Circulaire AAFisc Nr. 24/2014 (nr. Ci.RH.233/615.736) dd. 16.06.2014
Algemene Administratie van de Fiscaliteit - Operationele Expertise en Ondersteuning
Dienst VENB
Vennootschapsbelasting/Belasting van niet-inwoners
Circulaire AAFisc Nr. 24/2014 (nr. Ci.RH.233/615.736) dd. 16.06.2014
Inkomstenbelastingen
Roerende voorheffing
Vastrentende effecten
Tussentijdse verhandelingen
Verminderingen - Overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting
Fiscaal regime dat van toepassing is op de inkomsten van vastrentende effecten van Belgische oorsprong die zijn verleend of toegekend aan een spaarder niet-inwoner en die zijn verkregen tussen twee vervaldagen - Herinnering aan de toe te passen principes - Arrest van 22.11.2013 van het Hof van Cassatie (nr. F.12.0068.F).
1. Deze circulaire herinnert aan de draagwijdte van de bepalingen van art. 19, § 2, 2e lid, WIB92, in het kader van het arrest nr. F.12.0068.F van 22.11.2013 van het Hof van Cassatie dat betrekking heeft op de belastingheffing van interesten van Belgische obligaties die door een Franse spaarder niet-inwoner werden verkregen tussen twee vervaldagen.
I. Belastingheffing van de inkomsten van Vastrentende effecten in geval van een tussentijdse overdracht van het effect: principes
2. Overeenkomstig art. 19, § 2, 2e lid, WIB 92, zijn de inkomsten van vastrentende effecten (obligaties, kasbons en andere soortgelijke effecten; zie art. 2, § 1, 8°, WIB 92) belastbaar ten name van elke opeenvolgende houder van de effecten in verhouding tot het tijdperk waarin hij houder is geweest.
Op basis van het WIB 92 heeft de overdracht van een effect van het type obligatie tussen twee vervaldagen van interesten dus als gevolg dat zowel de houder van het effect op de vervaldag als de verkoper belastbaar zijn op een gedeelte van het inkomen dat is toegekend of betaalbaar gesteld.
3. De door art. 19, § 2, 2e lid, WIB 92, ingevoerde regel inzake de verdeling van de roerende inkomsten is zowel van toepassing op rijksinwoners als op belastingplichtigen niet-inwoners die belastbaar zijn overeenkomstig de art. 227 e.v., WIB 92.
4. De RV is een wijze waarop de belasting wordt geheven (zie art. 249, WIB 92). Overeenkomstig art. 267, WIB 92, is de RV verschuldigd op het moment van de toekenning of de betaalbaarstelling van de inkomsten.
De inning van de RV op de vervaldag van de inkomsten heeft niet tot gevolg dat de draagwijdte van de bepalingen van art. 19, § 2, 2e lid, WIB 92, op basis waarvan de inkomsten die zijn toegekend op de vervaldag, in voorkomend geval, moeten worden verdeeld tussen de verschillende opeenvolgende houders van het effect, worden gewijzigd; de ingehouden RV kan bijgevolg betrekking hebben op de belasting die respectievelijk verschuldigd is door de verschillende belastingplichtigen die elk de bepalingen zullen kunnen toepassen die hen betreffen voor het gedeelte van het inkomen dat hen toekomt (vb. een aanvraag tot terugbetaling van de RV overeenkomstig art. 119, KB/WIB 92, een verrekening van de RV met de verschuldigde belasting).
5. De belastingplichtigen niet-inwoners zullen, in voorkomend geval, gebruik kunnen maken van de bepalingen van de overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting om de belasting die ten name van hen door de bronstaat wordt ingehouden, te voorkomen of te verminderen.
II. Arrest van 22.11.2013 van het Hof van Cassatie
6. Inzijn arrest van 23.11.2011 heeft het Hof van Beroep te Brussel geoordeeld dat de vermindering van de inhouding aan de bron, zoals voorzien in art. 16 van de Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting die is gesloten tussen België en Frankrijk, van toepassing was op het totale bedrag van het inkomen dat was toegekend aan de obligatiehouder op de vervaldag terwijl die laatste de obligatie verworven had tussen twee vervaldagen, en dat zonder rekening te houden met de bepalingen van art. 19, § 2, 2e lid, WIB 92, die het Hof niet van toepassing achtte op de problematiek inzake de RV.
7. Inzijn arrest van 22.11.2013 heeft het Hof van Cassatie de voorziening die door de Administratie was ingediend tegen het voormeld arrest van 23.11.2011 verworpen op grond van het feit dat het ingeroepen middel, dat enkel de schending van de bepalingen van het Belgische interne recht aanhaalt, terwijl het bestreden arrest haar beslissing baseert op art. 16 van de Overeenkomst tussen België en Frankrijk, ontoereikend is.
Die beslissing doet geen afbreuk aan het standpunt van de Administratie die zich niet kan neerleggen bij het arrest van 23.11.2011 dat, ondanks een overdracht van de obligaties, bij de stelling blijft dat de interesten volledig toekomen aan de houder van het effect op de vervaldag en dat bijgevolg de volledig ingehouden RV enkel betrekking heeft op die belastingplichtige. Een dergelijke benadering is niet in overeenstemming met de fiscale bepalingen van het interne recht, inzonderheid met de bepalingen van de art. 19, § 2, 2e lid, 228, § 2, 2° en 248, WIB 92, en houdt geen rekening met het verband dat er bestaat tussen de RV en die bepalingen.
8. Kortom, de vermindering die voorzien is in de bepalingen van de overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting kan enkel betrekking hebben op het gedeelte van de RV die is ingehouden op de vervaldag en die betrekking heeft op het gedeelte van de roerende inkomsten dat belastbaar is ten name van de betrokken belastingplichtige niet-inwoner, in verhouding tot het tijdperk waarin hij het effect bezat.
Op een andere manier handelen zou neerkomen op de toepassing van de bepalingen van desbetreffende overeenkomsten met betrekking tot een roerend inkomen dat belastbaar is ten name van een andere belastingplichtige, wat niet gefundeerd is.
Voor de Administrateur Grote Ondernemingen, tijdelijk belast met de functie van Administrateur-generaal van de Fiscaliteit,
R. ROSOUX
Adviseur-generaal dd. - Auditeur-generaal van financiën dd.
