Circulaire nr. 14/2010 d.d. 20.10.2010
(Circulaire AFZ nr. 12/2010)
Brusselse successierechten: aftrekbaar passief bij recht van overgang door overlijden.
Federale Overheidsdienst FINANCIEN
Administratie van Fiscale Zaken
4e dienst - 2e directie
Patrimoniumdocummentatie
Kadaster, Registratie en Domeinen
2 bijlagen
In het Belgisch Staatsblad van 03.09.2010 werd de ordonnantie van 26 augustus 2010 "tot wijziging van het Wetboek der Successierechten" bekendgemaakt.
Bij dat decreet worden de volgende wijzigingen aan het Wetboek der Successierechten aangebracht:
-
wat betreft het recht van overgang bij overlijden
Invoering van een aftrekmogelijkheid van passief (art. 1, 15, 18, 27, tweede lid, en 32, Br.W.Succ. – art. 2 - 6 van de ordonnantie) in het kader van de nalatenschap van een inwoner van de Europese Economische Ruimte;
het toepassinggebied van het abattement bepaald in artikel 54 ten voordele van erfgenamen in rechte lijn van een overledene/rijksinwoner wordt uitgebreid tot de erfgenamen in rechte lijn van een overledene/niet-rijkswinwoner (artikel 54, Br.W.Succ. – art. 7 van de ordonnantie);
-
wat de overdrachten van ondernemingen aangaat:
toepassing van het voordeeltarief ook op overdrachten van ondernemingen waarop het recht van overgang bij overlijden van toepassing is (art. 60bis, § 1, eerste lid, 1ste zin, Br.W.Succ. – art. 8, 1° van de ordonnantie);
wijziging van de territoriale beperkingen met betrekking tot de zetel van de onderneming en opheffing van de voorwaarde met betrekking tot de lokalisatie van de te behouden werkgelegenheid (art. 60bis, § 1, 2°, § 4 en § 5, 1°, Br.W.Succ. – art. 8 van de ordonnantie).
Die wijzigingen waren nodig om ook de Brusselse regelgeving, als onderdeel van de nationale wetgeving, te conformeren aan de E.U.-regels.
De ordonnantie is in werking getreden op 03.09.2010.
In deze circulaire wordt een eerste commentaar verstrekt bij de gewijzigde bepalingen. De tekst van de ordonnantie gaat in bijlage 1. Bijlage 2 bevat de geconsolideerde tekst van de gewijzigde artikelen van het Br.W.Succ.
Commentaar
1. Recht van overgang bij overlijden – aftrekbaarheid van specifiek passief ingeval de overledene een EER-inwoner is – art. 1, 15, 18, 27, tweede lid, nieuw en 32, Br.W.Succ. – draagwijdte van de wijziging.
1.1. Klassieke regel
Tot bij de inwerkingtreding van dit decreet gold als regel dat indien het recht van overgang bij overlijden (overledene ≠ rijksinwoner) verschuldigd is, er van een aannemelijk passief nooit sprake kan zijn.
1.2. Europees Hof van Justitie
In het arrest r. C-11/07 van 11.09.2008 (Eckelkamp) (1) luidt het dictum van het Europees Hof van Justitie betreffende de vraag over de verenigbaarheid met het europees recht van de niet-aftrekbaarheid van een schuld die op een aan het recht van overgang bij overlijden onderworpen onroerend goed rust:
----------
(1) Arrest van het Hof (3de kamer) van 11.09.2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hof van Beroep te Gent – België) – Hans Eckelkamp, Natalie Eckelkamp, Monica Eckelkamp, Saskia Eckelkamp, Thomas Eckelkamp, Jessica Eckelkamp, Joris Eckelkamp/Belgische Staat – Zaak C-11/07
"De artikelen 56 EG en 58 EG, in hun onderlinge samenhang gelezen, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, betreffende de berekening van de successierechten en de rechten van overgang over een in een lidstaat gelegen onroerende zaak, krachtens welke de aftrek van op deze onroerende zaak rustende schulden niet mogelijk is wanneer de erflater op het tijdstip van zijn overlijden geen ingezetene van deze staat, maar van een andere lidstaat was, terwijl deze aftrek wel mogelijk is wanneer de erflater op dat tijdstip ingezetene was van de staat waarin de nagelaten onroerende zaak is gelegen." (2)
----------
(2) De zaak Eckelkamp belangde het Vlaams Gewest aan, maar dit op basis van de oude federale teksten die toentertijd ook nog van toepassing waren in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en in het Waals Gewest. Zie http://curia.europa.eu/jurisp; Rec. gén. enr. not., 2008, nrs. 25986, noot O. HERMAND, M. PROTIN, en 25.987 (dat het arrest Barbier van 11.12.2003 – C-364/01 bevat).1.3. Reactie van het Brusselse Gewest – aannemelijk passief in geval van het overlijden van een EER-inwoner.
Gelet op dat arrest heeft het Brusselse Gewest de artikelen 1, 15, 18 en 32, W. Succ. gewijzigd en een nieuw tweede lid ingevoegd in artikel 27 W. Succ. Hierdoor is het op fiscaal vlak voortaan toegestaan de schulden die specifiek betrekking hebben op de onroerende goederen die aan het recht van overgang bij overlijden onderworpen zijn, in mindering van het actief te brengen. Opdat die schulden zouden kunnen aangemerkt worden als aannemelijk passief is vereist dat ze In België gelegen onroerende goederen betreffen en dat die goederen deel uitmaken van de nalatenschap van een niet-rijkswinwoner, die op het ogenblik van zijn overlijden zijn woonplaats of zetel van fortuin binnen de Europese Economische Ruimte (EER) (3) heeft.
----------
(3) De landen die op datum van deze circulaire deel uitmaken van de Europese Economische Ruimte zijn: België, Bulgarije, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, IJsland, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slovakije, Spanje, de Tsjechische Republiek, het Verenigd Koninkrijk en Zweden.
Is de overledene geen EER-inwoner dan kan er in geen geval sprake zijn van een aannemelijk passief, ook niet na de inwerkingtreding van deze ordonnantie. De klassieke regel (geen aannemelijk passief in geval van recht van overgang bij overlijden) werd enkel gewijzigd ten aanzien van EER-inwoners; voor niet-EER-inwoners blijft alles bij het oude.
1.4. Aannemelijk passief wanneer het recht van overgang bij overlijden van toepassing is en de overledene een EER-inwoner is – specifiek passief.
1.4.1. Aannemelijk passief
Krachtens het nieuwe tweede lid van artikel 27 Br.W.Succ. bestaat het aannemelijk passief in geval de overledene een EER-inwoner is uit: " de op de dag van zijn overlijden bestaande schulden waarvan de aangevers het bewijs leveren dat ze specifiek werden aangegaan om de aan de belasting onderworpen onroerende goederen te verwerven of te behouden.".
Het betreft dus in principe schulden in verband met onroerende goederen gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met dien verstande dat het, in voorkomend geval, gelet op de regels inzake lokalisatie van het recht van overgang bij overlijden, ook kan gaan om schulden in verband met in een ander Gewest gelegen onroerende goederen (4).
----------
(4) Indien de onroerende goederen van de niet-rijksinwoner gelegen zijn in meerdere Gewesten dan wordt het recht van overgang bij overlijden gelokaliseerd in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is. In voorkomend geval kan het Brussels recht van overgang bij overlijden dus ook van toepassing zijn op in andere dan in het Brusselse Gewest gelegen onroerende goederen.
Draagwijdte van de omschrijving "schulden die specifiek werden aangegaan om de aan de belasting onderworpen onroerende goederen te verwerven of te behouden." (5)?
----------
(5) In het Waals Gewest heeft de decreetgever bepaald dat "als aannemelijk passief met betrekking tot de onroerende goederen gelegen in België van een niet-rijksinwoner slechts gelden de schulden die "in het bijzonder" betrekking hebben op die goederen". Die omschrijving is minder beperkend maar werd evenmin ergens van nadere duiding voorzien. In dat Gewest kan het dus gaan om nog andere schulden dan die bedoeld in het Br.W.Succ. en Vl.W.Succ. – zie circulaire AKRED 19/2009 van 17.12.2009, punt 1.1.
De Brusselse ordonnantiegever heeft deze omschrijving niet nader geduid. Ze is echter gelijkluidend aan die welke door de Vlaamse decreetgever werd gebruikt in het nieuwe tweede lid van artikel 27 Vl.W.Succ. In die mate kan er dan ook dezelfde inhoud aan worden gegeven, te weten die welke er aan werd gegeven in de context van artikel 48 Vl.W.Succ. (6).
----------
(6) zie Circulaire 6/2009 van 07.04.2009 – Vlaams Parlement Stuk 1894 (2008-2009) – Nr. 1. Ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009 – blz. 11: "Met de schulden die specifiek zijn aangegaan om onroerende goederen te verwerven of te behouden worden de schulden zoals bedoeld in artikel 48, § 2, zesde lid, van het Wetboek der successierechten bedoeld.".
«De termen "verwerven" en "behouden" dienen hier ruimer begrepen dan wat bedoeld wordt in art. 33, laatste lid, 2° Vl.W.Succ. Het onrechtstreeks verband tussen de schuld en de verkrijging of het behoud van het onroerend goed volstaat. Met name zal dus bijvoorbeeld een lening, die de erflater zou hebben aangegaan om de prijs van een door hem aangekocht onroerend goed te betalen, terzake voor aanrekening op het onroerend actief in aanmerking komen. Ook de schulden die betrekking hebben op het juridisch behoud van het onroerend goed kunnen op het onroerend actief aangerekend worden.
De begrippen "verbetering" en "terugbekoming" komen echter niet voor in de decreettekst van art. 48, Vl.W.Succ. Doch de decreten werden evenwel geïnspireerd door het woordgebruik inzake specifieke schulden aangaande directe belastingen (cf. artikel 14 WIB 92). Vandaar dat de schulden die werden aangegaan met het doel de waarde van een onroerend goed te verhogen of op hetzelfde peil te houden door het uitvoeren van verbouwings-, verbeterings-, aanpassings-, moderniserings- of onderhoudswerken eveneens in aanmerking komen (cf. commentaar art. 14, WIB 92)». (7)
----------
(7) Zie circulaire 11/2006 van 04.05.2006 – nr. 4.2.2.1.Uiteraard moeten de aangevers van een en ander het bewijs leveren.
Het bewijs van het bestaan van de schuld(en) dient geleverd te worden overeenkomstig het bepaalde in artikel 29 van het Wetboek der successierechten (8). Het bewijs van het specifiek karakter van de aangegane schuld(en) moet worden geleverd overeenkomstig het gemeen recht (9).
----------
(8) zie Vlaams Parlement Stuk 1894 (2008-2009) – Nr. 1. Ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009 – blz 11.
(9) Zie circulaire 11/2006 van 4 mei 2006 – nr. 4.2.2.1.
1.4.2. Uitgesloten schulden
Voorheen was aftrek van schulden alleen mogelijk in het kader van het recht van successie. Artikel 32, Br.W.Succ. bepaalde welke schulden evenwel niet als aannemelijk passief in het kader van het recht van successie in aanmerking kwamen.
Vermits het de bedoeling was schuldenaftrek voortaan ook mogelijk te maken in het kader van het recht van overgang bij overlijden, wenste de Brusselse ordonnantiegever dat in het kader van beide soorten successierechten ook dezelfde schulden uit het aannemelijk passief zouden worden gesloten.
Strikt genomen diende hiertoe in de tekst van artikel 32, W. Succ.Br. geen wijziging te worden aangebracht, alleszins niet in de Vlaamse versie. In de Franse versie evenwel konden de woorden "dettes rentrant dans les prévisions de l'article 4" aanleiding geven tot verwarring. Alleen om die reden werd de tekst van artikel 32, Br.W.Succ. herschreven. Voor meer uitleg hierover wordt verwezen naar de Memorie van toelichting (10).
----------
(10) Zie doc A-90/1 – 2009/2010, Memorie van toelichting, Commentaar van de artikelen, artikel 6, blz 4
Het volstaat te onthouden dat ingeval van lokalisatie van de nalatenschap in het Brusselse Gewest, de schulden vermeld in artikel 4, Br.W.Succ., geen aannemelijk passief kunnen uitmaken, ongeacht of het recht van successie of het recht van overgang bij overlijden van toepassing is.
1.4.3. Samenvattend: tabel aannemelijk passief volgens artikel 27, Br.W.Succ.
| Recht van successie (overledene = rijksinwoner) | Recht van overgang bij overlijden (overledene ≠ rijksinwoner) | |
|---|---|---|
| overledene = EER-inwoner | overledene ≠ EER-inwoner | |
|
| geen |
2. Abattement ten voordele van de erfgenamen in rechte lijn van de overledene – art. 54, Br.W.Succ.
De Brusselse ordonnantiegever heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om een vergetelheid weg te werken. Bij eerdere ingrepen van de ordonnantiegever om op het vlak van de vrijstellingen en verminderingen van successierechten de onderscheiden tussen het recht van successie en het recht van overgang bij overlijden weg te werken, werd vergeten artikel 54, Br.W.Succ. aan te passen. Dat artikel voorzag in een abattement voor de erfgenamen in rechte lijn van de overledene, maar enkel in het kader van het recht van successie. Voortaan geldt dat abattement ook wanneer het recht van overgang bij overlijden van toepassing is.
Opmerking: anders dan wat het geval is bij de maatregel besproken onder punt 1 hiervoor, heeft het in het kader van de toepassing van het abattement geen belang of de overledene al of niet inwoner is van de Europese Economische Ruimte (EER).
3. Overdracht van ondernemingen – art. 60bis, Br.W.Succ.
De wijzigingen die aan dit artikel werden aangebracht vormen een antwoord op een aantal door de Europese Commissie tegen de inhoud ervan geformuleerde bezwaren. Aldus:
1° geldt het verminderd tarief voortaan zowel in het kader van het recht van overgang bij overlijden als in het kader van het recht van successie (11) (wijziging art. 60bis, eerste lid, 1ste zin);
2° komen voortaan voor het voordeel van het verminderd tarief in aanmerking alle ondernemingen die hun maatschappelijke zetel in de Europese Economische Ruimte (EER) hebben (12) (wijziging art. 60bis, § 1, 2° en 4°);
3° is het behoud van het voordeel van het verminderd tarief niet meer gebonden aan het behoud in België van de tewerkstelling. (13)
----------
(11) Voorheen gold het enkel in het kader van het recht van successie.
(12) Voorheen diende de zetel van werkelijke leiding gevestigd te zijn op het grondgebied van een Lidstaat van de Europese Unie.
(13) De voorwaarde van het behoud van tewerkstelling is gebleven; alleen moet het behoud zich niet situeren in België en zelfs niet in de EER.
4. Inwerkingtreding
De ordonnantie is in werking getreden op 03.09.2010 (art. 9 van de ordonnantie – dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad). De besproken wijzigingen aan het Br.W.Succ. zijn dus van toepassing op de nalatenschappen die vanaf die datum openvallen.
Bijlage 1
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 03.09.2010
26 augustus 2010. – Ordonnantie tot wijziging van het Wetboek der Successierechten
Artikel 1
Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.
Artikel 2
Artikel 1 van het Wetboek der successierechten wordt vervangen als volgt:
« Artikel 1. - ...». Tekst: zie geconsolideerde teksten.
Artikel 3
Artikel 15 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt:
« Art. 15. - ...». Tekst: zie geconsolideerde teksten.
Artikel 4
Artikel 18 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt:
« Art. 18. - ...». Tekst: zie geconsolideerde teksten.
Artikel 5
Aan artikel 27 van hetzelfde Wetboek wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
« Als aannemelijk passief met betrekking tot de nalatenschap van een inwoner van de Europese Economische Ruimte die geen Rijksinwoner is, gelden slechts de op de dag van zijn overlijden bestaande schulden waarvan de aangevers het bewijs leveren dat ze specifiek werden aangegaan om de aan de belasting onderworpen onroerende goederen te verwerven of te behouden. ».
Artikel 6
Artikel 32 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt:
« Art. 32. - ... ». Tekst: zie geconsolideerde teksten.
Artikel 7
In artikel 54 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 6 van de ordonnantie van 20 december 2002, wordt de zin « Van het recht van successie wordt vrijgesteld: » vervangen door de zin « Van het recht van successie en van het recht van overgang bij overlijden wordt vrijgesteld: ».
Artikel 8
In artikel 60bis, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 2 van de ordonnantie van 29 oktober 1998 en gewijzigd bij artikel 10 van de ordonnantie van 20 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in § 1, worden de woorden « en het recht van overgang bij overlijden » ingevoegd tussen de woorden « het recht van successie » en de woorden « vastgesteld op 3 pct. »;
2° in § 1, 2°, en in § 4, worden de woorden « Europese Unie » vervangen door de woorden « Europese Economische Ruimte »;
3° in § 5, 1°, worden de woorden « in België » geschrapt.
Artikel 9
Deze ordonnantie treedt in werking op de dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Bijlage 2
Geconsolideerde teksten van de gewijzigde artikelen
Artikel 1
Er wordt gevestigd:
1° een recht van successie op de waarde van al wat uit de nalatenschap van een Rijksinwoner wordt verkregen, verminderd met het in artikel 27, eerste lid, bedoelde passief;
2° een recht van overgang bij overlijden op de waarde van de onroerende goederen gelegen in België verkregen uit de nalatenschap van iemand die geen Rijksinwoner is, verminderd met het in artikel 27, tweede lid, bedoelde passief indien de overledene een inwoner van de Europese Economische Ruimte is.
Voor een Rijksinwoner wordt gehouden, hij die, op het ogenblik van zijn overlijden, binnen het Rijk zijn domicilie of de zetel van zijn vermogen heeft gevestigd.
Voor een inwoner van de Europese Economische Ruimte wordt gehouden, hij die, op het ogenblik van zijn overlijden, binnen deze Ruimte zijn domicilie of de zetel van zijn vermogen heeft gevestigd.
Artikel 15
Het successierecht is verschuldigd op de algemeenheid der aan de overledene of aan de afwezige toebehorende goederen, waar ze zich ook bevinden, na aftrek van het in artikel 27, eerste lid bedoelde passief en behoudens toepassing van artikelen 16 en 17.
Artikel 18
Het recht van overgang bij overlijden is verschuldigd op de algemeenheid der in België gelegen onroerende goederen, die aan de overledene of aan de afwezige toebehoren, na aftrek van het in artikel 27, tweede lid, bedoelde passief indien de overledene een inwoner van de Europese Economische Ruimte was.
Artikel 27
Als aannemelijk passief met betrekking tot de nalatenschap van een Rijksinwoner gelden slechts:
1° de op den dag van zijn overlijden bestaande schulden van den overledene;
2° de begrafeniskosten.
Als aannemelijk passief met betrekking tot de nalatenschap van een inwoner van de Europese Economische Ruimte die geen Rijksinwoner is, gelden slechts de op de dag van zijn overlijden bestaande schulden waarvan de aangevers het bewijs leveren dat ze specifiek werden aangegaan om de aan de belasting onderworpen onroerende goederen te verwerven of te behouden.
Artikel 32
Worden uitgesloten uit het passief, de bij artikel 4 vermelde schulden.
Artikel 54
Van het recht van successie en van het recht van overgang bij overlijden wordt vrijgesteld:
1° hetgeen verkregen wordt door een door de wet tot de erfenis geroepen erfgenaam in de rechte lijn of tussen echtgenoten of samenwonenden, ten belope van de eerste schijf van 15.000 euro. Dit abattement wordt ten gunste van de kinderen van de overledene die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt, vermeerderd met 2.500 euro voor elk vol jaar dat nog moet verlopen tot zij de leeftijd van eenentwintig jaar bereiken en, ten gunste van de overlevende echtgenoot of samenwonenden, met de helft der bijabattementen welke de gemene kinderen samen genieten;
2° hetgeen verkregen wordt door alle andere erfgenamen, legatarissen of begiftigden uit de erfenissen waarvan het zuiver bedrag 1.250 euro niet overschrijdt.
Artikel 60bis
§ 1. In afwijking van de artikelen 48 en 48^2, wordt het recht van successie en het recht van overgang bij overlijden vastgesteld op 3% van de nettowaarde van het aandeel van de erflater in een kleine of middelgrote onderneming, voor zover de nalatenschap of de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel ten gevolge van het overlijden:
1° het geheel der goederen omvat die een universaliteit van goederen, een bedrijfstak of een handelsfonds vormen waarmee de erflater of zijn echtgenote, op de dag van het overlijden, een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwbedrijf, een vrij beroep, een ambt of een post uitoefende;
2° de volle eigendom bevat van aandelen van een vennootschap waarvan de zetel van werkelijke leiding gevestigd is in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit of een vrij beroep exploiteert.
Het geheel van de overgedragen aandelen moet minstens 25% van de stemrechten in de algemene vergadering vertegenwoordigen.
Indien het geheel van de overgedragen aandelen minder dan 50% van de stemrechten in de algemene vergadering vertegenwoordigt, moet tevens een aandeelhoudersovereenkomst worden gesloten die betrekking heeft op minstens 50% van de stemrechten in de algemene vergadering. In deze aandeelhoudersovereenkomst verbinden de partijen zich ertoe de voorwaarden bedoeld in paragraaf 5 na te leven.
§ 2. Onder kleine of middelgrote onderneming moet worden begrepen, een onderneming:
- met minder dan 250 werknemers;
- waarvan ofwel de jaaromzet 40 miljoen euro niet overschrijdt, ofwel het jaarlijks balanstotaal 27 miljoen euro niet overschrijdt;
- die het zelfstandigheidscriterium in acht neemt, volgens hetwelk een grote onderneming niet 25% of meer van het kapitaal van de kleine of middelgrote onderneming in handen mag hebben.
§ 3. ...
§ 4. Onder aandelen moet worden begrepen:
- aandelen of de maatschappelijke rechten in vennootschappen;
- de certificaten van aandelen of van maatschappelijke rechten, uitgereikt door rechtspersonen met zetel in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van aandelen of van maatschappelijke rechten in vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen, op voorwaarde dat:
- aan elk aandeel of maatschappelijk recht één certificaat beantwoordt;
- de rechtspersoon de verplichting heeft om dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en uiterlijk binnen een maand na de beslissing tot betaalbaarstelling door te storten aan de certificaathouder;
- de rechtspersoon de aandelen of de maatschappelijke rechten niet kan vervreemden zonder toestemming van de certificaathouder.
§ 5. De bepaling in §1 is van toepassing op voorwaarde dat:
1° de hoofdactiviteit van de onderneming gedurende minstens vijf jaar na het overlijden wordt voortgezet;
2° het aantal werknemers tewerkgesteld in de onderneming, uitgedrukt in voltijdse eenheden, de eerste vijf jaar na het overlijden jaar na jaar voor minstens 75% behouden blijft;
3° de activa belegd in een bedrijf of een vrij beroep, een ambt of een post bedoeld in §1, 1°, of het maatschappelijk kapitaal van een vennootschap bedoeld in § 1, 2° niet dalen door uitkeringen of terugbetalingen in de eerste vijf jaar na het overlijden.
De activa die belegd werden in de laatste drie jaar vóór het overlijden, komen voor de vermindering niet in aanmerking, tenzij de belegging van deze activa beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften.
Het kapitaal dat in de laatste drie jaar vóór het overlijden werd gestort, komt voor het verlaagd tarief niet in aanmerking, tenzij het beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften;
4° de erfopvolgers aan de bevoegde ontvanger bij de aangifte van de nalatenschap een door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering uitgereikt attest overzenden dat bevestigt dat voldaan is aan de gestelde voorwaarden. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering bepaalt de modaliteiten waaronder dit attest aangevraagd, gecontroleerd en verstrekt wordt.
Bovendien moeten de erfopvolgers die de vermindering hebben genoten als bedoeld in dit artikel in de periode van vijf jaar na het overlijden jaarlijks het bewijs leveren dat er blijvend voldaan is aan de gestelde voorwaarden om het verminderde tarief te genieten. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering bepaalt de modaliteiten van dit jaarlijks bewijs.
Interne ref.: AFZ: Dossier nr. 447 / Kad., reg. en domeinen: E.E./L. 201
