Circulaire nr. Ci.RH.421/470.196 van 13.10.1995
CIRC 13.10.95/1
Bull. nr. 755, pag. 3089
VENNOOTSCHAPSBELASTING
Belastbare grondslag in de vennootschapsbelasting.
Belastbare grondslag in de vennootschapsbelasting.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1 en 2
INHOUDSTAFEL Nr I. INLEIDING.....................................................1 II. NIEUWE BOEKHOUDKUNDIGE BEPALINGEN A. Algemeen...................................................3 B. Draagwijdte van de wijzigingen.............................5 C. Voorbeelden................................................6 III. FISCALE WEERSLAG A. Waarderingsmethode vastrentende effecten...................7 B. Waardeverminderingen......................................10 IV. INWERKINGTREDING.............................................12 V. ARBITRAGEVERRICHTINGEN MET VASTRENTENDE BELEGGINGSEFFECTEN...13 Bijlagen 1 en 2 I. INLEIDING
1. Overeenkomstig de bepalingen van art. 27bis, § 3, KB 8.10.1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen, ingevoegd door art. 23, KB 12.9.1983 tot wijziging van dat KB (V 1692 - Bull. 622), werden vastrentende effecten in de balans opgenomen voor hun aanschaffingswaarde.
Luidens art. 29, § 2, 2de lid, KB 8.10.1976, werden op de vastrentende effecten waardeverminderingen toegepast, zo er voor het geheel of een gedeelte van die effecten onzekerheid bestaat over de betaling hiervan op de vervaldag.
De waardeverminderingen mogen volgens de bepalingen van art. 19, 6e lid, KB 8.10.1976 evenwel niet worden gehandhaafd in de mate waarin ze op het einde van het boekjaar hoger zijn dan wat vereist is volgens een actuele beoordeling.
Op fiscaal vlak worden effecten gewaardeerd voor hun aanschaffings- of beleggingswaarde tenzij hun verkoopwaarde lager is. Om de verkoopwaarde te berekenen van op de beurs genoteerde effecten mag de beurskoers in aanmerking worden genomen. De verkoopwaarde van de niet ter beurs genoteerde effecten moet overeenstemmen met hun waarschijnlijke handelswaarde tot stand gebracht in normale omstandigheden.
2. Art. 4, KB 30.12.1991 tot wijziging van artikel 12, § 2, W 17.7.1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen en van sommige uitvoeringsbesluiten van die wet (V 2154 - Bull. 714), heeft het voormelde art. 27bis, § 3 grondig gewijzigd wat betreft de waardering van vastrentende effecten.
Deze circulaire behandelt de fiscale weerslag van die gewijzigde boekhoudkundige regels.
II. NIEUWE BOEKHOUDKUNDIGE BEPALINGEN
A. Algemeen
3. De huidige tekst van art. 27bis, § 3, KB 8.10.1976 luidt als volgt:
"De vastrentende effecten worden gewaardeerd op grond van hun aanschaffingswaarde. Wanneer evenwel hun actuariële rendement berekend bij de aankoop, met inachtneming van hun terugbetalingswaarde op vervaldag verschilt van hun nominale rendement, wordt het verschil tussen de aanschaffingswaarde en de terugbetalingswaarde pro rata temporis voor de resterende looptijd van de effecten in resultaat genomen als bestanddeel van de renteopbrengst van deze effecten en, naar gelang van het geval, toegevoegd aan of afgetrokken van de aanschaffingswaarde van de effecten.
De inresultaatneming van dit verschil geschiedt op geactualiseerde basis, uitgaande van het actuariële rendement bij aankoop.
De ondernemingen hebben echter de mogelijkheid om:
| 1° | het verschil tussen de aanschaffingswaarde en de terugbetalingswaarde op lineaire basis pro rata temporis in resultaat te nemen; |
| 2° | de vastrentende effecten voor hun aanschaffingswaarde in de balans te behouden wanneer de weerslag van de inresultaatneming van het actuariële rendement van de effecten ten opzichte van de inresultaatneming van het louter nominale rendement, te verwaarlozen zou zijn. |
Het eerste en tweede lid zijn van toepassing op effecten met een rendement dat, volgens de uitgiftevoorwaarden, uitsluitend voortkomt uit het verschil tussen de uitgifteprijs en de terugbetalingswaarde."
De wijziging die in het voormelde art. 27bis wordt aangebracht geldt overeenkomstig art. 48bis, § 3, KB 8.10.1976 (ingevoegd door art. 8, KB 30.12.1991) slechts voor effecten die zijn verworven na 31.12.1991.
| 4. | Een gelijkaardige bepaling is opgenomen in: |
- enerzijds art. 35ter, § 4, KB 23.9.1992 op de jaarrekening van kredietinstellingen (V 2200 - Bull. 722) m.b.t. de vastrentende effecten in de beleggingsportefeuille;
- en anderzijds art. 27bis, § 3, KB 17.11.1994 betreffende de jaarrekening van verzekeringsondernemingen (V 2349 - Bull. 746).
B. Draagwijdte van de wijzigingen
5. In het verslag aan de Koning is met betrekking tot de wijziging van art. 27bis, § 3, KB 8.10.1976, het volgende vermeld:
"De wijziging in het fiscale stelsel voor gerealiseerde meerwaarden op vastrentende effecten door de wet van 22 december 1989 houdende fiscale bepalingen neemt - althans voor andere effecten dan bewijzen van de Belgische openbare schuld die zijn uitgegeven vóór 31 december 1989 - de voornaamste fiscale hinderpaal weg voor een inresultaatneming van de opbrengst van deze effecten op grond van hun actuariële rendement dat werd berekend in functie van hun aanschaffingswaarde en niet uitsluitend op grond van hun nominale rendement. Vroeger had de inresultaatneming van het actuariële rendement van effecten met een lagere aanschaffingswaarde dan de terugbetalingswaarde inderdaad tot gevolg dat de onderneming die deze effecten bezat geen aanspraak kon maken op een lagere aanslagvoet of belastingvrijdom voor bepaalde gerealiseerde meerwaarden.
Door de wijziging in het belastingstelsel kan de boekhoudkundige benadering in overeenstemming worden gebracht met de financiële en derhalve bedrijfseconomische benadering op het ogenblik dat de onderneming deze belegging verricht of de effecten verwerft. Als gevolg van de inresultaatneming op grond van het actuariële rendement zullen effecten met een zelfde actuarieel rendement dat echter voortvloeit uit een andere combinatie van aanschaffingswaarde en nominale rente, voortaan niet meer anders worden verwerkt in de jaarrekening. Tevens zullen bepaalde artificiële onregelmatigheden in de resultaten van de onderneming kunnen worden weggewerkt.
Als gevolg van de voorgestelde wijziging zal het verschil tussen de aanschaffingswaarde en de terugbetalingswaarde worden beschouwd als een (positieve of negatieve) op termijn betaalbare rente die de nominale rente zal vermeerderen of verminderen. Daartoe zal dit verschil worden omgerekend in een (positieve of negatieve) jaarlijkse rente. Deze wijziging geldt zowel voor leningen die een jaarlijkse rente opleveren als voor leningen met een rendement dat, overeenkomstig de uitgiftevoorwaarden, uitsluitend voortkomt uit het verschil tussen de uitgifteprijs en de terugbetalingswaarde.
Concreet gezien komt deze wijziging op het vlak van het resultaat neer op de inresultaatneming van het actuariële rendement dat is berekend op basis van de aanschaffingswaarde. Daartegenover staat dat de aanschaffingswaarde van de betrokken effecten of beleggingen (ten minste jaarlijks) zal worden aangepast door een verhoging (als de aanschaffingswaarde lager is dan de terugbetalingswaarde), door een vermindering (in de tegenovergestelde hypothese) ten belope van het verschil tussen het rendement dat is berekend op actuariële basis en het nominale rendement.
Krachtens artikel 27bis in limine, geschiedt de toepassing van deze regel onverminderd de regeling inzake waardeverminderingen opgezet door de artikelen 29, § 2, tweede lid, 31, tweede tot vierde lid en 19, 6° lid van het besluit van 8 oktober 1976.
De toepassing van de actuariële rentevoet en de dienovereenkomstige aanpassing van de aanschaffingswaarde leken evenwel niet vereist wanneer deze wijze een resultaatbepaling en waardering van de betrokken beleggingen, geen significante invloed heeft op het resultaat van de onderneming, in vergelijking met de methode waarbij de aanschaffingsprijs wordt gehandhaafd en enkel het nominale rendement in aanmerking wordt genomen."
C. Voorbeelden
6. Die nieuwe boekhoudkundige regels worden toegelicht in de voorbeelden die de Commissie voor Boekhoudkundige normen heeft opgenomen in de adviezen:
- nr 147/2, wat de waarderingsregels betreft m.b.t. obligaties, kasbons en andere soortgelijke effecten waarvan de inkomsten niet worden gekapitaliseerd (Bull. CBN nr 27 van februari 1992 - zie bijlage 1);
- nr 148/5, wat de waardering betreft van effecten waarvan de interesten worden gekapitaliseerd of van effecten die geen aanleiding geven tot een periodieke uitbetaling van interesten en die zijn uitgegeven met een disconto dat overeenstemt met de tot op de vervaldag van het effect gekapitaliseerde interest (kapitalisatie- en zerobons) (Bull. CBN nr 31 van december 1993 - zie bijlage 2).
III. FISCALE WEERSLAG
A. Waarderingsmethode vastrentende effecten
7. Bij ontstentenis van uitdrukkelijke andersluidende fiscale bepalingen, moeten de nieuwe boekhoudkundige regels van art. 27bis, § 3, KB 8.10.1976 eveneens op fiscaal vlak worden toegepast.
De belastingplichtigen hebben derhalve, zoals op boekhoudkundig vlak, de mogelijkheid om:
| a) | ofwel het verschil tussen de aanschaffingswaarde en de terugbetalingswaarde op de vervaldag op geactualiseerde basis pro rata temporis voor de resterende looptijd van de effecten in resultaat te nemen en, naar gelang het geval, toe te voegen aan of af te trekken van de aanschaffingswaarde van de effecten; |
| b) | ofwel het verschil tussen de aanschaffingswaarde en terugbetalingswaarde op lineaire basis pro rata temporis in resultaat te nemen en toe te voegen aan of af te trekken van de aanschaffingswaarde van de effecten. |
Bovendien is het, ook op fiscaal gebied, toegelaten de vastrentende effecten voor hun aanschaffingswaarde in de balans te behouden wanneer de weerslag van de inresultaatneming van het actuariële rendement van de effecten ten opzichte van de inresultaatneming van het louter nominale rendement te verwaarlozen zou zijn.
8. De door de onderneming gekozen waarderingsmethode moet in principe worden toegepast op het geheel van haar - vanaf een bepaalde datum verkregen - vastrentende effecten en, meer bepaald, zowel op de effecten die beneden als op die welke boven hun nominale waarde werden verkregen.
Evenwel:
- mag ten name van kredietinstellingen rekening worden gehouden met het onderscheid tussen de effecten behorende tot de handelsportefeuille en die behorende tot de beleggingsportefeuille (onderscheid ingevoerd door art. 35ter, u§ 1 tot 3, KB 23.9.1992);
- mag eveneens de bijzondere boekingswijze worden aanvaard die, respectievelijk in art. 45, § 5, 2e lid, KB 23.9.1992 (kredietinstellingen) en in art. 48, § 2, 2e lid, KB 17.11.1994 (verzekeringsondernemingen), is voorgeschreven in verband met effecten bedoeld in art. 513, WIB 92 (uiterlijk op 31.12.1989 uitgegeven overheidseffecten - zie circ. 8.7.1993, Ci.RH.421/433.775 - Bull. 730).
9. Te noteren daarentegen dat, vanaf het aj. 1995 en ingevolge de invoeging in het WIB 92 van een art. 362bis, voor effecten waarvan de inkomsten worden gekapitaliseerd of die geen aanleiding geven tot een periodieke uitbetaling van inkomsten en zijn uitgegeven met een disconto dat overeenstemt met de tot op de vervaldag van het effect gekapitaliseerde interest, de verlopen interesten in alle gevallen op actuariële basis pro rata temporis in resultaat moeten worden genomen (zie art. 73, W 6.7.1994 houdende fiscale bepalingen - V 2323, Bull. 742). Die bepaling zal in een afzonderlijke circulaire gecommentarieerd worden.
B. Waardeverminderingen
10. Die actuariële waardering van de effecten vormt geen beletsel voor het aanvaarden van waardeverminderingen wanneer de marktwaarde (de beurskoers voor beursgenoteerde effecten) lager is dan de overeenkomstig de nieuwe boekhoudkundige regels aangepaste aanschaffingswaarde. Die waardeverminderingen moeten worden teruggenomen in de mate dat ze op het einde van een later boekjaar hoger zijn dan wat vereist is volgens de actuele waardering op dat ogenblik.
Wat de praktische toepassing van die principes betreft kan opnieuw worden verwezen naar de voorbeelden in het advies nr 147/2 van de Commissie voor boekhoudkundige normen, kolommen 6 tot 8 (bijlage 1).
11. Behalve in de gevallen bedoeld in nr 7, 3e lid hiervoor, kan voor effecten waarop de nieuwe waarderingsregels van toepassing zijn niet meer worden aanvaard dat ondernemingen, in strijd met de boekhoudwet, eensdeels het verschil tussen de aanschaffingsprijs en de lagere beurskoers als waardevermindering boeken en anderdeels de effecten waarvan de beurskoers hoger is dan de aanschaffingsprijs tegen die aanschaffingsprijs op hun balans behouden.
In dergelijke gevallen moet het verschil tussen de geactualiseerde waarde en de aanschaffingsprijs van de laatstbedoelde effecten aan de belastbare winst worden toegevoegd.
IV. INWERKINGTREDING
12. Overeenkomstig art. 48bis, § 3, KB 8.10.1976, ingevoegd door art. 8, KB 30.12.1991, zijn de wijzigingen aangebracht aan art. 27bis van toepassing voor effecten die zijn verworven na 31.12.1991. Deze inwerkingtreding geldt in principe eveneens op fiscaal gebied.
Evenwel werd beslist dat op het fiscale vlak er zich niets tegen verzet:
- eensdeels, dat ondernemingen de nieuwe waarderingsregels, onder de in nr 8 hiervoor vermelde voorwaarden, reeds toepassen op de effecten die ze vóór 1.1.1992 hebben verkregen;
- anderdeels de nieuwe waarderingsregels slechts voor het eerst worden toegepast op de effecten die zijn verkregen tijdens het eerste boekjaar dat afsluit na de publicatie van deze circulaire.
V. ARBITRAGEVERRICHTINGEN MET VASTRENTENDE BELEGGINGSEFFECTEN
13. Zowel het KB 23.9.1992 op de jaarrekening van de kredietinstellingen als het KB 17.11.1994 betreffende de jaarrekening van verzekeringsondernemingen bevatten bepalingen inzake de boekhoudkundige verwerking van minder- en meerwaarden uit de verkoop van vastrentende beleggingseffecten in het kader van arbitrageverrichtingen.
Overeenkomstig de quasi gelijkluidende bepalingen van art. 35ter, § 5, KB 23.9.1992 (kredietinstellingen) en art. 27bis, § 4, KB 17.11.1994 (verzekeringsondernemingen) mogen de kredietinstellingen en de verzekeringsondernemingen "een waarderingsmethode gebruiken waarbij de minder- en meerwaarden uit de verkoop van vastrentende beleggingseffecten in het kader van arbitrageverrichtingen, gespreid in resultaat worden genomen samen met toekomstige opbrengsten uit de arbitrage.
In dit geval worden minder- of meerwaarden in de resultatenrekening tegengeboekt en in afwachting van hun toerekening opgenomen in de rekeningen waarin de gekochte effecten zijn geboekt. De betrokken minder- en meerwaarden worden op basis van het constante reële jaarlijkse rendement toegerekend aan de renteopbrengsten van vastrentende effecten, over de periode die loopt tot de dichtstbijzijnde vervaldag van de gekochte of verkochte effecten. Bij een latere verkoop van de gekochte effecten moet het resterende bedrag in de daarop betrekking hebbende correctierekening integraal worden verwerkt in het resultaat van het boekjaar waarin die verkoop heeft plaatsgehad, tenzij de verkoop geschiedt in het kader van een nieuwe arbitrage. In dit geval mag dat resterende bedrag overeenkomstig deze paragraaf gespreid in resultaat worden genomen, samen met de inkomsten uit de nieuwe arbitrage- verrichting, voor zover hierdoor de oorspronkelijke periode van verwerking in de resultatenrekening niet wordt verlengd.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder arbitrageverrichting verstaan, elke gecombineerde aan- en verkoop van vastrentende beleggingseffecten binnen een relatief korte tijdsspanne die een reële rendementsverbetering van de vastrentende beleggingseffecten tot gevolg heeft.
Indien het ontvangen nettobedrag uit de verkoop groter is dan het bestede bedrag voor de aankoop, inclusief de bijkomende kosten, dan wordt de betrokken minder- of meerwaarde, naar verhouding van het verschil tussen de verkoop- en aankoopbedragen in resultaten genomen.
Bij toepassing van deze paragraaf wordt dit vermeld in de gegevens die in de toelichting moeten worden verstrekt overeenkomstig artikel 15, tweede lid, van dit besluit."
14. Deze facultatieve regels druisen duidelijk in tegen het op fiscaal gebied geldende eenjarigheidsbeginsel dat inhoudt dat:
- meerwaarden moeten worden belast tijdens het belastbare tijdperk waarin ze worden verwezenlijkt;
- en minderwaarden slechts in aftrek van de winst mogen komen van het belastbare tijdperk waarin ze zijn geleden.
Die regels kunnen dan ook, in de huidige stand van zaken, op het fiscale vlak niet worden aanvaard.
NAMENS DE MINISTER:Voor de Directeur-generaal:De Auditeur-generaal,
M. PORRE
BIJLAGE 1
147/2 Inresultaatneming van het actuariële rendement van vastrentende effecten.
Het koninklijk besluit van 30 december 1991 heeft de wijze waarop het rendement van vastrentende effecten in resultaat moet worden genomen, grondig gewijzigd (De wijzigingen aangebracht door art. 4 van het KB van 30 december 1991 sluiten aan bij noot 2 in het advies 148/5, hierna.). In zijn gewijzigde vorm bepaalt artikel 27bis van het besluit van 8 oktober 1976 inderdaad dat de opbrengst van effecten verworven vanaf 1 januari 1992 niet langer in resultaat wordt genomen op basis van hun nominale rendement, maar op basis van hun actuariële rendement bij aankoop. Dit actuariële rendement vloeit voort uit het nominale rendement, enerzijds, en het verschil, op de vervaldag, tussen de aanschaffingswaarde en de terugbetalingswaarde van het effect in kwestie, anderzijds. Dit verschil maakt integraal deel uit van het rendement en wordt op geactualiseerde basis gespreid over de resterende looptijd van het effect. Voor elk boekjaar wordt de desbetreffende fractie van dit verschil in resultaat genomen als rente. De tegenwaarde wordt, naargelang van het geval, toegevoegd aan of afgetrokken van de aanschaffingswaarde. In verhouding tot de aldus bepaalde boekwaarde worden dan de te boeken of terug te nemen waardeverminderingen berekend.
Deze regel wordt evenwel op twee punten versoepeld:
| 1° | het actuariële rendement en bijgevolg de aanschaffingswaarde hoeven niet te worden aangepast wanneer het resultaat van de onderneming niet noemenswaardig wordt beïnvloed in vergelijking met de methode waarbij de aanschaffingsprijs wordt gehandhaafd en enkel het nominale rendement in resultaat wordt genomen; |
| 2° | het verschil tussen aanschaffingswaarde en terugbetalingswaarde mag ook op lineaire in plaats van op geactualiseerde basis pro rata temporis in resultaat worden opgenomen. |
Deze wijziging wordt toegelicht en verantwoord in het Verslag aan de Koning dat het bovenvermelde besluit van 30 december 1991 voorafgaat, waarnaar dan ook wordt verwezen.
Het ontwerp van besluit werd onderzocht door de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en daar werd een voorbeeld gegeven van hoe de nieuwe regeling op een jaarrekening moet worden toegepast. Het leek nuttig dit voorbeeld te publiceren en toe te lichten.
Op 20 september 1991 boden volgende twee Staatsleningen, met een vergelijkbare resterende looptijd, hetzelfde actuariële rendement bij aankoop: 9,44 % (Zonder rekening te houden met de aanschaffingskosten.):
- de lening 86/94, code 227 - rente 7,60 % betaalbaar op 29.09 verworven tegen 95,34 %;
- de lening 85/94, code 224 - rente 11,25 % betaalbaar op 14.05 verworven tegen 103,96 %.
Onder de vroegere regeling zouden beide leningen, met financieel hetzelfde actuariële rendement, zeer uiteenlopende boekhoudkundige resultaten hebben opgeleverd voor de onderneming die ze aankocht.
Voor de eerste lening werd in de resultatenrekening een jaarlijkse rente van 7,60 % geboekt en - tenzij bij vervroegde realisatie of daling van de beursnotering onder de aanschaffingswaarde - een meerwaarde van 4,65 % op het ogenblik van de terugbetaling.
Voor de tweede lening werd in de resultatenrekening een jaarlijkse rente van 11,25 % geboekt alsook een waardevermindering of een realisatieverlies ten belope van 3,96 % waarvan de tenlasteneming schommelde naargelang van de evolutie van de beursnotering.
In de nieuwe regeling uit het besluit van 30 december 1991 zouden beide leningen, indien aangekocht na 1 januari 1992, in de jaarrekening van de onderneming identieke resultaten opleveren.
Eerste voorbeeld:
Aankoop staatsfonds code 227 - 1986 - 1994 - coupondatum 29/09 - nominale rente = 7,60 %
Aankoopdatum = 20/09/91
Nominaal = 100.000, - BEF
Aankoopkoers = 95.34 en GEEN aankoopkosten worden verondersteld
Reëel rendement bij aankoop = 9,44 %
Datum 20.09.91 31.12.91 31.12.92 31.12.93 29.09.94 Aanschaffings- waarde (1) 95.340 95.340 95.340 95.340 95.340 Actuariële waarde(*) (2) 95.340 95.660 97.100 98.670 100.000 Actuariële op- waardering (3) - + 320 + 1.440 + 1.570 + 1.330 Cumul actuariële opwaardering (4) - + 320 + 1.760 + 3.330 + 4.660Resultatenreke- i2.111 i7.600 i7.600 i5.700 ning vóór beurs- - + 320 + 1.440 + 1.570 + 1.330 correcties (5) ------ ------- ------- ------- 2.431 9.040 9.170 7.030 Beurskoers (6) 95.340 96.000 96.500 99.000 100.000 Beurskoerscor- recties (**) (7) - - - 600 + 600 - Boekwaarde nà correcties (8) - 95.660 96.500 98.670 100.000 Totaalresul- taten (9) - 2.431 8.440 9.770 7.030 Ter vergelijking: Resultaten bij behoud v/d oor- spronkelijke aanschaffingswaarde i5.700 (**) (10) i2.111 i7.600 i7.600 MW+ 4.660 --------- 10.360 (*) D.i. de waarde bij actualisatie van de toekomstige inkomstenstroom tegen het actuariële rendement bij aankoop (= 9,44 %) verminderd met de gelopen niet vervallen interesten. (**) Toepassing van artikelen 29, § 2, tweede lid, 31, lid 2-4,19, lid 6 van het KB van 8 oktober 1976.
Tweede voorbeeld
Aankoop staatsfonds code 224 - 1985 - 1994 - coupondatum 14/05 - nominale rente = 11,25 %
Aankoopdatum = 20/09/91
Nominaal = 100.000, - BEF
Aankoopkoers = 103.96 en GEEN aankoopkosten worden verondersteld
Reëel rendement bij aankoop = 9,44 %
Datum 20.09.91 31.12.91 31.12.92 31.12.93 14.05.94 Aanschaffings- waarde (1) 103.960 103.960 103.960 103.960 103.960 Actuariële waarde (*) (2) 103.960 103.570 102.110 100.510 100.000 Actuariële af- waardering (3) - 390 - 1.460 - 1.600 - 510 Cumul actuariële afwaardering (4) - 390 - 1.850 - 3.450 - 3.960 Resultaten- i 3.125 i 11.250 i 11.250 i 3.281 rekening vóór - 390 - 1.460 - 1.600 - 510 beurscorrecties ------- -------- -------- ------- (5) 2.735 9.790 9.650 2.771 Beurskoers (6) 103.960 104.000 101.000 100.600 100.000 Beurskoers- correcties (**) (7) - - - 1.110 + 1.110 - Boekwaarde nà correcties (8) 103.960 103.570 101.000 100.510 100.000 Totaal resultaten (9) - 2.735 8.680 10.760 2.771 Ter vergelijking : Resultaten bij i 3.125 i 11.250 i 11.250 i 3.281 behoud van de W.R. - W.R.-2.960 W.R. - 400 W.R. - 600 oorspronkelijke --------- ---------- ---------- ---------- aanschaffings- 3.125 8.290 10.850 2.681 waarde (**) (10) (*) D.i. de waarde bij actualisatie van de toekomstige inkomstenstroom tegen het actuariële rendement bij aankoop (= 9,44 %) verminderd met de gelopen niet vervallen interesten. (**) Toepassing van artikelen 29, § 2, tweede lid, 31, lid 2-4, 19, lid 6 van het KB van 8 oktober 1976.
BIJLAGE 2
148/5 Actuarieel rendement op vastrentende effecten - aanpassing van de adviezen 137/5 en 148/4
Artikel 27bis, § 3 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 30 december 1991, bepaalt dat wanneer het actuariële rendement van vastrentende effecten berekend bij de aankoop, met inachtneming van hun terugbetalingswaarde op vervaldag, verschilt van hun nominaal rendement, het verschil tussen de aanschaffingswaarde en de terugbetalingswaarde pro rata temporis over de resterende looptijd van de effecten in resultaat wordt genomen als bestanddeel van de renteopbrengst, en naar gelang van het geval toegevoegd aan of afgetrokken van de aanschaffingswaarde van de effecten.
Dit principe geldt zowel voor de inschrijver of de koper als voor de emittent. Ingevolge voornoemde wijziging doorgevoerd door het KB van 30 december 1991, zijn de adviezen 137/5 en 148/4 achterhaald.
De Commissie heeft het nuttig geacht deze nieuwe waarderingsregels toe te lichten door aanpassing van het voorbeeld dat zij verstrekte in advies 148/4 (Bulletin nr. 25, juni 1990).
Hypothese : een kapitalisatiebon wordt uitgegeven en er wordt op ingeschreven voor 1.000.000, terugbetaalbaar na vijf jaar tegen 1.469.328. Het verschil tussen uitgifteprijs en terugbetalingsprijs stemt overeen met een actuarieel rendement van 8 %. De roerende voorheffing bedraagt 10 %.
De gekapitaliseerde rente bedraagt pro rato : na 1 jaar 80.000
2 jaar 166.400
3 jaar 259.712
4 jaar 360.489
5 jaar 469.328
Na drie jaar wordt de kapitalisatiebon overgedragen voor de prijs (kosten niet inbegrepen) van 1.205.000.
A) Boekingen bij de emittent :
Bij uitgifte :
55 Kredietinstellingen 1.000.000 aan 17 Schulden op meer dan één jaar 1.000.000 Na 1 jaar : 65 Financiële kosten 80.000 aan 17 Schulden op meer dan één jaar 80.000 Na 2 jaar : 65 Financiële kosten 86.400 aan 17 Schulden op meer dan één jaar 86.400 Na 3 jaar : 65 Financiële kosten 93.312 aan 17 Schulden op meer dan één jaar 93.312 Na 4 jaar : 65 Financiële kosten 100.777 aan 17 Schulden op meer dan één jaar 100.777 17 Schulden op meer dan één jaar 1.360.489 aan 42 Schulden op meer dan één jaar die binnen het jaar vervallen 1.360.489 Na 5 jaar : 65 Financiële kosten 108.839 aan 42 Schulden op meer dan één jaar die binnen het jaar vervallen 108.839 Bij de terugbetaling : 42 Schulden op meer dan één jaar die binnen het jaar vervallen 1.469.328 aan 453 Ingehouden voorheffingen 46.933 55 Kredietinstellingen 1.422.395 B) Boekingen bij de oorspronkelijke inschrijver : Bij de inschrijving : 52 Vastrentende effecten 1.000.000 aan 55 Kredietinstellingen 1.000.000 Na 1 jaar : 52 Vastrentende effecten 72.000 6700 Verschuldigde of gestorte belastingen en voorheffingen 8.000 aan 751 Opbrengsten uit vlottende activa 80.000 Na 2 jaar : 52 Vastrentende effecten 77.760 6700 Verschuldigde of gestorte belastingen en voorheffingen 8.640 aan 751 Opbrengsten uit vlottende activa 86.400 Na 3 jaar : 52 Vastrentende effecten 83.981 6700 Verschuldigde of gestorte belastingen en voorheffingen 9.331 aan 751 Opbrengsten uit vlottende activa 93.312 Bij de overdracht : 55 Kredietinstellingen 1.205.000 652 Minderwaarden op de realisatie van vlottende activa 28.741 aan 52 Vastrentende effecten 1.233.741 C) Boekingen bij de koper : Bij de verwerving : 52 Vastrentende effecten 1.205.000 aan 55 Kredietinstellingen 1.205.000 Het rendement voor de koper wordt dan : 2 1.205.000 x (1 + i) = 1.443.357 [= 1.469.328 - 25.971] 1/2 i = (1.443.357/1.205.000) - 1 = 9,44435 % en het actuariële rendement van het vierde jaar : 113.804 van het vijfde jaar : 124.553 Na 4 jaar : 52 Vastrentende effecten 103.726 6700 Verschuldigde of gestorte belastingen en voorheffingen 10.078 aan 751 Opbrengsten uit vlottende activa 113.804 Na 5 jaar : 52 Vastrentende effecten 113.669 6700 Verschuldigde of gestorte belastingen en voorheffingen 10.884 aan 751 Opbrengsten uit vlottende activa 124.553 Bij de terugbetaling : 55 Kredietinstellingen 1.422.395 aan 52 Vastrentende effecten 1.422.395 Aan de Commissie werd een alternatieve methode voorgesteld voor de boeking bij de koper, wanneer die aankoop, zoals in bovenstaand voorbeeld, geschiedt tegen een prijs die verschilt van de theoretische waarde van het effect, berekend op basis van de interestvoet zoals die voortvloeit uit de uitgiftevoorwaarden. Deze alternatieve methode heeft betrekking op de boeking van het effect bij aankoop tegen theoretische waarde, waarbij het verschil op een overlopende rekening wordt geboekt, naargelang van het geval, aan actief- of aan passiefzijde, en later gespreid in resultaat genomen over de resterende looptijd.
In bovenstaand voorbeeld, zou die boeking er dan als volgt uitzien (in de boeken van de koper) :
Bij de aankoop :
52 Vastrentende effecten 1.233.741 aan 55 Kredietinstellingen 1.205.000 493 Over te dragen opbrengsten 28.741 Na 4 jaar : 52 Vastrentende effecten 90.699 6700 Verschuldigde of gestorte belastingen en voorheffingen 10.078 aan 751 Opbrengsten uit vlottende activa 100.777 493 Over te dragen opbrengsten 13.027 aan 751 Opbrengsten uit vlottende activa 13.027 Na 5 jaar : 52 Vastrentende effecten 97.955 6700 Verschuldigde of gestorte belastingen en voorheffingen 10.884 aan 751 Opbrengsten uit vlottende activa 108.839 493 Over te dragen opbrengsten 15.714 aan 751 Opbrengsten uit vlottende activa 15.714 Bij de terugbetaling : 55 Kredietinstellingen 1.422.395 aan 52 Vastrentende effecten 1.422.395 In dit boekingsschema stemmen de boekingen bij de emittent overeen met die bij de koper. Er is een mechanische relatie tussen het bedrag van de roerende voorheffing en de rente op de hoofdsom, zonder rekening te houden met de in resultaatneming van het prijsverschil dat enkel betrekking heeft op de relaties tussen de verkoper en de koper.
Deze alternatieve boekingswijze heeft op resultaatniveau hetzelfde effect als de eerste methode : het verschil zit hierin, dat de effecten niet in de boekhouding worden opgenomen tegen aanschaffingswaarde, aangepast op basis van de gelopen interesten. Die waarde wordt uitgesplitst over twee balansposten.
Hoewel die methode minder nauw aansluit bij het voorschrift van artikel 27bis, § 3, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976, is de Commissie van oordeel dat zij ten gronde geen bezwaren oproept. Weliswaar moet, voor de toepassing van waardeverminderingen om rekening te houden met de marktwaarde, uiteraard het (algebraïsche) totaal van beide balansposten tegenover de marktwaarde worden geplaatst.
Bron: FisconetPlus
