Circulaire nr. AFZ/2001-1226 van 04.01.2002
CIRC 04.01.02/2
Bull. nr. 823, pag. 772-785
AFTREKBARE BESTEDING
Vrijgestelde gift
BELASTINGVERMINDERING VOOR PRESTATIES BETAALD MET DIENSTENCHEQUES
Dienstencheque
Prestatie betaald met dienstencheques
VERGOEDING
Vergoeding voor reiskosten voor woon-werkverkeer
Vrijgestelde vergoeding
VRIJGESTELDE GIFT
Gift in de vorm van kunstwerken
Vrijgestelde gift
BELASTINGVERMINDERING VOOR PRESTATIES BETAALD MET DIENSTENCHEQUES
Dienstencheque
Prestatie betaald met dienstencheques
VERGOEDING
Vergoeding voor reiskosten voor woon-werkverkeer
Vrijgestelde vergoeding
VRIJGESTELDE GIFT
Gift in de vorm van kunstwerken
Eerste commentaar op de wetten van 21.6.2001, 10.7.2001 en 20.7.2001, inzake PB.
Aan al de ambtenaren van de niveaus 1, 2+ en 2 van de Administratie van fiscale zaken, van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit (sector directe belastingen), van de Administratie van de directe belastingen en van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie.
De bijlage bevat een eerste commentaar op :
- de artikelen 4 tot 6 van de wet van 21 juni 2001 tot wijziging van de gevolgen voor de inkomstenbelastingen van schenkingen aan de Staat en tot wijziging van de regeling voor de aangifte van kunstwerken ter betaling van successierechten (BS 5.7.2001, V 2944, Bull. 818);
- de wet van 10 juli 2001 tot wijziging van artikel 38 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de bijdrage van de werkgever in de reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling (BS 22.8.2001, V 2960, Bull. 820);
- de artikelen 8, 9 en 11 van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen (BS 11.8.2001, Ed. 2, V 2962, Bull. 820).
NAMENS DE MINISTER :
De adjunct-administrateur-generaal
van de belastingen,
Jean-Marc DELPORTE
Bijlage
INHOUDSTAFEL
A. Wettekst
1. ...
Art. 4. Artikel 104, 5°, b), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt vervangen als volgt :
"b) ofwel in de vorm van kunstwerken waarvan de Minister van Financiën overeenkomstig artikel 111 erkent dat zij behoren tot het roerend cultureel erfgoed van het land of dat zij internationale faam genieten".
Art. 5. Artikel 111 van hetzelfde Wetboek wordtvervangen als volgt :
"Art. 111. - De Minister van Financiën erkent dat de kunstwerken bedoeld in artikel 104, 5°, b), behoren tot het roerend cultureel erfgoed van het land of dat zij internationale faam genieten en stelt hun geldwaarde vast. De aftrek wordt verleend tot de aldus vastgestelde geldwaarde.
De bijzondere commissie bedoeld in artikel 83-4 van het Wetboek der successierechten geeft de Minister van Financiën een bindend advies over:
1° de vraag of de aangeboden kunstwerken tot het roerend cultureel erfgoed van het land behoren of internationale faam genieten;
2°de ontvankelijkheid van de schenking;
3°de geldwaarde van het aangeboden kunstwerk.
De kosten van de schatting worden voorgeschoten door de belastingplichtige.
De erkenning door de Minister van Financiën en de vastgestelde geldwaarde bedoeld in het eerste lid, gelden voor een termijn van zes maanden vanaf de kennisgeving van die erkenning en die geldwaarde, bij een ter post aangete kende brief, aan de belastingplichtige.
De kosten van de schatting van het kunstwerk worden aan de belastingplichtige terugbetaald zodra hij het bewijs heeft geleverd dat de schenking binnen de in het voorgaande lid gestelde termijn is verricht.
De Koning stelt de nadere regels vast betreffende het voorschot en de terugbetaling van de schattingskosten.".
...
Art. 6. De Koning bepaalt voor elk artikel van deze wet de datum waarop het in werking treedt.
...
2. De W 1.8.1945 houdende fiscale en andere bepalingen, betreffende onder meer de fiscale gevolgen van giften in de vorm van kunstwer ken, had tot doel de verdere aantasting van het Belgisch kunstbezit tegen te gaan.
De door die wet opgelegde voorwaarden zorgden er evenwel voor dat deze procedure bijna niet werd gebruikt.
De W 21.6.2001 probeert dan ook het systeem van schenkingen van kunstwerken te vereenvoudigen en te verbeteren.
3. Op dit ogenblik worden enkel de kunstwerken in aanmerking genomen waarvan de internationale faam door de Minister van Financiën wordt erkend. Na de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen komen ook kunstwerken in aanmerking die behoren tot het roerend cultureel erfgoed van het land.
Bepaalde goederen kunnen immers een onmiskenbare waarde hebben zonder evenwel internationale faam te genieten. Dat geldt bijvoorbeeld voor voorwerpen die representatief zijn voor hoogstaand regionaal ambachtswerk maar niet noodzakelijk internationaal befaamd zijn, en voor Belgische kunstenaars die nog geen internationale erkenning hebben verworven maar wier werken toch zeer waardevol zijn.
4. De Minister van Financiën stelt op grond van het advies van de in artikel 83-4 van het Wetboek van de successierechten bedoelde bijzondere commissie vast of de kunstwerken tot het roerend cultureel erfgoed van het land behoren of dat zij internationale faam genieten.
De belastingplichtigen moeten de schattingskosten voorschieten teneinde te voorkomen dat ze misbruik zouden maken van de mogelijkheid om hun kunstwerken op kosten van de Staat door experten te laten schatten zonder dat ze in feite van plan zijn die kunstwerken aan de Staat te schenken.
Zowel voor de erkenning van de faam van het kunstwerk als voor de vastgestelde geldwaarde geldt een geldigheidsduur van zes maanden. De termijn van zes maanden gaat in vanaf de kennisgeving aan de belastingplichtige, per aangetekende brief, van de erkenning en van de geldwaarde. Die periode is vrij kort opdat de procedure alleen zou worden ingeleid door belastingplichtigen die werkelijk van plan zijn een kunstwerk te schenken.
Indien het aan de hand van die procedure erkende kunstwerk daadwerkelijk binnen die termijn aan de Staat wordt geschonken, worden de schattingskosten terugbetaald aan de aanvrager. De nadere regels inzake betaling en terugbetaling van die schattingskosten worden vastgelegd bij koninklijk besluit en toegepast door de Administratie van het kadaster, de registratie en de domeinen.
5. De Koning bepaalt de datum van de inwerkingtreding.
II. W 10.7.2001 TOT WIJZIGING VAN ARTIKEL 38 VAN HET WETBOEK VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN 1992 INZAKE DE BIJDRAGE VAN DE WERKGEVER IN DE REISKOSTEN VAN DE WOONPLAATS NAAR DE PLAATS VAN TEWERKSTELLING
A. Wettekst
6. ...
Art. 2. Artikel 38, eerste lid, 9°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd door de wet van 28 juli 1992, wordt vervangen door de volgende bepaling:
"9° in zover zij niet meer dan 125,00 EUR per jaar bedragen, de vergoedingen door de werkgever toegekend als terugbetaling van reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling aan de werknemers, waarvan de beroepskosten fworden bepaald overeenkomstig artikel 51 of die regelmatig het openbaar gemeenschappelijk vervoer gebruiken voor die verplaatsing; bij de vestiging van de belasting ten name van de werknemers, wordt de vrijstelling van die vergoedingen verhoogd tot het totale bedrag van de bijdrage van de werkgever in de prijs van een abonnement, wanneer de werknemer tot staving van zijn aangifte in de inkomstenbelastingen van het aanslagjaar waarvoor hij aanspraak maakt op de vrijstelling, een attest overlegt van een maatschappij voor openbaar gemeenschappelijk vervoer waaruit blijkt dat hij in de loop van het belastbare tijdperk op regelmatige wijze een abonnement heeft genomen voor zijn verplaatsingen tussen zijn woonplaats en de plaats van tewerkstelling, ".
Art. 3 . Deze wet is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2001.
Voor het aanslagjaar 2001 wordt het bedrag van 125,00 EUR dat is vermeld in artikel 2 van deze wet, evenwel vervangen door het bedrag van 5. 000 Belgische frank.
B. Algemeen
7. Inzake de reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling, werd vastgesteld dat bepaalde werkgevers aan hun werkne mers de volledige prijs terugbetalen van het abonnement genomen bij een maatschappij voor openbaar gemeenschappelijk vervoer.
Tot einde 1999 werd in toepassing van artikel 38, eerste lid, 9°, WIB 92 enkel het bedrag van de verplichte bijdrage in het abonnement van belasting, vrijgesteld op voorwaarde dat de werknemer aantoonde aan de hand van een attest uitgereikt door een maatschappij van gemeenschappelijk openbaar vervoer, dat hij gedurende het belastbaar tijdperk regelmatig een abonnement had gehad bij een dergelijke maatschappij voor zijn verplaatsingen voor het woon-werkverkeer.
Teneinde de mobiliteit te bevorderen en de mensen aan te zetten tot een rationeler gebruik van de vervoermiddelen in het woon-werkverkeer strekt de W 10.7.2001 ertoe tot vrijstelling van de integrale terugbetaling van de tegemoetkoming van de werkgevers in de prijs van de abonnementen die hun werknemers geregeld bij een maatschappij voor openbaar gemeenschappelijk vervoer hebben gehad.
Voor het aanslagjaar 2001 wordt het maximumbedrag van 125 EUR omgezet in Belgische franken, namelijk 5.000 BEF (geïndexeerde bedragen : 148,74 EUR of 6.000 BEF).
C. Voorwaarden voor de toekenning van de vrijstelling
8. Het genot van de vrijstelling en het maximumbedrag ervan (125 EUR of het totale bedrag van de werkgeversbijdrage) is afhankelijk van de wijze waarop de werknemer zijn beroepskosten bepaalt (forfait of werke lijk bedrag) en van de wijze waarop hij eventueel van het openbaar vervoer gebruik maakt (regelmatig gebruiker al dan niet met een abonnement).
Hierna worden de verschillende mogelijkheden weergegeven.
1° Werknemers van wie de beroepskosten overeenkomstig art. 51, WIB 92, forfaitair worden bepaald en die geen abonnement hebben onderschreven bij een maatschappij voor gemeenschappelijk openbaar vervoer :
9. Een vrijstelling van ten hoogste 125 EUR per jaar wordt toegekend aan werknemers die aanspraak maken op het wettelijke forfait inzake beroepskosten. Het is daarbij zonder belang of zij al of niet regelmatig ge bruik maken van het gemeenschappelijk openbaar vervoer.
2° Werknemers die hun werkelijke beroepskosten aftrekken en die regelmatig het gemeenschappelijk openbaar vervoer gebruiken doch geen abon nement hebben :
10. Een vrijstelling van ten hoogste 125 EUR per jaar wordt toegekend aan werknemers die hun werkelijke beroepskosten aftrekken (met in begrip, in voorkomend geval, van het forfait van 0, 15 EUR/km - 6 BEF/km), op voorwaarde dat zij regelmatig gebruik maken van het gemeenschappelijk openbaar vervoer, doch op dit laatste geen abonnement hebben.
3° Werknemers die regelmatig een abonnement hebben op het gemeenschappelijk openbaar vervoer:
11. Voor een werknemer die bij zijn aangifte in de PB een door een maatschappij voor gemeenschappelijk openbaar vervoer uitgereikt attest voegt, waaruit blijkt dat hij tijdens het belastbare tijdperk regelmatig een abonnement bij deze maatschappij heeft genomen voor zijn verplaatsingen van huis naar het werk en terug, wordt het vrijgestelde bedrag van 125 EUR verhoogd tot het totale bedrag van de werkgeversbijdrage in de prijs van het abonnement.
Het is daarbij zonder belang of de betrokkene zijn werkelijke beroepskosten aftrekt of het wettelijk forfait toepast.
4° Werknemers die hun werkelijke beroepskosten aftrekken en niet regel het gemeenschappelijk openbaar vervoer gebruiken :
12. Aan deze werknemers (ook zij die slechts toevallig van het openbaar vervoer gebruik maken), wordt geen enkele vrijstelling verleend.
D. Samenvattende tabel
A. Wettekst
6. ...
Art. 2. Artikel 38, eerste lid, 9°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd door de wet van 28 juli 1992, wordt vervangen door de volgende bepaling:
"9° in zover zij niet meer dan 125,00 EUR per jaar bedragen, de vergoedingen door de werkgever toegekend als terugbetaling van reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling aan de werknemers, waarvan de beroepskosten fworden bepaald overeenkomstig artikel 51 of die regelmatig het openbaar gemeenschappelijk vervoer gebruiken voor die verplaatsing; bij de vestiging van de belasting ten name van de werknemers, wordt de vrijstelling van die vergoedingen verhoogd tot het totale bedrag van de bijdrage van de werkgever in de prijs van een abonnement, wanneer de werknemer tot staving van zijn aangifte in de inkomstenbelastingen van het aanslagjaar waarvoor hij aanspraak maakt op de vrijstelling, een attest overlegt van een maatschappij voor openbaar gemeenschappelijk vervoer waaruit blijkt dat hij in de loop van het belastbare tijdperk op regelmatige wijze een abonnement heeft genomen voor zijn verplaatsingen tussen zijn woonplaats en de plaats van tewerkstelling, ".
Art. 3 . Deze wet is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2001.
Voor het aanslagjaar 2001 wordt het bedrag van 125,00 EUR dat is vermeld in artikel 2 van deze wet, evenwel vervangen door het bedrag van 5. 000 Belgische frank.
B. Algemeen
7. Inzake de reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling, werd vastgesteld dat bepaalde werkgevers aan hun werkne mers de volledige prijs terugbetalen van het abonnement genomen bij een maatschappij voor openbaar gemeenschappelijk vervoer.
Tot einde 1999 werd in toepassing van artikel 38, eerste lid, 9°, WIB 92 enkel het bedrag van de verplichte bijdrage in het abonnement van belasting, vrijgesteld op voorwaarde dat de werknemer aantoonde aan de hand van een attest uitgereikt door een maatschappij van gemeenschappelijk openbaar vervoer, dat hij gedurende het belastbaar tijdperk regelmatig een abonnement had gehad bij een dergelijke maatschappij voor zijn verplaatsingen voor het woon-werkverkeer.
Teneinde de mobiliteit te bevorderen en de mensen aan te zetten tot een rationeler gebruik van de vervoermiddelen in het woon-werkverkeer strekt de W 10.7.2001 ertoe tot vrijstelling van de integrale terugbetaling van de tegemoetkoming van de werkgevers in de prijs van de abonnementen die hun werknemers geregeld bij een maatschappij voor openbaar gemeenschappelijk vervoer hebben gehad.
Voor het aanslagjaar 2001 wordt het maximumbedrag van 125 EUR omgezet in Belgische franken, namelijk 5.000 BEF (geïndexeerde bedragen : 148,74 EUR of 6.000 BEF).
C. Voorwaarden voor de toekenning van de vrijstelling
8. Het genot van de vrijstelling en het maximumbedrag ervan (125 EUR of het totale bedrag van de werkgeversbijdrage) is afhankelijk van de wijze waarop de werknemer zijn beroepskosten bepaalt (forfait of werke lijk bedrag) en van de wijze waarop hij eventueel van het openbaar vervoer gebruik maakt (regelmatig gebruiker al dan niet met een abonnement).
Hierna worden de verschillende mogelijkheden weergegeven.
1° Werknemers van wie de beroepskosten overeenkomstig art. 51, WIB 92, forfaitair worden bepaald en die geen abonnement hebben onderschreven bij een maatschappij voor gemeenschappelijk openbaar vervoer :
9. Een vrijstelling van ten hoogste 125 EUR per jaar wordt toegekend aan werknemers die aanspraak maken op het wettelijke forfait inzake beroepskosten. Het is daarbij zonder belang of zij al of niet regelmatig ge bruik maken van het gemeenschappelijk openbaar vervoer.
2° Werknemers die hun werkelijke beroepskosten aftrekken en die regelmatig het gemeenschappelijk openbaar vervoer gebruiken doch geen abon nement hebben :
10. Een vrijstelling van ten hoogste 125 EUR per jaar wordt toegekend aan werknemers die hun werkelijke beroepskosten aftrekken (met in begrip, in voorkomend geval, van het forfait van 0, 15 EUR/km - 6 BEF/km), op voorwaarde dat zij regelmatig gebruik maken van het gemeenschappelijk openbaar vervoer, doch op dit laatste geen abonnement hebben.
3° Werknemers die regelmatig een abonnement hebben op het gemeenschappelijk openbaar vervoer:
11. Voor een werknemer die bij zijn aangifte in de PB een door een maatschappij voor gemeenschappelijk openbaar vervoer uitgereikt attest voegt, waaruit blijkt dat hij tijdens het belastbare tijdperk regelmatig een abonnement bij deze maatschappij heeft genomen voor zijn verplaatsingen van huis naar het werk en terug, wordt het vrijgestelde bedrag van 125 EUR verhoogd tot het totale bedrag van de werkgeversbijdrage in de prijs van het abonnement.
Het is daarbij zonder belang of de betrokkene zijn werkelijke beroepskosten aftrekt of het wettelijk forfait toepast.
4° Werknemers die hun werkelijke beroepskosten aftrekken en niet regel het gemeenschappelijk openbaar vervoer gebruiken :
12. Aan deze werknemers (ook zij die slechts toevallig van het openbaar vervoer gebruik maken), wordt geen enkele vrijstelling verleend.
D. Samenvattende tabel
| Door de werknemer afgelegde woon-werkverplaatsingen | Wijze van aftrek van de beroepskosten | Maximum vrijstelling |
| 1. Geen regelmatig gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer. | Werkelijke beroepskosten. | NIHIL. |
| 2. Idem. | Forfaitaire beroepskosten. | 125 EUR (1) |
| 3. Regelmatig gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer (doch geen abonnement). | Werkelijke beroepskosten. | 125 EUR (1) |
| 4. Idem. | Forfaitaire beroepskosten. | 125 EUR (1) |
| 5. Regelmatig abonnement op het gemeenschappelijk openbaar vervoer. | Werkelijke beroepskosten. | Totale bijdrage van de werkgever (verplichte + vrijwillige bijdrage in de prijs van het abonnement). |
| 6. Idem. | Forfaitaire beroepskosten. | Totale bijdrage van de werkgever (verplichte + vrijwillige bijdrage in de prijs van het abonnement). |
| (1) Voor het aanslagjaar 2001 wordt 125 EUR vervangen door 5.000 BEF (indexering : zie nr. 7, laatste lid). | ||
14. Deze wet is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2001.
A. Wettekst
15. ...
Art. 8 . Het opschrift van onderafdeling 2quater van titel II, hoofdstuk III, afdeling 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt aangevuld als volgt :
"en voor prestaties betaald met dienstencheques.".
Art. 9. In artikel 145/21 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 1994 en gewijzigd bij de wet van 7 april 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° 1
het eerste lid wordt aangevuld als volgt :
"of op de uitgaven die tijdens het belastbaar tijdperk werkelijk zijn betaald voor prestaties betaald met dienstencheques.".
2°het tweede lid wordt aangevuld als volgt :
"of met de nominale waarde van de dienstencheques bedoeld in de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen."
...
Art. 11. Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
...
16. De W 20.7.2001 kadert in het plan tegen het zwartwerk. Het maakt het mogelijk om op een betaalbare manier tegemoet te komen aan de vraag van de gezinnen naar buurtdiensten (huishoudelijke taken, oppas van zieke kinderen, bejaardenhulp, ...).
Het biedt een alternatief voor dit soort werk in het zwarte circuit en het werk in het kader van de Plaatselijke Werkgelegenheidsagentschappen (PWA). Het systeem van de PWA laat de uitkeringsgerechtigde immers in een situatie van uitkeringsgerechtige van werkloosheid.
17. In de praktijk bestelt de particulier die buurtdiensten wenst te laten verrichten, dienstencheques bij een uitgevende maatschappij. Gelijklopend daarmee ondertekent hij een overeenkomst met een erkende onderne ming. De erkenning door de gewesten wordt opgelegd om de kwaliteit van de verrichte dienst te waarborgen.
Hij overhandigt aan de erkende onderneming een dienstencheque per gepresteerd uur. Die cheque wordt door de onderneming aan de uitgevende maatschappij bezorgd. Deze maatschappij ontvangt een bijkomend bedrag van het gewest waar de gebruiker gehuisvest is en hetzelfde bijkomende bedrag van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. Vervolgens stort ze de waarde van de dienstencheque, vermeerderd met de diverse tegemoetkomingen, aan de erkende onderneming.
18. Om een fiscaal evenwicht te bewerkstelligen tussen de PWA-cheques en de dienstencheques geldt voor de gebruikers van de diensten cheques dezelfde belastingaftrek die reeds van toepassing is voor de PWA- cheques, met dien verstande dat het maximum aftrekbare bedrag voor de beiden samen onveranderd blijft.
19. Deze wet is in beginsel in werking getreden op 11 augustus 2001. Evenwel moeten de uitvoeringsbepalingen betreffende de diensten cheques nog worden getroffen.
(art 8, 9 en 11, W 20.7.2001 - art 145/21, WIB 92)
Bron: FisconetPlus
