Circulaire nr. 9/2007 (AFZ 5/2007 - Dos. E.E./L.163) d.d. 26.04.2007

Moratoire intrest - Correctionele straf - Taks tot vergoeding - Collectieve beleggingsinstelling - Kredietinstelling - Verzekeringsonderneming

In het Belgisch Staatsblad van 28 december 2006 (Ed. 3) werd de programmawet (I) van 27 december 2006 bekendgemaakt.

Bij deze wet worden - onder meer - de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest en een aantal correctionele geldboeten bepaald in het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en in dat der successierechten, gewijzigd.

De andere wijzigingen die bij voornoemde wet werden doorgevoerd aan de voormelde wetboeken, alsook aan het wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen dat per 1 januari 2007 werd omgevormd tot het Wetboek diverse rechten en taksen, maken het onderwerp uit van andere circulaires.

De uittreksels uit voornoemde wet, die de in deze circulaire besproken wijzigingen betreffen, gaan in bijlage 1.

De gecoördineerde tekst van de gewijzigde bepalingen gaat in bijlage 2.

1. Wijzigingen aan de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest
1.1. Wijziging
Artikel 87 van de voornoemde programmawet (I) van 27 december 2006, wijzigt artikel 2 van de wet van 5 mei 1865.

Bij toepassing van de nieuwe § 1 van artikel 2 van deze wet wordt de wettelijke intrest in burgerlijke en handelszaken voortaan jaarlijks vastgesteld vertrekkende van de EURIBOR-rentevoet.

Evenwel bepaalt de nieuwe § 2 van hezelfde artikel dat :

" De wettelijke rentevoet in fiscale zaken wordt bepaald op 7 percent, zelfs indien de fiscale bepalingen verwijzen naar de wettelijke rentevoet in burgerlijke zaken en voor zover er niet uitdrukkelijk in de fiscale bepalingen wordt van afgeweken.
Deze rentevoet kan bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad worden gewijzigd.".

Vermits er nog geen koninklijk besluit werd uitgevaardigd waarbij de wettelijke intrestvoet in fiscale zaken wordt gewijzigd, moet besloten worden dat die nog steeds 7 % bedraagt en dit in het kader van zowel het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, als in dat der successierechten, als in dat der diverse rechten en taksen (1).

[ (1) De wettelijke grondslag van dit tarief werd daarentegen met ingang van 1 januari 2007, datum van inwerkingtreding van het nieuwe artikel 2 van de wet van 5 mei 1865, wel degelijk gewijzigd. In voorkomend geval zal men daar moeten op letten bij het opstellen van betalingsberichten of dwangbevelen.]

Opmerking wat betreft de niet-fiscale zaken
In tegenstelling met wat de tekst van het nieuwe artikel 2 (van de wet van 5 mei 1965) zou kunnen doen vermoeden, is de intrestvoet in burgerlijke en handelszaken niet meer volledig uniform geregeld. Inderdaad, voor de handelstransacties (2) bestaat er een specifieke wet ingevolge een Europese richtlijn (3).

[ (2) Voor transacties tussen een onderneming en een particulier blijft de gewone wettelijke intrest wel van toepassing
(3) De wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties (B.S. 7 augustus 2002) regelt niet enkel de intrest in geval van te late betaling, maar bepaalt ook de termijnen waarbinnen er moet betaald worden (30 dagen, behoudens andere overeenkomst) en het vertrekpunt ervan (afwijking van de vereiste van een ingebrekestelling). Zij bevestigt ook het principe van recht op vergoeding voor de schuldeiser voor de (redelijke) invorderingskosten die hij heeft moeten maken.
De voet van de wettelijke intrest verschuldigd wegens te late betaling van een handelstransactie wordt per semester bepaald op basis van de referentie-intrestvoet van de Europese Centrale Bank, (ECB), vermeerderd met zeven procentpunten en afgerond tot het hogere halve procentpunt (art. 5 van de wet). Wat onder de "referentie-intrestvoet" wordt verstaan, is bepaald in artikel 2, 4°, van de wet.
De FOD Financiën deelt deze intrestvoet mee. Voor de 1ste semester 2007 bedraagt hij 11% (B.S. 30 januari 2007).
Deze wet is van toepassing op betalingen verschuldigd voor het leveren van goederen of het verrichten van diensten door een onderneming aan een andere onderneming of aan een overheid. In de wet wordt het begrip onderneming zeer ruim gedefinieerd vermits het niet enkel de handelaars - ongeacht of het gaat om de activiteit van een natuurlijke persoon of om die van een vennootschappen - omvat, maar ook de ambachtslieden, de landbouwers en de beoefenaars van een vrij beroep. Dat brengt dus mee dat de overeenkomsten die door deze personen - waaronder dus ook de beoefenaars van een vrij beroep - worden gesloten met andere handelaars, ambachtslieden, landbouwers of beoefenaars van een vrij beroep, onder de toepassing van deze wet vallen. Daarentegen vallen niet onder de toepassing van deze wet de overeenkomsten gesloten met privé-personen die niet in het kader van hun economische bedrijvigheid handelen.
Uittreksel uit "Chroniques notariales", vol. 45, 2007, blz. 23-24.
]

1.2. Inwerkingtreding
Artikel 88 van de programmawet (I) van 27 december 2006 bepaalt dat artikel 87 in werking treedt de eerste dag van de maand na die waarin deze wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Deze wet werd bekendgemaakt op 28 december 2006, zodat de wijziging in werking is getreden op 1 januari 2007.

2. Wijzigingen aan bepaalde correctionele geldstraffen bepaald in het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten
2.1. Wijzigingen
De artikelen 67, 68 en 69 van de programmawet wijzigigen respectievelijk de artikelen 206, 206bis en 207bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.

Het in die artikelen bepaalde maximumbedrag van de geldboete wordt van 12.500 op 125.000 EUR gebracht, wanneer het misdrijf werd begaan in het kader van een registratierecht dat geen gewestelijke belasting is volgens het bepaalde in artikel 3, eerste lid, 6° tot 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten.

In artikel 3, eerste lid, 6° tot 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten wordt bepaald:

6° het registratierecht op de overdrachten ten bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voorzover het een inbreng betreft door een natuurlijk persoon van een woning in een Belgische vennootschap;

7° het registratierecht op :

a) de vestiging van een hypotheek op een in België gelegen onroerend goed;

b) de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in België gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder medeëigenaars van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen bedoeld in de

artikelen 745 quater en 745 quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is;

8° het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen;

De verhoging vindt dus geen toepassing in het kader van de hiervoor opgesomde registratierechten die gewestelijke belastingen zijn geworden (4).

[ (4) Volgens de Raad van State is de federale wetgever niet meer bevoegd om een regeling uit te werken inzake strafrechtelijke sancties in het kader van gewestbelastingen geworden belastingen (uitzondering: de federale wetgever kan nog sancties vaststellen voor schending van procedureregels die hij nog kan uitvaardigen zolang hij zorgt voor de dienst van de belastingen in kwestie). De Raad van State heeft gesteld dat om reden van de rechtszekerheid en van voorspelbaarheid van de strafwet, de federale wetgever daarom uitdrukkelijk dient te bepalen dat de wijzigingen die hij in de strafrechtelijke sancties aanbrengt, enkel van toepassing zijn op de registratierechten die federaal zijn gebleven (zie DOC51 2773/002 blz. 399). De wetgever heeft - met hetzelfde resultaat - gekozen voor de inverse oplossing: een uitdrukkelijke bepaling dat de wijzigingen niet van toepassing zijn in het kader van de gewestbelastingen geworden registratierechten.]

De verhoging van de geldboetes vindt daarentegen wel toepassing op misdrijven die in het kader van federaal gebleven registratierechten zijn begaan.

vb. registratierecht op verhuring, onderverhuring of overdracht van huur van in België gelegen onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen.

2.2. Inwerkingtreding
Vermits de wet geen bijzondere bepaling terzake bevat, moeten de bepalingen die de verhogingen van de strafrechtelijke geldboeten doorvoeren, geacht worden in werking te zijn getreden de tiende dag na hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad (wet van 31 mei 1961, art. 4) d.w.z. op 7 januari 2007.

3. Wijzigingen aan bepaalde correctionele geldstraffen bepaald in het Wetboek der successierechten
3.1. Wijzigingen
Bij de artikelen 79 en 80 van de programmawet werden respectievelijk de artikelen 159 en 162 van het Wetboek der successierechten gewijzigd.

Die artikelen worden aangevuld met een lid dat het maximum van de strafrechtelijke geldboete van 12.500 op 125.000 EUR brengt, voor de toepassing ervan in het kader van Boek II ( Taks tot vergoeding der successierechten) en Boek IIbis (Jaarlijkse taks op de collectieve belegginginstellingen, op de kredietinstellingen en op de verzekeringsondernemingen) van het W. Succ.

De aandacht wordt gevestigd op het feit dat de correctionele straffen in het kader van een misdrijf dat de rechten van successie en van overgang bij overlijden betreft, onveranderd zijn gebleven, omdat deze rechten gewestbelastingen zijn (artikel 3, eerste lid, 4° van de bijzondere wet van 16 januari 1986 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de Gewesten - zie ook voetnoot 2).

3.2. Inwerkingtreding
Vermits de wet geen bijzondere bepaling terzake bevat, moeten de bepalingen die de verhogingen van de strafrechtelijke geldboeten doorvoeren, geacht worden in werking te zijn getreden de tiende dag na hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad (wet van 31 mei 1961, art. 4) d.w.z. op 7 januari 2007.

NAMENS DE MINISTER :
de adjunct-Administrateur-generaal
Paul NECKEBROECK


BIJLAGE 1
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 28 december 2006 (Ed. 3)
27 december 2006 - Programmawet (I)
(…)

HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, van het Wetboek der zegelrechten, van het Wetboek der successierechten en van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen
Afdeling 1. - Registratierechten
Onderafdeling 1. - Wijzigingen aan het Wetboek
(…)

Art. 67. Artikel 206 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 10 februari 1981, de wet van 4 augustus 1986 en het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt aangevuld als volgt :
« Wanneer de overtreding werd begaan in het kader van een registratierecht dat geen gewestelijke belasting is volgens het bepaalde in artikel 3, eerste lid, 6° tot 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, wordt het bedrag van het in het eerste lid bepaalde maximum van de boete gebracht op 125.000,00 EUR. »

Art. 68. Artikel 206bis van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 10 februari 1981, de wet van 4 augustus 1986 en het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt aangevuld met het volgende lid :
« Wanneer het misdrijf werd begaan in het kader van een registratierecht dat geen gewestelijke belasting is volgens het bepaalde in artikel 3, eerste lid, 6° tot 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, wordt het bedrag van het in het eerste en het tweede lid bepaalde maximum van de boete gebracht op 125.000,00 EUR. »

Art. 69. Artikel 207bis van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 10 februari 1981, de wet van 4 augustus 1986 en het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt aangevuld met het volgende lid :
« Wanneer het verbod werd opgelegd in het kader van een registratierecht dat geen gewestelijke belasting is volgens het bepaalde in artikel 3, eerste lid, 6° tot 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, wordt het bedrag van het in het eerste lid bepaalde maximum van de boete gebracht op 125.000,00 EUR. »

(…)

Afdeling 2. - Successierechten
Art. 79. Artikel 159 van het Wetboek der successierechten, gewijzigd bij de wet van 22 juli 1993, wordt aangevuld als volgt :
« Het maximumbedrag van de tussen een minimumbedrag en een maximumbedrag vast te stellen geldstraffen als bepaald in het eerste boek, wordt voor de toepassing ervan in het kader van dit boek gebracht op 125.000,00 EUR. »

Art. 80. In artikel 162 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de programmawet van 22 décember 2003, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd :
« Het maximumbedrag van de tussen een minimumbedrag en een maximumbedrag vast te stellen geldstraffen als bepaald in het eerste boek, wordt voor de toepassing ervan in het kader van dit boek gebracht op 125.000,00 EUR. »

(…)

HOOFDSTUK VII. - Wettelijke interest
Afdeling 1. - Wijziging van de wet van 5 mei 1865
Art. 87. Artikel 2 van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest, gewijzigd bij de wet van 30 juni 1970 en het koninklijk besluit van 4 augustus 1996, wordt vervangen als volgt :

« Art. 2. - § 1. Elk kalenderjaar wordt de wettelijke rentevoet zowel in burgerlijke als in handelszaken vastgesteld als volgt : het gemiddelde van de EURIBOR-rentevoet op 1 jaar tijdens de maand december van het voorafgaande jaar wordt afgerond naar het hoger gelegen kwart percent; de aldus bekomen rentevoet wordt verhoogd met 2 percent.

De algemene administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën maakt in de maand januari de wettelijke intrestvoet die tijdens het lopende kalenderjaar van toepassing is, bekend in het Belgisch Staatsblad.

§ 2. De wettelijke rentevoet in fiscale zaken wordt bepaald op 7 percent, zelfs indien de fiscale bepalingen verwijzen naar de wettelijke rentevoet in burgerlijke zaken en voor zover er niet uitdrukkelijk in de fiscale bepalingen wordt van afgeweken.
Deze rentevoet kan bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad worden gewijzigd. ».

Afdeling 2. - Inwerkingtreding
Art. 88. Artikel 87 treedt in werking de eerste dag van de maand na die waarin deze wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

(…)



BIJLAGE 2
GECOORDINEERDE TEKSTEN
1. Wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest
Art. 2. - § 1. Elk kalenderjaar wordt de wettelijke rentevoet zowel in burgerlijke als in handelszaken vastgesteld als volgt : het gemiddelde van de EURIBOR-rentevoet op 1 jaar tijdens de maand december van het voorafgaande jaar wordt afgerond naar het hoger gelegen kwart percent; de aldus bekomen rentevoet wordt verhoogd met 2 percent.
De algemene administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën maakt in de maand januari de wettelijke intrestvoet die tijdens het lopende kalenderjaar van toepassing is, bekend in het Belgisch Staatsblad.

§ 2. De wettelijke rentevoet in fiscale zaken wordt bepaald op 7 percent, zelfs indien de fiscale bepalingen verwijzen naar de wettelijke rentevoet in burgerlijke zaken en voor zover er niet uitdrukkelijk in de fiscale bepalingen wordt van afgeweken.
Deze rentevoet kan bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad worden gewijzigd.

2. Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten
Art. 206
Onverminderd de fiscale boeten, wordt hij die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit Wetboek of de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreedt, gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 250 EUR tot 12.500 EUR of met één van die straffen alleen.

Wanneer de overtreding werd begaan in het kader van een registratierecht dat geen gewestelijke belasting is volgens het bepaalde in artikel 3, eerste lid, 6° tot 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, wordt het bedrag van het in het eerste lid bepaalde maximum van de boete gebracht op 125.000,00 EUR.

Art. 206bis
Met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van 250 EUR tot 12.500 EUR of met één van die straffen alleen wordt gestraft hij die, met het oogmerk om een van de in artikel 206 bedoelde misdrijven te plegen, in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften valsheid pleegt, of die van een zodanig vals geschrift gebruik maakt.

Hij die wetens en willens een vals getuigschrift opstelt dat de belangen van de Schatkist kan schaden of die van een dergelijk getuigschrift gebruik maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 250 EUR tot 12.500 EUR of met één van die straffen alleen .

Wanneer het misdrijf werd begaan in het kader van een registratierecht dat geen gewestelijke belasting is volgens het bepaalde in artikel 3, eerste lid, 6° tot 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, wordt het bedrag van het in het eerste en het tweede lid bepaalde maximum van de boete gebracht op 125.000,00 EUR.

Art. 207bis
Hij die, rechtstreeks of onrechtstreeks, het verbod of de sluiting uitgesproken krachtens artikel 207 overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en geldboete van 250 EUR tot 12.500 EUR of met één van die straffen alleen.

Wanneer het verbod werd opgelegd in het kader van een registratierecht dat geen gewestelijke belasting is volgens het bepaalde in artikel 3, eerste lid, 6° tot 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, wordt het bedrag van het in het eerste lid bepaalde maximum van de boete gebracht op 125.000,00 EUR.

3. Wetboek der successierechten
3.1. Taks tot vergoeding der successierechten
Art. 159
Zijn van toepassing op de bij artikel 147 gevestigde taks, de bepalingen van het eerste boek betreffende de bewijsmiddelen der verzuimen van goederen of der te lage waarderingen, de verjaringen, de teruggave, de regiekosten, de vervolgingen en gedingen en de correctionele straffen.

Het maximumbedrag van de tussen een minimumbedrag en een maximumbedrag vast te stellen geldstraffen als bepaald in het eerste boek, wordt voor de toepassing ervan in het kader van dit boek gebracht op 125.000,00 EUR.

3.2. Jaarlijkse taks op de collectieve belegginginstellingen, op de kredietinstellingen en op de verzekeringsondernemingen
Art. 162
Op de belasting ingesteld bij artikel 161 zijn van toepassing de bepalingen van boek I betreffende het bewijs van het verzuim van aangifte van goederen, alsmede die betreffende de verjaring, de teruggave, de vervolgingen en gedingen en de correctionele straffen.

Het maximumbedrag van de tussen een minimumbedrag en een maximumbedrag vast te stellen geldstraffen als bepaald in het eerste boek, wordt voor de toepassing ervan in het kader van dit boek gebracht op 125.000,00 EUR.

Wanneer de beleggingsinstellingen bedoeld in artikel 161, 3°, de bepalingen van dit boek overtreden, kan de rechter hen het verbod opleggen nog langer rechten van deelneming in België te plaatsen. Dit verbod wordt betekend aan de beleggingsinstelling, aan de Commissie voor het Bank-, Financie-, en Assurantiewezen en aan de instelling die door de beleggingsinstelling in België werd aangeduid om te zorgen voor de uitkeringen aan de deelnemers, de verkoop of de inkoop van de rechten van deelneming en voor de verplichte informatieverstrekking in ten minste één van de landstalen.