Circulaire nr. Ci.RH.624/575.611 (AOIF 19/2006) dd. 11.05.2006

CIRC 11.05.06/1

Circulaire nr. Ci.RH.624/575.611 (AOIF 19/2006) dd. 11.05.2006


AANSLAG IN DE BNI/NAT.PERS
Gemeenschappelijke aanslag voor echtgenoten
Gemeenschappelijke aanslag voor wettelijk samenwonenden

BELASTING VAN NIET INWONERS NATUURLIJKE PERSONEN
Categorieën van niet-rijksinwoners
Onroerend inkomen

BEREKENING VAN DE BNI/NAT.PERS
Decumul van de inkomsten van de echtgenoten
Decumul van de inkomsten van de wettelijk samenwonenden

HERVORMINGSWET 2001
Hervorming van de PB


Gevolgen van de W 10.8.2001 houdende hervorming van de personenbelasting op de BNI/nat.pers., voor gehuwden en wettelijk samenwonenden in het kader van de gemeenschappelijke aanslag, vanaf aj. 2005.

Aan alle ambtenaren.

I. INLEIDING

1.1. Deze circulaire handelt over bepaalde gevolgen van de Wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting, op de BNI/nat.pers., voor de gehuwden en wettelijk samenwonenden in het kader van de gemeenschappelijke aanslag, vanaf aanslagjaar 2005 (inkomstenjaar 2004).

1.2. Meer bepaald worden hier de gevolgen van voormelde Wet van 10 augustus 2001 besproken op :

  • de vaststelling van de categorie van niet-rijksinwoners waarin de gehuwde of wettelijk samenwonende belastingplichtigen worden ingedeeld;
  • de verplichting om inkomsten van in België gelegen onroerende goederen in de BNI/nat.pers. te regulariseren.
1.3. Voor het overige zijn de principes uiteengezet in de circulaires van 14.4.2005, nrs. Ci.RH.331/569.662 (AOIF 15/2005), Ci.RH.221/569.663 (AOIF 18/2005), Ci.RH.243/569.664 (AOIF 14/2005), Ci.RH.331/569.665 (AOIF 19/2005) en Ci.RH.331/569.666 (AOIF 16/2005), mutatis mutandis van toepassing in de BNI/nat.pers, rekening houdend met de bijzonderheden en grenzen, eigen aan die belasting.

1.4. Er wordt aan herinnerd dat, voor de toepassing van het WIB 92, vanaf aanslagjaar 2005 (inkomstenjaar 2004) de wettelijk samenwonenden met gehuwden worden gelijkgesteld en een wettelijke samenwonende met een echtgenoot.

Voor een betere leesbaarheid van de circulaire wordt hierna het begrip "echtgenoot" gebruikt, waarmee dus zowel de gehuwden als de wettelijk samenwonenden worden bedoeld.

De hierna vermelde bepalingen en bedragen zijn deze die van toepassing zijn voor het aanslagjaar 2005 (inkomstenjaar 2004).

II. VASTSTELLING VAN DE CATEGORIE VAN niet-rijksinwoners WAARTOE DE ECHTGENOTEN BEHOREN

1. Algemeen

2.1. Gezien het principe van de volledige decumul van de inkomsten van de echtgenoten dat van toepassing is vanaf het aanslagjaar 2005, rijst de vraag of de voorwaarden volgens welke men tot een categorie van niet-inwoners behoort, per echtgenoot moeten worden beoordeeld of voor beide echtgenoten samen en of een echtgenoot bijgevolg al dan niet kan behoren tot een andere categorie van niet-inwoners dan die waartoe de andere echtgenoot behoort.

2.2. Gelet op de fiscale samenhang eigen aan de BNI/nat.pers. (inzonderheid de noodzaak dat beide echtgenoten tot dezelfde categorie van niet-rijksinwoners behoren, wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, teneinde bepaalde maatregelen te kunnen toepassen die niet kunnen worden geïndividualiseerd, zoals het huwelijksquotiënt, de overdracht van belastingvrije sommen tussen echtgenoten, enz.), met het voornemen om noch de aangifte, noch de berekening van de BNI/nat.pers. overdreven ingewikkeld te maken en met het streven om de belastingtoestand van de belastingplichtigen niet te verzwaren ten opzichte van vroeger, moeten de echtgenoten noodzakelijkerwijs in dezelfde categorie van niet-rijksinwoners worden ingedeeld, wanneer ze het voorwerp van een gemeenschappelijke aanslag uitmaken. Dit betekent in de praktijk dat die belastingplichtigen in hun gezamenlijke aangifte slechts één categorie van niet-rijksinwoners mogen aankruisen, die dan voor de beide echtgenoten samen van toepassing zal zijn.

2.3. Er wordt aangestipt dat de echtgenoten ook in dezelfde categorie van niet-rijksinwoners moeten worden ingedeeld voor het jaar van de feitelijke scheiding, evenals voor het jaar waarin het huwelijk of de wettelijke samenwoning door overlijden wordt beëindigd, indien voor dat jaar een gemeenschappelijke aanslag van de echtgenoten wordt gevraagd.

2. Onderzoek van de voorwaarden volgens welke men tot een bepaalde categorie van niet-inwoners behoort

3.1. De criteria volgens welke men tot een bepaalde categorie van niet-rijksinwoners behoort, moeten, in geval van een gemeenschappelijke aanslag van de echtgenoten, worden beoordeeld rekening houdend met de volgende bijzonderheden.

A. Niet-rijksinwoners met tehuis in België

3.2. Gelet op de notie zelf van "tehuis in België" (zie nrs. 243/21 tot 243/23, Com.IB 92), moet de voorwaarde dat gedurende het volledige belastbare tijdperk een tehuis in België wordt behouden, voor de beide echtgenoten samen worden beoordeeld.

Beide echtgenoten moeten met andere woorden gedurende het volledige belastbare tijdperk hetzelfde tehuis in België hebben behouden. Als dat niet het geval is, kan geen van beiden als een niet-rijksinwoner met tehuis worden aangemerkt.

3.3. Voor het jaar van de feitelijke scheiding mag worden aangenomen dat de echtgenoten gedurende het volledige belastbare tijdperk een tehuis in België hebben behouden, indien beide echtgenoten tot aan die scheiding hetzelfde tehuis hebben betrokken en minstens één van hen die noodzakelijkerwijs gedurende datzelfde belastbare tijdperk regulariseerbare inkomsten in de BNI/nat.pers. moet hebben verkregen dat tehuis is blijven betrekken tot het einde van dat tijdperk. Hetzelfde geldt voor het jaar waarin het huwelijk of de wettelijke samenwoning door overlijden wordt ontbonden en een gemeenschappelijke aanslag van de echtgenoten wordt gevraagd, indien de echtgenoten hetzelfde tehuis tot aan het overlijden van één van hen hebben betrokken en de overlevende echtgenoot dat tehuis is blijven betrekken tot het einde van het belastbare tijdperk.

B. Niet-rijksinwoners die met niet-rijksinwoners met tehuis in België worden gelijkgesteld krachtens art. 244, 2°, WIB 92 (75 %-regel)

3.4. Wat de echtgenoten betreft die het voorwerp van een gemeenschappelijke aanslag uitmaken, rijst de vraag of de 75 %-regel moet worden beoordeeld per echtgenoot of voor beide echtgenoten samen, rekening houdend met het principe van de volledige decumul van de inkomsten van de echtgenoten dat van toepassing is vanaf het aanslagjaar 2005.

3.5. Allereerst wordt aangestipt dat het onderzoek van de 75 %-regel per echtgenoot slechts zinvol zou zijn, indien elke echtgenoot tot een verschillende categorie van niet-rijksinwoners zou kunnen behoren, hetgeen in tegenspraak is met het besluit dat onder nr. 2.2. hiervoor is vermeld.

Vervolgens wordt eraan herinnerd dat art. 244, 2°, WIB 92 (ingevoerd door art. 12, W 28.12.1992 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen) ertoe strekt om een personalisering in de BNI/nat.pers. mogelijk te maken inzonderheid met het oog op de toepassing van de belastingvrije sommen en de toeslagen daarop voor gezinslasten voor niet-inwoners die uitsluitend of bijna uitsluitend bezoldigingen of pensioenen van Belgische oorsprong verkrijgen (zie Kamer, zitting 19921993, Gedr. St. 717/1, blz 6). In geval van een gemeenschappelijke aanslag is het bijgevolg coherenter om de 75 %-regel voor beide echtgenoten samen te verifiëren, aangezien in dat geval, de maatregelen die ertoe strekken om rekening te houden met de persoonlijke situatie en de gezinslasten (zoals bijvoorbeeld de toerekening van het huwelijksquotiënt, de verhoging van de belastingvrije sommen die maar bij één van de echtgenoten wordt toegepast en de overdracht van belastingvrije sommen van één echtgenoot naar de andere) een integrerend deel uitmaken van de logica van de gemeenschappelijke aanslag en in bepaalde gevallen noodzakelijkerwijs voor beide echtgenoten samen gelden.

3.6. Uit het voorgaande volgt dat, in geval van een gemeenschappelijke aanslag, de 75 %-regel in principe zou moeten worden beoordeeld voor beide echtgenoten samen, dus rekening houdend met het geheel van de beroepsinkomsten van beiden, zelfs indien slechts één van hen in de BNI/nat.pers. belastbare en regulariseerbare beroepsinkomsten heeft verkregen.

3.7. Gelet op de intentie om de belastingtoestand van de belastingplichtigen niet te verzwaren ten opzichte van vroeger, is er evenwel beslist om die 75 %-regel zoals vroeger te blijven beoordelen; dus overeenkomstig de nrs. 243/102 tot 243/106, Com.IB 92. Er zal dus een onderscheid moeten worden gemaakt naargelang slechts één van de echtgenoten of beiden in de BNI/nat.pers. belastbare en regulariseerbare beroepsinkomsten hebben behaald of verkregen :

  • wanneer slechts één van de echtgenoten in de BNI/nat.pers. belastbare en regulariseerbare beroepsinkomsten heeft behaald of verkregen, worden enkel de beroepsinkomsten van die echtgenoot in aanmerking genomen voor de beoordeling van de 75 %-regel;
  • wanneer beide echtgenoten in de BNI/nat.pers. belastbare en regulariseerbare beroepsinkomsten hebben behaald of verkregen, moet de 75 %-regel ten name van beide echtgenoten samen worden beoordeeld. Het is dus ter zake zonder belang dat één van de echtgenoten, op zichzelf beschouwd, niet aan de 75 %-voorwaarde zou voldoen.
Voor de toepassing van dat onderscheid, moet er geen rekening worden gehouden met het deel dat aan de meewerkende echtgenoot wordt toegekend, noch met het huwelijksquotiënt (art. 86 tot 88, WIB 92), aangezien de toekenning of toerekening daarvan in de praktijk slechts werkelijk kunnen worden doorgevoerd indien de 75 %-voorwaarde is vervuld.

3.8. De principes uiteengezet in punt 3.7, zijn eveneens van toepassing voor het jaar van de feitelijke scheiding, evenals voor het jaar waarin het huwelijk of de wettelijke samenwoning door overlijden wordt ontbonden, in geval een gemeenschappelijke aanslag van de echtgenoten wordt gevraagd.

De aandacht wordt erop gevestigd dat de in de BNI/nat.pers. belastbare en regulariseerbare beroepsinkomsten die door de overleden echtgenoot werden verworven, maar slechts na diens overlijden konden worden verkregen door de overlevende echtgenoot of door een andere erfgenaam, algemene legataris of begiftigde, moeten worden aangemerkt als zijnde behaald of verkregen door de overleden echtgenoot.

Voorbeeld 1

3.9. In 2004 hebben de heer en mevrouw A, inwoners van Frankrijk, als werknemers de volgende netto belastbare beroepsinkomsten verkregen :

Mijnheer :een bezoldiging van 20.000,00 EUR (uit activiteit die tijdens het hele jaar 2004 bij een in België gevestigde privé-onderneming werd uitgeoefend). Met toepassing van de overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting gesloten tussen België en Frankrijk, is die bezoldiging belastbaar in België;
Mevrouw :-een bezoldiging van 12.500,00 EUR (uit een activiteit die van 1.1.2004 tot 30.6.2004 bij een in België gelegen privé-onderneming werd uitgeoefend). Overeenkomstig voormelde Belgisch-Franse overeenkomst is die bezoldiging belastbaar in België;
-een bezoldiging van 10.000,00 EUR (uit een activiteit die van 1.7.2004 tot 31.12.2004 bij een in Frankrijk gelegen privé-onderneming werd uitgeoefend). Die bezoldiging is niet-belastbaar in België.
De voorwaarde inzake gelijkstelling moet voor beide echtgenoten samen worden beoordeeld, aangezien zij beiden gedurende het belastbare tijdperk in de BNI/nat.pers. belastbare en regulariseerbare beroepsinkomsten hebben behaald.

De twee echtgenoten samen voldoen aan de 75 %-voorwaarde. Inderdaad, 32.500,00 EUR (20.000,00 EUR + 12.500,00 EUR) bedraagt meer dan 42.500,00 EUR (20.000,00 EUR + 12.500,00 EUR + 10.000,00 EUR) x 75 %, of 31.875,00 EUR.

Beide echtgenoten mogen dus worden gelijkgesteld met niet-rijksinwoners met tehuis in België. Het is ter zake zonder belang dat
mevrouw A, op zichzelf beschouwd, niet voldoet aan de 75 %-voorwaarde (12.500,00 EUR bedraagt minder dan 22.500,00 EUR (12.500,00 EUR + 10.000,00 EUR) x 75 %, of 16.875,00 EUR).

Voorbeeld 2

3.10. In 2004 hebben de heer en mevrouw B, inwoners van Frankrijk, de volgende netto belastbare beroepsinkomsten verkregen :

Mijnheer :een Belgisch overheidspensioen : 26.250,00 EUR. Met toepassing van de overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting gesloten tussen België en Frankrijk, is dat pensioen belastbaar in België;
Mevrouw :-een Belgisch overheidspensioen : 3.750,00 EUR. Overeenkomstig voormelde Belgisch-Franse overeenkomst is dat pensioen belastbaar in België;
-een Belgisch privé-pensioen : 14.500,00 EUR. Overeenkomstig voormelde Belgisch-Franse overeenkomst is dat pensioen belastbaar in Frankrijk.
De voorwaarde inzake gelijkstelling moet voor beide echtgenoten samen worden beoordeeld, aangezien zij beiden gedurende het belastbare tijdperk in de BNI/nat.pers. belastbare en regulariseerbare beroepsinkomsten hebben behaald.

De twee echtgenoten samen voldoen niet aan de 75 %-voorwaarde. Inderdaad, 30.000,00 EUR (26.250,00,00 EUR + 3.750,00 EUR) bedraagt minder dan 44.500,00 EUR (26.250,00 EUR + 3.750,00 EUR + 14.500,00 EUR) x 75 %, of 33.375,00 EUR.

Geen van beide echtgenoten mag dus worden gelijkgesteld met een niet-rijksinwoner met tehuis in België. Hierbij heeft het geen belang dat de heer B, op zichzelf beschouwd, wel voldoet aan de 75 %-voorwaarde.

Voorbeeld 3

3.11. In 2004 hebben de heer en mevrouw C, inwoners van Italië, de volgende netto belastbare beroepsinkomsten verkregen :

Mijnheer :-een Belgisch overheidspensioen : 50.000,00 EUR. Met toepassing van de overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting gesloten tussen België en Italië, is dat pensioen belastbaar in België;
-een Belgisch privé-pensioen : 15.000,00 EUR. Overeenkomstig voormelde Belgisch-Italiaanse overeenkomst is dat pensioen belastbaar in Italië;
Mevrouw :een Belgisch privé-pensioen : 5.000,00 EUR. Overeenkomstig voormelde Belgisch-Italiaanse overeenkomst is dat pensioen belastbaar in Italië.
De voorwaarde inzake gelijkstelling moet alleen bij de man worden beoordeeld, aangezien hij alleen gedurende het belastbare tijdperk in de BNI/nat.pers. belastbare en regulariseerbare beroepsinkomsten heeft behaald. Het is ter zake zonder belang dat er aan de vrouw een huwelijksquotiënt kan worden toegerekend ten belope van 3.160,00 EUR, namelijk 50.000,00 EUR x 30 % (15.000,00 EUR beperkt tot 8.160,00 EUR) 5.000,00 EUR.

Beide echtgenoten mogen dus worden gelijkgesteld met niet-rijksinwoners met tehuis in België, aangezien 50.000,00 EUR meer bedraagt dan 65.000,00 EUR (50.000,00 EUR +15.000,00 EUR) x 75 %, of 48.750 EUR.

Voorbeeld 4

3.12. Zelfde gegevens dan in voorbeeld 3, met uitzondering van hetgeen volgt :

  • de man is overleden op 31 oktober 2004;
  • ingevolge een herberekening van het Belgisch overheidspensioen van de man, wordt op 30 november 2004 ingevolge regularisatie een bedrag van 3.000,00 EUR (dat betrekking heeft op de periode van 1.1.2003 tot 31.10.2004) aan de vrouw uitgekeerd. In toepassing van de overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting gesloten tussen België en Italië, is dat bedrag belastbaar in België;
  • de vrouw opteert voor een gemeenschappelijke aanslag van de echtgenoten.
De voorwaarde inzake gelijkstelling moet alleen bij de man worden beoordeeld, aangezien hij alleen gedurende het belastbare tijdperk in de BNI/nat.pers. belastbare en regulariseerbare beroepsinkomsten heeft behaald. Het bedrag van 3.000,00 EUR ingevolge regularisatie werd door de man verworven en moet dus worden aangemerkt als door hemzelf behaald of verkregen, zelfs indien dit bedrag na zijn overlijden aan zijn echtgenote werd uitgekeerd.

Beide echtgenoten mogen dus worden gelijkgesteld met niet-rijksinwoners met tehuis in België, aangezien 53.000,00 EUR (50.000,00 EUR + 3.000,00 EUR) meer bedraagt dan 68.000,00 EUR (50.000,00 EUR +
3.000,00 EUR + 15.000,00 EUR) x 75 %, op 51.000,00 EUR.

C. "Bevoorrechte" niet-rijksinwoners zonder tehuis

3.13. Zijn hier bedoeld, de niet-rijksinwoners die niet gedurende het volledige belastbare tijdperk in België een tehuis hebben behouden zonder ermee gelijkgesteld te zijn (die met andere woorden niet worden bedoeld in de punten A en B hiervoor), maar die op grond van een non-discriminatiebepaling uit een door België gesloten overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting in principe, volledig of verhoudingsgewijs, aanspraak kunnen maken op alle persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en belastingverminderingen uit hoofde van hun gezinstoestand of gezinslasten.

3.14. Het volstaat dat één van de echtgenoten zich in zijn hoedanigheid van inwoner van een partnerland kan beroepen op een non-discriminatiebepaling uit een door België gesloten overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting, opdat beide echtgenoten kunnen behoren tot de categorie van "bevoorrechte" niet-rijksinwoners die met die non-discriminatiebepaling overeenkomt, zelfs in de veronderstelling dat de andere echtgenoot inwoner van een derde land zou zijn. Wanneer in die laatste hypothese, het derde land ook een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting met België heeft gesloten die een non-discriminatiebepaling bevat, mogen de beide echtgenoten samen opteren voor de voor hen gunstigste categorie van "bevoorrechte" niet-rijksinwoners, met dien verstande dat de gekozen categorie uiteraard voor beide echtgenoten dezelfde moet zijn.

III. VERPLICHTING OM INKOMSTEN UIT IN BELGIE GELEGEN ONROERENDE GOEDEREN IN DE BNI/NAT.PERS. TE REGULARISEREN (toepassing van de art. 232 en 248, tweede lid, 2°, WIB 92), IN HET KADER VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE AANSLAG VAN DE ECHTGENOTEN

4.1. Indien een aan de BNI/nat.pers. onderworpen belastingplichtige in België inkomsten verkrijgt uit verhuurde onroerende goederen of uit de vestiging of de overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten, moet de BNI/nat.pers. overeenkomstig art. 232, eerste lid, 1°, WIB 92, worden gevestigd op het totale bedrag van zijn inkomsten uit in België gelegen onroerende goederen. Art. 232, tweede lid, WIB 92, bepaalt in dat geval waarin de belastingplichtige bovendien gedurende het belastbare tijdperk geen andere in de BNI/nat.pers. regulariseerbare inkomsten heeft behaald of verkregen echter dat de belasting niet wordt gevestigd, wanneer het totale bedrag van de inkomsten van onroerende goederen lager is dan 2.500,00 EUR.

Als logisch gevolg bepaalt art. 248, tweede lid, 2°, WIB 92, dat, voor de inkomsten van onroerende goederen waarvan het totale bedrag per belastingplichtige lager is dan 2.500,00 EUR, de belasting gelijk is aan de verschillende voorheffingen die erop betrekking hebben; dus aan de OV.

4.2. Gelet op het principe van de volledige decumul van de inkomsten van de echtgenoten, dat van toepassing is vanaf aj. 2005, rijzen volgende drie vragen :

1. Moet de in de art. 232, tweede lid, en 248, tweede lid, 2°, WIB 92, vermelde grens van 2.500,00 EUR per echtgenoot of éénmaal voor beide echtgenoten samen worden toegepast ?

2. Hoe moeten, voor de berekening van die grens, de in aanmerking te nemen inkomsten ten name van elke echtgenoot worden bepaald ?

3. Moet de verplichting tot regularisatie in de BNI/nat.pers. van onroerende inkomsten per echtgenoot of voor beide echtgenoten samen worden beoordeeld ?

4.3. Wat de eerste vraag betreft, wordt de aandacht gevestigd op de tekst van art. 248, tweede lid, 2°, WIB 92. Aangezien daarin sprake is van inkomsten van onroerende goederen waarvan het totale bedrag per belastingplichtige lager is dan 2.500,00 EUR, moet die grens van 2.500,00 EUR dan ook per echtgenoot worden toegepast.

4.4. Voor de berekening van die grens van 2.500,00 EUR per echtgenoot (tweede vraag), moet bij elke echtgenoot rekening worden gehouden met de in België belastbare onroerende inkomsten, zoals die tussen hen worden omgedeeld overeenkomstig art. 127, 3° en 4°, WIB 92 (zie circ. nr. Ci.RH.221/
569.663 van 14.4.2005).

4.5. Wat de derde vraag betreft, moet rekening worden gehouden met de ratio legis van de art. 232, tweede lid, en 248, tweede lid, 2°, WIB 92.

Die twee bepalingen werden ingevoegd door de art. 27 en 32, W 28.7.1992 houdende fiscale en financiële bepalingen.

Het doel van art. 27, W 28.7.1992, dat art. 232, tweede lid, WIB 92, heeft ingevoegd, was " het innen van talrijke kleine aanslagen te vermijden die zouden moeten worden gevestigd ten name van niet-inwoners die uitsluitend onroerende inkomsten in België verkrijgen. Wanneer het totale bedrag van de inkomsten van onroerende goederen lager is dan 100.000 frank, zal in die gevallen geen belasting meer worden gevestigd en zal de onroerende voorheffing die normaal ten belope van 12,5 pct. van het kadastraal inkomen wordt verrekend, als eindbelasting worden beschouwd (artikel 248, tweede lid, 2°, WIB 92 (oud art. 152, tweede lid, 2°, WIB), gewijzigd bij artikel 28 van het ontwerp).

Met betrekking tot artikel 248, in het ontwerp, is het de bedoeling om, vanuit een kostenbatenbenadering, een wanverhouding te vermijden tussen de kostprijs van de vaststelling en inning van de belasting, en de belastingopbrengst.
".

(zie Kamer, buitengewone zitting 19911992, Gedr. St. 444/1, blz. 21 en 22)

Het was dus duidelijk de bedoeling van de wetgever om een volledig parallellisme tussen de twee bepalingen te verzekeren, zodat de administratie art. 248, tweede lid, 2°, WIB 92 steeds heeft geïnterpreteerd in samenlezing met art. 232, tweede lid, WIB 92 (zie nrs. 248/15 tot 248/18, Com.IB 92).

4.6. Wanneer in dat verband echtgenoten die beiden over inkomsten van in België gelegen onroerende goederen beschikken, overeenkomstig de art. 126 en 243, vierde lid, WIB 92, in principe het voorwerp van een gemeenschappelijke aanslag moeten uitmaken en één van hen zijn onroerende inkomsten in de BNI/nat.pers. moet regulariseren (omdat hij bv. de grens van 2.500,00 EUR heeft bereikt of in de loop van hetzelfde belastbare tijdperk andere in de BNI/nat.pers. regulariseerbare inkomsten heeft verkregen), hetgeen het indienen van een aangifte en de inkohiering van een aanslag ten name van beide echtgenoten meebrengt, dan wordt het doel dat met de art. 232, tweede lid, en 248, tweede lid, 2°, WIB 92, wordt nagestreefd zonder voorwerp. De hiervoren bedoelde bijkomende administratieve kost voor de regularisatie van de onroerende inkomsten van beide echtgenoten is dan immers te verwaarlozen vergeleken met de regularisatie van de onroerende inkomsten van één enkele echtgenoot.

4.7. De verplichting tot regularisatie in de BNI/nat.pers. moet bijgevolg voor de beide echtgenoten samen worden beoordeeld wanneer zij het voorwerp van een gemeenschappelijke aanslag uitmaken. Hieruit volgt dat, van zodra één van de echtgenoten verplicht is om zijn onroerende inkomsten in de BNI/nat.pers. te regulariseren (1) de andere echtgenoot ook zijn inkomsten van in België gelegen onroerende goederen moet regulariseren, zelfs indien deze laatste gedurende het belastbare tijdperk persoonlijk slechts onroerende inkomsten heeft verkregen die niet zijn beoogd in art. 232, eerste lid, 1°, WIB 92 (2), en evenmin in art. 232, eerste lid, 2°, WIB 92 (3), of onroerende inkomsten die zijn beoogd in artikel 232, eerste lid, 1°, WIB 92, maar waarvoor art. 232, tweede lid, WIB 92, van toepassing is (4).

[ (1 ) -Ofwel omdat zijn inkomsten zijn beoogd in art. 232, eerste lid, 1°, WIB 92, zonder dat art. 232, tweede lid, WIB 92, van toepassing is; m.a.w. omdat hij inkomsten heeft verkregen uit de verhuring van onroerende goederen of uit de vestiging of overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten en dat het totale bedrag van de inkomsten van al zijn in België gelegen onroerende goederen 2.500,00 EUR bereikt;
- ofwel omdat zijn inkomsten zijn beoogd in art. 232, eerste lid, 2°, WIB 92; m.a.w. omdat hij in hetzelfde belastbare tijdperk ook andere in de BNI/nat.pers. regulariseerbare inkomsten heeft verkregen.
(2) D.w.z. onroerende inkomsten die niet voortkomen uit de verhuring van onroerende goederen, noch uit de vestiging of overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten.
(3) D.w.z. dat betrokkene in hetzelfde belastbare tijdperk geen andere in de BNI/nat.pers. regulariseerba-re inkomsten heeft verkregen.
(4) D.w.z. onroerende inkomsten die voortkomen uit de verhuring van onroerende goederen of uit de vestiging of overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rech-ten, zonder dat het totale bedrag van de inkomsten van al zijn in België gelegen onroerende goederen 2.500,00 EUR bereikt.]
4.8. De grens van 2.500,00 EUR, vermeld in de art. 232, tweede lid, en 248, tweede lid, 2°, WIB 92, moet dus per echtgenoot worden beoordeeld. Wanneer echter één van de echtgenoten ofwel die grens overschrijdt, ofwel tijdens hetzelfde belastbare tijdperk andere in de BNI/nat.pers. regulariseerbare inkomsten verkrijgt, moeten alle onroerende inkomsten van de twee echtgenoten in de BNI/nat.pers. worden geregulariseerd.

Voorbeeld 1

4.9. De heer en mevrouw D, inwoners van Oostenrijk, zijn sinds 1998 gehuwd onder een huwelijksvermogensstelsel dat vergelijkbaar is met het wettelijk stelsel van toepassing in België. In 2004 hebben ze in België de volgende inkomsten verkregen :

Mijnheer :niet-geïndexeerd kadastraal inkomen van een in België gelegen woning die niet wordt verhuurd (en waarvan hij volledig eigenaar is) : 530,00 EUR.
Mevrouw :niet-geïndexeerd kadastraal inkomen van een in België gelegen woning die niet wordt verhuurd (en waarvan zij volledig eigenaar is) : 320,00 EUR.
De echtgenoten zijn eveneens eigenaar, elk voor de helft, van een andere in België gelegen woning. Die woning heeft een niet-geïndexeerd kadastraal inkomen van 1.580,00 EUR en wordt niet verhuurd. Ze hebben in de loop van het jaar geen andere in de BNI/nat.pers. belastbare en regulariseerbare inkomsten verkregen.

In dat geval heeft het grensbedrag geen bestaansreden, omdat de echtgenoten gedurende het belastbare tijdperk in België alleen onroerende inkomsten hebben verkregen die niet voortkomen uit de verhuring van onroerende goederen of uit de vestiging of de overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten. De echtgenoten moeten hun onroerende inkomsten voor het aj. 2005 dus niet in de BNI/nat.pers. regulariseren.

Voorbeeld 2

4.10. Zelfde gegevens als in voorbeeld 1, behalve dat de woning waarvan de echtgenoten mede-eigenaars zijn wordt verhuurd aan natuurlijke personen die ze uitsluitend als woning gebruiken en dat het niet-geïndexeerd kadastraal inkomen bovendien 1.050,00 EUR bedraagt.

In dit geval zijn er wel inkomsten uit de verhuring van onroerende goederen, zodat de bepalingen van art. 232, eerste lid, 1°, WIB 92, en eventueel van art. 232, tweede lid, WIB 92, van toepassing zijn.

Eerst moeten de onroerende inkomsten overeenkomstig art. 127, 3° en 4°, WIB 92, over beide echtgenoten worden omgedeeld. Gelet op het feit dat zij gehuwd zijn onder een huwelijksvermogensstelsel dat vergelijkbaar is met het wettelijk stelsel van toepassing in België, moeten die inkomsten elk voor de helft over de echtgenoten worden omgedeeld, ongeacht het werkelijk eigendomsrecht van elk van hen in de onroerende goederen.

Mijnheer :265,00 EUR (530,00 EUR x 50 %) + 160,00 EUR (320,00 EUR x 50 %) + 525,00 EUR (1.050,00 EUR x 50 %) = 950,00 EUR.
Mevrouw :idem.
Vervolgens moet het in principe belastbare bedrag van de onroerende inkomsten voor elke echtgenoot worden berekend. In dit voorbeeld houdt dit in dat de indexatiecoëfficiënt (1,3604 voor aj. 2005) op de omgedeelde kadastrale inkomens wordt toegepast, dat er naargelang het geval op de hogere of lagere euro wordt afgerond, en dat het resultaat met 40 % wordt verhoogd. Om reden van vereenvoudiging werd er ter zake voor gekozen om de indexatie en de verhoging toe te passen op het totaal van de omgedeelde kadastrale inkomens, aangezien daarop hetzelfde belastingregime van toepassing is. Er wordt echter ook toegestaan dat de indexatie en de verhoging voor elk omgedeeld kadastraal inkomen afzonderlijk wordt toegepast, en dat de aldus geïndexeerde en verhoogde kadastrale inkomens vervolgens voor elke echtgenoot worden opgeteld.

Mijnheer :950,00 EUR x 1,3604 = 1.292,38 EUR, afgerond op 1.292,00 EUR en verhoogd met 40 %, ofwel 1.808,80 EUR.
Mevrouw :idem.
Gelet op het feit dat de in België belastbare onroerende inkomsten minder bedragen dan 2.500,00 EUR, zowel ten name van de man als van de vrouw, moeten de echtgenoten hun onroerende inkomsten niet in de BNI/nat.pers. regulariseren voor het aj. 2005. Hierbij heeft het geen belang dat het totale bedrag van de onroerende inkomsten van beide echtgenoten (3.617,60 EUR) gelijk is aan of hoger is dan 2.500,00 EUR.

Voorbeeld 3

4.11. Zelfde gegevens als in voorbeeld 2, maar het niet-geïndexeerd kadastraal inkomen van de verhuurde woning, bedraagt 1.790,00 EUR.

De onroerende inkomsten moeten als volgt over de echtgenoten worden omgedeeld :

Mijnheer :265,00 EUR (530,00 EUR x 50 %) + 160,00 EUR (320,00 EUR x 50 %) + 895,00 EUR (1.790,00 x 50 %) = 1.320,00 EUR.
Mevrouw :idem.
Het in principe belastbare bedrag van de onroerende inkomsten bedraagt voor elke echtgenoot :

Mijnheer :1.320,00 EUR x 1,3604 = 1.795,73 EUR, afgerond op 1.796,00 EUR en verhoogd met 40 %, ofwel 2.514,40 EUR.
Mevrouw :idem.
In dat geval bereiken de in België belastbare onroerende inkomsten de grens van 2.500,00 EUR, zowel ten name van de man als ten name van de vrouw. Hieruit volgt dat alle in België belastbare onroerende inkomsten van beide echtgenoten in de BNI/nat.pers. moeten worden geregulariseerd voor aj. 2005.

Voorbeeld 4

4.12. Zelfde gegevens als in voorbeeld 3, maar de echtgenoten zijn gehuwd onder een stelsel, dat kan worden gelijkgesteld met dat van scheiding van goederen in België.

In dat geval moeten de inkomsten over de echtgenoten worden omgedeeld in functie van het eigendomsrecht van elk van hen in de onroerende goederen :

Mijnheer :530,00 EUR (530,00 EUR x 100 %) + 895,00 EUR (1.790,00 EUR x 50 %) = 1.425,00 EUR.
Mevrouw :320,00 EUR (320,00 EUR x 100 %) + 895,00 EUR (1.790,00 EUR x 50 %) = 1.215,00 EUR.
Het in principe belastbare bedrag van de onroerende inkomsten bedraagt voor elke echtgenoot :

Mijnheer :1.425,00 EUR x 1,3604 = 1.938,57 EUR, afgerond op 1.939,00 EUR en verhoogd met 40 %, ofwel 2.714,60 EUR.
Mevrouw :1.215,00 EUR x 1,3604 = 1.652,89 EUR, afgerond op 1.653,00 EUR en verhoogd met 40 %, ofwel 2.314,20 EUR.
Gelet op het feit dat de in België belastbare inkomsten ten name van de man minstens 2.500,00 EUR bedragen, moeten alle in België belastbare onroerende inkomsten van beide echtgenoten voor aj. 2005 in de BNI/nat.pers. worden geregulariseerd. Het is daarbij zonder belang dat de in België belastbare inkomsten ten name van de vrouw minder bedragen dan 2.500,00 EUR.

Voorbeeld 5

4.13. Zelfde gegevens als in voorbeeld 1, maar de vrouw heeft daarenboven gedurende het belastbare tijdperk een Belgisch overheidspensioen voor een netto bedrag van 5.000,00 EUR verkregen. Met toepassing van de overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting gesloten tussen België en Oostenrijk, is dat pensioen belastbaar in België.

In dat geval moeten alle in België belastbare onroerende inkomsten van beide echtgenoten voor aj. 2005 in de BNI/nat.pers. worden geregulariseerd, aangezien de vrouw gedurende datzelfde belastbare tijdperk ook in de BNI/nat.pers. belastbare en regulariseerbare beroepsinkomsten heeft verkregen die zijn beoogd in art. 232, eerste lid, 2°, WIB 92. Het is daarbij zonder belang dat de man gedurende het belastbare tijdperk in België persoonlijk alleen onroerende inkomsten heeft verkregen die niet voortkomen uit de verhuring van onroerende goederen of uit de vestiging of de overdracht van een recht van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten.

Voorbeeld 6

4.14. Zelfde gegevens als in voorbeeld 2, maar de vrouw heeft daarenboven gedurende het belastbare tijdperk een Belgisch overheidspensioen voor een netto bedrag van 5.000,00 EUR verkregen. Met toepassing van de overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting gesloten tussen België en Oostenrijk, is dat pensioen belastbaar in België.

Alle in België belastbare onroerende inkomsten van beide echtgenoten moeten voor aj. 2005 in de BNI/nat.pers. worden geregulariseerd, aangezien de vrouw gedurende datzelfde belastbare tijdperk ook in de BNI/nat.pers. belastbare en regulariseerbare beroepsinkomsten heeft verkregen. De tolerantie van de art. 232, tweede lid, en 248, tweede lid, 2°, WIB 92, is immers niet van toepassing, aangezien minstens één van de echtgenoten gedurende datzelfde belastbare tijdperk andere inkomsten heeft verkregen die in de BNI/nat.pers. moeten worden geregulariseerd overeenkomstig art. 232, eerste lid, 2°, WIB 92, zodat het hier geen belang heeft dat de in België belastbare onroerende inkomsten zowel ten name van de man als ten name van de vrouw minder dan 2.500,00 EUR bedragen.

Voor de Administrateurgeneraal
van de Belastingen en de Invordering :
De Directeur,

S. QUINTENS