Circulaire nr. Ci.RH.421/369.893 dd. 30.10.1991
CIRC 30.10.91/1
Circulaire nr. Ci.RH.421/369.893 dd. 30.10.1991
Bull. nr. 710, pag. 2594
RECONVERSIEVENNOOTSCHAP
Algemene commentaar
RECONVERSIEZONES
Afbakening
Commentaar op de bepalingen van :
I. INLEIDING
1. In circ 13.06.1986 (B. 652), zelfde nr. als deze -hierna circ. 13.06.1986 genoemd- is commentaar verstrekt op de maatregelen die in art. 50 tot 63, Herstelwet 31.07.1984 (V. 1732 - B. 632) zijn opgenomen met het oog op de bevordering van de industriële reconversie van gebieden die zwaar door de economische crisis getroffen waren. Die maatregelen gelden eensdeels voor "eigenlijke reconversievennootschappen" en anderdeels voor andere vennootschappen die zich zoals de eerste in een bij KB afgebakende reconversiezone vestigden (hierna genoemd "oneigenlijke reconversievennootschappen").
Er wordt aan herinnerd dat op het stuk van de inkomstenbelastingen die bepalingen in de volgende voordelen voorzien :
2. Deze circ. houdt rekening met de wijzigingen die aan de bepalingen van de art. 50, 54, 55 en 59 van de voormelde Herstelwet zijn aangebracht door :
3. De voornaamste wijzigingen die het voormelde besluit nr. 486 heeft ingevoerd zijn de volgende :
Deze gewijzigde bepalingen zijn in de regel van toepassing vanaf 01.01.1988, met die verstande dat de F.I.V.-tegemoetkomingen van vóór de inwerkingtreding, en de aandelen die ze vertegenwoordigen, onderworpen blijven aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die van kracht waren op het ogenblik van hun toekenning.
4. Het voormelde KB 03.10.1988 heeft de periode waarin een oneigenlijke reconversievennootschap kan worden opgericht (art. 59, § 1, Herstelwet 31.07.1984), in principe verlengd tot 1992 (deze verlening is evenwel door de W. 28.12.1990 ten dele teniet gedaan : zie nr. 6 hierna).
5. Vervolgens heeft de voormelde W. 22.12.1989, eveneens m.b.t. de oneigenlijke reconversievennootschappen, in art. 59, § 2, Herstelwet 31.07.1984, de volgende wijzigingen aangebracht :
6. Tenslotte heeft de voormelde W. 28.12.1990 nog de volgende wijzigingen aangebracht :
7. De draagwijdte van de hier besproken maatregelen is bovendien gewijzigd door een beslissing van de Commissie van de Europese Gemeenschappen met betrekking tot bepaalde reconversiezones (zie nr. 10).
8. De hierna volgende onderrichtingen vervangen die van circ. 13.06.1986, met dien verstande dat de onder de nrs. 4 tot 23 van die circ. opgenomen richtlijnen in bepaalde gevallen onverminderd van toepassing blijven (zie nr. 3, laatste lid).
De bijlagen bevatten :
II. RECONVERSIEZONES
9. De in nr. 1, 2e lid bedoelde fiscale maatregelen gelden alleen voor vennootschappen die zijn opgericht in de reconversiezones die bij KB 18.10.1984 (V. 1738 - B. 634) als volgt zijn afgebakend :
10. Gelet op een beslissing van de Commissie van de Europese Gemeenschappen in verband met het verbod van iedere vorm van steunverlening in de reconversiezones van Noord-Hageland (de gemeenten Aarschot, Begijnendijk, Bekkevoort, Diest, Geetbets, Holsbeek, Kortenaken, Zoutleeuw, Linter, Scherpenheuvel-Zichem, Tielt-Winge in het arrondissement Leuven) en in het arrondissement Moeskroen zijn de fiscale maatregelen inzake de oneigenlijke reconversievennootschappen evenwel niet meer van toepassing op :
III. EIGENLIJKE RECONVERSIEVENNOOTSCHAPPEN
A. ALGEMEEN
11. Het eerste voordeel (afkoop van aandelen met vrijgestelde winst) wordt verleend aan de zogenaamde "privé-aandeelhouders" van de eigenlijke reconversievennootschappen, ook vennootschappen met F.I.V.-inbreng genoemd. Hierbij valt te noteren dat die reconversievennootschappen zelf geen enkele bijzondere tegemoetkoming inzake inkomstenbelastingen genieten.
Voorafgaand aan de desbetreffende commentaar worden hierna enkele van de begrippen hernomen en/of verduidelijkt die in de gecoördineerde wettekst van bijlage 1 voorkomen.
B. BEGRIPPEN
13. Het reconversieproject is het project dat bijdraagt tot de industriële reconversie van een reconversiezone door middel van investeringen in materiële vaste activa in nieuwe staat, in de betrokken reconversiezone, voor het onderzoek, de ontwikkeling, de vervaardiging en de commercialisering van :
14. Het reconversiecontract is het contract tussen, enerzijds, een openbare investeringsmaatschappij en, anderzijds, een eigenlijke reconversievennootschap en alle of de meerderheid van haar privé- aandeelhouders, naargelang het de oprichting of een kapitaalverhoging van die reconversievennootschap betreft, met het oog op de uitvoering van een reconversieproject in de betrokken reconversiezone.
Dat contract bevat ten minste :
4° bepaalde controlemechanismen.
15. De openbare investeringsmaatschappij kan zijn :
16. De privé-aandeelhouders tenslotte zijn natuurlijke of rechtspersonen, de investeringsmaatschappijen uitgezonderd (zie evenwel nr. 19), die op het ogenblik van het afsluiten van het reconversiecontract oprichter of aandeelhouder zijn van een eigenlijke reconversievennootschap en partij zijn bij het reconversiecontract.
C. KAPITAAL VAN DE EIGENLIJKE RECONVERSIEVENNOOTSCHAP
17. Zoals in nr. 12, 3° reeds is aangestipt, wordt op het kapitaal van een eigenlijke reconversievennootschap, dat het onderwerp is van het reconversiecontract, gedeeltelijk ingeschreven door de openbare investeringsmaatschappij en gedeeltelijk door privé-aandeelhouders.
18. De inbreng die de openbare investeringsmaatschappij doet uit hoofde van het reconversiecontract, en die de F.I.V.-inbreng wordt genoemd, mag niet meer bedragen dan 49 % van het kapitaal van de reconversievennootschap.
Voor de financiering van de F.I.V.-inbreng kan de openbare investeringsmaatschappij tot maximaal twee derden een beroep doen op het Fonds voor industriële vernieuwing (F.I.V.). De inbreng die zij doet met andere middelen dan F.I.V.-middelen is ten minste gelijk aan de helft van de tegemoetkoming van het F.I.V.; ten minste 33 % van deze inbreng moet ten laste van de eigen middelen van de openbare investeringsmaatschappij geschieden (van het voormelde minimum van 33 % kan bij beslissing van een Ministerieel Comité worden afgeweken).
Niets belet evenwel dat de openbare investeringsmaatschappij als privé- aandeelhouders op een gedeelte van het kapitaal boven 49 % inschrijft (zie hierna).
19. De privé-aandeelhouders zijn in twee groepen in te delen : zuivere privé-aandeelhouders en andere.
Zuivere privé-aandeelhouders zijn zowel Belgische als buitenlandse natuurlijke personen, zomede zowel Belgische als buitenlandse rechtspersonen waarin een openbare investeringsmaatschappij noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks een deelneming bezit die ten minste 25 % vertegenwoordigt van het kapitaal of waaraan ten minste 25 % van de stemrechten verbonden is (van de grens van 25 % kan bij beslissing van een Ministerieel Comité worden afgeweken).
Andere privé-aandeelhouders zijn :
20. De inbreng van privé-aandeelhouders moet ten minste 51 % bedragen van het kapitaal van de eigenlijke reconversievennootschap. Bovendien moet de inbreng van de zuivere privé-aandeelhouders ten minste één derde van dat kapitaal vertegenwoordigen.
21. Samengevat is het kapitaal van een eigenlijke reconversievennootschap, waarop het reconversiecontract betrekking heeft, als volgt samengesteld :
Maximaal 49 %, afkomstig :
Minimaal 51 %, afkomstig :
22. Zoals reeds in nr. 14 is vermeld, moet het reconversiecontract uitsluitend in inbrengen in geld voorzien. Niets belet echter de privé- aandeelhouders inbrengen in natura te doen buiten het kader van het reconversiecontract.
D. AFKOOP- EN VERKOOPVERPLICHTING - BEVOORRECHT DIVIDEND
23. In het reconversiecontract moeten de zuivere privé-aandeelhouders zich verbinden tot de afkoop en moet de openbare investeringsmaatschappij zich ertoe verbinden hen de aandelen, die de F.I.V.-inbreng vertegenwoordigen, te verkopen tegen een prijs die gelijk is aan de uitgifteprijs. In dit verband wordt de aandacht erop gevestigd dat een overeenkomst die inzonderheid zou voorzien in een hogere afkoopprijs dan de oorspronkelijke uitgifteprijs, niet als een reconversiecontract als vermeld in nr. 14 kan worden aangemerkt, zodat de desbetreffende privé-aandeelhouders de beoogde fiscale vrijstelling (zie nr. 25, e.v.) niet kunnen genieten.
De verplichte afkoop moet worden uitgevoerd vanaf het vierde tot en met het dertiende kalenderjaar na het kalenderjaar van de uitgifte van de betrokken aandelen en ten laatste op 31 december van elk van die jaren; hij moet gebeuren naar rata van 10 % van de aandelen per jaar.
De openbare investeringsmaatschappij mag de aandelen die de F.I.V.- inbreng vertegenwoordigen slechts aan derden in eigendom overdragen na 31 december van het jaar waarin de afkoop moest geschieden en zulks onverminderd haar recht om de uitvoering van de afkoop in rechte te vorderen.
24. De aandelen die F.I.V.-inbreng vertegenwoordigen geven, niettegenstaande elke hiermee strijdige statutaire bepaling of beslissing van de algemene vergadering en onverminderd de deelgerechtigdheid in overwinst die de statuten hun kunnen toekennen, in geval van beschikbare nettowinst, al dan niet uitgekeerd, recht op een bevoorrecht dividend van 2 % van de uitgifteprijs, zonder dat dit bevoorrecht dividend meer kan bedragen dan de beschikbare nettowinst. In voorkomend geval wordt dit voorrecht uitgeoefend vóór die van de andere aandelen en de winstbewijzen en soortgelijke effecten. De aandacht wordt erop gevestigd dat dit bevoorrecht dividend generlei bijzondere vrijstelling kan genieten (zie ook nr. 11).
E. FISCALE VRIJSTELLING
1. Principes
25. De winsten die de privé-aandeelhouders aan de afkoop van aandelen besteden worden onder de hierna vermelde voorwaarden vrijgesteld van Ven.B. of B.N.V.-ven. (alhoewel niet is uitgesloten dat privé-aandeelhouders natuurlijke personen zijn, is de vrijstelling in dat geval niet van toepassing).
De vrijstelling geldt slechts voor de zuivere privé-aandeelhouders (zie nr. 19, 2e lid) die partij zijn bij het reconversiecontract. Uitgesloten zijn derhalve, de andere privé-aandeelhouders (zie nr. 19, 3e lid) en de aandeelhouders die hun aandelen anders dan bij de uitgifte ervan zouden hebben verkregen.
Bovendien geldt de vrijstelling alleen voor de winst die besteed is aan de afkoop van aandelen die de F.I.V.-inbreng vertegenwoordigen (zie nr. 18, 1e en 2e lid). De afkoop van aandelen waarop de openbare investeringsmaatschappij als privé-aandeelhouder zou hebben ingeschreven (zie nr. 19, 3e lid) komt dus niet in aanmerking.
2. Bedrag van de vrijstelbare winst
26. De vrijgestelde winst stemt in principe overeen met het bedrag dat tijdens het beschouwde boekjaar werkelijk is besteed aan de in nr. 25 bedoelde afkoop, maar mag in elk geval per boekjaar niet meer bedragen dan 10 % van de totale afkoopverplichting van de betrokken vennootschap, zoals deze blijkt uit het reconversiecontract.
Wanneer die vennootschap tijdens een boekjaar meer dan 10 % van de bedoelde aandelen zou afkopen, mag de niet verleende vrijstelling niet naar de volgende boekjaren worden overgebracht.
27. De vrijstelling is te beperken tot de winst van het boekjaar die aan de afkoop is besteed. Aangezien, zoals hierna is vermeld, de vrijstelling wordt verleend door die winst in de 1e bewerking uit de belastbare reserves te sluiten, betekent zulks dat geen vrijstelling kan worden verleend indien de beweging van de belastbare reserves negatief is en dat de vrijstelling bovendien evenmin tot gevolg mag hebben dat die beweging negatief wordt.
28. In zover de vrijstelling bij gebrek aan of wegens onvoldoende winst in een bepaald boekjaar niet of niet geheel kan worden toegepast, wordt ze zonder tijdsbeperking achtereenvolgens naar de volgende boekjaren overgebracht.
In dat geval mag de totale jaarlijkse vrijstelling nooit meer bedragen dan 10 % van de afkoopverplichting, zodat de overgebrachte vrijstelling in de praktijk slechts zal kunnen worden verleend door een verlenging van de vrijstellingstermijn.
3. Toepassing en behoud van de vrijstelling
29. De vrijstelling wordt slechts verleend indien :
30. Overeenkomstig art. 2, KB 12.08.1985 (zie bijlage 2), wordt de vrijstelling verleend door de vrijgestelde winst in de "1e bewerking" uit de belastbare reserves te sluiten.
Die vrijgestelde winst, die volgens de regels van de boekhoudwetgeving naar de "Belastingvrije reserve" moet worden overgebracht, is in de opgave 328 S in te schrijven.
31. De voorheen verleende vrijstelling wordt teruggenomen in het belastbare tijdperk waarin niet meer of niet meer volledig voldaan is aan de in nr. 29 gestelde voorwaarden, d.w.z. indien en in de mate dat :
IV. ONEIGENLIJKE RECONVERSIEVENNOOTSCHAPPEN
A. ALGEMEEN
32. Vennootschappen die vanaf 01.01.1984 tot 22.07.1990, zonder F.I.V.-inbreng in een reconversiezone zijn opgericht, kunnen binnen bepaalde perken en gedurende een bepaald tijdperk vrijstelling van Ven.B. (echter niet van R.V.) op hun uitgekeerde inkomsten genieten.
Die vrijstelling geldt slechts op voorwaarde dat bepaalde investeringsverbintenissen worden aangegaan en nageleefd.
De voor een boekjaar te verlenen vrijstelling wordt berekend op het werkelijk in geld gestort kapitaal dat bij het begin van het boekjaar nog was terug te betalen, in zover dat kapitaal is gebruikt voor investeringen in nieuwe materiële vaste activa en voor zover aan de gestelde tewerkstellingsverplichting is voldaan.
De vrijstelling kan voor later boekjaren van het vrijstellingstijdperk geheel of gedeeltelijk vervallen.
B. BEDOELDE VENNOOTSCHAPPEN
33. De vrijstelling geldt slechts voor zover aan de volgende 4 voorwaarden voldaan is :
C. VRIJSTELLINGSTIJDPERKEN
34. De vrijstelling wordt naar keuze van de vennootschap in principe verleend :
35. Met betrekking tot voor 01.01.1990 opgerichte vennootschappen bepaalt art. 59, § 2, Herstelwet 31.07.1984 dat de hierboven vermelde vrijstellingstijdperken met 5 boekjaren worden verlengd.
36. De hierboven vermelde regels zijn eveneens van toepassing op vennootschappen die voor 01.01.1989 in de zone Noord-Heland of in het arrondissement Moeskroen zijn opgericht (zie nr. 10), weliswaar uitsluitend met betrekking tot het voor die datum geplaatste kapitaal.
37. De hiernavolgende voorbeelden illustreren enkele mogelijke vrijstellingstijdperken.
Vennootschappen opgericht voor 01.01.1990
Voorbeeld 1 : Een vennootschap is opgericht op 01.10.1988 en sluit haar jaarboek elk jaar en voor het eerst in 1989 af op 31 december. Ze kiest voor de vrijstelling vanaf haar eerste boekjaar.
Die vrijstelling wordt verleend voor de boekjaren die afsluiten op 31 december van de jaren 1989 tot 2003 (15 boekjaren).
Voorbeeld 2 : Een vennootschap is opgericht op 01.04.1988 en sluit haar boekjaar elk jaar en voor het eerst in 1988 af op 31 december. Ze kiest voor de vrijstelling vanaf haar eerste boekjaar.
De vrijstelling wordt verleend voor de boekjaren afgesloten op 31 december van de jaren 1988 tot 2003 (16 boekjaren).
Voorbeeld 3 : Een vennootschap is opgericht op 01.10.1988 en sluit haar boekjaar elk jaar en voor het eerst in 1990 af op 30 april. Ze kiest voor de vrijstelling vanaf haar eerste boekjaar.
De vrijstelling wordt verleend voor de boekjaren afgesloten op 30 april van de jaren 1990 tot 2003 (14 boekjaren).
Voorbeeld 4 : Een vennootschap is opgericht op 01.05.1988 en sluit haar boekjaar elk jaar en voor het eerst in 1989 af op 30 april. Ze kiest voor de vrijstelling vanaf haar tweede boekjaar. In oktober 1993 wordt beslist het boekjaar voortaan en reeds vanaf 1993 op 31 december af te sluiten.
De vrijstelling wordt verleend voor de boekjaren afgesloten op 30 april van de jaren 1990 tot 1993 en op 31 december van de jaren 1993 tot 2003 (15 boekjaren).
Voorbeeld 5 : Een vennootschap is opgericht op 01.10.1988 en sluit haar boekjaar elk jaar en voor het eerste in 1989 af op 31 december. Ze kiest voor de vrijstelling vanaf haar derde boekjaar. In oktober 1993 wordt beslist het boekjaar voortaan en voor het eerst in 1994 op 30 april af te sluiten (er wordt zodoende geen boekjaar afgesloten op 31.12.1993).
De vrijstelling wordt verleend voor de boekjaren afgesloten op 31 december van de jaren 1991 en 1992 en op 30 april van de jaren 1994 tot 2005 (14 boekjaren).
Vennootschappen opgericht tijdens de periode van 01.01.1990 tot 22.07.1990
Voorbeeld 6 : Een vennootschap is opgericht op 01.07.1990 en sluit haar boekjaar elk jaar en voor het eerst in 1991 af op 31 december. Ze kiest voor de vrijstelling vanaf haar eerste boekjaar.
De vrijstelling wordt verleend voor de boekjaren die afsluiten op 31 december van de jaren 1991 tot 2000 (10 boekjaren).
38. Wanneer het kapitaal bij de oprichting niet volledig is gestort, mag de vrijstelling in verband met de latere stortingen in geld slechts ten vroegste worden verleend vanaf het boekjaar na dat van de storting zonder dat uit de keuze voortvloeiende einddatum van het vrijstellingstijdperk wordt gewijzigd (die latere stortingen zullen dus eventueel slechts gedurende een verkort tijdperk recht op vrijstelling geven).
Voorbeeld : De in het voorbeeld 1 van nr. 37 bedoelde vennootschap is opgericht met een kapitaal van 15.000.000 F, waarvan 10.000.000 F onmiddellijk is gestort en de overige 5.000.000 F in 1990.
De vrijstelling i.v.m. de in 1990 gedane storting kan ten vroegste vanaf het boekjaar 1991 worden verleend. De eindperiode van het vrijstellingstijdperk blijft evenwel het boekjaar 2003.
39. De keuze van het vrijstellingstijdperk moet onherroepelijk door de vennootschap worden uitgedrukt in de prospectus van uitgifte of in de akte van oprichting, naargelang er al dan niet een publiek beroep wordt gedaan op de beleggers.
40. In geval van kapitaalverhoging kan de vennootschap in de prospectus van uitgifte van de nieuwe effecten of in de akte van kapitaalverhoging, volgens het hierboven gemaakte onderscheid, geen andere keuze van het vrijstellingstijdperk uitdrukken dan bij de oprichting, met dien verstande dat ook in dat geval de vrijstelling slechts ten vroegste kan worden verleend vanaf het boekjaar na dat van de kapitaalstorting en dus eventueel slechts gedurende een verkort tijdperk zal gelden.
41. In principe zouden de voor 01.01.1990 opgerichte vennootschappen, ingevolge de verlenging van het vrijstellingstijdperk met 5 boekjaren (zie nr. 35), ter zake hun statuten moeten aanpassen. Teneinde die formaliteiten te vermijden, bepaalt art. 59, § 3, 2e lid, Herstelwet 31.07.1984 dat -behoudens andersluidende beslissing ten gevolge van een akte die onderworpen is aan de voorschriften betreffende de openbaarmaking- de voorheen uitgedrukte keuze van het vrijstellingstijdperk ambtshalve betrekking heeft op die 5 boekjaren.
D. INVESTERINGSVERPLICHTING
42. Om de vrijstelling te kunnen genieten, moet de vennootschap tegenover de aandeelhouders of vennoten de verbintenis aangaan en naleven om, voor het einde van het eerste boekjaar van het gekozen vrijstellingstijdperk, een som van ten minste 60 % van het in geld gestorte kapitaal of van de in geld gestorte kapitaalverhoging en daarbijhorende uitgiftepremies te gebruiken om materiële vaste activa aan te schaffen of tot stand te brengen die zich in een reconversiezone bevinden en bestemd zijn voor het onderzoek, de ontwikkeling, de vervaardiging en de commercialisering van :
43. De voorwaarde in verband met het gebruik van de vaste activa mag ruim worden geïnterpreteerd. Inzonderheid mag worden geacht dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan zodra per nuttige investering van 5.000.000 F -of gedeelte van 5.000.000 F- ten minste één werknemer in de reconversiezone wordt tewerkgesteld die principieel aan de tewerkstellingsvoorwaarde op het stuk van de vrijstelling (zie nr. 52 e.v.) voldoet.
44. Te noteren dat, om als nuttige investering in aanmerking te kunnen komen (in tegenstelling met de vrijstellingsvoorwaarde - zie nr. 51), niet vereist is dat de investering in nieuwe vaste activa geschiedt.
In leasing genomen materiële vaste activa worden niet als nuttige investeringen uitgesloten, voor zover het activa betreft waarover de onderneming als leasingnemer beschikt krachtens leasingcontracten als vermeld in art. 48, § 1, 2e lid, WIB
Evenwel komen niet in aanmerking :
45. Opdat de vrijstelling zou kunnen worden verleend is vereist dat de investeringsverplichting volledig is nageleefd voor het einde van het eerste boekjaar van het gekozen vrijstellingstijdperk.
Wat de kapitaalstortingen in geld betreft die na de oprichting van de vennootschap worden gedaan (d.w.z. de latere stortingen van het oprichtingskapitaal of de stortingen op kapitaalverhogingen) moet de investeringsverplichting uiterlijk worden nageleefd voor het einde van het eerste boekjaar waarvoor uit hoofde van die latere stortingen vrijstelling kan worden verleend, d.w.z. voor het einde van het boekjaar na dat van de storting tenzij het gekozen vrijstellingstijdperk later zou aanvangen.
Voorbeeld : Een vennootschap is opgericht op 01.04.1989 met een kapitaal van 10.000.000 F dat in geld is gestort ten bedrage van 8.000.000 F bij de oprichting en ten bedrage van 2.000.000 F in 1990. Ze sluit haar boekjaar af op 31 december en voor het eerst in 1989. Ze kiest voor de vrijstelling vanaf haar derde boekjaar. In 1992 vindt een kapitaalverhoging plaats van 4.000.000 F, waarbij tevens een uitgiftepremie wordt gecreëerd van 1.000.000 F. Onmiddellijk wordt 5.000.000 F gestort.
De investeringsverbintenis moet worden nageleefd :
46. De investeringsverbintenis moet eveneens op onherroepelijke wijze worden uitgedrukt, volgens het in nr. 39 gemaakte onderscheid, in de prospectus van uitgifte of in de akte van oprichting of van kapitaalverhoging.
E. BEREKENING EN TOEPASSING VAN DE VRIJSTELLING
1. Bedrag van de vrijstelling
47. Het voor een bepaald boekjaar van Ven.B. vrijstelbare bedrag van de uitgekeerde dividenden of inkomsten van belegde kapitalen is tot en met het aj. 1990 beperkt tot 13 % van het werkelijk in geld gestorte kapitaal bij het begin van dat boekjaar.
Dat percentage wordt met ingang van het aj. 1991 tot 8 % teruggebracht. Dienaangaande wordt de aandacht erop gevestigd dat elke wijziging die vanaf 01.11.1989 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening is aangebracht, zonder uitwerking is (zie art. 333, § 2, W. 22.12.1989, zoals het door art. 33, W. 28.12.1990 is gewijzigd).
48. De vrijstelling wordt bovendien slechts verleend in de mate dat :
2. In aanmerking komend kapitaal
49. Voor de bepaling van het in aanmerking komende kapitaal mag in principe slechts rekening worden gehouden met het maatschappelijk kapitaal dat naar aanleiding van de oprichting of de kapitaalverhoging uiterlijk op 22.07.1990 is geplaatst (*). Dienaangaande is evenwel niet vereist dat dit kapitaal reeds op die datum volgestort zou zijn, zodat met latere geldstortingen op het niet opgevraagde gedeelte rekening kan worden gehouden om latere vrijstelling te verlenen.
In afwijking hiervan mag ook het kapitaal in aanmerking worden genomen dat voortvloeit uit een tijdens de periode van 23.07.1990 tot 31.12.1992 geplaatste en werkelijk in geld gestorte kapitaalverhoging. De na 31.12.1992 op deze kapitaalverhoging gedane geldstortingen kunnen evenwel niet in aanmerking worden genomen.
Daarenboven mag alleen rekening worden gehouden met het werkelijk in geld gestort gedeelte van :
Bijgevolg komen niet in aanmerking :
50. Voor een bepaald boekjaar mag bovendien alleen het kapitaal in aanmerking worden genomen dat bij het begin van het boekjaar reeds in geld was gestort.
Het aanvangskapitaal dat niet onmiddellijk in geld is gestort of het kapitaal dat in geld is gestort ingevolge een kapitaalverhoging komt derhalve slechts ten vroegste -d.w.z. voor zover het vrijstellingstijdperk niet later aanvangt- in aanmerking vanaf het boekjaar na dat van de storting.
3. Investeringen in nieuwe activa
51. De vrijstelling wordt slechts verleend in de mate dat het in aanmerking komende kapitaal is gebruikt om in de vennootschap materiële vaste activa aan te schaffen of tot stand te brengen.
Anders dan voor de investeringsverplichting (zie inzonderheid nr. 42), mag hier slechts rekening worden gehouden met nieuwe activa (zie dienaangaande Com.IB 42ter/15) die zich in de reconversiezone bevinden. In leasing genomen materiële vaste activa, die in nieuwe staat zijn verkregen, kunnen eveneens als nuttige investeringen in aanmerking worden genomen, voor zover het activa betreft waarover de onderneming als leasingnemer beschikt krachtens leasingcontracten als vermeld in art. 48, § 1, 2e lid, WIB
Immateriële vaste activa en activa waarvan het gebruik aan derden is afgestaan komen ook hier niet in aanmerking.
Er wordt rekening gehouden met de investeringen die bij het einde van elk boekjaar zijn gedaan.
4. Tewerkstellingscriteria
a) Algemeen
52. De vrijstelling wordt bovendien slechts verleend in de mate dat de vennootschap per schijf van 5.000.000 F -of gedeelte van 5.000.000 F- nuttige investeringen in nieuwe activa, ten minste één werknemer tewerkstelt. De nadere voorwaarden waaraan die tewerkstelling is onderworpen verschillen naar gelang van de datum waarop het aanvangskapitaal en/of de kapitaalverhoging, waarop de vrijstelling betrekking heeft, is geplaatst.
b) Kapitaal geplaatst voor 01.01.1990
53. In deze gevallen wordt de vrijstelling slechts verleend in de mate dat de vennootschap per schijf van 5.000.000 F -of gedeelte van 5.000.000 F- nuttige investeringen, ten minste één werknemer (in de zin van art. 20, 2, a, WIB) tewerkstelt, ongeacht of die werknemer voltijdse dan wel deeltijdse arbeid verricht.
Rekening moet worden gehouden met de toestand bij het einde van elk boekjaar.
54. De toepassing van de in het vorige nr. vermelde tewerkstellingsvoorwaarde is niet tot werkelijk nieuwe tewerkstelling beperkt, zodat eveneens rekening moet worden gehouden met personeel dat van een bestaande onderneming naar de oneigenlijke reconversievennootschap zou zijn overgekomen. Het overkomen van personeel kan inzonderheid het gevolg zijn van :
55. In deze gevallen zijn de regels en voorwaarden- vermeld in nr. 53, mutatis mutandis van toepassing.
56. Evenwel wordt -in afwijking van nr. 54 hierboven- met betrekking tot op of na 01.01.1990 opgerichte oneigenlijke reconversievennootschappen geen rekening meer gehouden met de werknemers die voorheen waren tewerkgesteld in ondernemingen waarmee deze vennootschap zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt. Deze uitsluiting is eveneens van toepassing op alle andere oneigenlijke reconversievennootschappen die op of na 01.01.1990 tot een kapitaalverhoging overgaan en zulks met betrekking tot het personeel dat vanaf en ingevolge die verhoging wordt tewerkgesteld. De uitdrukking "enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid" dient te worden begrepen in de zin van de art. 24 en 53, WIB
57. Tenslotte kan naar aanleiding van de aanwending van een tijdens de periode van 23.07.1990 tot 31.12.1992 geplaatste en werkelijk in geld gestorte kapitaalverhoging (aanvangskapitaal is hier uitgesloten aangezien een oneigenlijke reconversievennootschap uiterlijk op 22.07.1990 moest zijn opgericht) de vrijstelling ook nog worden verleend in de mate dat de oneigenlijke reconversievennootschap per schijf als vermeld in nr. 52 hierboven, ten minste één voor de voltijdse betrekking aangeworven werknemer (in de zin van art. 20, 2, a, WIB) tewerkstelt, die op het ogenblik van de aanwerving sedert ten minste 6 maanden volledig uitkeringsgerechtigde werkloze is en na 22.07.1990 is aangeworven.
Het recht op vrijstelling vervalt bovendien in zover en met ingang van het boekjaar in de loop waarvan de aangeworven werkloze niet langer in dienst wordt gehouden, tenzij deze werknemer binnen een termijn van 3 maanden vervangen wordt door een andere werknemer die aan dezelfde voorwaarden voldoet (zie art. 59, § 4, c, Herstelwet 31.07.1984, zoals ingelast door art. 18, 2°, W. 28.12.1990).
5. Voorbeelden
58. Voorbeeld 1
Een N.V. is in een reconversiezone opgericht op 01.06.1990 met een kapitaal van 10.000.000 F dat onmiddellijk in geld is volgestort. De vennootschap sluit haar boekhouding af op 31 december en voor het eerst in 1991. Ze kiest voor de vrijstelling vanaf haar eerste boekjaar.
De vennootschap heeft de volgende materiële vaste activa aangeschaft :
Zowel op 31.12.1991 als op 31.12.1992 zijn er 5 werknemers in de oneigenlijke reconversievennootschap tewerkgesteld (waarvan er 3 voorheen waren tewerkgesteld in de moedervennootschap van de oneigenlijke reconversievennootschap).
De dividenden die uit de winst van het boekjaar zijn toegekend aan de aandelen die het in aanmerking komende kapitaal vertegenwoordigen bedragen respectievelijk 600.000 F voor het boekjaar 1991 en 700.000 F voor het boekjaar 1992.
De vrijstellingen voor de ajn. 1992 en zijn als volgt te berekenen :
59. Voorbeeld 2
De N.V. A is op 01.05.1989 in een reconversiezone opgericht met een kapitaal van 18.000.000 F waarop 10.000.000 F onmiddellijk is gestort en dat op 01.12.1989 voor het resterende gedeelte is volgestort. Op 01.10.1990 voert de vennootschap een kapitaalverhoging van 7.000.000 F door die onmiddellijk is gestort. De N.V. A sluit haar boekjaar elk jaar en voor het eerst in 1989 af op 31 december. Ze kiest voor de vrijstelling vanaf haar eerste boekjaar.
In de navolgende tabel zijn vermeld :
================================================================= | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | |------|--------------|--------------|---|----|---|-------------| | | | | | | | | | 1989 | 10.000.000 F | 8.000.000 F | 2 | 0 | | 1.400.000 F | |------|--------------|--------------|---|----|---|-------------| | | | | | | | | | 1990 | 18.000.000 F | 12.000.000 F | 2 | 1 | | 900.000 F | |------|--------------|--------------|---|----|---|-------------| | | | | | | | | | 1991 | 25.000.000 F | 16.000.000 F | 2 | 1 | 0 | 3.500.000 F | | | | | | | | (1) | |------|--------------|--------------|---|----|---|-------------| | | | | | | | | | 1992 | 25.000.000 F | 25.000.000 F | 2 | 10 | 1 | 3.500.000 F | | | | | | | | (1) | |------|--------------|--------------|---|----|---|-------------| | | | | | | | | | 1993 | 25.000.000 F | 27.000.000 F | 2 | 10 | 2 | 3.500.000 F | | | | | | | | (1) | ================================================================= (1) Waarvan 2.520.000 F aan de aandelen die het aanvangskapitaal vertegenwoordigen en 980.000 F aan de aandelen die de kapitaal- verhoging vertegenwoordigen. De vrijstellingen zijn als volgt te berekenen : - boekjaar 1989 (aj. 1990) : aanvangskapitaal : - vrijstelbaar maximum : 10.000.000 F x 13 % = 1.300.000 F te beperken tot (slechts 8.000.000 F investeringen) : 8.000.000 F 1.300.000 F x ------------ = 1.040.000 F 10.000.000 F - boekjaar 1990 (aj. 1991) : aanvangskapitaal : - vrijstelbaar maximum (kleiner dan 18.000.000 F x 8 %) : 900.000 F - te beperken tot (slechts 12.000.000 F investeringen) : 12.000.000 F 900.000 F x ------------ = 600.000 F 18.000.000 F - boekjaar 1991 (aj. 1992) : aanvangskapitaal : - vrijstelbaar maximum 18.000.000 F x 8 % = 1.440.000 F - te beperken tot (slechts 3 werknemers) : 15.000.000 F 1.440.000 F x ------------ = 1.200.000 F 18.000.000 F (15.000.000 F x 8 %) kapitaalverhoging : - vrijstelbaar maximum : 7.000.000 F x 8 % = 560.000 F - evenwel geen aangeworven werklozen, dus geen vrijstelling; - boekjaar 1992 (aj. 1993) : aanvangskapitaal : - vrijstelbaar : 18.000.000 F x 8 % = 1.440.000 F kapitaalverhoging : - vrijstelbaar maximum : 7.000.000 F x 8 % = 560.000 F - te beperken tot (slechts 1 aangeworven werkloze) : 5.000.000 F 560.000 F x ----------- = 400.000 F 7.000.000 F (5.000.000 F x 8 %) - boekjaar 1993 (aj. 1994) : aanvangskapitaal : - vrijstelbaar : 18.000.000 F x 8 % = 1.440.000 F kapitaalverhoging : - vrijstelbaar 7.000.000 F x 8 % = 560.000 F 6. Toepassing van de vrijstelling
60. Overeenkomstig art. 2, KB 12.08.1985 (zie bijlage 2) wordt de vrijstelling verleend door de vrijgestelde dividenden of inkomsten van belegde kapitalen die de "1e bewerking" uit de in principe belastbare winst te sluiten.
F. VERVAL VAN DE VRIJSTELLING
61. Generlei vrijstelling mag nog worden verleend met ingang van het boekjaar waarin een kapitaalverhoging (die in principe tot vrijstelling aanleiding kan geven) plaatsvindt zonder dat de keuze van het vrijstellingstijdperk of de investeringsverbintenis op de gestelde wijze is uitgedrukt (indien die keuze niet wordt uitgedrukt bij de oprichting kan er uiteraard geen sprake zijn van vrijstelling).
Dit is eveneens het geval met ingang van het boekjaar waarin de nrs. 42, e.v. besproken investeringsverplichting niet is nageleefd (indien die verplichting te gepasten tijde niet is nageleefd met betrekking tot het kapitaal dat in geld voor het eerste boekjaar van het vrijstellingstijdperk is gestort, kan generlei vrijstelling worden verleend).
62. Zoals in nr. 50 is vermeld, moet voor de berekening van de vrijstelling worden uitgegaan van het werkelijk in geld gestorte kapitaal bij het begin van het boekjaar. Indien het in aanmerking komende kapitaal om een of andere reden wordt verminderd mag, met ingang van het boekjaar dat op die vermindering volgt, nog slechts met het overblijvende kapitaal rekening worden gehouden.
63. Tenslotte vervalt het recht op vrijstelling in zover en met ingang van het boekjaar :
V. BELASTINGVRIJE INBRENGEN
64. Ten aanzien van vennootschappen die betrokken zijn bij een belastingvrije inbreng van een tak van de werkzaamheid of van de algemeenheid van goederen, dan wel bij een belastingvrije fusie of splitsing, blijven de vrijstellingen van toepassing alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgehad (art. 1, KB 12.08.1985 -zie bijlage 2). Zulks geldt zowel voor de aandeelhouders van eigenlijke reconversievennootschappen als voor de oneigenlijke reconversievennootschappen.
In geval van splitsing worden de vrijstellingen bij elke opslorpende of uit de splitsing ontstane vennootschap toegepast naar de verhouding tot de nettowaarde van de inbrengen.
In dat verband wordt de aandacht erop gevestigd dat de eigenlijke of oneigenlijke reconversievennootschap niet alleen haar maatschappelijke zetel maar ook haar voornaamste inrichting in één of meer reconversiezones moet behouden.
Indien bij de toepassing van deze principes concrete problemen mochten rijzen, mogen de dossiers van de betrokken vennootschappen met de nodige berekeningen en voorstellen langs hiërarchische weg aan het hoofdbestuur (Directie II/1) worden voorgelegd.
Gecoördineerde tekst van de art. 50 tot 62, Herstelwet 31.07.1984 (*)
Art. 50
Voor de toepassing van deze afdeling moet worden verstaan onder :
1° reconversiezones : de gebieden die door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit, op eensluidend advies van de Executieve van het betrokken Gewest, worden afgebakend binnen de ontwikkelingszones bedoeld in artikel 11 van de wet van 30 december 1970 betreffende de economische expansie en die worden gekenmerkt door een ernstig structureel werkgelegenheidstekort ingevolge een sterke bevolkingsaangroei, een tekort aan industrieel initiatief of de herstructurering van aldaar gevestigde ondernemingen in sectoren bedoeld in artikel 6, § 1, VI, 4°, tweede deel, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Het verzoek om advies wordt door de Minister van Economische Zaken gericht tot de Executieve die over een termijn van dertig dagen beschikt om haar advies te geven;
2° reconversievennootschappen : de vennootschappen die worden opgericht ten laatste op 31 december 1990 op basis van een voor 6 december 1990 ingediend contract bij een openbare investeringsvennootschap als bedoeld onder 3 met het oog op de uitvoering van een reconversiecontract en die hun zetel en belangrijkste bedrijfszetel hebben in een reconversiezone;
3° openbare investeringsmaatschappij : de Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Vlaanderen, de "Société régionale d'investissement de Wallonie", de Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Brussel of de Nationale Investeringsmaatschappij, laatstgenoemde enkel optredend op vraag van een gewestelijke investeringsmaatschappij indien de reconversievennootschap behoort tot een andere sector dan de sectoren bedoeld in artikel 6, § 1, VI, 4°, tweede deel, 1° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
4° privé-aandeelhouders : de natuurlijke personen of rechtspersonen, de openbare investeringsmaatschappijen uitgezonderd, die op het ogenblik van het afsluiten van het reconversiecontract oprichter of aandeelhouder zijn van een reconversievennootschap en partij zijn bij het reconversiecontract;
5° reconversieproject : het project dat bijdraagt tot de industriële reconversie van een reconversiezone door middel van investeringen in materiële vaste activa in nieuwe staat, in de betrokken reconversiezone, voor het onderzoek, de ontwikkeling, de vervaardiging en de commercialisering van :
6° reconversiecontract : het contract tussen, enerzijds, een openbare investeringsmaatschappij en, anderzijds, een reconversievennootschap en alle of de meerderheid van haar privé-aandeelhouders, naar gelang het de oprichting of een kapitaalverhoging van de reconversievennootschap betreft, met het oog op de uitvoering van een reconversieproject in de betrokken reconversiezone;
7° F.I.V.-inbreng : de inbreng in het kapitaal van de reconversievennootschap, die de openbare investeringsmaatschappij doet uit hoofde van het reconversiecontract, waarvan de middelen voortkomen uit het Fonds voor industriële vernieuwing, verhoogd met het minimum bedrag bedoeld in de tweede zin van artikel 54, § 3.
Art. 51
Het reconversiecontract bepaalt ten minste :
1° de verbintenissen van de openbare investeringsmaatschappij en de privé-aandeelhouders aangaande hun inbrengen in het kapitaal van de reconversievennootschap;
3° de verbintenissen van de privé-aandeelhouders aangaande de afkoop van de aandelen die de reconversievennootschap aan de openbare investeringsmaatschappij toekent ter vergoeding van haar inbrengen en de ermee overeenstemmende verbintenis tot verkopen van de openbare investeringsmaatschappij;
4° de controlemechanismen, met inbegrip van een bijzonder jaarlijks verslag door de raad van bestuur van de reconversievennootschap, geviseerd door een bedrijfsrevisor, die de openbare investeringsmaatschappij in staat moet stellen de naleving door de reconversievennootschap en de privé-aandeelhouders van de door het reconversiecontract opgelegde verbintenissen na te gaan.
Art. 52
De inbrengen door de openbare investeringsmaatschappij en de privé-aandeelhouders, die het voorwerp zijn van het reconversiecontract, bestaan uitsluitend in geld.
Art. 53
Een bedrag gelijk aan ten minste 80 % van het gezamenlijk bedrag van de inbrengen die het voorwerp zijn van het reconversiecontract moet worden besteed aan de aankoop van de in artikel 50, 5°, bedoelde materiële vaste activa.
Art. 54
§ 1. In geen geval zullen de inbrengen door de openbare investeringsmaatschappij uit hoofde van het reconversiecontract meer bedragen dan 49 % van het gezamenlijk bedrag van de inbrengen die het voorwerp zijn van het reconversiecontract. Het saldo wordt ingebracht door de privé-aandeelhouders.
§ 2. Voor de berekening van de in § 1 bepaalde grens van 49 % wordt geen rekening gehouden met inbrengen door een openbare investeringsmaatschappij op grond van artikel 2, § 1 of 2, van de wet van 2 april 1962 tot oprichting van een Nationale Investeringsmaatschappij en van gewestelijke investeringsmaatschappijen, gewijzigd bij de wetten van 30 maart 1976 en 4 augustus 1978. Deze inbrengen worden toegerekend op het in § 1 bedoelde saldo, zonder dat het gezamenlijk bedrag van de inbrengen door privé-aandeelhouders, waarin een openbare investeringsmaatschappij noch rechtstreeks noch onrechtstreeks een participatie bezit, die 25 % of meer vertegenwoordigt van het kapitaal of waaraan een stemrecht is verbonden gelijk aan 25 % of meer van de stemrechten verbonden aan het totale aantal uitgegeven aandelen, minder mag zijn dan één derde van het gezamenlijk bedrag van de inbrengen die het voorwerp zijn van het reconversiecontract.
Van de in het eerste lid bedoelde grens van 25 % kan bij beslissing van het Ministerieel Comité voor economische en sociale coördinatie worden afgeweken, zonder dat de gestelde grens 49 % mag overschrijden, indien blijkt dat het sluiten van het reconversiecontract niet mogelijk is zonder deze afwijking.
§ 3. De openbare investeringsmaatschappij doet een beroep op het Fonds voor industriële vernieuwing voor de financiering van een gedeelte van haar inbrengen uit hoofde van het reconversiecontract. De inbreng die zij doet met andere middelen dan F.I.V.-middelen is ten minste gelijk aan de helft van de tegemoetkoming van het Fonds voor industriële vernieuwing; ten minste 33 % van deze inbreng geschiedt ten laste van de eigen middelen van de openbare investeringsmaatschappij.
Van het in het eerste lid bedoelde minimum van 33 % kan bij beslissing van het Ministerieel Comité voor economische en sociale coördinatie worden afgeweken indien dit minimum een bedrag zou vertegenwoordigen hoger dan 5 % van het eigen vermogen van de openbare investeringsmaatschappij. De openbare investeringsmaatschappij dient de aanvraag van afwijking in bij de Minister van Economische Zaken; laatstgenoemde legt haar voor aan het Ministerieel Comité op de vergadering die volgt op de ontvangst van de aanvraag. Bij ontstentenis van een beslissing van het Ministerieel Comité binnen vijftien dagen na deze vergadering wordt de afwijking geacht te zijn toegestaan.
In geen geval zal de tegemoetkoming van het Fonds voor industriële vernieuwing meer dan twee derde bedragen van 49 % van het gezamenlijk bedrag van de inbrengen die het voorwerp zijn van het reconversiecontract.
Art. 55
§ 1. In het reconversiecontract verbinden privé-aandeelhouders, waarin een openbare investeringsmaatschappij noch rechtstreeks noch onrechtstreeks een participatie bezit die 25 % of meer vertegenwoordigt van het kapitaal of waaraan een stemrecht is verbonden gelijk aan 25 % of meer van de stemrechten verbonden aan het totale aantal uitgegeven aandelen, zich tot de afkoop en verbindt de openbare investeringsmaatschappij zich tot de verkoop van de aandelen die de F.I.V.-inbreng vertegenwoordigen, tegen een prijs gelijk aan de uitgifteprijs. De verplichte afkoop wordt uitgevoerd vanaf het vierde tot en met het dertiende kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van de uitgifte van de betrokken aandelen, ten laatste op 31 december van elk van deze jaren, naar rata van 10 % van de betrokken aandelen per jaar.
Van de in het eerste lid bedoelde grens van 25 % kan bij beslissing van het Ministerieel Comité voor economische en sociale coördinatie worden afgeweken, zonder dat de gestelde grens 49 % mag overschrijden, indien blijkt dat het sluiten van het reconversiecontract niet mogelijk is zonder deze afwijking.
§ 2. De aandelen die de F.I.V.-inbreng vertegenwoordigen kunnen door de openbare investeringsmaatschappij niet in eigendom worden overgedragen aan derden, tenzij na 31 december van het jaar waarin de afkoop moest worden uitgevoerd overeenkomstig § 1, onverminderd het recht van de openbare investeringsmaatschappij om de uitvoering van de afkoop in rechte te vorderen.
§ 3. De aandelen die de F.I.V.-inbreng vertegenwoordigen zijn op naam; zij blijven op naam tot het ogenblik van de uitvoering van de afkoop door de privé-aandeelhouders of hun overdracht aan derden overeenkomstig § 2.
§ 4. De aandelen die F.I.V.-inbreng vertegenwoordigen, geven, niettegenstaande elke hiermee strijdige bepaling in de statuten of beslissing van de algemene vergadering en onverminderd de deelgerechtigdheid in de overwinst die de statuten hun kunnen toekennen, in geval van beschikbare nettowinst, al dan niet uitgekeerd, recht op een bevoorrecht dividend van 2 % van hun uitgifteprijs, zonder dat dit bevoorrecht dividend meer kan bedragen dan de beschikbare nettowinst. In voorkomend geval wordt dit voorrecht uitgeoefend voor die van de andere aandelen en de winstbewijzen en soortgelijke effecten als bedoeld in artikel 47 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen.
Art. 56
§ 1. De reconversievennootschap kan de inbrengen door de openbare investeringsmaatschappij uit hoofde van het reconversiecontract vergoeden door uitgifte van aandelen die haar kapitaal vertegenwoordigen doch waaraan geen stemrecht is toegekend, hierna "bevoorrechte aandelen zonder stemrecht" genoemd.
§ 2. Onverminderd de in deze wet bepaalde voorwaarden, worden de uitgifte van de bevoorrechte aandelen zonder stemrecht, haar voorwaarden en modaliteiten, alsook de aan deze aandelen verbonden rechten, geregeld in het reconversiecontract en vastgelegd in de statuten van de reconversievennootschap.
§ 3. De uitgifte van bevoorrechte aandelen zonder stemrecht is ondergeschikt aan de volgende voorwaarden :
1° zij mogen niet meer dan 49 % van het kapitaal van de reconversievennootschap vertegenwoordigen;
2° zij geven, niettegenstaande elke hiermee strijdige bepaling in de statuten of beslissing van de algemene vergadering en onverminderd de deelgerechtigdheid in de overwinst die de statuten hun kunnen toekennen, in geval van beschikbare nettowinst, al dan niet uitgekeerd, recht op een bevoorrecht dividend van 2 % van hun uitgifteprijs, zonder dat dit bevoorrecht dividend meer kan bedragen dan de beschikbare nettowinst;
3° zij zijn, niettegenstaande elke hiermee strijdige bepaling in de statuten, bevoorrecht op de terugbetaling van de inbreng onverminderd de deelgerechtigdheid in het saldo bij de vereffening die de statuten hun kunnen toekennen.
In voorkomend geval, worden de in 2° en 3° van het eerste lid bedoelde voorrechten uitgeoefend voor die van de andere aandelen en winstbewijzen en soortgelijke effecten als bedoeld in artikel 47 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen.
§ 4. Onverminderd artikel 71 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, hebben de houders van de bevoorrechte aandelen zonder stemrecht niettemin stemrecht zoals bepaald in artikel 74 van voornoemde wetten, en worden deze aandelen meegeteld voor de vaststelling van de vereisten inzake aanwezigheid en beslissing in de algemene vergadering, in elk van de volgende gevallen :
1° in iedere algemene vergadering, wanneer de in § 3, 1°, bepaalde voorwaarde niet of niet meer is vervuld;
2° in iedere algemene vergadering die zich uitspreekt over de vermindering van het kapitaal van de vennootschap, de wijziging van haar doel, haar vervroegde ontbinding of haar omzetting in een vennootschap met een andere rechtsvorm;
3° in iedere algemene vergadering, na verloop van het vierde kalenderjaar bedoeld in artikel 55, § 1, met betrekking tot die bevoorrechte aandelen zonder stemrecht die een F.I.V.-inbreng vertegenwoordigen en waarvan de afkoop door de privé-aandeelhouders overeenkomstig artikel 55, § 1 niet werd uitgevoerd;
4° in iedere algemene vergadering, wanneer de bevoorrechte dividenden, om reden van onvoldoende nettowinst, gedurende elk van drie opeenvolgende boekjaren niet volledig werden betaalbaar gesteld, zulks tot en met de algemene vergadering die voldoende nettowinst vaststelt om het bevoorrecht dividend te betalen;
5° in iedere algemene vergadering, na de dagtekening van de inschrijving in het register der aandeelhouders van de overdracht van bevoorrechte aandelen zonder stemrecht aan privé-aandeelhouders, met betrekking tot de aldus overgedragen aandelen.
§ 5. De oproepingen, verslagen en documenten die de raad van bestuur of de commissarissen aan de houders van stemgerechtigde aandelen toesturen, meedelen of ter inzage stellen, worden eveneens, binnen dezelfde termijnen, toegestuurd, meegedeeld of ter inzage gesteld aan de houders van de bevoorrechte aandelen zonder stemrecht.
§ 6. Buiten de in § 4, 3°, 4° en 5°, bepaalde gevallen, worden de houders van de bevoorrechte aandelen zonder stemrecht, voor de toepassing van de artikelen 62, tweede lid, en 65, vijfde lid, van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, geacht derden te zijn.
Art. 57
Met het oog op de bevordering van de industriële reconversie en vernieuwing, kan de Koning, na om het advies van de Gewestexecutieven te hebben verzocht, bij in Ministerraad overlegd besluit, te nemen voor 31 december 1985, koninklijk besluit nr. 31 van 15 december 1978 tot instelling van een Fonds voor industriële vernieuwing vervangen, wijzigen of aanvullen ter zake van de opdracht, de werking, de stijging en het optreden van het Fonds voor industriële vernieuwing evenals de samenstelling, het secretariaat en de werking van het Beheerscomité van voornoemd Fonds. Het verzoek om advies wordt door de Minister van Economische Zaken gedaan. De Executieven beschikken over een termijn van dertig dagen om hun advies te geven.
Art. 58
§ 1. Voor de privé-aandeelhouders van een reconversievennootschap zijn de winsten die worden besteed aan de in artikel 55, § 1, bedoelde afkoop, onder de hierna bepaalde voorwaarden vrijgesteld van vennootschapsbelasting of van belasting der niet-verblijfhouders die verschuldigd is door belastingplichtigen als bedoeld in artikel 139, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.
§ 2. Per boekjaar wordt de vrijstelling verleend tot een bedrag dat niet hoger is dan 10 % van de totale afkoopverbintenis als bedoeld in artikel 55, § 1.
§ 3. Indien een boekjaar geen of onvoldoende winst oplevert wordt de voor dat boekjaar verleende vrijstelling achtereenvolgens overgedragen op de winsten van de volgende boekjaren, waarbij de vrijstelling per boekjaar nooit hoger mag zijn dan de in § 2 gestelde grens.
§ 4. De vrijstelling wordt slechts verleend en behouden indien :
Indien en in de mate dat die vereisten tijdens enig boekjaar niet langer worden nageleefd, worden de vroeger vrijgestelde winsten beschouwd als winst van dat boekjaar.
Art. 59
§ 1. De inkomsten uitgekeerd aan de aandelen of deelbewijzen worden uit de in de vennootschapsbelasting belastbare grondslag gesloten voor de in de artikelen 98, 100 en 102 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen die :
§ 2. De vrijstelling wordt verleend :
Voor de voor 1 januari 1990 opgerichte vennootschappen wordt de periode van vrijstelling vermeld in het 3° van het vorige lid verlengd met vijf boekjaren.
Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, b, wordt voor de vanaf 1 januari 1990 opgerichte vennootschappen geen rekening gehouden met de werknemers die voorheen waren tewerkgesteld in ondernemingen waarmee de belastingplichtige zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt.
De in vorig lid vermelde uitsluiting is eveneens van toepassing op de vennootschappen die vanaf 1 januari 1990 overgaan tot een kapitaalverhoging en zulks met betrekking tot personeel dat vanaf de datum van die kapitaalverhoging wordt tewerkgesteld ingevolge die verhoging.
§ 3. De in § 1, 3°, bedoelde verbintenis en de in § 2, 3°, gestelde keuze moet onherroepelijk worden uitgedrukt in de prospectus van uitgifte van de nieuwe aandelen of in de akte van oprichting, naargelang er al dan niet publiek beroep wordt gedaan op de beleggers.
Behoudens andersluidende beslissing ten gevolge van een akte die onderworpen is aan de voorschriften betreffende de openbaarmaking, hebben de in de prospectus van uitgifte van de nieuwe aandelen of in de akte van oprichting uitgedrukte verbintenis en onherroepelijke keuze, ambtshalve betrekking op de vijf boekjaren die het in § 2, eerste lid, 3°, vermelde vrijstellingstijdperk verlengen.
§ 4. Het recht op vrijstelling vervalt in de mate en met ingang van het boekjaar :
§ 5. De in dit artikel bedoelde materiële vaste activa zijn deze die zich in de betrokken reconversiezone bevinden en bestemd zijn voor het onderzoek, de ontwikkeling, de vervaardiging en de commercialisering van :
Art. 60
§ 1. Het evenredig registratierecht is niet verschuldigd voor de inbrengen gedaan bij de oprichting van reconversievennootschappen als vermeld in artikel 50 die plaatshebben tot 31 december 1990. Hetzelfde recht is niet verschuldigd voor de verhogingen van het kapitaal, met of zonder nieuwe inbreng, gedaan bij dezelfde vennootschappen tot 31 december van het tiende jaar volgend op het jaar waarin de vennootschap is opgericht.
Het evenredig registratierecht is niet verschuldigd voor de inbrengen gedaan bij de oprichting van vennootschappen als vermeld in artikel 59 die plaatsvinden tot 22 juli 1990. Hetzelfde recht is niet verschuldigd voor de verhogingen van het kapitaal, met of zonder nieuwe inbreng, van deze vennootschappen die plaatshebben tot en met 31 december 1992.
§ 2. De Koning bepaalt de formaliteiten welke moeten worden vervuld om de vrijstelling te verkrijgen.
Art. 61
De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit en voor de periode die Hij bepaalt, de toepassing van de artikelen 59 en 60 uitbreiden tot de vennootschappen die worden opgericht na 1988.
Art. 62
De Koning regelt de aanrekening van de in deze afdeling bedoelde vrijstellingen op de belastbare winst en stelt de nadere regels vast voor de toepassing van deze afdeling in de gevallen bedoeld in de artikelen 40 en 124 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.
Art. 1 en 2, KB 12.08.1985 tot uitvoering van art. 62, Herstelwet 31.07.1984 betreffende de belastingvrijstelling ten gunste van sommige in reconversiezones gevestigde vennootschappen.
Art. 1
Ten aanzien van vennootschappen betrokken bij verrichtingen als bedoeld in de artikelen 40 en 124 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, blijven de bepalingen van de artikelen 58 of 59 van de Herstelwet van 31 juli 1984 van toepassing alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgevonden.
Betreft het een splitsing, dan worden de voormelde bepalingen bij elke opslorpende of uit de splitsing ontstane vennootschap toegepast naar de verhouding van de nettowaarde van de inbreng die de gesplitste vennootschap bij elk van hen heeft gedaan.
Art. 2
Het bedrag, vrijgesteld krachtens de artikelen 58 of 59 van de Herstelwet van 31 juli 1984, wordt uit de maatschappelijke winst van het belastbaar tijdperk gesloten zoals de vrijgestelde waardeverminderingen, voorzieningen en meerwaarden bedoeld in artikel 65, eerste lid, van het koninklijk besluit van 4 maart 1965, tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.
Circulaire nr. Ci.RH.421/369.893 dd. 30.10.1991
Bull. nr. 710, pag. 2594
RECONVERSIEVENNOOTSCHAP
Algemene commentaar
RECONVERSIEZONES
Afbakening
Commentaar op de bepalingen van :
- de art. 58, 59 en 62, Herstelwet 31.07.1984;
- de KB 18.10.1984 tot afbakening van de in art. 50, §1, Herstelwet 31.7.1984, bedoelde reconversiezones;
- het KB 12.08.1985 tot uitvoering van art. 62, Herstelwet 31.07.1984, betreffende de belastingvrijstelling ten gunste van sommige in reconversiezones gevestigde vennootschappen;
- het KB nr. 486 van 31.12.1986 betreffende de werking en de werkingsmiddelen van het Fonds voor industriële vernieuwing;
- het KB 3.10.1988 houdende verlenging van de periode van toepassing van de art. 59 en 60, Herstelwet 31.7.1984 voor de in de reconversiezones gevestigde vennootschappen;
- de art. 303 en 333, §1, 3° en §2, W. 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen;
- de art. 18, 1° en 2°, en 33, W. 28.12.1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen.
I. INLEIDING
1. In circ 13.06.1986 (B. 652), zelfde nr. als deze -hierna circ. 13.06.1986 genoemd- is commentaar verstrekt op de maatregelen die in art. 50 tot 63, Herstelwet 31.07.1984 (V. 1732 - B. 632) zijn opgenomen met het oog op de bevordering van de industriële reconversie van gebieden die zwaar door de economische crisis getroffen waren. Die maatregelen gelden eensdeels voor "eigenlijke reconversievennootschappen" en anderdeels voor andere vennootschappen die zich zoals de eerste in een bij KB afgebakende reconversiezone vestigden (hierna genoemd "oneigenlijke reconversievennootschappen").
Er wordt aan herinnerd dat op het stuk van de inkomstenbelastingen die bepalingen in de volgende voordelen voorzien :
| 1° | de privé-aandeelhouders van eigenlijke reconversievennootschappen die zijn opgericht ingevolge een contract tussen een openbare investeringsmaatschappij en die privé-aandeelhouders, genieten een bijzondere vrijstelling voor de winsten die zij besteden aan de afkoop van aandelen waarop de betrokken investeringsmaatschappij heeft ingeschreven; |
| 2° | de oneigenlijke reconversievennootschappen kunnen onder bepaalde voorwaarden en binnen bepaalde grenzen aanspraak maken op een vrijstelling van Ven.B. op uitgekeerde winsten. |
- het KB nr. 486 van 31.12.1986 betreffende de werking en de werkingsmiddelen van het Fonds voor industriële vernieuwing (V. 1879 - B. 659);
- het KB 03.10.1988 houdende verlenging van de periode van toepassing van de art. 59 en 60, Herstelwet 31.07.1984 voor de in de reconversiezones gevestigde vennootschappen (V. 1953 - B. 678);
- de art. 303 en 333, § 1, 3° en § 2, W. 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen (V. 2019 - B. 691);
- de art. 18, 1° en 2° en 33, W. 28.12.1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen (V. 2073 - B. 702).
3. De voornaamste wijzigingen die het voormelde besluit nr. 486 heeft ingevoerd zijn de volgende :
- wat de eigenlijke reconversievennootschappen betreft :
- in het kader van het reconversieproject (zie nr. 13) komen voortaan alleen nog bepaalde investeringen in nieuwe staat in aanmerking;
- de samenstelling van de inbreng door de openbare investeringsmaatschappij wordt enigszins gewijzigd (zie nr. 18);
- de toekenning van een bevoorrecht dividend op de aandelen die de F.I.V.-inbreng vertegenwoordigen wordt wettelijk geregeld (zie nr. 24);
- wat de oneigenlijke reconversievennootschappen betreft, wordt inzake de in aanmerking te nemen investeringen, door de inlassing van een § 5 in voormeld art. 59, niet langer naar de bepalingen inzake de eigenlijke reconversievennootschappen verwezen (deze invoeging heeft voor de oneigenlijke reconversievennootschappen evenwel geen inhoudelijke wijziging tot gevolg).
Deze gewijzigde bepalingen zijn in de regel van toepassing vanaf 01.01.1988, met die verstande dat de F.I.V.-tegemoetkomingen van vóór de inwerkingtreding, en de aandelen die ze vertegenwoordigen, onderworpen blijven aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die van kracht waren op het ogenblik van hun toekenning.
4. Het voormelde KB 03.10.1988 heeft de periode waarin een oneigenlijke reconversievennootschap kan worden opgericht (art. 59, § 1, Herstelwet 31.07.1984), in principe verlengd tot 1992 (deze verlening is evenwel door de W. 28.12.1990 ten dele teniet gedaan : zie nr. 6 hierna).
5. Vervolgens heeft de voormelde W. 22.12.1989, eveneens m.b.t. de oneigenlijke reconversievennootschappen, in art. 59, § 2, Herstelwet 31.07.1984, de volgende wijzigingen aangebracht :
- het vrijstellingspercentage van 13 % wordt met ingang van het aj. 1991 naar 8 % teruggebracht;
- het vrijstellingstijdperk wordt voor bestaande vennootschappen (d.w.z. die opgericht vóór 01.01.1990) met 5 boekjaren verlengd;
- de tewerkstellingsvoorwaarde wordt aangepast, in die zin dat voortaan geen rekening meer mag worden gehouden met werknemers die voorheen waren tewerk gesteld in ondernemingen waarmee de vennootschap zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt.
6. Tenslotte heeft de voormelde W. 28.12.1990 nog de volgende wijzigingen aangebracht :
- wat de eigenlijke reconversievennootschappen betreft : deze moeten ten laatste op 31.12.1990 zijn opgericht;
- wat de oneigenlijke reconversievennootschappen betreft :
- deze vennootschappen moeten ten laatste op 22.07.1990 zijn opgericht;
- aansluitend hierop, wordt voor de berekening van de vrijgestelde uitgekeerde winst voortaan nog slechts rekening gehouden met het uiterlijk op 22.07.1990 geplaatst kapitaal en met de tussen 23.07.1990 en 31.12.1992 werkelijk gestorte kapitaalverhogingen;
- de tewerkstellingsvoorwaarde wordt met betrekking tot de aanwending van de hierboven vermelde kapitaalverhoging aangepast in die zin dat slechts de aanwerving (en eventueel de vervanging) van bepaalde uitkeringsgerechtigde werklozen in aanmerking kan worden genomen;
- de keuze van het vrijstellingstijdperk en de investeringsverbintenis die in de prospectus van uitgifte of in de akte van oprichting werden uitgedrukt, gelden in de regel ambtshalve ook voor de 5 boekjaren waarmee het vrijstellingstijdperk verlengd is (zie nr. 5).
7. De draagwijdte van de hier besproken maatregelen is bovendien gewijzigd door een beslissing van de Commissie van de Europese Gemeenschappen met betrekking tot bepaalde reconversiezones (zie nr. 10).
8. De hierna volgende onderrichtingen vervangen die van circ. 13.06.1986, met dien verstande dat de onder de nrs. 4 tot 23 van die circ. opgenomen richtlijnen in bepaalde gevallen onverminderd van toepassing blijven (zie nr. 3, laatste lid).
De bijlagen bevatten :
| 1° | de gecoördineerde tekst van de art. 50 tot 62, Herstelwet 31.07.1984 (de gewijzigde bepalingen zijn in de rand met een verticale lijn gemerkt); |
| 2° | de tekst van het KB 12.08.1985 tot uitvoering van art. 62, Herstelwet 31.07.1984 betreffende de belastingvrijstelling ten gunste van sommige in reconversiezones gevestigde vennootschappen (V. 1793 - B. 643). |
9. De in nr. 1, 2e lid bedoelde fiscale maatregelen gelden alleen voor vennootschappen die zijn opgericht in de reconversiezones die bij KB 18.10.1984 (V. 1738 - B. 634) als volgt zijn afgebakend :
| 1° | voor het Vlaamse Gewest : |
- het arrondissement Hasselt;
- het arrondissement Maaseik;
- het arrondissement Tongeren;
- het arrondissement Turnhout;
- het Noord-Hageland, d.w.z. de gemeenten Aarschot, Begijnendijk, Bekkevoort, Diest, Geetbets, Holsbeek, Kortenaken, Zoutleeuw, Linter, Scherpenheuvel-Zichem, Tielt-Winge in het arrondissement Leuven (zie evenwel nr. 10);
- het arrondissement Diksmuide;
- het arrondissement Veurne;
- het arrondissement Ieper;
| 2° | voor het Waalse Gewest : |
- het arrondissement Charleroi;
- het arrondissement Bergen;
- het arrondissement Moeskroen (zie evenwel nr. 10);
- de gemeenten La Louvière en Le Roeulx, in het arrondissement Zinnik;
- het arrondissement Thuin;
- de gemeenten Clavier, Ferrières, Hamoir en Ouffet in het arrondissement Hoei;
- het arrondissement Luik;
- de gemeenten Amel, Büllingen, Burg-Reuland, Bütgenbach, Lierneux, Malmédy, Sankt-Vith, Stavelot, Stoumont, Trois-Ponts, Waimes, in het arrondissement Verviers;
- het arrondissement Aarlen;
- het arrondissement Virton;
- het arrondissement Bastenaken;
- het arrondissement Marche-en-Famenne;
- het arrondissement Neufchâteau;
- het arrondissement Dinant;
- de gemeenten Gesves, Mettet, Ohey in het arrondissement Namen;
- het arrondissement Philippeville.
10. Gelet op een beslissing van de Commissie van de Europese Gemeenschappen in verband met het verbod van iedere vorm van steunverlening in de reconversiezones van Noord-Hageland (de gemeenten Aarschot, Begijnendijk, Bekkevoort, Diest, Geetbets, Holsbeek, Kortenaken, Zoutleeuw, Linter, Scherpenheuvel-Zichem, Tielt-Winge in het arrondissement Leuven) en in het arrondissement Moeskroen zijn de fiscale maatregelen inzake de oneigenlijke reconversievennootschappen evenwel niet meer van toepassing op :
- vennootschappen die in de voormelde zones op of na 01.01.1989 zijn opgericht;
- kapitaalverhogingen die op of na 01.01.1989 door voorheen in die zones opgerichte vennootschappen zijn doorgevoerd.
III. EIGENLIJKE RECONVERSIEVENNOOTSCHAPPEN
A. ALGEMEEN
11. Het eerste voordeel (afkoop van aandelen met vrijgestelde winst) wordt verleend aan de zogenaamde "privé-aandeelhouders" van de eigenlijke reconversievennootschappen, ook vennootschappen met F.I.V.-inbreng genoemd. Hierbij valt te noteren dat die reconversievennootschappen zelf geen enkele bijzondere tegemoetkoming inzake inkomstenbelastingen genieten.
Voorafgaand aan de desbetreffende commentaar worden hierna enkele van de begrippen hernomen en/of verduidelijkt die in de gecoördineerde wettekst van bijlage 1 voorkomen.
B. BEGRIPPEN
| 12. | Een eigenlijke reconversievennootschap is een vennootschap : |
| 1° | die haar zetel en haar belangrijkste bedrijfszetel in een reconversiezone heeft (ze mag evenwel buiten die zone, en al dan niet in een andere zone en zowel in het binnen- als in het buitenland, bijkantoren oprichten waarvan de activiteiten auxiliair zijn aan de hoofdactiviteit en die bijkantoren kunnen ook bedrijfszetels - buiten de belangrijkste zetel - omvatten; |
| 2° | die ten laatste op 31.12.1990 op basis van een bij een openbare investeringsvennootschap vóór 06.12.1990 ingediend contract speciaal is opgericht om in het kader van een reconversiecontract een reconversieproject uit te voeren; |
| 3° | op wier kapitaal en eventuele kapitaalverhogingen wordt ingeschreven door een openbare investeringsmaatschappij en door privé-aandeelhouders. |
| a) | nieuwe produkten; |
| b) | nieuwe technologieën en hun toepassingen; |
| c) | verbeteringen van industriële processen met het oog op een rationeler energie- of grondstoffengebruik of een verbeterde bescherming van het leefmilieu. |
Dat contract bevat ten minste :
| 1° | de verbintenissen van zowel de openbare investeringsmaatschappij als van de privé-aandeelhouders aangaande hun kapitaalinbrengen (de inbrengen die het onderwerp zijn van het reconversiecontract bestaan uitsluitend in geld); |
| 2° | de verbintenissen van die reconversievennootschap aangaande : |
| a) | het bedrag, de aard en het tijdschema van de te doene investeringen (ten minste 80 % van het gezamenlijke bedrag van de inbrengen die het onderwerp zijn van het reconversiecontract moet worden besteed aan de aankoop van in nr. 13 bedoelde materiële vaste activa in nieuwe staat; de investeringen die het onderwerp zijn van het reconversiecontract mogen niet worden gebruikt in de bijkantoren waarvan sprake is in nr. 12, 1°); |
| b) | het minimumaantal te creëren werkplaatsen; |
| 3° | de afkoop- en verkoopverbintenissen waarvan verder sprake is; |
15. De openbare investeringsmaatschappij kan zijn :
- de Gewestelijke investeringsmaatschappij voor Vlaanderen;
- de "Société régionale d'investissement de Wallonie";
- de Gewestelijke investeringsmaatschappij voor Brussel;
- de Nationale Investeringsmaatschappij.
16. De privé-aandeelhouders tenslotte zijn natuurlijke of rechtspersonen, de investeringsmaatschappijen uitgezonderd (zie evenwel nr. 19), die op het ogenblik van het afsluiten van het reconversiecontract oprichter of aandeelhouder zijn van een eigenlijke reconversievennootschap en partij zijn bij het reconversiecontract.
C. KAPITAAL VAN DE EIGENLIJKE RECONVERSIEVENNOOTSCHAP
17. Zoals in nr. 12, 3° reeds is aangestipt, wordt op het kapitaal van een eigenlijke reconversievennootschap, dat het onderwerp is van het reconversiecontract, gedeeltelijk ingeschreven door de openbare investeringsmaatschappij en gedeeltelijk door privé-aandeelhouders.
18. De inbreng die de openbare investeringsmaatschappij doet uit hoofde van het reconversiecontract, en die de F.I.V.-inbreng wordt genoemd, mag niet meer bedragen dan 49 % van het kapitaal van de reconversievennootschap.
Voor de financiering van de F.I.V.-inbreng kan de openbare investeringsmaatschappij tot maximaal twee derden een beroep doen op het Fonds voor industriële vernieuwing (F.I.V.). De inbreng die zij doet met andere middelen dan F.I.V.-middelen is ten minste gelijk aan de helft van de tegemoetkoming van het F.I.V.; ten minste 33 % van deze inbreng moet ten laste van de eigen middelen van de openbare investeringsmaatschappij geschieden (van het voormelde minimum van 33 % kan bij beslissing van een Ministerieel Comité worden afgeweken).
Niets belet evenwel dat de openbare investeringsmaatschappij als privé- aandeelhouders op een gedeelte van het kapitaal boven 49 % inschrijft (zie hierna).
19. De privé-aandeelhouders zijn in twee groepen in te delen : zuivere privé-aandeelhouders en andere.
Zuivere privé-aandeelhouders zijn zowel Belgische als buitenlandse natuurlijke personen, zomede zowel Belgische als buitenlandse rechtspersonen waarin een openbare investeringsmaatschappij noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks een deelneming bezit die ten minste 25 % vertegenwoordigt van het kapitaal of waaraan ten minste 25 % van de stemrechten verbonden is (van de grens van 25 % kan bij beslissing van een Ministerieel Comité worden afgeweken).
Andere privé-aandeelhouders zijn :
- de openbare investeringsmaatschappij voor het gedeelte van haar inbreng dat meer zou bedragen dan de F.I.V.-inbreng (zie nr. 18, laatste lid);
- rechtspersonen waarin een openbare investeringsmaatschappij een participatie van ten minste 25 % bezit (zie vorig lid).
20. De inbreng van privé-aandeelhouders moet ten minste 51 % bedragen van het kapitaal van de eigenlijke reconversievennootschap. Bovendien moet de inbreng van de zuivere privé-aandeelhouders ten minste één derde van dat kapitaal vertegenwoordigen.
21. Samengevat is het kapitaal van een eigenlijke reconversievennootschap, waarop het reconversiecontract betrekking heeft, als volgt samengesteld :
| 1° | F.I.V.-inbreng van de openbare investeringsmaatschappij |
- van middelen van het F.I.V., waarvan het bedrag 2/3 van de inbreng niet mag overschrijden (dat bedrag is dus gelijk aan 2/3 van 49 % of 32 2/3 %, wanneer de inbreng het maximum van 49 % bereikt);
- van andere middelen dan F.I.V.-middelen, waarvan het bedrag niet lager mag zijn dan 1/3 van de inbreng (dat bedrag is dus gelijk aan 1/3 van 49 % of 16 1/3 %, wanneer de inbreng het maximum van 49 % bereikt); ten minste 33 % van deze inbreng geschiedt in principe ten laste van de eigen middelen van de openbare investeringsmaatschappij (dat bedrag is dus gelijk aan 16 1/3 % x 33 % of 5,39 %, wanneer de inbreng het maximum van 49 % bereikt).
| 2° | Inbreng van privé-aandeelhouders |
- van middelen van zuivere privé-aandeelhouders, voor ten minste 1/3 (of 33 1/3 %) van het in aanmerking te nemen kapitaal;
- voor het overige, van middelen van andere privé-aandeelhouders (met een maximum van 17 2/3 % van dat kapitaal, d.w.z. 51 % - 33 1/3 %, wanneer de inbreng bedoeld onder 1° 49 % en die van zuivere privé-aandeelhouders 33 1/3 % bedraagt).
22. Zoals reeds in nr. 14 is vermeld, moet het reconversiecontract uitsluitend in inbrengen in geld voorzien. Niets belet echter de privé- aandeelhouders inbrengen in natura te doen buiten het kader van het reconversiecontract.
D. AFKOOP- EN VERKOOPVERPLICHTING - BEVOORRECHT DIVIDEND
23. In het reconversiecontract moeten de zuivere privé-aandeelhouders zich verbinden tot de afkoop en moet de openbare investeringsmaatschappij zich ertoe verbinden hen de aandelen, die de F.I.V.-inbreng vertegenwoordigen, te verkopen tegen een prijs die gelijk is aan de uitgifteprijs. In dit verband wordt de aandacht erop gevestigd dat een overeenkomst die inzonderheid zou voorzien in een hogere afkoopprijs dan de oorspronkelijke uitgifteprijs, niet als een reconversiecontract als vermeld in nr. 14 kan worden aangemerkt, zodat de desbetreffende privé-aandeelhouders de beoogde fiscale vrijstelling (zie nr. 25, e.v.) niet kunnen genieten.
De verplichte afkoop moet worden uitgevoerd vanaf het vierde tot en met het dertiende kalenderjaar na het kalenderjaar van de uitgifte van de betrokken aandelen en ten laatste op 31 december van elk van die jaren; hij moet gebeuren naar rata van 10 % van de aandelen per jaar.
De openbare investeringsmaatschappij mag de aandelen die de F.I.V.- inbreng vertegenwoordigen slechts aan derden in eigendom overdragen na 31 december van het jaar waarin de afkoop moest geschieden en zulks onverminderd haar recht om de uitvoering van de afkoop in rechte te vorderen.
24. De aandelen die F.I.V.-inbreng vertegenwoordigen geven, niettegenstaande elke hiermee strijdige statutaire bepaling of beslissing van de algemene vergadering en onverminderd de deelgerechtigdheid in overwinst die de statuten hun kunnen toekennen, in geval van beschikbare nettowinst, al dan niet uitgekeerd, recht op een bevoorrecht dividend van 2 % van de uitgifteprijs, zonder dat dit bevoorrecht dividend meer kan bedragen dan de beschikbare nettowinst. In voorkomend geval wordt dit voorrecht uitgeoefend vóór die van de andere aandelen en de winstbewijzen en soortgelijke effecten. De aandacht wordt erop gevestigd dat dit bevoorrecht dividend generlei bijzondere vrijstelling kan genieten (zie ook nr. 11).
E. FISCALE VRIJSTELLING
1. Principes
25. De winsten die de privé-aandeelhouders aan de afkoop van aandelen besteden worden onder de hierna vermelde voorwaarden vrijgesteld van Ven.B. of B.N.V.-ven. (alhoewel niet is uitgesloten dat privé-aandeelhouders natuurlijke personen zijn, is de vrijstelling in dat geval niet van toepassing).
De vrijstelling geldt slechts voor de zuivere privé-aandeelhouders (zie nr. 19, 2e lid) die partij zijn bij het reconversiecontract. Uitgesloten zijn derhalve, de andere privé-aandeelhouders (zie nr. 19, 3e lid) en de aandeelhouders die hun aandelen anders dan bij de uitgifte ervan zouden hebben verkregen.
Bovendien geldt de vrijstelling alleen voor de winst die besteed is aan de afkoop van aandelen die de F.I.V.-inbreng vertegenwoordigen (zie nr. 18, 1e en 2e lid). De afkoop van aandelen waarop de openbare investeringsmaatschappij als privé-aandeelhouder zou hebben ingeschreven (zie nr. 19, 3e lid) komt dus niet in aanmerking.
2. Bedrag van de vrijstelbare winst
26. De vrijgestelde winst stemt in principe overeen met het bedrag dat tijdens het beschouwde boekjaar werkelijk is besteed aan de in nr. 25 bedoelde afkoop, maar mag in elk geval per boekjaar niet meer bedragen dan 10 % van de totale afkoopverplichting van de betrokken vennootschap, zoals deze blijkt uit het reconversiecontract.
Wanneer die vennootschap tijdens een boekjaar meer dan 10 % van de bedoelde aandelen zou afkopen, mag de niet verleende vrijstelling niet naar de volgende boekjaren worden overgebracht.
27. De vrijstelling is te beperken tot de winst van het boekjaar die aan de afkoop is besteed. Aangezien, zoals hierna is vermeld, de vrijstelling wordt verleend door die winst in de 1e bewerking uit de belastbare reserves te sluiten, betekent zulks dat geen vrijstelling kan worden verleend indien de beweging van de belastbare reserves negatief is en dat de vrijstelling bovendien evenmin tot gevolg mag hebben dat die beweging negatief wordt.
28. In zover de vrijstelling bij gebrek aan of wegens onvoldoende winst in een bepaald boekjaar niet of niet geheel kan worden toegepast, wordt ze zonder tijdsbeperking achtereenvolgens naar de volgende boekjaren overgebracht.
In dat geval mag de totale jaarlijkse vrijstelling nooit meer bedragen dan 10 % van de afkoopverplichting, zodat de overgebrachte vrijstelling in de praktijk slechts zal kunnen worden verleend door een verlenging van de vrijstellingstermijn.
3. Toepassing en behoud van de vrijstelling
29. De vrijstelling wordt slechts verleend indien :
| 1° | de aan de afkoop van aandelen bestede winsten op een afzonderlijke rekening van het passief van de balans worden geboekt en niet tot grondslag dienen voor de berekening van enigerlei beloning of toekenning; deze voorwaarden zijn dezelfde als die welke in art. 105, WIB zijn gesteld voor de vrijstelling van sommige meerwaarden, zodat ter zake naar de commentaar op die bepaling wordt verwezen; |
| 2° | de afgekochte aandelen in België worden gebruikt voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid, d.w.z. worden belegd in de Belgische zetel of inrichting van de Belgische of buitenlandse vennootschap. |
Die vrijgestelde winst, die volgens de regels van de boekhoudwetgeving naar de "Belastingvrije reserve" moet worden overgebracht, is in de opgave 328 S in te schrijven.
31. De voorheen verleende vrijstelling wordt teruggenomen in het belastbare tijdperk waarin niet meer of niet meer volledig voldaan is aan de in nr. 29 gestelde voorwaarden, d.w.z. indien en in de mate dat :
| 1° | de voorheen op een afzonderlijke passiefrekening geboekte winst een andere bestemming krijgt (waardoor ze automatisch in de belastbare winst wordt opgenomen); |
| 2° | de afgekochte aandelen uit het vermogen van de Belgische zetel van de Belgische vennootschap of van de Belgische inrichting van de buitenlandse vennootschap verdwijnen (in welk geval de op een afzonderlijke rekening geboekte winst, voor zover ze door de vennootschap zelf niet zou zijn overgeboekt, onder de -in de opgave 328 R in te schrijven - belastbare reserves moet worden opgenomen tot beloop van de afkoopprijs van de verdwenen aandelen). |
A. ALGEMEEN
32. Vennootschappen die vanaf 01.01.1984 tot 22.07.1990, zonder F.I.V.-inbreng in een reconversiezone zijn opgericht, kunnen binnen bepaalde perken en gedurende een bepaald tijdperk vrijstelling van Ven.B. (echter niet van R.V.) op hun uitgekeerde inkomsten genieten.
Die vrijstelling geldt slechts op voorwaarde dat bepaalde investeringsverbintenissen worden aangegaan en nageleefd.
De voor een boekjaar te verlenen vrijstelling wordt berekend op het werkelijk in geld gestort kapitaal dat bij het begin van het boekjaar nog was terug te betalen, in zover dat kapitaal is gebruikt voor investeringen in nieuwe materiële vaste activa en voor zover aan de gestelde tewerkstellingsverplichting is voldaan.
De vrijstelling kan voor later boekjaren van het vrijstellingstijdperk geheel of gedeeltelijk vervallen.
B. BEDOELDE VENNOOTSCHAPPEN
33. De vrijstelling geldt slechts voor zover aan de volgende 4 voorwaarden voldaan is :
| 1° | de vennootschappen moeten aan de Ven.B. onderworpen zijn; |
| 2° | de vennootschappen moeten in de periode van 01.01.1984 tot 22.07.1990 zijn opgericht : |
- vóór 01.01.1984 opgerichte vennootschappen zijn dus uitgesloten, zelfs wanneer zij tijdens de gezegde periode hun zetel van buiten een reconversiezone naar een dergelijke zone zouden overbrengen;
- alhoewel de vrijstelling in principe slechts door werkelijk nieuw opgerichte vennootschappen kan worden verkregen, kunnen vennootschappen die ingevolge al dan niet belastingvrije verrichtingen van fusie, splitsing of inbreng (van takken van werkzaamheid of van de algemeenheid van goederen) tijdens de gezegde periode zijn opgericht niettemin op de ingestelde winstvrijstelling aanspraak maken voor zover aan de overige in art. 59, § 1, Herstelwet 31.07.1984 gestelde voorwaarden is voldaan;
| 3° | de vennootschappen moeten zonder F.I.V.-inbreng zijn opgericht : een gelijktijdige toepassing van de fiscale vrijstelling inzake eigenlijke en inzake oneigenlijke reconversievennootschappen is uitgesloten; |
| 4° | de vennootschappen moeten hun maatschappelijke zetel en hun voornaamste inrichting in een reconversiezone vestigen en behouden : |
- vennootschappen die tijdens de periode van 01.01.1984 tot 22.07.1990 buiten een reconversiezone zijn opgericht en nadien naar een reconversiezone zouden worden overgebracht zijn dus uitgesloten;
- de overplaatsing van de maatschappelijke zetel en/of de voornaamste inrichting van een reconversiezone naar een andere reconversiezone is toegestaan;
- wat de mogelijkheid tot het oprichten van bijkantoren betreft, wordt verwezen naar nr. 12, 1°;
- de oneigenlijke reconversievennootschap die korte tijd na haar oprichting tot de opslorping van één of meer bestaande vennootschappen is overgegaan, kan in principe verder aanspraak blijven maken op de winstvrijstelling : de aandacht wordt er in dit verband evenwel op gevestigd dat ook na de opslorping de reconversievennootschap niet alleen haar maatschappelijke zetel, maar ook haar voornaamste inrichting bij voortduur in één of meer reconversiezone(s) moet behouden (uiteraard zijn deze principes ook van toepassing op de oneigenlijke reconversievennootschappen die ingevolge verrichtingen van fusie, splitsing of inbreng zijn opgericht).
C. VRIJSTELLINGSTIJDPERKEN
34. De vrijstelling wordt naar keuze van de vennootschap in principe verleend :
| a) | ofwel voor alle boekjaren waarvan het laatste uiterlijk afsluit op 31 december van het tiende jaar na dat waarin de vennootschap is opgericht; |
| b) | ofwel voor het tweede tot het elfde boekjaar, voor zover dit laatste uiterlijk afsluit op 31 december van het elfde jaar na dat waarin de vennootschap is opgericht; |
| c) | ofwel voor het derde tot het twaalfde boekjaar, voor zover dit laatste uiterlijk afsluit op 31 december van het twaalfde jaar na dat waarin de vennootschap is opgericht. |
36. De hierboven vermelde regels zijn eveneens van toepassing op vennootschappen die voor 01.01.1989 in de zone Noord-Heland of in het arrondissement Moeskroen zijn opgericht (zie nr. 10), weliswaar uitsluitend met betrekking tot het voor die datum geplaatste kapitaal.
37. De hiernavolgende voorbeelden illustreren enkele mogelijke vrijstellingstijdperken.
Vennootschappen opgericht voor 01.01.1990
Voorbeeld 1 : Een vennootschap is opgericht op 01.10.1988 en sluit haar jaarboek elk jaar en voor het eerst in 1989 af op 31 december. Ze kiest voor de vrijstelling vanaf haar eerste boekjaar.
Die vrijstelling wordt verleend voor de boekjaren die afsluiten op 31 december van de jaren 1989 tot 2003 (15 boekjaren).
Voorbeeld 2 : Een vennootschap is opgericht op 01.04.1988 en sluit haar boekjaar elk jaar en voor het eerst in 1988 af op 31 december. Ze kiest voor de vrijstelling vanaf haar eerste boekjaar.
De vrijstelling wordt verleend voor de boekjaren afgesloten op 31 december van de jaren 1988 tot 2003 (16 boekjaren).
Voorbeeld 3 : Een vennootschap is opgericht op 01.10.1988 en sluit haar boekjaar elk jaar en voor het eerst in 1990 af op 30 april. Ze kiest voor de vrijstelling vanaf haar eerste boekjaar.
De vrijstelling wordt verleend voor de boekjaren afgesloten op 30 april van de jaren 1990 tot 2003 (14 boekjaren).
Voorbeeld 4 : Een vennootschap is opgericht op 01.05.1988 en sluit haar boekjaar elk jaar en voor het eerst in 1989 af op 30 april. Ze kiest voor de vrijstelling vanaf haar tweede boekjaar. In oktober 1993 wordt beslist het boekjaar voortaan en reeds vanaf 1993 op 31 december af te sluiten.
De vrijstelling wordt verleend voor de boekjaren afgesloten op 30 april van de jaren 1990 tot 1993 en op 31 december van de jaren 1993 tot 2003 (15 boekjaren).
Voorbeeld 5 : Een vennootschap is opgericht op 01.10.1988 en sluit haar boekjaar elk jaar en voor het eerste in 1989 af op 31 december. Ze kiest voor de vrijstelling vanaf haar derde boekjaar. In oktober 1993 wordt beslist het boekjaar voortaan en voor het eerst in 1994 op 30 april af te sluiten (er wordt zodoende geen boekjaar afgesloten op 31.12.1993).
De vrijstelling wordt verleend voor de boekjaren afgesloten op 31 december van de jaren 1991 en 1992 en op 30 april van de jaren 1994 tot 2005 (14 boekjaren).
Vennootschappen opgericht tijdens de periode van 01.01.1990 tot 22.07.1990
Voorbeeld 6 : Een vennootschap is opgericht op 01.07.1990 en sluit haar boekjaar elk jaar en voor het eerst in 1991 af op 31 december. Ze kiest voor de vrijstelling vanaf haar eerste boekjaar.
De vrijstelling wordt verleend voor de boekjaren die afsluiten op 31 december van de jaren 1991 tot 2000 (10 boekjaren).
38. Wanneer het kapitaal bij de oprichting niet volledig is gestort, mag de vrijstelling in verband met de latere stortingen in geld slechts ten vroegste worden verleend vanaf het boekjaar na dat van de storting zonder dat uit de keuze voortvloeiende einddatum van het vrijstellingstijdperk wordt gewijzigd (die latere stortingen zullen dus eventueel slechts gedurende een verkort tijdperk recht op vrijstelling geven).
Voorbeeld : De in het voorbeeld 1 van nr. 37 bedoelde vennootschap is opgericht met een kapitaal van 15.000.000 F, waarvan 10.000.000 F onmiddellijk is gestort en de overige 5.000.000 F in 1990.
De vrijstelling i.v.m. de in 1990 gedane storting kan ten vroegste vanaf het boekjaar 1991 worden verleend. De eindperiode van het vrijstellingstijdperk blijft evenwel het boekjaar 2003.
39. De keuze van het vrijstellingstijdperk moet onherroepelijk door de vennootschap worden uitgedrukt in de prospectus van uitgifte of in de akte van oprichting, naargelang er al dan niet een publiek beroep wordt gedaan op de beleggers.
40. In geval van kapitaalverhoging kan de vennootschap in de prospectus van uitgifte van de nieuwe effecten of in de akte van kapitaalverhoging, volgens het hierboven gemaakte onderscheid, geen andere keuze van het vrijstellingstijdperk uitdrukken dan bij de oprichting, met dien verstande dat ook in dat geval de vrijstelling slechts ten vroegste kan worden verleend vanaf het boekjaar na dat van de kapitaalstorting en dus eventueel slechts gedurende een verkort tijdperk zal gelden.
41. In principe zouden de voor 01.01.1990 opgerichte vennootschappen, ingevolge de verlenging van het vrijstellingstijdperk met 5 boekjaren (zie nr. 35), ter zake hun statuten moeten aanpassen. Teneinde die formaliteiten te vermijden, bepaalt art. 59, § 3, 2e lid, Herstelwet 31.07.1984 dat -behoudens andersluidende beslissing ten gevolge van een akte die onderworpen is aan de voorschriften betreffende de openbaarmaking- de voorheen uitgedrukte keuze van het vrijstellingstijdperk ambtshalve betrekking heeft op die 5 boekjaren.
D. INVESTERINGSVERPLICHTING
42. Om de vrijstelling te kunnen genieten, moet de vennootschap tegenover de aandeelhouders of vennoten de verbintenis aangaan en naleven om, voor het einde van het eerste boekjaar van het gekozen vrijstellingstijdperk, een som van ten minste 60 % van het in geld gestorte kapitaal of van de in geld gestorte kapitaalverhoging en daarbijhorende uitgiftepremies te gebruiken om materiële vaste activa aan te schaffen of tot stand te brengen die zich in een reconversiezone bevinden en bestemd zijn voor het onderzoek, de ontwikkeling, de vervaardiging en de commercialisering van :
| a) | nieuwe produkten; |
| b) | nieuwe technologieën en hun toepassingen; |
| c) | verbeteringen van industriële processen met het oog op een rationeler energie- of grondstoffengebruik of een verbeterde bescherming van het leefmilieu; |
| d) | produkten en technologieën en hun toepassingen waarvan de vervaardiging of commercialisering door hun reële perspectieven van verdere ontwikkeling en rentabiliteit bijdraagt tot de vernieuwing of verbreding van het industrieel weefsel van de betrokken reconversiezone of tot de aangroei van de werkgelegenheid. |
44. Te noteren dat, om als nuttige investering in aanmerking te kunnen komen (in tegenstelling met de vrijstellingsvoorwaarde - zie nr. 51), niet vereist is dat de investering in nieuwe vaste activa geschiedt.
In leasing genomen materiële vaste activa worden niet als nuttige investeringen uitgesloten, voor zover het activa betreft waarover de onderneming als leasingnemer beschikt krachtens leasingcontracten als vermeld in art. 48, § 1, 2e lid, WIB
Evenwel komen niet in aanmerking :
- investeringen in immateriële vaste activa;
- investeringen waarvan het gebruik door huur of in enige andere vorm aan een derde is afgestaan;
- investeringen in materiële vaste activa die zich buiten een reconversiezone bevinden (d.i. inzonderheid het geval met de activa die zich in zogenaamde bijkantoren als vermeld in nr. 33, 4°, 3e gedachtenstreep, bevinden tenzij die kantoren in een andere reconversiezone gevestigd zijn).
45. Opdat de vrijstelling zou kunnen worden verleend is vereist dat de investeringsverplichting volledig is nageleefd voor het einde van het eerste boekjaar van het gekozen vrijstellingstijdperk.
Wat de kapitaalstortingen in geld betreft die na de oprichting van de vennootschap worden gedaan (d.w.z. de latere stortingen van het oprichtingskapitaal of de stortingen op kapitaalverhogingen) moet de investeringsverplichting uiterlijk worden nageleefd voor het einde van het eerste boekjaar waarvoor uit hoofde van die latere stortingen vrijstelling kan worden verleend, d.w.z. voor het einde van het boekjaar na dat van de storting tenzij het gekozen vrijstellingstijdperk later zou aanvangen.
Voorbeeld : Een vennootschap is opgericht op 01.04.1989 met een kapitaal van 10.000.000 F dat in geld is gestort ten bedrage van 8.000.000 F bij de oprichting en ten bedrage van 2.000.000 F in 1990. Ze sluit haar boekjaar af op 31 december en voor het eerst in 1989. Ze kiest voor de vrijstelling vanaf haar derde boekjaar. In 1992 vindt een kapitaalverhoging plaats van 4.000.000 F, waarbij tevens een uitgiftepremie wordt gecreëerd van 1.000.000 F. Onmiddellijk wordt 5.000.000 F gestort.
De investeringsverbintenis moet worden nageleefd :
- uiterlijk op 31.12.1991 voor een bedrag van 6.000.000 F;
- uiterlijk op 31.12.1993 voor een bijkomend bedrag van 3.000.000 F.
46. De investeringsverbintenis moet eveneens op onherroepelijke wijze worden uitgedrukt, volgens het in nr. 39 gemaakte onderscheid, in de prospectus van uitgifte of in de akte van oprichting of van kapitaalverhoging.
E. BEREKENING EN TOEPASSING VAN DE VRIJSTELLING
1. Bedrag van de vrijstelling
47. Het voor een bepaald boekjaar van Ven.B. vrijstelbare bedrag van de uitgekeerde dividenden of inkomsten van belegde kapitalen is tot en met het aj. 1990 beperkt tot 13 % van het werkelijk in geld gestorte kapitaal bij het begin van dat boekjaar.
Dat percentage wordt met ingang van het aj. 1991 tot 8 % teruggebracht. Dienaangaande wordt de aandacht erop gevestigd dat elke wijziging die vanaf 01.11.1989 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening is aangebracht, zonder uitwerking is (zie art. 333, § 2, W. 22.12.1989, zoals het door art. 33, W. 28.12.1990 is gewijzigd).
48. De vrijstelling wordt bovendien slechts verleend in de mate dat :
| a) | de uitgekeerde dividenden of inkomsten van belegde kapitalen effectief zijn toegekend aan de aandelen die het in aanmerking komende kapitaal vertegenwoordigen (zie nrs. 49 en 50); |
| b) | het in aanmerking komende kapitaal voor het einde van het beschouwde boekjaar voor bepaalde investeringen in nieuwe activa is gebruikt (zie nr. 51); |
| c) | de vennootschap per schijf van 5.000.000 F van die investeringen, bij het einde van dat boekjaar aan bepaalde tewerkstellingscriteria voldoet (zie nrs. 52 tot 57). |
49. Voor de bepaling van het in aanmerking komende kapitaal mag in principe slechts rekening worden gehouden met het maatschappelijk kapitaal dat naar aanleiding van de oprichting of de kapitaalverhoging uiterlijk op 22.07.1990 is geplaatst (*). Dienaangaande is evenwel niet vereist dat dit kapitaal reeds op die datum volgestort zou zijn, zodat met latere geldstortingen op het niet opgevraagde gedeelte rekening kan worden gehouden om latere vrijstelling te verlenen.
| (*) | Er wordt aan herinnerd dat de statutaire bepalingen omtrent het toegestane kapitaal op zichzelf niet met effectief geplaatst kapitaal kunnen worden gelijkgesteld (zie circ. 25.07.1988, Ci.RH.421/393.645, nrs. 5 tot 7 - B. 675). |
Daarenboven mag alleen rekening worden gehouden met het werkelijk in geld gestort gedeelte van :
- het maatschappelijk kapitaal;
- en de eventuele uitgiftepremies.
Bijgevolg komen niet in aanmerking :
- het kapitaal dat met inbrengen in natura is gestort;
- de eventueel in het kapitaal ingelijfde reserves;
- de al dan niet rentegevende voorschotten in personenvennootschappen.
50. Voor een bepaald boekjaar mag bovendien alleen het kapitaal in aanmerking worden genomen dat bij het begin van het boekjaar reeds in geld was gestort.
Het aanvangskapitaal dat niet onmiddellijk in geld is gestort of het kapitaal dat in geld is gestort ingevolge een kapitaalverhoging komt derhalve slechts ten vroegste -d.w.z. voor zover het vrijstellingstijdperk niet later aanvangt- in aanmerking vanaf het boekjaar na dat van de storting.
3. Investeringen in nieuwe activa
51. De vrijstelling wordt slechts verleend in de mate dat het in aanmerking komende kapitaal is gebruikt om in de vennootschap materiële vaste activa aan te schaffen of tot stand te brengen.
Anders dan voor de investeringsverplichting (zie inzonderheid nr. 42), mag hier slechts rekening worden gehouden met nieuwe activa (zie dienaangaande Com.IB 42ter/15) die zich in de reconversiezone bevinden. In leasing genomen materiële vaste activa, die in nieuwe staat zijn verkregen, kunnen eveneens als nuttige investeringen in aanmerking worden genomen, voor zover het activa betreft waarover de onderneming als leasingnemer beschikt krachtens leasingcontracten als vermeld in art. 48, § 1, 2e lid, WIB
Immateriële vaste activa en activa waarvan het gebruik aan derden is afgestaan komen ook hier niet in aanmerking.
Er wordt rekening gehouden met de investeringen die bij het einde van elk boekjaar zijn gedaan.
4. Tewerkstellingscriteria
a) Algemeen
52. De vrijstelling wordt bovendien slechts verleend in de mate dat de vennootschap per schijf van 5.000.000 F -of gedeelte van 5.000.000 F- nuttige investeringen in nieuwe activa, ten minste één werknemer tewerkstelt. De nadere voorwaarden waaraan die tewerkstelling is onderworpen verschillen naar gelang van de datum waarop het aanvangskapitaal en/of de kapitaalverhoging, waarop de vrijstelling betrekking heeft, is geplaatst.
b) Kapitaal geplaatst voor 01.01.1990
53. In deze gevallen wordt de vrijstelling slechts verleend in de mate dat de vennootschap per schijf van 5.000.000 F -of gedeelte van 5.000.000 F- nuttige investeringen, ten minste één werknemer (in de zin van art. 20, 2, a, WIB) tewerkstelt, ongeacht of die werknemer voltijdse dan wel deeltijdse arbeid verricht.
Rekening moet worden gehouden met de toestand bij het einde van elk boekjaar.
54. De toepassing van de in het vorige nr. vermelde tewerkstellingsvoorwaarde is niet tot werkelijk nieuwe tewerkstelling beperkt, zodat eveneens rekening moet worden gehouden met personeel dat van een bestaande onderneming naar de oneigenlijke reconversievennootschap zou zijn overgekomen. Het overkomen van personeel kan inzonderheid het gevolg zijn van :
- al dan niet belastingvrije verrichtingen van fusie, splitsing, opslorping of inbreng (van takken van werkzaamheid of van algemeenheid van goederen);
- een verrichting tussen ondernemingen die zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevinden;
- het geheel of gedeeltelijk voortzetten van de beroepswerkzaamheid van een bestaande onderneming.
| c) | Kapitaal geplaatst tijdens de periode van 01.01.1990 tot 22.07.1990 |
56. Evenwel wordt -in afwijking van nr. 54 hierboven- met betrekking tot op of na 01.01.1990 opgerichte oneigenlijke reconversievennootschappen geen rekening meer gehouden met de werknemers die voorheen waren tewerkgesteld in ondernemingen waarmee deze vennootschap zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt. Deze uitsluiting is eveneens van toepassing op alle andere oneigenlijke reconversievennootschappen die op of na 01.01.1990 tot een kapitaalverhoging overgaan en zulks met betrekking tot het personeel dat vanaf en ingevolge die verhoging wordt tewerkgesteld. De uitdrukking "enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid" dient te worden begrepen in de zin van de art. 24 en 53, WIB
| d) | Kapitaalverhoging geplaatst en gestort tijdens de periode van 23.07.1990 tot 31.12.1992 |
Het recht op vrijstelling vervalt bovendien in zover en met ingang van het boekjaar in de loop waarvan de aangeworven werkloze niet langer in dienst wordt gehouden, tenzij deze werknemer binnen een termijn van 3 maanden vervangen wordt door een andere werknemer die aan dezelfde voorwaarden voldoet (zie art. 59, § 4, c, Herstelwet 31.07.1984, zoals ingelast door art. 18, 2°, W. 28.12.1990).
5. Voorbeelden
58. Voorbeeld 1
Een N.V. is in een reconversiezone opgericht op 01.06.1990 met een kapitaal van 10.000.000 F dat onmiddellijk in geld is volgestort. De vennootschap sluit haar boekhouding af op 31 december en voor het eerst in 1991. Ze kiest voor de vrijstelling vanaf haar eerste boekjaar.
De vennootschap heeft de volgende materiële vaste activa aangeschaft :
- in 1991 : een bestaand gebouw (waarvan het gebruik niet aan een derde is afgestaan) van 7.000.000 F en tweedehandsmaterieel voor een bedrag van 500.000 F;
- in 1992 : nieuwe materiële vaste activa voor een bedrag van 11.000.000 F.
Zowel op 31.12.1991 als op 31.12.1992 zijn er 5 werknemers in de oneigenlijke reconversievennootschap tewerkgesteld (waarvan er 3 voorheen waren tewerkgesteld in de moedervennootschap van de oneigenlijke reconversievennootschap).
De dividenden die uit de winst van het boekjaar zijn toegekend aan de aandelen die het in aanmerking komende kapitaal vertegenwoordigen bedragen respectievelijk 600.000 F voor het boekjaar 1991 en 700.000 F voor het boekjaar 1992.
De vrijstellingen voor de ajn. 1992 en zijn als volgt te berekenen :
- boekjaar 1991 :
de investeringsverplichting (10.000.000 F x 60 % = 6.000.000 F) is -mede gelet op de tewerkstelling van 2 nuttige werknemers- weliswaar nageleefd, doch het in aanmerking komende kapitaal (10.000.000 F) is niet voor het einde van het desbetreffende boekjaar gebruikt om investeringen in nieuwe staat te verkrijgen of tot stand te brengen, zodat met betrekking tot de uitgekeerde dividenden geen vrijstelling kan worden verleend;
- boekjaar 1992 :
- vrijstelbaar maximum : 10.000.000 F x 8 % = 800.000 F;
- te beperken tot het werkelijk uitgekeerde dividend van 700.000 F (het in aanmerking komende kapitaal is immers volledig gebruikt om voor het einde van het boekjaar nieuwe materiële vaste activa aan te schaffen en daarenboven is door de tewerkstelling van 2 nuttige werknemers aan de tewerkstellingsvoorwaarde voldaan).
59. Voorbeeld 2
De N.V. A is op 01.05.1989 in een reconversiezone opgericht met een kapitaal van 18.000.000 F waarop 10.000.000 F onmiddellijk is gestort en dat op 01.12.1989 voor het resterende gedeelte is volgestort. Op 01.10.1990 voert de vennootschap een kapitaalverhoging van 7.000.000 F door die onmiddellijk is gestort. De N.V. A sluit haar boekjaar elk jaar en voor het eerst in 1989 af op 31 december. Ze kiest voor de vrijstelling vanaf haar eerste boekjaar.
In de navolgende tabel zijn vermeld :
- in kol. 1 : het boekjaar;
- in kol. 2 : het werkelijk in geld gestorte kapitaal bij het begin van het boekjaar;
- in kol. 3 : de totale investeringen in nieuwe materiële vaste activa tot op het einde van het boekjaar (gecumuleerd bedrag);
- in kol. 4 : het aantal werknemers op het einde van het boekjaar die van een verbonden onderneming zijn overgenomen;
- in kol. 5 : het aantal ander werknemers dan die vermeld in kol. 4 en 6, tewerkgesteld op het einde van het boekjaar;
- in kol. 6 : het aantal aangeworven werklozen als vermeld in nr. 57;
- in kol. 7 : de dividenden die uit de winst van het boekjaar zijn toegekend aan de aandelen die het in aanmerking komende kapitaal vertegenwoordigen.
================================================================= | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | |------|--------------|--------------|---|----|---|-------------| | | | | | | | | | 1989 | 10.000.000 F | 8.000.000 F | 2 | 0 | | 1.400.000 F | |------|--------------|--------------|---|----|---|-------------| | | | | | | | | | 1990 | 18.000.000 F | 12.000.000 F | 2 | 1 | | 900.000 F | |------|--------------|--------------|---|----|---|-------------| | | | | | | | | | 1991 | 25.000.000 F | 16.000.000 F | 2 | 1 | 0 | 3.500.000 F | | | | | | | | (1) | |------|--------------|--------------|---|----|---|-------------| | | | | | | | | | 1992 | 25.000.000 F | 25.000.000 F | 2 | 10 | 1 | 3.500.000 F | | | | | | | | (1) | |------|--------------|--------------|---|----|---|-------------| | | | | | | | | | 1993 | 25.000.000 F | 27.000.000 F | 2 | 10 | 2 | 3.500.000 F | | | | | | | | (1) | ================================================================= (1) Waarvan 2.520.000 F aan de aandelen die het aanvangskapitaal vertegenwoordigen en 980.000 F aan de aandelen die de kapitaal- verhoging vertegenwoordigen. De vrijstellingen zijn als volgt te berekenen : - boekjaar 1989 (aj. 1990) : aanvangskapitaal : - vrijstelbaar maximum : 10.000.000 F x 13 % = 1.300.000 F te beperken tot (slechts 8.000.000 F investeringen) : 8.000.000 F 1.300.000 F x ------------ = 1.040.000 F 10.000.000 F - boekjaar 1990 (aj. 1991) : aanvangskapitaal : - vrijstelbaar maximum (kleiner dan 18.000.000 F x 8 %) : 900.000 F - te beperken tot (slechts 12.000.000 F investeringen) : 12.000.000 F 900.000 F x ------------ = 600.000 F 18.000.000 F - boekjaar 1991 (aj. 1992) : aanvangskapitaal : - vrijstelbaar maximum 18.000.000 F x 8 % = 1.440.000 F - te beperken tot (slechts 3 werknemers) : 15.000.000 F 1.440.000 F x ------------ = 1.200.000 F 18.000.000 F (15.000.000 F x 8 %) kapitaalverhoging : - vrijstelbaar maximum : 7.000.000 F x 8 % = 560.000 F - evenwel geen aangeworven werklozen, dus geen vrijstelling; - boekjaar 1992 (aj. 1993) : aanvangskapitaal : - vrijstelbaar : 18.000.000 F x 8 % = 1.440.000 F kapitaalverhoging : - vrijstelbaar maximum : 7.000.000 F x 8 % = 560.000 F - te beperken tot (slechts 1 aangeworven werkloze) : 5.000.000 F 560.000 F x ----------- = 400.000 F 7.000.000 F (5.000.000 F x 8 %) - boekjaar 1993 (aj. 1994) : aanvangskapitaal : - vrijstelbaar : 18.000.000 F x 8 % = 1.440.000 F kapitaalverhoging : - vrijstelbaar 7.000.000 F x 8 % = 560.000 F 6. Toepassing van de vrijstelling
60. Overeenkomstig art. 2, KB 12.08.1985 (zie bijlage 2) wordt de vrijstelling verleend door de vrijgestelde dividenden of inkomsten van belegde kapitalen die de "1e bewerking" uit de in principe belastbare winst te sluiten.
F. VERVAL VAN DE VRIJSTELLING
61. Generlei vrijstelling mag nog worden verleend met ingang van het boekjaar waarin een kapitaalverhoging (die in principe tot vrijstelling aanleiding kan geven) plaatsvindt zonder dat de keuze van het vrijstellingstijdperk of de investeringsverbintenis op de gestelde wijze is uitgedrukt (indien die keuze niet wordt uitgedrukt bij de oprichting kan er uiteraard geen sprake zijn van vrijstelling).
Dit is eveneens het geval met ingang van het boekjaar waarin de nrs. 42, e.v. besproken investeringsverplichting niet is nageleefd (indien die verplichting te gepasten tijde niet is nageleefd met betrekking tot het kapitaal dat in geld voor het eerste boekjaar van het vrijstellingstijdperk is gestort, kan generlei vrijstelling worden verleend).
62. Zoals in nr. 50 is vermeld, moet voor de berekening van de vrijstelling worden uitgegaan van het werkelijk in geld gestorte kapitaal bij het begin van het boekjaar. Indien het in aanmerking komende kapitaal om een of andere reden wordt verminderd mag, met ingang van het boekjaar dat op die vermindering volgt, nog slechts met het overblijvende kapitaal rekening worden gehouden.
63. Tenslotte vervalt het recht op vrijstelling in zover en met ingang van het boekjaar :
| a) | waarin in nr. 51 bedoelde activa worden overgedragen en een bedrag gelijk aan de opbrengst van die overdracht niet wordt gebruikt om andere in aanmerking komende materiële vaste activa in nieuwe staat aan te schaffen of tot stand te brengen binnen een termijn die aanvangt op de eerste dag van het boekjaar waarin de overdracht heeft plaatsgevonden en eindigt drie maanden na het einde van dat boekjaar; |
| b) | op de laatste dag waarvan het aantal werknemers lager is dan het aantal werknemers dat overeenkomstig de nrs. 53 tot 56 is bepaald; |
| c) | in de loop waarvan de aangeworven werkloze als vermeld in nr. 57 niet langer in dienst wordt gehouden, tenzij deze werknemer binnen een termijn van 3 maanden wordt vervangen door een andere werknemer die aan dezelfde voorwaarden voldoet. |
64. Ten aanzien van vennootschappen die betrokken zijn bij een belastingvrije inbreng van een tak van de werkzaamheid of van de algemeenheid van goederen, dan wel bij een belastingvrije fusie of splitsing, blijven de vrijstellingen van toepassing alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgehad (art. 1, KB 12.08.1985 -zie bijlage 2). Zulks geldt zowel voor de aandeelhouders van eigenlijke reconversievennootschappen als voor de oneigenlijke reconversievennootschappen.
In geval van splitsing worden de vrijstellingen bij elke opslorpende of uit de splitsing ontstane vennootschap toegepast naar de verhouding tot de nettowaarde van de inbrengen.
In dat verband wordt de aandacht erop gevestigd dat de eigenlijke of oneigenlijke reconversievennootschap niet alleen haar maatschappelijke zetel maar ook haar voornaamste inrichting in één of meer reconversiezones moet behouden.
Indien bij de toepassing van deze principes concrete problemen mochten rijzen, mogen de dossiers van de betrokken vennootschappen met de nodige berekeningen en voorstellen langs hiërarchische weg aan het hoofdbestuur (Directie II/1) worden voorgelegd.
Bijlage 1
Gecoördineerde tekst van de art. 50 tot 62, Herstelwet 31.07.1984 (*)
| (*) | Gecoördineerde tekst zoals achtereenvolgens gewijzigd door : |
- art. 1 tot 4, KB nr. 486 van 31.12.1986 betreffende de werking en de werkingsmiddelen van het Fonds voor industriële vernieuwing;
- art. 1, KB 03.10.1988 houdende verlenging van de periode van toepassing van de art. 59 en 60, Herstelwet 31.07.1984 voor de in de reconversiezones gevestigde vennootschappen;
- art. 303, W.22.12.1989 houdende fiscale bepalingen;
- art. 18 en 19, W. 28.12.1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen.
Art. 50
Voor de toepassing van deze afdeling moet worden verstaan onder :
1° reconversiezones : de gebieden die door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit, op eensluidend advies van de Executieve van het betrokken Gewest, worden afgebakend binnen de ontwikkelingszones bedoeld in artikel 11 van de wet van 30 december 1970 betreffende de economische expansie en die worden gekenmerkt door een ernstig structureel werkgelegenheidstekort ingevolge een sterke bevolkingsaangroei, een tekort aan industrieel initiatief of de herstructurering van aldaar gevestigde ondernemingen in sectoren bedoeld in artikel 6, § 1, VI, 4°, tweede deel, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Het verzoek om advies wordt door de Minister van Economische Zaken gericht tot de Executieve die over een termijn van dertig dagen beschikt om haar advies te geven;
2° reconversievennootschappen : de vennootschappen die worden opgericht ten laatste op 31 december 1990 op basis van een voor 6 december 1990 ingediend contract bij een openbare investeringsvennootschap als bedoeld onder 3 met het oog op de uitvoering van een reconversiecontract en die hun zetel en belangrijkste bedrijfszetel hebben in een reconversiezone;
3° openbare investeringsmaatschappij : de Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Vlaanderen, de "Société régionale d'investissement de Wallonie", de Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Brussel of de Nationale Investeringsmaatschappij, laatstgenoemde enkel optredend op vraag van een gewestelijke investeringsmaatschappij indien de reconversievennootschap behoort tot een andere sector dan de sectoren bedoeld in artikel 6, § 1, VI, 4°, tweede deel, 1° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
4° privé-aandeelhouders : de natuurlijke personen of rechtspersonen, de openbare investeringsmaatschappijen uitgezonderd, die op het ogenblik van het afsluiten van het reconversiecontract oprichter of aandeelhouder zijn van een reconversievennootschap en partij zijn bij het reconversiecontract;
5° reconversieproject : het project dat bijdraagt tot de industriële reconversie van een reconversiezone door middel van investeringen in materiële vaste activa in nieuwe staat, in de betrokken reconversiezone, voor het onderzoek, de ontwikkeling, de vervaardiging en de commercialisering van :
| a) | nieuwe produkten; |
| b) | nieuwe technologieën en hun toepassingen; |
| c) | verbeteringen van industriële processen met het oog op een rationeler energie- of grondstoffengebruik of een verbeterde bescherming van het leefmilieu; |
7° F.I.V.-inbreng : de inbreng in het kapitaal van de reconversievennootschap, die de openbare investeringsmaatschappij doet uit hoofde van het reconversiecontract, waarvan de middelen voortkomen uit het Fonds voor industriële vernieuwing, verhoogd met het minimum bedrag bedoeld in de tweede zin van artikel 54, § 3.
Art. 51
Het reconversiecontract bepaalt ten minste :
1° de verbintenissen van de openbare investeringsmaatschappij en de privé-aandeelhouders aangaande hun inbrengen in het kapitaal van de reconversievennootschap;
| 2° | de verbintenissen van de reconversievennootschap aangaande : |
| a) | het bedrag, de aard en het tijdsschema van de in artikel 50, 5°, bedoelde investeringen; |
| b) | het minimum aantal door deze investeringen te creëren arbeidsplaatsen; |
4° de controlemechanismen, met inbegrip van een bijzonder jaarlijks verslag door de raad van bestuur van de reconversievennootschap, geviseerd door een bedrijfsrevisor, die de openbare investeringsmaatschappij in staat moet stellen de naleving door de reconversievennootschap en de privé-aandeelhouders van de door het reconversiecontract opgelegde verbintenissen na te gaan.
Art. 52
De inbrengen door de openbare investeringsmaatschappij en de privé-aandeelhouders, die het voorwerp zijn van het reconversiecontract, bestaan uitsluitend in geld.
Art. 53
Een bedrag gelijk aan ten minste 80 % van het gezamenlijk bedrag van de inbrengen die het voorwerp zijn van het reconversiecontract moet worden besteed aan de aankoop van de in artikel 50, 5°, bedoelde materiële vaste activa.
Art. 54
§ 1. In geen geval zullen de inbrengen door de openbare investeringsmaatschappij uit hoofde van het reconversiecontract meer bedragen dan 49 % van het gezamenlijk bedrag van de inbrengen die het voorwerp zijn van het reconversiecontract. Het saldo wordt ingebracht door de privé-aandeelhouders.
§ 2. Voor de berekening van de in § 1 bepaalde grens van 49 % wordt geen rekening gehouden met inbrengen door een openbare investeringsmaatschappij op grond van artikel 2, § 1 of 2, van de wet van 2 april 1962 tot oprichting van een Nationale Investeringsmaatschappij en van gewestelijke investeringsmaatschappijen, gewijzigd bij de wetten van 30 maart 1976 en 4 augustus 1978. Deze inbrengen worden toegerekend op het in § 1 bedoelde saldo, zonder dat het gezamenlijk bedrag van de inbrengen door privé-aandeelhouders, waarin een openbare investeringsmaatschappij noch rechtstreeks noch onrechtstreeks een participatie bezit, die 25 % of meer vertegenwoordigt van het kapitaal of waaraan een stemrecht is verbonden gelijk aan 25 % of meer van de stemrechten verbonden aan het totale aantal uitgegeven aandelen, minder mag zijn dan één derde van het gezamenlijk bedrag van de inbrengen die het voorwerp zijn van het reconversiecontract.
Van de in het eerste lid bedoelde grens van 25 % kan bij beslissing van het Ministerieel Comité voor economische en sociale coördinatie worden afgeweken, zonder dat de gestelde grens 49 % mag overschrijden, indien blijkt dat het sluiten van het reconversiecontract niet mogelijk is zonder deze afwijking.
§ 3. De openbare investeringsmaatschappij doet een beroep op het Fonds voor industriële vernieuwing voor de financiering van een gedeelte van haar inbrengen uit hoofde van het reconversiecontract. De inbreng die zij doet met andere middelen dan F.I.V.-middelen is ten minste gelijk aan de helft van de tegemoetkoming van het Fonds voor industriële vernieuwing; ten minste 33 % van deze inbreng geschiedt ten laste van de eigen middelen van de openbare investeringsmaatschappij.
Van het in het eerste lid bedoelde minimum van 33 % kan bij beslissing van het Ministerieel Comité voor economische en sociale coördinatie worden afgeweken indien dit minimum een bedrag zou vertegenwoordigen hoger dan 5 % van het eigen vermogen van de openbare investeringsmaatschappij. De openbare investeringsmaatschappij dient de aanvraag van afwijking in bij de Minister van Economische Zaken; laatstgenoemde legt haar voor aan het Ministerieel Comité op de vergadering die volgt op de ontvangst van de aanvraag. Bij ontstentenis van een beslissing van het Ministerieel Comité binnen vijftien dagen na deze vergadering wordt de afwijking geacht te zijn toegestaan.
In geen geval zal de tegemoetkoming van het Fonds voor industriële vernieuwing meer dan twee derde bedragen van 49 % van het gezamenlijk bedrag van de inbrengen die het voorwerp zijn van het reconversiecontract.
Art. 55
§ 1. In het reconversiecontract verbinden privé-aandeelhouders, waarin een openbare investeringsmaatschappij noch rechtstreeks noch onrechtstreeks een participatie bezit die 25 % of meer vertegenwoordigt van het kapitaal of waaraan een stemrecht is verbonden gelijk aan 25 % of meer van de stemrechten verbonden aan het totale aantal uitgegeven aandelen, zich tot de afkoop en verbindt de openbare investeringsmaatschappij zich tot de verkoop van de aandelen die de F.I.V.-inbreng vertegenwoordigen, tegen een prijs gelijk aan de uitgifteprijs. De verplichte afkoop wordt uitgevoerd vanaf het vierde tot en met het dertiende kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van de uitgifte van de betrokken aandelen, ten laatste op 31 december van elk van deze jaren, naar rata van 10 % van de betrokken aandelen per jaar.
Van de in het eerste lid bedoelde grens van 25 % kan bij beslissing van het Ministerieel Comité voor economische en sociale coördinatie worden afgeweken, zonder dat de gestelde grens 49 % mag overschrijden, indien blijkt dat het sluiten van het reconversiecontract niet mogelijk is zonder deze afwijking.
§ 2. De aandelen die de F.I.V.-inbreng vertegenwoordigen kunnen door de openbare investeringsmaatschappij niet in eigendom worden overgedragen aan derden, tenzij na 31 december van het jaar waarin de afkoop moest worden uitgevoerd overeenkomstig § 1, onverminderd het recht van de openbare investeringsmaatschappij om de uitvoering van de afkoop in rechte te vorderen.
§ 3. De aandelen die de F.I.V.-inbreng vertegenwoordigen zijn op naam; zij blijven op naam tot het ogenblik van de uitvoering van de afkoop door de privé-aandeelhouders of hun overdracht aan derden overeenkomstig § 2.
§ 4. De aandelen die F.I.V.-inbreng vertegenwoordigen, geven, niettegenstaande elke hiermee strijdige bepaling in de statuten of beslissing van de algemene vergadering en onverminderd de deelgerechtigdheid in de overwinst die de statuten hun kunnen toekennen, in geval van beschikbare nettowinst, al dan niet uitgekeerd, recht op een bevoorrecht dividend van 2 % van hun uitgifteprijs, zonder dat dit bevoorrecht dividend meer kan bedragen dan de beschikbare nettowinst. In voorkomend geval wordt dit voorrecht uitgeoefend voor die van de andere aandelen en de winstbewijzen en soortgelijke effecten als bedoeld in artikel 47 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen.
Art. 56
§ 1. De reconversievennootschap kan de inbrengen door de openbare investeringsmaatschappij uit hoofde van het reconversiecontract vergoeden door uitgifte van aandelen die haar kapitaal vertegenwoordigen doch waaraan geen stemrecht is toegekend, hierna "bevoorrechte aandelen zonder stemrecht" genoemd.
§ 2. Onverminderd de in deze wet bepaalde voorwaarden, worden de uitgifte van de bevoorrechte aandelen zonder stemrecht, haar voorwaarden en modaliteiten, alsook de aan deze aandelen verbonden rechten, geregeld in het reconversiecontract en vastgelegd in de statuten van de reconversievennootschap.
§ 3. De uitgifte van bevoorrechte aandelen zonder stemrecht is ondergeschikt aan de volgende voorwaarden :
1° zij mogen niet meer dan 49 % van het kapitaal van de reconversievennootschap vertegenwoordigen;
2° zij geven, niettegenstaande elke hiermee strijdige bepaling in de statuten of beslissing van de algemene vergadering en onverminderd de deelgerechtigdheid in de overwinst die de statuten hun kunnen toekennen, in geval van beschikbare nettowinst, al dan niet uitgekeerd, recht op een bevoorrecht dividend van 2 % van hun uitgifteprijs, zonder dat dit bevoorrecht dividend meer kan bedragen dan de beschikbare nettowinst;
3° zij zijn, niettegenstaande elke hiermee strijdige bepaling in de statuten, bevoorrecht op de terugbetaling van de inbreng onverminderd de deelgerechtigdheid in het saldo bij de vereffening die de statuten hun kunnen toekennen.
In voorkomend geval, worden de in 2° en 3° van het eerste lid bedoelde voorrechten uitgeoefend voor die van de andere aandelen en winstbewijzen en soortgelijke effecten als bedoeld in artikel 47 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen.
§ 4. Onverminderd artikel 71 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, hebben de houders van de bevoorrechte aandelen zonder stemrecht niettemin stemrecht zoals bepaald in artikel 74 van voornoemde wetten, en worden deze aandelen meegeteld voor de vaststelling van de vereisten inzake aanwezigheid en beslissing in de algemene vergadering, in elk van de volgende gevallen :
1° in iedere algemene vergadering, wanneer de in § 3, 1°, bepaalde voorwaarde niet of niet meer is vervuld;
2° in iedere algemene vergadering die zich uitspreekt over de vermindering van het kapitaal van de vennootschap, de wijziging van haar doel, haar vervroegde ontbinding of haar omzetting in een vennootschap met een andere rechtsvorm;
3° in iedere algemene vergadering, na verloop van het vierde kalenderjaar bedoeld in artikel 55, § 1, met betrekking tot die bevoorrechte aandelen zonder stemrecht die een F.I.V.-inbreng vertegenwoordigen en waarvan de afkoop door de privé-aandeelhouders overeenkomstig artikel 55, § 1 niet werd uitgevoerd;
4° in iedere algemene vergadering, wanneer de bevoorrechte dividenden, om reden van onvoldoende nettowinst, gedurende elk van drie opeenvolgende boekjaren niet volledig werden betaalbaar gesteld, zulks tot en met de algemene vergadering die voldoende nettowinst vaststelt om het bevoorrecht dividend te betalen;
5° in iedere algemene vergadering, na de dagtekening van de inschrijving in het register der aandeelhouders van de overdracht van bevoorrechte aandelen zonder stemrecht aan privé-aandeelhouders, met betrekking tot de aldus overgedragen aandelen.
§ 5. De oproepingen, verslagen en documenten die de raad van bestuur of de commissarissen aan de houders van stemgerechtigde aandelen toesturen, meedelen of ter inzage stellen, worden eveneens, binnen dezelfde termijnen, toegestuurd, meegedeeld of ter inzage gesteld aan de houders van de bevoorrechte aandelen zonder stemrecht.
§ 6. Buiten de in § 4, 3°, 4° en 5°, bepaalde gevallen, worden de houders van de bevoorrechte aandelen zonder stemrecht, voor de toepassing van de artikelen 62, tweede lid, en 65, vijfde lid, van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, geacht derden te zijn.
Art. 57
Met het oog op de bevordering van de industriële reconversie en vernieuwing, kan de Koning, na om het advies van de Gewestexecutieven te hebben verzocht, bij in Ministerraad overlegd besluit, te nemen voor 31 december 1985, koninklijk besluit nr. 31 van 15 december 1978 tot instelling van een Fonds voor industriële vernieuwing vervangen, wijzigen of aanvullen ter zake van de opdracht, de werking, de stijging en het optreden van het Fonds voor industriële vernieuwing evenals de samenstelling, het secretariaat en de werking van het Beheerscomité van voornoemd Fonds. Het verzoek om advies wordt door de Minister van Economische Zaken gedaan. De Executieven beschikken over een termijn van dertig dagen om hun advies te geven.
Art. 58
§ 1. Voor de privé-aandeelhouders van een reconversievennootschap zijn de winsten die worden besteed aan de in artikel 55, § 1, bedoelde afkoop, onder de hierna bepaalde voorwaarden vrijgesteld van vennootschapsbelasting of van belasting der niet-verblijfhouders die verschuldigd is door belastingplichtigen als bedoeld in artikel 139, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.
§ 2. Per boekjaar wordt de vrijstelling verleend tot een bedrag dat niet hoger is dan 10 % van de totale afkoopverbintenis als bedoeld in artikel 55, § 1.
§ 3. Indien een boekjaar geen of onvoldoende winst oplevert wordt de voor dat boekjaar verleende vrijstelling achtereenvolgens overgedragen op de winsten van de volgende boekjaren, waarbij de vrijstelling per boekjaar nooit hoger mag zijn dan de in § 2 gestelde grens.
§ 4. De vrijstelling wordt slechts verleend en behouden indien :
| 1° | de vrijgestelde winsten in een afzonderlijke rekening van het passief van de balans geboekt zijn en blijven; |
| 2° | de vrijgestelde winsten niet tot grondslag dienen voor de berekening van enigerlei beloning of toekenning; |
| 3° | de afgekochte aandelen blijvend worden gebruikt voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid in België. |
Art. 59
§ 1. De inkomsten uitgekeerd aan de aandelen of deelbewijzen worden uit de in de vennootschapsbelasting belastbare grondslag gesloten voor de in de artikelen 98, 100 en 102 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen die :
| 1° | zijn opgericht vanaf 1 januari 1984 tot 22 juli 1990, zonder F.I.V.- inbreng; |
| 2° | de maatschappelijke zetel en de voornaamste inrichting van bij de oprichting in een reconversiezone vestigen en behouden; |
| 3° | tegenover de aandeelhouders of vennoten de verbintenis aangaan en naleven om, voor het einde van het eerste boekjaar van het overeenkomstig § 2, 3°, gekozen vrijstellingstijdperk, een som van tenminste 60 % van het in geld volgestorte kapitaal, of van de in geld volgestorte kapitaalverhoging en daarbijhorende uitgiftepremies, te gebruiken om materiële vaste activa als bedoeld in § 5, aan te schaffen of tot stand te brengen die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt, met uitsluiting van de vaste activa waarvan het gebruik is afgestaan aan een derde. |
§ 2. De vrijstelling wordt verleend :
| 1° | voor het gedeelte van de uitgekeerde inkomsten dat per boekjaar niet hoger is dan 8 % van het kapitaal. Onder kapitaal wordt hier verstaan uiterlijk op 22 juli 1990 geplaatste maatschappelijke kapitaal dat werkelijk in geld wordt volgestort alsmede het kapitaal voortvloeiend uit een tussen 23 juli 1990 en 31 december 1992 geplaatste en werkelijk in geld volgestorte kapitaalverhoging dat bij het begin van het boekjaar nog is terug te betalen, vermeerderd met de uitgiftepremies die door de aandeelhouders of vennoten zijn volgestort en op de balans van de vennootschap zijn ingeschreven, maar met uitsluiting van de voorschotten bedoeld in artikel 15, tweede lid, 2°, van hetzelfde Wetboek; |
| 2° | in de mate dat : |
| a) | het in 1° bedoelde kapitaal voor het einde van het boekjaar is gebruikt om in § 5, bedoelde materiële vaste activa in nieuwe staat aan te schaffen of tot stand te brengen die de vennootschap gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid, met uitsluiting van de vaste activa waarvan het gebruik is afgestaan aan een derde; |
| b) | per schijf van 5.000.000 F investeringen voortvloeiend uit de aanwending van het uiterlijk op 22 juli 1990 geplaatste kapitaal bedoeld onder a), de vennootschap ten minste één werknemer tewerkstelt bij het einde van het boekjaar; |
| c) | per schijf van 5.000.000 F van de onder a) bedoelde vaste activa voortvloeiend uit de aanwending van het kapitaal naar aanleiding van een tussen 23 juli 1990 en 31 december 1992 geplaatste en werkelijk in geld volgestorte kapitaalverhoging, stelt de vennootschap ten minste één voor een voltijdse betrekking aangeworven werknemer tewerk die op het ogenblik van de aanwerving sedert ten minste zes maanden volledig uitkeringsgerechtigde werkloze is en na 22 juli 1990 aangeworven werd; |
| 3° | naar keuze van de vennootschap : |
| a) | ofwel voor elk van de boekjaren waarvan het laatste uiterlijk afsluit op 31 december van het tiende jaar na dat waarin de vennootschap is opgericht; |
| b) | ofwel voor elk van het tweede tot en met het elfde boekjaar, waarvan het laatste uiterlijk afsluit op 31 december van het elfde jaar na dat waarin de vennootschap is opgericht; |
| c) | ofwel voor elk van het derde tot en met het twaalfde boekjaar, waarvan het laatste uiterlijk afsluit op 31 december van het twaalfde jaar na dat waarin de vennootschap is opgericht. |
Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, b, wordt voor de vanaf 1 januari 1990 opgerichte vennootschappen geen rekening gehouden met de werknemers die voorheen waren tewerkgesteld in ondernemingen waarmee de belastingplichtige zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt.
De in vorig lid vermelde uitsluiting is eveneens van toepassing op de vennootschappen die vanaf 1 januari 1990 overgaan tot een kapitaalverhoging en zulks met betrekking tot personeel dat vanaf de datum van die kapitaalverhoging wordt tewerkgesteld ingevolge die verhoging.
§ 3. De in § 1, 3°, bedoelde verbintenis en de in § 2, 3°, gestelde keuze moet onherroepelijk worden uitgedrukt in de prospectus van uitgifte van de nieuwe aandelen of in de akte van oprichting, naargelang er al dan niet publiek beroep wordt gedaan op de beleggers.
Behoudens andersluidende beslissing ten gevolge van een akte die onderworpen is aan de voorschriften betreffende de openbaarmaking, hebben de in de prospectus van uitgifte van de nieuwe aandelen of in de akte van oprichting uitgedrukte verbintenis en onherroepelijke keuze, ambtshalve betrekking op de vijf boekjaren die het in § 2, eerste lid, 3°, vermelde vrijstellingstijdperk verlengen.
§ 4. Het recht op vrijstelling vervalt in de mate en met ingang van het boekjaar :
| a) | waarin die activa worden overgedragen en een bedrag gelijk aan de opbrengst van die overdracht niet wordt gebruikt om in § 2, 2°, bedoelde materiële vaste activa aan te schaffen of tot stand te brengen binnen een termijn die aanvangt op de eerste dag van dat boekjaar en die eindigt uiterlijk drie maanden na het einde van dat boekjaar; |
| b) | op de laatste dag waarvan het aantal personeelsleden van de vennootschap lager is dan het aantal werknemers tewerkgesteld overeenkomstig § 2, 2°, b); |
| c) | in de loop waarvan de bij § 2, 2°, c), bedoelde werknemer niet langer in dienst gehouden wordt of binnen een termijn van drie maanden vervangen wordt door een werknemer die aan dezelfde voorwaarden voldoet. |
| a) | nieuwe produkten; |
| b) | nieuwe technologieën en hun toepassingen; |
| c) | verbeteringen van industriële processen met het oog op een rationeler energie- of grondstoffengebruik of een verbeterde bescherming van het leefmilieu; |
| d) | produkten en technologieën en hun toepassingen waarvan de vervaardiging of commercialisering door hun reële perspectieven van verdere ontwikkeling en rentabiliteit bijdraagt tot de vernieuwing of verbreding van het industrieel weefsel van de betrokken reconversiezone of tot de aangroei van de werkgelegenheid. |
§ 1. Het evenredig registratierecht is niet verschuldigd voor de inbrengen gedaan bij de oprichting van reconversievennootschappen als vermeld in artikel 50 die plaatshebben tot 31 december 1990. Hetzelfde recht is niet verschuldigd voor de verhogingen van het kapitaal, met of zonder nieuwe inbreng, gedaan bij dezelfde vennootschappen tot 31 december van het tiende jaar volgend op het jaar waarin de vennootschap is opgericht.
Het evenredig registratierecht is niet verschuldigd voor de inbrengen gedaan bij de oprichting van vennootschappen als vermeld in artikel 59 die plaatsvinden tot 22 juli 1990. Hetzelfde recht is niet verschuldigd voor de verhogingen van het kapitaal, met of zonder nieuwe inbreng, van deze vennootschappen die plaatshebben tot en met 31 december 1992.
§ 2. De Koning bepaalt de formaliteiten welke moeten worden vervuld om de vrijstelling te verkrijgen.
Art. 61
De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit en voor de periode die Hij bepaalt, de toepassing van de artikelen 59 en 60 uitbreiden tot de vennootschappen die worden opgericht na 1988.
Art. 62
De Koning regelt de aanrekening van de in deze afdeling bedoelde vrijstellingen op de belastbare winst en stelt de nadere regels vast voor de toepassing van deze afdeling in de gevallen bedoeld in de artikelen 40 en 124 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.
Art. 1 en 2, KB 12.08.1985 tot uitvoering van art. 62, Herstelwet 31.07.1984 betreffende de belastingvrijstelling ten gunste van sommige in reconversiezones gevestigde vennootschappen.
Art. 1
Ten aanzien van vennootschappen betrokken bij verrichtingen als bedoeld in de artikelen 40 en 124 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, blijven de bepalingen van de artikelen 58 of 59 van de Herstelwet van 31 juli 1984 van toepassing alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgevonden.
Betreft het een splitsing, dan worden de voormelde bepalingen bij elke opslorpende of uit de splitsing ontstane vennootschap toegepast naar de verhouding van de nettowaarde van de inbreng die de gesplitste vennootschap bij elk van hen heeft gedaan.
Art. 2
Het bedrag, vrijgesteld krachtens de artikelen 58 of 59 van de Herstelwet van 31 juli 1984, wordt uit de maatschappelijke winst van het belastbaar tijdperk gesloten zoals de vrijgestelde waardeverminderingen, voorzieningen en meerwaarden bedoeld in artikel 65, eerste lid, van het koninklijk besluit van 4 maart 1965, tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.
Bron: FisconetPlus
