Circulaire 2017/C/28 betreffende de douane-entrepots (ingetrokken)
Wijzigingen ingevolge het nieuwe Douanewetboek van de Unie
publiek douane-entrepot; particulier douane-entrepot; vergunning; administratie; gebruikelijke behandeling
FOD Financiën, 27.04.2017
Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen
Inhoudstafel
I. Nieuwe wettelijke bepalingen
II. Wijzigingen van toepassing vanaf 1 mei 2016
III. Overgangsmaatregelen inzake de vergunningen douane entrepots
IV. Herbeoordeling van de vergunningen
VI. Verlenen van de vergunning
VIII. Bijzondere toelichtingen
VIII.1. Overbrenging van goederen tussen verschillende plaatsen in het douanegebied van de Unie
VIII.3. Verantwoordelijkheden van de houder van de vergunning of de regeling
VIII.8. Vergunning waarbij meer dan één lidstaat is betrokken
VIII.9. Nummering en identificatie van de types douane entrepot
I. Nieuwe wettelijke bepalingen
1. Artikelen 201 t/m 225 en 237 t/m 249 van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PBEU L 269 van 10 oktober 2013), hierna Douanewetboek van de Unie genoemd (DWU).
2. Artikelen 169, 171, 177 t/m 183, 201 t/m 203 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PBEU L 343 van 29 december 2015), hierna gedelegeerde handelingen van het douanewetboek van de Unie genoemd (DA).
3. Artikelen 260 t/m 264 en 267 t/m 269 van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PBEU L 343 van 29 december 2015), hierna uitvoeringshandelingen van het douanewetboek van de Unie genoemd (IA).
4. Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2016/341 van 17 december 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/2446, hierna Gedelegeerde Overgangsverordening genoemd (TDA).
In bijlage 1 is een overzicht van de desbetreffende artikelen per titel bijgevoegd.
Voor bijkomende commentaren en richtlijnen kan de Guidance Special Procedures - title VII UCC van de Europese Commissie worden geraadpleegd.
Nieuwe definities
Het DWU geeft nieuwe definities van:
- houder van de regeling (art. 5, 35) DWU):
a) de persoon die de douaneaangifte doet, of voor wiens rekening die aangifte wordt gedaan, of
b) de persoon aan wie de uit een douaneregeling voortvloeiende rechten en plichten zijn overgedragen.
- publiek douane-entrepot type I (art. 1, 32) van de DA): een publiek douane-entrepot waar de verantwoordelijkheden zoals bedoeld in artikel 242, lid 1, van het wetboek, berusten bij de houder van de vergunning en de houder van de regeling;
- publiek douane-entrepot type II (art. 1, 33) van de DA): een publiek douane-entrepot waar de verantwoordelijkheden zoals bedoeld in artikel 242, lid 2, van het wetboek, berusten bij de houder van de regeling;
- publiek douane-entrepot type III (art. 1, 11) van de IA): een douane-entrepot dat door de douaneautoriteiten wordt beheerd;
- particulier douane-entrepot (art. 240, lid 2 van het DWU): een douane-entrepot gebruikt voor opslag van goederen door de houder van een vergunning douane-entrepot.
Deze definities hebben de hierna vermelde wijzigingen tot gevolg.
II. Wijzigingen van toepassing vanaf 1 mei 2016
5. De verschillende types van douane-entrepot uit het Communautair Douanewetboek van 1992 worden ondergebracht onder de nieuwe types binnen het DWU.
- Douane-entrepot type A wordt publiek douane entrepot type I
- Douane-entrepot type B wordt publiek douane entrepot type II
- Douane-entrepot type F wordt publiek douane entrepot type III
- De huidige types particulier entrepot C, D en E verdwijnen en worden vervangen door één algemene categorie, met name het particulier entrepot.
Goederen kunnen enkel onder de regeling douane-entrepot worden opgeslagen in door de douaneautoriteiten goedgekeurde en onder toezicht staande ruimtes of andere locaties.
De mogelijkheid om inrichtingen voor douane-entrepots niet goed te keuren, zoals tot nu het geval was voor de types E wordt uitgesloten.
6. Dit betekent dat de bestaande vergunningen douane-entrepot moeten worden gelezen als vergunningen douane-entrepot onder de nieuwe benaming en de desbetreffende bepalingen inzake het DWU, DA, IA van toepassing zijn (zie ook verder naar de bepalingen inzake de overgangsmaatregelen).
7. Door het verdwijnen van het entrepot type D en E met D procedures zal het niet meer mogelijk zijn om de douanewaarde te hanteren berekend op het moment van de inslag in het entrepot en gebruik te maken van de automatische vereenvoudiging (domiciliëring) bij uitslag uit het entrepot.
8. Het verdwijnen van de types entrepot heeft ook gevolgen voor de te vermelden regeling bij de aangifte voor plaatsing onder de regeling douane-entrepot. Vanaf 1 mei 2016 dient een aangifte regeling J te worden ingediend of dient de plaatsing onder de vorm van inschrijving in de administratie, al of niet met aanvullende aangifte te gebeuren.
9. Overeenkomstig art. 223, lid 2a van het DWU is vanaf 1 mei 2016 het gebruik van equivalente goederen mogelijk onder de regeling douane-entrepot.
10. De gebruikelijke handelingen toegestaan in een douane-entrepot overeenkomstig artikel 220 van het DWU werden uitgebreid.
11. De verkoop op afstand, daaronder begrepen via het internet is toegestaan overeenkomstig artikel 201 van de DA.
III. Overgangsmaatregelen inzake de vergunningen douane entrepots
12. De overgangsmaatregelen van toepassing inzake douane-entrepots zijn opgenomen in de artikelen 250, 251 en 254 van de DA en artikel 349 van de IA.
Art. 250 DA
“Herbeoordeling van op 1 mei 2016 reeds van kracht zijnde vergunningen
1. Op basis van Verordening (EEG) nr. 2913/92 of Verordening (EEG) nr. 2454/93 verleende vergunningen die geldig zijn op 1 mei 2016 en waarvan de geldigheidsduur niet beperkt is, worden herbeoordeeld.
2. ……”
Art. 251 DA
“Geldigheid van op 1 mei 2016 reeds van kracht zijnde vergunningen
1. Op basis van Verordening (EEG) nr. 2913/92 of Verordening (EEG) nr. 2454/93 verleende vergunningen die geldig zijn op 1 mei 2016, blijven geldig als volgt:
(a) in het geval van vergunningen met een beperkte geldigheidsduur: tot het verstrijken van die duur of tot 1 mei 2019, indien deze datum eerder valt;
(b) in het geval van alle andere vergunningen: totdat de vergunning wordt herbeoordeeld overeenkomstig artikel 250, lid 1.
(c) …..”
Art. 254 DA
“Gebruik van op 1 mei 2016 reeds van kracht zijnde vergunningen en beschikkingen
Wanneer een beschikking of een vergunning na 1 mei 2016 geldig blijft overeenkomstig de artikelen 251 tot en met 253, zijn de voorwaarden waaronder die beschikking of vergunning wordt toegepast, vanaf 1 mei 2016, die welke zijn vastgesteld in de overeenkomstige bepalingen van het wetboek, Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/2447 van de Commissie houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 (1) en deze verordening zoals aangegeven in de concordantietabel in bijlage 90.”
13. Uit voorgaande artikelen kan worden afgeleid dat de bestaande voor 1 mei 2016 afgegeven vergunningen douane-entrepot blijven gelden tot de vergunning wordt herbeoordeeld. De voorwaarden waaronder de vergunning wordt toegepast zijn echter de voorwaarden volgens de nieuwe wetgeving.
Alle vergunningen douane-entrepot dienen te worden herbeoordeeld ten laatste op 1 mei 2019.
Art. 349 IA
“Overgangsbepalingen voor goederen die onder bepaalde douaneregelingen zijn geplaatst die niet vóór 1 mei 2016 zijn aangezuiverd
1. Wanneer goederen vóór 1 mei 2016 onder de volgende douane- regelingen werden geplaatst en de regeling vóór die datum niet is aangezuiverd, wordt de regeling aangezuiverd overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het wetboek, Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/2446 en deze verordening:
a) …………………………………………………………;
b) douane-entrepot van het type A, B, C, E en F;
c) ………………………………………………………..;
d) ……………………………………………………….
2. Wanneer goederen vóór 1 mei 2016 onder de volgende douane- regelingen werden geplaatst en de regeling vóór die datum niet is aangezuiverd, wordt de regeling aangezuiverd overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van Verordening (EEG) nr. 2913/92 en Verordening (EEG) nr. 2454/93:
a) douane-entrepot van het type D;
b) ……………….;
c) …………………………………………;
d) ……………………………
De regeling douane-entrepot van het type D wordt echter met ingang van 1 januari 2019 aangezuiverd overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het wetboek, Gedelegeerde Verordening (EU)
nr. 2015/2446 en deze verordening.
3. …………………
4. ….”
14. Uit voorgaand artikel kan worden afgeleid dat inzake de aanzuivering een uitzondering wordt gemaakt voor wat betreft de douane-entrepots type D en dat de goederen ingeslagen in het entrepot voor 1 mei 2016 nog onder de bepalingen van het wetboek van 1992 vallen.
15. Uit praktisch oogpunt en om geen problemen te ondervinden met het onderscheid tussen goederen ingeslagen voor 1 mei en na 1 mei 2016 zullen de vergunningen douane-entrepot D of E met D procedures ambtshalve gesplitst worden in 2 vergunningen:
- vergunning douane-entrepot blijft bestaan en
- vergunning domiciliëring vrij verkeer met globalisatie. De ambtshalve toegekende vergunning domiciliëring vrij verkeer is geldig tot aan de herbeoordeling.
16. De vrijstelling van kennisgeving die in de oude wetgeving op basis van art. 266 lid 1, b (CTW) standaard was voorzien bij entrepot type D (en E+D) kan behouden blijven tot aan de herbeoordeling van de vergunning EIDR (domiciliëring) in toepassing van artikel 250 (1) van de DA.
17. Vanaf de herbeoordeling van de vergunning zullen twee nieuwe aparte vergunningen worden afgegeven, één voor het douane-entrepot en één voor EIDR volgens de nieuwe wettelijke bepalingen.
IV. Herbeoordeling van de vergunningen
18. Zoals hiervoor bepaald dienen alle vergunningen douane-entrepots te worden herbeoordeeld voor 1 mei 2019.
Dit betekent dat alle vergunningen dienen te worden aangepast aan de nieuwe wettelijke bepalingen.
Een verzoek van de vergunninghouder is daartoe niet noodzakelijk. Het is echter aangeraden de vergunninghouder te verzoeken of zij de vergunning verder wensen te gebruiken of zij verkiezen om een nieuwe aanvraag voor de vergunning in te dienen.
Na de herbeoordeling dient de bestaande vergunning in alle gevallen te worden ingetrokken. Van zodra alle betrokken informatie aanwezig is en aan de nieuwe overeenkomstige voorwaarde is voldaan, kan de nieuwe vergunning worden afgeleverd overeenkomstig de in het DWU, DA en IA desbetreffende bepalingen.
V. Nieuwe aanvragen
19. Nieuwe aanvragen douane-entrepots overeenkomstig art. 211, lid b) van het DWU dienen overeenkomstig art. 22 van de TDA te worden in gediend en verleend met gebruikmaking van het formulier in bijlage 12 van de gelijknamige Verordening (bijlage 2).
De aanvragen dienen, naar gelang het geval te worden ingediend bij de Regionale of de Centrale Component KLAMA.
Art. 22 TDA
“Formulieren voor aanvragen en vergunningen voor bijzondere regelingen
1. Tot de datum van de uitrol van het DWU-systeem Douanebeschikkingen zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit
nr. 2014/255/EU worden aanvragen voor een vergunning zoals bedoeld in artikel 211, lid 1, van het wetboek, wanneer deze niet gebaseerd zijn op een douaneaangifte en wanneer deze worden gedaan met andere middelen dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken, ingediend met behulp van het formulier in bijlage 12 bij deze verordening.
2. Wanneer de douaneautoriteiten die bevoegd zijn om op de in lid 1 bedoelde aanvraag te beschikken, besluiten de vergunning te verlenen, doen zij dit met behulp van het formulier in bijlage 12.”
VI. Verlenen van de vergunning
20. Overeenkomstig art. 211, lid 1, b) van het DWU is een vergunning van de douaneautoriteiten vereist voor het beheer van opslagruimten voor opslag in een douane-entrepot tenzij de opslagruimte wordt beheerd door de douaneautoriteiten zelf. Een model van de vergunning is bijgevoegd in bijlage 3.
De voorwaarden waaronder het beheer van opslagruimten is toegestaan, worden in de vergunning vastgesteld.
Een vergunning met terugwerkende kracht kan niet worden verleend voor het beheer van een opslagruimte voor het douane-entrepot van goederen (art. 211, lid 2, g) van het DWU).
21. De voormelde vergunning wordt slechts verleend aan personen die aan elk van de volgende voorwaarden voldoen:
“Art. 211, lid 3 DWU
a) zij zijn in het douanegebied van de Unie gevestigd;
b) zij bieden de nodige waarborgen voor het goede gebruik van de regeling; een geautoriseerd marktdeelnemer voor douanevereenvou- digingen wordt geacht aan deze voorwaarde te voldoen voor zover bij het verlenen van de in artikel 38, lid 2, onder a), bedoelde vergunning rekening is gehouden met relevante activiteiten voor de betreffende bijzondere regeling;
c) zij stellen zekerheid overeenkomstig artikel 89, indien een douaneschuld kan ontstaan of andere heffingen verschuldigd kunnen worden voor de onder een bijzondere regeling geplaatste goederen;
d) ….
4. Tenzij anders is bepaald en ter aanvulling van lid 3, wordt de in lid 1 bedoelde vergunning slechts verleend indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
a) de douaneautoriteiten kunnen douanetoezicht uitoefenen zonder administratieve maatregelen te hoeven nemen die niet in verhouding staan tot de betrokken economische behoeften;
b) ………….
5. ………………………”
22. Voor het verlenen van de vergunning zijn de algemene bepalingen inzake het verlenen en het beheer van een beschikking overeenkomstig artikel 22 t/m 32 van het DWU van toepassing.
23. Met uitzondering voor wat vergunningen douane-entrepots betreft die slechts voor één lidstaat gelden, dient overeenkomstig art. 171, lid 1 van de DA de bevoegde douaneautoriteit een beschikking te verlenen en deze aan de aanvrager mee te delen uiterlijk 60 dagen nadat de aanvraag is aanvaard.
24. Het verlenen van de vergunning behoort tot de bevoegdheid van, naargelang het geval, de Regionale of de Centrale Component van de dienst KLAMA.
VII. Administratie
“Art. 214 DWU
1. Behalve voor de regeling douanevervoer of indien anders is bepaald, voeren de houder van de vergunning, de houder van de regeling en eenieder die activiteiten uitoefent in verband met hetzij de opslag, bewerking of verwerking van de goederen, hetzij de koop of verkoop van goederen in een vrije zone, een passende administratie in een door de douaneautoriteiten goedgekeurde vorm.
Aan de hand van de informatie en de gegevens in die administratie moeten de douaneautoriteiten in staat zijn toezicht uit te oefenen op de regeling, met name wat de identificatie, de douanestatus en het overbrengen van de onder de regeling geplaatste goederen betreft.
2. Een geautoriseerd marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen wordt geacht aan de in lid 1 vastgestelde voorwaarde te voldoen voor zover zijn administratie passend is met het oog op de betrokken bijzondere regeling.”
25. De houder van een vergunning of de houder van de regeling douane-entrepot dient een administratie te houden in een door de douane goedgekeurde vorm.
Deze administratie dient minstens de gegevens te bevatten zoals opgenomen in art. 178 DA.
26. Wie dient de administratie te houden?
- Voor de particuliere entrepots zal de administratie worden gehouden door de houder van de vergunning, die tevens houder van de regeling is;
- Voor de douane-entrepots type I wordt de administratie gehouden door de houder van de vergunning;
- Voor de douane-entrepots type II dient de administratie te worden gehouden door de houder van de regeling.
27. De administratie dient op elk ogenblik de aanwezige voorraad van de onder de entrepotregeling geplaatste goederen te tonen en dient te worden aangepast onmiddellijk na elke goederenbeweging en ten laatste op het ogenblik van het verlaten van de opslagruimte.
28. Eenzelfde opslagruimte kan als meer dan één type entrepot worden goedgekeurd, voor zover het douanetoezicht is gewaarborgd.
Zo dient bijvoorbeeld rekening te worden gehouden met voorgaande verschillen in verantwoordelijkheid en dient de goederenvoorraad te kunnen worden onderscheiden.
Art. 178 DA vermeldt wat de administratie moet bevatten:
“De in artikel 214, lid 1 van het DWU bedoelde administratie bevat het volgende:
a) in voorkomend geval, de verwijzing naar de vergunning die vereist is om de goederen onder een bijzondere regeling te plaatsen;
b) het MRN of, waar dit niet bestaat, een ander nummer of een andere code ter identificatie van de douaneaangiften waarmee de goederen onder de bijzondere regeling zijn geplaatst en, wanneer de aanzuivering van de regeling is gebeurd overeenkomstig artikel 215, lid 1, van het wetboek, informatie over de wijze waarop dat is gebeurd;
c) gegevens aan de hand waarvan andere douanedocumenten dan douaneaangiften ondubbelzinnig kunnen worden geïdentificeerd, evenals alle andere documenten die van belang zijn voor het plaatsen van goederen onder een bijzondere regeling en alle andere documenten die van belang zijn voor de aanzuivering van de desbetreffende regeling;
d) bijzonderheden over merktekens, nummers, aantal en soort van de colli, de hoeveelheid en de gebruikelijke handelsomschrijving of technische beschrijving van de goederen en, eventueel, de op de containers aangebrachte merktekens aan de hand waarvan de goederen kunnen worden geïdentificeerd;
e) plaats van de goederen en informatie over iedere overbrenging;
f) douanestatus van de goederen;
g) gegevens over gebruikelijke behandelingen en, in voorkomend geval, de nieuwe tariefindeling die uit deze gebruikelijke behandelingen voortvloeit;
h) ……………………;
i) ………………………;
j) wanneer artikel 86, lid 1, van het wetboek van toepassing is, de kosten voor opslag of gebruikelijke behandelingen;
k) …………………………;
l) gegevens aan de hand waarvan het douanetoezicht en controles op het gebruik van equivalente goederen kunnen worden uitgeoefend overeenkomstig artikel 223 van het wetboek;
m) wanneer een gescheiden boekhouding moet worden gevoerd, informatie over het soort goederen, de douanestatus en, in voorkomend geval, de oorsprong van de goederen;
n) …………………………;
o) ……………………………;
p) in voorkomend geval, de gegevens van een eventuele overdracht van rechten en plichten overeenkomstig artikel 218 van het wetboek;
q) wanneer de administratie geen deel uitmaakt van de hoofdboekhouding voor douanedoeleinden, een verwijzing naar die hoofdboekhouding voor douanedoeleinden;
r) aanvullende informatie voor bijzondere gevallen, op verzoek van de douaneautoriteiten om gerechtvaardigde redenen.
2. ……………………….
3. De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat sommige van de in de leden 1 en 2 bedoelde gegevens niet moeten worden verstrekt wanneer dit geen nadelige invloed heeft op het douanetoezicht en de controle op het gebruik van een bijzondere regeling.
4. …………………”.
VIII. Bijzondere toelichtingen
VIII.1. Overbrenging van goederen tussen verschillende plaatsen in het douanegebied van de Unie
29. Overeenkomstig artikel 219 van het DWU kunnen goederen onder de regeling douane-entrepot tussen verschillende plaatsen binnen het douanegebied van de Unie worden vervoerd.
30. In artikel 179, lid 3 en 4 van de DA en 267 van de IA zijn bijzonderheden in verband met de overbrenging vermeld.
“Art. 179, lid 3 DA
3. Goederen die onder de regeling douane-entrepot zijn geplaatst, kunnen binnen het douanegebied van de Unie worden overgebracht zonder andere dan de in artikel 178, lid 1, onder e), bedoelde douaneformaliteiten, als volgt:
a) tussen verschillende opslagruimten die zijn aangewezen in dezelfde vergunning;
b) van het douanekantoor van plaatsing naar de opslagruimte, of
c) van de opslagruimte naar het douanekantoor van uitgang of ieder ander douanekantoor vermeld in de in artikel 211, lid 1, van het wetboek bedoelde vergunning voor een bijzondere regeling, dat gemachtigd is om goederen vrij te geven voor een volgende douaneregeling of de aangifte tot wederuitvoer in ontvangst te nemen met het oog op de aanzuivering van de bijzondere regeling.
Een overbrenging onder de regeling douane-entrepot eindigt binnen 30 dagen nadat de goederen uit het douane-entrepot zijn uitgeslagen.
Op verzoek van de vergunninghouder kunnen de douaneautoriteiten de termijn van 30 dagen verlengen.
4. Wanneer goederen onder een regeling douane-entrepot worden overgebracht van de opslagruimte naar het douanekantoor van uitgang, bevat de in artikel 214, lid 1, van het wetboek bedoelde administratie informatie over de uitgang van de goederen binnen 100 dagen nadat de goederen uit het douane-entrepot zijn uitgeslagen.
Op verzoek van de vergunninghouder kunnen de douaneautoriteiten de termijn van 100 dagen verlengen.”
“Art. 267 IA
Verkeer van goederen onder een bijzondere regeling
1. De overbrenging van goederen naar het douanekantoor van uitgang met het oog op de aanzuivering van de bijzondere regeling, met uitzondering van de regeling bijzondere bestemming en passieve veredeling, door de goederen buiten het douanegebied van de Unie te brengen, wordt verricht onder dekking van de aangifte tot wederuitvoer.
2. ………
3. …………
4. Voor iedere overbrenging die niet onder de leden 1, 2 en 3, valt zijn geen andere douaneformaliteiten vereist dan het voeren van een administratie zoals bedoeld in artikel 214 van het wetboek.
5. Wanneer de overbrenging van goederen in overeenstemming met de leden 1 of 3 plaatsvindt, blijven de goederen onder de bijzondere regeling totdat zij het douanegebied van de Unie hebben verlaten.”
31. Goederen kunnen binnen het douanegebied van de Unie worden overgebracht zonder andere formaliteiten dan de inschrijving van de nodige informatie over iedere overbrenging in de administratie van de vergunninghouder, behalve in het geval van overbrenging naar het douanekantoor van uitgang met het oog op de aanzuivering van de regeling douane-entrepot, waarbij de goederen buiten het douanegebied van de Unie worden gebracht onder dekking van de aangifte tot wederuitvoer. De goederen blijven onder de regeling douane-entrepot totdat zij het douanegebied van de Unie hebben verlaten.
32. Inzake de overdracht tussen vergunninghouders is artikel 179, lid 3, c) van de DA van toepassing, waarbij de goederen worden overgebracht naar een andere vergunninghouder vallende onder de bevoegdheid van een ander douanekantoor, vermeld in de desbetreffende vergunning en gemachtigd om de goederen vrij te geven voor een volgende douaneregeling, hier de regeling douane-entrepot. Dit kantoor kan ook gelegen zijn in een andere lidstaat.
33. De goederen kunnen onder de regeling douane-entrepot worden overgebracht zonder verdere douaneformaliteiten, maar de eerste vergunninghouder dient de nodige informatie in te schrijven in zijn administratie.
34. De aanzuivering van de regeling douane-entrepot zal gebeuren door de plaatsing van de goederen onder de 2de regeling douane-entrepot, voor zover:
- In het geval van gebruik van vereenvoudigde procedures, de tweede vergunninghouder een bevestiging zendt aan de eerste vergunninghouder met bevestiging van de datum waarop hij de goederen onder de regeling heeft geplaatst. De houder van de eerste vergunning behoudt deze bevestiging van de ontvangst in zijn administratie als bewijs van aanzuivering van de regeling. (MRN nummer of een intern referentienummer gebruikt bij inschrijving in de administratie ).
- In het geval van gebruik van een standaard aangifte zendt de tweede vergunninghouder informatie inzake de MRN en de datum van plaatsing onder de regeling naar de eerste vergunninghouder die deze informatie inschrijft in zijn administratie.
35. Bijzonderheden inzake de overbrenging dienen te worden vermeld in de desbetreffende vergunningen.
VIII.2. Overdracht van rechten en plichten van de regeling
“Art. 218 DWU
De rechten en plichten van de houder van een regeling betreffende goederen die onder een andere bijzondere regeling dan douanevervoer zijn geplaatst, kunnen volledig of gedeeltelijk worden overgedragen aan een andere persoon die voldoet aan de voorwaarden van de betrokken regeling.”
36. In toepassing van artikel 266 van de IA is het aan de douane–autoriteiten om te beslissen of een overdracht van rechten en plichten zoals hiervoor bedoeld kan plaatsvinden en stelt de douane de voorwaarden vast waaronder de overdracht is toegestaan.
“Art. 266 IA
De bevoegde douaneautoriteit beslist of een overdracht van rechten en plichten zoals bedoeld in artikel 218 van het wetboek kan plaatsvinden. Indien een dergelijke overdracht kan plaatsvinden, stelt de bevoegde douaneautoriteit de voorwaarden vast waaronder de overdracht is toegestaan.”
37. De nodige vermeldingen inzake de overdracht dienen in de vergunning te worden vermeld en de gegevens inzake de overdracht dienen in de administratie van de vergunninghouder te worden ingeschreven overeenkomstig artikel 178 van de DA .
VIII.3. Verantwoordelijkheden van de houder van de vergunning of de regeling
“Art. 242 DWU
1. De houder van de vergunning en de houder van de regeling zijn ervoor verantwoordelijk dat:
a) goederen onder de regeling douane-entrepot niet aan het douanetoezicht worden onttrokken; en
b) de verplichtingen worden nagekomen die voortvloeien uit de opslag van goederen die zich onder de regeling douane-entrepots bevinden.
2. In afwijking van lid 1 kan indien de vergunning een publiek douane- entrepot betreft, in die vergunning worden bepaald dat de in lid 1, onder
a) of b), bedoelde verantwoordelijkheden uitsluitend bij de houder van de regeling berusten.
3. De houder van de regeling is gehouden tot de verplichtingen die voortvloeien uit de plaatsing van de goederen onder de regeling douane- entrepot.“
38. Vermits bij het particulier entrepot de houder van de vergunning en de houder van de regeling dezelfde persoon zijn, liggen de verantwoordelijkheden overeenkomstig dit artikel volledig bij de vergunninghouder particulier douane-entrepot.
39. Art. 1, 32 van de DA definieert het publiek douane-entrepot type I als het publiek entrepot waar de verantwoordelijkheden zoals bedoeld in artikel 242, lid 1 van het wetboek berusten bij de houder van de vergunning en de houder van de regeling.
40. Art. 1, 33 van de DA definieert het publiek douane entrepot type II als het publiek entrepot waar de verantwoordelijkheden zoals bedoeld in art. 242, lid 2 van het wetboek berusten bij de houder van de regeling.
Art. 242, lid 2 van het wetboek is een afwijking van lid 1 van dit artikel en bepaalt dat voor wat betreft een publiek entrepot in de vergunning kan worden bepaald dat de in lid 1, onder a) of b) bedoelde verantwoordelijkheden uitsluitend bij de houder van de regeling berusten.
Dit artikel sluit niet uit dat de onder lid 1 bedoelde verantwoordelijkheden ook bij de houder van de vergunning kunnen berusten. De wetgeving geeft hierbij de keuze, maar deze verantwoordelijkheden dienen wel vooraf door de douaneautoriteiten te worden bepaald en in de vergunning te worden opgenomen.
De houder van de regeling is steeds gehouden tot de verplichtingen die voortvloeien uit de plaatsing van de goederen onder de regeling douane-entrepot.
41. In toepassing van artikel 211, lid 3 van het DWU (zie hiervoor) is de houder van de vergunning gehouden tot het stellen van een zekerheid overeenkomstig artikel 89 indien een douaneschuld kan ontstaan of ander heffingen verschuldigd kunnen worden voor de onder een bijzondere regeling geplaatste goederen. Voor de opslag in een douane-entrepot is een borgstelling noodzakelijk voor het beheer van de opslagruimten waaruit volgt dat de vergunninghouder gehouden is tot het stellen van de borg.
42. Artikel 89, lid 4 van het DWU verbiedt het stellen van twee keer zekerheidsstelling voor bepaalde goederen, waardoor er geen zekerheid kan worden gevraagd van zowel de houder van de vergunning, als de houder van de regeling. Voor de publiek entrepots type II zal dus een borg worden gevraagd van de houder van de vergunning en niet van de houder van de regeling.
43. In toepassing van het voorgaande wordt bepaald dat voor wat betreft de publiek entrepots type II de verantwoordelijkheid overeenkomstig het bepaalde in artikel 242, lid 1, onder a) van het wetboek vermelde verantwoordelijkheid berust bij de houder van de vergunning en de onder b) vermelde verantwoordelijkheid bij de houder van de regeling.
Dit onderscheid geeft de mogelijkheid om de verantwoordelijkheid te verdelen in enerzijds het beheer van de vergunning, het verschaffen van de opslaglocatie en het toezicht op de beveiliging ervan en anderzijds de verplichtingen die voorvloeien uit de plaatsing, opslag en aanzuivering van de opgeslagen goederen.
Bijkomende informatie inzake de bepalingen opgenomen in het hiervoor vermelde lid 1, a en b zullen nog worden gegeven na bijkomende toelichtingen gegeven in de guidances door de Europese Commissie.
VIII.4. Zekerheidstelling
44. Vergunningen voor bijzondere regelingen die voor 1 mei 2016 werden afgegeven en die na 1 mei blijven voortbestaan zullen wat zekerheidstelling betreft niet worden aangepast tot aan de herbeoordeling, tot het afleveren van een nieuwe vergunning of, dat spreekt voor zich en is altijd van toepassing, ingeval de douane oordeelt dat er een verhoogd risico optreedt.
Zekerheidsstelling voor vergunningen voor bijzondere regelingen van na 1 mei 2016 zullen volgens de nieuwe regels worden bepaald. Vanaf dan zal trouwens in elke vergunning het bedrag van de te stellen zekerheid worden vermeld. Bovendien zal, indien een vergunninghouder (aangever) wenst gebruik te maken van de doorlopende zekerheid, een specifieke vergunning worden afgegeven die het gebruik van het systeem van doorlopende zekerheid toestaat.
45. Vermits enkel het beheer van het douane-entrepot het stellen van een zekerheid vereist, kan enkel zekerheid door de vergunninghouder douane-entrepot worden geëist. De zekerheid dient te worden gesteld vooraleer de vergunning voor het beheer van de opslagruimte voor opslag in het douane-entrepot wordt afgegeven. (zie ook §§ 41 tot 43 hiervoor).
VIII.5. Gebruik van equivalente goederen
46. Overeenkomstig art. 223, lid 2a van het DWU, art. 169 van de DA en art. 268 en 269 van de IA is vanaf 1 mei 2016 het gebruik van equivalente goederen mogelijk onder de regeling douane-entrepot.
“Art. 223 DWU
1. Equivalente goederen zijn Uniegoederen die in plaats van de onder een bijzondere regeling geplaatste goederen worden opgeslagen, gebruikt of verwerkt.
……………
Tenzij anders is bepaald, moeten equivalente goederen onder dezelfde achtcijfercode van de gecombineerde nomenclatuur zijn ingedeeld en dezelfde handelskwaliteit en technische kenmerken hebben als de goederen die zij vervangen.
2. Op voorwaarde dat de goede werking van de regeling, met name wat het douanetoezicht betreft, is verzekerd, kunnen de douaneautoriteiten op aanvraag vergunning verlenen voor het volgende:
a) het gebruik van equivalente goederen onder een regeling douane- entrepot, in een vrije zone, onder een regeling bijzondere bestemming en onder een veredelingsregeling;
b) ………….
c) ………….
d) ………….
Een geautoriseerd marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen wordt geacht te voldoen aan de voorwaarde dat het goed functioneren van de regeling is verzekerd, voor zover in de in artikel 38, lid 2, onder a), bedoelde vergunning rekening is gehouden met de activiteit in het kader van het gebruik van equivalente goederen voor de betrokken regeling.
3. Het gebruik van equivalente goederen wordt niet toegestaan in de volgende gevallen:
a) indien uitsluitend gebruikelijke behandelingen als omschreven in artikel 220 worden verricht in het kader van de regeling actieve veredeling;
b) .........................
c) indien dit zou leiden tot een onbillijk voordeel op het vlak van invoerrechten of waarvoor in Uniewetgeving is voorzien
4. ………………………………”
“Art.169 DA
Vergunning voor het gebruik van equivalente goederen
1. Voor de verlening van een vergunning overeenkomstig artikel 223, lid 2, van het wetboek is het niet van belang of het systematisch gebruik van equivalente goederen betreft of niet.
2. Er wordt geen vergunning verleend voor het gebruik van equivalente goederen zoals bedoeld in artikel 223, lid 1, eerste alinea, van het wetboek wanneer de onder de bijzondere regeling geplaatste goederen onderworpen zouden zijn aan een voorlopig of definitief antidumpingrecht, een compenserend recht, een vrijwaringsmaatregel of een aanvullend recht dat voortvloeit uit een schorsing van concessies indien zij werden aangegeven voor het vrije verkeer.
3. ……………………….
4. Er wordt geen vergunning verleend voor het gebruik van equivalente goederen onder de regeling douane-entrepot wanneer de onder de regeling douane-entrepot geplaatste niet-Uniegoederen in bijlage 71-02 opgenomen goederen zijn.
5. Er wordt geen vergunning verleend voor het gebruik van equivalente goederen voor goederen of producten die genetisch zijn gewijzigd of elementen bevatten die een genetische wijziging hebben ondergaan.
6. …………………………
7. In afwijking van artikel 223, lid 1, derde alinea, van het wetboek zijn op de in bijlage 71-04 bedoelde goederen de in die bijlage vastgestelde bijzondere bepalingen van toepassing.
8. ………………….”
47. Het gebruik van equivalente goederen en de desbetreffende formaliteiten dienen in de vergunning douane-entrepot te worden opgenomen. Het gebruik van equivalente goederen is niet toegestaan wanneer de onder de regeling douane-entrepot geplaatste niet-Uniegoederen gevoelige goederen zijn, zoals opgenomen in bijlage 71-02 van de DA (zie bijlage 4).
48. Bijzondere bepalingen inzake equivalente goederen zijn van toepassing voor goederen opgenomen in bijlage 71-04 van de DA (bijlage 5).
“Art. 268 IA
Formaliteiten voor het gebruik van equivalente goederen
1. Het gebruik van equivalente goederen is niet onderworpen aan de formaliteiten voor de plaatsing van goederen onder een bijzondere regeling.
2. Equivalente goederen kunnen samen met andere Unie- of niet-Uniegoederen worden opgeslagen. In dergelijke gevallen kunnen de douaneautoriteiten specifieke methoden vaststellen om de equivalente goederen te identificeren om ze van andere Uniegoederen of niet- Uniegoederen te onderscheiden.
Wanneer het onmogelijk is of slechts tegen buitensporige kosten mogelijk zou zijn om elk soort goederen te allen tijde vast te stellen, wordt in de boekhouding onderscheid gemaakt naar het soort goederen, de douane- status en, indien van toepassing, de oorsprong van de goederen.
3. …………….
a) ……………….
b) …………….
c) …………….”
49. Equivalente goederen kunnen onder de regeling douane-entrepot worden geplaatst samen met andere Unie-goederen of niet-Uniegoederen. In dergelijk geval kan een boekhoudkundig onderscheid noodzakelijk zijn.
Het gebruik van equivalente goederen onder de regeling douane-entrepot kan ook worden gecombineerd met actieve veredeling of bijzondere bestemming voor zover er boekhoudkundig onderscheid met betrekking tot de verschillende regelingen wordt gemaakt. Een voorbeeld van het gebruik van equivalente goederen in een douane-entrepot wordt bijgevoegd in bijlage 6.
50. Wanneer Uniegoederen samen met niet-Uniegoederen worden opgeslagen in een opslagruimte onder de regeling douane-entrepot en het onmogelijk is of slechts tegen buitensporige kosten mogelijk zou zijn om te allen tijde elk soort goederen te identificeren, wordt in de vergunning bepaald dat een gescheiden boekhouding wordt gevoerd voor elk soort goederen, de douanestatus en, in voorkomend geval, de oorsprong van de goederen.
“Art. 269 IA
Status van equivalente goederen
1. In geval van de regeling douane-entrepot en tijdelijke invoer worden de equivalente goederen niet-Uniegoederen en de goederen die zij vervangen Uniegoederen op het tijdstip van de vrijgave ervan voor de volgende douaneregeling, waarbij de regeling wordt aangezuiverd, of op het tijdstip waarop de equivalente goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten.
2. …………………….
3. ……………………”
“Art. 177 DA
Opslag van Uniegoederen met niet-Uniegoederen in een opslagruimte
Wanneer Uniegoederen samen met niet-Uniegoederen worden opgeslagen in een opslagruimte onder de regeling douane-entrepot en het onmogelijk is of slechts tegen buitensporige kosten mogelijk zou zijn om te allen tijde elk soort goederen te identificeren, wordt in de vergunning zoals bedoeld in artikel 211, lid 1, onder b), van het wetboek bepaald dat een gescheiden boekhouding wordt gevoerd voor elk soort goederen, de douanestatus en, in voorkomend geval, de oorsprong van de goederen.”
VIII.6. Gebruikelijke behandelingen
“Art. 220 DWU
Goederen die onder een regeling douane-entrepot, onder een veredelingsregeling of in een vrije zone zijn geplaatst, kunnen gebruikelijke behandelingen ondergaan om ze in goede staat te bewaren, ter verbetering van de presentatie of handelskwaliteit of ter voorbereiding van de distributie of wederverkoop.”
51. De gebruikelijke behandelingen toegestaan in een douane-entrepot zijn opgenomen in bijlage 71-03 van de DA (bijlage 7).
52. Vergunningen douane-entrepot kunnen ook worden afgegeven in het geval waar de voorziene gebruikelijke behandelingen in het entrepot belangrijker zijn dan de eigenlijke opslag van goederen.
De toepassing van gebruikelijke behandelingen dient opgenomen te worden in de vergunning, maar de behandelingen dienen niet telkens te worden goedgekeurd door de douane. (nieuw)
53. Overeenkomstig artikel 241 van het DWU kan worden toegestaan dat goederen in het kader van de regeling actieve veredeling of de regeling bijzondere bestemming, op de voor de desbetreffende regeling vastgestelde voorwaarden in een douane-entrepot worden veredeld. De goederen worden evenwel geacht zich niet onder de regeling douane-entrepot te bevinden.
“Art. 241 DWU
1. Bij een economische behoefte en op voorwaarde dat het douanetoezicht niet wordt gehinderd, kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat goederen in het kader van de regeling actieve veredeling of de regeling bijzondere bestemming, op de voor de desbetreffende regeling vastgestelde voorwaarden, in een douane-entrepot worden veredeld.
2. De in lid 1 bedoelde goederen worden geacht zich niet onder de regeling douane-entrepot te bevinden.”
VIII.7. Detailhandel
“Art. 201 DA
“Er wordt vergunning verleend voor het beheer van een opslagruimte voor het douane-entrepot van goederen op voorwaarde dat de opslagruimte niet wordt gebruikt voor de detailhandel, tenzij goederen in het klein worden verkocht in een van de volgende situaties:
(a) met vrijstelling van invoerrechten aan reizigers naar of van landen of gebieden buiten het douanegebied van de Unie;
(b) met vrijstelling van invoerrechten aan leden van internationale organisaties;
(c) met vrijstelling van invoerrechten aan NAVO-strijdkrachten;
(d) met vrijstelling van invoerrechten in het kader van diplomatieke of consulaire overeenkomsten;
(e) op afstand, daaronder begrepen via het internet.”
54. Voor de vergunningen douane-entrepot waar goederen worden verkocht op afstand zoals opgenomen onder e) hiervoor dient te worden inbegrepen de verkoop via internet, mail of telefoon en voor zover de goederen worden geleverd aan de koper of geadresseerde op een andere locatie dan het douane-entrepot zelf.
In België bestaan douane-entrepots op basis van (a), (b), (c) en (d) hiervoor, maar met strikte voorwaarden, bijvoorbeeld inzake diplomatieke en andere gelijkaardige regelingen of inzake reizigersvrijstellingen.
VIII.8. Vergunning waarbij meer dan één lidstaat is betrokken
55. De benaming grensoverschrijdende vergunning douane-entrepot wordt in het DWU vervangen door vergunning waarbij meer dan één lidstaat is betrokken. De algemene regels inzake het nemen van een beschikking voor het verlenen van de vergunning zijn van toepassing. Voor vergunningen waarbij meer dan één lidstaat is betrokken zijn in de IA specifieke bepalingen opgenomen inzake de raadpleging tussen de douaneautoriteiten. Voor het verlenen van dergelijke vergunningen is uitsluitend de Centrale Component KLAMA bevoegd.
Het is belangrijk te vermelden dat het niet instemmen met een aanvraag telkens grondig moet worden gemotiveerd en er in geen geval sprake kan zijn van het niet beantwoorden van een aanvraag of van een weigering zonder motivatie.
56. Vergunningen waarbij meer dan één lidstaat is betrokken kunnen worden afgegeven voor zowel een particulier als voor publieke douane-entrepots, behalve publiek entrepot type III.
“Art. 260 IA
Raadplegingsprocedure tussen douaneautoriteiten
1. Wanneer een aanvraag is ingediend voor een vergunning zoals bedoeld in artikel 211, lid 1, van het wetboek en meer dan één lidstaat is betrokken, zijn de artikelen 10 en 14 van deze verordening en de leden 2 tot en met 5 van dit artikel toepassing, tenzij de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit van mening is dat de voorwaarden voor een dergelijke vergunning niet zijn vervuld. NL 29.12.2015 Publicatieblad van de Europese Unie L 343/669
2. De beschikkingsbevoegde douaneautoriteit zendt de aanvraag en de ontwerpvergunning uiterlijk 30 dagen na de datum van aanvaarding van de aanvraag aan de andere betrokken douaneautoriteiten.
3. Een vergunning waarbij meer dan een lidstaat is betrokken zal niet worden afgegeven zonder voorafgaande overeenstemming van de betrokken douaneautoriteiten over de ontwerpvergunning.
4. De andere betrokken douaneautoriteiten delen hun eventuele bezwaren of hun instemming mee binnen 30 dagen na de datum waarop de ontwerpvergunning is meegedeeld. Eventuele bezwaren moeten naar behoren worden gemotiveerd.
Wanneer er binnen deze termijn bezwaren worden geuit en er binnen
60 dagen na de datum waarop de ontwerpvergunning is meegedeeld geen overeenstemming is bereikt, wordt de vergunning niet verleend ten aanzien van die elementen waarop de bezwaren betrekking hadden.
5. Indien de andere betrokken douaneautoriteiten binnen 30 dagen na de datum waarop de ontwerpvergunning is meegedeeld, geen bezwaren hebben geuit, worden zij geacht hun instemming te hebben gegeven.”
“Art. 261 IA (in toepassing van artikel 22 van het DWU)
Gevallen waarin de raadplegingsprocedure niet is vereist
1. In de volgende gevallen geeft de bevoegde douaneautoriteit een beschikking op een aanvraag af zonder raadpleging van de andere betrokken douaneautoriteiten zoals bedoeld in artikel 260 van deze verordening:
a) een vergunning waarbij meer dan één lidstaat betrokken is, wordt:
I) vernieuwd,
II) gering gewijzigd,
III) geannuleerd,
IV) geschorst,
V) ingetrokken;
b) twee of meer van de betrokken lidstaten hebben hierover overeenstemming bereikt;
c) de enige activiteit waarbij verschillende lidstaten betrokken zijn, is een handeling waarbij het douanekantoor van plaatsing en het douanekantoor van aanzuivering niet dezelfde zijn;
d) een aanvraag voor een vergunning voor tijdelijke invoer waarbij meer dan één lidstaat is betrokken, is gedaan op basis van een douaneaangifte op het standaardformulier.
In dergelijke gevallen stelt de douaneautoriteit die de beschikking heeft gegeven de gegevens van de vergunning aan de andere betrokken douaneautoriteiten ter beschikking.
2. In de volgende gevallen geeft de bevoegde douaneautoriteit een beschikking op een aanvraag af zonder raadpleging van de andere betrokken douaneautoriteiten zoals bedoeld in artikel 260 van deze verordening en zonder de gegevens van de vergunning aan de andere betrokken douaneautoriteiten ter beschikking te stellen in overeenstemming met lid 1:
a) wanneer een ATA- of CPD-carnet wordt gebruikt;
b) wanneer een vergunning voor tijdelijke invoer wordt verleend door vrijgave van de goederen voor de desbetreffende douaneregeling in overeenstemming met artikel 262 van deze verordening;
c) wanneer twee of meer van de betrokken lidstaten hierover overeenstemming hebben bereikt;
d) wanneer de enige activiteit waarbij verschillende lidstaten zijn betrokken, uit de overbrenging van de goederen bestaat.”
“Art. 14 IA
Raadpleging tussen de douaneautoriteiten
1. Wanneer een beschikkingsbevoegde douaneautoriteit een douane- autoriteit van een andere betrokken lidstaat moet raadplegen over de vervulling van de vereiste voorwaarden en criteria om een gunstige beschikking te nemen, vindt deze raadpleging plaats binnen de voor de betreffende beschikking voorgeschreven termijn. De beschikkings- bevoegde douaneautoriteit stelt een raadplegingstermijn vast die aanvangt vanaf de datum waarop deze douaneautoriteit de voorwaarden en criteria meedeelt die door de geraadpleegde douaneautoriteit moeten worden onderzocht.
Wanneer de geraadpleegde douaneautoriteit na het in de eerste alinea bedoelde onderzoek vaststelt dat de aanvrager niet aan een of meer voorwaarden en criteria voldoet om een gunstige beschikking te kunnen nemen, bezorgt zij haar resultaten, naar behoren gedocumenteerd en met argumenten onderbouwd, aan de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit.
2. De overeenkomstig lid 1 vastgestelde raadplegingstermijn kan in elk van de volgende gevallen door de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit worden verlengd:
a) wanneer gelet op de aard van de te verrichten onderzoeken de geraadpleegde autoriteit om meer tijd verzoekt;
b) wanneer de aanvrager aanpassingen uitvoert om te garanderen dat wordt voldaan aan de voorwaarden en criteria zoals bedoeld in lid 1, en deze meedeelt aan de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit, die de geraadpleegde douaneautoriteit daarvan vervolgens in kennis stelt.
3. Wanneer de geraadpleegde douaneautoriteit niet antwoordt binnen de overeenkomstig de leden 1 en 2 vastgestelde raadplegingstermijn, wordt aan de voorwaarden en criteria waarvoor de raadpleging heeft plaatsgevonden, geacht te zijn voldaan.
4. De in de leden 1 en 2 vastgelegde raadplegingsprocedure kan ook worden toegepast voor de herziening van en het toezicht op een beschikking.”
VIII.9. Nummering en identificatie van de types douane entrepot
57. Elke vergunning douane-entrepot krijgt een individueel vergunningsnummer, die bovenaan de vergunning zal worden vermeld.
58. Het in vak 18 van de vergunning te vermelden identificatienummer is samengesteld uit de letter die het type entrepot weergeeft, het individueel volgnummer en de letter van de dienst van afgifte.
De letters voor het type entrepot zijn de volgende:
- U voor een particulier entrepot
- R voor een publiek entrepot type I
- S voor een publiek entrepot type II
Door de Centrale Component KLAMA zullen nieuwe nummerreeksen in voormelde zin worden voorzien.
59. Vermits voor het entrepot van het type III de oprichting bij ministerieel besluit wordt bepaald en geen vergunning is vereist, is geen individueel vergunningsnummer voorgeschreven.
VIII.10. Bijzonderheden inzake het bepalen van de douanewaarde van goederen na opslag in een douane entrepot
“Art. 128 IA
1. De transactiewaarde van de goederen die zijn verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, wordt bepaald op het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte op basis van de verkoop die onmiddellijk voordat de goederen het douanegebied zijn binnengebracht, heeft plaatsgevonden.
2. Wanneer de goederen voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie worden verkocht niet voordat zij dat douanegebied zijn binnengebracht, maar terwijl zij zich in tijdelijke opslag bevinden of onder een andere bijzondere regeling zijn geplaatst dan de regeling intern douanevervoer, bijzondere bestemming of passieve veredeling, wordt de transactiewaarde op basis van die verkoop vastgesteld”
60. Artikel 128 van de IA bepaalt nieuwe voorwaarden voor de bepaling van de transactiewaarde. Het tweede lid van dit artikel heeft betrekking op de gevallen waarbij goederen, die bij aankomst in de EU nog niet zijn verkocht voor uitvoer naar de EU, en niet werden aangegeven voor het vrije verkeer, maar onder een bijzondere regeling, zoals het douane-entrepot zijn geplaatst.
61. De douanewaarde wordt bepaald op basis van de prijs van de verkoop die plaatsvindt tijdens de opslag in het entrepot indien:
- Er geen verkoop was onmiddellijk voorafgaand aan het binnenbrengen van de goederen in het douanegebied van de EU, en
- Er is een verkoop die plaatsvindt in het douane-entrepot maar dit is geen verkoop tussen twee EU partijen, en
- De verkoop die plaatsvindt in het douane-entrepot voldoet aan de voorwaarden van het artikel 70, § 3 van het DWU:
- er zijn geen beperkingen ten aanzien van de overdracht of het gebruik van de goederen door de koper behalve deze bij wet opgelegd, de geografische beperkingen of de beperkingen die de douanewaarde niet aanzienlijk beïnvloeden;
- de verkoop of de prijs is niet afhankelijk gesteld van enige voorwaarde of prestatie waarvan de waarde niet kan worden vastgesteld;
- geen enkel deel van de opbrengst van elke latere wederverkoop of overdracht of later gebruik van de goederen door de koper komt direct of indirect ten goede aan de verkoper tenzij een toepasselijke aanpassing kan worden aangebracht;
- koper en verkoper zijn niet verbonden of hun verbondenheid is niet van dien aard dat de prijs erdoor wordt beïnvloed.
Er moet tevens worden opgemerkt dat de verkoop die in aanmerking dient te worden genomen voor de bepaling van de douanewaarde aan de criteria moet voldoen van ‘goederen verkocht voor uitvoer’ maar in de context van art. 128, § 2 IA.
IX. Slotbepalingen
62. Voor zover niet opgenomen in of in tegenspraak met onderhavige instructie en de vermelde wettelijke bepalingen, blijven de bepalingen opgenomen in de instructie douane-entrepots 1996 van toepassing.
Voor de Administrateur-generaal van Financiën,
De adviseur-generaal dd
Joëlle Delvaux
Bijlagen
Bijlage 1: Wettelijke bepalingen in het DWU, DA, IA en TDA en bijlagen inzake douane-entrepots
| DWU | DA | IA | TDA |
|---|---|---|---|
| Definitie : art. 5, 35) Ontheffing aanvullende aangifte: art. 167 Toepassingsgebied: art. 210 Vergunning: art. 211 Administratie: art. 214 Zuivering: art. 215 Overdracht van rechten en plichten: art. 218 Verkeer van goederen (overbrengingen): art. 219 Gebruikelijke behandelingen: art. 220 Equivalente goederen: art. 223, lid 2, a) Opslag – toepassingsgebied: art. 237 Duur van de opslag: art. 238 Opslag in douane-entrepots: art. 240 Veredeling in douane-entrepot: art. 241 Verantwoordelijkheden: art. 242 | Definitie: art. 1, 32) en 33) Equivalente goederen: art. 169 Aanvraag vergunning: art. 171 Opslag van Uniegoederen en niet-Uniegoederen: art.177 Administratie: art. 178 Overbrenging: art. 179 Gebruikelijke behandelingen: art. 180 Detailhandel: art. 201 Speciaal ingerichte opslagruimten: art. 202 Soorten opslagruimten: art. 203 | Definitie: art. 1, 11) Vergunning - raadplegingsprocedure: art. 260-263 Zuivering van de regeling: art. 264 Overdracht van rechten en plichten: art. 266 Verkeer van goederen (overbrenging): art. 267 Equivalente goederen: art. 268-269 | Formulieren voor aanvragen en vergunningen voor bijzondere regelingen: art. 22 Bijlage A: gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aanvragen en beschikkingen Bijlage 12 TDA: in de overgangsmaatregel te gebruiken aanvragen en vergunningen Bijlage 71-02 DA: lijst van gevoelige goederen en producten Bijlage 71-03 DA: lijst van toegestane gebruikelijke handelingen Bijlage 71-04 DA: bijzondere bepalingen inzake equivalente goederen |
Bijlage 2: Model aanvraagformulier
Bijlage 3: Model vergunning en toelichtingen bij de formulieren
Bijlage 3 bis: Toelichting bij de formulieren of nationale IT systemen voor andere bijzondere regelingen dan douanevervoer
Titel I - Op het aanvraagformulier in te vullen gegevens
1. Aanvrager
Volledige naam, adres en EORI-nummer van de aanvrager. De aanvrager is degene aan wie de vergunning moet worden afgegeven.
2. Douaneregeling
Vermeld de douaneregeling waaronder de in vak 7 vermelde goederen zullen worden geplaatst. De mogelijke douaneregelingen zijn:
- Bijzondere bestemming
- Tijdelijke invoer
- douane-entrepot
- actieve veredeling
- passieve veredeling
Opmerking:
1. Als een vergunning wordt aangevraagd voor het gebruik van meer dan één douaneregeling, moeten afzonderlijke formulieren worden gebruikt.
2. Voor het gebruik van de regeling douane-entrepot is geen vergunning vereist; voor het beheer van een opslagruimte voor het douane-entrepot van goederen is wel een vergunning vereist.
3. Soort aanvraag
In dit vak moet het soort aanvraag worden vermeld aan de hand van ten minste een van de volgende codes:
1 = eerste aanvraag
2 = aanvraag voor wijziging of verlenging van de vergunning (onder opgave van het nummer van de desbetreffende vergunning)
3 = aanvraag voor een vergunning waarbij meer dan één lidstaat is betrokken
4 = aanvraag voor achtereenvolgende vergunningen (actieve veredeling)
4. Aanvullende formulieren
Aantal aanvullende formulieren dat bij deze aanvraag is gevoegd.
Opmerking:
Voor de volgende douaneregelingen bestaan aanvullende formulieren:
Douane-entrepot, actieve veredeling (indien nodig) en passieve veredeling (indien nodig)
5. Plaats van boekhouding/administratie en soort boekhouding/administratie
Vermeld de plaats waar de hoofdboekhouding voor douanedoeleinden wordt bijgehouden of toegankelijk is. Vermeld ook het soort boekhoudsysteem dat wordt gebruikt.
Vermeld ook de plaats waar de administratie wordt bijgehouden en het soort administratie (voorraadadministratie) dat voor de douaneregeling zal worden gebruikt. Administratie betekent: de gegevens die alle noodzakelijke informatie en technische bijzonderheden bevatten aan de hand waarvan de douaneautoriteiten toezicht en controle kunnen uitoefenen op de douaneregeling.
Opmerking:
Bij tijdelijke invoer moet vak 5 uitsluitend worden ingevuld indien de douaneautoriteiten dit vragen.
6. Geldigheidsduur van de vergunning
Vermeld in vak 6a de datum waarop de vergunning in werking zou moeten treden (dag/maand/jaar). In principe kan de vergunning niet eerder in werking treden dan op de dag van afgifte. Vermeld in dit geval „datum van afgifte”. Een vervaldatum kan in vak 6b worden voorgesteld.
7. Onder de douaneregeling te plaatsen goederen
GN-code
Vermeld de code van de gecombineerde nomenclatuur (GN-code = acht cijfers).
Omschrijving
Geef de handelsbenaming en/of een technische beschrijving van de goederen.
Hoeveelheid
Vermeld de geraamde hoeveelheid onder de douaneregeling te plaatsen goederen.
Waarde
Vermeld de geraamde waarde in euro of in een andere valuta van de onder de douaneregeling te plaatsen goederen.
Opmerking:
Bijzondere bestemming:
1. Indien de aanvraag betrekking heeft op andere dan de hieronder in punt 2 vermelde goederen, dient in het deelvak „GN-code” in voorkomend geval de Taric-code te worden vermeld (10 of 14 cijfers).
2. Indien de aanvraag betrekking heeft op goederen in het kader van de bijzondere bepalingen (deel A en B) van de inleidende bepalingen van de gecombineerde nomenclatuur (producten bestemd voor bepaalde soorten schepen en voor boor- en werkeilanden/burgerluchtvaartuigen en producten bestemd voor burgerluchtvaartuigen), zijn de GN-codes niet vereist. Aanvragers dienen in het deelvak „Omschrijving” bijvoorbeeld:
„Burgerluchtvaartuigen en delen daarvan/bijzondere bepalingen, deel B van de GN” te vermelden. In dat geval hoeven ook de GN-code, de hoeveelheid en de waarde van de goederen niet te worden vermeld.
Douane-entrepot:
Indien de aanvraag betrekking heeft op verschillende soorten goederen, kan in het deelvak „GN-code”„diverse” worden vermeld. Omschrijf in dat geval de aard van de goederen die moeten worden opgeslagen, in het deelvak „Omschrijving”. De GN-code, de hoeveelheid en de waarde van de goederen hoeven niet te worden vermeld.
Actieve en passieve veredeling:
GN-code de viercijfercode mag worden vermeld.
De achtcijfercode moet evenwel worden vermeld wanneer equivalente goederen of het systeem uitwisselingsverkeer zullen worden gebruikt.
Omschrijving: De handelsbenaming en/of technische beschrijving moet voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om op de aanvraag te kunnen beschikken. Verstrek gegevens over de handelskwaliteit en technische kenmerken van de goederen wanneer het voornemen bestaat equivalente goederen of het systeem uitwisselingsverkeer te gebruiken.
8. Veredelingsproducten
Algemene opmerking:
Vermeld de gegevens van alle veredelingsproducten die bij de veredeling ontstaan, met opgave van zowel de hoofdveredelingsproducten als de bijkomende veredelingsproducten, naargelang het geval.
GN-code en omschrijving: Zie uitleg voor vak 7.
9. Omschrijving van de voorgenomen werkzaamheden
Omschrijf de aard van de voorgenomen werkzaamheden (bv. gegevens over de werkzaamheden in het kader van een loonveredelingscontract of het soort gebruikelijke behandelingen) ten aanzien van de goederen onder de douaneregeling. Vermeld ook de plaats(en) waar deze werkzaamheden zullen worden uitgevoerd.
Indien meer dan één douanedienst bij de aanvraag is betrokken, dienen zowel de namen van de lidstaten als de plaatsen te worden vermeld.
Opmerking:
Bij „bijzondere bestemming” dient de voorgenomen bestemming te worden vermeld en de plaats(en) waar de goederen de bijzondere bestemming zullen krijgen.
Vermeld indien van toepassing de naam, het adres en de functie van andere betrokken bedrijven.
Bij tijdelijke invoer moet de eigenaar van de goederen worden vermeld.
10. Economische voorwaarden
In geval van de regeling actieve veredeling moet de aanvrager vermelden waarom aan de economische voorwaarden wordt voldaan door ten minste een van de in het aanhangsel genoemde tweecijfercodes te gebruiken voor elke GN-code die in vak 7 is vermeld.
11. Douanekanto(o)r(en)
a) van plaatsing
b) van aanzuivering
c) controlekanto(o)r(en)
Vermeld het(de) voorgestelde douanekanto(o)r(en).
Opmerking:
Bij bijzondere bestemming hoeft vak 11b niet te worden ingevuld.
12. Identificatie
Vermeld de beoogde identificatiemiddelen door ten minste een van de volgende codes te gebruiken:
1 = volgnummer of fabricagenummer
2 = loodjes, zegels, stempels of andere merktekens 3 = inlichtingenblad INF
4 = monsters, stalen, tekeningen of technische beschrijvingen 5 = analyses
6 = inlichtingenblad in bijlage ex 104 (uitsluitend bestemd voor passieve veredeling)
7 = andere identificatiemiddelen (geef een toelichting in vak 16
„Aanvullende informatie”)
8 = geen identificatiemaatregelen (uitsluitend bestemd voor tijdelijke invoer)
Opmerking:
Bij de regeling douane-entrepot moet dit vak slechts worden ingevuld indien de douaneautoriteiten dit vragen.
Vak 12 hoeft niet te worden ingevuld bij gebruik van equivalente goederen. In plaats daarvan moeten de aanvullende formulieren worden ingevuld.
13. Aanzuiveringstermijn (maanden)
Vermeld de termijn die naar verwachting nodig zal zijn voor het uitvoeren van de handelingen of voor het gebruik in het kader van de gevraagde douaneregeling(en) (vak 2). De termijn vangt aan wanneer de goederen onder de douaneregeling worden geplaatst en eindigt wanneer de goederen of producten onder een volgende douaneregeling zijn geplaatst, zijn wederuitgevoerd of gehele of gedeeltelijke vrijstelling van rechten bij invoer is verkregen wanneer zij in het vrije verkeer worden gebracht na passieve veredeling.
Opmerking:
Voor goederen met een bijzondere bestemming dient de periode te worden vermeld die nodig zal zijn om de goederen de voorgeschreven bijzondere bestemming te geven of om de goederen aan een andere vergunninghouder over te dragen. Aangezien de termijn in het geval van de regeling douane-entrepot van onbepaalde duur is, hoeft dit vak niet te worden ingevuld.
Bij actieve veredeling: wanneer de aanzuiveringstermijn op een bepaalde datum afloopt voor alle goederen die in een bepaalde periode onder de regeling zijn geplaatst, kan in de vergunning worden bepaald dat de aanzuiveringstermijn automatisch wordt verlengd voor alle goederen die zich op die datum nog onder de regeling bevinden. Indien deze vereenvoudiging wordt aangevraagd, vermeld „artikel 174, lid 2” en geef nadere informatie in vak 16.
14. Soort aangifte
Vak 14a:
Vermeld het soort aangifte dat zal worden gebruikt om goederen onder de regeling te plaatsen, met behulp van ten minste een van de volgende codes:
1 = standaard aangifte (overeenkomstig artikel 162 van het wetboek)
2 = vereenvoudigde aangifte (overeenkomstig artikel 166 van het wetboek)
3 = inschrijving in de administratie van de aangever (overeenkomstig artikel 182 van het wetboek)
Vak 14b:
Vermeld het soort aangifte dat zal worden gebruikt om de regeling aan te zuiveren, met behulp van ten minste een van de volgende codes: Zie vak 14a.
Opmerking:
Bij de regeling bijzondere bestemming hoeft vak 14 niet te worden ingevuld.
15. Overdracht
Wanneer het de bedoeling is dat rechten en plichten zullen worden overgedragen, geef nadere informatie.
16. Aanvullende informatie
Verstrek in voorkomend geval de volgende aanvullende informatie: Soort zekerheidstelling
Zekerheidstelling (ja/nee) Douanekantoor van zekerheidstelling Bedrag zekerheid
Berekeningswijze:
Duid, in het geval van de regeling actieve veredeling, wanneer er sprake is van een douaneschuld, of het bedrag aan invoerrechten overeenkomstig artikel 86, lid 3, van het wetboek zal worden berekend. (ja/nee)
Aanzuiveringsafrekening
Geldt er ontheffing van het vereiste om een aanzuiveringsafrekening in te dienen? (ja/nee)
Vermeld alle aanvullende informatie die nuttig wordt geacht.
17. Handtekening/datum/naam
Bij gebruik van een aanvullend formulier dient in plaats hiervan alleen het desbetreffende vak (22, 23 of 26) te worden ingevuld.
Titel II - Toelichtingen bij de aanvullende formulieren - Aanvullend formulier „douane-entrepot”
18. Type entrepot
Vermeld een van de volgende types: Publiek entrepot type I
Publiek entrepot type II Particulier entrepot
19. Entrepot of opslagruimten
Nauwkeurige vermelding van de plaats die als douane-entrepot of andere opslagruimte zal worden gebruikt.
20. Termijn voor het overleggen van de voorraadstaat
Stel een termijn voor.
21. Verliespercentage
Geef nadere informatie, indien van toepassing, over verliespercentage(s).
22. Opslag van niet onder de regeling geplaatste goederen
GN-code en omschrijving
Vermeld de achtcijferige GN-code, de handelskwaliteit en de technische kenmerken van de goederen wanneer het voornemen bestaat om gebruik te maken van equivalente goederen of gemeenschappelijke opslagruimte. Indien van toepassing, vermeld de eventuele douaneregeling die op de goederen van toepassing is.
23. Gebruikelijke behandelingen
Vul dit vak in wanneer het voornemen bestaat om gebruikelijke behandelingen te verrichten.
24. Tijdelijke uitslag
Doel:
In te vullen indien het de bedoeling is dat de goederen het entrepot tijdelijk verlaten.
Bijlage 4: Bijlage 71-02 - Gevoelige goederen en producten
Deze bijlage ziet op de volgende goederen:
(1) De volgende landbouwproducten die onder een van de volgende sectoren van de gemeenschappelijke marktordening (GMO) vallen:
Sector rundsvlees: de in artikel 1, lid 2, onder o), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel XV van bijlage I bij die verordening;
Sector varkensvlees: de in artikel 1, lid 2, onder q), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel XVII van bijlage I bij die verordening;
Sector schapen- en geitenvlees: de in artikel 1, lid 2, onder r), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel XVIII van bijlage I bij die verordening;
Sector eieren: de in artikel 1, lid 2, onder s), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel XIX van bijlage I bij die verordening;
Sector pluimveevlees: de in artikel 1, lid 2, onder t), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel XX van bijlage I bij die verordening;
Bijenteeltproducten: de in artikel 1, lid 2, onder v), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel XXII van bijlage I bij die verordening;
Sector granen: de in artikel 1, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel I van bijlage I bij die verordening;
Sector rijst: de in artikel 1, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel II van bijlage I bij die verordening;
Sector suiker: de in artikel 1, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel III van bijlage I bij die verordening;
Sector olijfolie: de in artikel 1, lid 2, onder g), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel VII van bijlage I bij die verordening;
Sector melk en zuivelproducten: de in artikel 1, lid 2, onder p), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel XVI van bijlage I bij die verordening;
Sector wijn: de in artikel 1, lid 2, onder l), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel XII van bijlage I bij die verordening;
0806 10 90
2009 61
2009 69
2204 21 (met uitzondering van BOB- en BGA-kwaliteitswijnen)
2204 29 (met uitzondering van BOB- en BGA-kwaliteitswijnen) 2204 30
(2) Ethylalcohol en gedistilleerde dranken vallende onder GN-codes:
2207 10
2207 20
2208 40 39 - 2208 40 99
2208 90 91 - 2208 90 99
(3) ex 2401 ruwe en niet tot verbruik bereide tabak
(4) Andere dan de onder 1 en 2 bedoelde producten waarvoor een uitvoerrestitutie voor landbouwproducten geldt.
(5) De visserijproducten die zijn opgenomen in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten en de producten die zijn opgenomen in bijlage V bij die verordening waarop een gedeeltelijke autonome schorsing van toepassing is.
(6) Alle visserijproducten waarop een autonoom contingent van toepassing is.
Bijlage 5: Bijlage 71-04 - Bijzondere bepalingen inzake equivalente goederen
I. Douane-entrepot, actieve en passieve veredeling
Traditioneel geproduceerde goederen en biologische goederen
Het is niet toegestaan:
- biologische goederen te vervangen door traditioneel geproduceerde goederen; en
- traditioneel geproduceerde goederen te vervangen door biologische goederen.
II. Actieve veredeling
(1) Rijst
Onder GN-code 1006 ingedeelde rijst wordt niet geacht equivalent te zijn tenzij deze onder dezelfde achtcijfercode van de gecombineerde nomenclatuur is ingedeeld. Voor rijst met een lengte van niet meer dan 6 mm en een lengte/breedte-verhouding van 3 of meer en voor rijst met een lengte van 5,2 mm of minder en een lengte/breedte-verhouding van 2 of meer wordt de equivalentie evenwel uitsluitend bepaald door de lengte/breedte-verhouding. De meting van de korrels geschiedt overeenkomstig de bepalingen van bijlage A, punt 2, onder d), van Verordening (EG) nr. 3072/95 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt.
(2) Tarwe
Equivalentieverkeer is uitsluitend toegestaan tussen tarwe die in een derde land is geoogst en reeds in het vrije verkeer is gebracht, en niet- EU-tarwe die onder dezelfde achtcijfercode van de GN is ingedeeld en dezelfde handelskwaliteit en dezelfde technische kenmerken heeft.
Niettemin:
- kunnen afwijkingen op het verbod tot gebruik van equivalente goederen worden toegestaan door middel van een mededeling van de Commissie aan de lidstaten, na onderzoek van het Comité;
- is equivalentieverkeer toegestaan tussen harde EU-tarwe en harde tarwe uit derde landen, mits deze bestemd is voor de vervaardiging van deegwaren van de GN-codes 1902 11 00 en 1902 19.
(3) Suiker
Equivalentieverkeer is toegestaan tussen ruwe niet-EU-rietsuiker (GN- codes 1701 13 90 en/of 1701 14 90) en suikerbiet (GN-code 1212 91 80), mits veredelingsproducten worden verkregen die zijn ingedeeld onder GN- code 1701 99 10 (witte suiker).
De equivalente hoeveelheid ruwe rietsuiker van de standaardkwaliteit zoals gedefinieerd in punt III van deel B van bijlage III bij Verordening (EU) nr. 1308/2013 wordt berekend door de hoeveelheid witte suiker te vermenigvuldigen met de coëfficiënt 1,0869565.
De equivalente hoeveelheid ruwe rietsuiker die niet van de standaardkwaliteit is, wordt berekend door de hoeveelheid witte suiker te vermenigvuldigen met een coëfficiënt die wordt verkregen door 100 te delen door het rendement van ruwe rietsuiker. Het rendement van ruwe rietsuiker wordt berekend zoals bepaald in punt III van deel B van bijlage III bij Verordening (EU) nr. 1308/2013.
(4) Levende dieren en vlees
Equivalente goederen mogen niet worden gebruikt bij de actieve veredeling van levende dieren of vlees.
Afwijkingen op het verbod tot gebruik van equivalente goederen voor vlees kunnen worden toegestaan door middel van een mededeling van de Commissie aan de lidstaten, na onderzoek door een instantie bestaande uit vertegenwoordigers van de douanediensten van de lidstaten, indien de aanvrager kan aantonen dat het equivalentieverkeer economisch noodzakelijk is en indien de douaneautoriteiten het ontwerp van de geplande controlemaatregelen voorleggen.
(5) Mais
Equivalentieverkeer tussen EU-mais en niet-EU-mais is uitsluitend toegestaan voor:
(1) mais die voor de vervaardiging van diervoeder is bestemd, indien de douane erop toeziet dat de niet-EU-mais daadwerkelijk tot diervoeder wordt verwerkt;
(2) mais die voor de vervaardiging van zetmeel en zetmeelproducten is bestemd, tussen alle variëteiten met uitzondering van de variëteiten met een hoog gehalte aan amylopectine (wasachtige mais of „waxy mais”), die uitsluitend onderling equivalent zijn;
(3) mais die voor de vervaardiging van meelproducten is bestemd, tussen alle variëteiten met uitzondering van glasachtige maissoorten („Plata”-mais van het type „Duro”, „Flint”-mais), die uitsluitend onderling equivalent zijn.
(6) Olijfolie
A. Equivalentieverkeer is uitsluitend toegestaan in de volgende gevallen:
(1) voor olijfolie van de eerste persing:
a) tussen extra EU-olijfolie van de eerste persing van GN-code 1509 10 90 die voldoet aan de beschrijving in punt 1, onder a), van deel VIII van bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 1308/2013, en extra niet-EU-olijfolie van de eerste persing van dezelfde GN-code, mits bij de veredeling extra olijfolie van de eerste persing wordt verkregen die onder dezelfde GN- code is ingedeeld en die aan de eisen van voornoemd punt 1, onder a), voldoet;
b) tussen EU-olijfolie van de eerste persing van GN-code 1509 10 90 die voldoet aan de beschrijving in punt 1, onder b), van deel VIII van bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 1308/2013, en niet-EU-olijfolie van de eerste persing van dezelfde GN-code, mits bij de veredeling olijfolie van de eerste persing wordt verkregen die onder dezelfde GN-code is ingedeeld en die aan de eisen van voornoemd punt 1, onder b), voldoet;
c) tussen EU-olijfolie van de eerste persing, voor verlichting, van GN- code 1509 10 10 die voldoet aan de beschrijving in punt 1, onder c), van deel VIII van bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 1308/2013, en niet- EU- olijfolie van de eerste persing, voor verlichting, van dezelfde GN-code, mits het veredelingsproduct:
- geraffineerde olijfolie is van GN-code 1509 90 00 die voldoet aan de beschrijving in punt 2 van deel VIII van bovengenoemde bijlage VII, of
- olijfolie is van GN-code 1509 90 00 die voldoet aan de beschrijving in punt 3 van bovengenoemde van deel VIII van bovengenoemde bijlage VII en verkregen is door vermenging met EU-olijfolie van de eerste persing van GN-code 1509 10 90.
(2) voor olie uit perskoeken van olijven:
tussen ruwe EU-olie uit perskoeken van olijven van GN-code 1510 00 10 die voldoet aan de beschrijving in punt 4 van deel VIII van bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 1308/2013, en ruwe niet-EU-olie uit perskoeken van olijven van dezelfde GN-code, mits het veredelingsproduct olie uit perskoeken van olijven is van GN-code 1510 00 90 die voldoet aan de beschrijving in punt 6 van deel VIII van bovengenoemde bijlage VII en verkregen is door vermenging met EU-olijfolie van de eerste persing van GN-code 1509 10 90.
B. De menging van de in punt A, 1), onder c), tweede streepje, en in punt A, 2), bedoelde oliën met niet-EU-olijfolie van de eerste persing die op dezelfde wijze wordt gebruikt, is uitsluitend toegestaan indien de controle op de regeling zodanig is dat het aandeel niet-EU-olie van de eerste persing in de totale hoeveelheid uitgevoerde gemengde olie kan worden vastgesteld.
C. De veredelingsproducten dienen te worden verpakt in onmiddellijke verpakkingen met een inhoud van 220 liter of minder. In afwijking hiervan kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat de in de voorgaande punten omschreven olie wordt uitgevoerd in toegelaten containers van maximaal 20 ton, mits de hoeveelheid en de kwaliteit van het uitgevoerde product systematisch worden gecontroleerd.
D. De equivalentie wordt, wat de voor de menging gebruikte hoeveelheid olie betreft, gecontroleerd aan de hand van de administratie van de onderneming. Voor de controle van de kwaliteit wordt een vergelijking gemaakt van de technische kenmerken van de monsters van de niet-EU-olie, genomen toen de olie onder de regeling werd geplaatst, met de technische kenmerken van de monsters van de EU-olie, genomen toen het betrokken veredelingsproduct werd verwerkt, en met de technische kenmerken van de monsters, genomen op de plaats van uitgang toen het veredelingsproduct daadwerkelijk werd uitgevoerd. Monsters worden genomen volgens de internationale normen EN ISO 5555 (bemonstering) en EN ISO 661 (verzending van monsters naar laboratoria en preparatie van monsters voor proefnemingen). De analyse wordt verricht volgens het bepaalde in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2568/91 van de Commissie.
(7) Melk en zuivelproducten
Het gebruik van equivalentieverkeer is toegestaan onder de volgende voorwaarden:
Het gewicht van elk bestanddeel melkdrogestof, melkvetstof en melkeiwitten in de invoergoederen mag niet hoger zijn dan het gewicht van elk van deze bestanddelen in de equivalente goederen.
Wanneer de economische waarde van de onder de regeling actieve veredeling te plaatsen goederen evenwel door slechts een of twee van vorengenoemde bestanddelen wordt bepaald, kan het gewicht worden berekend aan de hand van dit bestanddeel of deze bestanddelen. In de vergunning worden nadere gegevens vermeld, met name de referentieperiode waarover het totale gewicht moet worden berekend. De referentieperiode mag niet langer zijn dan vier maanden.
Het gewicht van het betrokken bestanddeel of de betrokken bestanddelen van de onder de regeling actieve veredeling te plaatsen goederen en van de equivalente goederen wordt vermeld in de desbetreffende douaneaangiften en INF, zodat de douaneautoriteiten de equivalentie aan de hand van deze elementen kunnen controleren.
III. Passieve veredeling
Het gebruik van equivalente goederen is niet toegestaan voor goederen die onder bijlage 71-02 vallen.
Bijlage 6: Voorbeeld van het gebruik van equivalente goederen in een douane-entrepot
De douaneadministratie van Lidstaat (LS) A heeft een vergunning particulier entrepot aan bedrijf X afgeleverd. De vergunning heeft betrekking op meerdere lidstaten met een opslaglocatie in LS A en een opslaglocatie in LS B. Het gebruik van equivalente goederen is toegestaan.
Op 1 mei komen 1000 niet-Unie autobanden aan op de locatie in LS A en worden deze onder de regeling douane-entrepot geplaatst.
Op 20 april komen 100 equivalente autobanden aan in de locatie van LS B en worden in de administratie ingeschreven.
Op 5 mei komen 500 bijkomende equivalente autobanden aan in LS B en deze worden ook opgenomen in de administratie. Tenslotte komen op 10 mei 400 niet-Unie autobanden aan in de locatie van LS B die onder de regeling douane- entrepot worden geplaatst.
Op 1 juni krijgt bedrijf X een bestelling om 1000 autobanden te leveren naar een derde land. Deze autobanden worden geleverd van de locatie in LS B.
De 400 niet-Unie autobanden worden aangegeven voor wederuitvoer en de 600 equivalente autobanden worden aangegeven voor uitvoer op 5 juni en verlaten het douanegebied van de Unie om 18:00 op dezelfde dag. 600 van de niet-Uniegoederen die onder de regeling douane-entrepot in de locatie van de LS A werden Uniegoederen op exact dezelfde tijd als wanneer de equivalente goederen het Douanegebied van de Unie hebben verlaten.
Bijlage 7: Bijlage 71-03 - Lijst van toegestane gebruikelijke behandelingen
(Artikel 220 van het wetboek)
Tenzij anders vermeld, kan geen van de navolgende behandelingen aanleiding geven tot een indeling onder een andere achtcijfercode van de GN:
(1) het luchten, uitspreiden, drogen, stof wegruimen, eenvoudige schoonmaakhandelingen, herstelling van de verpakking, eenvoudige herstellingen van gedurende het vervoer of de opslag opgelopen beschadigingen in zoverre dit eenvoudige handelingen betreft, het aanbrengen of weghalen van beschermende bekleding met het oog op het vervoer;
(2) het herconstrueren van goederen na het vervoer;
(3) het inventariseren, het nemen van monsters, het sorteren, zeven, mechanisch filteren of wegen van de goederen;
(4) het verwijderen van beschadigde of aangetaste delen;
(5) het verbeteren van de houdbaarheid van de goederen door middel van pasteurisatie, sterilisatie, bestraling of toevoeging van bewaarmiddelen;
(6) het behandelen tegen parasieten;
(7) het behandelen tegen roest;
(8) behandelingen die slechts bestaan uit:
- het verhogen van de temperatuur, zonder verdere behandeling of distillatie, of
- het verlagen van de temperatuur,
ook indien dit tot indeling onder een andere achtcijfercode van de GN leidt;
(9) elektrostatische behandeling, het ontkreuken of strijken van textiel;
(10) behandelingen bestaande uit:
- het verwijderen van steeltjes en/of pitten van fruit, het in stukken breken of snijden van gedroogde groenten en fruit, de rehydratering van fruit, of
- de dehydratering van fruit, ook indien dit tot indeling onder een andere achtcijfercode van de GN leidt;
(11) het ontzilten, schoonmaken en crouponeren van huiden;
(12) het toevoegen van goederen of toevoeging of vervanging van bijkomende componenten zolang deze toevoeging of vervanging relatief beperkt is en slechts bedoeld om aan technische eisen te voldoen en de aard of de prestaties van de oorspronkelijke goederen hierdoor niet worden gewijzigd of verbeterd, ook indien dit tot indeling van de toegevoegde of vervangende goederen onder een andere achtcijfercode van de GN leidt;
(13) het verdunnen of indikken van vloeistoffen, zonder verdere behandeling of distillatie, ook indien dit tot indeling onder een andere achtcijfercode van de GN leidt;
(14) het mengen van dezelfde soort goederen, van verschillende kwaliteit, om een constante kwaliteit te verkrijgen of een kwaliteit waarom de afnemer heeft gevraagd, zonder dat de aard van de goederen hierdoor wordt gewijzigd;
(15) het mengen van gas- of stookolie zonder biodiesel met gas- of stookolie met biodiesel, ingedeeld onder hoofdstuk 27 van de GN, om een constante kwaliteit te verkrijgen of een kwaliteit waar de afnemer om heeft gevraagd, zonder dat de aard van de goederen hierdoor wordt gewijzigd, ook indien dit tot indeling onder een andere achtcijfercode van de GN leidt;
(16) het mengen van gas- of stookolie met biodiesel zodat het verkregen mengsel minder dan 0,5 volumepercent aan biodiesel bevat, en het mengen van biodiesel met gas- of stookolie zodat het verkregen mengsel minder dan 0,5 volumepercent aan gas- of stookolie bevat;
(17) het opdelen of in stukken snijden van de goederen indien dit op eenvoudige wijze is te doen;
(18) het verpakken, uitpakken, ompakken, het overgieten of overbrengen in een andere verpakking, ook indien dit tot indeling onder een andere achtcijfercode van de GN leidt; het bevestigen, verwijderen of wijzigen van merktekens, etiketten, prijskaartjes of andere onderscheidingstekens;
(19) het testen, bijstellen, afstellen en in werking stellen van machines, apparaten en voertuigen, met name om aan technische normen te voldoen, indien het uitsluitend eenvoudige handelingen betreft;
(20) het mat maken van pijpfittingen om deze op bepaalde markten te kunnen verkopen;
(21) het denatureren, ook indien dit tot indeling onder een andere achtcijfercode van de GN leidt;
(22) andere gebruikelijke behandelingen dan de bovenvermelde die tot doel hebben de presentatie of handelskwaliteit van de invoergoederen te verbeteren of deze voor te bereiden op de distributie of wederverkoop, voor zover deze behandelingen de aard van de oorspronkelijke goederen niet wijzigen of de prestaties ervan verbeteren.
———
Interne ref.: D.I. 540.101 - OEO/DD 012.844
