Circulaire nr. Ci.RH.243/547.416 (AOIF 4/2002) dd. 19.02.2002

CIRC 19.02.02/1

Circulaire nr. Ci.RH.243/547.416 (AOIF 4/2002) dd. 19.02.2002


Bull. nr. 824, pag. 1033-1036

BEROEPSKOSTEN
Congreskosten
Kosten van cursussen, stages of seminaries
Uitgave van persoonlijke aard
Voorwaarde van aftrekbaarheid van de beroepskosten
Vrij beroep


Beroepskosten - Uitgaven voor het bijwonen van seminaries in exclusieve en idyllische vakantieoorden.

Het antwoord van de Minister van Financiën op bijgaande parlementaire vraag wordt aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2+ en 2, tot kennisgeving en naricht toegezonden.

Voor de Directeur-generaal :
De Auditeur-generaal van financiën,

G. DELSOIR

Parlementaire vraag nr. 596 van 16 februari 2001, gesteld door Volksvertegenwoordiger Yves LETERME (Bulletin "Vragen en Antwoorden", Kamer, nr. 102 van 11 december 2001, blz. 11.900)

Fiscale behandeling van uitgaven voor cursussen, stages, seminaries en wetenschappelijke congressen.

Het gebeurt meer dan eens dat de industrie de beoefenaars van een vrij beroep voor haar kar tracht te spannen door seminaries te organiseren in een exclusief en idyllisch vakantieoord. Het initiatief kan hierbij echter ook uitgaan van de beoefenaars van de vrije beroepen zelf.

Inzake de fiscale behandeling van de uitgaven (omvattende reiskosten, verblijfkosten, excursies, maaltijden, ...) voor het bijwonen van een dergelijk seminarie in hoofde van de deelnemer zijn er in wezen twee opties al naargelang deze kosten al dan niet kunnen aangemerkt worden als beroepskosten.

Het voorafgaande hangt af van "het verband tussen die uitgaven en de beroepswerkzaamheid, zoals die door de betrokkene op het ogenblik van de feiten wordt uitgeoefend" (Com.IB, 52/209).

Indien deze uitgaven "rechtstreeks in verband staan met de beroepswerkzaamheid" (Com.IB, 52/209) en "ten gevolge van de techniek van die werkzaamheid noodzakelijk zijn" (Com.IB, 52/209) mogen ze als beroepskosten worden afgetrokken. Voorbeeld : de uitgaven in verband met de studie van de osteopathie zijn in hoofde van een kinesist beroepskosten omdat de uitoefening van de osteopathie kan gezien worden als een behandelingswijze (dus niet als een eigenlijk beroep), noodzakelijkerwijze uitgeoefend door een kinesist (Com.IB, 52/210, 4°). Hierbij valt wel te vermelden dat, wanneer deze uitgaven op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen, een gedeelte ervan kan worden verworpen. De reis- en verblijfkosten van de echtgenoot en/of andere personen die de belastingplichtige vergezellen, overdadige hotel- en restaurantkosten kunnen aldus worden verworpen (Com.IB, 52/212).

Indien ze echter verband houden "met een onafhankelijk vak" (Com.IB, 52/209) of met "een tot dusver niet door de betrokkene uitgeoefende beroepswerkzaamheid" (Com.IB, 52/209) worden ze gecatalogeerd als persoonlijke uitgaven in de zin van artikel 53, l°, van het WIB 1992 hetgeen betekent dat ze niet als aftrekbare beroepskosten beschouwd mogen worden. Voorbeeld : de door een verpleegster gemaakte uitgaven voor de studie van een licentie in de ziekenhuiswetenschappen worden gedaan met het oog op het behalen van een diploma dat toegang tot een andere werkzaamheid verleent en zijn dus persoonlijke uitgaven (Com.IB, 52/211, 2°).

1. Zijn er objectieve criteria om uit te maken of de uitgaven voor cursussen, stages, seminaries, wetenschappelijke congressen in hoofde van de belastingplichtige beroepskosten zijn ?

2. Wat doet men in dit verband met de restaurantkosten (algemene regel van 50 % aftrekbaarheid of toch 100 % aftrekbare beroepskost) ?

3. Hoe moet men de kosten van de meereizende echtgenoot/echtgenote aanzien ?

Antwoord :

De vragen van het geachte Lid hebben klaarblijkelijk betrekking op de fiscale behandeling van uitgaven die, inzonderheid door beoefenaars van een vrij beroep, worden gedaan voor het bijwonen van seminaries in exclusieve en idyllische vakantieoorden.

Welnu, in dergelijke gevallen moeten de fiscaal ingebrachte kosten door de belastingambtenaar aan een nauwgezet onderzoek worden onderworpen. Die kosten mogen immers niet als beroepskosten worden afgetrokken in de mate dat zij :

  • niet gedaan zijn om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden;
  • op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen.
Dit houdt in dat inzonderheid de volgende kosten integraal uit de aftrekbare beroepskosten moeten worden gesloten :

  • alle kosten die betrekking hebben op de reis en het verblijf (met inbegrip van hotel- en restaurantkosten) van de echtgenoot van de belastingplichtige;
  • alle kosten die verband houden met ontspannende, toeristische en gastronomische gebeurtenissen die met de vormende activiteiten gecombineerd worden;
  • alle buitensporige reis- en verblijfkosten en overdadige hotel- en restaurantkosten van de belastingplichtige (in de mate dat de restaurantkosten van de belastingplichtige wel voor aftrek in aanmerking kunnen komen, dienen zij, in de gegeven omstandigheden en gelet op de uitdrukkelijke bepalingen van artikel 53, 8°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, tot 50 % te worden beperkt).
Uiteraard moeten uitgaven van plezierreizen die worden voorgesteld als studiereizen in het geheel uit de aftrekbare beroepskosten worden geweerd.