Circulaire AAFisc Nr. 46/2014 (nr. Ci.A.41/635.970) dd. 23.12.2014

Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Operationele Expertise en Ondersteuning

Dienst Geschillen

Inkomstenbelasting

Circulaire AAFisc nr. 46/2014 (nr. Ci.A.41/635.970) dd. 23.12.2014

Verkeersbelasting

Inschrijving van de voertuigen

In het buitenland ingeschreven voertuigen

I. INLEIDING

1. Deze circulaire becommentarieert het koninklijk besluit van 18.06.2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 20.07.2001 betreffende de inschrijving van de voertuigen (BS van 05.09.2014) en bespreekt de fiscale gevolgen op het gebied van de controle en de eventuele belasting op voertuigen die in het buitenland zijn ingeschreven en op de openbare weg in België in het verkeer worden gebracht door personen die in België verblijven.

Zij vervangt de circulaire nr. Ci.A.41/627.535 (AAFisc nr. 28/2013) dd. 11.07.2013.

1.1. Artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 20.07.2001 betreffende de inschrijving van voertuigen (B.S., 08.08.2001) verplicht de in België verblijvende personen de voertuigen die zij er gebruiken in België in te schrijven, zelfs wanneer deze voertuigen reeds in een ander land zijn ingeschreven.

Bepaalde voertuigen kunnen verder in België worden gebruikt door personen die er verblijf houden met behoud van hun buitenlandse inschrijving.

Paragraaf 2 van voormeld artikel die de uitzonderingen op het principe van de verplichting van inschrijving bepaalt werd gewijzigd door het koninklijk besluit van 18.06.2014. Deze tweede paragraaf bepaalt voortaan dat:

"§ 2. In de hierna volgende gevallen echter is de inschrijving in België van voertuigen die in het buitenland zijn ingeschreven en in het verkeer worden gebracht door de personen bedoeld in § 1 niet verplicht voor:

1° het motorvoertuig dat door een buitenlands dienstverlenend bedrijf voor hoogstens 6 maanden, niet hernieuwbaar, wordt verhuurd aan een persoon bedoeld in § 1; het huurcontract op naam van diegene die het voertuig in het verkeer brengt, dient zich aan boord van het voertuig te bevinden, ondertekend en gedateerd;

2° het voertuig dat een natuurlijke persoon gebruikt in de uitoefening van zijn beroep en in bijkomende orde voor privédoeleinden, en dat door een buitenlandse werkgever of opdrachtgever aan deze persoon wordt ter beschikking gesteld; een kopie van de arbeidsovereenkomst of opdracht dient zich aan boord van het voertuig te bevinden, evenals een door de buitenlandse werkgever of opdrachtgever opgesteld document waaruit blijkt dat laatstgenoemde het voertuig heeft ter beschikking gesteld van deze persoon;

3° het personenvoertuig bestuurd door een ambtenaar die in België verblijft en werkt voor een internationale instelling gelegen in een andere lidstaat van de Europese Unie: een door de werkgever afgeleverde accreditatiekaart dient zich aan boord van het voertuig te bevinden;

4° het voertuig waarvan die persoon eigenaar is die als tijdelijk afwezige persoon wordt beschouwd in de zin van artikel 18, 6°,6°bis, 8° en 9° van het koninklijk besluit van 16.07.1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister en waarbij dit laatste niet langer dan zes maanden zonder onderbreking in België wordt gestald;

5° de aanhangwagen die voor hoogstens zes maand in het verkeer wordt gebracht;

6° het voertuig dat ten kosteloze titel ter beschikking wordt gesteld van een natuurlijke persoon bedoeld in § 1 gedurende een periode van hoogstens één maand; een door de buitenlandse titularis opgesteld document dient zich aan boord van het voertuig te bevinden, waaruit blijkt dat laatstgenoemde toestemming verleent om het voertuig te gebruiken voor een bepaalde periode, met vermelding van de einddatum;

7° het voertuig dat wordt gebruikt door een in het buitenland verblijf houdende student gedurende de effectieve duurtijd van zijn studies, en die enkel in België verblijft om zijn studies verder te zetten in een in België gevestigde onderwijsinrichting. Het geldig attest van zijn laatste inschrijving in voornoemde onderwijsinrichting dient zich aan boord van het voertuig te bevinden.

1.2. Er moet worden opgemerkt dat er in het punt 2° van de tekst die in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd een verschil is tussen de Franse en de Nederlandse versie.

De Nederlandse versie bepaalt immers dat "(…) een kopie van de arbeidsovereenkomst of opdracht dient zich aan boord van het voertuig te bevinden, evenals een door de buitenlandse werkgever of opdrachtgever opgesteld document waaruit blijkt dat laatstgenoemde het voertuig heeft ter beschikking gesteld van die persoon" terwijl de Franse versie bepaalt dat "(…) une copie du contrat de travail ou de l'ordre doit se trouver à bord du véhicule, ainsi qu'un document établi par l'employeur étranger montrant que celui-ci a mis le véhicule à disposition de cette personne".

Het gaat vanzelfsprekend om een materiële vergissing bij de vertaling en de Franse versie moet als volgt worden gelezen: "(…) une copie du contrat de travail ou de l'ordre doit se trouver à bord du véhicule, ainsi qu'un document établi par l'employeur ou le donneur d’ordre étranger montrant que celui-ci a mis le véhicule à disposition de cette personne".

1.3. Er moet ook aan worden herinnerd dat op het ogenblik van de publicatie van deze circulaire, de FOD Financiën enkel nog de dienst van de verkeersbelasting verzekert namens en voor rekening van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.

Deze circulaire betreft dus enkel nog de natuurlijke personen die ingeschreven zijn in het bevolkingsregister van een gemeente die deel uitmaakt van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.

1.4. Het koninklijk besluit van 18.06.2014 is in werking getreden op 01.10.2014.

II. PRAKTISCHE RICHTLIJNEN

2. Hierna worden de vrijstellingen van verkeersbelasting besproken die het gevolg zijn van de reglementaire uitzonderingen op de verplichting tot inschrijving in België van een voertuig dat reeds in het buitenland is ingeschreven en in België door een Belgische verblijfhouder in het verkeer wordt gebracht.

2.1. Ter beschikkingstelling van een voertuig in het kader van een huurcontract door een buitenlands professioneel dienstverlenend bedrijf (art. 3, § 2, 1°, KB 20.07.2001)

Het KB van 18.06.2014 heeft de uitzondering bepaald in artikel 3, § 2, 1°, KB 20.07.2001 niet gewijzigd. Volgens deze bepaling is de inschrijving niet verplicht voor "het motorvoertuig dat door een buitenlands dienstverlenend bedrijf voor hoogstens 6 maanden, niet hernieuwbaar, wordt verhuurd aan een persoon bedoeld in § 1; het huurcontract op naam van diegene die het voertuig in het verkeer brengt, dient zich aan boord van het voertuig te bevinden, ondertekend en gedateerd."

Het huurcontract op naam van diegene die het voertuig in het verkeer brengt moet zich, ondertekend en gedateerd, aan boord van het voertuig bevinden.

Het voorleggen van dit huurcontract aan de controleambtenaren volstaat om de niet inschrijving en het niet betalen van de verkeersbelastingen in België te verrechtvaardigen.

Omgekeerd brengt de afwezigheid van dit document aan boord van het voertuig automatisch het verschuldigd zijn van de belasting met zich mee.

2.2. Het voertuig ter beschikking gesteld in het kader van een arbeidscontract (art. 3, § 2, 2°, KB 20.07.2001)

Het KB van 18.06.2014 heeft de uitzondering bepaald door artikel 3, § 2, 2°, van het KB van 20.07.2001 gewijzigd.

Dit artikel bepaalt voortaan dat de inschrijving niet verplicht is voor "het voertuig dat een natuurlijke persoon gebruikt in de uitoefening van zijn beroep en in bijkomende orde voor privédoeleinden, en dat door een buitenlandse werkgever of opdrachtgever aan deze persoon wordt ter beschikking gesteld; een kopie van de arbeidsovereenkomst of opdracht dient zich aan boord van het voertuig te bevinden, evenals een door de buitenlandse werkgever of opdrachtgever opgesteld document waaruit blijkt dat laatstgenoemde het voertuig heeft ter beschikking gesteld van deze persoon."

2.2.1. Vrijstelling ten voordele van natuurlijke personen die met een buitenlandse werkgever verbonden zijn door een arbeidscontract

Zoals in de circulaire nr. Ci.A.41/627.535 (AAFisc nr. 28/2013) d.d. 11.07.2013, werd uiteengezet, moest een Belgische verblijfhouder die een voertuig (personenauto, auto voor dubbelgebruik, minibus of motorfiets), ter beschikking gesteld door zijn in het buitenland gevestigde werkgever, gebruikte voor onder andere het woon-werkverkeer verplicht contact opnemen met de eerstaanwezend inspecteur van de BTW van zijn woonplaats met het oog op het bekomen van een attest zoals bepaald in het KB van 20.07.2001 betreffende de inschrijving van de voertuigen. Geen enkele controle op de verkeersbelasting werd uitgeoefend wanneer de bestuurder het kwestieus attest kon voorleggen aan de met de controle belaste ambtenaren.

Sedert 01.10.2014 is de vereiste van een BTW-attest aan boord van het voertuig afgeschaft. Het attest is vervangen door de volgende twee documenten:

- een kopie van het arbeidscontract van de natuurlijke persoon die het voertuig gebruikt;

- een document opgesteld door de buitenlandse werkgever waaruit blijkt dat hij het voertuig ter beschikking stelt van de werknemer.

Buiten de wijziging van de aard van de documenten die zich aan boord van het voertuig moeten bevinden, kan men vaststellen dat de voorwaarde betreffende de "hoedanigheid" van de begunstigde van de vrijstelling niet werd gewijzigd: de begunstigde van de vrijstelling van de verkeersbelasting gekoppeld aan de vrijstelling van inschrijving is de Belgische verblijfhouder, in zijn hoedanigheid van bezoldigde werknemer voor rekening van de buitenlandse werkgever die het voertuig ter beschikking stelt.

Het gebruik op de openbare weg in België moet worden beperkt tot de woon-werkverplaatsingen en bijkomstig, tot de louter privé-verplaatsingen van de werknemer.

Deze laatste is de enige persoon die het voertuig mag gebruiken.

De administratie beschouwt voortaan ook dat de dienstvoertuigen eveneens onder de toepassing vallen van art. 3, § 2, 2°, KB 20.07.2001, en dit onder dezelfde voorwaarden.

Hiermee wordt het geval beoogd van voertuigen die toebehoren aan een buitenlandse vennootschap (op haar naam ingeschreven) en die ter beschikking worden gesteld van één of meerdere werknemers (Belgische verblijfhouders) in het kader van de uitvoering van dienstopdrachten op het Belgisch grondgebied.

Het gaat concreet om voertuigen (personenauto’s, vrachtauto’s en lichte vrachtauto’s, …) die gedurende de werkdag ter beschikking zijn gesteld van loontrekkers van de onderneming om leveringen en dienstenprestaties te verrichten, zoals technische opdrachten en/of commerciële bezoeken, voor rekening van de werkgever, bij in België gevestigde klanten.

2.2.2. Uitbreiding ten voordele van natuurlijke personen die verbonden zijn aan een buitenlandse opdrachtgever

Het voordeel van de vrijstelling van verkeersbelasting gekoppeld aan de vrijstelling van inschrijving in België geldt voortaan ook voor de natuurlijke personen die door een opdracht aan een buitenlandse opdrachtgever zijn verbonden.

Deze expliciete uitbreiding van het toepassingsveld van artikel 3, § 2, 2°, KB 20.07.2001 ten voordele van deze personen, heeft duidelijk de integratie van de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie tot doel die stelt dat "de artikelen 43 EG en 49 EG aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan van een nationale regeling van een lidstaat, zoals die in het hoofdgeding, volgens welke een in die lidstaat wonende zelfstandige verplicht is tot inschrijving in die lidstaat van een voertuig waarvoor hij een leasecontract heeft gesloten met een in een andere lidstaat gevestigde vennootschap, wanneer dat voertuig niet hoofdzakelijk bestemd is voor duurzaam gebruik in eerstgenoemde lidstaat en daar feitelijk ook niet duurzaam wordt gebruikt." (Ordonnantie van 24.10.2008 inzake Marc Vandermeir versus Belgische Staat - FOD Financiën, C 364/08).

In dat opzicht zijn de Belgische verblijfhouders die het beroep van zelfstandige uitoefenen, vrijgesteld van de verplichting tot inschrijving van hun voertuig in België en van het betalen van de verkeersbelasting als ze kunnen aantonen dat ze een werkelijke beroepsactiviteit uitoefenen in de lidstaat waarin het gebruikte voertuig werd ingeschreven.

De stille vennoot en de aandeelhouder van een vennootschap beperken zich tot het innen van de vruchten van hun investeringen in de vennootschap zonder er een werkelijke activiteit uit te oefenen. Daar ze niet onderworpen zijn aan het sociaal statuut van zelfstandige werknemers in België, kunnen ze niet genieten van het door het KB van 20.07.2001 bepaalde uitzonderingsregime.

De werkende vennoot en de mandataris van de vennootschap (zaakvoerder of bestuurder van de vennootschap) kunnen het uitzonderingsregime genieten op voorwaarde dat ze voor hun werkzaamheid worden bezoldigd. Hun mandaat mag bijgevolg niet ten kosteloze titel worden uitgeoefend.

Volgende documenten moeten zich verplicht aan boord van het voertuig bevinden:

- een kopie van de opdracht;

- een document opgesteld door de buitenlandse opdrachtgever waaruit blijkt dat hij het voertuig ter beschikking heeft gesteld van de natuurlijke persoon die het gebruikt.

Wanneer het om een zaakvoerder, aandeelhouder of bestuurder van een buitenlandse vennootschap gaat, moeten zich volgende documenten aan boord van het voertuig bevinden:

- een kopie van de statuten van de vennootschap waaruit de hoedanigheid van werkende vennoot, zaakvoerder of bezoldigde bestuurder blijkt;

- een leasingcontract of de overeenkomst waardoor het voertuig ter beschikkingstelling wordt gesteld.

Wanneer een Belgische verblijfhouder zijn beroep van zelfstandige natuurlijke persoon uitoefent in een andere lidstaat in het kader van een werkelijke activiteit (die kan worden bevestigd door het bestaan van een kantoor, een cliënteel en door een controle van de sociale zekerheidsdienst van het land waar de activiteit wordt uitgeoefend) en die rijdt in een voertuig dat hij ten persoonlijke titel in leasing heeft genomen zonder dat het ter beschikking werd gesteld door een buitenlandse opdrachtgever met wie hij een contract heeft afgesloten, moeten aan boord van het voertuig de volgende documenten aanwezig zijn:

- een kopie van het of de lopende bedrijfscontracten;

- het leasingcontract dat tussen de buitenlandse leasingmaatschappij en de zelfstandige natuurlijke persoon werd afgesloten.

Deze laatste is de enige persoon die het voertuig mag gebruiken.

2.3. Het voertuig gebruikt door een ambtenaar die in België woont en voor een internationale instelling werkt (art. 3, § 2, 3°, KB 20.07.2001)

Deze uitzondering werd niet gewijzigd door het KB van 18.06.2014.

Volgens deze uitzondering is de inschrijving in België niet verplicht voor "het personenvoertuig bestuurd door een ambtenaar die in België verblijft en werkt voor een internationale instelling gelegen in een andere lidstaat van de Europese Unie: een door de werkgever afgeleverde accreditatiekaart dient zich aan boord van het voertuig te bevinden."

Bij controle brengt het zich niet aan boord bevinden van de accreditatiekaart automatisch het verschuldigd zijn van de belasting met zich mee.

2.4. Het voertuig waarvan de eigenaar als tijdelijk afwezig wordt beschouwd (art. 3, § 2, 4°, KB 20.07.2001)

Deze uitzondering werd niet gewijzigd door het KB van 18.06.2014.

Volgens deze uitzondering is de inschrijving in België niet verplicht voor "het voertuig waarvan die persoon eigenaar is die als tijdelijk afwezige persoon wordt beschouwd in de zin van artikel 18, 6°, 6°bis, 8° en 9° van het koninklijk besluit van 16.07.1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister en waarbij dit laatste niet langer dan zes maanden zonder onderbreking in België wordt gestald."

2.5. De aanhangwagen die voor hoogstens zes maand in het verkeer wordt gebracht (art. 3, § 2, 5°, KB 20.07.2001)

Deze uitzondering werd niet gewijzigd door het KB van 18.06.2014.

Volgens deze uitzondering is de inschrijving in België niet verplicht voor "de aanhangwagen die voor hoogstens zes maand in het verkeer wordt gebracht."

Deze uitzondering werd ingevoerd door het koninklijk besluit van 23 februari tot wijziging van het koninklijk besluit van 20.07.2001 betreffende de inschrijving van voertuigen (B.S., 28.02.2005).

Volgens het verslag aan de koning dat terzelfdertijd werd gepubliceerd, werd hierdoor het volgende beoogd: "tegemoetkomen aan het geval van aanhangwagens ingeschreven in het buitenland en getrokken in België in het kader van een terbeschikkingstelling aan een fysieke persoon of een rechtspersoon verblijvend in België."

2.6. Het voertuig ten kosteloze titel ter beschikking gesteld van een natuurlijke persoon (art. 3, § 2, 6°, KB 20.07.2001)

Het KB van 18.06.2014 heeft aan artikel 3, § 2, KB 20.07.2001 een nieuwe uitzondering toegevoegd door het inlassen van een 6° dat bepaalt dat de inschrijving niet verplicht is voor "het voertuig dat ten kosteloze titel ter beschikking wordt gesteld van een natuurlijke persoon bedoeld in § 1 gedurende een periode van hoogstens één maand; een door de buitenlandse titularis opgesteld document dient zich aan boord van het voertuig te bevinden, waaruit blijkt dat laatstgenoemde toestemming verleent om het voertuig te gebruiken voor een bepaalde periode, met vermelding van de einddatum."

2.6.1. Met deze aanpassing wil men de Belgische reglementering in overeenstemming brengen met de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en meer bepaald met het arrest van 26.04.2012 (gevoegde zaken C-578/10, C-579/10 en C/580/10).

Volgens deze rechtspraak, "moet artikel 56 EG aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat volgens welke zijn inwoners die een in een andere lidstaat geregistreerd voertuig hebben geleend van een inwoner van laatstgenoemde staat, bij aanvang van het gebruik van dit voertuig op het nationale wegennet gehouden zijn tot betaling van het volledige bedrag van een belasting die normaliter verschuldigd is ter zake van de registratie van een voertuig in eerstgenoemde lidstaat, zonder dat rekening wordt gehouden met de duur van het gebruik van dit voertuig op dit wegennet en zonder dat deze personen aanspraak op vrijstelling of teruggaaf kunnen maken wanneer dit voertuig niet is bestemd om hoofdzakelijk in eerstgenoemde lidstaat duurzaam te worden gebruikt of daar feitelijk niet duurzaam wordt gebruikt".

Het KB van 18.06.2014 komt tegemoet aan de kritiek op (1) het feit dat geen rekening wordt gehouden met de duur van het gebruik van het betreffende voertuig op het Belgische wegennet en (2) de onmogelijkheid een recht van vrijstelling of van terugbetaling te doen gelden doordat (1) het voortaan de voertuigen die voor een maximumperiode van één maand ten kosteloze titel ter beschikking worden gesteld van een Belgische verblijfhouder – natuurlijke persoon – voor een maximumperiode van één maand vrijstelt van de verplichting tot inschrijving in België en doordat (2) deze vrijstelling van inschrijving automatisch de vrijstelling van betalen van de verkeersbelasting teweegbrengt.

2.6.2. De vrijstelling van inschrijving en de daarmede gepaard gaande vrijstelling van verkeersbelasting zijn slechts van toepassing indien het document opgesteld door de buitenlandse titularis, waarbij deze laatste de toelating geeft het voertuig gedurende een bepaalde periode te gebruiken met vermelding van de einddatum, zich aan boord van het voertuig bevindt.

De vermelde periode mag niet langer zijn dan één maand.

Bij controle brengt de afwezigheid van dit document automatisch het verschuldigd zijn van de belasting teweeg.

Dit is eveneens het geval indien het document niet alle wettelijk vereiste gegevens bevat (aanduiding van begin en einde van de gebruiksperiode) of indien het voertuig buiten de vermelde periode wordt gebruikt.

2.7. Het voertuig gebruikt door een student gedurende de effectieve duurtijd van zijn studies (art. 3, § 2, 7°, KB 20.07.2001)

Zoals uiteengezet in de circulaire nr. Ci.A41/627.535 (AAFisc nr. 28/2013) d.d. 11.07.2013, beschouwde de administratie reeds dat het voertuig dat gedurende de werkelijke duurtijd van zijn studies gebruikt wordt door een in het buitenland verblijf houdende student en die enkel in België verblijft om zijn studies verder te zetten in een in België gevestigde onderwijsinrichting, niet binnen het toepassingsveld viel van het koninklijk besluit van 20.07.2001 betreffende de inschrijving van de voertuigen en bijgevolg niet onderworpen was aan de verkeersbelasting in België.

Uit artikel 2quater, § 2, c), van het ministerieel besluit van 17.07.1970 tot uitvoering van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (BS van 15.09.1970) volgt immers dat:

"de vrijstelling (van verkeersbelasting) wordt verleend voor de werkelijke duur van de studies wanneer het voertuig wordt gebruikt door een student die in België verblijft, met als enig doel er te studeren."

Deze vrijstelling betreft de voertuigen die opgesomd zijn in artikel 2bis, MB, namelijk de personenauto’s, de auto’s voor dubbel gebruik, de minibussen – de aanhangwagens van deze voertuigen inbegrepen - en de motorfietsen.

Dit standpunt wordt definitief bevestigd door het KB van 18.06.2014. Artikel 3, § 2, 7° dat bepaalt dat voortaan de inschrijving niet verplicht is voor "het voertuig dat wordt gebruikt door een in het buitenland verblijf houdende student gedurende de effectieve duurtijd van zijn studies, en die enkel in België verblijft om zijn studies verder te zetten in een in België gevestigde onderwijsinrichting.

Het geldig attest van zijn laatste inschrijving in voornoemde onderwijsinrichting dient zich aan boord van het voertuig te bevinden."

Bij controle brengt de afwezigheid van het vereiste attest aan boord van het voertuig automatisch het verschuldigd zijn van de belasting teweeg.

III. INWERKINGTREDING

Deze circulaire is van toepassing op alle administratieve of gerechtelijke geschillen die vanaf 01.10.2014 zijn ingediend.

Voor de Administrateur Grote Ondernemingen, tijdelijk belast met de functie van Administrateur-generaal van de Fiscaliteit,

Marianne BALLEUX, Adviseur-generaal