Circulaire nr. Ci.D.19/444.574 van 21.09.1992
CIRC 21.09.92/1
Bull. nr. 721, pag. 2912
FISCALE EN FINANCIELE BEPALINGEN 1992.
Beknopt overzicht.
Beknopt overzicht.
Samenvatting van de bepalingen inzake I.B. van de wet van 28.07.1992 houdende fiscale en financiële bepalingen.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1 en 2
In bijlage wordt een samenvatting bezorgd van de voornaamste bepalingen m.b.t. de inkomstenbelastingen van de W. 28.07.1992 houdende fiscale en financiële bepalingen (B.S. 31.07.1992, V.2185, B. 719).
Waar mogelijk wordt daarin verwezen naar de artikelen van het WIB 1992.
Het hoofdbestuur zal commentaar op de voormelde wetsbepalingen zo spoedig mogelijk opstellen en verspreiden. Zoals voorheen zal die commentaar in afleveringen verstrekt worden.
De Directeur-generaal
E. VAN VRECKEM
INHOUDSTAFEL Nrs I. PERSONENBELASTING - Interest van voorschotten .......................... 1 - 3 - Inkomsten uit gelddeposito's ....................... 4 - 7 - Abnormale of goedgunstige voordelen ................ 8 - 10 - Door een vennootschap aan haar bestuurders of werkende vennoten betaalde huren ..................................... 11 - 13 - Vrijstelling van de bijdrage van de werkgever in de kosten van het woon-werkverkeer .................................. 14 - 17 - Inbreng van één of meer bedrijfsafdelingen of takken van werkzaamheid of van de algemeenheid van goederen .......................... 18 - 20 - Sommen betaald aan niet-inwoners gevestigd in belastingparadijzen ............................. 21 - 22 - Aftrekbaarheid van interesten van geleende en voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid gebruikte kapitalen .......................................... 23 - 25 - Autokosten woon-werkverkeer ........................ 26 - 28 - Investeringsaftrek ................................. 29 - 30 - Bijkomende interestaftrek .......................... 31 - 32 - Bijzondere aanslagstelsel van sommige kapitalen, vergoedingen en afkoopwaarden ........... 33 - 41 - Stopzettingsmeerwaarden ............................ 42 - 47 II. VENNOOTSCHAPSBELASTING - Interest van voorschotten .......................... 48 - 50 - Investeringsaftrek ................................. 51 - 53 - Beroepskosten ...................................... 54 - Aftrek D.B.I. en V.R.I. ............................ 55 - Afzonderlijke aanslag Ven.B. ....................... 56 - 57 III. BELASTING VAN NIET-INWONERS - Belastbare inkomsten ............................... 58 - 59 - Partnerships ....................................... 60 - 62 - Inbreng van activa ................................. 63 - 65 - Maatstaf van heffing ............................... 66 - 67 - Investeringsaftrek ................................. 68 - Aftrekbare bestedingen ............................. 69 - 70 - Berekening van de belasting ........................ 71 - 72 - Bevrijdende voorheffingen .......................... 73 - Belastingheffing van vennootschappen ............... 74 - 76 IV. BEDRIJFSVOORHEFFING - Schuldenaars van de B.V. ........................... 77 - 79 - Bekrachtiging van koninklijke besluiten ............ 80 - 81 V. VESTIGING EN INVORDERING VAN DE BELASTINGEN - Vrijstelling van aangifteplicht voor bepaalde dividenden ................................ 82 - 83 - Bewijsmiddelen van de administratie ................ 84 - 89 - Invordering ten laste van feitelijk gescheiden echtgenoten ............................. 90 - Betaling van de bedrijfsvoorheffing ................ 91 - 92 - Nalatigheidsinteresten ............................. 93 VI. BIJZONDERE BEPALINGEN - Gedwongen meerwaarden .............................. 94 - 95 - Effectenmakelaars .................................. 96 - 98 - Omvorming van gemeenschappelijke beleggingsfondsen .................................. 99 - Overgangsbepalingen : verwijzingen naar het WIB ......................................... 100 I. PERSONENBELASTING
INTEREST VAN VOORSCHOTTEN
1. De bestaande gelijkstelling met dividenden van de interest van voorschotten aan personenvennootschappen wordt uitgebreid tot de vanaf 27.03.1992 betaalde of toegekende interest van voorschotten die door een bestuurder (of door zijn echtgenoot of door hun kinderen van wier inkomsten ze het wettelijk genot hebben) aan een kapitaalvennootschap worden gedaan.
2. Zoals voor de interest van voorschotten aan door de Nationale Raad van de Coöperatie erkende C.V. wordt, zowel in kapitaal- als in personenvennootschappen, de gelijkstelling met dividenden voortaan ook opgeheven voor de interest :
- van obligaties uitgegeven door een openbaar beroep op het spaarwezen;
- van voorschotten van bestuurders of vennoten die zelf aan de Ven.B onderworpen zijn.
3. Voorts geldt de gelijkstelling slechts in de mate dat :
- ofwel de interest hoger is dan een bedrag dat overeenstemt met de overeenkomstig de marktrente geldende rentevoet,
- ofwel het totaal bedrag van de in aanmerking komende voorschotten hoger is dan het gestorte kapitaal verhoogd met de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk.
INKOMSTEN UIT GELDDEPOSITO'S
4. Art. 19, WIB 1992, wordt aangevuld met een § 3. Met deze paragraaf wordt het begrip "inkomsten uit gelddeposito's" omschreven en wordt :
- enerzijds dit begrip verruimd met de "opbrengsten uit verrichtingen tot afstand, uit welke hoofde ook, door de ene partij van een som geld aan de tegenpartij waarbij deze laatste tegenover de eerste de verbintenis aangaat om op een vooraf bepaalde datum of gedurende een overeengekomen periode een hogere som geld terug te geven waarvan het bedrag bij de aanvang is overeengekomen";
- en anderzijds de belastinggrondslag als volgt bepaald : "de inkomsten stemmen overeen met het verschil tussen die twee bedragen ongeacht de wijze van berekening en vaststelling".
5. Met andere woorden, elke aangroei van om het even welke som die voor een welbepaalde termijn aan een derde wordt toevertrouwd vormt een belastbaar roerend inkomen, ongeacht de benaming die aan de verrichting wordt gegeven.
6. In feite strekt de nieuwe bepaling er hoofdzakelijk toe op fiscaal vlak een nieuwe kwalificatie te geven aan de opbrengsten van financiële verrichtingen (zoals "swaps" van deviezen of van goud, of ook nog sommige premies op termijnverrichtingen) die door de belastingplichtigen werden voorgesteld als niet belastbare meerwaarden, wanneer die verrichtingen gedaan werden in het kader van het beheer van hun privé-patrimonium.
7. Inwerkingtreding : 10.08.1992.
(art. 2, W. 22.07.1992 - art. 19, § 3, WIB 1992)
ABNORMALE OF GOEDGUNSTIGE VOORDELEN
8. Abnormale of goedgunstige voordelen die een onderneming verleent moeten bij haar eigen winst worden gevoegd.
9. Met het oog op een meer logische opbouw en een betere samenhang werd de wettekst herschikt. hieruit blijkt duidelijker dan voorheen dat de bewijslast -behalve m.b.t. de beroepskosten beoogd bij art. 54, WIB 1992- in principe bij de administratie ligt.
10. Deze bepaling treedt in werking met ingang van het aj. 1993.
DOOR EEN VENNOOTSCHAP AAN HAAR BESTUURDERS OF WERKENDE VENNOTEN BETAALDE HUREN
11. Wanneer een bestuurder of een werkend vennoot van een vennootschap aan deze laatste een gebouwd onroerend goed verhuurt, worden de huurprijs en de huurvoordelen voortaan niet meer als onroerende inkomsten maar als bezoldigingen van bestuurder of van werkend vennoot aangemerkt, in zover zij meer bedragen dan vijf derden van het gerevaloriseerde kadastraal inkomen. De revalorisatiecoëfficiënt is die welke wordt toegepast voor de beperking van de aftrekbare kosten van het huurinkomen van een gebouwd onroerend goed (art. 13, WIB 1992).
12. De kosten in verband met het verhuurde onroerend goed (met inbegrip van de interesten op leningen) zijn niet als beroepskosten van de bezoldigingen van bestuurder of werkend vennoot aftrekbaar.
13. Deze maatregel treedt in werking met ingang van het aj. 1994.
(art.4, 5 en 47, § 3, W. 28.07.1992 - art 32, derde lid en 33, derde lid, WIB 1992)
VRIJSTELLING VAN DE BIJDRAGE VAN DE WERKGEVER IN DE KOSTEN VAN HET WOON-WERKVERKEER
14. Thans zijn vergoedingen die een werkgever aan een werknemer toekent als terugbetaling van de reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling, bij de werknemer vrijgesteld tot een bedrag van 11.000 F (voor het aj. 1992) op voorwaarde dat hij aantoont dat hij regelmatig een abonnement heeft genomen op het gemeenschappelijk openbaar vervoer.
15. Voortaan zal de verplichte werkgeversbijdrage in de prijs van een sociaal abonnement volledig worden vrijgesteld. Deze vrijstelling zal ook gelden voor andere openbare vervoermiddelen dan het spoor.
16. Bovendien wordt, wanneer de verplichte werkgeversbijdrage lager is dan 11.000 F, doch de werkgever meer bijdraagt in de prijs van het abonnement, de vrijstelling verhoogd tot de totale werkgeversbijdrage, evenwel begrensd tot de prijs van het sociaal abonnement en met een maximumbedrag van 11.000 F.
17. Inwerkingtreding : aj. 1993.
INBRENG VAN EEN OF MEER BEDRIJFSAFDELINGEN OF TAKKEN VAN WERKZAAMHEID OF VAN DE ALGEMEENHEID VAN GOEDEREN
18. M.b.t. inbrengen van één of meer bedrijfsafdelingen of takken van werkzaamheid of van de algemeenheid van goederen gedaan vanaf 27.03.1992 in een vennootschap tegen verkrijging van aandelen die het maatschappelijk kapitaal van die vennootschap vertegenwoordigen, worden de uit hoofde van die verrichtingen verkregen of vastgestelde meerwaarden volledig maar tijdelijk vrijgesteld, voor zover de maatschappelijke zetel, de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer van de vennootschap die de inbreng ontvangt, gelegen is in een lidstaat van de Europese Gemeenschappen.
19. Wanneer de verkrijger van de inbreng van vennootschap is die gevestigd is in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen dan België, worden de ingebrachte goederen geacht een Belgische inrichting te vormen van de vennootschap die de inbreng verkrijgt en daarin aangewend te blijven. Wanneer de aanwending eindigt, worden de overgedragen bestanddelen geacht te zijn verwezenlijkt.
20. Voortaan wordt uitdrukkelijk bepaald dat financiële vaste activa en andere effecten in portefeuille geen bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid zijn.
21. De wettekst werd aangepast in het kader van de ontwikkeling van anti-ontwijkingsmaatregelen om te beletten dat via de tussenkomst van intermediaire vennootschappen die gevestigd zijn in een lidstaat van de E.E.G., winst zou doorstromen naar vennootschappen gevestigd in belastingparadijzen.
22. Deze bepaling treedt in werking met ingang van het aj. 1993.
AFTREKBAARHEID VAN INTERESTEN VAN GELEENDE EN VOOR DE UITOEFENING VAN DE BEROEPSWERKZAAMHEID GEBRUIKTE KAPITALEN
23. Voorheen was de grens voor aftrekbaarheid van sommige interesten bepaald bij een bij KB vastgestelde referentierentevoet, verhoogd met 3 punten.
24. Voortaan wordt het maximumbedrag van de aftrekbare interest niet meer bij KB vastgesteld. Het is de belastingplichtige die moet bewijzen dat de interest die hij betaalt niet hoger ligt dan de marktrente rekening houdend met de concrete omstandigheden van het gevraagde krediet.
25. Deze bepaling is van toepassing op de vanaf 01.01.1992 betaalde of toegekende interest.
AUTOKOSTEN WOON-WERKVERKEER
26. De aftrekbare beroepskosten ter zake van het gebruik van personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen, worden forfaitair op 6 frank per afgelegde kilometer bepaald m.b.t. het woon-werkverkeer.
27. Deze beperking geldt niet voor voertuigen die gebruikt worden door gehandicapten en die uit dien hoofde vrijgesteld zijn van de verkeersbelasting.
28. Deze op alle categorieën van belastingplichtigen (natuurlijke personen) toepasselijke bepaling treedt in werking met ingang van het aj. 1993.
INVESTERINGSAFTREK
29. Vanaf het aj. 1993 worden de percentages van de investeringsaftrek opnieuw per aanslagjaar (en niet langer per kalenderjaar) vastgesteld.
30. Ook met ingang van het aj. 1993 kan de investeringsaftrek eveneens worden verleend op vaste activa waarvan het gebruik (anders dan door leasing of soortgelijke rechten) wordt overgedragen aan een belastingplichtige die baten behaalt.
BIJKOMENDE INTERESTAFTREK
31. Een eerder ongelukkige formulering in de tekst van art. 116, WIB 1992 wordt rechtgezet zodat thans ondubbelzinnig blijkt dat het bedrag van de werkelijk betaalde interesten van hypothecaire leningen eerst wordt verminderd met de interesten die van de onroerende inkomsten moeten worden afgetrokken (gewone interestaftrek) en dat slechts het saldo voor de bijkomende interestaftrek in aanmerking wordt genomen.
32. Deze bepaling treedt in werking met ingang van het aj. 1992.
BIJZONDER AANSLAGSTELSEL VAN SOMMIGE KAPITALEN, VERGOEDINGEN EN AFKOOPWAARDEN
33. A. Kapitalen voortkomend van individuele levensverzekeringscontracten die worden vereffend bij het normale verstrijken van het contract of bij het overlijden van de verzekerde en de afkoopwaarden van die contracten die worden vereffend in één der 5 jaren die aan het normaal verstrijken van het contract voorafgaan en die met ingang van 01.08.1992 worden betaald of toegekend, zijn ofwel afzonderlijk belastbaar tegen een aanslagvoet van 16,5 %, ofwel belastbaar als omzettingsrente die, naargelang van het geval, gedurende maximum 10 of 13 opeenvolgende belastbare tijdperken zal worden belast.
34. Voor individuele levensverzekeringscontracten die niet dienen voor de wedersamenstelling of het waarborgen van een hypothecaire lening, worden de voormelde kapitalen en afkoopwaarden voortaan afzonderlijk belast tegen een aanslagvoet van 16,5 %;
35. Voor individuele levensverzekeringscontracten die dienen voor de wedersamenstelling of het waarborgen van een hypothecaire lening, kan het voormelde stelsel van afzonderlijke aanslag slechts worden toegepast op het gedeelte van het kapitaal of van de eventuele afkoopwaarde dat de "waarborg" overtreft. Voor het gedeelte dat dient voor de wedersamenstelling of het waarborgen van de hypothecaire lening gebeurt de aanslag, zoals vroeger, onder de vorm van een fictieve omzettingsrente waarbij de belastingheffing evenwel in de tijd is beperkt (zie hierna nr.37);
36. Voor levensverzekeringscontracten van het type "schuldsaldo" waarbij de eenmalige premie samen met de hoofdsom is ontleend en dus zoals de kapitaalsaflossingen is afgetrokken, zijn het kapitaal of de afkoopwaarde eveneens belastbaar onder de vorm van een fictieve omzettingsrente, waarbij de belastingheffing eveneens in de tijd is beperkt (zie hierna nr. 37).
37. Wanneer, rekening houdend met het voorgaande, de belastingheffing plaatsvindt onder de vorm van een fictieve omzettingsrente, is die rente belastbaar gedurende :
- 10 opeenvolgende belastbare tijdperken (of tot het belastbare tijdperk waarin de verkrijger overlijdt indien dat overlijden vroeger plaatsvindt) wanneer de omzettingsrente 5 % van het kapitaal of van de afkoopwaarde bedraagt, d.w.z. wanneer de verkrijger 65 jaar of ouder was bij de betaling van het kapitaal of de afkoopwaarde;
- 13 opeenvolgende belastbare tijdperken (of eveneens tot het belastbare tijdperk waarin de verkrijger overlijdt indien dat overlijden vroeger plaatsvindt) in de andere gevallen.
38. B. De andere kapitalen en afkoopwaarden die verder belastbaar blijven als fictieve omzettingsrente, geven eveneens aanleiding tot een belastingheffing die, volgens hetzelfde onderscheid als hiervoor, in de tijd is beperkt.
39. Het betreft :
- kapitalen en afkoopwaarden van aanvullende pensioenen als bedoeld in art. 52bis, KB nr. 72 van 10.11.1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen;
- kapitalen die de aard hebben van een vergoeding tot geheel of gedeeltelijk herstel van een bestendige derving van winsten, bezoldigingen of baten;
- onder bepaalde voorwaarden, de eerste schijf van 2.000.000 F (te indexeren) van het kapitaal of van de afkoopwaarde van groepsverzekeringscontracten waarop voorschotten zijn opgenomen of die als waarborg van een hypothecaire lening hebben gediend;
40. C. Voor kapitalen of afkoopwaarden van individuele levensverzekeringscontracten die voor 01.08.1992 werden betaald of toegekend, is een bijzondere wetsbepaling ingelast, krachtens welke de belastingheffing van de omzettingsrente volgens hetzelfde onderscheid als in nr. 37 hiervoor, eveneens wordt beperkt tot 10 of 13 opeenvolgende belastbare tijdperken.
41. D. De beperking in de tijd van de omzettingsrente is voor de eerste maal van toepassing voor het aj. 1993.
(art. 14, 15, 3° 40 en 47, § 2 en § 13, W. 28.07.1992 - art. 169, 171, 4°, fbis en 515, § 2, WIB 1992)
STOPZETTINGSMEERWAARDEN
42. Door aan art. 171, 1°, WIB 1992, een c toe te voegen, voert art. 15, 1°, W. 28.07.1992, een nieuwe aanslagvoet van 33 % in op het vlak van de afzonderlijke aanslag van stopzettingsmeerwaarden op immateriële vaste activa (art. 28, eerste lid, 1°, WIB 1992) en de in de art. 25, 6°, a en 27, tweede lid, 4°, a, WIB 1992, vermelde vergoedingen verkregen als compensatie van een vermindering van de werkzaamheid. Die aanslagvoet van 33 % komt in de plaats van de voorheen geldende 16,5 %. De voorwaarden voor het toestaan van het bijzonder tarief blijven ongewijzigd. Het tarief van 33 % mag namelijk slechts worden toegepast in zover de meerwaarden of vergoedingen een welbepaalde grens niet overschrijden, d.w.z. niet meer bedragen dan de belastbare netto-winst of -baten die in de 4 jaren voor de stopzetting of de vermindering van de werkzaamheid uit de niet meer uitgeoefende werkzaamheid zijn verkregen (doorgaans de "vier maal vier regel" genoemd).
43. Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de "vier maal vier regel" te verduidelijken. Zo wordt wettelijk bevestigd dat indien de referentieperiode korter is dan 4 jaar de baten of winst van die periode niet fictief moeten worden opgevoerd tot 4 jaar, maar dat het volstaat de werkelijke netto-inkomsten van die periode in aanmerking te nemen.
44. Voorts wordt tevens de stelling van de administratie bevestigd volgens welke de beroepsverliezen van de periode voorafgaand aan de referentieperiode, evenals de verliezen uit andere dan de niet meer uitgeoefende werkzaamheid, geen invloed hebben op de bepaling van de winst en de baten van de referentieperiode.
45. Art. 15, 2°, W. 28.07.1992 vervangt art. 171, 4°, b, WIB 1992 (dat voorheen, binnen de beperking van de "vier maal vier regel", algemeen voorzag in een taxatie tegen 16,5 % van de voornoemde meerwaarden en vergoedingen) derwijze dat de aanslag tegen dit verlaagde tarief nog slechts geldt voor stopzettingsmeerwaarden verkregen n.a.v. de stopzetting van de werkzaamheid vanaf de leeftijd van 60 jaar of ingevolge het overlijden of nog n.a.v. een gedwongen definitieve stopzetting, evenals voor de vergoedingen verkregen onder gelijkaardige omstandigheden. Wel te verstaan blijft in die gevallen de "vier maal vier regel" van toepassing.
46. Uit de nieuwe tekst kan met twee belangrijke zaken afleiden :
| 1° | de gedwongen definitieve stopzetting of gedwongen handeling moet voortvloeien uit een schadegeval, een onteigening, een opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis (zijn derhalve niet bedoeld, bijvoorbeeld, de steunmaatregelen in het kader van de E.E.G.- landbouwpolitiek waarbij landbouwers ertoe worden aangezet gronden braak te laten liggen); |
| 2° | de handicap of het overlijden van de belastingplichtige, van de medewerkende echtgeno(o)t(e) of zelfs van een kind dat onmisbaar is voor de uitoefening van de werkzaamheid zijn omstandigheden die de kwalificatie van gedwongen stopzetting rechtvaardigen. |
47. Deze bepalingen zijn van toepassing op de meerwaarden die voortvloeien uit stopzettingen vanaf 06.04.1992 en op de vergoedingen ingevolge handelingen vanaf dezelfde datum.
II. VENNOOTSCHAPSBELASTING
INTEREST VAN VOORSCHOTTEN
48. Aangezien hij niet meer als dividend wordt gekwalificeerd is de vanaf 27.03.1992 betaalde of toegekende interest van voorschotten die zijn toegestaan door aan de Ven.B onderworpen bestuurders en vennoten evenmin nog aftrekbaar als D.B.I.
(art. 19 en 47, § 6, W. 28.07.1992 - 202, 1°, WIB 1992)
49. Met ingang van het aj. 1993 worden de rentegevende voorschotten (ongeacht of de interest al dan niet met dividenden wordt gelijkgesteld niet meer aangemerkt als gestort kapitaal.
(art. 16, W. 28.07.1992 - art. 184, derde lid, WIB 1992)
50. Daaruit volgt bovendien dat, vanaf hetzelfde aj., die voorschotten :
- opnieuw buiten beschouwing moeten worden gelaten om, voor het bepalen van het toepasselijke tarief van de Ven.B, na te gaan of de dividenduitkering hoger is dan 13 % van het gestorte kapitaal;
- geen rol meer spelen in het geval van een belastingvrije omzetting van een personenvennootschap in een kapitaalvennootschap.
INVESTERINGSAFTREK
51. Vanaf het aj. 1993 en in zover de vaste activa vanaf 01.01.1992 zijn verkregen of tot stand gebracht, is het percentage van de éénmalige investeringsaftrek (4 %) op andere investeringen dan energiebesparende investeringen dan energiebesparende investeringen en milieuvriendelijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling, nog slechts van toepassing op de eerste schijf van 200 miljoen frank investeringen per belastbaar tijdperk wanneer het gaat om vennootschappen :
| 1° | waarvan de aandelen voor meer dan de helft toebehoren aan één of meer natuurlijke personen die de meerderheid van het stemrecht vertegenwoordigen; |
| 2° | en die geen deel uitmaken van een groep waartoe een erkend coördinatiecentrum behoort. |
52. Het bedrag van 200 miljoen frank wordt jaarlijks aan het indexcijfer van de consumptieprijzen aangepast (dit betekent dat de eigenlijke grens voor het aj. 1993 reeds 200.000.000 x 1,0998 = 219.960.000 F bedraagt).
53. Daarentegen wordt het percentage van de éénmalige investeringsaftrek op andere investeringen dan energiebesparende investeringen en milieuvriendelijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling (eventueel reeds voor het aj. 1992) op nul gebracht m.b.t. vaste activa die vanaf 27.03.1992 zijn verkregen of tot stand gebracht door vennootschappen :
| 1° | waarvan de aandelen niet voor meer dan de helft toebehoren aan één of meer natuurlijke personen die de meerderheid van het stemrecht vertegenwoordigen; |
| 2° | of die deel uitmaken van een groep waartoe een erkend coördinatiecentrum behoort. |
(art. 18 en 47, §§ 8 en 9, W. 28.07.1992 - art; 201, WIB 1992)
BEROEPSKOSTEN
54. Met ingang van het aj. 1993 zijn niet meer als beroepskosten aftrekbaar :
- de jaarlijkse taks van 9,25 % op winstdeelnemingen vermeld in art. 183bis van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen (voorheen was die taks voor 50 % als beroepskost aftrekbaar);
- de uitzonderlijke éénmalige taks bedoeld in art. 183duodecies van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, op stortingen die in 1991 werden bestemd voor het lange termijnsparen.
AFTREK D.B.I. en V.R.I.
55. Met ingang van het aj. 1993 wordt de aftrek van D.B.I. en V.R.I. beperkt tot het bedrag van de winst dat overblijft na de derde bewerking verminderd met de niet aftrekbare beroepskosten (verworpen uitgaven) andere dan :
- de niet-aftrekbare belastingen;
- de niet-aftrekbare waardeverminderingen en minderwaarden op aandelen;
- de giften die van de winst worden afgetrokken.
AFZONDERLIJKE AANSLAG VEN.B.
56. Voor de aanslagjaren 1993 tot 1997 wordt een afzonderlijk tarief van de Ven.B ingevoerd voor belastbare opnemingen van verwezenlijkte meerwaarden, in zover die opnemingen :
- verricht worden op de verwezenlijkte meerwaarden die zijn vrijgesteld overeenkomstig art. 190, eerste lid, WIB 1992 (onaantastbaarheidsvoorwaarde);
- geen betrekking hebben op verwezenlijkte meerwaarden vermeld in art. 47, WIB 1992 (gespreide belasting van verwezenlijkte of gedwongen meerwaarden op immateriële of materiële vaste activa);
- per belastbaar tijdperk niet hoger zijn dan 30 % van het totale bedrag van de meerwaarden zoals die bestonden op het einde van het belastbare tijdperk verbonden aan het aj. 1992.
57. Dat tarief bedraagt :
- 15 % voor het aj. 1993;
- 17 % voor het aj. 1994;
- 19 % voor het aj. 1995;
- 21 % voor het aj. 1996;
- 23 % voor het aj. 1997.
(art. 48, W. 28.07.1992 - art. 519bis, WIB 1992)
III. BELASTING VAN NIET-INWONERS
BELASTBARE INKOMSTEN
58. De doelstellingen van art. 23, W. 28.07.1992 zijn de volgende :
| 1° | een tekstaanpassing van art. 228, § 2, 3°, in fine, WIB 1992, die verband houdt met de omzetting in het Belgische recht van de E.E.G.-richtlijn "fusies" met betrekking tot de inbreng van activa; |
| 2° | de rechtzetting van een vergetelheid in de tekst van art. 228, § 2, 3°, a, WIB 1992 (inlassing van de woorden "of de overdracht" van een recht van erfpacht ...); |
| 3° | de aanpassing en herschikking van art. 228, § 2, WIB 1992 om de inkomsten die buitenlandse podiumkunstenaars en sportbeoefenaars in België behalen in alle gevallen als een afzonderlijke categorie van inkomsten aan te merken (en aan een stelsel van bevrijdende bedrijfsvoorheffing te onderwerpen). |
59. Deze bepalingen treden in werking met ingang van het aj. 1993.
PARTNERSHIPS
60. De tekst van art. 229, § 3, WIB 1992 wordt aangepast om elke twijfel weg te nemen nopens de belastbaarheid van de inkomsten van buitenlandse vennoten of leden van burgerlijke vennootschappen of verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid (inzonderheid "partnerships") die zich met een winstgevende bezigheid in de zin van art. 23, § 1, 2°, WIB 1992 inlaten.
61. De betrokkenen worden thans uitdrukkelijk geacht persoonlijk in België een beroepswerkzaamheid uit te oefenen.
62. Inwerkingtreding : aj. 1993.
INBRENG VAN ACTIVA
63. Wanneer een Belgische inrichting behoort tot de goederen die n.a.v. een fusie, een splitsing of een inbreng van één of meer bedrijfstakken of takken van werkzaamheid of van de algemeenheid van goederen door een vennootschap van een lidstaat van de Europese Gemeenschappen met vrijstelling van inkomstenbelasting worden ingebracht, zijn de n.a.v. deze verrichting vastgestelde meerwaarden op de Belgische inrichting of op haar activabestanddelen vanaf aj. 1993 vrijgesteld, in zover die inrichting of die activabestanddelen in België behouden blijven.
64. Bij de Belgische inrichting van de verkrijgende, overnemende of nieuwe vennootschap, worden de afschrijvingen, investeringsaftrekken, minderwaarden of meerwaarden bepaald alsof die verrichting niet had plaatsgevonden.
MAATSTAF VAN HEFFING
66. Aanpassing en aanvulling van art. 232, WIB 1992, ertoe strekkend :
- een vergetelheid van de W. 22.12.1989 recht te zetten door te bepalen dat de B.N.I.-nat.pers. wordt gevestigd op het totale bedrag van de inkomsten uit in België verkregen beroepsinkomsten en van de in art. 228, § 2, 9°, h, WIB 1992 vermelde meerwaarden op belangrijke deelnemingen;
- de regularisatie van onroerende inkomsten uit te sluiten wanneer de belastingplichtige in België onroerende inkomsten verkrijgt waarvan het totale bedrag lager is dan 100.000 F, doch geen "regulariseerbare" beroepsinkomsten of meerwaarden op belangrijke deelnemingen behaalt.
67. Inwerkingtreding : aj. 1993.
INVESTERINGSAFTREK
68. Op vaste activa die aan de BNI-ven. onderworpen vennootschappen vanaf 27.03.1992 verkrijgen of tot stand brengen wordt het percentage van de éénmalige investeringsaftrek op andere investeringen dan energiebesparende investeringen en milieuvriendelijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling op 0 gebracht.
AFTREKBARE BESTEDINGEN
69. De in art. 241 en 242, § 1, WIB 1992 vermelde bestedingen zijn slechts van het totale netto-inkomen aftrekbaar onder de voorwaarden en grenzen die inzake PB gelden.
70. Deze bepaling treedt in werking met ingang van het aj. 1993.
BEREKENING VAN DE BELASTING
71. Er wordt in de wet verduidelijkt dat de inzake PB geldende bepalingen van het WIB 1992 met betrekking tot de overdracht van verliezen tussen echtgenoten, de voorafbetalingen en de afzonderlijke aanslagen ook van toepassing zijn op niet-inwoners zonder tehuis in België.
72. Inwerkingtreding : aj. 1993.
BEVRIJDENDE VOORHEFFINGEN
73. De volgende in de B.N.I.-nat.pers. belastbare inkomsten worden vanaf het aj. 1993 niet meer aan een regularisatie onderworpen, maar de erop ingehouden voorheffingen worden als eindbelasting beschouwd :
- inkomsten (ongeacht hun aard) die voortkomen uit door podiumkunstenaars en sportbeoefenaars in België persoonlijk en als dusdanig verrichte werkzaamheden;
- winsten of baten van buitenlandse vennoten en leden van burgerlijke vennootschappen en verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid;
- inkomsten van onroerende goederen van niet-inwoners die in België onroerende onkosten verkrijgen waarvan het totale bedrag per belastingplichtige lager is dan 100.000 F (zie rubriek "Maatstaf van heffing" -nrs. 66 en 67 hiervoor).
(art. 32 en 47, § 2, W. 28.07.1992 - art; 248, WIB 1992)
BELASTINGHEFFING VAN VENNOOTSCHAPPEN
74. Met ingang van het aj. 1993 worden nog enkel de hierna volgende inkomsten van buitenlandse vennootschappen en daarmee gelijkgestelde lichamen aan een gezamenlijke aanslag onderworpen :
- winsten opgebracht door bemiddeling van Belgische inrichtingen met inbegrip van de vastgestelde of verwezenlijkte meerwaarden op zulke inrichtingen of op hun activabestanddelen;
| a) | de vervreemding of de verhuring van in België gelegen onroerende goederen of uit de vestiging of de overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten; |
| b) | de hoedanigheid van vennoot in een vennootschap die of fiscaal vlak wordt geacht geen rechtspersoonlijkheid te bezitten. |
75. De hierna opgesomde winsten, die zonder bemiddeling van een Belgische inrichting worden behaald, worden niet meer aan een gezamenlijke aanslag onderworpen :
- winsten die voortkomen uit in België door buitenlandse verzekeraars gedane verzekeringsverrichtingen;
- winsten die voortkomen uit het uitoefenen van een mandaat van bestuurder of vereffenaar in een kapitaalvennootschap en de uitoefening van werkzaamheden in een personenvennootschap of in Belgische inrichtingen van buitenlandse vennootschappen of daarmee gelijkgestelde lichamen;
- winsten die voortkomen uit een in België door een podiumkunstenaar of een sportbeoefenaar persoonlijk en als zodanig verrichte werkzaamheid, wanneer de inkomsten aan een buitenlandse rechtspersoon zijn toegekend.
76. De op die inkomsten ingehouden B.V. wordt voortaan als eindbelasting beschouwd.
(art. 23, 28, 32 en 47, § 2, W. 28.07.1992 - art. 228, § 2, 233 en 248, WIB 1992)
IV. BEDRIJFSVOORHEFFING
SCHULDENAARS VAN DE B.V.
| a) | Buitenlandse podiumkunstenaars en sportbeoefenaars |
77. Degenen die als schuldenaar, bewaarder, mandataris of tussenpersoon inkomsten uit een in België door een niet-inwonende podiumkunstenaar of sportbeoefenaar persoonlijk en als zodanig verrichte werkzaamheid toekennen of betalen, zijn schuldenaars van de B.V. met betrekking tot voormelde inkomsten. Bij ontstentenis daarvan is het de organisator van de vertoningen of van de sportwedstrijden van wie de B.V. kan gevorderd worden.
| b) | Buitenlandse partnerships |
78. In een in art. 229, § 3, WIB 1992 bedoelde burgerlijke vennootschap of vereniging zonder rechtspersoonlijkheid, is de persoon die door de leden is aangesteld om hen in belastingzaken te vertegenwoordigen of, bij ontstentenis daarvan, elk van de hoofdelijk aansprakelijke vennoten of leden, schuldenaar van de B.V.
79. Deze bepalingen treden in werking op 31.07.1992.
(art. 33 en 47, § 15, W. 28.07.1992 - art.270, WIB 1992)
BEKRACHTIGING VAN KONINKLIJKE BESLUITEN
80. Overeenkomstig art. 275, § 3, WIB 1992, moeten alle besluiten met betrekking tot de B.V. door een wet worden bekrachtigd.
81. Art. 41, W. 28.07.1992 bekrachtigt aldus met uitwerking op de datum van hun inwerkingtreding (d.w.z. 01.01.1992) de KB's van 19.12.1991 en van 07.05.1992 tot wijziging van het KB/WIB op het stuk van de B.V.
(art. 41, W. 28.07.1992)
V. VESTIGING EN INVORDERING VAN DE BELASTINGEN
VRIJSTELLING VAN AANGIFTEPLICHT VOOR BEPAALDE DIVIDENDEN
82. Het betreft een rechtzetting van een vergissing begaan bij de coördinatie van het WIB 1992.
Rijksinwoners zijn niet gehouden in hun aangifte in de personenbelasting de dividenden te vermelden die voortkomen van :
- de inkoop van eigen aandelen door de emitterende vennootschap;
- liquidatiebonussen.
83. Deze bepaling treedt in werking met ingang van het aj. 1992.
BEWIJSMIDDELEN VAN DE ADMINISTRATIE
84. Krachtens art. 344, WIB 1992 kunnen, in bepaalde gevallen, aan de Administratie der directe belastingen niet worden tegengeworpen de rechtshandelingen die bestaan uit de verkoop, cessie of inbreng van aandelen, obligaties, leningen of andere titels tot vestiging van leningen en uitvindigsoctrooien, fabricageprocédés, fabrieks- of handelsmerken of alle andere soortgelijke rechten.
85. Art. 35, W. 28.07.1992 voegt het begrip "GELDSOMMEN" toe aan de voornoemde elementen.
86. Voorts wordt de omschrijving van de verkrijger veralgemeend tot ieder die krachtens art. 227, WIB 1992 als niet-inwoner moet worden beschouwd.
87. De nieuwe bepaling is van toepassing op de akten die vanaf 27.03.1992 zijn opgesteld.
88. De feiten waarover de Administratie der directe belastingen krachtens art. 345, WIB 1992 een voorafgaand schriftelijk akkoord mag geven, worden door art. 36, W. 28.07.1992 uitgebreid met de stopzettingsmeerwaarden bedoeld in art. 46, § 1, eerste lid, 2° WIB 1992 zoals het is gewijzigd door art. 7, W. 28.07.1992.
89. Die bepaling treedt in werking op de datum vermeld in art. 41, § 2, W. 20.07.1991 (V. 2122 - B.709, blz. 2185 e.v.).
Opgemerkt wordt dat het in dat laatste artikel bedoelde besluit nog niet is getroffen.
INVORDERING TEN LASTE VAN FEITELIJK GESCHEIDEN ECHTGENOTEN
90. Met ingang van 10.08.1992 kan de directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar, voor om het even welk aanslagjaar, ten aanzien van de echtgenoot die feitelijk gescheiden leeft, op gemotiveerd verzoek van deze laatste, de invordering van de belasting betreffende de inkomsten van de andere echtgenoot beperken tot wat deze verschuldigd zou zijn geweest indien hij al zijn rechten van bezwaar en van ontheffing van ambtswege, vermeld in de art. 366 en 367, WIB 1992 zou hebben uitgeoefend. Het verzoek moet worden ingediend binnen de zes maanden na het verzenden van de aanmaning tot betalen door de ontvanger. In afwachting van de beslissing kan de directeur de invordering doen uitstellen in de mate en onder de voorwaarden door hem te bepalen.
(art. 37, W. 28.07.1992 - art. 394bis, WIB 1992)
BETALING VAN DE BEDRIJFSVOORHEFFING
91. De B.V.-belastingschulden die voor het vorige jaar minder dan 1 miljoen frank (1.100.000 F geïndexeerd) B.V. verschuldigd waren mogen de B.V. op de vanaf 01.07.1992 betaalde of toegekende inkomsten binnen de 15 dagen na het verstrijken van ieder kwartaal vereffenen.
92. Ze moeten evenwel uiterlijk op 15 december een voorschot (ten belope van 66 % van de B.V. over het tweede trimester van het lopende jaar) op de B.V. van het vierde kwartaal betalen.
NALATIGHEIDSINTERESTEN
93. Bij te late betaling van voormelde kwartaalbedragen B.V. of van het voorschot is er voor de vervalmaand een halve maand N.I. verschuldigd.
VI. BIJZONDERE BEPALINGEN
GEDWONGEN MEERWAARDEN
94. De inwerkingtreding van het stelsel van de gespreide belasting van meerwaarden (W. 22.12.1989) had tot gevolg dat de meerwaarden die werden verwezenlijkt ter gelegenheid van een schadegeval, een onteigening, een opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis die voor 01.01.1990 plaatsvond, belastbaar werden indien de ontvangst van de schadevergoeding na die datum plaats had.
95. Met de huidige wetswijziging wordt het toepasselijke belastingstelsel bepaald door het tijdstip waarop het schadegeval zich voordeed en niet het tijdstip waarop de eigenlijke schadeloosstelling wordt uitbetaald. De wetgever heeft geoordeeld dat het niet verantwoord is dat de belastingplichtige een minder gunstige fiscale regeling ondergaat wegens een vertraging in de betaling van de schadevergoeding. Derhalve blijft in het bovenstaande geval de vroegere vrijstellingsregeling van toepassing.
(art. 42, W. 28.07.1992 - art. 333, § 1, 7°, W. 22.12.1989)
EFFECTENMAKELAARS
96. De wet van 04.12.1990 op de financiële transacties en de financiële markten (V. 2071 - B. 702) regelt ondermeer de stopzetting van de werkzaamheid van de effectenmakelaars en de oprichting van de beursvennootschappen, gepaard gaand met overdracht van het netto-actief van die makelaars aan die vennootschappen.
97. Art. 44, W. 28.07.1992, voegt in de voormelde wet een art. 101bis in dat bepaalt dat ten name van bedoelde effectenmakelaars de tegenwaarde van het netto-actief belastbaar is tegen een aanslagvoet van 16,5 %, behoudens indien volledige globalisatie voordeliger is.
98. Inwerkingtreding : aj. 1992
(art. 44 en 47, § 1, W. 28.07.1992 - art. 101bis, W. 04.12.1990)
OMVORMING VAN GEMEENSCHAPPELIJKE BELEGGINGSFONDSEN
99. De meerwaarden die voortvloeien uit de omvorming van een gemeenschappelijk beleggingsfonds in een beleggingsvennootschap worden, onder bepaalde voorwaarden, als niet verwezenlijkte meerwaarden aangemerkt.
(art. 45 en 47, § 4, W. 28.07.1992 - art. 146, W. 04.12.1990)
OVERGANGSBEPALING : VERWIJZINGEN NAAR HET WIB
100. Om de overgang naar de nieuwe nummering en de nieuwe terminologie van het WIB 1992 te vergemakkelijken mogen zowel de belastingplichtigen als de administratie gedurende de kalenderjaren 1992 en 1993 evengoed verwijzen naar de artikelen van het oude WIB als naar die van het WIB 1992.
(art. 46, W. 28.07.1992)
In de mate van het mogelijke zal het hoofdbestuur in de regel gebruik maken van de nieuwe nummering en terminologie van het WIB 1992 vanaf de commentaar op de voormelde W. 28.07.1992 en zal het blijven verwijzen naar de nummering en de terminologie van het WIB (oud) voor de commentaar op wetsbepalingen van voor die wet.
Bron: FisconetPlus
