Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 03.08.1990 (20e afl.)

CIRC 03.08.90/1

Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 03.08.1990 (20e afl.)


Bull. nr. 697, pag. 2268

AANSLAG PB
Berekening.

GEZINSLASTEN
Gehandicapten.

HERVORMINGSWET 1988
Gehandicapten.


Commentaar op de art. 6, § 1, tweede lid, §2, 2°, § 5 en § 6 en 35, W. 07.12.1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen (toeslag op de belastingvrije som voor gehandicapten).

TOESLAG OP DE BELASTINGVRIJE SOM VOOR GEHANDICAPTEN

INHOUDSTABEL I. WETTEKSTEN II/751 II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE II/752 tot 755 III.GEHANDICAPTE KINDEREN A. Algemeen II/756 B. Kinderen ten laste II/757 C. Gehandicapte kinderen ten laste (begripsomschrijving) II/758 D. Kinderen met een ontoereikendheid of vermindering van lichamelijke of psychische geschiktheid van ten minste 66 pct. 1. Bedoelde kinderen II/759 tot 761 2. Vaststelling van de handicap II/762 E. Andere zwaar gehandicapte kinderen II/763 IV. GEHANDICAPTE PERSONEN A. Algemeen II/764 tot 767 B. Bedoelde personen II/768 C. Het nieuwe stelsel van tegemoetkomingen aan gehandicapten 1. Gerechtigden II/769 2. Toekenning van de inkomenvervangende en de integratietegemoetkoming II/770 tot 771 3. Vaststelling van de handicap II/772 tot 775 D. Vaststelling van de handicap voor de toepassing van de PB 1. Gehandicapten in de zin van de W. 27.02.1987 II/776 2. RIZIV-invaliden II/777 3. Andere zwaar gehandicapten II/780 tot 782 V. VOOR TE LEGGEN BEWIJSSTUKKEN A. Algemeen II/783 1. Gehandicapte kinderen die recht geven op kinderbijslag II/784 2. Andere gehandicapte kinderen II/785 3. Gehandicapte personen a) Gehandicapten met een inkomensvervangende of een integratietegemoetkoming II/786 en 787 b) RIZIV-invaliden II/788 c) Andere gehandicapte personen II/789 d) Lijst van erkende bewijsmiddelen II/790 e) Personen die geen specifieke bewijsstukken kunnen voorleggen II/791 en 792 4. Handicap niet vastgesteld vóór de leeftijd van 65 jaar II/793 tot 795 B. Bijzonderheden i.v.m. het attest II/796 VI. INWERKINGTREDING A. Algemeen II/797 B. Overgangsmaatregelen 1. Gehandicapte personen en kinderen die geen recht geven op kinderbijslag als gehandicapt kind II/798 en 799 2. Kinderen die vroeger recht gaven op kinderbijslag als gehandicapt kind II/800 Bijlage : Formulier nr. 332 H I. WETTEKSTEN

Art. 6(*)


(*) Zoals aangevuld door art. 329, W. 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen

(B.S.29.12.1989).
II/751

§ 1. (tweede lid)

.......

Een kind dat voor ten minste 66 pct. getroffen is door ontoereikendheid of vermindering van lichamelijke of psychische geschiktheid wegens een of meer aandoeningen of overeenkomstig § 5 als gehandicapt wordt aangemerkt, wordt voor twee gerekend.

.......

§ 2. Bovendien worden de voornoemde bedragen verhoogd :



....
met 35.000 frank voor de gehandicapte alleenstaande, de echtgenoot of de in § 1, eerste lid, 4°, bedoelde persoon;
......

§ 5. Voor de toepassing van § 2, eerste lid, 2°, wordt als gehandicapt aangemerkt diegene van wie, ongeacht de leeftijd, is vastgesteld dat igevolge feiten overkomen en vastgesteld vóór de leeftijd van 65 jaar :



a)ofwel zijn fysieke of psychische toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd tot één derde of minder van wat een valide persoon door een of ander beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen;
b)ofwel zijn gezondheidstoestand een volledig gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid van ten minste 9 punten met zich brengt, gemeten volgens de handleiding en de medische sociale schaal van toepassing in het kader van de wetgeving met betrekking tot de tegemoetkomingen aan gehandicapten;
c)ofwel, na de periode van primaire ongeschiktheid bepaald in artikel 46 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, zijn verdienvermogen is verminderd tot een derde of minder, zoals bepaald in artikel 56 van dezelfde wet;
d)ofwel hij, ingevolge een administratieve of gerechtelijke beslissing, voor ten minste 66 pct. blijvend fysiek of psychisch gehandicapt of arbeidsongeschikt werd verklaard.
Paragraaf 2, eerste lid, 2°, is ook van toepassing op de handicap die, vóór de inwerkingtreding van deze paragraaf, is erkend overeenkomstig artikel 81, § 3, 1°, van hetzelfde Wetboek.

§ 6. De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wijst de instanties aan die de toestand van de in dit artikel bedoelde gehandicapten vaststellen.

.......

Art. 35




§1. In het Wetboek van de Inkomstenbelastingen worden opgeheven :
.......



19° artikel 81;
.......

Art. 39


Titel I van deze wet is van toepassing :



met betrekking tot ....... artikel 6, § 1, eerste en tweede lid, en § 2 tot § 7, de artikelen ....... 32 tot 35, ......., met ingang van het aanslagjaar 1990 (*);
.......



(*)Overeenkomstig art. 333, § 1, 1°, W 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen (B.S. 29.12.1989) is art. 329 van dezelfde wet eveneens van toepassing met ingang van het aj. 1990.
II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE

II/752
Gedurende jaren heeft de Administratie der directe belastingen grote moeilijkheden ondervonden bij de toepassing van de belastingverminderingen voor gehandicapten, inzonderheid omdat de fiscale begripsomschrijving niet was afgestemd op die van het voorheen vigerende sociaal recht. Bovendien was een wijziging noodzakelijk doordat de wet van 27.02.1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten op dat stuk totaal nieuwe begrippen heeft ingevoerd.

II/753
Art. 6, § 1, tweede lid, van de hervormingswet, dat stelt dat een gehandicapt kind voor twee wordt gerekend, neemt thans zonder meer het criterium over dat in de kinderbijslagwetgeving wordt gehanteerd.

De andere gehandicapten worden omschreven in het nieuwe (en inmiddels aangevulde) art. 6, § 5, eerste lis, van de hervormingswet; deze wetsbepaling is gedeeltelijk gebaseerd op de reeds genoemde wet van 27.02.1987 en op de Z.I.V.-wetgeving en regelt tevens de gevallen waarin de handicap bij administratieve of gerechtelijke beslissing is vastgesteld (meestal in een ander domein dan het fiscale).

II/754
Voortaan zal ook rekening worden gehouden met de handicap die na de leeftijd van 65 jaar is vastgesteld, mits die handicap het gevolg is van feiten welke vóór die leeftijd zijn overkomen en vastgesteld. A fortiori blijft het fiscale voordeel, dat wegens een blijvende handicap is verleend vóór de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, ook na die leeftijd behouden.

Bejaarden -d.w.z. personen die ten minste 65 jaar of ouder zijn- die pas na die leeftijd gehandicapt geraken, blijven echter van fiscale begunstiging uitgesloten, omdat het in de praktijk onmogelijk is uit te maken of de betrokkenen getroffen zijn door een ouderdomsverschijnsel dan wel door een handicap in de gebruikelijke zin van het woord.

II/755
De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde krijgt de bevoegdheid de instanties, die de toestand van de gehandicapte vaststellen, aan te wijzen (art. 6, § 6, van de hervormingswet).

Tenslotte wordt in een overgangsbepaling voorzien die inhoudt dat een vóór de inwerkingtreding van de hervormingswet op grond van art. 81, § 3, 1°, WIB vastgestelde handicap in de nieuwe regeling in aanmerking blijft komen.

III. GEHANDICAPTE KINDEREN

A. Algemeen

II/756
Bij de bepaling van de belastingvrije som wordt een bepaalde toeslag verleend voor kinderen ten laste (zie nr. I/24). Daarbij worden gehandicapte kinderen voor twee gerekend.

B. Kinderen ten laste

II/757
Voor de toepassing van art. 6 van de hervormingswet verstaat men onder "kinderen" :

  • de afstammelingen van de belastingplichtige en die van zijn echtgenoot (kinderen of geadopteerde kinderen van beiden of van één van hen, kleinkinderen, achterkleinkinderen);
  • de kinderen die de belastingplichtige volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft (BV kinderen van wie de ouders uit de ouderlijke macht zijn ontzet; andere kinderen dan zijn eigen kinderen, zelfs indien zij niet ouderloos zijn).


Het gaat derhalve niet steeds om minderjarigen.

De begrippen "volledig ten laste" en "hoofdzakelijk ten laste" zijn, wat kinderen betreft, niet gewijzigd door de hervormingswet; ter zake kan zonder meer worden verwezen naar de nrs. 77/25 tot 27, Com.IB

De algemene voorwaarden op om fiscaal gebied als ten last worden aangemerkt, blijven eveneens onveranderd, nl. :



1.deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aj.;
2.persoonlijk tijdens het belastbare tijdperk geen bestaansmiddelen hebben verkregen die meer dan 60.000 F netto bedragen;
3.geen bezoldigingen hebben verkregen die voor de belastingplichtige beroepskosten zijn.
C. Gehandicapte kinderen ten laste (begripsomschrijving)

II/758
Kinderen die voor twee worden geteld, zijn :



kinderen "die voor ten minste 66 pct. getroffen zijn door ontoereikendheid of vermindering van lichamelijke of psychische geschiktheid wegens één of meer aandoeningen"; dit criterium voor het vaststellen van de handicap wordt fiscaal gehanteerd voor kinderen die, gelet op hun leeftijd, normaal recht geven op kinderbijslag wegens hun hoedanigheid van gehandicapt kind;
andere gehandicapte kinderen :
a)kinderen met een verdienvermogen van één derde of minder;
b)kinderen met een vermindering van zelfredzaamheid van ten minste 9 punten;
c)kinderen die RIZIV-invalide zijn;
d)kinderen die bij administratieve of gerechtelijke beslissing voor ten minste 66 pct. blijvend fysiek of psychisch gehandicapt of arbeidsongeschikt zijn verklaard.
De sub 2° bedoelde criteria worden fiscaal gehanteerd voor het vaststellen van de handicap van (meestal volwassen) kinderen ten laste, die wegens hun leeftijd of om een andere reden geen recht (meer) geven op kinderbijslag wegens hun hoedanigheid van gehandicapt kind (zie evenwel nr. II/800).

D. Kinderen met een ontoereikendheid of vermindering van lichamelijke of psychische geschiktheid van ten minste 66 pct.

1. Bedoelde kinderen

II/759
Het in art. 6, § 1, tweede lid, in fine van de hervormingswet neergelegde begrip (voor ten minste 66 pct. getroffen zijn door ontoereikendheid of vermindering van lichamelijke of psychische geschiktheid wegens één of meer aandoeningen), is letterlijk overgenomen uit de kinderbijslagwetgeving, die dat begrip als criterium gebruikt om vast te stellen of een kind recht geeft op de bijkomende bijslag voor gehandicapte kinderen.

Er moet dan ook dezelfde betekenis aan gegeven worden voor de toepassing van de PB

II/760
Sinds de wet van 27.02.1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten in werking is getreden, wordt voor de toepassing van de wetgeving inzake kinderbijslag een onderscheid gemaakt tussen gehandicapte kinderen die vóór of na 01.07.1966 geboren zijn :

  • Gehandicapte kinderen die vóór 01.07.1966 geboren zijn


Deze kinderen geven, mits zij een ongeschiktheid van 66 pct. of meer hebben, recht op een bijkomende bijslag tot de leeftijd van 25 jaar; indien zij volledig ongeschikt zijn om enig beroep uit te oefenen of ten minste 66 pct. arbeidsongeschikt zijn en aan sommige bijzondere voorwaarden voldaan is, blijven zij zelfs na die leeftijd het recht op kinderbijslag behouden.

  • Gehandicapte kinderen die op 01.07.1966 of later geboren zijn


Deze kinderen geven, op voorwaarde dat zij getroffen zijn door een ongeschiktheid van ten minste 66 pct., recht op de bijkomende bijslag voor gehandicapte kinderen tot de leeftijd van 21 jaar (vanaf die leeftijd kunnen zij een tegemoetkoming als gehandicapte verkrijgen in het kader van de wet van 27.02.1987).

II/761
Voor de berekening van de PB worden voor twee geteld, de kinderen die volgens het in nr. II/760 bedoelde onderscheid wegens hun lichamelijke of psychische toestand in principe en op medische gronden aanspraak hebben op de bijkomende bijslag voor gehandicapte kinderen (ongeacht of zij al dan niet aan de andere toekenningsvoorwaarden voldoen).

2. Vaststelling van de handicap

II/762
De ontoereikendheid of vermindering van de lichamelijke of psychische geschiktheid van de sub nr. II/760 bedoelde kinderen wordt, na verzoek tot vaststelling bij de bevoegde kinderbijslaginstelling, bepaald door een geneesheer van de Dienst voor geneeskundige controle van het RIZIV.

De ontoereikendheid of vermindering van die geschiktheid wordt vastgesteld volgens de "Officiële Schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit", goedgekeurd bij de KB's van 20.03.1975, 02.07.1975 en 06.01.1976.

E. Andere zwaar gehandicapte kinderen

II/763
Hier worden de kinderen bedoeld die fiscaal (zie nr. II/757) als kind ten laste worden beschouwd, doch geen recht (meer) geven op kinderbijslag wegens hun hoedanigheid van gehandicapt kind (zie daaromtrent nrs. II/760 en 761).

Die kinderen (zie ook nr. II/758, 2°) worden fiscaal ook voor twee geteld, maar voor het overige worden op hen alle regels toegepast die hierna sub hoofdstuk IV zijn uiteengezet (zie evenwel nr. II/800).

IV. GEHANDICAPTE PERSONEN

A. Algemeen

II/764
Vanaf het aj. 1990 worden overeenkomstig art. 6, § 5, van de hervormingswet als gehandicapten aangemerkt, de personen van wie is vastgesteld;



a)ofwel dat hun lichamelijke of psychische toestand hun verdienvermogen heeft verminderd tot één derde of minder van wat een valide persoon door een of ander beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen;
b)ofwel dat hun gezondheidstoestand een volledig gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid van ten minste 9 punten met zich brengt, gemeten volgens de handleiding en de medische sociale schaal die van toepassing zijn in het kader van de wetgeving met betrekking tot de tegemoetkomingen aan gehandicapten;
c)ofwel dat, na de periode van primaire ongeschiktheid bepaald in art. 46 van de wet van 09.08.1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, hun verdienvermogen is verminderd tot een derde of minder, zoals bepaald in art. 56 van dezelfde wet;
d)ofwel dat zij, ingevolge een administratieve of gerechtelijke beslissing, voor ten minste 66 pct. blijvend fysiek of psychisch gehandicapt of arbeidsongeschikt zijn verklaard.
In een toeslag van 35.000 F op de belastingvrije som is voorzien (zie nr. 1/24) wanneer de belastingplichtige, zijn echtgenoot of een persoon te zijnen laste door een dergelijke handicap getroffen is.

II/765
De eerste twee criteria die fiscaal worden gehanteerd om uit te maken of iemand gehandicapt is, stemmen volledig overeen met die uit de wetgeving betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten ten laste van de Schatkist (zie wet van 27.01.1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, B.S. 01.04.1987, gewijzigd bij de programmawet van 22.12.1989 - art. 127 tot 140 - B.S. 30.12.1989).

II/766
Ingevolge de aanvulling van de hervormingswet door de W. 22.12.1989, worden eveneens als gehandicapten aangemerkt :

  • de RIZIV-invaliden (d.w.z. de personen die na de periode van één jaar van primaire ongeschiktheid wegens ziekte als invalide door het RIZIV worden erkend);
  • de personen die een administratieve of gerechtelijke beslissing voorleggen waaruit blijkt dat zij voor ten minste 66 pct. blijvend fysiek of psychisch gehandicapt of arbeidsongeschikt zijn verklaard.


Voor meer details wordt verwezen naar de nrs. II/777 en 778.

II/767
Ook de handicap van een kind kan aan de hand van de in II/764 vermelde criteria worden bepaald (cf. art. 6, § 1, tweede lid, in fine, van de hervormingswet), namelijk wanneer het geen recht (meer) geeft op kinderbijslag wegens zijn hoedanigheid van gehandicapt kind (zie nrs. II/760, 761 en 798).

B. Bedoelde personen

II/768
Fiscaal heeft art. 6, § 5, van de hervormingswet betrekking op :

  • gehandicapte alleenstaanden (belastingplichtigen vermeld in art. 1, 2°, van de hervormingswet);
  • gehandicapte echtgenoten (belastingplichtigen vermeld in art. 1, 1°, van de hervormingswet);
  • gehandicapte personen ten laste die niet als kinderen worden aangemerkt en vermeld zijn in art. 82, § 1, 3° tot 5°, WIB, nl. :
  • de ascendenten van de belastingplichtige en die van zijn echtgenoot (ouders, grootouders, enz.);
  • de zijverwanten tot en met de tweede graad van de belastingplichtige en die van zijn echtgenoot (broers en zusters van beide echtgenoten);
  • personen van wie de belastingplichtige volledig of hoofdzakelijk ten laste is geweest toen hij kind was.


C. Het nieuwe stelsel van tegemoetkomingen aan gehandicapten

1. Gerechtigden

II/769
De wet van 27.02.1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten (*) (in werking getreden op 01.07.1987) heeft het stelsel van de tegemoetkomingen aan gehandicapten grondig gewijzigd.



(*)Zoals gewijzigd door het KB nr. 536 van 31.03.1987 (B.S. 16.04.1987) en de art. 127 tot en met 139 van de Programmawet van 22.12.1989 (B.S.30.12.1989) die uitwerking hebben vanaf 01.11.1989 (cf. art. 140 van dezelfde wet).
De nieuwe regeling voorziet thans in drie tegemoetkomingen, nl. :

  • de inkomensvervangende tegemoetkoming die wordt toegekend aan gehandicapten wier verdienvermogen door hun lichamelijke of psychische toestand verminderd is tot één derde of minder van wat een valide persoon door een of ander beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen en die ertoe strekt het ontbrekende inkomen te vervangen of aan te vullen;
  • de integratietegemoetkoming die wordt toegekend aan gehandicapten wier zelfredzaamheid beperkt is, en die ertoe strekt de integratie van de gehandicapten in de maatschappij te bevorderen;
  • de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden die wordt toegekend aan gehandicapten die ten minste 65 jaar zijn, bij wie een gebrek aan of vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld en die geen recht hebben op een inkomensvervangende of op een integratietegemoetkoming (*).




(*)De tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden wordt verder buiten beschouwing gelaten, daar de betrokken gehandicapten in principe geen recht hebben op de toeslag op de belastingvrije som, vermits zij slechts na de leeftijd van 65 jaar door een handicap worden getroffen (zie evenwel nrs. II/780 tot 782, indien zij het bewijs hebben geleverd dat de na de leeftijd van 65 jaar vastgestelde handicap het gevolg is van vóór die leeftijd overkomen en vastgestelde feiten).
2. Toekenning van de inkomensvervangende en de integratietegemoetkoming

II/770
Beide tegemoetkomingen kunnen onder bepaalde voorwaarden toegekend worden aan gehandicapten van ten minste 21 jaar (of ermede gelijkgestelde gehandicapten (*)) en ten hoogste 65 jaar. De gehandicapte kan op de twee tegemoetkomingen aanspraak maken indien hij door beide beperkingen getroffen is.



(*)Met een gehandicapte van 21 jaar worden gelijkgesteld de door het huwelijk ontvoogde minderjarige gehandicapten en de ongehuwde minderjarige gehandicapten met één of meer kinderen ten laste (cf. art. 3, W. 27.02.1987).
De gehandicapte die recht heeft op een tegemoetkoming vóór hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, behoudt dat recht na die leeftijd.

De tegemoetkomingen worden slechts volledig toegekend aan personen van wie het inkomen een bepaalde grens niet overschrijdt. Het gedeelte van het inkomen dat die grens te boven gaat, wordt van het bedrag van de tegemoetkomingen afgetrokken.

II/771
Voor de gerechtigden uit de vorige sociale wetgeving is een bijzonder regeling uitgewerkt, die verschilt naargelang het recht van de betrokkenen op een tegemoetkoming vóór of na 01.01.1975 is ingegaan.

Die bijzondere regeling behelst het volgende :

  • voor gehandicapten wier recht op tegemoetkoming vóór 01.01.1975 is ingegaan, blijft het oude stelsel (wet van 27.06.1969) van toepassing, tenzij de nieuwe regeling (wet van 27.02.1987) voor hen voordeliger is (t.a.v. deze personen kan de toepassing van laatstbedoelde wet nooit leiden tot een verval van het recht op of tot een vermindering van de tegemoetkoming);
  • voor gehandicapten wier recht op tegemoetkoming is ingegaan tussen 01.01.1975 en 30.06.1987, zal de wet van 27.02.1987 toegepast worden naar aanleiding van de eerste herziening van hun dossier (de oude regeling blijft dus slechts tijdelijk op hen van toepassing)


3. Vaststelling van de handicap

II/772
De toekenning van de tegemoetkomingen in het kader van de wet van 27.02.1987 is o.m. afhankelijk van een medisch onderzoek, waarbij de handicap wordt vastgesteld.

II/773
Voor de vermindering van het verdienvermogen van de gehandicapte, die aanleiding geeft tot de toekenning van een inkomensvervangende tegemoetkoming, moet uit het medisch onderzoek blijken dat de lichamelijke of psychische toestand van de gehandicapte zijn verdienvermogen heeft verminderd tot één derde of minder van wat een valide persoon door een of ander beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen. De beschutte tewerkstelling wordt niet tot de algemene arbeidsmarkt gerekend. Het verdienvermogen wordt beoordeeld ten opzichte van het geheel van de andere tewerkstellingsmogelijkheden dan de beschutte tewerkstelling.

II/774
Het gebrek aan of de vermindering van de zelfredzaamheid, die aanleiding geeft tot de toekenning van een integratietegemoetkoming, moet eveneens blijken uit het medisch onderzoek en wordt gemeten aan de hand van een handleiding en van een medisch sociale schaal waarbij rekening gehouden wordt met 6 factoren.

Naargelang de graad van vermindering van de zelfredzaamheid zijn er 4 categorieën :

  • tot categorie I behoort de gehandicapte wiens vermindering van zelfredzaamheid op 7 of 8 punten wordt vastgesteld;
  • tot categorie II behoort de gehandicapte wiens vermindering van zelfredzaamheid op 9 tot 11 punten wordt vastgesteld;
  • tot categorie III behoort de gehandicapte wiens vermindering van zelfredzaamheid op 12 tot 14 punten wordt vastgesteld;
  • tot categorie IV behoort de gehandicapte wiens vermindering van zelfredzaamheid op ten minste 15 punten wordt vastgesteld.


De wijze van vaststelling van de handicap wordt uiteengezet in de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid en de daarin vervatte medisch-sociale schaal (zie M.B. van 30.07.1987 - B.S. van 06.08.1987).

II/775
De medische onderzoeken voor de toekenning van de inkomensvervangende en de integratietegemoetkoming worden verricht door een geneesheer van de Medische Dienst van het Ministerie van Sociale Voorzorg, door een geneesheer-inspecteur van de Dienst voor geneeskundige controle van het RIZIV of door een geneesheer daartoe aangewezen door de Minister van Sociale Voorzorg.

D. Vaststelling van de handicap voor de toepassing van de PB

1. Gehandicapten in de zin van W. 27.02.1987

II/776
De in art. 6, § 5, eerste lid, litt. a en b, van de hervormingswet neergelegde criteria voor de vaststelling van de handicap van de in die bepaling beoogde personen zijn identiek als die vermeld in de wetgeving betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten (Wet van 27.02.1987), zodat voor de sociale en de fiscale wetgeving dezelfde medische criteria in aanmerking komen.

De ander voorwaarden, inzonderheid van beperking van het inkomen, blijven fiscaal evenwel buiten beschouwing; uitsluitend de ernst van de handicap komt in aanmerking om uit te maken of iemands toestand het recht opent op een toeslag op de belastingvrije som.

Concreet wil dat zeggen dat fiscaal in aanmerking komen, de gehandicapten :

  • van wie het verdienvermogen verminderd is tot één derde of minder (hetgeen recht heeft op de inkomensvervangende tegemoetkoming);
  • van wie de vermindering van zelfredzaamheid ten minste 9 punten bedraagt (hetgeen recht geeft op een integratietegemoetkoming van de categorieën II, III of IV).


2. RIZIV-invaliden

II/777
RIZIV-invaliden in de zin van art. 6, § 5, eerste lid, litt. c, van de hervormingswet zijn degenen die als arbeidsongeschikt zijn erkend (d.w.z. elke werkzaamheid hebben onderbroken als rechtstreeks gevolg van het intreden van letsels of functionele stoornissen waarvan erkend wordt dat ze het verdienvermogen hebben verminderd tot een derde of minder dan een derde van wat een persoon van dezelfde stand en met dezelfde opleiding kan verdienen in dezelfde beroepscategorie -cf. art. 56 van de W. 09.08.1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering) en die na het tijdvak van één jaar primaire arbeidsongeschiktheid op 1 januari van het aanslagjaar als invalide door het RIZIV zijn erkend (1) (2).



(1)Tijdens de periode van invaliditeit verkrijgen de betrokkenen meestal een invaliditeitsuitkering ten laste van het RIZIV; zij ontvangen echter geen uitkeringen voor de perioden waarvoor zij recht hebben op een andere vergoeding (cf. art. K. 57, W. 09.08.1963). Het is evenwel de erkenning als "invalide" door de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit die het recht op de toeslag op de belastingvrije som doet ontstaan.
(2) Art. 56, W 09.08.1963 beoogt in feite alleen werknemers; zelfstandigen die bij toepassing van de art. 20 en 62 van het KB van 20.07.1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen als invalide door het RIZIV zijn erkend, hebben eveneens recht op de toeslag op de belastingvrije som.
De staat van primaire arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld door de adviserend geneesheer van het ziekenfonds of de geneesheer-inspecteur van de Dienst voor geneeskundige controle van het RIZIV. De Geneeskundige Raad voor invaliditeit stelt op basis van een door de adviserend geneesheer van het ziekenfonds opgemaakt verslag de staat van invaliditeit vast en bepaalt de duur ervan.

3. Andere zwaar gehandicapten

II/778
Zwaar gehandicapten in de zin van art. 6, § 5, eerste lid, litt. d, van de hervormingswet zijn personen die een administratieve of gerechtelijke beslissing kunnen voorleggen waaruit blijkt dat zij voor ten minste 66 pct. blijvend fysiek of psychisch gehandicapt of arbeidsongeschikt zijn verklaard.

Tot die laatste categorie behoren inzonderheid :

  • slachtoffers van een ongeval van gemeen recht over wier blijvende handicap of arbeidsongeschiktheid een definitieve gerechtelijke uitspraak is gedaan;
  • slachtoffers van arbeidsongevallen bij wie een blijvende arbeidsongeschiktheid is vastgesteld (1) (2);
  • slachtoffers van beroepsziekten bij wie een blijvende arbeidsongeschiktheid is vastgesteld (1);
  • militaire oorlogsinvaliden;
  • militaire invaliden uit vredestijd;
  • burgerlijke oorlogsslachtoffers, enz.




(1)Ongeacht of zij in de privé-sector, een overheidsdienst, de M.B.S., enz. werk(t)en.
(2)Wat de arbeidsongevallen betreft, wordt opgemerkt dat de periode van blijvende ongeschiktheid of invaliditeit een aanvang neemt op de datum van de consolidatie en de alsdan ingaande herzieningstermijn van 3 jaar omvat.
De administratieve of gerechtelijke beslissing waaruit de handicap of arbeidsongeschiktheid blijkt, wordt geconcretiseerd door het attest of bewijsstuk dat de betrokkenen moeten voorleggen (zie nr. II/790).

II/779
Uit de tekst van art. 6, § 5, eerste lid, litt. d, van de hervormingswet blijkt dat de fysieke of psychische handicap of arbeidsongeschiktheid van blijvende aard moet zijn.

Dit betekent dat een tijdelijke volledige of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte, arbeidsongeval, enz. op zichzelf geen recht geeft op de toeslag op de belastingvrije som.

Die regel is inzonderheid van toepassing voor :

  • personen die in het kader van het RIZIV als primair arbeidsongeschikt wegens ziekte zijn erkend;
  • slachtoffers van een arbeidsongeval dat slecht een tijdelijke volledige of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid tot gevolg heeft.


Personeelsleden van overheidsdiensten, die niet onder de ZIV-regeling vallen en die met ziekteverlof zijn of in disponibiliteit wegens ziekte zijn gesteld, kunnen uit dien hoofde strikt genomen geen aanspraak maken op de toeslag op de belastingvrije som. Billijkheidshalve worden zij echter op dezelfde wijze als RIZIV-invaliden behandeld zodra zij ononderbroken meer dan één jaar in de stand ziekteverlof of disponibiliteit wegens ziekte verkeren (en dit tot zij hun dienst hernemen).

E. Leeftijdsgrens

II/780
Personen die 65 jaar of ouder zijn, hebben geen recht op een toeslag op de belastingvrije som indien zij getroffen worden door een handicap die het gevolge is van een ongeval, een ziekte, een aandoening, enz. die hen na de leeftijd van 65 jaar is overkomen (*).



(*)Het spreekt evenwel vanzelf dat personen van 65 jaar en ouder van wie de zware handicap reeds vóór de leeftijd van 65 jaar is vastgesteld en die het vereiste bewijs van hun handicap hebben geleverd, ook na die leeftijd recht blijven hebben op de toeslag op de belastingvrije som voor gehandicapten, mits inmiddels de geldigheidsduur van het verstrekte attest of bewijsstuk van de handicap niet verstreken is.
Het feit dat de betrokkenen aanspraak hebben op de in nr. II/769, in fine bedoelde tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden doet geen recht ontstaan op de toeslag op de belastingvrije som.

Bij gebrek aan enige meer adequate maatstaf wordt de grens van 65 jaar als criterium voor het onderscheid tussen een echte handicap en ouderdomsverschijnselen in aanmerking genomen. Die leeftijdsgrens is te verklaren door het ingewikkelde vraagstuk van de handicaps van bejaarden, bij wie een ouderdomsverschijnsel vaak erg moeilijk te onderscheiden is van een echte handicap in de gebruikelijke zin van het woord (zie Kamer, gewone zitting 1988-1989, Stuk 597/7, blz. 107 en 108).

II/781
Op grond van art. 6, § 5, eerste lid, van de hervormingswet, kan de handicap van alleenstaanden, echtgenoten en andere personen ten laste dan kinderen echter ongeacht de leeftijd van de betrokkene worden vastgesteld, op voorwaarde dat de feiten die aanleiding hebben gegeven tot die handicap zijn overkomen en vastgesteld vóór de leeftijd van 65 jaar.

Deze wetsbepaling geeft een persoon wiens graad van handicap niet vóór zijn 65e verjaardag is vastgesteld, doch kan bewijzen dat die handicap het gevolg is van feiten die vóór de leeftijd van 65 jaar voorgevallen en vastgesteld zijn, de mogelijkheid om zijn graad van handicap nog na die leeftijdsgrens te laten vaststellen (zie Kamer, Commissieverslag, gewone zitting 1988-1989, stuk 597/7, blz. 107).

II/782
De aandacht wordt erop gevestigd dat die wetsbepaling niet geldt voor personen die vóór de leeftijd van 65 jaar getroffen waren door een handicap die te licht was om fiscaal in aanmerking te komen, maar wier toestand na die leeftijd derwijze verergerd is dat de fiscale norm bereikt wordt.

Aanvaarding van zulke gevallen zou niet alleen strijdig zijn met de bedoeling van de wetgever zoals deze in de hierboven aangehaalde passages uit de voorbereidende werken is verwoord, maar zou bovendien tot onoplosbare problemen inzake bewijsvoering leiden.

V. VOOR TE LEGGEN BEWIJSSTUKKEN

A. Algemeen

II/783
Het bewijs dat de handicap van kinderen of personen aan de in art. 6, § 1, tweede lid of § 5, eerste lid, van de hervormingswet gestelde voorwaarden beantwoordt, moet door de belastingplichtige worden geleverd. Het voor te leggen bewijsstuk verschilt volgens de hoedanigheid van de gehandicapte.

Uit het voor te leggen bewijsstuk moet blijken dat het een handicap of invaliditeit betreft die is ingetreden uiterlijk op één januari van het aanslagjaar.

1. Gehandicapte kinderen die recht geven op kinderbijslag

II/784
Het bewijs van de handicap kan uitsluitend worden geleverd aan de hand van een niet-vervallen attest(*), uitgereikt door de uitbetalende instelling (Rijksdienst voor kinderbijslag van werknemers, sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen, kinderbijslagfonds, enz.).

(*) Dat attest moet de geldigheidsduur vermelden.

Daarin wordt bevestigd dat het kind voor de toepassing van de kinderbijslagwetgeving voor ten minste 66 pct. getroffen is door ontoereikendheid of vermindering van lichamelijke of psychische geschiktheid, volledig ongeschikt is om enig beroep uit te oefenen, of ten minste 66 pct. arbeidsongeschikt is.

2. Andere gehandicapte kinderen

II/785
Het bewijs van de handicap moet worden geleverd zoals in het geval van gehandicapte personen (zie punt 3 hierna).

3. Gehandicapte personen

a) Gehandicapte met een inkomensvervangende of een integratietegemoetkoming

II/786
Wat gehandicapten met een inkomensvervangende en/of een integratietegemoetkoming betreft (*), moet het bewijs van de handicap uitsluitend worden geleverd aan de hand van een attest uitgereikt door de Dienst voor tegemoetkomingen aan gehandicapten van het Ministerie van Sociale Voorzorg, Zwarte Lievevrouwestraat 3c te 1000 Brussel.



(*)Voor de gerechtigden uit de vorige sociale wetgeving (W. 27.06.1969), voor wie een bijzondere regeling is uitgewerkt (zie nr. II/771), zal het door de Dienst voor tegemoetkomingen aan gehandicapten uitgereikte attest evenwel -zoals vroeger- de graad van ongeschiktheid vermelden.
II/787
Het door de voormelde dienst uitgereikte attest vermeldt :

  • de begindatum van de handicap (dat is de datum vanaf wanneer de gehandicapte aan de medische voorwaarden voldoet om een inkomensvervangende en/of integratietegemoetkoming te verkrijgen);
  • de geldigheidsduur van het attest (voor onbepaalde duur of tot een opgegeven datum);
  • de vermelding dat de betrokkene (gehandicapte persoon) aan de medische voorwaarden voldoet voor het verkrijgen van :
  • een inkomensvervangende tegemoetkoming;
  • een integratietegemoetkoming (categorie II, III of IV).


b) RIZIV-invaliden

II/788
Voor personen die als invalide door het RIZIV zijn erkend (*), wordt het bewijs van de invaliditeit geleverd :



(*)Die erkenning is slecht mogelijk na een jaar primaire ongeschiktheid van ten minste 66 pct. De betrokkene komt voor fiscale begunstiging in aanmerking indien hij op 1 januari van het aanslagjaar als invalide door het RIZIV is erkend.
  • ofwel door een vermelding op het fiche 281.12, die het invalidevolgnummer RIZIV opgeeft en waaruit blijkt dat de betrokkene op 1 januari van het aanslagjaar de hoedanigheid van RIZIV-invalide had (het invaliditeitspercent moet niet worden vermeld);
  • ofwel door een jaarlijks door het ziekenfonds uit te reiken attest houdende vermelding van de periode waarin de betrokkene als invalide door het RIZIV is erkend.


Voor personen met pensioen of brugpensioen die invaliditeitsuitkeringen (Z.I.V.) genoten op de datum waarop zij op ouderdomspensioen of brugpensioen zijn gesteld moet het bewijs van de invaliditeit worden geleverd door een eenmalig attest van het ziekenfonds, waarbij wordt bevestigd dat de betrokkene op de bedoelde datum de hoedanigheid van RIZIV-invalide bezat.

c) Andere gehandicapte personen

II/789
Andere gehandicapten dan de sub a en b hierboven bedoelde personen (gehandicapten waarvan sprake in de nrs. II/778 en 779) kunnen doorgaans het gevraagde bewijs van hun handicap leveren aan de hand van een attest of ander stuk uitgaande van een officiële of semi-officiële dienst die de gehandicapte een medisch onderzoek heeft laten ondergaan alvorens de betaling van een schadevergoeding of van zeker sociale tegemoetkomingen uit te voeren of te bevelen. Een lijst van de meest voorkomende gevallen is opgesomd in nr. II/790.

Indien de belastingplichtige aanbiedt het bewijs van de handicap te leveren door middel van een stuk, uitgaande van een officiële of semi-officiële dienst die niet opgenomen is in die lijst, legt de taxatiedienst de zaak met een beknopt verslag rechtstreeks voor aan het hoofdbestuur (directie II/3), dat een beslissing neemt (en eventueel de bedoelde lijst aanvult).

In andere gevallen, inzonderheid wanneer de betrokkene alleen een attest van de behandelende geneesheer voorlegt, wordt de procedure van de aanvraag om een geneeskundig onderzoek toegepast (zie nr. 77/63 tot 67, Com.IB en nrs. II/791 en 792 hierna).

d) Lijst van erkende bewijsmiddelen (*) (**)



(*)De voetnoten zijn na de lijst opgenomen.
(**)De voor te leggen bewijsstukken m.b.t. gehandicapte kinderen, gehandicapte personen met een tegemoetkoming ten laste van de Schatkist en RIZIV-invaliden worden respectievelijk in de nrs. II/784 en 785, II/786 en II/788 behandeld.
II/790
De volgende lijst is aangelegd ter uitvoering van het bepaalde in art. 6, § 6, van de hervormingswet. -------------------------------------------------------------------------- Beoogde personen Voor te leggen bewijsstuk(ken) -------------------------------------------------------------------------- 1. Slachtoffers van een ongeval |1. Afschrift van de definitief van gemeen recht waarover | geworden gerechtelijke uitspraak een gerechtelijke uitspraak is | waaruit de blijvende gedaan. | invaliditeitsgraad blijkt. | 2. Slachtoffers van arbeidsonge- |2. Attest van het Fonds voor vallen bij wie een blijvende | Arbeidsongevallen, Belliardstraat arbeidsongeschiktheid is | 35 te 1040 Brussel met vermelding vastgesteld. | van de graad van blijvende | arbeidsongeschiktheid (1). | 3. Slachtoffers van beroepsziek- |3. Vermelding op het fiche 281.14 ten bij wie een blijvende | van de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid is | arbeidsongeschiktheid op 1 januari vastgesteld. | van het aanslagjaar (2) of een | attest uitgereikt door het Fonds | voor Beroepsziekten, | Sterrenkundelaan 1 te 1030 Brussel, | met vermelding van de graad van | blijvende arbeidsongeschiktheid. | 4. Militaire oorlogsinvaliden. |4. Attest met vermelding van de | invaliditeitsgraad uitgereikt door | het Ministerie van Financiën | - Administratie der Pensioenen, Jan | Jacobsplein 10 te 1000 Brussel, dan | wel een afschrift van de laatste | ministeriële beslissing waarbij het | vergoedingspensioen werd toegekend, | of van de commissie voor | vergoedingspensioenen of door de | commissie van beroep voor | vergoedingspensioenen genomen | beslissing, mits deze laatste de | totale invaliditeitsgraad (3) | vermeldt. | 5. Militaire invaliden uit |5. Zoals sub 4. vredestijd. | | 6. Burgerlijke |6. Attest met vermelding van de oorlogsslachtoffers. | invaliditeitsgraad uitgereikt door | het Ministerie van Volksgezondheid | en Leefmilieu, Directie voor de | Pensioenen der Burgerlijke | Oorlogsgetroffenen, | Luchtscheepvaartsquare 31 te 1070 | Brussel. | 7. Invalide mijnwerkers. |7. Attest van een wettelijk erkende | voorzorgskas voor mijnwerkers | waaruit blijkt dat de betrokkene | een invaliditeitspensioen geniet | (4) of dat hij een blijvende | arbeidsongeschiktheid van ten | minste 66 pct. op de algemene | arbeidsmarkt heeft opgelopen. | 8. Zeelieden. |8. Attest van de Hulp- en | Voorzorgskas van de Zeevarenden | onder Belgische vlag, met | vermelding van de periode waarin de | betrokkene als invalide is erkend | (5) of indien hij het slachtoffer | is van een arbeidsongeval (1) of | beroepsziekte, een attest van | dezelfde kas met vermelding van de | graad van blijvende | arbeidsongeschiktheid. | 9. Personeelsleden van |9. Attest van de overheid die overheidsdiensten, slacht- | instaat voor de schadeloosstelling, offers van een arbeids- | met vermelding van de graad van ongeval of beroepsziekte. | blijvende arbeidsongeschiktheid | wegens arbeidsongeval (1) of | beroepsziekte. | 10. Personeelsleden van |10. Attest van de overheidsdienst overheidsdiensten die met | waarvan het personeelslid afhangt ziekteverlof zijn in of in | en waarin wordt bevestigd dat de disponibiliteit zijn gesteld. | betrokkene sedert meer dan 1 | jaar ononderbroken met ziekteverlof | is en/of in disponibiliteit is | wegens gezondheidsredenen (met | aanwijzing van de periode van | ziekteverlof en/of disponibiliteit) | 11. Personeelsleden van |11. Attest, door de Administratieve overheidsdiensten die met | Gezondheidsdienst uitgereikt vervroegd pensioen zijn | ingevolge art. 30. W. 05.05.1984 gesteld, hetzij wegens | houdende maatregelen tot lichamelijke ongeschiktheid, | harmonisering in de hetzij ambtshalve bij toe- | pensioenregelingen, waaruit blijkt passing van art. 83, W. | dat de betrokkene is getroffen door 05.08.1978 houdende | een blijvende algemene invaliditeit economische en budgettaire | van ten minste 66 pct. hervormingen. | | 12. Personeelsleden van de |12. Attest van het Gewestelijk N.M.B.S. | Geneeskundig Centrum waarbij | bevestigd wordt dat de betrokkene | sedert meer dan één jaar | ononderbroken arbeidsongeschikt | is wegens ziekte of, wanneer | hij het slachtoffer is van | een arbeidsongeval (1) of | beroepsziekte, een attest van | hetzelfde centrum met vermelding | van de graad van blijvende | arbeidsongeschiktheid. | 13. Personen aangesloten bij |13. Attest van de Dienst voor de Dienst voor Overzeese | Overzeese Sociale Zekerheid, Sociale Zekerheid (6). | Louizalaan 194, 1050 Brussel, | waarbij bevestigd wordt dat | de betrokkene sedert meer dan | één jaar ononderbroken | arbeidsongeschikt is wegens | ziekte, of, wanneer hij het | slachtoffer is van een | arbeidsongeval (1) of | beroepsziekte, een attest van | dezelfde dienst met vermelding | van de graad van blijvende | arbeidsongeschiktheid. | 14. Personen die : |14. Attest van de Administratieve - vrijstelling van luister- | Gezondheidsdienst. geld genieten (7); | - vermindering van B.T.W.- | tarief hebben bij de | aankoop en het onderhoud | van een personenwagen of | vrijstelling van in- | schrijvingstaks of ver- | keersbelasting (8). | | 15. Personen die ingevolge een |15. Attest van de Medische dienst handicap die hen vóór de | van het Ministerie van leeftijd van 65 jaar is | Sociale Voorzorg (9). overkomen : | - het voor deel van het | sociaal telefoontarief | hebben verkregen op grond | van een handicap van ten | minste 66 pct.; | - financiële voordelen inzake | huisvesting hebben | verkregen op grond van een | handicap van ten minste | 66 pct. | | 16. Personen die een Italiaans |16. Drukwerk (model 201) met de invaliditeitspensioen | vermelding Io/s, dat jaarlijks door genieten. | het "istituto Nazionale del | Previdenza Sociale" (I.N.P.S.) | wordt uitgereikt en dat het | jaarbedrag van de toekenningen in | Italiaanse lires vermeldt. | 17. Personen die in Nederland |17. Jaarlijks attest van de een uitkering ingevolge de | uitkerende instelling wet op de arbeidsongeschikt- | (Gemeenschappelijk heidsverzekering (W.A.O.) | Administratiekantoor of genieten. | Bedrijvenvereniging) met vermelding | van de betrokkene op 1 januari van | het aanslagjaar, ingevolge de | nevenbedoelde wet een uitkering | geniet op grond van een | arbeidsongeschiktheid van 66 pct. | of meer (10). -------------------------------------------------------------------------- (1) Voor een blijvende arbeidsongeschiktheid tijden de herzieningstermijn moet de geldigheidsduur van het attest worden vermeld. (2) De invaliditeitsgraad, vermeld op het door het Fonds voor Beroepsziekten (F.B.Z.) uitgereikte fiche 281.14 slaat alleen op de arbeidsongeschiktheid die het gevolg is van een erkende beroepsziekte en beantwoordt derhalve niet noodzakelijk aan de totale arbeidsongeschiktheid van de betrokkene. Voorbeeld :

Een mijnwerker lijdt aan twee ziekten waarvan er slechts één door het F.B.Z. als beroepsziekte wordt erkend. Voor die erkende ziekte wordt een invaliditeitsgraad van 35 pct. toegekend, terwijl de andere ziekte recht verleent op een invaliditeitspensioen ten laste van het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers (N.P.M.). Het F.B.Z. zal een fiche 281.14 uitreiken waarop een arbeidsongeschiktheid van 35 pct. wordt vermeld, terwijl door een erkende voorzorgskas voor mijnwerkers een sub nr. 7 bedoeld attest zal worden uitgereikt.



(3)De totale invaliditeitsgraad van oorlogsinvaliden en van militaire invaliden uit vredestijd kan verhoogd zijn wegens andere dan oorlogs- of dienstfeiten.
(4)Mijnwerkers genieten tijdens de eerste zes maanden arbeidsongeschiktheid wegens ziekte een vergoeding voor primaire ongeschiktheid (ten laste van het RIZIV). Daarna kunnen zij, wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan, een invaliditeitspensioen genieten ten laste van het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers (N.P.M.), pensioen dat wordt betaald door een erkende Voorzorgskas voor Mijnwerkers (zoniet blijven zij verder ten laste van het RIZIV). De betrokken mijnwerker wordt slechts geacht een duurzame invaliditeit te hebben indien de periode van arbeidsongeschiktheid met inbegrip van de primaire ongeschiktheid reeds ten minste 12 maanden loopt op 1 januari van het aanslagjaar.
De arbeidsongeschiktheid die voor een mijnwerker het recht opent op een invaliditeitspensioen ten laste van het N.P.M. wordt fiscaal met een invaliditeit van ten minste 66 pct. gelijkgesteld. Als attest geldt, naar gelang van het geval, een der volgende verklaringen :



1.Voor diegenen wier invaliditeitspensioen is ingegaan ten minste één jaar vóór 1 januari van het aanslagjaar en nog liep op laatstbedoelde datum :
"De Heer/Mevrouw (naam, voornaam, adres) geniet een invaliditeits- pensioen sedert" (datum en handtekening van de verantwoordelijke ambtenaar).

2.voor diegenen van wie het invaliditeitspensioen is ingegaan minder dan één jaar vóór 1 januari van het aanslagjaar en nog liep op laatstbedoelde datum :
"De Heer/Mevrouw (naam, voornaam, adres) heeft van ......... tot .......... een ziektevergoeding genoten, wegens arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 pct. op de algemene arbeidsmarkt. Hij/zij geniet sedert .......... een invaliditeitspensioen." (datum en handtekening van de verantwoordelijke ambtenaar). N.B. Dit attest heeft slechts zin indien de totale vermelde periode van werkonbekwaamheid reeds ten minste 12 maanden besloeg op 1 januari van het aanslagjaar.



3.Voor diegenen die vroeger een invaliditeitspensioen hebben genoten tot op het tijdstip dat zij op ouderdomspensioen zijn gegaan.

1e veronderstelling : betrokkene genoot eerst een invaliditeitspensioen en daarna een ouderdomspensioen; het invaliditeitspensioen is meer dan één jaar voor de 1e januari van het aanslagjaar ingegaan :
"De Heer/Mevrouw (naam, voornaam, adres) genoot sedert ........... een invaliditeitspensioen toen hij/zij op ............ tot het ouderdomspensioen werd toegelaten". (datum en handtekening van de verantwoordelijke ambtenaar). Voorbeeld : "De Heer X genoot sedert 01.10.1986 een invaliditeitspensioen Toen hij op 01.12.1987 tot het ouderdomspensioen werd toegelaten".

2e veronderstelling : zelfde toestand als in de 1e veronderstelling, maar het invaliditeitspensioen is minder dan één jaar voor de 1e januari van het aanslagjaar ingegaan : "De Heer/Mevrouw (naam, voornaam, adres) genoot sedert ...... een invaliditeitspensioen toen hij/zij op ..... tot het ouderdomspensioen werd toegelaten. Hij/zij genoot tevens van ..... tot ..... een ziektevergoeding wegens arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 pct. op de algemene arbeidsmarkt". (datum en handtekening van de verantwoordelijke ambtenaar). Voorbeeld : "De Heer X genoot sedert 01.02.1987 een invaliditeitspensioen toen hij op 01.12.1987 tot het ouderdomspensioen werd toegelaten. Hij genoot tevens van 01.07.1986 tot 31.01.1987 een ziektevergoeding wegens arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 pct. op de algemene arbeidsmarkt". Het attest zal geldig zijn vanaf het aanslagjaar 1988.



(5)De erkenning als invalide is slechts mogelijk na een jaar primaire ongeschiktheid van ten minste 66 pct. De betrokkene wordt geacht aan de voorwaarden te voldoen indien hij op 1 januari van het aanslagjaar als invalide is erkend.
(6)De noties "primaire ongeschiktheid" en "invaliditeit" uit de gewone ziekte- en invaliditeitsverzekering (zie voetnoot 5) komen niet voor in de regeling van de Overzeese Sociale Zekerheid.
(7)Uitgezonderd oorlogsinvaliden met een handicap van minder dan 66 pct.
(8)Uitgezonderd voor gehandicapten met een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en die geen 66 pct. bereikt.
(9)Dat attest vermeldt dezelfde gegevens als de attesten die voor fiscale doeleinden worden uitgereikt in het kader van de wetgeving betreffende tegemoetkomingen aan gehandicapten. Het is fiscaal alleen dienstig indien de begindatum van de handicap vóór de leeftijd van 65 jaar valt.
(10)Het betreft inzonderheid gewezen grensarbeiders.
e. Personen die geen specifieke bewijsstukken kunnen voorleggen.

II/791
Gehandicapten die een aanvraag hebben gedaan voor een inkomensvervangende of integratietegemoetkoming, doch die om andere dan medische redenen daarop geen recht hebben (BV omdat hun inkomen te hoog is of omdat zij reeds een gelijkaardige vergoeding verkrijgen) en dan ook geen medisch onderzoek hebben ondergaan, zomede gehandicapten die geen aanvraag voor een dergelijke tegemoetkoming hebben gedaan, maar van mening zijn dat zij voldoen aan de in art. 6, § 5, van de hervormingswet gestelde voorwaarden inzake handicap, kunnen hun handicap laten vaststellen door een geneesheer-inspecteur van het RIZIV of door een geneesheer van de Medische Dienst van het Ministerie van Sociale Voorzorg.

T.o.v. de bepalingen van art. 6, § 6, van de hervormingswet kan geen rekening worden gehouden met een attest van de behandelende geneesheer van de betrokkene.

II/792
De te volgen procedure is dezelfde als die welke voorheen werd toegepast. Het drukwerk 332H is echter aan de nieuwe toestand aangepast (zie bijlage).

4. Handicap niet vastgesteld vóór de leeftijd van 65 jaar

II/793
Het loutere feit dat het bewijs van de handicap niet is geleverd vóór de leeftijd van 65 jaar is geen reden om de toeslag op de belastingvrije som zonder meer te weigeren.

Behoudens het bewijs van de handicap zelf (dat uitsluitend kan worden geleverd door middel van een bewijsstuk als bedoeld in de nrs. II/786, 788 en 790) moet ook nog bewezen worden dat de zware handicap (zie nrs. II/776 tot 782) het gevolg is van feiten (ongeval, ziekte, enz.) die zijn voorgekomen en vastgesteld vóór de betrokkene 65 jaar oud was.

Het bewijs dat die feiten zijn overkomen en vastgesteld vóór de betrokkene 65 jaar oud was, kan door de gehandicapte worden geleverd door middel van alle bewijsstukken van het gemeen recht, inzonderheid documenten, medische of politieverslagen, vonnissen, enz.

De taxatieambtenaar moet aan de hand van de verstrekte bewijsstukken, die moeten dateren van vóór het tijdstip waarop de gehandicapte 65 jaar is geworden, nauwgezet nagaan of de aangevoerde feiten zijn overkomen vóór de betrokkene 65 jaar is geworden. Hij moet eveneens nagaan of de door de belastingplichtige voorgelegde medische verslagen (verslagen van specialisten, ziekenhuizen, enz. met uitsluiting evenwel van attesten van de behandelende huisarts) duidelijk aantonen dat de handicap als zwaar kan worden aangemerkt (d.w.z. een graad van ongeschiktheid die duidelijk hoog genoeg is om in aanmerking te komen voor de toekenning van de toeslag op de belastingvrije som) en dat die zware handicap zonder twijfel vóór de leeftijd van 65 jaar is opgetreden. Het spreekt vanzelf dat hij het medisch geheim moet eerbiedigen.

Indien de taxatieambtenaar niet met zekerheid kan uitmaken dat de graad van ongeschiktheid lager is dan vereist is voor de toekenning van de toeslag op de belastingvrije som, moet de beoordeling ervan worden overgelaten aan de geneesheer van de Medische Dienst van het Ministerie van Sociale Voorzorg (zie evenwel nr. II/795). Op de aanvraag om een geneeskundig onderzoek moet de vermelding "65-plusser - nr. II/795, circ. Ci.D.19/402.192" worden aangebracht.

II/794
De vragen om toepassing van de toeslag op de belastingvrije som moeten zonder meer worden verworpen :

  • indien blijkt dat de graad van ondergeschiktheid lager is dan vereist is voor de toekenning van die toeslag;
  • indien het een (hoog) bejaarde betreft met een verergering van een vroeger opgelopen lichtere handicap (zie nr. II/782).


II/795
In het bijzonder wordt de aandacht erop gevestigd dat de procedure van aanvraag om een geneeskundig onderzoek (zie nr. II/789) slecht uitzonderlijk mag worden toegepast en wat 65-plussers betreft in de praktijk moet worden beperkt tot gehandicapten die in de materiële onmogelijkheid verkeerden om hun handicap reeds vóór de leeftijd van 65 jaar te laten vaststellen (BV wegens het geringe tijdsverloop tussen het schadelijk feit dat aanleiding heeft gegeven tot de blijvende handicap en het bereiken van de leeftijdsgrens).

De taxatiedienst moet daarom eerst een strenge selectie doorvoeren aan de hand van de feitelijke gegevens van elk geval (zie nr. II/793) en dit om een overbelasting van de diensten van het Ministerie van Sociale Voorzorg en het RIZIV te voorkomen.

B. Bijzonderheden i.v.m. het attest

II/796
Er wordt aangestipt dat :

  • voor een gehandicapte die ouder is dan 65 jaar en eerst na die leeftijd als dusdanig erkend wordt, het attest moet vermelden dat de handicap het gevolg is van feiten overkomen en vastgesteld vóór die leeftijd (*);
  • het attest moet worden gevoegd bij de eerste aangifte waarin de gehandicapte als zodanig is vermeld en in het permanent dossier van de belastingplichtige moet worden geplaatst.




(*)De attesten van de Dienst voor tegemoetkomingen aan gehandicapten (zie nrs. II/786 en 787) vermelden evenwel slechts de begindatum van de handicap (die in de beoogde gevallen de datum is waarop de handicap van 66 pct. zoals blijkend uit het medisch onderzoek is ontstaan). Die begindatum van de handicap mag nooit na de leeftijd van 65 jaar van de gehandicapte vallen (ongeacht de datum van het medisch onderzoek en/of van het attest.
VI. INWERKINGTREDING

A. Algemeen

II/797
Overeenkomstig art. 39, eerste lid, 1°, van de hervormingswet, treden art. 6, § 1, tweede lid, § 5, en § 6, en art. 35, van diezelfde wet in werking met ingang van het aj. 1990 (inkomstenjaar 1989). Hetzelfde geldt voor art. 329, W. 22.12.1989 (zie art. 333, § 1, 1° van deze wet).

Inzonderheid voor personen van wie de handicap ingevolge feiten overkomen en vastgesteld vóór de leeftijd van 65 jaar slechts na die leeftijd is vastgesteld (zie nrs. II/780 tot 782 en 793 tot 795), kan de nieuwe regeling nooit gevolgen hebben voor de aanslagjaren 1989 en vorige.

B. Overgangsmaatregelen



1.Gehandicapte personen en kinderen die geen recht geven op kinderbijslag als gehandicapt kind
II/798
Overeenkomstig art. 6, § 5, laatste lid, van de hervormingswet, wordt de toeslag van 35.000 F op de belastingvrije som ook verleend voor gehandicapte alleenstaanden, echtgenoten en personen ten laste, wanneer hun handicap reeds vóór de inwerkingtreding van de hervormingswet is erkend op grond van het nu opgeheven art. 81, § 3, 1°, WIB

Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor het dubbel tellen van kinderen van wie de handicap in de nieuwe regeling normalerwijs overeenkomstig art. 6, § 5, van de hervormingswet wordt vastgesteld.

Dit betekent dat voor personen voor wie de belastingvermindering van 8.000 F wegens handicap reeds i.v.m. het aj. 1989 is verkregen, en voor kinderen die voor hetzelfde aanslagjaar voor twee zijn geteld, zonder nieuwe formaliteiten het recht verkregen wordt op de toeslag van 35.000 F op de belastingvrije som of op de dubbeltelling als kind ten laste, mits uiteraard het door de bedoelde gehandicapten verstrekte attest of bewijsstuk van de handicap (zie nr. 77/68, Com.IB) nog geldig is (d.w.z. dat de geldigheidsduur ervan niet verstreken is).

II/799
Het bepaalde in nr. II/798 is evenwel niet van toepassing wanneer de belastingvermindering destijds is toegestaan uit hoofde van een tijdelijke ongeschiktheid waaraan inmiddels een einde is gekomen of op grond van een bewijsstuk dat slechts voor dat aanslagjaar geldig was, zoals BV een RIZIV-invalide die opnieuw arbeidsgeschikt is bevonden.



2.Kinderen die vroeger recht gaven op kinderbijslag als gehandicapt kind
II/800
Kinderen die vóór 01.07.1966 geboren zijn en die reeds vóór 01.01.1990 de leeftijd van 25 jaar hebben bereikt (tenzij zij recht zouden hebben op kinderbijslag als gehandicapt kind zonder leeftijdsbeperking) en kinderen die op 01.07.1966 of later geboren zijn en vóór 01.01.1990 de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, hebben op laatstbedoelde datum geen recht meer op kinderbijslag wegens hun hoedanigheid van gehandicapt kind (zie ook nr. II/760).

Wanneer voor het aj. 1989 of voor een vorig aj. een niet-vervallen attest (zie erop vermelde geldigheidsduur) van de instelling die de kinderbijslagen uitbetaalde, de handicap van een kind ten laste bewees, mag dat niet- vervallen attest, dat op basis van een door een geneesheer van het RIZIV uitgevoerd medisch onderzoek is opgesteld, verder als bewijs van de handicap worden aanvaard.

Het voormelde niet-vervallen attest mag eveneens verder als bewijs van de handicap worden aanvaard voor kinderen die om andere redenen dan hun leeftijd geen recht meer geven op kinderbijslag wegen hun hoedanigheid van gehandicapt kind (BV kinderen die het recht op kinderbijslag hebben verloren ingevolge het uitoefenen van een winstgevende activiteit of het verkrijgen van een sociale uitkering die uit die activiteit voortvloeit), en zulks ongeacht of die kinderen al dan niet fiscaal ten laste zijn.

Bijlage


MINISTERIE VAN FINANCIEN / Administratie der directe belastingen (datum) Gemeente : ................. Referte : .................. Aanslagjaar : .............. Inkomsten van : ............ M In uw aangifte in de personenbelasting over het bovenvermelde aanslagjaar hebt U één of meer personen als zwaar gehandicapt vermeld (toepassing van artikel 6, § 1, tweede lid, §§ 5 en 6, van de wet van 7 december 1988). Opdat zou kunnen worden uitgemaakt of uw aangifte op dat stuk juist is, gelieve U mij binnen een maand na de datum van verzending van dit formulier de met een kruisje gemerkte documenten te verstrekken : [] een uittreksel uit de bevolkingsregisters met de samenstelling van uw gezin op 1 januari 19...; [] een opgave van de bestaansmiddelen van de persoon (personen) die U als zwaar gehandicapt hebt opgegeven; [] het bewijs van de zware handicap. Laatstbedoeld bewijs kan o.m. worden geleverd door : - een niet vervallen attest waarin de uitbetalende instelling bevestigt dat de persoon in kwestie voor de toepassing van de kinderbijslagwet- geving voor ten minste 66 pct. getroffen is door een ontoereikendheid of vermindering van lichamelijke of psychische geschiktheid, volledig ongeschikt is om enig beroep uit te oefenen, of ten minste 66 pct. arbeidsongeschikt is; - een niet vervallen attest van de Dienst voor Tegemoetkomingen aan gehandicapten, Zwarte Lievevrouwestraat 3c te 1000 Brussel, met vermelding dat de betrokkene (gehandicapte persoon) aan de medische voorwaarden voldoet om een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming (categorie II, III of IV) te verkrijgen, of door een arbeidsongeschiktheid of een invaliditeit van ten minste 66 pct. is getroffen; - een attest van het ziekenfonds met vermelding van de periode waarin de betrokkene, na de periode van één jaar van primaire ongeschiktheid, als invalide is erkend of waarbij wordt bevestigd dat de betrokkene de hoedanigheid van 66 pct. RIZIV-invalide bezat op de datum van ingang van zijn/haar ouderdoms- of brugpensioen; - een afschrift van een definitief geworden gerechtelijke uitspraak waaruit de blijvende invaliditeitsgraad blijkt; - voor de slachtoffers van arbeidsongevallen met een blijvende arbeidsongeschiktheid, een attest van het Fonds voor Arbeidsongevallen waaruit de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid blijkt, uitgereikt hetzij door zijn Gewestelijk bureau, Olijftakstraat 7-13 te 2000 Antwerpen, voor zeelieden en gewezen zeelieden van de koopvaardij, hetzij door zijn Gewestelijk bureau, Kantinestraat 3 te 8400 Oostende, voor zeelieden en gewezen zeelieden van de zeevisserij, hetzij door zijn Centraal Bestuur, Belliardstraat 35 te 1040 Brussel, in andere gevallen; - een attest van het Fonds voor de Beroepsziekten, Sterrenkundelaan 1 te 1030 Brussel, met vermelding van de graad van blijvende arbeids- ongeschiktheid; - voor militaire oorlogsinvaliden en militaire invaliden uit vredestijd, een attest met vermelding van de invaliditeitsgraad, uitgereikt door het Ministerie van Financiën, Administratie der Pensioenen, Jan Jacobsplein 10 te 1000 Brussel, ofwel een afschrift van de laatste ministeriële beslissing waarbij het vergoedingspensioen werd toegekend, of van de door de commissie voor vergoedingspensioenen of de door de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen genomen beslissing met vermelding van de totale invaliditeitsgraad; - voor burgerlijke oorlogsslachtoffers, een attest met vermelding van de invaliditeitsgraad, uitgereikt door het Ministerie van Volksgezondheid en Leefmilieu, Directie voor de Pensioenen der Burgerlijke Oorlogs- getroffenen, Luchtscheepsvaartsquare 31 te 1070 Brussel; - voor invalide mijnwerkers, een attest van een wettelijk erkende voorzorgskas voor mijnwerkers waaruit blijkt dat de betrokkene een invaliditeitspensioen geniet of dat hij een blijvende arbeids- ongeschiktheid van ten minste 66 pct. op de algemene arbeidsmarkt heeft opgelopen; - voor zeelieden, een attest van de Hulp- en Voorzorgskas voor Zeevarenden onder Belgische vlag, met vermelding van de periode waarin de betrokkene als invalide is erkend of indien zij het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval of beroepsziekte, een attest van dezelfde kas met vermelding van de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid; - voor personeelsleden van de overheidsdiensten die het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval of beroepsziekte, een attest van de overheid die instaat voor de schadeloosstelling, met vermelding van de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid; - voor personeelsleden van de overheidsdiensten die met ziekteverlof zijn of in disponibiliteit zijn gesteld, een attest van de overheidsdienst waarvan het personeelslid afhangt, en waarin wordt bevestigd dat de betrokkene sedert meer dan één jaar op ononderbroken wijze met ziekteverlof is en/of in disponibiliteit wegens gezondheidsredenen is gesteld (met aanwijzing van de periode van ziekteverlof en/of disponibiliteit); - voor personeelsleden van de overheidsdiensten die met vervroegd pensioen zijn gesteld, hetzij wegens lichamelijke ongeschiktheid, hetzij ambtshalve overeenkomstig artikel 83 van de wet van 5 augustus 1987 houdende economische en budgettaire hervormingen, een attest door de Administratieve Gezondheidsdienst uitgereikt ingevolge artikel 30 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, waaruit blijkt dat de betrokkene is getroffen door een blijvende algemene invaliditeit van ten minste 66 pct.; - voor personeelsleden van de N.M.B.S. een attest van het Gewestelijk Geneeskundig Centrum waarbij bevestigd wordt dat de betrokkene sedert meer dan één jaar ononderbroken arbeidsongeschikt is wegens ziekte of wanneer hij/zij het slachtoffer is van een arbeidsongeval of beroeps- ziekte, een attest van hetzelfde centrum met vermelding van de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid; - een attest van de Dienst voor Overzeese Sociale Zekerheid, Louizalaan 194 te 1050 Brussel, waaruit blijkt dat de betrokkene sedert meer dan één jaar ononderbroken arbeidsongeschikt is wegens ziekte of een attest van dezelfde dienst met vermelding van de graad van blijvende arbeids- ongeschiktheid wegens arbeidsongeval of beroepsziekte; - een attest van de Administratieve Gezondheidsdienst, hetzij inzake de vrijstelling van luistergeld (uitgezonderd voor oorlogsinvaliden met een handicap van minder dan 66 pct.), hetzij inzake vermindering van het B.T.W.-tarief bij de aankoop en het onderhoud van een personenwagen of vrijstelling van inschrijvingstaks en verkeersbelasting (uitgezonderd voor gehandicapten met een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en die geen 66 pct. bereikt); - een attest van de Medische Dienst van het Ministerie van Sociale Voorzorg inzake sociaal telefoontarief of inzake sociale huisvesting; - voor personen die een invaliditeitspensioen van Italiaanse oorsprong genieten, het drukwerk (model 201) met de vermelding Io/s, dat hun jaarlijks door het Istituto Nazionale della Previdenza Sociale (I.N.P.S.) wordt uitgereikt en dat het jaarbedrag van de toekenningen in Italiaanse lires vermeldt. - voor personen die een Nederlandse W.A.O.-uitkering genieten, een attest dat hen jaarlijks door het Gemeenschappelijke Administratiekantoor of de Bedrijfsvereniging wordt uitgereikt en dat een arbeidsongeschiktheid van 66 pct. of meer vermeldt. Indien U geen van de bovenstaande attesten kunt voorleggen (*) en toch aanspraak meent te hebben op de toeslag op de belastingvrije som voor gehandicapten of op een dubbeltelling als kind te laste, bestaat de mogelijkheid om de invaliditeitsgraad te laten vaststellen door een geneesheer-inspecteur van het RIZIV of door een geneesheer van de Medische Dienst van het Ministerie van Sociale Voorzorg. (*) Sommige instellingen die vervangingsinkomsten uitbetalen zijn gemachtigd het attest te vervangen door een passende vermelding op het desbetreffende fiche voor vervangingsinkomens nr. 281. Het spreekt vanzelf dat in dergelijk geval aan die instellingen geen attest meer moet worden gevraagd. In dat geval kan het volstaan mij de aangehechte "Aanvraag om een geneeskundig onderzoek" tegen ......... volledig ingevuld terug te sturen. Volledigheidshalve wordt aangestipt dat : - de toestand op 1 januari van het aanslagjaar doorslaggevend is voor de toekenning van de toeslag op de belastingvrije som voor gehandicapten, of voor het dubbel tellen van een kind ten laste; - met de zware handicap slechts rekening kan worden gehouden indien hij, ongeacht de leeftijd waarop hij is vastgesteld, het gevolg is van feiten die zijn overkomen en vastgesteld vóór de leeftijd van 65 jaar. Wanneer de zware handicap pas na de leeftijd van 65 jaar ontstaan is of wanneer pas na die datum een verergering van een bestaande lichtere handicap is opgetreden, ontstaat er geen recht op de toeslag op de belastingvrije som en is het dus nutteloos de invaliditeitsgraad door een geneesheer van de Medische Dienst van het Ministerie van Sociale Voorzorg te laten vaststellen. Wanneer de zware handicap het gevolg is van feiten die zijn overkomen en vastgesteld vóór de leeftijd van 65 jaar, moeten de bewijsstukken (documenten, medische en politieverslagen, vonnissen, enz. met uitsluiting van attesten van de behandelende huisarts), waaruit blijkt dat de feiten zich vóór de leeftijd van 65 jaar hebben voorgedaan, aan mijn dienst worden voorgelegd (die bewijsstukken moeten dateren van vóór het tijdstip waarop de gehandicapte 65 jaar is geworden). 65-plussers zullen slechts voor een medisch onderzoek bij de geneesheer van de Medische Dienst van het Ministerie van Sociale Voorzorg worden opgeroepen indien het hen materieel onmogelijk is geweest hun zware handicap vóór de leeftijd van 65 jaar te laten vaststellen (inzonderheid wegens het geringe tijdsverschil tussen het schadelijk feit en het bereiken van de leeftijdsgrens). Hoogachtend. De Hoofdcontroleur, De Dienstleider, Het attest zal geldig zijn vanaf het aanslagjaar 1988. AANVRAAG OM EEN GENEESKUNDIG ONDERZOEK

Terug te sturen aan : + + (stempel van de taxatie- dienst) + + De ondergetekende, (naam)........................................... (voornaam)..................., geboren op .............................. wonende te.............................................................. verzoekt, voor de toepassing van artikel 6, § 1, tweede lid, §§ 5 en 6, van de Wet van 7 december 1988, de invaliditeitsgraad van hem/haarzelf van/ (naam)............................................................. (voornaam)..................., geboren op .............................. verblijvende op hetzelfde adres/te (*) ................................. te laten vaststellen door een geneesheer-inspecteur van het RIZIV of door een geneesheer van de Medische Dienst van het Ministerie van Sociale Voorzorg. Er is reeds een/nog geen (*) aanvraag tot tegemoetkoming voor gehandicapten ingediend bij de Dienst voor Tegemoetkomingen aan gehandicapten, Zwarte Lievevrouwestraat 3c te 1000 Brussel. Het dossiernummer bij deze dienst is (**) :......................... De gehandicapte kan zich naar het kabinet van de geneesheer verplaatsen: Ja/Neen (*). ..................., ............ (handtekening) (*) Doorhalen wat niet van toepassing is. (**) Nummer toegekend ter gelegenheid van de aanvraag om tegemoetkoming. ------------------------------------------------------------------------ Doorgestuurd naar het Ministerie van Sociale Voorzorg, Dienst voor Tegemoetkomingen aan gehandicapten, Zwarte Lievevrouwestraat 3c, te 1000 Brussel op ............................................................. De Hoofdcontroleur, De Dienstleider,