Circulaire nr. 8 d.d. 06.07.2000
Burgerlijk Wetboek
- verjaringstermijnen
- wijziging
W.Reg., W.Succ., W.Zeg. en W.Taksen
Aanschrijvingen met betrekking tot artikel 60bis W.Succ.
- verjaringstermijnen
- wijziging
W.Reg., W.Succ., W.Zeg. en W.Taksen
Aanschrijvingen met betrekking tot artikel 60bis W.Succ.
AFZ/2000-0882 - Dos. 227
In het Belgisch Staatsblad van 17 juli 1998 werd de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, bekendgemaakt.
Bij gebrek aan een uitdrukkelijke bepaling, is deze wet in werking getreden tien dagen na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad, hetzij op 27 juli 1998.
Niettegenstaande sommige van de wijzigende bepalingen van de voornoemde wet ter gelegenheid van een bijwerking reeds in de verzameling L werden opgenomen, worden de belangrijkste artikelen van de wet hernomen (zie bijlage). Deze circulaire verstrekt een korte commentaar met betrekking tot de invloed van deze wet op het fiscaal recht (inzonderheid op het W.Reg., het W.Succ., het W.Zeg. en het W.Taksen). Naar aanleiding van deze wet dienen de circulaires met betrekking tot artikel 60bis W.Succ, (Vlaamse Gewest - Waalse Gewest - Brussels Hoofdstedelijk Gewest) te worden aangevuld respectievelijk gecorrigeerd.
1. Wijziging van de gemeenrechtelijke verjaringstermijn - invloed op het W.Reg., het W.Succ., het W.Zeg. en het W.Taksen.
Artikel 2262 BW, zoals vervangen door artikel 4 van de wet van 10 juni 1998, beperkt het toepassingsgebied van (de vroeger algemene) verjaringstermijn van 30 jaar tot alle zakelijke rechtsvorderingen.
Het nieuwe artikel 2262bis BW vormt voortaan het gemeen recht voor de verjaring van de persoonlijke vorderingen (artikel 5 van de wet). Als regel geldt dat persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van 10 jaar (artikel 2262bis, § 1, lid 1, BW). Voor de rechtsvorderingen tot vergoeding van schade die zijn gegrond op buitencontractuele burgerlijke aansprakelijkheid werd voorzien in een dubbele verjaringstermijn van 5 en 20 jaar (artikel 2262bis, § 1, lid 2 en 3, BW).
De artikelen 10 tot en met 12 van de wet bevatten de overgangsbepalingen. Deze zijn conform de algemeen aanvaarde beginselen in deze materie en houden onder meer in dat, zelfs indien de rechtsvordering is ontstaan vóór de inwerkingtreding van de wet, de nieuwe verjaringstermijnen slechts beginnen lopen vanaf de inwerkingtreding van de wet en dat de totale duur van de verjaringstermijn evenwel niet meer dan dertig jaar kan bedragen.
Wanneer in zaken met betrekking tot bepalingen uit de voornoemde fiscale wetboeken, bij gebrek aan specifieke fiscale verjaringstermijn (*), de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen van toepassing zijn, dan gelden sinds 27 juli 1998 de nieuwe termijnen. Dit betekent bijvoorbeeld dat de actio judicati - in dit geval de vordering tot uitvoering van een vonnis dat de opeisbaarheid van rechten of sommen erkent - verjaart na 10 jaar, te rekenen vanaf de datum van het vonnis. Ligt deze datum vóór de inwerkingtreding van de wet, dan dienen de overgangsbepalingen te worden toegepast.
[(*) Waarbij opgemerkt wordt dat in vele gevallen er wel een specifieke fiscale verjaringstermijn bestaat, die in bepaalde gevallen (o.a. artikel 214, 7°, W.Reg.) langer is dan de huidige gemeenrechtelijke termijn.
2. De circulaires met betrekking tot artikel 60bis W.Succ. (Vlaamse Gewest - Waalse Gewest - Brussels Hoofdstedelijk Gewest).
2.1. Artikel 60bis W.Succ. - Vlaamse Gewest.
Artikel 60bis W.Succ. - Vlaamse Gewest werd ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1997 (BS, 31 december 1996, 3de ed., err. BS 11 februari 1997 - aanschrijving nr. 1/1997) en gewijzigd bij decreet van 8 juli 1997 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1997 (BS, 22 oktober 1997 - aanschrijving nr. 2/1998), bij decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 (BS, 31 december 1998, 2de ed., - aanschrijving nr. 7/1999). Bij een autonome bepaling in het decreet van 18 mei 1999 houdende aanpassing van de middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 1999 (BS, 30 september 1999 - aanschrijving nr. 23/1999), werd bepaald dat de rechten, berekend overeenkomstig artikel 60bis van het Wetboek der Successierechten, worden verminderd tot nul. Uiteindelijk werd artikel 60bis W.Succ. bij decreet van 22 december 1999 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2000 (BS, 30 december 1999, 2de ed., - circulaire nr. 2/2000) herschreven als een vrijstellingsbepaling.
In aanschrijving nr. 1/1997 werd onder nummer 10.10. "Verjaring" gesteld dat bij gebrek aan nadere aanduiding in het decreet (van 20 december 1996 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1997 - van toepassing op alle nalatenschappen opengevallen sedert 1 januari 1997) de verjaringstermijn voor de invordering van de sommen, verschuldigd in geval van niet naleving van de voor het behoud van het verlaagd tarief van artikel 60bis W.Succ. gestelde voorwaarden, de gemeenrechtelijke verjaringstermijn (d.i. 30 jaar) is. In de stand van de toen geldende wetgeving was de vermelde termijn van 30 jaar correct.
Aangezien ook de latere decreten geen specifieke fiscale verjaringstermijn hebben voorzien, wordt het principe, vermeld onder nummer 10.10, geacht impliciet deel uit te maken van de latere aanschrijvingen of circulaires. Ingevolge het nieuwe artikel 2262bis, lid 1, BW is de gemeenrechtelijke verjaringstermijn inzake alle persoonlijke rechtsvorderingen, met ingang van 27 juli 1998, datum van inwerkingtreding van de wet, verkort tot 10 jaar (eventueel dienen de overgangsbepalingen van de wet te worden toegepast, zie supra nr. 1). Bijgevolg dient nummer 10.10, vanaf de zojuist vermelde datum, in die zin te worden gelezen.
2.2. Artikel 60bis W.Succ. - Waalse Gewest.
Artikel 60bis W.Succ. - Waalse Gewest werd ingevoegd bij het programmadecreet van 17 december 1997 houdende verschillende maatregelen inzake belastingen, taksen en retributies, huisvesting, onderzoek, milieu, plaatselijke besturen en vervoer (BS, 27 januari 1998 - aanschrijving nr. 6/1998) en gewijzigd bij het programmadecreet van 16 december 1998 houdende verschillende maatregelen inzake belastingen, taksen, afvalwaterzuivering, plaatselijke besturen, ruimtelijke ordening en gewestelijke luchthavens (BS, 30 december 1998, 3de ed., - aanschrijving nr. 8/1999).
In aanschrijving nr. 6/1998 werd onder nummer 8 "Niet naleving van de voorwaarden gesteld dat bij gebrek aan enige aanwijzing hierover in het decreet, voor de invordering van de sommen verschuldigd in geval van niet-naleving van de voorwaarden voor het behoud van het verlaagd tarief, de verjaringstermijn van het gemeen recht (dertigjarige verjaring) toepasselijk is.
Gelet op de datum van inwerkingtreding van het nieuwe artikel 60bis W.Succ. - Waalse Gewest (van toepassing op nalatenschappen opengevallen vanaf 1 januari 1998), op de indienings- en betalingstermijn, op de jaarlijkse mededelingen betreffende de inachtneming van de voorwaarden tot behoud van de vermindering en op de datum van inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring (27 juli 1998), was de vermelde termijn van dertig jaar niet meer correct.
De derde alinea onder nummer 8 van de voormelde aanschrijving dient aldus als volgt te worden gecorrigeerd: "Bij gebrek aan enige aanwijzing hierover in het decreet, is voor de invordering van de sommen verschuldigd in geval van niet-naleving van de voorwaarden voor het behoud van het verlaagd tarief bedoeld in artikel 60bis W.Succ., de verjaringstermijn van het gemeen recht (tienjarige verjaring) toepasselijk."
2.3. Artikel 60bis W.Succ. - Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Artikel 60bis W.Succ. - Brussels Hoofdstedelijk Gewest werd ingevoegd bij de ordonnantie van 29 oktober 1998 houdende invoering van een verlaagd tarief van successierechten in geval van overdracht van kleine en middelgrote ondernemingen (BS, 9 december 1998, aanschrijving nr. 9/1999). Deze gunstregeling is van toepassing op de nalatenschappen opengevallen vanaf 1 januari 1999.
Bij de redactie van de bovengenoemde aanschrijving werd onder nummer 1.8. "Verlies van het verlaagd tarief - sanctie", de wet tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, over het hoofd gezien.
De tweede alinea van nummer 1.8. dient te worden vervangen door het volgende: "Bij toepassing van het gemeen recht bedraagt de verjaringstermijn voor de invordering van die sommen tien jaar."
Namens de Minister:
De adjunct-administrateur-generaal van de belastingen,
Jean-Marc DELPORTE
BIJLAGE
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 17 juli 1998
10 JUNI 1998. - Wet tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt:
Art. 2. Artikel 26 van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, gewijzigd bij de wet van 30 mei 1961, wordt vervangen als volgt:
"Art. 26. De burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf verjaart volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van schade. Zij kan echter niet verjaren vóór de strafvordering."
Art. 3. Artikel 27 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 30 mei 1961, wordt opgeheven.
Art. 4. Artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek wordt vervangen als volgt:
"Art. 2262. Alle zakelijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van dertig jaar, zonder dat hij die zich op deze verjaring beroept, verplicht is daarvan enige titel te vertonen of dat men hem de exceptie van kwade trouw kan tegenwerpen."
Art. 5. In hetzelfde Wet wordt een artikel 2262bis ingevoegd, luidende:
"Art. 2262bis. § 1. Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar.
In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.
De in het tweede lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan.
§ 2. Indien een in kracht van gewijsde gegane beslissing over een vordering tot vergoeding van schade enig voorbehoud heeft erkend, dan is de eis die strekt om over het voorwerp van dat voorbehoud vonnis te doen wijzen, ontvankelijk gedurende twintig jaar na de uitspraak."
Art. 8. In artikel 100, tweede lid, van de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit wordt het woord "dertigjarige" vervangen door het woord "tienjarige".
Overgangsbepalingen
Art. 10. Wanneer de rechtsvordering is ontstaan voor de inwerkingtreding van deze wet, beginnen de nieuwe verjaringstermijnen waarin zij voorziet slechts te lopen vanaf haar inwerkingtreding. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer dan dertig jaar bedragen.
Art. 11. Wanneer de rechtsvordering bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing verjaard is verklaard vóór de inwerkingtreding van deze wet, kan deze inwerkingtreding niet tot gevolg hebben dat een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen.
Art. 12. Indien de rechtsvordering tot vergoeding van de schade is ontstaan vóór de inwerkingtreding van deze wet maar de schade nadien verzwaart, begint de termijn van vijf jaar te lopen vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de verzwaring van de schade en de termijn van twintig jaar vanaf de inwerkingtreding van deze wet. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer dan dertig jaar bedragen.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 10 juni 1998.
ALBERT
Van Koningswege:
De Minister van Justitie,
T. VAN PARYS |
Met's Lands zegel gezegeld:
De Minister van Justitie,
T. AN PARYS |
Bron: FisconetPlus
