Circulaire AAFisc nr. 23/2015 (nr. Ci.701.256) d.d. 03.06.2015
Boek II van het Wetboek diverse rechten en taxen
Taks op de effecten aan toonder - Vernietiging door het Grondwettelijk Hof – Gevolgen - Administratieve en gerechtelijke geschillen
Federale Overheidsdienst FINANCIEN
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Operationele Expertise en Ondersteuning
Dienst Geschillen
Geschillen
Algemene Administratie van de Fiscaliteit
Administratie Grote Ondernemingen
Managementondersteuning
Aan alle ambtenaren van de controlecentra "Grote ondernemingen" en van "Eupen"
1. Het doel van deze circulaire is de bespreking van de gevolgen van het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 12/2015, van 05.02.2015, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 27.02.2015, betreffende de taks op de effecten aan toonder. Met dit arrest heeft het Grondwettelijk Hof de artikelen 61 tot 68 en 69, alinea 2 van de wet van 28.12.2011 houdende diverse bepalingen vernietigd waardoor de taks op de effecten aan toonder (die door deze bepalingen werd ingevoerd door de toevoeging van de artikelen 167 tot 172^2 van het Wetboek diverse rechten en taksen) wordt vernietigd.
Het betreft de belasting op de omzetting van effecten aan toonder in gedematerialiseerde effecten of effecten op naam, welke voor 2012 werd vastgesteld op 1% en voor 2013 op 2%.
I. Draagwijdte van het arrest
2. Het Grondwettelijk Hof steunt zich op het arrest van het Europees Hof van Justitie waarmee werd geantwoord op de in deze zaak gestelde prejudiciële vraag (arrest 68/2013 van 16.05.2013): "Dient artikel 5, lid 2, van de richtlijn 2008/7/EG van de Raad van 12.02.2008 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen het heffen van een belasting op een bij wet verplichte omzetting van effecten aan toonder in effecten op naam of in gedematerialiseerde effecten, en zo ja, kan zulk een belasting worden verantwoord op grond van artikel 6 van de voormelde richtlijn?".
3. Met het arrest van 09.10.2014, uitgesproken in de zaak C-299/13, heeft het Europees Hof van Justitie het volgende geoordeeld:
"(…) Door een taks op deze omzetting in te voeren, komt artikel 167 van het Wetboek in werkelijkheid erop neer dat een belasting wordt geheven op de uitgifte zelf van dat effect voor zover deze integrerend deel uitmaakt van een globale verrichting voor het bijeenbrengen van kapitaal, met als gevolg dat afbreuk wordt gedaan aan de nuttige werking van artikel 5, lid 2, sub a, van de richtlijn (zie in die zin arresten FECSA en ACESA, EU: C: 1998: 508, punten 18 en 19, en Commissie/België, EU: C: 2004: 450, punten 32 en 33).
Daaruit volgt dat artikel 5, lid 2, sub a, van richtlijn 2008/7 aldus moet worden uitgelegd dat het verbod om de uitgifte van aandelen aan een indirecte belasting, in welke vorm ook, te onderwerpen, zich verzet tegen een belasting op de omzetting van reeds uitgegeven aandelen aan toonder in gedematerialiseerde effecten of in effecten op naam als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde taks.
Aangaande de vraag of een dergelijke belasting kan worden verantwoord op grond van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/7, krachtens hetwelk de lidstaten een belasting op de overdracht van roerende waarden kunnen heffen, heeft het Hof reeds gepreciseerd dat artikel 12 van richtlijn 69/335, waarvan de bewoordingen in wezen overeenkomen met die van artikel 6 van richtlijn 2008/7, een uitzondering vormt op het principiële verbod op belastingen die dezelfde kenmerken vertonen als het inbrengrecht (arrest Grillo Star Fallimento, C 443/09, EU: C: 2012: 213, punt 28). Deze bepaling, die als uitzondering op het verbod van belastingheffing strikt moet worden uitgelegd, kan geen toepassing vinden in het geval van een belasting op de omzetting van aandelen aan toonder als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde taks.
Bij deze omzetting worden aandelen aan toonder immers omgezet in gedematerialiseerde effecten of in effecten op naam, zonder dat een recht van een eerste houder op een tweede houder overgaat.
Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 5, lid 2, van richtlijn 2008/7 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de heffing van een belasting op de omzetting van effecten aan toonder in effecten op naam of in gedematerialiseerde effecten als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde taks. Een dergelijke belasting kan niet worden verantwoord op grond van artikel 6 van deze richtlijn.".
4. Op deze basis en rekening houdend met de door tegenpartij aangevoerde verschillen in behandeling die niet redelijkerwijze kunnen worden verantwoord (gelet op de hierboven vermelde bepalingen van de richtlijn 2008/7/CE zoals deze werden geïnterpreteerd door het Hof van Justitie in voormeld arrest), vernietigt het Grondwettelijk Hof de artikelen 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 68 en 69, alinea 2, van de wet van 28.12.2011 houdende diverse bepalingen.
II. Gevolgen van het arrest
5. Aangezien het een arrest betreft naar aanleiding van een beroep tot vernietiging, heeft dit arrest "absoluut gezag van gewijsde vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad" (art. 9, § 1 van de bijzondere wet van 06.01.1989 op het Grondwettelijk Hof, BS 07.01.1989).
6. De uitgevoerde betalingen:
1° door de tussenpersonen van beroep wanneer de effecten aan toonder zijn ingeschreven op een effectenrekening ten gevolge van een neerlegging door de houder;
2° door de uitgevende vennootschappen wanneer de titels zijn neergelegd met het oog op een omzetting in effecten op naam (art 170, Wetboek diverse rechten en taksen), zijn onverschuldigd geworden als gevolg van de vernietiging van de onder nr. 4 supra bedoelde bepalingen.
Enkel de belastingschuldigen kunnen de terugbetaling van de gedane betalingen bekomen.
7. De Bijzondere wet op het Arbitragehof (Grondwettelijk Hof) voorziet in specifieke gevolgen voor arresten uitgesproken na een verzoek tot vernietiging:
a. mogelijkheden tot intrekking van beslissingen van een burgerlijk gerecht die in kracht van gewijsde zijn gegaan, in zoverre zij gegrond is op een bepaling van een wet die vervolgens is vernietigd door het Grondwettelijk Hof en voor zover de vordering tot intrekking wordt ingesteld binnen de 6 maanden na de bekendmaking van het arrest in het Belgisch Staatsblad (zie art. 16);
b. niettegenstaande de door de wetten en bijzondere verordeningen bepaalde termijnen verstreken zijn, kan tegen de handelingen en verordeningen van de verschillende bestuursorganen alsook tegen de beslissingen van andere gerechten dan die bedoeld in artikel 16 van deze wet, voor zover die gegrond zijn op een bepaling van een wet, die vervolgens door het Grondwettelijk Hof is vernietigd, of op een verordening ter uitvoering van zodanige norm, al naar het geval, elk administratief of rechterlijk beroep worden ingesteld dat daartegen openstaat, binnen zes maanden na de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof in het Belgisch Staatsblad (art. 18, Bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof).
8. Het Wetboek diverse rechten en taksen voorziet evenwel niet in een georganiseerd administratief beroep, zodat de termijn van 6 maanden niet van toepassing is in de procedure tot terugbetaling in de administratieve fase.
Enkel artikel 202^4 van het Wetboek diverse rechten en taksen bepaalt dat "De moeilijkheden die in verband met de heffing of de invordering van de diverse rechten en taksen vóór het inleiden der gedingen kunnen oprijzen, worden door de Minister van Financiën of de door hem gemachtigde ambtenaar opgelost".
Ook wanneer een administratief beroep werd ingediend vóór het uitgesproken arrest of vóór de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad met het oog op het bekomen van de terugbetaling van de vernietigde belasting, moet dit beroep ontvankelijk worden verklaard.
9. In artikel 202^8 van het Wetboek diverse rechten en taksen wordt bepaald: "Elke rechtsvordering tot terugbetaling van diverse rechten en taksen of van fiscale boeten verjaart na afloop van twee jaar vanaf de dag waarop de rechtsvordering is ontstaan".
De bekendmaking van het vernietigingsarrest nr. 12/2015 van 05.02.2015 heeft plaats gehad op 27.02.2015 en doet vanaf die dag voor de schuldenaren van de taks het recht tot terugbetaling ontstaan.
10. Om de terugbetaling van de vernietigde taks te bekomen, kunnen de belastingplichtigen een verzoek indienen bij het Controlecentrum Grote Ondernemingen (1), behalve voor de gemeenten die zich in het Duits taalgebied bevinden waarvoor het Controlecentrum te Eupen bevoegd is (2) (zie beslissing van de Voorzitter van het directiecomité van 23.12.2014, MB van 20.01.2015, p. 2646, in werking getreden op 01.01.2015).
Bij het indienen van de aanvraag moeten de belastingschuldigen het bewijs leveren van de betaling van de taks, ofwel bij het 6° registratiekantoor, dat niet meer bevoegd is voor de inning van de taksen. Deze werd overgedragen aan de Algemene Administratie van de Fiscaliteit met het koninklijk besluit van 04.04.2014 (BS van 23.04.2014, blz. 34502), meer bepaald vanaf 01.01.2015 aan het Inningscentrum – Dienst diverse taksen (3).
Wanneer de vraag tot terugbetaling werd ingediend door een mandataris van de belastingschuldige, met uitzondering van een advocaat, moet het mandaat worden voorgelegd bij de indiening van de aanvraag.
11. In artikel 204^3 Wetboek diverse rechten en taksen wordt bepaald: "De moratoire interesten op de in te vorderen of terug te betalen sommen zijn verschuldigd volgens het voor de burgerlijke zaken vastgesteld bedrag en, behalve andersluidende bepaling in deze samengeschakelde wetten, volgens de voor dezelfde zaken vastgestelde regelen.".
Overeenkomstig artikel 1153 BW zijn intresten verschuldigd vanaf de dag van de aanmaning tot betaling. Hiervoor is niet noodzakelijk vereist dat dit gebeurt door betekening van een gerechtsdeurwaardersexploot. Het kan ook onder de vorm van een aangetekende brief voor zover in die brief "op een duidelijke en ondubbelzinnige manier en met de nodige aandrang" aan de schuldenaar te kennen wordt gegeven dat hij zijn verbintenissen dient na te leven (zie Cass. 25.11.1991, J.T., 1992, p. 221; 26.10.1992, PASICRISIE BELGE, 1992, p. 1202; H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, t. III, nr. 80).
Een gewone vraag tot terugbetaling die de administratieve procedure laat aanvangen, heeft dus niet tot gevolg dat de moratoriumintresten beginnen te lopen. Een gemotiveerde brief waarbij de Staat wordt uitgenodigd om de ontvangen sommen, verhoogd met de moratoriumintresten (de intresten moeten dus uitdrukkelijk worden gevraagd) terug te betalen en die in het voorkomend geval een duidelijke aanduiding bevat van de te crediteren bankrekening, is daarentegen te beschouwen als een ingebrekestelling en vormt het beginpunt van de moratoriumintresten, wanneer deze met een ter post aangetekende brief wordt verzonden.
12. Voor diegenen die een voorziening bij de fiscale rechtbanken hebben ingediend voor het bekomen van de terugbetaling van de vernietigde taks, verhoogd met moratoriumintresten (soms zelfs voor de uitspraak van het arrest van het Grondwettelijk Hof of na de uitspraak van het Europees Hof van Justitie van 09.10.2014 (zie nr. 3)) waarbij zonder twijfel het vermijden van enige betwisting omtrent de "aanmaning tot betalen" wordt beoogd, kan, daar waar eigenlijk een deurwaardersexploot vereist is, de gerechtelijke dagvaarding beschouwd worden als een dergelijk exploot.
In principe is een reeds verkregen en dadelijk belang een noodzakelijke voorwaarde om een gerechtelijke vordering tot terugbetaling van de vernietigde taksen in te stellen. Dit belang ontstaat pas vanaf de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof in het Belgisch Staatsblad, zijnde 27.02.2015.
Teneinde geen lange procedures te creëren, is de administratie van oordeel dat de verzoekschriften tot terugbetaling, die werden ingediend vóór de publicatie in het Belgisch Staatsblad, moeten worden ingewilligd, zodat in deze zaken snel akkoordconclusies kunnen worden opgesteld. Hierbij moet evenwel rekening worden gehouden dat het vertrekpunt van de toekenning van de moratoriumintresten, niettegenstaande de aanmaning tot betaling, 27.02.2015 is en dat pas vanaf die datum intresten verschuldigd zijn.
Wanneer akkoordconclusies worden overeengekomen, kan een gezamenlijk verzoek tot vaststelling van rechtsdag worden ingediend.
13. Als er zich problemen zouden voordoen bij de uitvoering van deze instructie, zowel op administratief of gerechtelijk vlak, kan het advies gevraagd worden van de dienst geschillen van de centrale diensten van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, Operationele Expertise en Ondersteuning.
14. Deze circulaire is onmiddellijk van toepassing. De behandeling van de vragen tot terugbetaling moet onmiddellijk worden aangevat.
Namens de Minister:
De Administrateur Grote Ondernemingen, tijdelijk belast met de functie van Administrateur-generaal van de Fiscaliteit,
Philippe JACQUIJ
----------
(1) Adviseur generaal – Gewestelijk directeur van het Controlecentrum Grote Ondernemingen
Finance Tower
Kruidtuinlaan 50, bus 3350
1000 BRUSSEL.
(2) Adviseur generaal – Gewestelijk directeur van het Controlecentrum te Eupen
Rue de Verviers 8
4700 EUPEN.
(3) Zie hieromtrent artikel 4 van het besluit van de Voorzitter van het directiecomité van 22.12.2014 en de bijlagen (BS van 07.01.2015): Het is het Inningscentrum – Dienst diverse taksen die belast is met het innen van de diverse taksen die werden betaald vóór het uitvaardigen van een dwangschrift (uitvoerbare titel). Deze dienst is eveneens belast met het ontvangen en behandelen van de aangiften inzake de diverse taksen.
