Circulaire nr. AFZ/97-17 dd. 23.01.1997

Bull. nr. 769, pag. 407

MAATREGELEN INZAKE STRIJD TEGEN DE FISCALE FRAUDE EN MET HET OOG OP EEN BETERE INNING VAN DE BELASTING

Beknopt overzicht.

Aan alle ambtenaren van de niveaus 1 en 2

In bijlage wordt een samenvatting en een eerste commentaar bezorgd van de bepalingen vervat in het KB 12.12.1996 houdende maatregelen inzake strijd tegen de fiscale fraude en met het oog op een betere inning van de belasting (BS 31.12.1996 - blz. 32.362).

De volledige commentaar en de verdere toepassingsmodaliteiten zullen door de onderscheiden betrokken administraties worden opgesteld.

De tekst van het besluit is eveneens als bijlage toegevoegd.

De Adjunct-administrateur-generaal
van de belastingen,


J.-M. DELPORTE


BIJLAGE

DIRECTE BELASTINGEN



1.Situering van het koninklijk besluit
1. Het hierna besproken KB is getroffen in uitvoering van het art. 3, § 1, 2° en 3° van de wet van 26.7.1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, die aan de Koning bepaalde machten heeft verleend waaronder het nemen van maatregelen om :

  • de belastingen, taksen, rechten, retributies, accijnzen, boeten en andere ontvangsten aan te passen, op te heffen, te wijzigen of te vervangen en inzonderheid de grondslag, het tarief, de nadere regels voor heffing en inning en de procedure, met uitsluiting van de rechtsprekende procedures;
  • alle vormen van oneigenlijk gebruik en misbruik te bestrijden en een correcte inning van de ontvangsten en een efficiënte controle van de ontvangsten en de uitgaven te waarborgen.


2. Het KB beoogt derhalve geenszins het invoeren van nieuwe heffingen, doch wel het uitvaardigen van een reeks bepalingen die van aard zijn om de invordering van gevestigde belastingen, taksen en voorheffingen op een meer accurate wijze te laten verlopen.



II.Inning van de bedrijfsvoorheffing
3. Krachtens art. 270, 1°, WIB 92 is iedereen die in België bezoldigingen, pensioenen, renten en toelagen betaalt of toekent ertoe gehouden bedrijfsvoorheffing (BV) in te houden en die door te storten aan de bevoegde ontvanger.

4. De inhouding van de BV kon door rijksinwoners op een eenvoudige wijze worden ontlopen door de belastbare inkomsten in het buitenland te doen betalen of toekennen (bijv. storting op een buitenlandse rekening). Om de belangrijke voorfinanciering van de belasting door middel van de BV in de beoogde gevallen veilig te stellen wordt voormeld wetsartikel aangevuld met een bepaling naar luid waarvan de BV eveneens verschuldigd is door inwoners die in het buitenland bezoldigingen betalen of toekennen aan rijksinwoners en dit met ingang van 1 januari 1997.



III.Onderzoeksbevoegdheden van invorderingsambtenaren
5. Niet alleen bij bepaalde auteurs maar ook in de schoot van de administratie der directe belastingen zelf bestond er onzekerheid omtrent het feit of de invorderingsambtenaren krachtens de bepalingen van het WIB 92 over dezelfde onderzoeksmogelijkheden beschikten als de taxatieambtenaren.

6. Om de invorderingskansen maximaal te benutten is het voor de sector ontvangsten veelal van essentieel belang dat er zo spoedig mogelijk kan worden opgetreden, zelfs reeds in het stadium van het onderzoek (bijv. bewarend beslag met verlof van de beslagrechter).

7. Teneinde de invorderingsambtenaren van de administratie der directe belastingen in de mogelijkheid te stellen de vermogenssituatie van de schuldenaar te bepalen met het uitdrukkelijk oogmerk de invordering van belastingen en voorheffingen in hoofdsom en toebehoren te waarborgen wordt in het WIB 92 een artikel 319bis ingevoegd dat aan voormelde ambtenaren alle onderzoeksmogelijkheden, bepaald in hetzelfde Wetboek, toekent.



IV.Handhaving van het voorrecht inzake directe belastingen
8. Het Hof van Cassatie heeft in zijn arresten van 28.10.1993 in de zaken "CRICK François" en "KEIMEUL-SOMVILLE" de art. 409 tot 411, WIB 92 derwijze geïnterpreteerd dat, indien bij bezwaar of voorziening in beroep en wanneer het onmiddellijk eisbaar gedeelte ofwel werd betaald ofwel werd vastgesteld op nihil, de ontvanger niet op een wettelijke wijze kan overgaan tot uitvoeringsmaatregelen, zodat het onmogelijk werd desgevallend het voorrecht te handhaven door middel van beslag.

9. Hoofdzakelijk om deze reden is beslist de begrenzing tot twee jaar te rekenen vanaf de datum van de uitvoerbaarverklaring van het kohier (art. 423, eerste lid, WIB 92) te schrappen. Vanzelfsprekend wordt ook de begrenzing tot drie jaar inzake de BV opgeheven (art. 423, tweede lid, WIB 92).

10. Ingevolge voormelde wijziging van art. 423, WIB 92 zijn de bepalingen van art. 424, WIB 92 overbodig geworden, zodat laatstgenoemd artikel wordt opgeheven.



V.Inschrijving van de wettelijke hypotheek
11. Zoals gezegd in de aanhef beoogt het KB van 12.12.1996, maatregelen te treffen die de efficiëntie van de invordering ten goede komen.

Belastingen zijn van nature hypothecair. Het hypothecair karakter verbonden aan de fiscale schuldvordering bestaat reeds vóór de inschrijving die er alleen nodig is voor de verplichte openbaarmaking. De inschrijving van de wettelijke hypotheek als bewarende maatregel moet kunnen worden genomen van zodra de belasting niet binnen de wettelijk vastgelegde betaaltermijn is voldaan.

12. Art. 427, WIB 92 wordt derhalve in die zin aangepast dat voortaan de wettelijke hypotheek kan worden genomen vanaf de datum van eisbaarheid van de gewaarborgde belastingen.

In geval van ingekohierde bedrijfsvoorheffing of roerende voorheffing mag de inschrijving worden genomen vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het kohier.



VI.Overdracht van handelsfonds
13. Een totaal nieuwe bepaling wordt onder het art. 442bis in het WIB 92 ingevoegd. Het heeft tot doel de schuldenaars van belasting te beletten hun handelsfonds, dat krachtens de bepalingen van de art. 7 en 8, Hypotheekwet, tot gemeenschappelijke waarborg strekt van de schuldeisers, over te dragen zonder hun fiscale schulden aan te zuiveren. Hierbij is toekomstgericht gedacht aan mogelijke misbruiken voortvloeiend uit het taxatiesysteem B1-B6 of C1-C6. Anderzijds moest ook paal en perk worden gesteld aan een georganiseerd fraudesysteem dat in bepaalde sectoren is uitgedacht door het opzetten van een cascadestelsel van overdrachten van de algeheelheid of van een gedeelte van het bedrijf.

14. De nieuwe wettelijke bepaling stelt de verplichting in tot aanbieding ter registratie van elke akte van overdracht (zowel in eigendom als in vruchtgebruik) die is geschied onder bezwarende titel of om niet, bij wijze van inbreng in een vennootschap of anderszins, van een algeheelheid van goederen of van een tak van werkzaamheid. Fiscaal zijn deze begrippen gekend onder de artikelen :

  • 117 Wetboek van de registratie-, hypotheek- en griffierechten;
  • 46 Wetboek van de inkomstenbelastingen 92;
  • 11 en 18, § 3, van het BTW-Wetboek.


De ontvanger van de registratie zal de betrokken diensten van de Administratie der directe belastingen en van de BTW nopens de ter registratie aangeboden akte inlichten.

15. De overdracht is slechts tegenstelbaar aan de administratie na verloop van de tweede maand die volgt op die waarin de akte is onderworpen aan de formaliteit van registratie. Hierbij moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de verhouding onder partijen (overlater-overnemer) en deze ten opzichte van derden. Het zal niet ontgaan dat de fiscus niet de hoedanigheid van derde heeft bij de vestiging van de belasting, zodat de nieuwe bepaling geen enkel beletsel vormt voor een eventuele taxatie in hoofde van de overlater (cfr. J. VAN HOUTTE, Beginselen van het Belgisch Belastingrecht, nr. 51 en volg.).

16. Bij de invordering daarentegen is de fiscus wel een derde (ibidem nr. 56). De niet-tegenstelbaarheid van de overdracht gedurende hoger genoemde termijn van 2 maanden zal op het vlak van de invordering wel tot gevolg kunnen hebben dat de ontvanger binnen de bewuste termijn beslag legt op de goederen die het voorwerp van de overdracht hebben uitgemaakt.

17. De overnemer is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de fiscale schulden die de overdrager verschuldigd blijft bij het verstrijken van voormelde termijn van twee maanden ten belope van het bedrag dat door eerstgenoemde zelf, of door een kredietinstelling voor hem, reeds is betaald of ten belope van het bedrag gelijk aan de nominale waarde van de aandelen die naar aanleiding van de overdracht zijn toegekend vóór de afloop van meergenoemde termijn van twee maanden.

18. Noch de niet-tegenstelbaarheid aan de administratie, noch de hoofdelijke aansprakelijkheid zijn van toepassing in hoofde van de overlater die samen met de akte een recent certificaat laat registreren waaruit blijkt dat geen enkele fiscale schuld te vereffenen blijft. De wet bepaalt de wijze van aanvraag van het certificaat.

19. Om eventuele misbruiken te voorkomen is er evenwel bepaald dat het certificaat niet zal worden afgeleverd indien de aanvraag tot het bekomen van het certificaat is ingediend :

  • nadat een fiscale controle is aangekondigd of aan de gang is;
  • nadat een vraag om inlichtingen met betrekking tot de fiscale toestand van de aanvrager is verzonden.


20. De ontvanger beschikt over een maximale termijn van één maand na de indiening van de aanvraag om het certificaat te weigeren of af te leveren.

21. Met uitzondering van hetgeen hoger is gezegd omtrent art. 270, § 1, WIB 92 zijn alle overige bepalingen van kracht met ingang van 10 januari 1997.

INDIRECTE BELASTINGEN



I.Inleiding
22. De artikelen 8 tot 14 van het koninklijk besluit van 12 december 1996 houdende maatregelen inzake strijd tegen de fiscale fraude en met het oog op een betere inning van de belasting, stellen een nieuwe verplichting inzake aanbieding ter registratie in teneinde de diensten van de belasting over de toegevoegde waarde en van de directe belastingen snel te kunnen inlichten van alle overdrachten bedoeld in artikel 11 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.

De wijze waarop die inlichting moet geschieden zal het onderwerp uitmaken van een afzonderlijke instructie. In onderhavige aanschrijving wordt enkel het toepassingsgebied van en de aanvullende regels inzake de nieuwe registratieverplichting verduidelijkt.



II.Toepassingsgebied (artikelen 8 en 10 van het koninklijk besluit).
23. De nieuwe verplichting tot aanbieding ter registratie wordt bepaald in de artikelen 19, 7°, en 31, eerste lid, 1°ter, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten. Zij betreft de overdrachten als bedoeld in artikel 11 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde. Het gaat om overdrachten van de eigendom of van het vruchtgebruik van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, wanneer de overnemer een BTW-belastingsplichtige is die de BTW, indien hij ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken.

De modaliteiten van de overdracht (ten bezwarende titel of om niet, bij wijze van inbreng of anderszins) doen niet ter zake.

De begrippen "algemeenheid van goederen" en "bedrijfsafdeling" moeten op dezelfde wijze geïnterpreteerd worden als de equivalente begrippen "universalitateit der goederen" en "bedrijfstak" in artikel 117 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (zie Parl. St. inzake het ontwerp van Wetboek van belasting over de toegevoegde waarde, inzonderheid Verslag Commissie Financiën - Senaat, 1968-1969, nr. 455, 93).

Wat inzonderheid het begrip "bedrijfsafdeling" aangaat, moet het dus gaan om een geheel van goederen die door de overdrager worden aangewend tot een of meer afdelingen van zijn onderneming die, vanuit technisch oogpunt, ieder een onafhankelijk uitbatingsgeheel vormen (zie koninklijk besluit van 18 juli 1972, art 1, 1°).

Bij wijze van voorbeeld van de overdracht van een algemeenheid van goederen in de zin van artikel 11 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde kunnen vermeld worden :

  • de overdracht van een handelszaak in haar geheel;
  • fusies en splitsingen van handelsvennootschappen;
  • inbreng door een vennootschap in een andere vennootschap, van het geheel van haar activa en passiva tegen toekenning van een bepaald aantal aandelen, zonder dat de handeling tot gevolg heeft dat de inbrengende vennootschap verdwijnt;
  • de inbreng door de resterende vennoten, van het geheel der activa van een voorheen ontbonden en vereffende vennootschap in een nieuw op te richten vennootschap.


Wat inzonderheid de overdracht van een handelszaak betreft, wordt er de aandacht op gevestigd dat deze in het kader van de toepassing van artikel 11 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde als een overdracht van een algemeenheid van goederen wordt beschouwd. Een dergelijke overdracht valt dus onder de toepassing van artikel 19, 7°-nieuw (overdracht bij akte) of van artikel 31, eerste lid, 1°ter-nieuw (mondelinge overdracht), in de mate dat hij niet valt onder de toepassing van het 1°, 2° of 5° van artikel 19 of van het 1° of 1°bis van het eerste lid van artikel 31. In dat opzicht sluit artikel 169 van het Wetboek der registratierechten de toepassing van artikel 19, 7° of van artikel 31, eerste lid, 1°ter, dus niet uit.

24. Dergelijke overdrachten waren vóór de inwerkingtreding van de artikel 19, 7°, en 31, eerste lid, 1°ter, reeds verplicht te registreren, naargelang het geval, in de mate :

  • dat zij vastgesteld zijn bij een in België verleden authentieke akte (art. 19, 1°);
  • dat zij bij onderhandse akte zijn vastgesteld en een in België gelegen onroerend goed begrijpen (art. 19, 2°);
  • dat zij deel uitmaken van een inbreng bij onderhandse akte in een "Belgische" vennootschap met rechtspersoonlijkheid (art. 19, 5°);
  • dat zij enkel mondeling zijn overeengekomen en een in België gelegen onroerend goed begrijpen of deel uitmaken van een inbreng in een "Belgischeö vennootschap met rechtspersoonlijkheid (art. 31, eerste lid, 1° en 1°bis).


De nieuwe registratieverplichting opgelegd door de artikelen 19, 7° en 31, eerste lid, 1°ter slaat dus op overdrachten bedoeld in artikel 11 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde in geval :

  • zij vastgesteld zijn bij een onderhandse of buitenlands verleden akte en geen in België gelegen onroerend goed begrijpen, noch deel uitmaken van een inbreng in een "Belgische" vennootschap met rechtspersoonlijkheid (bv. de overdracht bij wijze van inbreng in een buitenlandse vennootschap of in een Belgische vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid) (artikel 19, 7°);
  • zij enkel mondeling zijn overeengekomen en geen in België gelegen onroerende goederen begrijpen, noch deel uitmaken van een inbreng in een "Belgische" vennootschap met rechtspersoonlijkheid artikel 31, eerste lid, 1°ter).


De facto slaat de nieuwe verplichting tot aanbieding ter registratie hoofdzakelijk, maar niet uitsluitend, op de overdrachten door zelfstandigen van hun handelszaak in haar geheel of van een bedrijfsafdeling ervan.

Er wordt nadrukkelijk op gewezen dat de inlichting waarvan sprake onder nr. 22 zal moeten geschieden voor elk van de hiervoor opgesomde gevallen, en niet enkel voor de gevallen die onder het toepassingsgebied van het nieuwe artikel 19, 7°, of het nieuwe artikel 31, eerste lid, 1°ter, vallen.

III. Aanvullende regels (artikelen 9 en 11 tot 14 van het koninklijk besluit).

25. De wijziging van artikel 21/1 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (zie artikel 9 van het koninklijk besluit) brengt mee dat ook voor de onderhandse of buitenlands verleden akten die onder het toepassingsgebied van het nieuwe artikel 19, 7°, vallen, er normaliter bij de aanbieding ter registratie ervan, een door minstens één der partijen eensluidend verklaard afschrift of een dubbel van de akte moet gevoegd worden. Dat afschrift of dubbel blijft op het registratiekantoor.

26. De termijn voor aanbieding ter registratie van de akten die onder het toepassingsgebied van het nieuwe artikel 19, 7°, vallen, bedraagt vijftien dagen (zie artikel artikel 11 van het koninklijk besluit - wijziging van artikel 32 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten).

27. De verklaringen betreffende de overdrachten die onder het toepassingsgebied van het nieuwe artikel 31, eerste lid, 1°ter, vallen, moeten eveneens binnen een termijn van 15 dagen ter registratie worden aangeboden. De termijn wordt in dit geval gerekend van de datum van de overeenkomst of, in voorkomend geval, van de vervulling van de voorwaarde die de heffing van het recht heeft opgeschort (artikel 12 van het KB - wijziging van artikel 33 van het Wetboek van registratie- hypotheek- en griffierechten):

28. In beide van de hiervoor onder nrs. 26 en 27 bedoelde gevallen, rust de plicht tot aanbieding ter registratie op de partijen bij de overeenkomst (artikel 13 van het koninklijk besluit - wijziging van artikel 35, 6°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten).

29. De wijziging van artikel 170 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (zie artikel 14 van het koninklijk besluit) brengt tenslotte mee dat wanneer in een authentieke akte, andere dan een vonnis of arrest, melding wordt gemaakt van een overdracht die onder het toepassingsgebied van het nieuwe artikel, 19, 7°, valt, die authentieke akte een afschrift van de vermelding van de registratie van de overdracht moet bevatten of het ontbreken daarvan moet vermelden, op straffe van een boete van 1.000 fr. ten laste van de instrumenterende ambtenaar.



IV.Inwerkingtreding
30. De artikelen 8 tot 14 van het koninklijk besluit zijn in werking getreden op 10 januari 1997.



V.Slotopmerking
31. De aandacht van de ontvangers van de registratie wordt erop gevestigd dat het certificaat waarvan sprake in artikel 6 van het koninklijk besluit van 12 december 1996 (zie deel "Directe belastingen", VI., punt 18), moet geregistreerd worden.