Circulaire nr. Ci.RH.244/597.746 (AOIF Nr. 48/2009) d.d 03.11.2009
Bedrijfsvoorheffing
Gedeeltelijke vrijstelling van storting van de BV
Vrijstelling van storting van de BV
Aangifte in de BV
Indienen van het bezwaarschrift
De schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing (BV) die heeft nagelaten de toepassing te vragen van een vrijstelling van doorstorting BV bedoeld in de art. 275^1 t.e.m. 275^7 (met uitzondering van het vierde lid) WIB 92 en die voor deze vrijstelling in aanmerking komt, kan die vrijstelling bekomen tot 31 augustus van het jaar volgend op het inkomstenjaar door alsnog de in art. 95^2, § 3, KB/WIB 92, bedoelde tweede aangifte in de BV in te dienen. Na deze periode is een regularisatie van de BV enkel mogelijk via een bezwaarschrift.
1. De artikelen 275^1 tot en met artikel 275^7, met uitzondering van artikel 275^7, 4de lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) regelen diverse vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor bepaalde schuldenaars van bedrijfsvoorheffing.
2. In de hiervoor beoogde gevallen wordt de bedrijfsvoorheffing door de werkgever voor 100 % ingehouden op de in die regelgeving bedoelde bezoldigingen maar moet die slechts gedeeltelijk en in het geval van art. 275^2, WIB 92 (koopvaardij-, bagger- en sleepvaartsector) zelfs helemaal niet doorgestort worden aan de Schatkist.
3. In concreto dienen er hiervoor conform art. 95^2, § 1, 1ste lid, § 2 en § 3 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB 92 (KB/WIB 92) twee aangiften in de bedrijfsvoorheffing ingediend te worden, één voor het totale bedrag van de bezoldigingen van alle werknemers en één die enkel betrekking heeft op de bezoldigingen van werknemers die in aanmerking komen voor de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing. Op deze tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing wordt door middel van een specifieke code aangegeven om welke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing het gaat en deze aangifte vermeldt dan ook steeds een negatief bedrag aan bedrijfsvoorheffing gelijk aan het gedeelte bedrijfsvoorheffing dat niet doorgestort dient te worden aan de Schatkist.
4. Regelmatig rijst de vraag of, en in voorkomend geval vanaf wanneer, een schuldenaar van bedrijfsvoorheffing nog toepassing kan maken van een vrijstellingsmaatregel nadat hij alle bedrijfsvoorheffing al heeft doorgestort. De vraag rijst ook binnen welke tijdspanne een dergelijke rechtzetting mogelijk is.
5. Voor de toepassing van de in nr. 1 bedoelde maatregelen kunnen de rechtzettingen inzake bedrijfsvoorheffing tot 31 augustus van het jaar dat volgt op het inkomstenjaar gebeuren door de in het nr. 3 bedoelde tweede (en bijgevolg negatieve) aangifte alsnog in te dienen.
6. Vanaf 1 september van het jaar volgend op het inkomstenjaar kan een rechtzetting van de bedrijfsvoorheffing nog slechts gebeuren door middel van het indienen van een bezwaarschrift bij de bevoegde directeur taxatie binnen een termijn van 5 jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar waarvoor de bedrijfsvoorheffing verschuldigd is.
7. Deze circulaire is onmiddellijk van toepassing in alle stadia van de procedure.
Voor de Administrateur
Kleine en Middelgrote Ondernemingen :
De Directeur,
S. QUINTENS
