Circulaire nr. Ci.RH.251/319.681 dd. 03.04.1981
CIRC 03.04.81/1
Circulaire nr. Ci.RH.251/319.681 dd. 03.04.1981
Bull. nr. 595, pag. 941
DIVERSE INKOMSTEN.
MEERWAARDEN OP BOUWGRONDEN.
DIVERSE
INKOMSTEN.
MEERWAARDEN OP IN BELGIE GELEGEN ONGEBOUWDE
ONROERENDE GOEDEREN.
Commentaar op de KB's 29.9.1980 (V. 1540 - B. 590) en 20.11.1980 (V. 1547 - B. 592) tot wijziging van art. 47 bis, KB tot uitv. van het WIB
I. INLEIDING.
1. Deze circ. behelst de richtlijnen betreffende sommige bijzondere gevallen van overdrachten van ongebouwde onroerende goederen of van zakelijke rechten i.v.m. dergelijke goederen, aangekondigd in nr. 27 circ. 30.6.1978, Ci.RH.251/296.575 en geregeld in de KB's 29.9.1980 en 20.11.1980, die 47bis, KB tot uitv. van het WIB wijzigen.
II. VERDELINGEN EN ERMEDE GELIJKSTAANDE OVERDRACHTEN.
2. Bij de beoordeling van de kwestie of de verdelingen en de ermede gelijkstaande overdrachten (inzonderheid de veiling of licitatie) t.o.v. de toepassing van art. 67, 7°, litt. c, WIB (betreffende de meerwaarden op bouwgronden) al dan niet als een overdracht onder bezwarende titel moet worden beschouwd, dient rekening te worden gehouden met de volgende aspecten van het probleem :
3. De grondige studie die de administratie aan dit probleem heeft gewijd, heeft ten slotte tot de volgende conclusies geleid.
4. Het zogeheten toewijzend karakter van de verdeling (art. 883 B.W.), die niet van openbare orde is, heeft, volgens de rechtsleer, enkel tot doel de ene erfgenaam te beschermen tegen de zakelijke lasten waarmee een andere zijn eigen deel tijdens de onverdeeldheid mocht bezwaard hebben, doch neemt niet weg dat elke verdeling (met of zonder opleg) of ermede gelijkstaande handeling (voornamelijk veiling of verkoop uit de hand) - ook die welke voortvloeit uit een erfenis - in feite en economisch een overdracht onder bezwarende titel is. In dezelfde gedachtengang, is elke veiling (licitatie) met toewijzing aan een derde een verkoop, en is ook de verkoop van een onverdeeld deel aan een buitenstaander een zuivere en eenvoudige eigendomsoverdragende rechtshandeling (cfr. De Page, deel IX, pp. 980 tot 983, 990, 998 en 1006; Dekkers, deel III, pp. 449 tot 460).
5. Het onderscheid dat de wetgever van 1966 gemaakt heeft tussen een verdeling van goederen verkregen uit erfenis of schenking en een verdeling van gemeenschappelijk aangekochte goederen moet worden gezien binnen het raam van de algemene bedoeling die alsdan voorlag, nl. de grondspeculatie te bestrijden, welke in de hand werd gewerkt door het feit dat particulieren voorheen niet werden belast bij de overdracht onder bezwarende titel van gronden die zij 8 jaar of minder daarvoor onder bezwarende titel hadden verkregen (cfr. Memorie van Toelichting kamer, zitting 1965-1966, St. 198/1, p. 11, 14 en 15 - Senaat, vers. Comm.Fin., zitting 1965-1966, St. 284, p. 3 (1) en Parl. Handl., P. 1606 (2)). Welnu de verkoop van een goed dat werd geërfd, kan ongeacht of men het alleen of in medeëigendom heeft verworven, nooit het gevolg zijn van een speculatie, daar de verkrijging ervan niet uit een wilsdaad van de betrokkene voortvloeit. Dezelfde redenering geldt overigens voor gronden die iemand verwerft bij kosteloze schenking onder de levenden (3).
6. Bij het tot stand brengen van art. 67, 7°, litt. c, WIB, heeft de wetgever evenwel duidelijk andere oogmerken nagestreefd die als volgt kunnen worden samengevat :
7. Derhalve is er geen enkele plausibele reden voorhanden om de welwillende behandeling van de verdelingen in het raam van art. 67, 7°, litt. a, WIB Integendeel, de algemene strekking van laatstbedoelde bepaling noopt ertoe de verdeling in alle erin bedoelde gevallen, als een overdracht onder bezwarende titel te beschouwen en ze dus voor elke erbij betrokken medeëigenaar aan te merken als een tot belasting aanleiding gevend feit, wat zijn deel in de goederen betreft dat aan één of meer andere eigenaars wordt toegekend (1).
8. Het bepaalde in de nrs. 2 tot 7 hiervoor geldt, mutatis mutandis, voor de verdeling van goederen die meerdere personen samen hebben verkregen door een gift onder levenden.
9. Onder titel III hierna wordt nader uiteengezet hoe de meerwaarde moet worden bepaald bij verdelingen of ermede gelijkstaande overdrachten.
10. Het bepaalde in nr. 67/32, 1°, Com. I.B., blijft van kracht voor de toepassing van art. 67, 7°, a en b, WIB
(1) Cf. art. 47bis, § 5, KB tot uitv. van het WIB
III. BEREKENING VAN DE MEERWAARDEN IN DE IN ART. 47BIS, KB TOT UITV. VAN HET WIB, BEDOELDE BIJZONDERE GEVALLEN.
Voorafgaande opmerkingen:
11. In de volgende uiteenzetting wordt uitgegaan van de veronderstelling dat de voorwaarden tot belastbaarheid van de meerwaarden telkens vervuld zijn.
Er moet onder "1e of 2e term van het verschil" worden verstaan de 1e of 2e term van het verschil dat moet worden berekend om de meerwaarde te bepalen.
De 1e term van het verschil moet, in voorkomend geval, nog worden verminderd met de uitgaven of lasten die de belastingplichtige bewijst te hebben gedaan of gedragen voor de vervreemding van het goed of recht (zie art. 69bis, §, 1°, WIB).
De 2e term van het verschil moet nog worden vermeerderd met de kosten van verkrijging of van overgang en met de uitgaven (eventueel forfaitair te bepalen op 25 pct.); het geheel wordt verhoogd met de gebruikelijke 5 pct.); het geheel wordt verhoogd met de gebruikelijke 5 pct. per jaar en verminderd met de vergoeding voor planschade (cf. art. 69bis, § 1, laatste lid, WIB).
De in deze titel gegeven richtlijnen zijn van toepassing op de meerwaarden verwezenlijkt vanaf 1 januari 1978.
1. Overdracht van rechten die voorheen als zodanig werden vastgesteld.
12. Eerste term van het verschil:
Tweede term van het verschil:
de verkoopwaarde van het vervreemd zakelijk recht op de datum van de de verkoopwaarde van de vervreemding volle eigendom van het X -------------------------------------- goed op de datum van de verkoopwaarde van de volle eigendom verkrijging. op de datum van vervreemding
13. De waarde in kapitaal waarvan sprake met betrekking tot het recht van opstal en van erfpacht wordt vastgesteld aan de hand van de tabel die voorkomt onder nr. 68/9, a, Com.IB (pagina 68/9-2).
14. Eerste term van het verschil:
getal leeftijd ----- -------- 18 20 jaar of minder; 17 meer dan 20 jaar en niet meer dan 30 jaar; 16 meer dan 30 jaar en niet meer dan 40 jaar; 14 meer dan 40 jaar en niet meer dan 50 jaar; 13 meer dan 50 jaar en niet meer dan 55 jaar; 11 meer dan 55 jaar en niet meer dan 60 jaar; 9,5 meer dan 60 jaar en niet meer dan 65 jaar; 8 meer dan 65 jaar en niet meer dan 70 jaar; 6 meer dan 70 jaar en niet meer dan 75 jaar; 4 meer dan 75 jaar en niet meer dan 80 jaar; 2 meer dan 80 jaar.
Tweede term van het verschil : de eerste term van het verschil de "aankoopprijs" van de (zie hiervoor) volle eigendom van dat X ------------------------------- goed vastgesteld de verkoopwaarde van de volle overeenkomstig art. 69bis, eigendom van het goed op de dag § 1, 2°, WIB van de overdracht of de vestiging van het zakelijk recht. 15. Indien op deze wijze een bedrag wordt bekomen dat de "aankoopprijs" van de volle eigendom van het goed overtreft, dan wordt laatstbedoelde prijs als 2e term genomen; dit is het geval wanneer in de bovenstaande breuk de teller groter is dan de noemer (bv. wanneer de actuele waarde van de periodieke uitkeringen bedongen in een erfpachtcontract de huidige waarde van het goed in volle eigendom te boven gaat).
16. Eerste term van het verschil:
de prijs of verkoopwaarde van het goed, vastgesteld overeenkomstig art. 69 bis, § 1, 1°, WIB;
Tweede term van het verschil:
de verkoopwaarde van de volle eigendom op de dag dat de blote eigendom werd verkregen.
17. Eerste term van het verschil:
de waarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht heeft gediend, d.w.z.:
Tweede term van het verschil:
overdracht van een volle eigendom:
overdracht van een blote eigendom:
18. Eerste term van het verschil :
Tweede term van het verschil:
de waarde die bij de verkrijging tot maatstaf van heffing van het registratierecht heeft gediend, d.w.z.:
19. Eerste term van het verschil: zie B, 1, a, 1e term (nr. 17); Tweede term van het verschil: zie B, 1, b, 2e term (nr. 18).
20. Eerste term van het verschil:
de waarde die tot maatstaf van heffing heeft gediend van het registratierecht, d.w.z.:
Tweede term van het verschil : de "aankoopprijs" van het de eerste term van het verschil goed in volle eigendom X ------------------------------- vastgesteld overeenkomstig de verkoopwaarde van de volle art. 69bis, § 1, 2°, WIB eigendom van het goed op de dag van de vervreemding van de blote eigendom (1) zie voetnoot (2) bij nr. 14.
de prijs van overdracht, of, indien het bekomen verschil meer bedraagt, de verkoopwaarde van de volle eigendom die tot maatstaf van heffing van het registratierecht heeft gediend, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik op de datum van vervreemding, berekend overeenkomstig art. 47 van het Wetboek der Registratierechten (1).
Tweede term van het verschil: de waarde die bij verkrijging de eerste term van het verschil tot maatstaf van heffing heeft X ------------------------------- gediend van het registratierecht de verkoopwaarde van de volle (zie B, 1, a, 1e term, nr. 17) eigendom van het goed op de dag van de vervreemding van de blote eigendom
22. Eerste term van het verschil: zie B, 2, a, 1e term (nr. 20); Tweede term van het verschil: zie B, 2, b, 2° term (nr. 21).
C. RUILING VAN GOEDEREN (1)
23. Aanslag ten name van elke ruiler van de totale meerwaarde met betrekking tot het in ruil gegeven goed.
Eerste term van het verschil:
overeengekomen waarde van het afgestane goed of, indien dergelijke waarde niet in de ruilovereenkomst is vermeld, de verkoopwaarde, op de dag van de ruiling, van het in ruil verkregen goed, vermeerderd met de ontvangen of verminderd met de betaalde opleg, zonder dat die term lager mag zijn dan de verkoopwaarde van het afgestane goed.
Tweede term van het verschil:
de "aankoopprijs" van het goed vastgesteld overeenkomstig art. 69bis, § 1, 2°, WIB
2. Vroeger bij ruiling verkregen goederen als bedoeld sub 1, die niet bij ruiling worden vervreemd:
24. Eerste term van het verschil:
de prijs of verkoopwaarde vastgesteld overeenkomstig art. 69bis, § 1, 1°, WIB
Tweede term van het verschil:
overeengekomen waarde van het vroeger in ruil verkregen goed of, indien dergelijke waarde niet in de ruilovereenkomst is vermeld, de verkoopwaarde, op de dag van de ruiling, van het in ruil afgestane goed, vermeerderd met de alsdan betaalde of verminderd met de alsdan ontvangen opleg, zonder dat die term lager mag zijn dan de verkoopwaarde van de in ruil verkregen goederen op het tijdstip van de verkrijging.
3. Ruiling van sub 1 bedoelde en vroeger in ruil verkregen goederen :
25. Aanslag ten name van beide ruilers (zoals sub 1).
Eerste term van het verschil : zoals sub 1.
Tweede term van het verschil : zoals sub 2.
26. Alleen de ruiler die het lot met de hoogste waarde omruilt - en derhalve een opleg ontvangt die overeenstemt met het waardeverschil tussen het omgeruilde en het in ruil ontvangen lot - moet worden belast in de mate van het gedeelte van het lot dat hij in ruil geeft en dat overeenstemt met de ontvangen opleg.
Eerste term van het verschil:
bedrag van de ontvangen opleg of, indien het meer bedraagt, het verschil tussen verkoopwaarde van beide loten dat tot maatstaf van heffing van het registratierecht heeft gediend.
Tweede term van het verschil: de ontvangen opleg of, indien het meer bedraagt, het verschil tussen de verkoopwaarde van beide loten, prijs van verkrijging van dat tot maatstaf van heffing van het in ruil gegeven lot of het registratierecht heeft gediend. de verkoopwaarde ervan op X ----------------------------------- dat tijdstip, bepaald overeengekomen waarde of indien zij overeenkomstig art. 69bis, meer bedraagt, de verkoopwaarde van § 1, 2°, WIB het in ruil gegeven lot (waarde op het ogenblik van de ruiling). D. VERDELING VAN GOEDEREN (1)
27. Er wordt slechts een aanslag gevestigd ten name van de medeëigenaar(s) die zijn (hun) onverdeeld(e) de(e)l(en) in die goederen geheel of gedeeltelijk overdragen aan een of meer andere medeëigenaars.
Eerste term van het verschil:
is voor elk van de eigenaars in onverdeeldheid gelijk aan: ofwel, de overeengekomen waarde van zijn deel in de goederen die aan één of meer van de medeëigenaars zijn toegekend;
ofwel, de verkoopwaarde die voor het vaststellen van de maatstaf van heffing van het registratierecht aan dat deel werd toegekend, indien er geen waarde werd overeengekomen of indien de overeengekomen waarde lager was dan de verkoopwaarde.
de "aankoopprijs" van dat deel in de goederen, vastgesteld overeenkomstig art; 69bis, § 1, 2°, WIB
28. Zoals sub 1.
29. Eerste term van het verschil:
de prijs of verkoopwaarde van het goed, vastgesteld overeenkomstig art. 69bis, § 1, 1°, WIB
Tweede term van het verschil:
is gelijk aan de som van de volgende twee bestanddelen:
F. OVERDRACHT VAN GOEDEREN DOOR INBRENG IN VENNOOTSCHAP.
30. Eerste term van het verschil:
de waarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht heeft gediend, d.w.z. de waarde van de maatschappelijke rechten bekomen ter vergelding van de inbreng en van de lasten die de vennootschap ten gunste van de inbrenger op zich neemt, of, indien zij hoger is, de verkoopwaarde van de ingebrachte goederen.
Tweede term van het verschil:
de "aankoopprijs" van het goed, vastgesteld overeenkomstig art. 69bis, § 1, 2°, WIB
G. OPMERKING.
31. Wanneer de in de litt. C tot F hiervoor (nrs. 23 tot 30) bedoelde overdracht betrekking heeft op de blote eigendom van een goed met voorbehoud van vruchtgebruik (i.p.v. op de volle eigendom), dan blijven de in de voormelde nrs. uiteengezette regels van toepassing, met dien verstande dat als verkoopwaarde van de blote eigendom (in aanmerking te nemen bij het bepalen van de eerste term van het verschil) de verkoopwaarde van de volle eigendom op de datum van de overdracht wordt genomen, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik op dezelfde datum, berekend overeenkomstig art. 47 van het Wetboek der Registratierechten (1).
(1) zie voetnoot (2) bij nr. 14.
32. Eerste term van het verschil:
de prijs of verkoopwaarde van het goed, vastgesteld overeenkomstig art. 69bis, § 1, 1°, WIB
Tweede term van het verschil:
de waarde waarvoor het bij de verdeling van het maatschappelijke vermogen verkregen goed bijdroeg tot de vaststelling van de bedragen die aan de aandeelhouders of vennoten werden uitgekeerd (en, derhalve, van het belastbare "liquidatiebonus") of indien zij hoger was, de verkoopwaarde van dat goed die, naar aanleiding van die gebeurtenis, gediend heeft tot maatstaf van heffing van het registratierecht.
I. SLOTBEMERKINGEN.
33. In de in E hiervoor (nr. 29) bedoelde gevallen (overdracht van goederen waarvan de overdrager bij gedeelten eigenaar is geworden op verschillende tijdstippen), moet de vermeerdering van 5 pct. per gedeelte afzonderlijk worden berekend, gelet op het tijdstip van verkrijging.
34. Wanneer meerdere sub A tot H hiervoor (nrs. 12 tot 32) bedoelde gevallen zich vermengen - theoretisch zijn talloze combinaties mogelijk - moeten de oplossingen die voor die gevallen ter zake zijn voorzien worden gecombineerd, zonder de andere particulariteiten die zich kunnen voordoen, uit het oog te verliezen.
J. VOORBEELDEN.
Voorbeeld I.
35. Een belastingplichtige, geboren op 1.10.1929, koopt op 4.2.1955 onderhands een stuk grond in volle eigendom voor de prijs van 57.000 F.
De verkoopwaarde wordt door de ontvanger van de Registratie echter op 65.000 F bepaald en hierop betaalt de koper de registratierechten.
Deze grond ligt in een woongebied (volgens het gewestplan dat op 11.12.1977 van kracht is geworden).
Op 19.7.1978 verkoopt hij de blote eigendom voor 460.000 F (en behoudt het vruchtgebruik).
De registratierechten worden geheven op 1.500.000 F zijnde de verkoopwaarde van de grond op het ogenblik van de overdracht.
De huurwaarde van het goed in 1978 wordt op 70.000 F per jaar geraamd.
Berekening van de waarde van het vruchtgebruik. (zie voetnoot 2 bij nr. 14) - leeftijd van de verkoper (op wiens hoofd het vruchtgebruik wordt gevestigd) op de dag van de akte: 48 jaar - getal volgens tabel : 14 - huurwaarde : 70.000 F waarde van het vruchtgebruik : 14 x 70.000 = 980.000 F Berekening van de meerwaarde : Eerste term van het verschil : (zie nr. 14) 1.500.000 - 980.000 = 520.000 F (groter dan 460.000 F) Tweede term van het verschil : (zie nr. 14) 520.000 65.000 x --------- = 22.533 1.500.000 kosten en uitgaven 22.533 x 25 pct. = 5.633 ------ 28.166 "revalorisatie" 28.166 x 115 pct. (1) = 32.391 ------ - 60.557 ------- Belastbare meerwaarde : 459.443 Voorbeeld II.
36. Een belastingplichtige koopt tijdens een openbare verkoop op 15.7.1969 de blote eigendom van een stuk grond waarvan een derde het vruchtgebruik heeft voor de prijs van 300.000 F.
De verkoopwaarde van de volle eigendom wordt door de ontvanger van de Registratie op 600.000 F geraamd.
Deze grond ligt in een woongebied (volgens het gewestplan dat op 5.5.1977 van kracht geworden is).
1e veronderstelling.
De vruchtgebruiker is nog in leven wanneer de belastingplichtige de blote eigendom op 15.1.1978 onderhands verkoopt voor 500.000 F. De Ontvanger van de Registratie stelt echter een tekortschatting vast en heft de rechten op een verkoopwaarde van 550.000 F. De verkoopwaarde van de volle eigendom op dat tijdstip raamt hij op 1.300.000. Eerste term van het verschil : (zie nr. 12) 550.000 F Tweede term van het verschil : (zie nr. 12) 550.000 600.000 x --------- = 253.846 1.300.000 kosten en uitgaven 253.846 x 25 pct. = 63.462 ------- 317.308 "revalorisatie" 317.308 x 40 pct. (1) = 126.923 - 444.231 ---------- Belastbare meerwaarde 105.769 F 2e veronderstelling.
De vruchtgebruiker is reeds overleden in 1977 zodat de belastingplichtige de volle eigendom van de grond heeft verkregen, die hij op 15.1.1978 verkoopt voor 1.400.000 F.
De ontvanger van de Registratie stelt een tekortschatting vast en heft de rechten op een verkoopwaarde van 1.600.000 F.
Eerste term van het verschil (zie nr. 16) 1.600.000 F Tweede term van het verschil (zie nr. 16) 600.000 kosten en uitgaven 600.000 x 25 pct. 150.000 ------- 750.000 "revalorisatie" 750.000 x 40 pct. 300.000 ------- - 1.050.000 F --------- Belastbare meerwaarde : 550.000 F --------- Voorbeeld III.
37. X verkrijgt op 4.3.1972 door schenking onder levenden een stuk grond waarvan de waarde volgens akte van schenking 880.000 F bedraagt. De Ontvanger van de Registratie bepaalt de grondslag van de schenkingsrechten echter op 900.000 F.
Y. koopt op 28.4.1970 tijdens een openbare verkoop een aan het vorenbedoeld stuk grond palend perceel voor de prijs van 660.000 F.
Beide percelen worden door het gewestplan dat op 16.4.1978 van kracht werd, in een woongebied ondergebracht.
Op 7.1.1978 ruilen beiden hun perceel grond zonder opleg.
Aan beide percelen wordt pro fisco een waarde van 1.400.000 F toegekend. De registratierechten worden evenwel volgens het gemeen recht op 1.700.000 F geheven. Eerste term van het verschil: X Y 1.700.000 1.700.000 Tweede term van het verschil : X Y 900.000 660.000 kosten en uitgaven 25 pct. 225.000 165.000 --------- ------- 1.125.000 825.000 "revalorisatie" (1) 1.125.000 x 25 pct. 281.250 825.000 x 35 pct. 288.750 - 1.406.250 - 1.113.750 --------- --------- Belastbare meerwaarden 293.750 586.250 Voorbeeld IV.
38. Een vader schenkt op 1.2.1975 een perceel grond aan zijn 3 kinderen (X), (Y) en (Z).
De schenkingrechten worden geheven op een waarde van 500.000 F.
Op 1.4.1978 treden de kinderen uit onverdeeldheid en verdelen de grond in drie gelijke delen. De ontvanger van de Registratie raamt de waarde van de grond op het ogenblik van de verdeling op 870.000 F (290.000 F per deel).
Op 26.6.1978 wordt het gewestplan van kracht en worden de 3 delen in een woongebied ingedeeld.
Op 17.2.1979 verkoopt (X) zijn deel voor 735.000 F (er werd geen tekortschatting vastgesteld).
Berekening van de meerwaarden.
Elk van de kinderen bezat aanvankelijk 1/3 of 3/9 van het geheel in onverdeeldheid.
De verdeling moet worden geacht als volgt te zijn gebeurt:
Meerwaarde verwezenlijkt door elk der kinderen bij de verkoop op 1.4.1978.
Eerste term van het verschil:
(de overeengekomen waarde van het deel van het part van elk kind dat geacht wordt aan de twee andere kinderen te zijn toegekend) 870.000 x 2/9 (1/9 + 1/9) = 193.333
Tweede term van het verschil :
de waarde van de delen bij verkrijging d.w.z. 500.000 x 2/9 = 111.111 kosten en uitgaven 111.111 x 25 pct. = 27.778 ------- 138.889 "revalorisatie" 138.889 x 15 pct. (1) 20.833 ------- - 159.722 ------- Belastbare meerwaarde : 33.611 (1) 5 pct. per volledig jaar (in casu 3), verlopen tussen de verkrijging (1.2.1975) en de verdeling (1.4.1978). Meerwaarde verwezenlijkt door (X) bij verkoop op 17.2.1979. Eerste term van het verschil : 735.000 Tweede term van het verschil : a) waarde van de delen geacht te zijn verkregen op 1.4.1978 - 2 x 1/9 x 870.000 ( zijnde de delen geruild met (Y) en (Z) = 193.333 - kosten en uitgaven 193.333 x 25 pct. = 48.333 ------- 241.666 - "revalorisatie" 241.666 x 0 pct. (1) = 0 ------- 241.666 b) waarde van het deel geacht te zijn verkregen op 1.2.1975 - 1/9 x 500.000 = 55.556 - kosten en uitgaven 55.556 x 25 pct. = 13.889 ------- 69.445 - "revalorisatie" 69.445 x 20 pct. (2) = 13.889 ------- 83.334 ------- c) totaal 325.000 ------- Belastbare meerwaarde : 410.000 (1) Er is geen volledig jaar verlopen tussen de verkrijging (1.4.1978) en de vervreemding (17.2.1979). (2) 5 pct. per volledig jaar (in casu 4), verlopen tussen de verkrijging (1.2.1975) en de vervreemding (17.2.1979). Voorbeeld V.
39. Vier broers ((A), (B), (C), en (D)) zijn gelijkgerechtigd in een in februari 1978 geërfde grond, die volgens het gewestplan dat op 6.11.1977 van kracht is geworden, in een woongebied ligt.
De erfenisrechten werden betaald op een waarde van 960.000 F.
In april 1980 verdelen de betrokkenen de grond in 3 gelijke delen (een lot voor (A), een voor (B) en een voor (C)) terwijl de vierde (D) in geld wordt uitbetaald.
De totale waarde van de grond op het ogenblik van de verdeling, wordt door de Ontvanger van de Registratie op 1.800.000 F geraamd (600.000 F per lot).
Berekening van de meerwaarde.
Elke erfgenaam bezat aanvankelijk 1/4 of 3/12 van het geheel in onverdeeldheid.
De verdeling moet worden geacht als volgt te hebben plaats gehad :
Meerwaarde verwezenlijkt door elk van de erfgenamen (A), (B) en (C) Eerste term van het verschil : (overeengekomen waarde van het deel van het part van elke erfgenaam dat wordt geacht aan één of meerdere medeëigenaars te zijn toegekend : 1.800.000 x 1/6 (zijnde 1/12 + 1/12) = 300.000 Tweede term van het verschil : de waarde van die delen bij verkrijging, d.w.z. 960.000 x 1/6 = 160.000 kosten en uitgaven 25 pct. = 40.000 ------- 200.000 "revalorisatie" 200.000 x 10 pct. (1) = 20.000 ------- - 220.000 ------- Belastbare meerwaarde : 80.000 Meerwaarde verwezenlijkt door erfgenaam (D). Eerste term van het verschil : 1.800.000 x 3/12 = 450.000 Tweede term van het verschil : 960.000 x 3/12 = 240.000 kosten en uitgaven 240.000 x 25 pct. = 60.000 ------- 300.000 (1) 5 pct. per volledig jaar (in casu 2) verlopen tussen de verkrijging (februari 1978) en de verdeling (april 1980). "revalorisatie" 300.000 x 10 pct. (1) = 30.000 ------- - 330.000 --------- Belastbare meerwaarde : 120.000 Indien (A) het perceel dat hij uit deze verdeling heeft overgehouden, in mei 1981 bij een openbare verkoop voor 1.000.000 F van de hand doet, dient de meerwaarde als volgt te worden berekend : Eerste term van het verschil : 1.000.000 Tweede term van het verschil : a) waarde van de delen die worden geacht te zijn verkregen in april 1980 3 x 1/12 x 1.800.000 = 450.000 (zijnde de delen die hij kocht van (D) of geruild heeft met (B) en (C) kosten en uitgaven 450.000 x 25 pct. = 112.500 ------- 562.500 "revalorisatie" 562.500 x 5 pct. (2) = 28.125 ------- 590.625 b) waarde van het deel dat wordt geacht te zijn verkregen in februari 1978 1/12 x 960.000 = 80.000 (1) 5 pct. per volledig jaar (in casu 2) verlopen tussen de verkrijging (februari 1978) en de verdeling (april 1980). (2) 5 pct. per volledig jaar (in casu 1) verlopen tussen de verkrijging (april 1980) en de vervreemding (mei 1981). kosten en uitgaven 80.000 x 25 pct. = 20.000 ------- 100.000 "revalorisatie" 100.000 x 15 pct. (1) = 15.000 ------- 115.000 ------- c) totaal : 705.625 ------- Belastbare meerwaarde : 294.375 Voorbeeld VI.
40. Twee zusters (M) en (N) zijn gelijkgerechtigd in een op 18.1.1976 geërfde grond die volgens het gewestplan dat op 7.6.1979 van kracht is geworden, in een woongebied ligt.
De erfenisrechten werden berekend op een waarde van 250.000 F.
Op 25.3.1979 treden de zusters uit onverdeeldheid; de verdeling gebeurt als volgt :
De verdelingsakte vermeldt voor die loten een waarde van respectievelijk 360.000 F en 240.000 F.
De ontvanger van de Registratie stelt een tekortschatting vast en bepaalt de waarde van die loten voor de registratierechten op 470.000 F voor lot 1 en op 330.000 F voor lot II (totaal 800.000 F).
(1) 5 pct. per volledig jaar (in casu 3) verlopen tussen de verkrijging
(februari 1978) en de vervreemding (mei 1981).
Berekening van de meerwaarden :
Beide erfgenamen bezaten aanvankelijk de helft van het goed in onverdeeldheid.
De verdeling moet worden geacht als volgt te hebben plaatsgehad :
Berekening van de meerwaarde verwezenlijkt door (N). Eerste term van het verschil : (zijnde de helft van de waarde van lot II op de datum van de deling) 330.000 x 1/2 = 165.000 Tweede term van het verschil : (het deel van lot II, dat (N) geacht wordt te hebben overgedragen aan (M) had bij de verkrijging op 18.1.1976 een waarde van :) 330.000 250.000 x ------- x 1/2 = 51.563 800.000 kosten en uitgaven 51.563 x 25 pct. = 12.891 ------ Over te brengen : 64.454 Overgebracht : 64.454 "revalorisatie" 9.668 64.454 x 15 pct. (1) -------- 74.122 ------- Belastbare meerwaarde : 90.878 Berekening van de meerwaarde verwezenlijkt door (M). Eerste term van het verschil: (zijnde de waarde van het deel van lot I op de datum van de deling) 470.000 x 1/2 = 235.000 Tweede term van het verschil : (het deel van lot I, dat (M) geacht wordt te hebben overgedragen aan (N), had bij de verkrijging op 18.1.1976 een waarde van :) 470.000 250.000 x ------- x 1/2 = 73.438 800.000 kosten en uitgaven 73.438 x 25 pct. = 18.360 ------ 91.798 "revalorisatie" 91.798 x 15 pct. (1) = 13.770 ------ 105.568 ------- Belastbare meerwaarde : 129.432 (1) 5 pct. per volledig jaar (in casu 3) verlopen tussen de verkrijging (18.1.1976) en de verdeling (25.3.1979). Indien (M) het perceel dat zij uit deze verdeling heeft overgehouden (lot II) op 1.4.1980 verkoopt voor 580.000 F en de Ontvanger van de Registratie geen tekortschatting vaststelt, dient de meerwaarde als volgt te worden berekend. Eerste term van het verschil : 580.000 Tweede term van het verschil : a) waarde van het deel van lot II dat geacht wordt te zijn verkregen op 18.1.1976 330.000 - 250.000 x ------- x 1/2 = 51.563 800.000 - kosten en uitgaven 51.563 x 25 pct. = 12.891 ------- 64.454 - "revalorisatie" 64.454 x 20 pct. (1) = 12.891 77.345 b) waarde van het deel van lot II dat geacht wordt te zijn verkregen op 25.3.1979 - 330.000 x 1/2 = 165.000 - kosten en uitgaven 165.000 x 25 pct. = 41.250 ------- 206.250 (1) 5 pct. per volledig jaar (in casu 4) verlopen tussen de verkrijging (18.1.1976) en de vervreemding (1.4.1980). - "revalorisatie" 206.250 x 5 pct. (1) = 10.313 ------- 216.563 ------- c) totaal : 293.908 ------- Belastbare meerwaarde : 286.092 Voorbeeld VII.
41. Op 21.2.1960 wordt een belastingplichtige, ingevolge het overlijden van zijn moeder, voor de helft medeëigenaar van een stuk grond dat volgens een op 6.11.1977 van kracht geworden gewestplan, in een woongebied ligt.
Op 6.1.1966 overlijdt de vader, zodat de betrokkene de volle eigendom verwerft van het ganse perceel.
Bij het overlijden op 21.2.1960 werden erfenisrechten betaald op een waarde van 500.000 F, terwijl bij het overlijden op 6.1.1966 de waarde van de grond op 700.000 F werd geraamd.
De totale oppervlakte van deze grond bedraagt 35,87 aren.
Op 18.2.1978 verkoopt de betrokkene hiervan openbaar 22,51 aren voor de prijs van 1.500.000 F. Eerste term van het verschil : 1.500.000 Tweede term van het verschil : verkoopwaarde bij verkrijging a) erfenis dd. 21.2.1960 geschatte waarde : = 500.000 aandeel van de zoon : (1/2 van 500.000) = 250.000 (1) 5 pct. per volledig jaar (in casu 1) verlopen tussen de verkrijging (25.3.1979) en de vervreemding (1.4.1980). waarde van de verkochte oppervlakte 22,51 250.000 x ----- : = 156.886 35,87 kosten van verkrijging (forfait 25 pct.) : = 39.222 ------- totaal : 196.108 "revalorisatie" 196.108 x 5 pct. x 17(1) = 166.692 362.800 b) erfenis dd. 6.1.1966 geschatte waarde : = 700.000 aandeel van de zoon 1/2 van 700.000 : = 350.000 waarde van de verkochte oppervlakte : 22,51 350.000 x ----- : = 219.640 35,87 kosten van verkrijging (forfait 25 pct.) : = 54.910 ------- totaal : = 274.550 "revalorisatie" (2) 274.550 x 5 pct. x 12 : = 164.730 ------- 439.280 ------- c) totaal : 802.080 ------- Belastbare meerwaarde : 697.920 (1) 5 pct. per volledig jaar (in casu 17), verlopen tussen de verkrijging (21.2.1960) en de vervreemding (18.2.1978). (2) 5 pct. per volledig jaar (in casu 12), verlopen tussen de verkrijging (6.1.1966) en de vervreemding (18.2.1978).
Circulaire nr. Ci.RH.251/319.681 dd. 03.04.1981
Bull. nr. 595, pag. 941
DIVERSE INKOMSTEN.
MEERWAARDEN OP BOUWGRONDEN.
DIVERSE
INKOMSTEN.
MEERWAARDEN OP IN BELGIE GELEGEN ONGEBOUWDE
ONROERENDE GOEDEREN.
Commentaar op de KB's 29.9.1980 (V. 1540 - B. 590) en 20.11.1980 (V. 1547 - B. 592) tot wijziging van art. 47 bis, KB tot uitv. van het WIB
I. INLEIDING.
1. Deze circ. behelst de richtlijnen betreffende sommige bijzondere gevallen van overdrachten van ongebouwde onroerende goederen of van zakelijke rechten i.v.m. dergelijke goederen, aangekondigd in nr. 27 circ. 30.6.1978, Ci.RH.251/296.575 en geregeld in de KB's 29.9.1980 en 20.11.1980, die 47bis, KB tot uitv. van het WIB wijzigen.
II. VERDELINGEN EN ERMEDE GELIJKSTAANDE OVERDRACHTEN.
2. Bij de beoordeling van de kwestie of de verdelingen en de ermede gelijkstaande overdrachten (inzonderheid de veiling of licitatie) t.o.v. de toepassing van art. 67, 7°, litt. c, WIB (betreffende de meerwaarden op bouwgronden) al dan niet als een overdracht onder bezwarende titel moet worden beschouwd, dient rekening te worden gehouden met de volgende aspecten van het probleem :
- art. 883 B.W. bepaalt dat iedere medeërfgenaam wordt geacht alleen en onmiddellijk te zijn opgevolgd in alle goederen die in zijn kavel zijn begrepen of die hem bij veiling zijn ten deel gevallen en nooit de eigendom van de andere goederen van de nalatenschap te hebben gehad;
- op het feitelijke en het economische vlak komt de verdeling echter neer op de verkrijging van een volledige eigendomsrecht op een gedeelte van een goed tegen afstand van zijn rechten in de delen die aan de andere medeëigenaars worden toegewezen (1);
- de wetgever heeft bij het invoeren van de art. 67, 7°, litt. a en b, WIB (door de W. 15.7.1966) ongetwijfeld de bedoeling gehad de meerwaarden behaald bij bepaalde verdelingen (nl. de verdelingen van goederen verkregen uit erfenis of uit kosteloze schenking onder levenden, niet als een belastbare verrichting aan te merken, doch de overige verdelingen wel (nl. de verdelingen van goederen in onverdeeldheid verkregen door een verkrijging onder bezwarende titel) (2).
3. De grondige studie die de administratie aan dit probleem heeft gewijd, heeft ten slotte tot de volgende conclusies geleid.
4. Het zogeheten toewijzend karakter van de verdeling (art. 883 B.W.), die niet van openbare orde is, heeft, volgens de rechtsleer, enkel tot doel de ene erfgenaam te beschermen tegen de zakelijke lasten waarmee een andere zijn eigen deel tijdens de onverdeeldheid mocht bezwaard hebben, doch neemt niet weg dat elke verdeling (met of zonder opleg) of ermede gelijkstaande handeling (voornamelijk veiling of verkoop uit de hand) - ook die welke voortvloeit uit een erfenis - in feite en economisch een overdracht onder bezwarende titel is. In dezelfde gedachtengang, is elke veiling (licitatie) met toewijzing aan een derde een verkoop, en is ook de verkoop van een onverdeeld deel aan een buitenstaander een zuivere en eenvoudige eigendomsoverdragende rechtshandeling (cfr. De Page, deel IX, pp. 980 tot 983, 990, 998 en 1006; Dekkers, deel III, pp. 449 tot 460).
| (1) | R. Dekkers omschrijft de verdeling in zijn "Handboek van Burgerlijk Recht" als een ruil van delen, als een contract onder bezwarende titel, waarbij de verdelers elkaar al de delen afstaan in de zaken die aan ieder worden toegewezen (Deel III, nr. 733, p. 450). |
| (2) | De op dit stuk bestaande onderrichtingen blijven van kracht. |
| (1) | Uittreksel: "uit dit alles blijkt duidelijk dat men alleen de meerwaarde heeft willen belasten die het gevolg is van speculatie". |
| (2) | Uittreksel (vertaling): "De regering is inderdaad van oordeel dat men na deze termijn (van 8 jaar) nog nauwelijks van speculatie kan spreken". |
| (3) | Onverminderd het bepaalde in art. 67, 7°, litt. b, WIB |
- het belasten van meerwaarden die ontstaan, aangegroeid of in stand zijn gehouden door het feit dat een grond volgens gewestplan in een woongebied werd ingedeeld;
- door de nieuwe heffing aan de schatkist een opbrengst verzekeren die de aan andere eigenaars verschuldigde vergoeding wegens planschade compenseert;
- de meerwaarden belasten ongeacht het tijdstip en de wijze van verkrijging van de bouwgrond, zelfs kosteloos (cfr. inzonderheid de bewoordingen van art. 69bis, § 1, 2°, WIB).
7. Derhalve is er geen enkele plausibele reden voorhanden om de welwillende behandeling van de verdelingen in het raam van art. 67, 7°, litt. a, WIB Integendeel, de algemene strekking van laatstbedoelde bepaling noopt ertoe de verdeling in alle erin bedoelde gevallen, als een overdracht onder bezwarende titel te beschouwen en ze dus voor elke erbij betrokken medeëigenaar aan te merken als een tot belasting aanleiding gevend feit, wat zijn deel in de goederen betreft dat aan één of meer andere eigenaars wordt toegekend (1).
8. Het bepaalde in de nrs. 2 tot 7 hiervoor geldt, mutatis mutandis, voor de verdeling van goederen die meerdere personen samen hebben verkregen door een gift onder levenden.
9. Onder titel III hierna wordt nader uiteengezet hoe de meerwaarde moet worden bepaald bij verdelingen of ermede gelijkstaande overdrachten.
10. Het bepaalde in nr. 67/32, 1°, Com. I.B., blijft van kracht voor de toepassing van art. 67, 7°, a en b, WIB
(1) Cf. art. 47bis, § 5, KB tot uitv. van het WIB
III. BEREKENING VAN DE MEERWAARDEN IN DE IN ART. 47BIS, KB TOT UITV. VAN HET WIB, BEDOELDE BIJZONDERE GEVALLEN.
Voorafgaande opmerkingen:
11. In de volgende uiteenzetting wordt uitgegaan van de veronderstelling dat de voorwaarden tot belastbaarheid van de meerwaarden telkens vervuld zijn.
Er moet onder "1e of 2e term van het verschil" worden verstaan de 1e of 2e term van het verschil dat moet worden berekend om de meerwaarde te bepalen.
De 1e term van het verschil moet, in voorkomend geval, nog worden verminderd met de uitgaven of lasten die de belastingplichtige bewijst te hebben gedaan of gedragen voor de vervreemding van het goed of recht (zie art. 69bis, §, 1°, WIB).
De 2e term van het verschil moet nog worden vermeerderd met de kosten van verkrijging of van overgang en met de uitgaven (eventueel forfaitair te bepalen op 25 pct.); het geheel wordt verhoogd met de gebruikelijke 5 pct.); het geheel wordt verhoogd met de gebruikelijke 5 pct. per jaar en verminderd met de vergoeding voor planschade (cf. art. 69bis, § 1, laatste lid, WIB).
De in deze titel gegeven richtlijnen zijn van toepassing op de meerwaarden verwezenlijkt vanaf 1 januari 1978.
| A. | OVERDRACHTEN VAN ZAKELIJKE RECHTEN MET BETREKKING TOT ONGEBOUWDE ONROERENDE GOEDEREN. |
12. Eerste term van het verschil:
- overdracht van de blote eigendom, van het vruchtgebruik of van het recht van gebruik van een goed: de prijs waartegen het recht werd overgedragen, of, indien zij meer bedraagt, de verkoopwaarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht heeft gediend;
- overdracht van het recht van opstal of van erfpacht (1) : de waarde in kapitaal (zie nr. 13), op de dag van de overeenkomst (van overdracht), van de periodieke uitkeringen en lasten tijdens de voorziene duur, eventueel vermeerderd met het bedrag waarvan de betaling in kapitaal is bedongen boven de uitkeringen en lasten.
Tweede term van het verschil:
- voor blote eigendom, vruchtgebruik of recht van gebruik:
de verkoopwaarde van het vervreemd zakelijk recht op de datum van de de verkoopwaarde van de vervreemding volle eigendom van het X -------------------------------------- goed op de datum van de verkoopwaarde van de volle eigendom verkrijging. op de datum van vervreemding
- voor recht van opstal of van erfpacht (1) ofwel de waarde in kapitaal (zie nr. 13) op de dag van de verkrijging, van de periodieke uitkeringen en lasten, eventueel vermeerderd met het bedrag dat in kapitaal werd betaald boven die uitkeringen en lasten (indien dat recht onder bezwarende titel is verkregen);
- ofwel de verkoopwaarde van dat recht, die tot maatstaf van heffing van het schenkings- of het erfenisrecht heeft gediend (indien dat recht kosteloos is verkregen).
| (1) | De in deze circ. gegeven richtlijnen m.b.t. het recht van opstal en van erfpacht gelden slechts tot en met het aj. 1980. Art. 6, W. 19.7.1979 (V. 1508 - B. 577) heeft immers het recht van opstal en van erfpacht met ingang van het aj. 1981 uit het toepassingsgebied van art. 67, 7°, WIB gesloten (zie ook art. 45, § 1, 1°, van dezelfde wet en KB 20.11.1980, V. 1547 - B. 592). |
| 2. | Overdracht van de blote eigendom, of vestiging van het vruchtgebruik of van enig ander zakelijk recht met betrekking tot onroerende goederen die voorheen in volle eigendom werden verkregen. |
14. Eerste term van het verschil:
- Vestiging van het vruchtgebruik of van het recht van gebruik van een goed : zie A, 1, 1e term, 1e gedachtenstreep (nr. 12).
- Overdracht van de blote eigendom met voorbehoud van vruchtgebruik door de overdrager (1): de prijs van overdracht, of, indien het bekomen verschil meer bedraagt, de verkoopwaarde van de volle eigendom die tot maatstaf van heffing van het registratierecht heeft gediend, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik berekend overeenkomstig art. 47 van het Wetboek der Registratierechten (2).
| (1) | Hier wordt het geval bedoeld van een volle eigenaar die enkel de blote eigendom vervreemd en derhalve ipso facto het vruchtgebruik behoudt. |
| (2) | Deze waarde wordt in de regel bepaald door de jaarlijkse opbrengst of, bij ontstentenis daarvan, de huurwaarde van het goed te vermenigvuldigen met het getal dat in de onderstaande tabel is opgegeven en afhankelijk is van de leeftijd, welke diegene op wiens hoofd het vruchtgebruik is gevestigd, op de dag van de akte heeft : |
- Vestiging van het recht van opstal of van erfpacht (1): zie A, 1, 1e term, 2e gedachtenstreep (nr. 12);
Tweede term van het verschil : de eerste term van het verschil de "aankoopprijs" van de (zie hiervoor) volle eigendom van dat X ------------------------------- goed vastgesteld de verkoopwaarde van de volle overeenkomstig art. 69bis, eigendom van het goed op de dag § 1, 2°, WIB van de overdracht of de vestiging van het zakelijk recht. 15. Indien op deze wijze een bedrag wordt bekomen dat de "aankoopprijs" van de volle eigendom van het goed overtreft, dan wordt laatstbedoelde prijs als 2e term genomen; dit is het geval wanneer in de bovenstaande breuk de teller groter is dan de noemer (bv. wanneer de actuele waarde van de periodieke uitkeringen bedongen in een erfpachtcontract de huidige waarde van het goed in volle eigendom te boven gaat).
| 3. | Overdracht van de volle eigendom van een goed dat in blote eigendom is verkregen en waarvan het vruchtgebruik intussen geëindigd is. |
16. Eerste term van het verschil:
de prijs of verkoopwaarde van het goed, vastgesteld overeenkomstig art. 69 bis, § 1, 1°, WIB;
Tweede term van het verschil:
de verkoopwaarde van de volle eigendom op de dag dat de blote eigendom werd verkregen.
| (1) | zie voetnoot (1) bij nr. 12. |
| B. | GOEDEREN DIE IN VOLLE EIGENDOM OF BLOTE EIGENDOM ZIJN VERKREGEN OF OVERGEDRAGEN TEGEN BETALING VAN EEN LIJFRENTE, EEN TIJDELIJKE RENTE OF ENIG ANDER LEVENSLANG RECHT. |
| 1. | Vervreemding van de volle eigendom of van de blote eigendom zonder voorbehoud van vruchtgebruik. |
| a. | VERVREEMDING TEGEN BETALING VAN EEN LIJFRENTE, ... ENZ. VAN GOEDEREN DIE VROEGER NIET TEGEN BETALING VAN EEN LIJFRENTE, ... ENZ. WERDEN VERKREGEN. |
17. Eerste term van het verschil:
de waarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht heeft gediend, d.w.z.:
- ofwel de gekapitaliseerde waarde van de rente of van het levenslang recht, eventueel vermeerderd met het bedrag waarvan de betaling in kapitaal is bedongen boven de rente of het levenslang recht;
- ofwel, indien zij meer bedraagt, de verkoopwaarde van respectievelijk de volle of de blote eigendom van dat goed (bij de vervreemding).
Tweede term van het verschil:
overdracht van een volle eigendom:
- ofwel de "aankoopprijs" van het goed in volle eigendom vastgesteld overeenkomstig art. 69bis, § 1, 2°, WIB, wanneer de volle eigendom voorheen als zodanig werd verkregen;
- ofwel de verkoopwaarde van de volle eigendom op de dag dat de blote eigendom werd verkregen, wanneer het goed voorheen in blote eigendom werd verkregen en het vruchtgebruik intussen geëindigd is.
overdracht van een blote eigendom:
- ofwel de waarde vastgesteld overeenkomstig rubriek A, 2°, 2° term - nr. 14 - hiervoor, wanneer het goed voorheen in volle eigendom werd verkregen;
- ofwel de waarde vastgesteld overeenkomstig rubriek A, 1, 2° term, 1° gedachtenstreep - nr. 12 - hiervoor, wanneer de blote eigendom voorheen als zodanig werd verkregen.
| b. | VERVREEMDING (NIET TEGEN LIJFRENTE) VAN GOEDEREN OF RECHTEN VERKREGEN TEGEN LIJFRENTE, ... ENZ. |
18. Eerste term van het verschil :
- overdracht van een volle eigendom: de prijs of verkoopwaarde van het goed in volle eigendom, vastgesteld overeenkomstig art. 69bis, § 1, 1°, WIB
- overdracht van een blote eigendom: ofwel de waarde vastgesteld overeenkomstig rubriek A, 2, 1° term, 2° gedachtenstreep - nr. 14 - hiervoor, wanneer het goed voorheen in volle eigendom werd verkregen;
- ofwel de waarde vastgesteld overeenkomstig rubriek A, 1, 1° term, 1° gedachtenstreep - nr. 12 - hiervoor, wanneer de blote eigendom voorheen als zodanig werd verkregen.
Tweede term van het verschil:
de waarde die bij de verkrijging tot maatstaf van heffing van het registratierecht heeft gediend, d.w.z.:
- ofwel de gekapitaliseerde waarde van de rente of van het levenslang recht, eventueel vermeerderd met het bedrag waarvan de betaling in kapitaal was bedongen boven de rente of het levenslang recht;
- ofwel, indien zij meer bedraagt, de verkoopwaarde van respectievelijk de volle of de blote eigendom van de goederen op het tijdstip van de verkrijging.
| c. | VERVREEMDING TEGEN LIJFRENTE, ... ENZ. VAN TEGEN LIJFRENTE, ENZ. ... VERKREGEN GOEDEREN. |
19. Eerste term van het verschil: zie B, 1, a, 1e term (nr. 17); Tweede term van het verschil: zie B, 1, b, 2e term (nr. 18).
| 2. | Vervreemding van de blote eigendom met voorbehoud van vruchtgebruik. |
| a. | Vervreemding tegen betaling van een lijfrente, ... enz. van de blote eigendom van een goed dat vroeger in volle eigendom werd verkregen, doch niet tegen betaling van een lijfrente; ... enz. |
20. Eerste term van het verschil:
de waarde die tot maatstaf van heffing heeft gediend van het registratierecht, d.w.z.:
- ofwel de gekapitaliseerde waarde van de rente of van het levenslang recht, eventueel vermeerderd met het bedrag waarvan de betaling in kapitaal is bedongen boven de rente of het levenslang recht;
- ofwel, indien het bekomen verschil meer bedraagt, de verkoopwaarde van de volle eigendom van het goed bij vervreemding, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik op de datum van vervreemding, berekend overeenkomstig art. 47 van het Wetboek der Registratierechten (1)
Tweede term van het verschil : de "aankoopprijs" van het de eerste term van het verschil goed in volle eigendom X ------------------------------- vastgesteld overeenkomstig de verkoopwaarde van de volle art. 69bis, § 1, 2°, WIB eigendom van het goed op de dag van de vervreemding van de blote eigendom (1) zie voetnoot (2) bij nr. 14.
| b. | Tegen lijfrente, enz. ... in volle eigendom verkregen goederen waarvan de blote eigendom niet tegen lijfrente, enz. ... wordt vervreemd. |
| 21. | Eerste term van het verschil : |
Tweede term van het verschil: de waarde die bij verkrijging de eerste term van het verschil tot maatstaf van heffing heeft X ------------------------------- gediend van het registratierecht de verkoopwaarde van de volle (zie B, 1, a, 1e term, nr. 17) eigendom van het goed op de dag van de vervreemding van de blote eigendom
| c. | Vervreemding tegen betaling van een lijfrente, ... enz. van de blote eigendom van een onroerend goed dat vroeger tegen lijfrente, ... enz., in volle eigendom werd verkregen. |
22. Eerste term van het verschil: zie B, 2, a, 1e term (nr. 20); Tweede term van het verschil: zie B, 2, b, 2° term (nr. 21).
| (1) | zie voetnoot (2) bij nr. 14. |
| 1. | Ruiling van andere goederen dan ongebouwde landeigendommen (art. 67bis, § 3, a en b) die niet in ruil werden verkregen: |
Eerste term van het verschil:
overeengekomen waarde van het afgestane goed of, indien dergelijke waarde niet in de ruilovereenkomst is vermeld, de verkoopwaarde, op de dag van de ruiling, van het in ruil verkregen goed, vermeerderd met de ontvangen of verminderd met de betaalde opleg, zonder dat die term lager mag zijn dan de verkoopwaarde van het afgestane goed.
Tweede term van het verschil:
de "aankoopprijs" van het goed vastgesteld overeenkomstig art. 69bis, § 1, 2°, WIB
2. Vroeger bij ruiling verkregen goederen als bedoeld sub 1, die niet bij ruiling worden vervreemd:
24. Eerste term van het verschil:
de prijs of verkoopwaarde vastgesteld overeenkomstig art. 69bis, § 1, 1°, WIB
Tweede term van het verschil:
overeengekomen waarde van het vroeger in ruil verkregen goed of, indien dergelijke waarde niet in de ruilovereenkomst is vermeld, de verkoopwaarde, op de dag van de ruiling, van het in ruil afgestane goed, vermeerderd met de alsdan betaalde of verminderd met de alsdan ontvangen opleg, zonder dat die term lager mag zijn dan de verkoopwaarde van de in ruil verkregen goederen op het tijdstip van de verkrijging.
| (1) | voor zover het natuurlijk gaat om verrichtingen die aanleiding geven tot belastbare meerwaarden -zie Com.IB nr. 67/31, 2°. |
25. Aanslag ten name van beide ruilers (zoals sub 1).
Eerste term van het verschil : zoals sub 1.
Tweede term van het verschil : zoals sub 2.
| 4. | Ruiling met opleg (ongelijke loten)- van ongebouwde landeigendommen waarvan de verkoopwaarde, voor elk lot, niet meer dan 250 maal (1) het KI bedraagt (z. art. 67bis, § 3, b, WIB en Com.IB nr. 67/31): |
Eerste term van het verschil:
bedrag van de ontvangen opleg of, indien het meer bedraagt, het verschil tussen verkoopwaarde van beide loten dat tot maatstaf van heffing van het registratierecht heeft gediend.
| (1) | deze coëfficiënt is vastgesteld op 700 voor de periode van 30.11.1978 tot 31.12.1979 en op 350 vanaf 1.1.1980. |
Tweede term van het verschil: de ontvangen opleg of, indien het meer bedraagt, het verschil tussen de verkoopwaarde van beide loten, prijs van verkrijging van dat tot maatstaf van heffing van het in ruil gegeven lot of het registratierecht heeft gediend. de verkoopwaarde ervan op X ----------------------------------- dat tijdstip, bepaald overeengekomen waarde of indien zij overeenkomstig art. 69bis, meer bedraagt, de verkoopwaarde van § 1, 2°, WIB het in ruil gegeven lot (waarde op het ogenblik van de ruiling). D. VERDELING VAN GOEDEREN (1)
| 1. | Verdeling van door meerdere personen verkregen onverdeelde goederen: |
Eerste term van het verschil:
is voor elk van de eigenaars in onverdeeldheid gelijk aan: ofwel, de overeengekomen waarde van zijn deel in de goederen die aan één of meer van de medeëigenaars zijn toegekend;
ofwel, de verkoopwaarde die voor het vaststellen van de maatstaf van heffing van het registratierecht aan dat deel werd toegekend, indien er geen waarde werd overeengekomen of indien de overeengekomen waarde lager was dan de verkoopwaarde.
| (1) | zie evenwel de nrs. 2 tot 10 hiervoor, waarin wordt bepaald welke verdelingen wel en welke niet als een belastbare verrichting moeten worden aangemerkt. Tweede term van het verschil: |
| 2. | Verdeling van goederen waarvan een (meer) perso(o)n(en) afzonderlijk een (of meer) onverdeeld(e) de(e)l(en) verkre(e)g(en): |
28. Zoals sub 1.
| E. | OVERDRACHT VAN GOEDEREN WAARVAN DE OVERDRAGER, GEDEELTELIJK INGEVOLGE VERKRIJGING VAN ONVERDEELDE DELEN EN GEDEELTELIJK INGEVOLGE LATERE VERDELING VAN DE ONVERDEELDHEID, EIGENAAR WERD (1). |
29. Eerste term van het verschil:
de prijs of verkoopwaarde van het goed, vastgesteld overeenkomstig art. 69bis, § 1, 1°, WIB
Tweede term van het verschil:
is gelijk aan de som van de volgende twee bestanddelen:
| 1° | ofwel de prijs die voor de verkrijging van de onverdeelde delen werd betaald, ofwel de verkoopwaarde ervan bij verkrijging - bepaald overeenkomstig art. 69bis, § 1, 2°, WIB - in de mate waarin die prijs of waarde op de overgedragen goederen betrekking heeft; |
| 2° | de overeengekomen waarde die aan het overblijvende deel van deze goederen bij die latere verdeling werd gegeven, of de verkoopwaarde die aan dat deel voor het vaststellen van de maatstaf van heffing van het registratierecht werd toegekend, indien er geen waarde werd overeengekomen bij de verdeling of indien die waarde lager was dan de toenmalige verkoopwaarde. |
| (1) | zie evenwel de nrs. 2 tot 10 hiervoor, waarin wordt bepaald welke verdelingen wel en welke niet als een belastbare verrichting moeten worden aangemerkt. |
30. Eerste term van het verschil:
de waarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht heeft gediend, d.w.z. de waarde van de maatschappelijke rechten bekomen ter vergelding van de inbreng en van de lasten die de vennootschap ten gunste van de inbrenger op zich neemt, of, indien zij hoger is, de verkoopwaarde van de ingebrachte goederen.
Tweede term van het verschil:
de "aankoopprijs" van het goed, vastgesteld overeenkomstig art. 69bis, § 1, 2°, WIB
G. OPMERKING.
31. Wanneer de in de litt. C tot F hiervoor (nrs. 23 tot 30) bedoelde overdracht betrekking heeft op de blote eigendom van een goed met voorbehoud van vruchtgebruik (i.p.v. op de volle eigendom), dan blijven de in de voormelde nrs. uiteengezette regels van toepassing, met dien verstande dat als verkoopwaarde van de blote eigendom (in aanmerking te nemen bij het bepalen van de eerste term van het verschil) de verkoopwaarde van de volle eigendom op de datum van de overdracht wordt genomen, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik op dezelfde datum, berekend overeenkomstig art. 47 van het Wetboek der Registratierechten (1).
(1) zie voetnoot (2) bij nr. 14.
| H. | OVERDRACHT VAN GOEDEREN VERKREGEN TER GELEGENHEID VAN DE (GEHELE OF GEDEELTELIJKE) VERDELING VAN HET MAATSCHAPPELIJKE VERMOGEN VAN EEN VENNOOTSCHAP. |
32. Eerste term van het verschil:
de prijs of verkoopwaarde van het goed, vastgesteld overeenkomstig art. 69bis, § 1, 1°, WIB
Tweede term van het verschil:
de waarde waarvoor het bij de verdeling van het maatschappelijke vermogen verkregen goed bijdroeg tot de vaststelling van de bedragen die aan de aandeelhouders of vennoten werden uitgekeerd (en, derhalve, van het belastbare "liquidatiebonus") of indien zij hoger was, de verkoopwaarde van dat goed die, naar aanleiding van die gebeurtenis, gediend heeft tot maatstaf van heffing van het registratierecht.
I. SLOTBEMERKINGEN.
33. In de in E hiervoor (nr. 29) bedoelde gevallen (overdracht van goederen waarvan de overdrager bij gedeelten eigenaar is geworden op verschillende tijdstippen), moet de vermeerdering van 5 pct. per gedeelte afzonderlijk worden berekend, gelet op het tijdstip van verkrijging.
34. Wanneer meerdere sub A tot H hiervoor (nrs. 12 tot 32) bedoelde gevallen zich vermengen - theoretisch zijn talloze combinaties mogelijk - moeten de oplossingen die voor die gevallen ter zake zijn voorzien worden gecombineerd, zonder de andere particulariteiten die zich kunnen voordoen, uit het oog te verliezen.
J. VOORBEELDEN.
Voorbeeld I.
35. Een belastingplichtige, geboren op 1.10.1929, koopt op 4.2.1955 onderhands een stuk grond in volle eigendom voor de prijs van 57.000 F.
De verkoopwaarde wordt door de ontvanger van de Registratie echter op 65.000 F bepaald en hierop betaalt de koper de registratierechten.
Deze grond ligt in een woongebied (volgens het gewestplan dat op 11.12.1977 van kracht is geworden).
Op 19.7.1978 verkoopt hij de blote eigendom voor 460.000 F (en behoudt het vruchtgebruik).
De registratierechten worden geheven op 1.500.000 F zijnde de verkoopwaarde van de grond op het ogenblik van de overdracht.
De huurwaarde van het goed in 1978 wordt op 70.000 F per jaar geraamd.
Berekening van de waarde van het vruchtgebruik. (zie voetnoot 2 bij nr. 14) - leeftijd van de verkoper (op wiens hoofd het vruchtgebruik wordt gevestigd) op de dag van de akte: 48 jaar - getal volgens tabel : 14 - huurwaarde : 70.000 F waarde van het vruchtgebruik : 14 x 70.000 = 980.000 F Berekening van de meerwaarde : Eerste term van het verschil : (zie nr. 14) 1.500.000 - 980.000 = 520.000 F (groter dan 460.000 F) Tweede term van het verschil : (zie nr. 14) 520.000 65.000 x --------- = 22.533 1.500.000 kosten en uitgaven 22.533 x 25 pct. = 5.633 ------ 28.166 "revalorisatie" 28.166 x 115 pct. (1) = 32.391 ------ - 60.557 ------- Belastbare meerwaarde : 459.443 Voorbeeld II.
36. Een belastingplichtige koopt tijdens een openbare verkoop op 15.7.1969 de blote eigendom van een stuk grond waarvan een derde het vruchtgebruik heeft voor de prijs van 300.000 F.
De verkoopwaarde van de volle eigendom wordt door de ontvanger van de Registratie op 600.000 F geraamd.
Deze grond ligt in een woongebied (volgens het gewestplan dat op 5.5.1977 van kracht geworden is).
| (1) | 5 pct. per volledig jaar (in casu 23), verlopen tussen de verkrijging (4.2.1955) en de vervreemding (19.7.1978). |
De vruchtgebruiker is nog in leven wanneer de belastingplichtige de blote eigendom op 15.1.1978 onderhands verkoopt voor 500.000 F. De Ontvanger van de Registratie stelt echter een tekortschatting vast en heft de rechten op een verkoopwaarde van 550.000 F. De verkoopwaarde van de volle eigendom op dat tijdstip raamt hij op 1.300.000. Eerste term van het verschil : (zie nr. 12) 550.000 F Tweede term van het verschil : (zie nr. 12) 550.000 600.000 x --------- = 253.846 1.300.000 kosten en uitgaven 253.846 x 25 pct. = 63.462 ------- 317.308 "revalorisatie" 317.308 x 40 pct. (1) = 126.923 - 444.231 ---------- Belastbare meerwaarde 105.769 F 2e veronderstelling.
De vruchtgebruiker is reeds overleden in 1977 zodat de belastingplichtige de volle eigendom van de grond heeft verkregen, die hij op 15.1.1978 verkoopt voor 1.400.000 F.
De ontvanger van de Registratie stelt een tekortschatting vast en heft de rechten op een verkoopwaarde van 1.600.000 F.
| (1) | 5 pct. per volledig jaar (in casu 8), verlopen tussen de verkrijging (15.7.1969) en de vervreemding (15.1.1978). |
37. X verkrijgt op 4.3.1972 door schenking onder levenden een stuk grond waarvan de waarde volgens akte van schenking 880.000 F bedraagt. De Ontvanger van de Registratie bepaalt de grondslag van de schenkingsrechten echter op 900.000 F.
Y. koopt op 28.4.1970 tijdens een openbare verkoop een aan het vorenbedoeld stuk grond palend perceel voor de prijs van 660.000 F.
Beide percelen worden door het gewestplan dat op 16.4.1978 van kracht werd, in een woongebied ondergebracht.
Op 7.1.1978 ruilen beiden hun perceel grond zonder opleg.
Aan beide percelen wordt pro fisco een waarde van 1.400.000 F toegekend. De registratierechten worden evenwel volgens het gemeen recht op 1.700.000 F geheven. Eerste term van het verschil: X Y 1.700.000 1.700.000 Tweede term van het verschil : X Y 900.000 660.000 kosten en uitgaven 25 pct. 225.000 165.000 --------- ------- 1.125.000 825.000 "revalorisatie" (1) 1.125.000 x 25 pct. 281.250 825.000 x 35 pct. 288.750 - 1.406.250 - 1.113.750 --------- --------- Belastbare meerwaarden 293.750 586.250 Voorbeeld IV.
38. Een vader schenkt op 1.2.1975 een perceel grond aan zijn 3 kinderen (X), (Y) en (Z).
De schenkingrechten worden geheven op een waarde van 500.000 F.
Op 1.4.1978 treden de kinderen uit onverdeeldheid en verdelen de grond in drie gelijke delen. De ontvanger van de Registratie raamt de waarde van de grond op het ogenblik van de verdeling op 870.000 F (290.000 F per deel).
Op 26.6.1978 wordt het gewestplan van kracht en worden de 3 delen in een woongebied ingedeeld.
Op 17.2.1979 verkoopt (X) zijn deel voor 735.000 F (er werd geen tekortschatting vastgesteld).
| (1) | 5 pct. per volledig jaar (resp. 5 en 7), verlopen tussen de verkrijging (4.3.1972 en 28.4.1970) en de vervreemding (7.1.1978). |
Elk van de kinderen bezat aanvankelijk 1/3 of 3/9 van het geheel in onverdeeldheid.
De verdeling moet worden geacht als volgt te zijn gebeurt:
- (X) behoudt 1/9, ruilt 1/9 met (Y) en 1/9 met (Z);
- (Y) behoudt 1/9, ruilt 1/9 met (Z) en 1/9 met (X);
- (Z) behoudt 1/9, ruilt 1/9 met (X) en 1/9 met (Y).
Meerwaarde verwezenlijkt door elk der kinderen bij de verkoop op 1.4.1978.
Eerste term van het verschil:
(de overeengekomen waarde van het deel van het part van elk kind dat geacht wordt aan de twee andere kinderen te zijn toegekend) 870.000 x 2/9 (1/9 + 1/9) = 193.333
Tweede term van het verschil :
de waarde van de delen bij verkrijging d.w.z. 500.000 x 2/9 = 111.111 kosten en uitgaven 111.111 x 25 pct. = 27.778 ------- 138.889 "revalorisatie" 138.889 x 15 pct. (1) 20.833 ------- - 159.722 ------- Belastbare meerwaarde : 33.611 (1) 5 pct. per volledig jaar (in casu 3), verlopen tussen de verkrijging (1.2.1975) en de verdeling (1.4.1978). Meerwaarde verwezenlijkt door (X) bij verkoop op 17.2.1979. Eerste term van het verschil : 735.000 Tweede term van het verschil : a) waarde van de delen geacht te zijn verkregen op 1.4.1978 - 2 x 1/9 x 870.000 ( zijnde de delen geruild met (Y) en (Z) = 193.333 - kosten en uitgaven 193.333 x 25 pct. = 48.333 ------- 241.666 - "revalorisatie" 241.666 x 0 pct. (1) = 0 ------- 241.666 b) waarde van het deel geacht te zijn verkregen op 1.2.1975 - 1/9 x 500.000 = 55.556 - kosten en uitgaven 55.556 x 25 pct. = 13.889 ------- 69.445 - "revalorisatie" 69.445 x 20 pct. (2) = 13.889 ------- 83.334 ------- c) totaal 325.000 ------- Belastbare meerwaarde : 410.000 (1) Er is geen volledig jaar verlopen tussen de verkrijging (1.4.1978) en de vervreemding (17.2.1979). (2) 5 pct. per volledig jaar (in casu 4), verlopen tussen de verkrijging (1.2.1975) en de vervreemding (17.2.1979). Voorbeeld V.
39. Vier broers ((A), (B), (C), en (D)) zijn gelijkgerechtigd in een in februari 1978 geërfde grond, die volgens het gewestplan dat op 6.11.1977 van kracht is geworden, in een woongebied ligt.
De erfenisrechten werden betaald op een waarde van 960.000 F.
In april 1980 verdelen de betrokkenen de grond in 3 gelijke delen (een lot voor (A), een voor (B) en een voor (C)) terwijl de vierde (D) in geld wordt uitbetaald.
De totale waarde van de grond op het ogenblik van de verdeling, wordt door de Ontvanger van de Registratie op 1.800.000 F geraamd (600.000 F per lot).
Berekening van de meerwaarde.
Elke erfgenaam bezat aanvankelijk 1/4 of 3/12 van het geheel in onverdeeldheid.
De verdeling moet worden geacht als volgt te hebben plaats gehad :
- (A) behoudt 1/12, ruilt 1/12 met (B) en 1/12 met (C) en koopt 1/12 af van (D);
- (B) behoudt 1/12, ruilt 1/12 met (C) en 1/12 met (A) en koopt 1/12 af van (D);
- (C) behoudt 1/12, ruilt 1/12 met (A) en 1/12 met (B) en koopt 1/12 af van (D);
- (D) verkoopt 3/12 (1/12 aan elk van zijn broers).
Meerwaarde verwezenlijkt door elk van de erfgenamen (A), (B) en (C) Eerste term van het verschil : (overeengekomen waarde van het deel van het part van elke erfgenaam dat wordt geacht aan één of meerdere medeëigenaars te zijn toegekend : 1.800.000 x 1/6 (zijnde 1/12 + 1/12) = 300.000 Tweede term van het verschil : de waarde van die delen bij verkrijging, d.w.z. 960.000 x 1/6 = 160.000 kosten en uitgaven 25 pct. = 40.000 ------- 200.000 "revalorisatie" 200.000 x 10 pct. (1) = 20.000 ------- - 220.000 ------- Belastbare meerwaarde : 80.000 Meerwaarde verwezenlijkt door erfgenaam (D). Eerste term van het verschil : 1.800.000 x 3/12 = 450.000 Tweede term van het verschil : 960.000 x 3/12 = 240.000 kosten en uitgaven 240.000 x 25 pct. = 60.000 ------- 300.000 (1) 5 pct. per volledig jaar (in casu 2) verlopen tussen de verkrijging (februari 1978) en de verdeling (april 1980). "revalorisatie" 300.000 x 10 pct. (1) = 30.000 ------- - 330.000 --------- Belastbare meerwaarde : 120.000 Indien (A) het perceel dat hij uit deze verdeling heeft overgehouden, in mei 1981 bij een openbare verkoop voor 1.000.000 F van de hand doet, dient de meerwaarde als volgt te worden berekend : Eerste term van het verschil : 1.000.000 Tweede term van het verschil : a) waarde van de delen die worden geacht te zijn verkregen in april 1980 3 x 1/12 x 1.800.000 = 450.000 (zijnde de delen die hij kocht van (D) of geruild heeft met (B) en (C) kosten en uitgaven 450.000 x 25 pct. = 112.500 ------- 562.500 "revalorisatie" 562.500 x 5 pct. (2) = 28.125 ------- 590.625 b) waarde van het deel dat wordt geacht te zijn verkregen in februari 1978 1/12 x 960.000 = 80.000 (1) 5 pct. per volledig jaar (in casu 2) verlopen tussen de verkrijging (februari 1978) en de verdeling (april 1980). (2) 5 pct. per volledig jaar (in casu 1) verlopen tussen de verkrijging (april 1980) en de vervreemding (mei 1981). kosten en uitgaven 80.000 x 25 pct. = 20.000 ------- 100.000 "revalorisatie" 100.000 x 15 pct. (1) = 15.000 ------- 115.000 ------- c) totaal : 705.625 ------- Belastbare meerwaarde : 294.375 Voorbeeld VI.
40. Twee zusters (M) en (N) zijn gelijkgerechtigd in een op 18.1.1976 geërfde grond die volgens het gewestplan dat op 7.6.1979 van kracht is geworden, in een woongebied ligt.
De erfenisrechten werden berekend op een waarde van 250.000 F.
Op 25.3.1979 treden de zusters uit onverdeeldheid; de verdeling gebeurt als volgt :
- (N) krijgt lot I toegewezen en betaalt (M) een opleg van 60.000 F;
- (M) krijgt lot II toegewezen.
De verdelingsakte vermeldt voor die loten een waarde van respectievelijk 360.000 F en 240.000 F.
De ontvanger van de Registratie stelt een tekortschatting vast en bepaalt de waarde van die loten voor de registratierechten op 470.000 F voor lot 1 en op 330.000 F voor lot II (totaal 800.000 F).
(1) 5 pct. per volledig jaar (in casu 3) verlopen tussen de verkrijging
(februari 1978) en de vervreemding (mei 1981).
Berekening van de meerwaarden :
Beide erfgenamen bezaten aanvankelijk de helft van het goed in onverdeeldheid.
De verdeling moet worden geacht als volgt te hebben plaatsgehad :
- (N) behoudt de helft van lot I en staat de helft van lot II af aan (M);
- (M) behoudt de helft van lot II en staat de helft van lot I af aan (N).
Berekening van de meerwaarde verwezenlijkt door (N). Eerste term van het verschil : (zijnde de helft van de waarde van lot II op de datum van de deling) 330.000 x 1/2 = 165.000 Tweede term van het verschil : (het deel van lot II, dat (N) geacht wordt te hebben overgedragen aan (M) had bij de verkrijging op 18.1.1976 een waarde van :) 330.000 250.000 x ------- x 1/2 = 51.563 800.000 kosten en uitgaven 51.563 x 25 pct. = 12.891 ------ Over te brengen : 64.454 Overgebracht : 64.454 "revalorisatie" 9.668 64.454 x 15 pct. (1) -------- 74.122 ------- Belastbare meerwaarde : 90.878 Berekening van de meerwaarde verwezenlijkt door (M). Eerste term van het verschil: (zijnde de waarde van het deel van lot I op de datum van de deling) 470.000 x 1/2 = 235.000 Tweede term van het verschil : (het deel van lot I, dat (M) geacht wordt te hebben overgedragen aan (N), had bij de verkrijging op 18.1.1976 een waarde van :) 470.000 250.000 x ------- x 1/2 = 73.438 800.000 kosten en uitgaven 73.438 x 25 pct. = 18.360 ------ 91.798 "revalorisatie" 91.798 x 15 pct. (1) = 13.770 ------ 105.568 ------- Belastbare meerwaarde : 129.432 (1) 5 pct. per volledig jaar (in casu 3) verlopen tussen de verkrijging (18.1.1976) en de verdeling (25.3.1979). Indien (M) het perceel dat zij uit deze verdeling heeft overgehouden (lot II) op 1.4.1980 verkoopt voor 580.000 F en de Ontvanger van de Registratie geen tekortschatting vaststelt, dient de meerwaarde als volgt te worden berekend. Eerste term van het verschil : 580.000 Tweede term van het verschil : a) waarde van het deel van lot II dat geacht wordt te zijn verkregen op 18.1.1976 330.000 - 250.000 x ------- x 1/2 = 51.563 800.000 - kosten en uitgaven 51.563 x 25 pct. = 12.891 ------- 64.454 - "revalorisatie" 64.454 x 20 pct. (1) = 12.891 77.345 b) waarde van het deel van lot II dat geacht wordt te zijn verkregen op 25.3.1979 - 330.000 x 1/2 = 165.000 - kosten en uitgaven 165.000 x 25 pct. = 41.250 ------- 206.250 (1) 5 pct. per volledig jaar (in casu 4) verlopen tussen de verkrijging (18.1.1976) en de vervreemding (1.4.1980). - "revalorisatie" 206.250 x 5 pct. (1) = 10.313 ------- 216.563 ------- c) totaal : 293.908 ------- Belastbare meerwaarde : 286.092 Voorbeeld VII.
41. Op 21.2.1960 wordt een belastingplichtige, ingevolge het overlijden van zijn moeder, voor de helft medeëigenaar van een stuk grond dat volgens een op 6.11.1977 van kracht geworden gewestplan, in een woongebied ligt.
Op 6.1.1966 overlijdt de vader, zodat de betrokkene de volle eigendom verwerft van het ganse perceel.
Bij het overlijden op 21.2.1960 werden erfenisrechten betaald op een waarde van 500.000 F, terwijl bij het overlijden op 6.1.1966 de waarde van de grond op 700.000 F werd geraamd.
De totale oppervlakte van deze grond bedraagt 35,87 aren.
Op 18.2.1978 verkoopt de betrokkene hiervan openbaar 22,51 aren voor de prijs van 1.500.000 F. Eerste term van het verschil : 1.500.000 Tweede term van het verschil : verkoopwaarde bij verkrijging a) erfenis dd. 21.2.1960 geschatte waarde : = 500.000 aandeel van de zoon : (1/2 van 500.000) = 250.000 (1) 5 pct. per volledig jaar (in casu 1) verlopen tussen de verkrijging (25.3.1979) en de vervreemding (1.4.1980). waarde van de verkochte oppervlakte 22,51 250.000 x ----- : = 156.886 35,87 kosten van verkrijging (forfait 25 pct.) : = 39.222 ------- totaal : 196.108 "revalorisatie" 196.108 x 5 pct. x 17(1) = 166.692 362.800 b) erfenis dd. 6.1.1966 geschatte waarde : = 700.000 aandeel van de zoon 1/2 van 700.000 : = 350.000 waarde van de verkochte oppervlakte : 22,51 350.000 x ----- : = 219.640 35,87 kosten van verkrijging (forfait 25 pct.) : = 54.910 ------- totaal : = 274.550 "revalorisatie" (2) 274.550 x 5 pct. x 12 : = 164.730 ------- 439.280 ------- c) totaal : 802.080 ------- Belastbare meerwaarde : 697.920 (1) 5 pct. per volledig jaar (in casu 17), verlopen tussen de verkrijging (21.2.1960) en de vervreemding (18.2.1978). (2) 5 pct. per volledig jaar (in casu 12), verlopen tussen de verkrijging (6.1.1966) en de vervreemding (18.2.1978).
Bron: FisconetPlus
