Circulaire nr. Ci.RH.51/423.818 dd. 16.04.1991
CIRC 16.04.91/1
Circulaire nr. Ci.RH.51/423.818 dd. 16.04.1991
Bull. nr. 706, juni 1991
ONDERWORPEN BELASTINGPLICHTIGEN
I. INLEIDING
1. Deze circ. verstrekt commentaar op de bepalingen van de W. 17.1.1990 tot wijziging van de art. 136 en 137 W.I.B. (V. 2027 - B. 693).
Na de wijzigingen door de voormelde Wet luiden de art. 136 en 137, § 1 tot § 3 (1) als volgt :
Artikel 136
Aan de rechtspersonenbelasting zijn onderworpen :
1° de Staat, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten, de gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de intercommunale openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de openbare kerkelijke instellingen;
2° om het even welke vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen met rechtspersoonlijkheid die in België hun maatschappelijke zetel, hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer hebben en zich met geen exploitatie of verrichtingen van winstgevende aard bezighouden;
3° de in artikel 94, tweede lid, bedoelde verenigingen, vennootschappen, inrichtingen of instellingen, alsook de verenigingen of groeperingen die zich slechts met in artikel 94, derde lid, bedoelde verrichtingen bezighouden.
Artikel 137
§ 1. De in artikel 136 bedoelde rechtspersonen zijn uitsluitend belastbaar ter zake van :
1° het kadastraal inkomen van de in België gelegen onroerende eigendommen, wanneer dit kadastraal inkomen niet vrijgesteld is van onroerende voorheffing krachtens artikel 157 of krachtens bijzondere wettelijke bepalingen;
2° de inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen en de in artikel 67, 4° tot 6°, bedoelde diverse inkomsten, welke die belastingplichtigen hebben genoten of waarover zij hebben beschikt.
§ 2. Met uitzondering van de in artikel 94, tweede lid, a tot g, bedoelde verenigingen, vennootschappen, inrichtingen of instellingen, zijn de in artikel 136, 2° en 3°, bedoelde rechtspersonen eveneens belastbaar ter zake van :
1° de inkomsten van de in het buitenland gelegen onroerende eigendommen, behalve indien het gaat om onroerende goederen waarvan het kadastraal inkomen zou vrijgesteld zijn van onroerende voorheffing indien die goederen in België gelegen waren; het belastbaar bedrag van die inkomsten wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 7;
2° het gedeelte van het bedrag van de huurprijs en van de huurlasten van de in België gelegen onroerende eigendommen dat hoger ligt dan het kadastraal inkomen van die onroerende goederen, behoudens wanneer de huurder :
3° de bedragen verkregen bij de vestiging of de overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten betreffende een in België of in het buitenland gelegen onroerend goed, behoudens de uitzonderingen opgenomen in het 2° hierboven; het belastbaar bedrag van die bedragen wordt eveneens vastgesteld overeenkomstig artikel 7;
4° de meerwaarden verwezenlijkt, ter gelegenheid van in artikel 67, 7°, bedoelde verrichtingen van overdracht onder bezwarende titel, op in België gelegen ongebouwde onroerende goederen of op zakelijke rechten met betrekking tot die onroerende goederen; het belastbaar bedrag van die meerwaarden wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 69bis en 70, § 2;
5° de meerwaarden verwezenlijkt ter gelegenheid van in artikel 67, 8°, bedoelde verrichtingen van overdracht onder bezwarende titel van belangrijke participaties; het belastbaar bedrag van die meerwaarden wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 69ter.
§ 3. De in artikel 136, 2° en 3°, bedoelde rechtspersonen zijn eveneens belastbaar ter zake van :
1° de in artikel 47, § 1, bedoelde lasten waarvoor de in dat artikel vereiste bewijzen niet worden overlegd;
2° het totaal van de bedragen die werden verleend of toegekend aan vennoten die niet uitdrukkelijk geïdentificeerd zijn in de bij hun jaarlijkse aangifte te voegen opgave waarin, voor elk lid of elke vennoot, het bedrag per soort van de belastbare inkomsten wordt vermeld;
3° de bijdragen, sommen of toelagen die geen overeenkomstig artikel 45, 3°, b, of 6°, aftrekbare bedrijfsuitgaven zijn.
II. ALGEMEEN
2. De W. 17.1.1990 tot wijziging van art. 136 en 137, W.I.B., heeft de openbare kerkelijke instellingen, voor de toepassing van de R.P.B., gelijkgesteld met de Staat, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten, de gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de intercommunale openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Voor het overige heeft de voormelde wet inhoudelijk geen wijzigingen aangebracht in die art. 136 en 137 maar is getracht door een nieuwe redactie die bepalingen eenvoudiger, klaarder en doorzichtiger te maken.
III. BEDOELDE INSTELLINGEN
Openbare kerkelijke instellingen zijn besturen die belast zijn met het beheer van het tijdelijke van de verschillende erediensten.
Het betreft ter zake openbare instellingen die beheerst zijn door :
Tot nog toe waren de kerkelijke instellingen niet alleen belastingplichtig naar hun inkomsten die aan de roerende en de onroerende voorheffing onderhevig zijn, maar waren zij ook onderworpen aan afzonderlijke aanslagen op andere inkomsten of op bepaalde uitgaven. Dit was met name het geval wat betreft :
Niettemin moeten de kerkelijke instellingen hun verplichtingen naleven inzake bedrijfsvoorheffing en roerende voorheffing en in voorkomend geval de nodige inlichtingen verstrekken met het oog op het belasten van derden. Op grond van de art. 228 tot 230, W.I.B., kan de administratie hen immers alle inlichtingen vragen die zij nodig acht om de juiste heffing van voormelde voorheffingen en van de door derden verschuldigde belastingen te verzekeren.
V. INWERKINGTREDING
De W. 17.1.1990 tot wijziging van de art. 136 en 137, W.I.B. treedt in werking tien dagen na de publicatie ervan in het Belgische Staatsblad, d.w.z. op 20.2.1990.
Circulaire nr. Ci.RH.51/423.818 dd. 16.04.1991
Bull. nr. 706, juni 1991
ONDERWORPEN BELASTINGPLICHTIGEN
I. INLEIDING
1. Deze circ. verstrekt commentaar op de bepalingen van de W. 17.1.1990 tot wijziging van de art. 136 en 137 W.I.B. (V. 2027 - B. 693).
Na de wijzigingen door de voormelde Wet luiden de art. 136 en 137, § 1 tot § 3 (1) als volgt :
Artikel 136
Aan de rechtspersonenbelasting zijn onderworpen :
1° de Staat, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten, de gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de intercommunale openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de openbare kerkelijke instellingen;
2° om het even welke vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen met rechtspersoonlijkheid die in België hun maatschappelijke zetel, hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer hebben en zich met geen exploitatie of verrichtingen van winstgevende aard bezighouden;
3° de in artikel 94, tweede lid, bedoelde verenigingen, vennootschappen, inrichtingen of instellingen, alsook de verenigingen of groeperingen die zich slechts met in artikel 94, derde lid, bedoelde verrichtingen bezighouden.
Artikel 137
§ 1. De in artikel 136 bedoelde rechtspersonen zijn uitsluitend belastbaar ter zake van :
1° het kadastraal inkomen van de in België gelegen onroerende eigendommen, wanneer dit kadastraal inkomen niet vrijgesteld is van onroerende voorheffing krachtens artikel 157 of krachtens bijzondere wettelijke bepalingen;
2° de inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen en de in artikel 67, 4° tot 6°, bedoelde diverse inkomsten, welke die belastingplichtigen hebben genoten of waarover zij hebben beschikt.
§ 2. Met uitzondering van de in artikel 94, tweede lid, a tot g, bedoelde verenigingen, vennootschappen, inrichtingen of instellingen, zijn de in artikel 136, 2° en 3°, bedoelde rechtspersonen eveneens belastbaar ter zake van :
1° de inkomsten van de in het buitenland gelegen onroerende eigendommen, behalve indien het gaat om onroerende goederen waarvan het kadastraal inkomen zou vrijgesteld zijn van onroerende voorheffing indien die goederen in België gelegen waren; het belastbaar bedrag van die inkomsten wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 7;
2° het gedeelte van het bedrag van de huurprijs en van de huurlasten van de in België gelegen onroerende eigendommen dat hoger ligt dan het kadastraal inkomen van die onroerende goederen, behoudens wanneer de huurder :
- hetzij een natuurlijke persoon is bedoeld in artikel 7, § 1, 2°, a;
- hetzij een in artikel 7, § 1, 2°, b, bedoelde persoon, vennootschap, vereniging of groepering is die het in huur genomen goed, zonder winstoogmerk, gebruikt voor een van de bestemmingen bedoeld in artikel 8.
3° de bedragen verkregen bij de vestiging of de overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten betreffende een in België of in het buitenland gelegen onroerend goed, behoudens de uitzonderingen opgenomen in het 2° hierboven; het belastbaar bedrag van die bedragen wordt eveneens vastgesteld overeenkomstig artikel 7;
4° de meerwaarden verwezenlijkt, ter gelegenheid van in artikel 67, 7°, bedoelde verrichtingen van overdracht onder bezwarende titel, op in België gelegen ongebouwde onroerende goederen of op zakelijke rechten met betrekking tot die onroerende goederen; het belastbaar bedrag van die meerwaarden wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 69bis en 70, § 2;
5° de meerwaarden verwezenlijkt ter gelegenheid van in artikel 67, 8°, bedoelde verrichtingen van overdracht onder bezwarende titel van belangrijke participaties; het belastbaar bedrag van die meerwaarden wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 69ter.
§ 3. De in artikel 136, 2° en 3°, bedoelde rechtspersonen zijn eveneens belastbaar ter zake van :
1° de in artikel 47, § 1, bedoelde lasten waarvoor de in dat artikel vereiste bewijzen niet worden overlegd;
2° het totaal van de bedragen die werden verleend of toegekend aan vennoten die niet uitdrukkelijk geïdentificeerd zijn in de bij hun jaarlijkse aangifte te voegen opgave waarin, voor elk lid of elke vennoot, het bedrag per soort van de belastbare inkomsten wordt vermeld;
3° de bijdragen, sommen of toelagen die geen overeenkomstig artikel 45, 3°, b, of 6°, aftrekbare bedrijfsuitgaven zijn.
II. ALGEMEEN
2. De W. 17.1.1990 tot wijziging van art. 136 en 137, W.I.B., heeft de openbare kerkelijke instellingen, voor de toepassing van de R.P.B., gelijkgesteld met de Staat, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten, de gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de intercommunale openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Voor het overige heeft de voormelde wet inhoudelijk geen wijzigingen aangebracht in die art. 136 en 137 maar is getracht door een nieuwe redactie die bepalingen eenvoudiger, klaarder en doorzichtiger te maken.
III. BEDOELDE INSTELLINGEN
Openbare kerkelijke instellingen zijn besturen die belast zijn met het beheer van het tijdelijke van de verschillende erediensten.
Het betreft ter zake openbare instellingen die beheerst zijn door :
- de wet van 14.3.1804 (groot-seminarie);
- het decreet van 18.2.1809 (hospitaalcongregaties);
- het decreet van 30.12.1809 (kerkfabrieken);
- het decreet van 6.11.1813 (groot-seminarie en kapittel van de kathedraal);
- de wet van 4.3.1870 (op het tijdelijke van de erediensten : rooms-katholieke, protestantse, anglikaanse, Israëlitische, islamitische en orthodoxe godsdiensten).
Tot nog toe waren de kerkelijke instellingen niet alleen belastingplichtig naar hun inkomsten die aan de roerende en de onroerende voorheffing onderhevig zijn, maar waren zij ook onderworpen aan afzonderlijke aanslagen op andere inkomsten of op bepaalde uitgaven. Dit was met name het geval wat betreft :
- een gedeelte van hun onroerende inkomsten;
- welbepaalde verwezenlijkte meerwaarden;
- sommige niet bewezen lasten of bedragen;
- sommige pensioenen en pensioenbijdragen.
Niettemin moeten de kerkelijke instellingen hun verplichtingen naleven inzake bedrijfsvoorheffing en roerende voorheffing en in voorkomend geval de nodige inlichtingen verstrekken met het oog op het belasten van derden. Op grond van de art. 228 tot 230, W.I.B., kan de administratie hen immers alle inlichtingen vragen die zij nodig acht om de juiste heffing van voormelde voorheffingen en van de door derden verschuldigde belastingen te verzekeren.
V. INWERKINGTREDING
De W. 17.1.1990 tot wijziging van de art. 136 en 137, W.I.B. treedt in werking tien dagen na de publicatie ervan in het Belgische Staatsblad, d.w.z. op 20.2.1990.
------- (1) De gevolgen van de inlassing van een § 4 in art. 137, W.I.B., door art. 291, W. 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen (V. 2019 - B. 691), gewijzigd door art. 39, W. 28.12.1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen (V. 2073 - B. 702), zullen later worden gecommentarieerd. ( Circ 16-04-91, Ci.RH.51-423.818, Bull. Bel. 706, p. 1320. )
Bron: FisconetPlus
