifiek karakter en op advies van de bevoegde Executieve of overheid, als zodanig erkend is, door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde.
IV. AARD VAN DE WERKEN WAARVOOR DE AFTREK GELDT
17. De bedoelde werken voor onderhoud en restauratie zijn die welke, na voorafgaand gunstig advies nopens hun aard, aan de belastingplichtige betekend door de bevoegde Executieve of door de ter zake bevoegde overheid voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, worden gedaan om de betrokken goederen of delen ervan in stand te houden of in hun vroegere staat te herstellen, of om ze te valoriseren op artistiek, wetenschappelijk of esthetisch vlak, of om ze voor het publiek toegankelijk te maken of om die toegankelijkheid aantrekkelijker te maken (cf. art. 47sexies, § 1, 1°, KB/WIB).
18. Wanneer de bevoegde Executieve of overheid vaststelt dat de werken stroken met het advies waarvan sprake in nr. 17, zendt zij aan de belastingplichtige het te dien einde ingevoerde attest (cf. art. 47sexies,
§ 2, b, KB/WIB).
19. In elk geval bevat het attest de volgende gegevens:
20. Ter zake is geen minimum aan uitgaven vereist, maar men mag slechts de helft aftrekken, met een maximum van 250.000 F, van het niet door subsidies gedekte gedeelte van de uitgaven (BTW inbegrepen) die werkelijk tijdens het belastbare tijdperk zijn betaald.
21. De betaling van een voorschot wordt in aanmerking genomen wanneer het op grond van de clausules van het contract definitief door de aannemer verworven is.
22. Bij verandering van eigenaar tijdens het belastbare tijdperk (wegens verkoop, schenking, erfenis, enz.) kan elk van de opeenvolgende eigenaars op de aftrek aanspraak maken, voor zover hij een beslissing op zijn naam heeft verkregen die de toegankelijkheid van het onroerend goed voor het publiek erkent.
23. Wanneer goedgekeurde werken worden uitgevoerd aan de gemene delen (buitenmuren, dak, enz.) van een beschermd onroerend goed dat aan verschillende eigenaars toebehoort, mogen de uitgaven die betrekking hebben op die delen evenredig over de verschillende medeëigenaars worden omgeslagen. De uitgaven van die aard voor het aandeel van een medeëigenaar in de gemene delen, mogen evenwel bij hem niet voor aftrek in aanmerking komen, indien hij zijn individuele eigendom (BV : verdieping of gedeelte ervan) verhuurd heeft.
VI. TE VERVULLEN FORMALITEITEN
24. Krachtens art. 47sexies, § 2, KB/WIB, moet de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen (PB of BNV) van het aanslagjaar waarvoor hij het voordeel van de bepalingen van art. 71, § 1, 9°, WIB, vraagt, de volgende bescheiden voegen :
VII. INWERKINGTREDING
25. De aftrek waarover het hier gaat is met ingang van aj. 1986 van toepassing.
VIII. OPMERKINGEN
26. De belastingplichtige die om de voormelde aftrek verzoekt voor het aj. 1986, maar die voorlopig de beslissing van de Minister van Financiën (of zijn gedelegeerde) inzake de toegankelijkheid niet kan voorleggen (cf. nr. 24, a), dient deze omstandigheid in een bij zijn aangifte gevoegde brief uiteen te zetten. Hij is ertoe gehouden ten spoedigste deze beslissing aan de taxatiedienst te doen geworden.
27. Voor het aj. 1986 (inkomsten van het jaar 1985) is, voor een zelfde onroerend goed, samenvoeging uitgesloten van de in art. 71, § 1, 9°, WIB bepaalde aftrek, met de aftrek voor renovatiekosten waarvan sprake in art. 39 W. 28.12.1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen en het ter uitvoering ervan getroffen KB 22.2.1984 (zie circ. 15.9.1986, nr. Ci.RH.26/358.888, B. 654).
Circulaire nr. Ci.RH.26/371.961 dd. 27.12.1984
UITGAVEN VOOR ONDERHOUD EN RESTAURATIE VAN GEKLASSEERDE ONROERENDE GOEDEREN
Algemene commentaar
Commentaar op art. 9, 2°, W. 27.12.1984 houdende fiscale bepalingen en op het KB 14.10.1985 tot aanvulling van het KB/WIB met bepalingen betreffende de uitgaven voor onderhoud en restauratie van geklasseerde goederen.
INHOUDSOPGAVE Nrs. I. Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1 II. Wettelijke en reglementaire bepalingen . . . . . . . . 2 en 3 III. Voorwaarden waaraan de onroerende goederen moeten voldoen : A. De gebouwde onroerende goederen, delen van gebouwde onroerende goederen of landschappen moeten beschermd zijn krachtens de wetgeving (wet of decreet) op het behoud van Monumenten en Landschappen . . . . . . . 4 tot 7 B. Het onroerend goed mag niet verhuurd zijn . . . . . 8 tot 14 C. Het onroerend goed moet toegankelijk zijn voor het publiek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15 en 16 IV. Aard van de werken waarvoor de aftrek geldt . . . . . . 17 tot 19 V. Aftrekbaar bedrag van de uitgaven . . . . . . . . . . . 20 tot 23 VI. Te vervullen formaliteiten . . . . . . . . . . . . . . 24 VII. Inwerkingtreding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25 VIII. Opmerkingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26 en 27 I. INLEIDING 1. Art. 9, 2°, W. 27.12.1984 houdende fiscale bepalingen (V. 1748 - B. 636) en het KB 14.10.1985 (V. 1816 - B 646), waarvan het eerste art. 71, § 1, WIB, met een 9° aanvult en het tweede in het KB/WIB een afdeling VIIquater met een daarbij samengaand art. 47sexies invoegt, strekken ertoe, in het raam van het behoud van het culturele erfgoed, het onderhoud en de restauratie van bepaalde beschermde onroerende goederen of landschappen aan te moedigen.
Voortaan mag de eigenaar van niet in huur gegeven gebouwde onroerende goederen, delen van gebouwde onroerende goederen of landschappen die beschermd zijn overeenkomstig de wetgeving op het behoud van Monumenten en landschappen, sommige uitgaven die hij voor het onderhoud en de restauratie van die goederen heeft gedaan, van zijn gezamenlijk belastbare netto-inkomsten aftrekken.
II. WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE BEPALINGEN
2. Art. 71, WIB
§ 1. Van de gezamenlijke netto-inkomsten van de verschillende in artikel 6 bedoelde categorieën worden afgetrokken, voor zover zij niet konden worden afgetrokken voor de vaststelling van die netto-inkomsten:
| 1° | tot 8° ... |
| 9° | de helft met een maximum van 250.000 frank van het niet door subsidies gedekte gedeelte van de uitgaven gedaan door de eigenaar van niet in huur gegeven gebouwde onroerende goederen, delen van gebouwde onroerende goederen of landschappen die geklasseerd zijn overeenkomstig de wetgeving op het behoud van Monumenten en Landschappen, met het oog op het onderhoud en de restauratie ervan, voor zover deze onroerende goederen, delen van onroerende goederen of landschappen, toegankelijk zijn voor het publiek; de Koning regelt de uitvoering van deze bepaling en bepaalt onder meer wat moet worden verstaan onder toegankelijk zijn voor het publiek. |
§ 1. Voor de toepassing van artikel 71, § 1, 9°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen:
| 1° | worden beschouwd als uitgaven voor onderhoud en restauratie van geklasseerde gebouwde onroerende goederen, delen van gebouwde onroerende goederen of landschappen, de uitgaven die, met voorafgaand gunstig advies van de bevoegde Executieve nopens de aard van de werken, gedaan zijn om die goederen of delen ervan in stand te houden of in hun vroegere staat te herstellen of om ze te valoriseren op historisch, artistiek, wetenschappelijk of esthetisch vlak of om ze toegankelijk te maken voor het publiek;. |
| 2° | worden diezelfde goederen of delen ervan beschouwd voor het publiek toegankelijk te zijn wanneer zij, rekening houdend met hun specifiek karakter en op advies van de bevoegde Executieve, als zodanig erkend zijn bij beslissing van de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde. |
| a) | het klasseringsbesluit van het betreffende onroerend goed en de beslissing waarbij de toegankelijkheid ervan overeenkomstig § 1, 2°, is erkend; |
| b) | de facturen en de betaalbewijzen van de onderhouds- of restauratiewerken en een attest van de Executieve blijkens hetwelk die werken stroken met haar advies bedoeld in § 1, 1°; |
| c) | een verklaring op eer vermeldend of voor de onderhouds- of restauratiewerken subsidies werden toegezegd, toegekend of betaald en, in bevestigend geval, het bedrag ervan. |
VOLDOEN
A. De gebouwde onroerende goederen, delen van gebouwde onroerende goederen of landschappen moeten beschermd zijn krachtens de wetgeving (wet of decreet) op het behoud van Monumenten en Landschappen
4. Ter zake zijn van toepassing :
| a) | Voor het Nederlandse taalgebied : de W. 7.8.1931 op het behoud van Monumenten en Landschappen (B.S. 5.9.1931), gewijzigd bij decreten van 13.7.1972 (B.S. 7.9.1972, addendum B.S. 8.12.1972) en van 3.3.1976 (B.S. 22.4.1976); |
| b) | Voor het Franse taalgebied: de voormelde W. 7.8.1931 gewijzigd bij decreet 28.6.1976 (B.S. 10.9.1976); |
| c) | Voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en het Duitse taalgebied: de voormelde W. 7.8.1931. |
6. Dat besluit moet, al naargelang het geval, worden getroffen :
- door de Vlaamse Executieve (vóór 22.12.1981, door de Koning);
- door de Franse Gemeenschapsexecutieve (vóór 22.12.1981, door de Koning);
(cf. art. 1, 1e lid en 6) welke nadien op dit punt is gewijzigd door :
- het decreet van 3.3.1976, wat het Nederlandse taalgebied betreft (cf. art. 2)
- het decreet van 28.6.1976, wat het Franse taalgebied betreft (cf. art. 3 en 4).
7. Wat uitsluitend het Nederlandse taalgebied betreft, houdt het door de bevoegde instantie genomen verbindend besluit tot bescherming van een stads- of dorpsgezicht of landschap niet in, dat alle gebouwde onroerende goederen in de als stads- of dorpsgezicht of landschap beschermde omgeving afzonderlijk als monument beschermd zijn.
Niettemin zijn alle erin gelegen onroerende goederen gezamenlijk beschermd en met bepaalde erfdienstbaarheden tot openbaar nut bezwaard. Derhalve kunnen deze onroerende goederen in aanmerking komen.
B. Het onroerend goed mag niet verhuurd zijn
8. Voor de toepassing van de in deze circulatie besproken bepalingen, omvat het begrip eigenaar eveneens de bezitter, erfpachter, opstalhouder en vruchtgebruiker.
9. De beschermde gebouwde onroerende goederen, delen ervan of landschappen mogen niet verhuurd zijn gedurende het belastbare tijdperk waarvoor de aftrek wordt gevraagd.
De verhuring gedurende een gedeelte van dat tijdperk sluit elke aftrek uit.
10. Ter zake wordt een occasionele en kosteloze terbeschikkingstelling niet met een verhuring gelijkgesteld.
11. Daar een monument telkens als een feitelijke eenheid wordt beschouwd - zelfs al kan het worden onderverdeeld of gesplitst - is de aftrek niet van toepassing wanneer het zelfs maar gedeeltelijk wordt verhuurd.
12. Is een of ander afzonderlijk gedeelte van een gebouwd onroerend goed beschermd overeenkomstig de geldende wetgeving (BV een gevel of de bedaking), dan mag het onroerend goed waarover het gaat geenszins in huur gegeven zijn.
13. Of een gebouwd of ongebouwd onroerend goed verhuurd of verpacht is, moet per kadastraal perceel worden nagegaan.
14. Behoren de verdiepingen of gedeelten van verdiepingen van een bepaald onroerend goed aan onderscheiden eigenaars toe, dan dient het begrip "niet in huur gegeven zijn" per eigenaar te worden toegepast.
C. Het onroerend goed moet voor het publiek toegankelijk zijn
15. In de praktijk is de toegankelijkheid voor het publiek van een beschermd onroerend goed of gedeelte van een onroerend goed geregeld door een overeenkomst tussen de eigenaar en de bevoegde Executieve of overheid. Volgens de regel geldt deze overeenkomst voor de duur van 10 jaar wanneer het gaat om een onroerend goed of gedeelte van een onroerend goed en voor de duur van 5 jaar wanneer het gaat om binnenin gelegen delen van een onroerend goed.
De bevoegde Executieve of overheid oefent het toezicht uit over de naleving van die overeenkomst.
16. Een beschermd onroerend goed wordt beschouwd voor het publiek toegankelijk te zijn in de zin van art. 47sexies, § 1, 2°, KB/WIB, wanneer het, rekening houdend met zijn specifiek karakter en op advies van de bevoegde Executieve of overheid, als zodanig erkend is, door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde.
IV. AARD VAN DE WERKEN WAARVOOR DE AFTREK GELDT
17. De bedoelde werken voor onderhoud en restauratie zijn die welke, na voorafgaand gunstig advies nopens hun aard, aan de belastingplichtige betekend door de bevoegde Executieve of door de ter zake bevoegde overheid voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, worden gedaan om de betrokken goederen of delen ervan in stand te houden of in hun vroegere staat te herstellen, of om ze te valoriseren op artistiek, wetenschappelijk of esthetisch vlak, of om ze voor het publiek toegankelijk te maken of om die toegankelijkheid aantrekkelijker te maken (cf. art. 47sexies, § 1, 1°, KB/WIB).
18. Wanneer de bevoegde Executieve of overheid vaststelt dat de werken stroken met het advies waarvan sprake in nr. 17, zendt zij aan de belastingplichtige het te dien einde ingevoerde attest (cf. art. 47sexies,
§ 2, b, KB/WIB).
19. In elk geval bevat het attest de volgende gegevens:
- het feit dat de werken stroken met het aanvankelijke advies;
- de omschrijving en de ligging van de onroerende goederen waaraan de werken zullen worden uitgevoerd;
- de datum van het besluit waarbij het onroerend goed werd beschermd als monument of de datum van het besluit tot bescherming van het stads- of dorpsgezicht of landschap waarin het onroerend goed is opgenomen.
20. Ter zake is geen minimum aan uitgaven vereist, maar men mag slechts de helft aftrekken, met een maximum van 250.000 F, van het niet door subsidies gedekte gedeelte van de uitgaven (BTW inbegrepen) die werkelijk tijdens het belastbare tijdperk zijn betaald.
21. De betaling van een voorschot wordt in aanmerking genomen wanneer het op grond van de clausules van het contract definitief door de aannemer verworven is.
22. Bij verandering van eigenaar tijdens het belastbare tijdperk (wegens verkoop, schenking, erfenis, enz.) kan elk van de opeenvolgende eigenaars op de aftrek aanspraak maken, voor zover hij een beslissing op zijn naam heeft verkregen die de toegankelijkheid van het onroerend goed voor het publiek erkent.
23. Wanneer goedgekeurde werken worden uitgevoerd aan de gemene delen (buitenmuren, dak, enz.) van een beschermd onroerend goed dat aan verschillende eigenaars toebehoort, mogen de uitgaven die betrekking hebben op die delen evenredig over de verschillende medeëigenaars worden omgeslagen. De uitgaven van die aard voor het aandeel van een medeëigenaar in de gemene delen, mogen evenwel bij hem niet voor aftrek in aanmerking komen, indien hij zijn individuele eigendom (BV : verdieping of gedeelte ervan) verhuurd heeft.
VI. TE VERVULLEN FORMALITEITEN
24. Krachtens art. 47sexies, § 2, KB/WIB, moet de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen (PB of BNV) van het aanslagjaar waarvoor hij het voordeel van de bepalingen van art. 71, § 1, 9°, WIB, vraagt, de volgende bescheiden voegen :
| a) | een voor eensluidend verklaarde kopie van het klasseringsbesluit van het betreffende onroerend goed en de beslissing van de Minister van Financiën (of zijn gedelegeerde) betreffende de toegankelijkheid overeenkomstig art. 47sexies, § 1, 2°, KB/WIB; |
| b) | de facturen en de bewijzen van betaling van de uitgevoerde werken, alsmede het attest van de bevoegde Executieve of overheid ( f. nr. 18), blijkens hetwelk die werken stroken met haar eerder uitgebracht advies omtrent de aard van de werken (art. 47sexies, § 1, 1°, KB/WIB); |
| c) | een verklaring op eer waaruit blijkt dat voor de onderhouds- of restauratiewerken al dan niet subsidies werden toegezegd, toegekend of betaald en, in voorkomend geval, het bedrag ervan. |
25. De aftrek waarover het hier gaat is met ingang van aj. 1986 van toepassing.
VIII. OPMERKINGEN
26. De belastingplichtige die om de voormelde aftrek verzoekt voor het aj. 1986, maar die voorlopig de beslissing van de Minister van Financiën (of zijn gedelegeerde) inzake de toegankelijkheid niet kan voorleggen (cf. nr. 24, a), dient deze omstandigheid in een bij zijn aangifte gevoegde brief uiteen te zetten. Hij is ertoe gehouden ten spoedigste deze beslissing aan de taxatiedienst te doen geworden.
27. Voor het aj. 1986 (inkomsten van het jaar 1985) is, voor een zelfde onroerend goed, samenvoeging uitgesloten van de in art. 71, § 1, 9°, WIB bepaalde aftrek, met de aftrek voor renovatiekosten waarvan sprake in art. 39 W. 28.12.1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen en het ter uitvoering ervan getroffen KB 22.2.1984 (zie circ. 15.9.1986, nr. Ci.RH.26/358.888, B. 654).
Bron: FisconetPlus
