Circulaire nr. Ci.RH.331/581.592 (AOIF 15/2007) van 04.05.2007
CIRC 04.05.07/1
GEZINSLAST
Kind ten laste
Nettobedrag van de bestaansmiddelen
Voorwaarde van de bestaansmiddelen
STUDENT
Bezoldiging
Circulaire ter bespreking van art. 143, 7°, WIB 92, ingevoegd door art. 39. Programmawet 11.7.2005.
Aan al de ambtenaren.
I. WETTEKST
1. Art. 143, 7°, WIB 92 zoals ingevoegd door art. 39, Programmawet 11.7.2005 en van toepassing met ingang van aj. 2006.
Voor het vaststellen van het nettobedrag van de bestaansmiddelen komen niet in aanmerking :
…………………….;
7° bezoldigingen ontvangen door studenten zoals bedoeld in titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten tot een bedrag van 1.500 EUR per jaar.
II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE
2. Art. 39, Programmawet 11.7.2005 heeft art. 143, WIB 92 dat de inkomsten opsomt die niet in aanmerking komen om het nettobedrag van de bestaansmiddelen vast te stellen, aangevuld.
3. Met ingang van aj. 2006, wordt de eerste schijf van 1.500 EUR (te indexeren bedrag) (*) van de bezoldigingen ontvangen door studenten ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst voor studenten niet meer als bestaansmiddelen aangemerkt. Er wordt opgemerkt dat uit die maatregel niet volgt dat de bedoelde bezoldigingen niet belastbaar zijn.
[ (*) Dit bedrag wordt op 2.120 EUR gebracht voor aj. 2006, op 2.170 EUR voor aj. 2007 en op 2.210 EUR voor aj. 2008.]
III. OVEREENKOMST VOOR TEWERKSTELLING VAN STUDENTEN
A. Definitie
4. De overeenkomst voor tewerkstelling van studenten is geregeld in titel VII (art. 120 tot 130ter), W 3.7.1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
5. De overeenkomst voor tewerkstelling van studenten is een arbeidsovereenkomst gesloten tussen een student en een werkgever, waarbij de student zich ertoe verbindt, tegen loon, onder gezag van de werkgever, arbeid te verrichten. Naargelang van het geval betreft het een arbeidsovereenkomst voor werklieden, een arbeidsovereenkomst voor bedienden, een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers of een arbeidsovereenkomst voor dienstboden. Die overeenkomst moet schriftelijk worden vastgesteld.
B. Uitgesloten overeenkomsten
6. Zijn geen bezoldigingen verkregen ter uitvoering van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten :
A. Beoogde studenten
7. De wet omschrijft het statuut van student niet. Derhalve worden in principe zowel de studenten beoogd die hogere of universitaire studies doen, als studenten die secundaire studies doen in het algemeen, technisch, beroepsonderwijs enz. (zie evenwel nr. 9).
B. Uitgesloten studenten
8. Sommige categorieën studenten worden uit het toepassingsgebied van Titel VII, W 3.7.1978 gesloten en kunnen derhalve geen overeenkomst voor tewerkstelling van studenten sluiten (cf. KB 14.7.1995 waarbij sommige categorieën studenten uit het toepassingsgebied van Titel VI (*) W 3.7.1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten worden gesloten). Het betreft :
V. BEZOLDIGINGEN
A. Bedoelde bezoldigingen
9. De bezoldigingen die niet in aanmerking komen om het nettobedrag van de bestaansmiddelen vast te stellen zijn uitsluitend die welke verkregen zijn ter uitvoering van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten.
10. Wanneer een student zowel bezoldigingen ter uitvoering van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten als andere bezoldigingen van werknemer heeft verkregen, wordt de uitsluiting van (een gedeelte van) de bezoldigingen voor de vaststelling van de bestaansmiddelen, uitsluitend toegepast op de eerste schijf van bezoldigingen die verkregen zijn ter uitvoering van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten.
B. Onderwerping aan de RSZ en de BV
11. Wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan, zijn de studenten die arbeid verrichten ter uitvoering van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten als bedoeld in Titel VII, W 3.7.1978 niet onderworpen aan de RSZ (er is wel een bijzondere bijdrage verschuldigd, "solidariteitsbijdrage" genoemd).
Hun bezoldigingen mogen eveneens vrijgesteld worden van de inhouding van BV onder de voorwaarden die bepaald zijn in nr. 29 van bijlage III van het KB/WIB 92.
12. De bovenstaande voorwaarden zijn niet van toepassing inzake de vaststelling van de bestaansmiddelen. Het heeft derhalve weinig belang of de bezoldigingen die verkregen zijn ter uitvoering van een dergelijke overeenkomst al of niet onderworpen zijn aan het algemeen stelsel van de sociale zekerheid en/of aan de inhouding van BV.
C. Vaststelling van het bedrag van de nettobestaansmiddelen
13. Het in art. 143, 7°, WIB 92 vermelde bedrag van 1.500 EUR is een brutobedrag. Om het nettobedrag van de bestaansmiddelen vast te stellen, wordt het (geïndexeerde) bedrag van 1.500 EUR dus afgetrokken van het brutobedrag van de bezoldigingen ontvangen ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst voor studenten (na aftrek van de persoonlijke bijdragen ter uitvoering van de sociale wetgeving, met inbegrip van de "solidariteitsbijdrage"). Het saldo wordt vervolgens verminderd met de kosten die de belastingplichtige verantwoordt te hebben gedaan om die bestaansmiddelen te verkrijgen of te behouden (zijnde de kosten die verhoudingsgewijs betrekking hebben op het bedrag van de bezoldigingen die bestaansmiddelen uitmaken), of, bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens, met een forfaitair bedrag aan kosten dat gelijk is aan 20 % van dat saldo, met dien verstande dat de van bezoldigingen van werknemers en baten aftrekbare kosten ten minste 250 EUR (te indexeren bedrag) (*) bedragen (cf. art. 142, WIB 92).
[ (*) Dit bedrag wordt op 350 EUR gebracht voor aj. 2006, op 360 EUR voor aj. 2007 en op 370 EUR voor aj. 2008.]
VI. VOORBEELDEN (AJ. 2006)
14. Voorbeeld 1
In 2005 heeft een student de volgende bezoldigingen van werknemer verkregen (na aftrek van de sociale zekerheidsbijdragen) :
Er worden geen kosten verantwoord.
Vaststelling van de nettobestaansmiddelen :
15.
Voorbeeld 2
Een student heeft in 2005 5.000 EUR bezoldigingen verkregen (na aftrek van de sociale zekerheidsbijdragen) ter uitvoering van verschillende overeenkomsten voor tewerkstelling van studenten. Het totale bedrag van de verantwoorde kosten is gelijk aan 1.500 EUR.
Vaststelling van de nettobestaansmiddelen :
VII. INWERKINGTREDING
16. Art. 143, 7°, WIB 92 treedt in werking met ingang van aj. 2006 (cf. art. 40, Programmawet 11.7.2005).
Voor de administrateur Kleine
en Middelgrote Ondernemingen :
De Directeur,
S. QUINTENS
GEZINSLAST
Kind ten laste
Nettobedrag van de bestaansmiddelen
Voorwaarde van de bestaansmiddelen
STUDENT
Bezoldiging
Circulaire ter bespreking van art. 143, 7°, WIB 92, ingevoegd door art. 39. Programmawet 11.7.2005.
Aan al de ambtenaren.
I. WETTEKST
1. Art. 143, 7°, WIB 92 zoals ingevoegd door art. 39, Programmawet 11.7.2005 en van toepassing met ingang van aj. 2006.
Voor het vaststellen van het nettobedrag van de bestaansmiddelen komen niet in aanmerking :
…………………….;
7° bezoldigingen ontvangen door studenten zoals bedoeld in titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten tot een bedrag van 1.500 EUR per jaar.
II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE
2. Art. 39, Programmawet 11.7.2005 heeft art. 143, WIB 92 dat de inkomsten opsomt die niet in aanmerking komen om het nettobedrag van de bestaansmiddelen vast te stellen, aangevuld.
3. Met ingang van aj. 2006, wordt de eerste schijf van 1.500 EUR (te indexeren bedrag) (*) van de bezoldigingen ontvangen door studenten ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst voor studenten niet meer als bestaansmiddelen aangemerkt. Er wordt opgemerkt dat uit die maatregel niet volgt dat de bedoelde bezoldigingen niet belastbaar zijn.
[ (*) Dit bedrag wordt op 2.120 EUR gebracht voor aj. 2006, op 2.170 EUR voor aj. 2007 en op 2.210 EUR voor aj. 2008.]
III. OVEREENKOMST VOOR TEWERKSTELLING VAN STUDENTEN
A. Definitie
4. De overeenkomst voor tewerkstelling van studenten is geregeld in titel VII (art. 120 tot 130ter), W 3.7.1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
5. De overeenkomst voor tewerkstelling van studenten is een arbeidsovereenkomst gesloten tussen een student en een werkgever, waarbij de student zich ertoe verbindt, tegen loon, onder gezag van de werkgever, arbeid te verrichten. Naargelang van het geval betreft het een arbeidsovereenkomst voor werklieden, een arbeidsovereenkomst voor bedienden, een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers of een arbeidsovereenkomst voor dienstboden. Die overeenkomst moet schriftelijk worden vastgesteld.
B. Uitgesloten overeenkomsten
6. Zijn geen bezoldigingen verkregen ter uitvoering van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten :
- de bezoldigingen verkregen ter uitvoering van een leerovereenkomst (leerovereenkomst voor werknemersberoepen die vallen onder de W 19.7.1983 - ook industriële leerovereenkomsten genoemd - of leerovereenkomst voor zelfstandigen en KMO's);
- de bezoldigingen verkregen door studenten die tewerkgesteld zijn in het kader van een stage die vastgelegd is in hun studieprogramma (zulke overeenkomsten vallen niet onder de W 3.7.1978).
A. Beoogde studenten
7. De wet omschrijft het statuut van student niet. Derhalve worden in principe zowel de studenten beoogd die hogere of universitaire studies doen, als studenten die secundaire studies doen in het algemeen, technisch, beroepsonderwijs enz. (zie evenwel nr. 9).
B. Uitgesloten studenten
8. Sommige categorieën studenten worden uit het toepassingsgebied van Titel VII, W 3.7.1978 gesloten en kunnen derhalve geen overeenkomst voor tewerkstelling van studenten sluiten (cf. KB 14.7.1995 waarbij sommige categorieën studenten uit het toepassingsgebied van Titel VI (*) W 3.7.1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten worden gesloten). Het betreft :
- de studenten die minstens sedert zes maanden werken;
- de studenten die zijn ingeschreven in een avondschool of die onderwijs met beperkt leerplan volgen. Onder bepaalde voorwaarden kunnen die studenten evenwel een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten sluiten voor de perioden van de schoolvakanties;
- de studenten die bij wijze van stage onbezoldigde arbeid verrichten die deel uitmaakt van hun studieprogramma.
V. BEZOLDIGINGEN
A. Bedoelde bezoldigingen
9. De bezoldigingen die niet in aanmerking komen om het nettobedrag van de bestaansmiddelen vast te stellen zijn uitsluitend die welke verkregen zijn ter uitvoering van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten.
10. Wanneer een student zowel bezoldigingen ter uitvoering van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten als andere bezoldigingen van werknemer heeft verkregen, wordt de uitsluiting van (een gedeelte van) de bezoldigingen voor de vaststelling van de bestaansmiddelen, uitsluitend toegepast op de eerste schijf van bezoldigingen die verkregen zijn ter uitvoering van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten.
B. Onderwerping aan de RSZ en de BV
11. Wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan, zijn de studenten die arbeid verrichten ter uitvoering van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten als bedoeld in Titel VII, W 3.7.1978 niet onderworpen aan de RSZ (er is wel een bijzondere bijdrage verschuldigd, "solidariteitsbijdrage" genoemd).
Hun bezoldigingen mogen eveneens vrijgesteld worden van de inhouding van BV onder de voorwaarden die bepaald zijn in nr. 29 van bijlage III van het KB/WIB 92.
12. De bovenstaande voorwaarden zijn niet van toepassing inzake de vaststelling van de bestaansmiddelen. Het heeft derhalve weinig belang of de bezoldigingen die verkregen zijn ter uitvoering van een dergelijke overeenkomst al of niet onderworpen zijn aan het algemeen stelsel van de sociale zekerheid en/of aan de inhouding van BV.
C. Vaststelling van het bedrag van de nettobestaansmiddelen
13. Het in art. 143, 7°, WIB 92 vermelde bedrag van 1.500 EUR is een brutobedrag. Om het nettobedrag van de bestaansmiddelen vast te stellen, wordt het (geïndexeerde) bedrag van 1.500 EUR dus afgetrokken van het brutobedrag van de bezoldigingen ontvangen ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst voor studenten (na aftrek van de persoonlijke bijdragen ter uitvoering van de sociale wetgeving, met inbegrip van de "solidariteitsbijdrage"). Het saldo wordt vervolgens verminderd met de kosten die de belastingplichtige verantwoordt te hebben gedaan om die bestaansmiddelen te verkrijgen of te behouden (zijnde de kosten die verhoudingsgewijs betrekking hebben op het bedrag van de bezoldigingen die bestaansmiddelen uitmaken), of, bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens, met een forfaitair bedrag aan kosten dat gelijk is aan 20 % van dat saldo, met dien verstande dat de van bezoldigingen van werknemers en baten aftrekbare kosten ten minste 250 EUR (te indexeren bedrag) (*) bedragen (cf. art. 142, WIB 92).
[ (*) Dit bedrag wordt op 350 EUR gebracht voor aj. 2006, op 360 EUR voor aj. 2007 en op 370 EUR voor aj. 2008.]
VI. VOORBEELDEN (AJ. 2006)
14. Voorbeeld 1
In 2005 heeft een student de volgende bezoldigingen van werknemer verkregen (na aftrek van de sociale zekerheidsbijdragen) :
| 2.000 EUR 5.000 EUR |
Vaststelling van de nettobestaansmiddelen :
| 2.000 EUR - 2.000 EUR 0 EUR 5.000 EUR 5.000 EUR 1.000 EUR 4.000 EUR |
Een student heeft in 2005 5.000 EUR bezoldigingen verkregen (na aftrek van de sociale zekerheidsbijdragen) ter uitvoering van verschillende overeenkomsten voor tewerkstelling van studenten. Het totale bedrag van de verantwoorde kosten is gelijk aan 1.500 EUR.
Vaststelling van de nettobestaansmiddelen :
| 5.000 EUR 2.120 EUR 2.880 EUR 864 EUR 2.016 EUR |
16. Art. 143, 7°, WIB 92 treedt in werking met ingang van aj. 2006 (cf. art. 40, Programmawet 11.7.2005).
Voor de administrateur Kleine
en Middelgrote Ondernemingen :
De Directeur,
S. QUINTENS
Bron: FisconetPlus
