Circulaire nr. Ci.RH.9/613.152 (AAFisc Nr. 49/2011) dd 28.11.2011

Algemene administratie van de FISCALITEIT - Centrale diensten

Directie I/3

Circulaire nr. Ci.RH.9/613.152 (AAFisc Nr. 49/2011) dd 28.11.2011

Personenbelasting

Aanvullende agglomeratiebelasting op de PB

Aanvullende gemeentebelasting op de PB

Berekening van de belasting

Buitenlands inkomen

Buitenlands roerend inkomen

Dividend

Interest

Dividenden en interesten uit beleggingen en investeringen in een andere lidstaat van de EER die niet via een in België gevestigde tussenpersoon worden betaald. - Uitsluiting uit de berekeningsgrondslag van de PB/gem. en de PB/agg. - Commentaar op de art. 39 tot 41, W 14.4.2011 houdende diverse bepalingen.

Aan alle ambtenaren.

I. WETTEKSTEN

1. W 14.4.2011 houdende diverse bepalingen (BS 6.5.2011)

Art.39

Inartikel466vanhetzelfdeWetboek(WIB92), gewijzigdbijdewettenvan20 december 1995, 10 augustus 2001 en 22 december 2009, worden de volgende wijzigingenaangebracht:

1°in de inleidende zin van het eerste lid worden de woorden "op de rijksbelasting, dit wilzeggen" ingevoegd tussen de woorden "worden berekend" en de woorden "op de personenbelasting";

2° hetartikelwordtaangevuldalsvolgt:

"Het overeenkomstig het eerste lid vastgestelde bedrag wordt evenwel verminderd met hetgedeeltevandebelastingdatbetrekkingheeftopderoerendeinkomstenbedoeldinartikel17, § 1, 1° en 2°:

- die voortkomen uit beleggingen en investeringen gedaan in een andere lidstaat van deEuropeseEconomische Ruimte;

- die worden geïnd of ontvangen in het buitenland zonder de tussenkomst van een inBelgiëgevestigde tussenpersoon;

- diegeenberoepskarakterhebben;

- endieingevolgeartikel171werkelijkafzonderlijkwordenbelast.".

Art.40

In artikel 466bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 december2002, worden de woorden "de personenbelasting die verschuldigd zou zijn in België" vervangendoorde woorden"derijksbelasting dievastgesteldzou zijn".

Art.41

In artikel 468, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, wordt het woord "rijksbelasting." vervangen door de woorden "berekeningsgrondslag vastgesteld overeenkomstig de artikelen466 en 466bis.".

Art.43, derdelid

Deartikelen39tot41tredeninwerkingvanafaanslagjaar2011.

II. GECOORDINEERDE TEKSTEN

2. Art.466, WIB92

(zoalsgewijzigddoorart.39, W14.4.2011)

De aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting en de aanvullendeagglomeratiebelasting op de personenbelasting worden berekend op de rijksbelasting, ditwilzeggenopde personenbelasting vastgesteld:

- vóór verrekening van de in de artikelen 134, § 3, en 156bis, bedoelde belastingkredieten, van de in de artikelen 157 tot 168 en 175 tot 177 bedoelde voorafbetalingen en vande voorheffingen, het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting en de belastingkredieten bedoeld in deartikelen277 tot296;

- vóórdetoepassingvandeindeartikelen157tot168vermeldevermeerderingen, vande in de artikelen 175 tot 177 vermelde bonificatie en van de belastingverhogingenvermeldin artikel444.

Het overeenkomstig het eerste lid vastgestelde bedrag wordt evenwelverminderd met het gedeelte van de belasting dat betrekking heeft op de roerendeinkomstenbedoeldinartikel17, §1,1°en2°:

- die voortkomen uit beleggingen en investeringen gedaan in een andere lidstaatvandeEuropeseEconomischeRuimte;

- die worden geïnd of ontvangen in het buitenland zonder de tussenkomst vaneeninBelgiëgevestigdetussenpersoon;

- diegeenberoepskarakterhebben;

- endieingevolgeartikel171werkelijkafzonderlijkwordenbelast.

Art.466bis

(zoalsgewijzigddoorart.40, W14.4.2011)

Wanneer een rijksinwoner beroepsinkomsten uit het buitenland verkrijgt diekrachtens een internationale overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting in Belgiëvan personenbelasting zijn vrijgesteld, worden de in artikel 466 bedoelde aanvullende gemeentebelasting en aanvullende agglomeratiebelasting desalniettemin, voor zover de internationale overeenkomst zulks toelaat, berekend op de rijksbelasting die vastgesteld zouzijnindiendeberoepsinkomsteninkwestieuitbronneninBelgiëzoudenzijnverkregen.

Art.468, eerstelid, WIB92

(zoalsgewijzigddoorart.41, W14.4.2011)

Deaanvullendebelastingwordtvoorallebelastingplichtigenvaneenzelfdeagglomeratie of gemeente vastgesteld op een eenvormig percentage van de berekeningsgrondslagvastgesteldovereenkomstigdeartikelen 466 en466bis.

….

III. ALGEMEEN

3. In zijn arrest nr. C-233/09 van 1.7.2010, inzake DIJKMAN-LAVALEIJE, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) voor recht verklaard: "artikel 56 EG verzet zich tegen een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke ingezeten belastingplichtigen van deze lidstaat die interesten of dividenden uit beleggingen of investeringen in een andere lidstaat ontvangen, onderworpen zijn aan een aanvullende gemeentebelasting wanneer zij er niet voor hebben geopteerd zich deze roerende inkomsten te laten uitbetalen door een in hun woonstaat gevestigde tussenpersoon, terwijl soortgelijke inkomsten die voortvloeien uit beleggingen of investeringen in hun woonstaat niet hoeven te worden aangegeven en in dat geval ook niet onderworpen zijn aan de aanvullende gemeentebelasting, aangezien zij reeds aan een bronheffing zijn onderworpen”.

4. De inlassing van het tweede lid in art. 466, WIB 92, door art. 39, 2°, W 14.4.2011, strekt ertoe de bepalingen inzake de aanvullende belastingen in overeenstemming te brengen met dit arrest door de belasting die betrekking heeft op de dividenden en interesten die voortkomen van beleggingen gedaan in een andere lidstaat van de EER uit te sluiten uit de berekeningsgrondslag van die belastingen, mits zij aan bepaalde voorwaarden voldoen. De overige wijzigingen die door de art. 39 tot 41, W 14.4.2011 zijn ingevoerd, zijn van zuiver technische aard. Bovenbedoelde wijzigingen treden in werking met ingang van aj. 2011.

5. Wat de weerslag van het bovenvermelde arrest nr. C-233/09 van het HvJEU op de voor aj. 2010 en vorige gevestigde aanslagen betreft, wordt verwezen naar de circ. Ci.RH.331/607.620 van 19.10.2010.

IV. DOOR DE UITSLUITING UIT DE BEREKENINGSGRONDSLAG VAN DE AANVUL LENDE BELASTINGEN BEOOGDE INKOMSTEN

6. Overeenkomstig art. 466, tweede lid, WIB 92, zoals ingevoegd door art. 39, 2°, W 14.4.2011, bevat de berekeningsgrondslag van de PB/gem. en de PB/agg. niet de PB die betrekking heeft op de in art. 17, § 1, 1° en 2°, WIB 92, bedoelde roerende inkomsten die aan de in nr. 9 hierna vermelde voorwaarden voldoen.

7. De uitsluiting uit de berekeningsgrondslag van de PB/gem. en de PB/agg. betreft dus uitsluitend de in art. 17, § 1, en 2°, WIB 92, beoogde inkomsten, d.w.z. dividenden en interesten in de zin van de art. 18, 19, 19bis en 19ter, WIB 92. Zij heeft dus noch betrek king op de andere roerende inkomsten dan dividenden en interesten (inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen, inkomsten begrepen in lijfrenten of tijdelijke renten en inkomsten uit de cessie of concessie van auteursrechten, naburige rechten, enz. als bedoeld in art. 17, 3° tot 5°, WIB 92), noch op de diverse inkomsten van roerende aard (inkomsten uit de onderverhuring of de overdracht van huur van al dan niet gemeubileerde onroerende goederen, inkomsten uit de concessie van het recht om plakbrieven of andere reclamedragers te plaatsen, loten van effecten van leningen, inkomsten uit de verhuring van jacht, vis en vogelvangstrechten en vergoedingen voor ontbrekende coupon of voor ontbrekend lot als bedoeld in art. 90, 5° tot en 11°, WIB 92).

8. Art. 466, tweede lid, WIB 92, beoogt alle interesten en dividenden, met inbegrip van die welke, mochten zij van Belgische oorsprong zijn, niet aan de inhouding van de RV onderworpen en verplicht aan te geven zouden zijn (en die derhalve steeds aan de aanvullende belastingen onderworpen zouden zijn). Zo zijn bijvoorbeeld ook de in art. 313, eerste lid, 1°, WIB 92, bedoelde inkomsten van hypothecaire schuldvorderingen en de in art. 313, eerste lid, 4°, WIB 92, bedoelde inkomsten van onroerende leasing uit de berekeningsgrondslag van de PB/gem. en de PB/agg. uitgesloten, althans voor zover zij aan de in nr. 9 hierna vermelde voorwaarden voldoen.

V. VOORWAARDEN VOOR DE UITSLUITING UIT DE BEREKENINGSGRONDSLAG VAN DE AANVULLENDE BELASTINGEN

9. Alleen de dividenden en interesten die aan de hierna opgesomde voorwaarden voldoen zijn uit de berekeningsgrondslag van de aanvullende belastingen uitgesloten.

Voortkomen uit beleggingen en investeringen gedaan in een andere lidstaat van de EER en zijn geïnd of ontvangen in het buitenland, zonder tussenkomst van een in België gevestigde tussenpersoon.

Zijn thans lid van de EER, de 27 lidstaten van de EU (België, Bulgarije, Cyprus (Grieks gedeelte), Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Tjechische Republiek, Slovenië, Slowakije, Spanje, Verenigd Koninkrijk, Zweden), alsook IJsland, Liechtenstein en Noorwegen.

Onder dividenden en interesten die voortkomen uit beleggingen en investeringen gedaan in een andere lidstaat van de EER moet worden verstaan de dividenden en interesten die in een andere lidstaat zijn voortgebracht.

Het heeft geen belang of die inkomsten door tussenkomst van een in een andere lidstaat van de EER of een buiten de EER gevestigde tussenpersoon, of zonder tussenkomst van een tussenpersoon zijn verkregen.

Geen beroepskarakter hebben.

De uitsluiting uit de berekeningsgrondslag van de aanvullende belastingen betreft dus niet de inkomsten van kapitalen die worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid en die op grond van art. 37, WIB 92, als beroepsinkomsten belastbaar zijn.

Afzonderlijk belast worden ingevolge art. 171, WIB 92.

De dividenden en interesten die tegen het progressieve tarief zijn belast omdat het stelsel van de volledige globalisatie voordeliger is voor de belastingplichtige, blijven dus steeds onderworpen aan de aanvullende belastingen als bedoeld in de art. 465 tot 470, WIB 92.

VI. AANGIFTE IN DE PB

10. Het aangifteformulier in de PB van aj. 2011 is aangepast zodat de dividenden en interesten die van PB/gem. en PB/agg. zijn vrijgesteld voortaan afzonderlijk kunnen worden aangegeven (deel 2 van de voorbereiding van de aangifte, vak XIV, code *444, *445 of *446, naargelang de inkomsten belastbaar zijn tegen 25%, 15% of 10%).

VII. INWERKINGTREDING

11. De art. 466, 466bis en 468, eerste lid, WIB 92, zoals ze zijn gewijzigd door respectievelijk de art. 39, 40 en 41, W. 14.4.2011, treden in werking vanaf aj. 2011 (cf. art. 43, derde lid, W. 14.4.2011).

Voor de Administrateur-generaal van de fiscaliteit dd.:

De Auditeur-generaal van financiën a.i..,

S. QUINTENS