Circulaire 2022/C/110 betreffende actieve veredeling
Bijwerking van Circulaire 2019/C/120
551.001; 554.001, Bijzondere regeling; Actieve veredeling; Behandeling onder douanetoezicht; Terugbetaling; Veredeling; Vernietiging van goederen, No drawback
FOD Financiën, 01.12.2022
Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen
Inhoudstabel
Circulaire 2022/C/110 betreffende Actieve veredeling
I. Basisregels – Inleidende begrippen
I.2. Wettelijke basis en interpretatieve bepalingen
I.3. Doel en draagwijdte van de regeling actieve veredeling
I.4. Verwijzingen naar vakken en gegevenselementen van vergunningen
II. De vergunning actieve verdeling
II.2. Verlenen van de vergunning
II.3. Nietigverklaring, intrekking of wijziging van een vergunning
II.4. Voorwaarden voor het bekomen van een vergunning
II.7. Ingang van de vergunning
II.8. Inhoud van de vergunning
II.10. Het verkeer van goederen
II.11. Gebruikelijke behandelingen
II.12. Douanestatus van dieren geboren uit dieren die onder actieve regeling zijn geplaatst
II.13. De vergunning actieve veredeling en de andere al dan niet fiscale maatregelen
II.15. Gestandaardiseerde inlichtingenuitwisseling (e-INF)
III. Plaatsing onder de regeling
III.2. Berekening van de geschorste rechten
III.3. Bijzondere gevallen van plaatsing onder de regeling
IV. Aanzuivering van de regeling
IV.2. Vereenvoudiging inzake aanzuiveringstermijnen (globalisatie van de aanzuivering)
V. Wederuitvoer uit het douanegebied van de Unie
V.2. Zuiveringsopgave A en opgave berekende rechten B
V.3. Wederuitvoer met het oog op passieve veredeling
V.5. Betrekkingen met het Prinsdom Andorra
VI. Met wederuitvoer uit het douanegebied van de Unie gelijkgestelde leveringen in de Unie
VI.1. Met uitvoer gelijkgestelde leveringen
VI.2. Toepassingsveld van
VI.3. Voorafgaande vereenvoudigde aanzuivering
VI.4. Administratieve formaliteiten
VI.5. Formaliteiten op het vlak van de btw en accijnzen
VII. In het vrije verkeer brengen ter aanzuivering van de regeling actieve veredeling
VII.2. Globale toestemming tot het in het vrije verkeer brengen
VII.3. Berekening van de douaneschuld
VII.5. Handelspolitieke maatregelen
VIII – Vernietiging van goederen
VIII.1. Vernietiging van niet-Uniegoederen op verzoek van de operator
VIII.3. Vernietiging van niet-Uniegoederen op verzoek van de douaneautoriteiten
IX.2. Gebruik van equivalente goederen
IX.3. Beperkingen op het gebruik van de equivalentie
IX.5. Controle van de equivalentie
X – Overdracht van rechten en plichten
X.2. Procedure en formaliteiten
X.4. Inlichtingenbladen eINF (voorheen INF5)
X.5. Overdracht van activiteiten van bedrijf A naar bedrijf B
X.6. Overdrachten met aanzuivering van de regeling van de actieve veredeling
XI – Toepassing van de «no drawback» regel
XI.2. Berekening van de "no drawback" douaneschuld
BIJLAGE I – Bijlage 71-02, 71-03, 71-04, 71-05, 71-06 en 90 DWU-DA
BIJLAGE III – Criteria voor onderzoek van economische voorwaarden
BIJLAGE IV - Toerekening van invoergoederen opgenomen in de veredelingsproducten
BIJLAGE V - Lijst van landen voor wie de "no drawback" regel van toepassing is
BIJLAGE VI - Voorbeelden van verordeningen die als ‘handelspolitieke maatregelen’ worden beschouwd
I. Basisregels – Inleidende begrippen
I.1. Definities
1. Voor de toepassing van huidige omzendbrief wordt verstaan onder:
aangever: de persoon die in eigen naam een douaneaangifte, een aangifte tot wederuitvoer of een kennisgeving van wederuitvoer indient, dan wel de persoon namens wie deze aangifte of deze kennisgeving wordt ingediend;
aangifte tot wederuitvoer: de handeling waarbij een persoon in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze het voornemen kenbaar maakt om niet-Uniegoederen buiten het douanegebied van de Unie te brengen;
aanzuiveringstermijn: de termijn waarbinnen goederen die onder actieve veredeling zijn geplaatst moeten aangezuiverd worden overeenkomstig § 110 hierna;
accijnzen: de accijnzen, de bijzondere accijnzen, de controleretributie en de bijdrage op de energie verschuldigd bij invoer van accijnsgoederen omschreven in artikel 2 van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen (Belgisch Staatsblad van 31 december 2009) en op accijnsproducten omschreven in artikel 2 van wet van 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en koffie (Belgisch Staatsblad van 15 januari 2010; wordt gelijkgestelde aan accijnzen de verpakkingsheffing bedoeld in artikel 369, 17° van gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur (Belgisch Staatsblad van 20 juli 1993);
actieve veredeling IM/EX: de invoer van niet-Uniegoederen in het kader van de regeling actieve veredeling voorafgaand aan de uitvoer van veredelingsproducten;
actieve veredeling EX/IM: de uitvoer van uit equivalente goederen verkregen veredelingsproducten in het kader van de regeling actieve veredeling voorafgaand aan de invoer van de goederen die zij vervangen zoals vermeld in § 232 hierna;
beschikking: elke beslissing welke verband houdt met de douanewetgeving die door een douaneautoriteit over een bepaald geval wordt genomen en die voor de betrokken persoon of betrokken personen rechtsgevolgen heeft;
btw: de belasting toegevoegde waarde zoals omschreven in § 1 van het eerste artikel van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, verschuldigd bij de invoer overeenkomstig artikel 3 van dit Wetboek.
derde land: een land of gebied buiten het douanegebied van de Unie;
douaneaangifte: de handeling waarbij een persoon in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze het voornemen kenbaar maakt om goederen onder een bepaalde douaneregeling te plaatsen, in voorkomend geval met opgave van eventuele specifieke procedures die moeten worden toegepast;
douaneautoriteiten: de douanediensten van de lidstaten die bevoegd zijn voor de toepassing van de douanewetgeving, en alle overige autoriteiten die krachtens het nationale recht belast zijn met de toepassing van bepaalde onderdelen van de douanewetgeving;
douanegebied van de Unie: grondgebieden opgesomd in artikel 4 van het DWU;
douaneregeling: een van de onderstaande regelingen waaronder goederen overeenkomstig het wetboek kunnen worden geplaatst: in het vrije verkeer brengen, bijzondere regelingen en uitvoer;
douaneschuld: de verplichting van een persoon tot betaling van het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten dat uit hoofde van de geldende douanewetgeving verschuldigd is;
douanetoezicht: de activiteiten die door de douaneautoriteiten in het algemeen worden ontplooid teneinde te zorgen voor de naleving van de douanewetgeving en, in voorkomend geval, van de andere bepalingen die op goederen onder douanetoezicht van toepassing zijn;
handelspolitieke maatregelen: de niet-tarifaire maatregelen die in het kader van het gemeenschappelijk handelsbeleid zijn vastgesteld in de vorm van Unievoorschriften inzake de internationale handel in goederen. Deze maatregelen worden toegelicht in § 11 hierna;
hoofdveredelingsproducten: de veredelingsproducten waarvoor de vergunning voor actieve veredeling is verleend;
invoerrecht: het douanerecht dat bij de invoer van goederen verschuldigd is;
landbouwpolitieke maatregel: de bepalingen betreffende invoer- en uitvoerverrichtingen ten aanzien van producten die onder bijlage 71-02 DWU-DA, punten 1, 2 en 3, vallen (hernomen in bijlage I van deze circulaire);
marktdeelnemer: de persoon die zich in het kader van zijn bedrijfsvoering bezighoudt met activiteiten die onder de douanewetgeving vallen;
opbrengst: de hoeveelheid of het percentage veredelingsproducten verkregen bij de veredeling van een bepaalde hoeveelheid onder actieve veredeling regeling geplaatste goederen;
persoon: een natuurlijk persoon, een rechtspersoon of een vereniging van personen die geen rechtspersoonlijkheid bezit maar krachtens het Unierecht of het nationale recht wel als handelingsbekwaam is erkend;
resten en afval: ofwel goederen of producten die zijn ingedeeld als resten en afval in overeenstemming met de gecombineerde nomenclatuur, ofwel goederen of producten die bij een veredelingshandeling zijn ontstaan, geen of slechts geringe economische waarde hebben en niet kunnen worden gebruikt zonder verdere verwerking;
secundaire veredelingsproducten: andere veredelingsproducten dan de hoofdveredelingsproducten, die onvermijdelijk als bijproduct van de veredeling ontstaan;
veredeling: een van de handelingen hernomen in § 10 hierna:
veredelingsproducten: onder een veredelingsregeling (actieve of passieve verdeling) geplaatste goederen die veredeld zijn;
vrijgave van goederen: terbeschikkingstelling door de douaneautoriteiten van goederen voor de doeleinden die zijn voorzien in de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst;
Al deze definities (behalve die van accijnzen en btw) zijn die van de Europese douaneregelgeving.
I.2. Wettelijke basis en interpretatieve bepalingen
2. Wettelijke basis in verband met de regeling actieve veredeling wordt opgenomen in:
- het douanewetboek van de Unie (afgekort DWU) of Verordening (EU) Nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie;
- de verschillende toepassingsverordeningen van DWU, in het bijzonder:
* de gedelegeerde verordening (afgekort DWU-DA voor Delegated Act), of gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) Nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie;
* de uitvoeringsverordening (in afgekort DWU-IA voor Implemented Act), of uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie;
* de gedelegeerde overgang verordening (afgekort TDA voor Transitional Delegated Act), of gedelegeerde verordening (EU) 2016/341 van de Commissie van 17 december 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn.
De relevante bijlagen van de gedelegeerde verordening worden in bijlage 1 van deze circulaire opgenomen.
Bijlage 13 van de overgang gedelegeerde verordening wordt in bijlage 2 van deze circulaire opgenomen.
In bijlage 3 van deze circulaire is een concordantietabel tussen de wettelijke of interpretatieve bepalingen en paragrafen van deze circulaire opgenomen.
3. Interpretatieve bepalingen vinden hun oorsprong in ofwel de Gids voor Bijzondere regelingen (document TAXUD/A2/SPE/2016/001-Rev 13-EN van Europese Commissie) ofwel in de conclusies van Groep douane-experts (afdeling Bijzondere regelingen) of analyse van werkelijke situaties door de dienst EOS – Douanewetgeving .
4. Vermeldingen naar het Prinsdom Andorra komen voort uit de overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Prinsdom Andorra van 1990 (beschikking van de Raad van 26.11.1990 – JO L 374 van 31.12.1990) en Besluit nr. 1/2003 van het Gemengd Comité EG-Andorra van 3 september 2003 (JO L 253 van 7.10.2003).
I.3. Doel en draagwijdte van de regeling actieve veredeling
5. De actieve veredeling regeling is een bijzondere regeling (in de zin van artikelen 5 lid 16 en 210 van DWU) die in het douanegebied van de Europese Unie toelaat niet-Uniegoederen te bewerken of te verwerken (met eventueel gebruik van Uniegoederen) zonder dat de niet-Uniegoederen onderworpen worden aan invoerrechten, noch aan andere heffingen, noch aan handelspolitieke maatregelen.
De regeling actieve veredeling houdt niet noodzakelijk in dat de bewerking een industriële wijziging met een waardeverhoging moet zijn; kleine behandelingen van de goederen (gebruikelijke behandelingen, herstellingen, afstellingen, enz.) kunnen eveneens worden uitgevoerd onder de regeling.
Deze regeling is eveneens van toepassing voor een loonveredelingscontract waarbij de opdrachtgever eigenaar blijft van de ingevoerde goederen.
6. Één van de belangrijkste doelstellingen van de regeling actieve veredeling is het bevorderen van de uitvoer uit het douanegebied van de Unie door Unie-operatoren, die goederen uit derde landen gebruiken om goederen voor uitvoer te verkrijgen, op gelijke voet te plaatsen met concurrenten uit derde landen die dezelfde goederen produceren zonder douanerechten te betalen. De vrijstelling van de invoerrechten op de goederen uit derde landen, die verwerkt worden in de uit te voeren veredelingsproducten, laat de Unie-operatoren toe een kwaliteitsproduct te vervaardigen tegen de laagst mogelijke prijs en zo hun concurrentievermogen op de buitenlandse markt te versterken.
De regeling actieve verdeling draagt bij tot het in evenwicht brengen van de commerciële balans door uitvoer te stimuleren, omdat actieve veredeling wordt gevolgd door een wederuitvoer. Actieve verdeling draagt bij tot een positieve balansdoor een meerwaarde te creëren via bewerking of verwerking van de geïmporteerde niet-Uniegoederen en door de creatie van jobs die actieve veredeling met zich meebrengt.
Bijgevolg draagt de regeling actieve veredeling bij tot de bestrijding van de werkloosheid door behoud en de creatie van arbeidsplaatsen in de Europese Unie.
7. Een ander belangrijk doel van de regeling actieve veredeling is het behoud of de oprichting van een economische activiteit door de verwerking van goederen in de Unie, zoals hierna besproken.
De invoerrechten beogen een rechtvaardige bescherming van alle producenten van alle goederen (grondstoffen, halffabricaten of afgewerkte producten) binnen de Unie.
De tarifaire politiek voorziet meestal een hoger bedrag aan invoerrechten voor afgewerkte producten dan voor grondstoffen of halffabricaten die gebruikt worden om de afgewerkte producten te vervaardigen.
In sommige gevallen kunnen de invoerrechten op grondstoffen of halffabricaten hoger zijn dan de invoerrechten op de afgewerkte producten verkregen door het verwerken of bewerken van de grondstoffen of halffabricaten. Dan is het mogelijks voordeliger om het afgewerkte (veredelde) product direct in te voeren vanuit een derde land. Bijvoorbeeld voor medische apparatuur waarvoor de invoerrechten nul zijn, terwijl de componenten die nodig zijn om ze te vervaardigen, aan belasting onderworpen zijn.
In deze gevallen wordt de oprichting van de industriële activiteit in de Unie ontmoedigd en bestaat de kans dat de bewerkingsactiviteiten worden verplaatst buiten de Unie.
In het geval dat de regeling actieve veredeling wordt gevolgd door het in het vrije verkeer brengen van de afgewerkte/veredelde producten, kan dit onder bepaalde voorwaarden een voordeel betekenen voor de operator in de Europese Unie. Dit is zo indien de financiële last om het eindproduct in het vrije verkeer te brengen en om het eindproduct te vervaardigen lager is dan wanneer zij de grondstoffen aangekocht in derde landen onmiddellijk in het vrije verkeer zouden brengen met de betaling van de belastingen die hierop van toepassing zijn.
I.4. Verwijzingen naar vakken en gegevenselementen van vergunningen
8. Wanneer deze circulaire verwijst naar vakken in de vergunning, betreft dat vergunningen verleend tussen 1 mei 2016 en de uitrol op 2 oktober 2017 van het DWU-systeem Douanebeschikkingen.
Wanneer deze circulaire verwijst naar gegevensvereisten van bijlage A DA, betreft dat vergunningen verleend vanaf de uitrol op 2 oktober 2017 van het DWU-systeem Douanebeschikkingen.
II. De vergunning actieve verdeling
II.1. Algemeen principe
9. De regeling actieve veredeling maakt het mogelijk om niet-Uniegoederen in het douanegebied van de Unie te gebruiken bij één of meer veredelingen zonder dat deze goederen worden onderworpen aan:
- invoerrechten;
- andere heffingen overeenkomstig andere toepasselijke voorschriften;
- handelspolitieke maatregelen, voor zover zij de binnenkomst of het uitgaan van goederen uit het douanegebied van de Unie niet verbieden.
Het is niet meer vereist dat de houder van de regeling het doel heeft om de veredelingsproducten opnieuw uit te voeren.
10. Onder veredeling worden volgende handelingen verstaan:
- de bewerking van goederen, met inbegrip van het monteren, het assembleren en het aanpassen ervan aan andere goederen;
- de verwerking van goederen;
- de vernietiging van goederen;
- de herstelling van goederen, met inbegrip van revisie en afstelling;
- het gebruik van goederen die zelf niet meer in de veredelingsproducten voorkomen, maar die de vervaardiging van deze producten mogelijk maken of vergemakkelijken. Ook als zij tijdens dit proces geheel of gedeeltelijk verdwijnen (bij de productie gebruikte hulpmiddelen, zie §§ 31 en 32 hierna);
Van de regeling actieve veredeling kan ook gebruik gemaakt worden voor goederen die bestemd zijn om te worden bewerkt om ze in overeenstemming te brengen met de noodzakelijke technische vereisten zodat ze in het vrije verkeer kunnen gebracht worden alsook voor de goederen die gebruikelijke behandelingen moeten ondergaan zoals bedoeld in §§ 62 tot 64 hierna.
11. Zoals vermeld in § 1 hierboven, worden handelspolitieke maatregelen gedefinieerd als niet-tarifaire maatregelen die in het kader van het gemeenschappelijk handelsbeleid zijn vastgesteld in de vorm van unievoorschriften inzake de internationale handel in goederen.
Bijgevolg zijn tarifaire maatregelen zoals antidumpingrechten, compenserende rechten of aanvullende rechten uitgesloten van deze definitie en worden zij niet beschouwd als handelspolitieke maatregelen.
De regeling actieve veredeling blijft onderworpen aan de bepalingen van Unie die van toepassing zijn op de internationale handel in goederen.
Sinds 2018 heeft de Europese Commissie de definitie van handelspolitieke maatregelen zeer ruim geïnterpreteerd bij het bepalen welke maatregelen deel uitmaken van het gemeenschappelijke handelsbeleid van de Unie en welke niet.
De bepalingen betreffende het gemeenschappelijk handelsbeleid zijn opgenomen in de artikelen 206 en 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Voordien waren deze bepalingen opgenomen in de artikelen 131 tot en met 134 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (VEG).
Bijgevolg zal elk besluit of elke verordening van de Unie die met directe of indirecte verwijzing naar deze artikelen wordt vastgesteld, voortaan worden beschouwd als onderdeel van het gemeenschappelijk handelsbeleid.
Deze maatregelen kunnen allerlei vormen aannemen, zoals quota’s, gezondheidscertificaten, toezichtdocumenten, maatregelen met betrekking tot intellectuele eigendomsrechten, enz.
Bijlage VI bij deze circulaire bevat een niet-exhaustieve lijst van verordeningen die door de Europese Commissie worden beschouwd als handelspolitieke maatregelen in het DWU.
Deze bepalingen zijn van toepassing op alle verwijzingen naar handelspolitieke maatregelen in deze circulaire.
12. Het gebruik van de regeling actieve veredeling is afhankelijk van de afgifte van een vergunning.
Deze vergunning is een gunstige beschikking (zie § 1 hierboven) in de zin van artikel 22 en 5, lid 39 van het DWU.
13. Deze vergunning is enkel geldig voor de plaatsing van goederen onder de bijzondere regeling actieve veredeling. Wanneer iemand gebruik wil maken van andere regelingen, zal deze persoon over afzonderlijke vergunningen moeten beschikken.
Hoewel artikel 211 § 1 van het DWU voorziet in de mogelijkheid om gecombineerde vergunningen te gebruiken, maken de uitvoeringshandelingen van het DWU het niet mogelijk om voor dergelijke vergunningen een aanvraag te doen. Op die manier is het voor de houder van een vergunning duidelijk welke zijn rechten en plichten zijn voor elke regeling.
II.2. Verlenen van de vergunning
14. Afhankelijk van de situatie wordt de vergunning actieve veredeling afgeleverd door de diensten die belast zijn met de afgifte van vergunningen op basis van een aanvraagformulier of een douaneaangifte.
De douaneautoriteiten nemen hun beslissing met betrekking tot een aanvraag voor een vergunning overeenkomstig de Circulaire 2017/C/90 betreffende het nemen van een beschikking naar aanleiding van een aanvraag rekening houdend met de specifieke termijnen van artikel 171 DWU-DA.
15. Wanneer er meerdere lidstaten van de EU bij de vergunning zijn betrokken, zijn de raadplegingsprocedures en de procedures van kennisgeving die zijn voorzien in de artikelen 260 en 261 DWU-IA van toepassing.
In geval een raadplegingsprocedure vereist is, kan de vergunning slechts worden afgegeven indien er voorafgaande overeenstemming bereikt wordt over de ontwerpvergunning door de betrokken douaneautoriteiten van de beschikkingsbevoegde lidstaat met de andere lidstaat. Zo kan een betrokken lidstaat oordelen geen douanetoezicht uit te kunnen oefenen zonder administratieve maatregelen te moeten nemen die niet in verhouding staan tot de betrokken economische behoeften (art 211(4a) DWU) waarna zij de ontwerpvergunning weigert goed te keuren. In dat geval dient de beschikkingsbevoegde lidstaat de vergunningsaanvraag te weigeren wegens het niet bereiken van overeenstemming over de ontwerpvergunning met de andere betrokken lidstaat.
16. In het in § 14 hiervoor bedoelde geval is de bevoegde douaneautoriteit (de bevoegde lidstaat) de autoriteit van de plaats waar de hoofdadministratie voor douanedoeleinden van de aanvrager zich bevindt of waar deze toegankelijk is, en waar op zijn minst een deel van de activiteiten die onder de beschikking moeten vallen, zal worden uitgevoerd.
Wanneer het niet mogelijk is de bevoegde douaneautoriteit op deze wijze te bepalen, is de bevoegde douaneautoriteit die van de plaats waar de administratie en documentatie van de aanvrager zich bevinden of waar deze toegankelijk zijn aan de hand waarvan de douaneautoriteit een beschikking kan geven (hoofdboekhouding voor douanedoeleinden).
Deze hoofdboekhouding voor douanedoeleinden is de boekhouding die door de douaneautoriteiten wordt beschouwd als de hoofdadministratie voor douanedoeleinden aan de hand waarvan de douaneautoriteiten het toezicht en de controle kunnen uitoefenen op alle activiteiten waarop de betrokken vergunning of beschikking betrekking heeft. De bestaande commerciële, fiscale of andere boekhoudkundige gegevens van de aanvrager kunnen als hoofdadministratie voor douanedoeleinden aanvaard worden als ze de op een audit gebaseerde controles vergemakkelijken.
De term “activiteiten waarop de beschikking betrekking heeft” omvat alle handelingen die de ondernemer in het kader van de te verlenen vergunning verricht, vanaf de plaatsing van de goederen onder de regeling actieve veredeling tot de aanzuivering ervan. Dit omvat onder meer het indienen van aangiftes, de opslag, de veredeling en het verkeer van de goederen.
De marktdeelnemer moet aan de douaneautoriteiten meedelen wat hij voor de betrokken vergunningsaanvraag als zijn hoofdboekhouding voor douanedoeleinden beschouwt. De bevoegde douaneautoriteit kan dan de in de aanvraag verstrekte informatie met betrekking tot deze boekhouding aanvaarden of weigeren.
Voorbeeld 1:
Een marktdeelnemer wenst een vergunning voor actieve veredeling aan te vragen. De hoofdadministratie voor douanedoeleinden wordt bijgehouden in lidstaat A en is toegankelijk in lidstaat B. De activiteiten waarop dit besluit betrekking heeft, vinden plaats in lidstaat B. Bijgevolg is de bevoegde douaneautoriteit die van lidstaat B.
Voorbeeld 2:
Een marktdeelnemer wenst een vergunning voor actieve veredeling aan te vragen. De hoofdadministratie voor douanedoeleinden wordt bijgehouden in lidstaat A en is toegankelijk in lidstaat B. De activiteiten waarop dit besluit betrekking heeft, vinden plaats in lidstaat C. De bevoegde douaneautoriteit is dus die van lidstaat A of lidstaat B. De marktdeelnemer zal de keuze hebben om zijn aanvraag in één van deze twee lidstaten in te dienen.
Voorbeeld 3:
Een marktdeelnemer wenst een vergunning voor actieve veredeling aan te vragen. De hoofdadministratie voor douanedoeleinden wordt in een derde land gevoerd en is in lidstaat A toegankelijk. De activiteiten waarop dit besluit betrekking heeft, vinden plaats in lidstaat B. De bevoegde douaneautoriteit is dus die van lidstaat A.
Vergunningen die op basis van een aanvraagformulier worden afgegeven.
17. De vergunningen actieve veredeling die op basis van een aanvraagformulier afgeleverd worden, zijn vergunningen die geldig zijn voor een reeks bewerkingen waardoor goederen onder de regeling kunnen geplaatst worden tijdens de volledige geldigheidsperiode van de vergunning.
Deze geldigheidsperiode wordt vermeld in vak 6 van de vergunning (volgens het model van bijlage 12 TDA) of in velden 4/6 en 4/7 van bijlage A DWU-DA. Deze kan maximaal 5 jaar zijn. Wanneer de onder de regeling te plaatsen goederen worden vermeld in bijlage 71-02 DWU-DA, bedraagt de geldigheidstermijn maximaal 3 jaar.
De goederen vermeld in bijlage 71-02 DA zijn landbouwproducten, ethylalcohol en gedistilleerde dranken, ruwe en niet tot verbruik bereide tabak, andere producten waarvoor een uitvoerrestitutie voor landbouwproducten geldt en visserijproducten.
18. De vergunning wordt toegekend op grond van het model bepaald in bijlage 12 TDA of overeenkomstig de gegevensvereisten van bijlage A DWU-DA en DWU-IA.
Bij gebruikmaking van het model van bijlage 12 TDA mag de presentatie ervan zowel elektronisch als op papier worden gewijzigd (kleur, karakters, grootte, presentatie met lijnen en niet met vakken, …), maar noch de volgorde noch de titels van de rubrieken mogen gewijzigd worden. Er mogen nationale subrubrieken worden toegevoegd.
19. De vernieuwing en/of wijziging van deze vergunningen kan aangevraagd worden door middel van een eenvoudige brief (al dan niet elektronisch) die verwijst naar de reeds verleende vergunning en waarin de eventueel te wijzigen gegevens worden vermeld. Deze brief moet vergezeld zijn van de eventueel vereiste bewijsstukken.
20. Indien een vergunning die werd verleend voor 1 mei 2016 (inwerkingtreding van het DWU) komt te vervallen, wordt de vergunning die deze vervangt niet beschouwd als een vernieuwing maar wel als een volledig nieuwe vergunning.
Een volledig nieuwe aanvraag moet ingediend worden.
Bij de vernieuwing van een vergunning blijven alle informatie, voorwaarden en verwijzingen naar de douanewetgeving immers ongewijzigd. Aangezien het DWU en de uitvoeringsbesluiten aanzienlijk verschillen van het communautair douanewetboek en de uitvoeringsbepalingen daarvan, kan de « oude » vergunning niet verlengd worden.
Bijgevolg moet een aanvraag tot vernieuwing van een vergunning actieve veredeling verleend vóór 1 mei 2016 of een voor 1 mei 2016 verleende vergunning voor behandeling onder douanetoezicht afgewezen worden.
De betrokkene (de houder van de « oude » vergunning die niet langer geldig is) moet een nieuwe vergunning aanvragen.
Voorbeeld:
Een marktdeelnemer in het bezit van een vergunning behandeling onder douanetoezicht (BOD) toegekend in 2015, verzoekt om verlenging ervan in 2018. De aanvraag tot verlenging van deze vergunning moet worden afgewezen.
21. De verleende vergunning kan van het klassieke type of van het globalisatietype zijn. Dit is een louter boekhoudkundig onderscheid. Dit onderscheid heeft enkel betrekking op de aanzuiveringsafrekening en wordt verder uitgelegd in § 123 hierna.
Vergunningen afgeleverd op basis van een douaneaangifte
22. Vergunningen voor actieve veredeling die op basis van een douaneaangifte zijn afgeleverd, zijn vergunningen die slechts één enkele plaatsing van goederen onder de regeling actieve veredeling toestaan. Elke vergunning is bijgevolg slechts één keer geldig voor de verrichting in kwestie.
De aanvraag voor een vergunning gebeurt middels een douaneaangifte. Deze douaneaangifte moet aangevuld worden met de gegevens die zijn voorzien in bijlage A DWU-DA en met elk ander document dat door de bevoegde douanedienst gevraagd wordt.
23. Tot de datum van de uitrol van het DWU-systeem Douanebeschikkingen kunnen de douaneautoriteiten, zoals dit momenteel het geval is in België, toestaan dat de gegevensvereisten voor de aanvragen voor vergunningen die zijn vastgesteld in bijlage 12 TDA van toepassing zijn in plaats van de gegevensvereisten die zijn vastgesteld in bijlage A DWU-DA.
Bovendien moet de douaneaangifte, wanneer een aanvraag voor een vergunning gebaseerd is op een douaneaangifte, tot de datum van de uitrol van het DWU-systeem Geautomatiseerd uitvoersysteem (AES) of van de upgrade van de nationale invoersystemen eveneens de volgende gegevens bevatten:
- de aard van de veredeling;
- de technische omschrijving van de goederen en/of veredelingsproducten en de wijze van identificatie;
- de voorziene aanzuiveringstermijn;
- het voorgestelde kantoor van aanzuivering;
- de plaats van veredeling;
- de codes van de economische voorwaarden zoals bedoeld in het aanhangsel van bijlage 12 TDA;
- het geraamde opbrengstpercentage of de wijze waarop dat percentage moet vastgesteld worden;
- of het bedrag aan invoerrechten moet berekend worden overeenkomstig artikel 86, paragraaf 3, van het DWU (“ja” of “neen” vermelden).
24. Het is de vrijgave van de goederen (zie de definitie in § 1 hierboven) die geldt als toekenning van de vergunning. De vergunning wordt toegekend wanneer in vak 44 van de aangifte, de bijzondere vermelding “Vergunning vereenvoudiging” staat samen met de code “00100”, indien nodig aangevuld met de specifieke controlemaatregelen opgelegd door de bevoegde douanedienst.
25. Dit type vergunning is per definitie niet van toepassing op vereenvoudigde aangiften, noch op gecentraliseerde vrijmaking (CC) en noch op inschrijving in de administratie van de aangever (EIDR).
26. Evenzo mag in de volgende gevallen de vergunning niet worden toegekend op basis van een douaneaangifte en moet deze toegekend worden op basis van de gegevensvereisten van bijlage A DWU-DA en bijlage A DWU-IA:
- de onder de regeling te plaatsen goederen worden vermeld in bijlage 71-02 DWU-DA;
- de vergunning heeft betrekking op meerdere lidstaten;
- er wordt een aanvraag gedaan voor het gebruik van equivalente goederen (zie hoofdstuk IX hierna);
- de bevoegde douaneautoriteit deelt de aangever mee dat de economische voorwaarden moeten worden onderzocht (zie §§ 33 tot 39 hierna);
- wanneer een vergunning met terugwerkende kracht aangevraagd wordt (zie §§ 43 tot 47 hierna).
26/1. Wanneer de in bijlage 71-02 DWU-DA opgenomen goederen waarvan de douanewaarde niet meer dan 150 000 EUR bedraagt al onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst of daaronder worden geplaatst en onder douanetoezicht worden vernietigd wegens uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde omstandigheden, kan deze vergunning aangevraagd worden door middel van een douaneaangifte.
27. Indien de bevoegde douanedienst oordeelt dat de douaneautoriteiten geen douanetoezicht kunnen uitoefenen in andere onder haar bevoegdheid vallende gevallen (bv. in geval van vermeerdering van vergunningsaanvragen door dezelfde operator) zonder administratieve maatregelen te moeten nemen die niet in verhouding staan tot de betrokken economische behoeften, brengt zij de operator op de hoogte dat de vergunning voor een geheel van verwerkingen moet worden afgeleverd op basis van een aanvraagformulier en motiveert zij deze beslissing.
II.3. Nietigverklaring, intrekking of wijziging van een vergunning
28. De vergunning actieve veredeling wordt nietig verklaard, ingetrokken of gewijzigd in de gevallen en onder de algemene voorwaarden bepaald in de artikelen 23, 27, 28 en 30 van het DWU.
De wijziging van een vergunning voor actieve veredeling is alleen mogelijk tijdens de geldigheidsduur ervan. Om deze na afloop van de geldigheidsduur te wijzigen (bijvoorbeeld door een wijziging van een douanekantoor van aanzuivering of een plaats van veredeling), moet de bevoegde douaneautoriteit een gunstige beschikking geven, los van de vergunning die is verstreken.
29. Een gunstige beschikking wordt onverwijld ingetrokken indien niet of niet meer wordt voldaan aan één of meer van de voorwaarden voor vaststelling ervan. Dit kan eruit bestaan dat niet of niet meer wordt voldaan aan de economische voorwaarden. De ingangsdatum van de herroeping kan in uitzonderlijke gevallen worden uitgesteld wanneer de rechtmatige belangen van de houder van de vergunning dit vereisen.
Deze respijtperiode mag de einddatum van de intrekking van de vergunning niet overschrijden. Deze termijn mag niet langer zijn dan één jaar na de dag volgend op de datum waarop de vergunninghouder het intrekkingsbesluit heeft ontvangen. De datum van inwerkingtreding van de intrekking moet in de intrekkingsbeschikking worden vermeld.
Behalve op verzoek van de betrokken persoon heeft de intrekking geen gevolgen voor de goederen die ten tijde van de intrekking reeds onder de regeling actieve veredeling waren geplaatst en nog steeds onder de regeling actieve veredeling van de ingetrokken beschikking vallen.
Voorbeeld:
Een vergunning voor actieve veredeling is geldig tot 1 oktober 2020. Eén van de voorwaarden van deze vergunning is niet langer voldaan en daarom is op 1 mei 2018 besloten deze in te trekken. Er is een respijtperiode van 11 maanden toegekend: het intrekkingsbesluit treedt derhalve in werking op 1 april 2019. In het kader van deze vergunning kunnen de goederen nog tot en met 31 maart 2019 onder de regeling actieve veredeling worden geplaatst. Indien de aanzuiveringstermijn zes maanden bedraagt, mag de regeling actieve veredeling in het kader van deze vergunning niet na 30 september 2019 worden beëindigd.
II.4. Voorwaarden voor het bekomen van een vergunning
30. Een vergunning voor actieve veredeling wordt uitsluitend verleend indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:
a) de aanvrager is een in het douanegebied van de Unie gevestigd persoon (zie definitie bij artikel 5, 31) en 32) van het DWU).
De douaneautoriteiten kunnen incidenteel, wanneer zij dit verantwoord achten, hiervan afwijken en een vergunning verlenen aan personen gevestigd buiten het douanegebied van de Unie: bijvoorbeeld wanneer de verrichting geen enkel economisch gevolg heeft in de Europese Unie. In dit geval is de bevoegde douaneautoriteit de autoriteit van de plaats waar de goederen het eerst zullen verwerkt worden. Deze uitzondering is zowel van toepassing op vergunningen afgeleverd op basis van een douaneaangifte als op de vergunningen afgeleverd op basis van een aanvraagformulier.
Voorbeeld:
Een toerist die in Zwitserland is gevestigd, koopt bij een bezoek aan een lidstaat een grasmaaier. Wanneer hij terug in Zwitserland is, merkt hij dat er iets hapert aan de machine. Daarop keert hij terug naar de lidstaat voor de herstelling van de machine zoals contractueel bepaald. Daarvoor kan hij een vergunning actieve veredeling aanvragen zelfs wanneer hij niet in de Europese Unie is gevestigd.
b) de aanvrager biedt de nodige waarborg voor het goede verloop van de verrichtingen.
Een geautoriseerde marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen (AEOC) wordt geacht aan deze voorwaarde te voldoen voor zover de activiteit onder actieve veredeling in aanmerking is genomen om hem de AEOC-vergunning te geven.
Voor operatoren die geen AEO-C-status genieten, zullen de douaneautoriteiten voor elke aanvrager nagaan wat hun achtergrond is met betrekking tot hun activiteiten binnen het domein douane en fiscaliteit. In dat geval moet artikel 39 (punten a, b en d) van het DWU in aanmerking genomen worden. Indien de houder van de beschikking minder dan drie jaar geleden opgericht is, moet de douaneautoriteit deze voorwaarde controleren aan de hand van de beschikbare informatie, rekening houdend met artikel 23, §5 van het DWU.
c) de aanvraag voor de vergunning is ingediend door de persoon die de veredelingen uitvoert (de verwerker) of ermee belast is om ze te laten uitvoeren (de persoon die de opdracht geeft aan een onderaannemer of de tussenpersoon tussen de opdrachtgever en een onderaannemer);
d) de douaneautoriteiten kunnen douanetoezicht uitoefenen zonder administratieve maatregelen te hoeven nemen die niet in verhouding staan tot de betrokken economische behoeften (bijvoorbeeld de situatie bedoeld in § 27 hiervoor of wanneer het economische gevolg van de regeling voor de operator nagenoeg onbestaand is);
e) de wezenlijke belangen van producenten in de Unie niet geschaad worden (principe van de naleving van de economische voorwaarden zie §§ 33 tot 39 hierna);
f) in de andere gevallen dan herstelling en vernietiging kunnen de onder de regeling geplaatste goederen in de veredelingsproducten geïdentificeerd worden (principe van identificatie).
Op deze voorwaarde bestaan twee uitzonderingen, namelijk hulpmiddelen bij de productie (zie § 31 hierna) en equivalente goederen (zie hoofdstuk IX hierna);
g) in voorkomend geval kan de naleving van de voorwaarden bepaald ten aanzien van equivalente goederen gecontroleerd worden (zie hoofdstuk IX hierna);
h) de goederen kunnen na behandeling niet meer op economisch verantwoorde wijze teruggebracht worden tot de soort waartoe zij behoorden of tot de staat waarin zij zich bevonden toen zij onder de regeling werden geplaatst. Deze voorwaarde is enkel van toepassing wanneer het bedrag van de rechten bij invoer is bepaald overeenkomstig artikel 85§1 van het DWU (zie § 185 hierna);
i) het gebruik van de regeling kan er niet toe leiden dat de oorsprongsregels en kwantitatieve beperkingen die van toepassing zijn op de ingevoerde goederen, omzeild worden.
31. Er kan een vergunning actieve veredeling verleend worden voor de hulpmiddelen bij de productie bedoeld in artikel 5, lid 37, e, van het DWU, voor alle goederen (katalysatoren, vertragers of versnellers van scheikundige reacties, ...) die niet meer in de veredelingsproducten voorkomen, maar die de vervaardiging van deze producten mogelijk maken of vergemakkelijken, zelfs indien zij in de loop van het proces geheel of gedeeltelijk verdwijnen, met uitzondering van de volgende goederen:
- brandstoffen en energiebronnen, andere dan welke nodig zijn voor het testen van de veredelingsproducten of voor het opsporen van te herstellen defecten van onder de regeling geplaatste goederen;
- smeermiddelen, andere dan die welke nodig zijn voor het proefdraaien, het afstellen of uit de gietvorm nemen van veredelingsproducten;
- uitrusting of gereedschap.
32. Bij het gebruik van hulpmiddelen bij de productie voor deze goederen kan een vrijstelling van de rechten en belastingen bij invoer verleend worden. Ter zake kunnen zich vooral de volgende gevallen voordoen:
- wanneer bij de productie gebruikte hulpmiddelen tijdens de veredeling geheel opgebruikt worden en 100% van de veredelingsproducten opnieuw worden uitgevoerd, kan voor deze hulpmiddelen bij de productie een volledige vrijstelling van rechten bij invoer verleend worden;
- wanneer hulpmiddelen die bij de productie werden gebruikt tijdens de veredeling geheel worden opgebruikt en slechts 50% van de veredelingsproducten opnieuw uitgevoerd worden, kan voor de hulpmiddelen bij de productie een vrijstelling van rechten bij invoer verleend worden in verhouding tot de opnieuw uitgevoerde veredelingsproducten.
Rechten bij invoer zijn verschuldigd op de hoeveelheid hulpmiddelen die gebruikt zijn bij de productie van de overige hoeveelheid veredelingsproducten waarvoor een douaneschuld is ontstaan;
- wanneer de hulpmiddelen die bij de productie zijn gebruikt slechts gedeeltelijk worden opgebruikt en slechts een deel van de veredelingsproducten opnieuw uitgevoerd worden en de overige, niet gebruikte productiehulpmiddelen in het vrije verkeer gebracht worden, kan vrijstelling van rechten bij invoer verleend worden voor de hoeveelheid hulpmiddelen die zijn gebruikt bij de productie van opnieuw uitgevoerde veredelingsproducten. Rechten bij invoer zijn verschuldigd op de overige niet gebruikte en in het vrije verkeer gebrachte productiehulpmiddelen;
- wanneer productiehulpmiddelen gebruikt worden, maar niet opgebruikt worden voor een hoeveelheid wederuitgevoerde veredelingsproducten en wanneer voor deze productiehulpmiddelen een douaneschuld is ontstaan, kunnen voor deze productiehulpmiddelen rechten bij invoer verschuldigd zijn. De evenredige “economische” waarde die in de wederuitgevoerde veredelingsproducten is opgenomen, zou evenwel bij de douanewaarde van de productiehulpmiddelen in mindering kunnen gebracht worden.
Voorbeeld
Er wordt uitgegaan van de volgende vereenvoudigde veronderstellingen: een onder de regeling actieve veredeling geplaatste katalysator wordt tien jaar gebruikt en de waarde ervan wordt geraamd op 10 000 euro. Verder worden in het eerste jaar tien veredelingsproducten geproduceerd en wederuitgevoerd, terwijl de katalysator in het vrije verkeer wordt gebracht. Wat is dan enerzijds de evenredige waarde van deze veredelingsproducten en anderzijds de waarde van de overblijvende katalysator?
De waarde van de katalysator zou dan zijn: 10 000 euro /10 jaar, dus 1 000 euro per jaar. De evenredige waarde van de veredelingsproducten zou dan 1 000 euro kunnen zijn. De “resterende” evenredige waarde van de katalysator zou dan 9 000 euro kunnen zijn, waarmee men rekening moet houden bij het vaststellen van de douanewaarde.
II.5. Economische voorwaarden
33. Bij het uitwerken van de regeling actieve veredeling door de Europese Commissie en de lidstaten, is gebleken dat het nodig was om een evenwicht te vinden tussen de belangen van de veredelaars van de Unie en deze van de producenten van de Unie. Het grote voordeel van de actieve veredeling voor de veredelaars bestaat erin dat de rechten bij invoer op de invoergoederen geen kostprijselement zijn van hun veredelingsproducten of dat zij in mindere mate meetellen.
Voor de producenten van dergelijke goederen in de Unie zou dit evenwel tot concurrentievervalsing kunnen leiden. Daarom mag een vergunning actieve veredeling pas verleend worden indien de economische voorwaarden zijn vervuld, dit wil zeggen wanneer de wezenlijke belangen van de producenten van de Unie door het gebruik van deze vergunning niet zullen geschaad worden.
34. De criteria die gebruikt worden om te bepalen of de economische voorwaarden zijn vervuld, staan in artikel 211, § 5 van het DWU en in de artikelen 166 en 167 DWU-DA.
Deze artikelen staan in bijlage IV van deze circulaire. De volgende elementen worden in aanmerking genomen:
- de berekeningsmethode bij het ontstaan van de douaneschuld (zie §§ 181 tot 184 hierna), die men kan vinden in vak 16 (volgens het model van bijlage 12 TDA) of in het veld 8/13 van bijlage A DWU-DA van de aanvraag voor de vergunning;
- de eventuele aanwezigheid van een duidelijk bewijs dat de wezenlijke belangen van EU-producenten kunnen geschaad worden. Met bewijs wordt substantiële informatie bedoeld, bijvoorbeeld statistieken die aantonen dat de wezenlijke belangen van de producenten van de Unie kunnen geschaad worden.
Wanneer een operator meent over dergelijke bewijzen te beschikken, bezorgt hij ze aan de dienst OEO/Wetgeving (afdeling douanewetgeving) die ze analyseert en zal overmaken aan de Europese Commissie om binnen de groep van experten betreffende bijzondere regelingen te kunnen bespreken.
Wanneer de Commissie en groep van experten beslissen dat deze bewijzen overtuigend zijn, zal er op de website van TAXUD een openbare versie van het document beschikbaar gesteld worden (Europese Commissie, Directoraat-generaal Belastingen en Douane-Unie). Deze versie omvat:
- de eventuele handelspolitieke of landbouwpolitieke maatregelen, antidumpingrechten, compenserende rechten en vrijwaringsmaatregelen op de invoergoederen;
- de code van de economische voorwaarden. Deze code staat in vak 10 van de aanvraag voor de vergunning (volgens het model van bijlage 12 TDA) of in het veld 6/2 van bijlage A DWU-DA. Aan de hand van deze code wordt aangegeven waarom aan de economische voorwaarden wordt voldaan.
Deze codes en de betekenis ervan staan in de appendix van bijlage 12 TDA en in het veld 6/2 van titel II van bijlage A DWU-IA.
Wanneer het gebruik van één van deze codes impliceert dat een onderzoek van de economische voorwaarden niet vereist is, moet hier tijdens de voorafgaande audit voor de toekenning van de vergunning AV in het bijzonder aandacht aan besteed worden.
35. Wanneer voor het verlenen van de vergunning actieve veredeling een voorafgaand onderzoek van de economische voorwaarden vereist is, wordt dit onderzoek toevertrouwd aan de dienst OEO/Wetgeving (afdeling douanewetgeving). Deze dienst informeert de operator over de te ondernemen stappen en bezorgt, in voorkomend geval, het dossier op het niveau van de Unie aan de groep van experten van de bijzondere regelingen.
36. De Europese Commissie beschouwt onderzoeken naar de economische voorwaarden die hebben plaatsgevonden onder de regels van het communautair douanewetboek (CDW) niet meer als geldig. Tenslotte werden niet alle criteria die vermeld werden in het CDW opgenomen in het DWU en bijgevolg baseren beide onderzoeken zich op andere rechtsgrondslagen.
Bijvoorbeeld, de in artikel 133 onder e) van het CDW bedoelde voorwaarde om «bij te dragen aan het ontstaan of de instandhouding van een behandelingsactiviteit” is in de huidige douanewetgeving niet langer van toepassing. Evenzo zijn er veel verschillen tussen artikel 167 DWU-DA en bijlage 70 van het CTW.
Dit betekent dat een onderzoek dat uitgevoerd werd voor 1 mei 2016 geen effect meer heeft na deze datum.
Daarom is het verplicht om de economische voorwaarden te heronderzoeken voor vergunningen die werden verleend volgens de bepalingen van het CDW die komen te vervallen.
Voorbeeld:
Een marktdeelnemer is houder van een vergunning behandeling onder douanetoezicht die in 2015 is verleend voor een periode van drie jaar na het onderzoek van de economische voorwaarden door het Comité Douanewetboek. Na afloop van deze vergunning in 2018 dient deze marktdeelnemer een aanvraag in voor een vergunning voor actieve veredeling, met het argument dat de economische voorwaarden reeds in 2015 zijn onderzocht en dat de economische situatie in 2015 niet is veranderd. Krachtens de huidige douanewetgeving moeten de economische voorwaarden onderzocht worden. In dit geval moet het dossier aan de Commissie worden toegezonden, ook al zijn de economische voorwaarden reeds in 2015 onderzocht.
37. Wanneer er na de afgifte van een vergunning voor actieve veredeling bewijzen zijn dat de wezenlijke belangen van de producenten in de Unie door het gebruik van de vergunning waarschijnlijk zullen worden geschaad, kan een onderzoek naar de economische voorwaarden noodzakelijk worden.
De term «bewijzen» zou bijvoorbeeld kunnen verwijzen naar een met redenen omklede klacht, inclusief concreet bewijsmateriaal, die door verenigingen is ingediend en waarin wordt uitgelegd waarom het gebruik van actieve veredeling de wezenlijke belangen van de producenten in de Unie heeft geschaad.
Een dergelijk onderzoek zal ook op het niveau van de Unie worden uitgevoerd.
38. Zoals uiteengezet in §183/1 hieronder, wordt het artikel 86§3 automatisch toegepast wanneer veredelingsproducten in het vrij verkeer worden gebracht wanneer zij verkregen zijn uit niet-Uniegoederen onderworpen aan een voorlopig of definitief antidumpingrecht, aan een compenserend recht, aan een vrijwaringsmaatregel of een aanvullend recht dat voortvloeit uit een schorsing van concessies.
Een onderzoek van de economische voorwaarden is dus onnodig en moet niet uitgevoerd worden. Elk verzoek daartoe moet worden afgewezen.
Artikel 86§3 wordt niet toegepast wanneer de in deze § hierboven beschreven veredeling bestaat uit een verwerking van goederen zonder handelskarakter, een verwerking van goederen verkregen in het kader van een eerdere vergunning, die is afgegeven na onderzoek van de economische voorwaarden, een verwerking van goederen tot stalen en monsters of een verwerking tot resten en afvallen, een vernietiging, of een terugwinning van delen of bestanddelen.
39. Hetzelfde principe is van toepassing wanneer niet langer aan de economische voorwaarden wordt voldaan en de intrekkingsregels van § 29 hierboven van toepassing zijn.
Voorbeeld:
Een vergunning voor actieve veredeling is geldig tot 1 oktober 2018. Aan sommige van de voorwaarden van deze machtiging, namelijk de economische voorwaarden, is niet langer voldaan en daarom is op 1 mei 2018 onverwijld een besluit tot intrekking genomen. De bevoegde douaneautoriteit verleent een respijtperiode (maximaal één jaar of, indien dit niet mogelijk is, tot het einde van de vergunning, indien dit niet het geval is). Het besluit tot intrekking moet uiterlijk op 2 oktober 2018 in werking treden.
II.6. Zekerheid
40. Hoewel de zekerheid onder de bevoegdheid van de afdeling Geschillen valt, nemen wij hieronder ter volledige informatie de bepalingen over met betrekking tot zekerheden die zijn opgenomen in de Gids van de Europese Commissie over bijzondere regelingen.
De plaatsing van goederen onder de regeling AV is overeenkomstig artikel 89 van het DWU afhankelijk van het stellen van een zekerheid.
Het doel van de zekerheidstelling is het verzekeren van de betaling van een mogelijke douaneschuld die kan ontstaan voor goederen die onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst. Daarom moet uiterlijk bij de indiening van de eerste douaneaangifte voor de plaatsing van de goederen onder deze regeling een referentienummer voor zekerheidstelling worden verstrekt. Zonder dit referentienummer kan geen enkele aangifte tot plaatsing onder de regeling actieve veredeling worden aanvaard. Dit betekent echter niet dat de zekerheid werkelijk moet worden gesteld op het moment dat de vergunning voor actieve veredeling wordt verleend.
De douaneautoriteiten kunnen verschillende vormen van zekerheidstelling aanvaarden. Wanneer gebruik wordt gemaakt van een doorlopende zekerheid, moet de vergunning voor actieve veredeling worden aangepast om het referentienummer van de zekerheid te vermelden. In het geval van een éénmalig gebruik van AV op basis van een douaneaangifte (wat betekent dat er geen andere handelingen onder AV plaatsvinden), moet één zekerheid per aangifte worden gesteld: daarom kan geen vermindering of ontheffing van zekerheidstelling worden gevraagd, wat uitsluitend voor de doorlopende zekerheid mogelijk is. Met andere woorden, de waarborg moet in zijn geheel worden gesteld, ook al heeft de betrokken persoon AEO-C-status.
De Europese Commissie heeft echter besloten dat een doorlopende zekerheid in het kader van een specifieke transactie kan gebruikt worden, maar alleen indien de douaneautoriteit bij de vaststelling van en het toezicht op het referentiebedrag van deze doorlopende zekerheid rekening houdt met het bedrag waarvoor in verband met deze specifieke transactie zekerheid moet worden gesteld. Kortom, deze doorlopende zekerheid moet het volledige bedrag aan rechten en heffingen dekken dat overeenstemt met deze ene AV transactie.
Douaneautoriteiten kunnen toestemming verlenen voor het gebruik van een doorlopende zekerheid, met inbegrip van een vrijstelling van zekerheidstelling in overeenstemming met artikel 84 DWU-DA (zie de Gids van de Europese Commissie inzake zekerheidstelling voor douaneschulden in het DWU).
40/1. Bij actieve veredeling EX/IM hoeft geen zekerheid te worden gesteld (zie § 232 hierna).
Wanneer het erga omnes invoerrecht voor de goederen die onder actieve veredeling worden geplaatst nul is (d.w.z. er zijn geen potentiële invoerrechten verschuldigd) en nationale bepalingen vereisen geen zekerheidstelling voor andere heffingen (bv. btw), is er geen verplichting tot het stellen van een zekerheid.
De douaneautoriteiten kunnen ook ontheffing van de verplichting tot het stellen van zekerheid verlenen indien het bedrag aan in- of uitvoerrechten dat moet worden gedekt niet hoger is dan de statistische waardedrempel die is vastgesteld voor aangiften overeenkomstig Europese wetgeving.
41. Het referentiebedrag moet gelijk zijn aan het bedrag aan invoerrechten en andere heffingen (bv. btw en accijnzen) die verschuldigd kunnen worden voor goederen die op een bepaald moment onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst.
Indien de zekerheid niet buiten een lidstaat wordt gebruikt, moet het referentiebedrag ten minste het bedrag aan invoerrechten dekken.
Een voorbeeld is opgenomen in bijlage I van de Gids voor bijzondere regelingen.
De vergunning AV dient de code “A-Zekerheid vereist” en het van toepassing zijnde referentiebedrag bevatten.
II.7. Ingang van de vergunning
42. De vergunning gaat in op de afleveringsdatum.
43. De douaneautoriteiten kunnen een vergunning verlenen met terugwerkende kracht. Dit wil zeggen waarvan de geldigheidsperiode van de vergunning voorafgaat aan de aflevering van de vergunning. Een vergunning waarvan de geldigheid aanvangt op de datum van de aanvraag wordt bijgevolg als retroactief beschouwd.
Voor de aflevering van een vergunning met terugwerkende kracht moet aan alle 6 volgende voorwaarden zijn voldaan:
- er is een bewezen economische behoefte;
- de aanvraag houdt geen verband met een poging tot bedrog;
- de aanvrager heeft aangetoond op basis van zijn boekhouding of bescheiden dat aan alle procedurevereisten is voldaan. Dat de goederen, waar nodig, voor de betrokken periode kunnen geïdentificeerd worden en dat de procedure kan gecontroleerd worden aan de hand van de boekhouding of bescheiden;
- alle formaliteiten om de situatie van de goederen te regulariseren, kunnen worden verricht, zo nodig met inbegrip van de ongeldigmaking van de betrokken douaneaangiften;
- de economische voorwaarden hoeven niet onderzocht te worden, tenzij een aanvraag betrekking heeft op een vernieuwing van een vergunning voor dezelfde soort activiteiten en goederen;
- indien een aanvraag betrekking heeft op een vernieuwing van een vergunning voor dezelfde soort activiteiten en goederen, wordt de aanvraag ingediend binnen drie jaar na het verstrijken van de oorspronkelijke vergunning.
Voorbeeld van een poging tot bedrog:
Een marktdeelnemer importeert niet-EU-goederen voor veredeling en weet van meet af aan dat ze na veredeling weer zullen worden uitgevoerd. In plaats van de goederen onder de regeling actieve veredeling te plaatsen, geeft hij ze vrij voor het vrije verkeer en vraagt vervolgens een vergunning met terugwerkende kracht aan zodra een deel van de goederen is vervaardigd. Indien kan worden vastgesteld dat de marktdeelnemer wist dat hij de producten opnieuw zou uitvoeren en dat hij op de hoogte was van het bestaan van de regeling actieve veredeling, kan deze praktijk worden aangemerkt als een list die tot doel had de verplichtingen van de regeling te omzeilen (aanvraag, administratie, enz.).
De douaneautoriteiten kunnen tevens een vergunning met terugwerkende kracht verlenen indien de goederen die onder een douaneregeling werden geplaatst, niet langer beschikbaar zijn op het moment dat de vergunningsaanvraag was aanvaard.
44. Wanneer de douaneautoriteiten met terugwerkende kracht een vergunning verlenen, is de vergunning ten vroegste van kracht op de datum van aanvaarding van de aanvraag.
In buitengewone omstandigheden kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat een vergunning ten vroegste van kracht is één jaar vóór de datum van aanvaarding van de aanvraag. Wanneer de betrokken goederen onder bijlage 71-02 DA vallen, is deze termijn drie maanden vóór de datum van aanvaarding van de aanvraag.
Als een aanvraag betrekking heeft op een vernieuwing van een vergunning voor dezelfde soort activiteiten en goederen, kan een vergunning met terugwerkende kracht verleend worden vanaf de datum waarop de oorspronkelijke vergunning is verstreken.
De datum waarop de terugwerkende kracht aanvangt, kan vóór 1 mei 2016 liggen.
Voorbeeld van een uitzonderlijk geval
Een operator brengt niet-Uniegoederen in het vrije verkeer om te worden verwerkt en verkocht op de Unie-markt. Na het in het vrije verkeer brengen en de productie stelt de operator evenwel vast dat de persoon die er zich toe had verbonden deze afgewerkte producten aan te kopen, failliet is gegaan. Omdat er in de Unie geen andere kopers zijn, beslist de operator om de afgewerkte producten uit te voeren.
Indien de operator gebruik had gemaakt van de actieve veredeling, had hij recht gehad op een vrijstelling van de douanerechten. In dit uitzonderlijke geval zou een vergunning met terugwerkende kracht het mogelijk kunnen maken om deze verrichting retroactief te dekken.
45. Wanneer in verband met een vernieuwing van een vergunning voor dezelfde soort activiteiten en goederen een onderzoek naar de economische voorwaarden moet worden verricht, wordt een vergunning met terugwerkende kracht ten vroegste van kracht op de datum waarop de beslissing inzake de economische voorwaarden is getrokken.
46. Het is uitgesloten om een vergunning te verlenen met terugwerkende kracht wanneer er reeds in de afgelopen drie jaar vóór de datum waarop de aanvraag is aanvaard aan de aanvrager een vergunning actieve veredeling met terugwerkende kracht werd verleend.
Deze beperking heeft geen betrekking op de eventuele vergunningen met terugwerkende kracht die werden toegekend vóór 1 mei 2016.
Voorbeeld 1:
Een onderneming vraagt de verlenging aan van een vergunning voor actieve veredeling waarvan de geldigheidsduur op 29 april 2017 is verstreken. Dit verzoek is op 30 mei 2017 door de douaneautoriteiten ontvangen. Zij geven de vergunning af op 10 augustus 2017 met terugwerkende kracht waardoor deze verlenging geldig is vanaf 29 april 2017. Deze vergunning is een gunstige beslissing met terugwerkende kracht en kan slechts eenmaal per drie jaar worden verleend.
Om te voorkomen dat de economische activiteiten in het kader van de regeling actieve veredeling worden beëindigd omdat de vergunning AV niet langer geldig is, wordt aanbevolen dat de vergunninghouder de aanvraag tot verlenging ten minste drie maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de bestaande vergunning indient. Dit advies moet in de vergunning worden opgenomen.
Voorbeeld 2:
Aan een marktdeelnemer is met terugwerkende kracht een vergunning bijzondere bestemming verleend. Indien hij verzoekt om een verlenging met terugwerkende kracht van zijn vergunning, zal dit verzoek worden afgewezen. Indien hij daarentegen met terugwerkende kracht een vergunning voor actieve veredeling had aangevraagd, had de betrokken vergunning voor actieve veredeling kunnen worden verleend.
Voorbeeld 3:
Een producent in de Unie beschikt over een vergunning voor actieve veredeling (schorsingssysteem) die in 2015 met terugwerkende kracht is verleend. In 2017 vraagt deze producent een andere vergunning voor actieve veredeling met terugwerkende kracht aan. In dit geval wordt geacht te zijn voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van terugwerkende kracht omdat de vergunning voor actieve veredeling met terugwerkende kracht in 2015 is verleend op grond van de bepalingen van het communautair douanewetboek, ook al is de periode van drie jaar nog niet verstreken. Indien aan de andere toepasselijke voorwaarden is voldaan, moet de vergunning worden verleend.
47. Het geheel van deze maatregelen is eveneens van toepassing voor een wijziging van een vergunning. Echter, wanneer deze wijziging betrekking heeft op elementen die geen afbreuk doen aan de douanecontrole, zoals de toevoeging van een GN-code of een douanekantoor, is de in §46 hierboven vermelde termijn van drie jaar niet van toepassing.
Voorbeeld:
De bevoegde douaneautoriteiten geven een vergunning AV af. De vergunninghouder verzoekt om toevoeging van een GN-code met terugwerkende kracht voor eerder ingediende douaneaangiften voor het vrije verkeer.
Aangezien dit geen vergunning met terugwerkende kracht is in de zin van artikel 211, lid 2, onder e), DWU, kunnen de douaneautoriteiten de vergunning op verzoek van de vergunninghouder wijzigen, ook als er al een vergunning actieve veredeling met terugwerkende kracht is verleend in de voorgaande drie jaar.
II.8. Inhoud van de vergunning
48. De voorwaarden waaronder het gebruik van de regeling is toegestaan, worden in de vergunning vastgesteld.
Identificatiemaatregelen
49. De vergunning moet melding maken van de maatregelen die nodig zijn voor de identificatie van de goederen. Deze maatregelen blijken uit één van de volgende codes in vak 12 van de vergunning (volgens het model van bijlage 12 TDA) of in het veld 5/8 van bijlage A DWU-DA:
1 = volgnummer of fabricagenummer
2 = loodjes, zegels, stempels of andere merktekens
3 = inlichtingenblad INF (enkel wanneer model van bijlage 12 wordt gebruikt)
4 = monsters, stalen, tekeningen of technische beschrijvingen
5 = analyses
Deze codes kunnen aangevuld worden met bijkomende informatie in vak 16 van de vergunning (volgens het model van bijlage 12 TDA) of in het veld 6/3 van bijlage A DWU-DA.
De identificatiemaatregelen van equivalente goederen vermeld in hoofdstuk IX hierna staan in vak 21 van de vergunning (volgens het model van bijlage 12 TDA) of in het veld 5/6 van bijlage A DWU-DA.
Opbrengstpercentage (Zuiveringsgrondslag)
50. Een opbrengstpercentage, een gemiddeld opbrengstpercentage of de wijze om dit percentage te berekenen wordt vermeld in de vergunning.
Wanneer een vergunning overeenkomstig § 22 tot 27 hiervoor de vorm aanneemt van een douaneaangifte wordt dit percentage bij de aangifte tot plaatsing van de goederen onder de regeling vermeld.
Onder opbrengstpercentage wordt het volgende verstaan: de hoeveelheid of het percentage veredelingsproducten verkregen bij de veredeling van een bepaalde hoeveelheid onder de regeling geplaatste goederen.
Het percentage geeft de zuiveringsgrondslag die de hoeveelheden invoergoederen geeft die mogen worden aangezuiverd bij levering van een gegeven hoeveelheid veredelingsproducten en de eenheid waarin deze hoeveelheden worden uitgedrukt.
Dit opbrengstpercentage wordt vastgesteld met inachtneming van de werkelijke omstandigheden waarin de veredeling geschiedt of zal geschieden. Het wordt vastgesteld op basis van de productiegegevens of technische gegevens of, bij gebrek hieraan, de gegevens over dezelfde soort bewerkingen. De douane zal dit percentage achteraf verifiëren en kan dit indien nodig op grond van artikel 28 van het DWU aanpassen.
51. Wanneer in specifieke Uniewetgeving een gemiddeld opbrengstpercentage is bepaald, moet dit percentage gebruikt worden.
52. Veelal wordt de industriële boekhouding van de vergunninghouder gebruikt als grondslag voor de aanzuivering van de aangiften tot plaatsing onder de regeling omdat zij toelaat de werkelijke rendementen in verband met de veredelingshandelingen vast te stellen. In sommige gevallen preciseert de vergunning dat ook bij uitvoer van een bepaalde hoeveelheid veredelingsproducten ten hoogste een maximum hoeveelheid invoergoederen mag aangezuiverd worden. Dit maximum mag niet als een forfait beschouwd worden maar als een beperking van grotere hoeveelheden die zouden blijken uit de industriële boekhouding.
Wanneer de aanzuivering gebeurt volgens het aantal stuks dient het steeds om een geheel aantal stuks te gaan.
53. De vergunning kan ook bepalen dat de controle van de identiteit en de verwerkte hoeveelheid invoergoederen moet gebeuren door middel van een boekhoudkundige controle of basislijsten van de veredelingsproducten.
De boekhoudkundige controle is gebaseerd op de administratie en op elke andere bron van handelsboekhouding of industriële boekhouding.
De "basislijsten van de veredelingsproducten" zijn opgaven van de soort en hoeveelheden van invoergoederen verwerkt in elk van de veredelingsproducten.
54. Wanneer de vergunning wordt verleend door de validatie van een douaneaangifte, moeten op het ogenblik van de validatie van de vergunning de te nemen identificatiemaatregelen en het opbrengstpercentage vermeld worden.
II.9. Administratie
55. De houder van de regeling en eenieder die activiteiten uitoefent in verband met de bewerking of verwerking van de goederen, voeren een passende administratie in een door de douaneautoriteiten goedgekeurde vorm.
Aangezien de lokalisatie en de goederenbeweging in deze administratie worden vermeld, wordt deze administratie in het kader van de vergunning actieve veredeling ook gevoerd voor de plaatsen waar enkel een opslagactiviteit plaatsvindt.
Deze verplichting geldt zowel voor de vergunninghouder als voor de onderaannemers die bij deze activiteiten zijn betrokken.
De informatie en gegevens in die administratie moeten de douaneautoriteiten in staat zijn toezicht uit te oefenen op de regeling, in het bijzonder wat de identificatie, de douanestatus en het overbrengen van de onder de regeling geplaatste goederen betreft.
Een geautoriseerd marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen wordt geacht om een passende en volledige administratie te kunnen voeren, voor zover zijn administratie passend is met het oog op de betrokken bijzondere regeling.
56. De administratie bevat het volgende:
- in voorkomend geval, de verwijzing naar de vereiste vergunning om de goederen onder de regeling te plaatsen;
- het MRN (Movement Reference Number) of, waar dit niet bestaat, een ander nummer of een andere code ter identificatie van de douaneaangiften waarmee de goederen onder de regeling zijn geplaatst en, wanneer de aanzuivering van de regeling is gebeurd, informatie over de wijze waarop dat is gebeurd;
- gegevens waarvan andere douanedocumenten dan douaneaangiften ondubbelzinnig kunnen geïdentificeerd worden, evenals alle andere documenten die van belang zijn voor het plaatsen van de goederen onder een bijzondere regeling en alle andere documenten die van belang zijn voor de aanzuivering van de desbetreffende regeling;
- bijzonderheden over merktekens, nummers, aantal en soort van de colli, de hoeveelheid en de gebruikelijke handelsomschrijving of technische beschrijving van de goederen en, eventueel, de op de containers aangebrachte merktekens aan de hand waarvan de goederen kunnen geïdentificeerd worden;
- plaats van de goederen en informatie over iedere overbrenging van deze goederen;
- douanestatus van de goederen;
- gegevens over gebruikelijke behandelingen bedoeld in §§ 62 tot 64 hierna en, in voorkomend geval, de nieuwe tariefindeling die uit deze gebruikelijke behandelingen voortvloeit;
- gegevens over de regeling, met inbegrip van informatie over het soort veredeling;
- wanneer artikel 86, lid 1, van het DWU van toepassing is (zie § 179 hierna), de kosten voor opslag of gebruikelijke behandelingen;
- het opbrengstpercentage of eventueel de wijze om dit te berekenen;
- gegevens aan de hand waarvan het douanetoezicht en controles op het gebruik van equivalente goederen zoals bedoeld in hoofdstuk IX hierna, kunnen uitgeoefend worden;
- wanneer goederen die onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst, of de daaruit voortvloeiende veredelingsproducten, vervolgens onder een douaneregeling geplaatst worden waarmee de regeling actieve veredeling kan worden aangezuiverd, de in artikel 241 DWU-DA vereiste gegevens;
- in voorkomend geval, de gegevens van een eventuele overdracht van rechten en plichten (zie hoofdstuk X hierna);
- wanneer de administratie geen deel uitmaakt van de hoofdboekhouding voor douanedoeleinden, een verwijzing naar die hoofdboekhouding voor douanedoeleinden;
- in voorkomend geval, aanvullende informatie voor bijzondere gevallen, op verzoek van de douaneautoriteiten om gerechtvaardigde redenen.
57. De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat sommige gegevens niet moeten verstrekt worden wanneer dit geen nadelige invloed heeft op het douanetoezicht en de controle.
II.10. Het verkeer van goederen
58. In specifieke gevallen kunnen de goederen die onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst tussen verschillende plaatsen binnen het douanegebied van de Unie worden vervoerd. Het is een regel van algemene strekking waarvan geen melding moet gemaakt worden in de vergunning.
Het gaat om het fysiek verkeer van goederen, d.w.z. een verkeer van goederen tussen verschillende plaatsen binnen het douanegebied van de Unie. De algemene doelstelling is het gebruik van de regeling extern douanevervoer zoveel mogelijk te beperken.
Deze mogelijkheid is ook toegestaan wanneer de toelating wordt afgegeven voor een eenmalige vergunning zoals bepaald in § 22 hierboven.
Het verkeer van goederen van het douanekantoor van plaatsing naar de instellingen van veredeling en/of opslag (als onderdeel van de actieve veredeling)
59. Het verkeer van invoergoederen van het douanekantoor van plaatsing naar de instellingen van veredeling en/of opslag die in de ingeroepen vergunning vermeld worden, vereist geen andere douaneformaliteit dan het voeren van een administratie waarvan sprake in §§ 55 tot 57 hiervoor.
In geval van gecentraliseerde vrijmaking (zie artikel 179 van het DWU) is de overbrenging van het kantoor waar de goederen aangeboden worden naar de instellingen van veredeling en/of opslag eveneens gedekt.
Het verkeer van goederen tussen de instellingen van veredeling en/of opslag (binnen de actieve veredeling) aangewezen in dezelfde vergunning
60. Het verkeer van goederen in ongewijzigde staat of van veredelingsproducten tussen de instellingen van veredeling en/of opslag aangewezen in dezelfde vergunning, vereist geen andere douaneformaliteit dan het voeren van een administratie waarvan sprake in §§ 55 tot 57 hiervoor.
Het verkeer van goederen naar het kantoor van uitgang uit het douanegebied van de Unie met het oog op de wederuitvoer
61. De overbrenging van goederen naar het douanekantoor van uitgang met het oog op de aanzuivering van de regeling wordt verricht onder dekking van een aangifte tot wederuitvoer. De goederen blijven onder de regeling totdat zij het douanegebied van de Unie hebben verlaten.
De uitvoeraangifte wordt ingediend op het kantoor van aanzuivering en in vak 44 staat het volgende: “Toepassing van artikel 267, § 1 DWU-IA”.
II.11. Gebruikelijke behandelingen
62. Goederen die onder de regeling van de actieve veredeling zijn geplaatst, kunnen de gebruikelijke behandelingen vermeld in bijlage 71-03 DWU-DA ondergaan.
Om als gebruikelijke behandelingen te worden beschouwd dienen deze tot doel te hebben de goederen in goede staat te bewaren, de presentatie of handelskwaliteit te verbeteren of de distributie of wederverkoop voor te bereiden.
In dit geval moet de gebruikelijke behandeling niet voorafgaandelijk door de douaneautoriteiten worden vergund en moet ze niet in de vergunning worden vermeld: de goederen verkregen na deze gebruikelijke behandelingen worden niet beschouwd als veredelingsproducten
Overeenkomstig § 56 hiervoor moet ze in de administratie vermeld worden.
Het goed verkregen na de gebruikelijke behandeling wordt niet beschouwd als een verdelingsproduct.
Bovendien mag geen van de volgende behandelingen leiden tot een ongerechtvaardigd voordeel op het gebied van de rechten bij invoer. Elke gebruikelijke behandelingen die een wijziging in de GN of in de oorsprong van niet-Uniegoederen omvatten, wordt geacht te leiden tot een ongerechtvaardigd voordeel op het gebied van de rechten bij invoer indien de goederen op het tijdstip waarop de gebruikelijke behandelingen aanvangen, onderworpen zouden zijn aan een voorlopig of definitief antidumpingrecht, een compenserend recht, een vrijwaringsmaatregel of een aanvullend recht dat voortvloeit uit een schorsing van concessies indien zij werden aangegeven voor het vrije verkeer.
Voorbeeld: Het toepassen van gebruikelijke behandelingen wordt afgewezen wanneer ethanol gedenatureerd wordt naar een industrieel reinigingsproduct waardoor de ethanol ontsnapt aan de antidumpingrechten die op dit product van toepassing zijn wanneer het onmiddellijk in het vrij verkeer gebracht zou worden.
63. Een combinatie van meerdere gebruikelijke behandelingen wordt niet beschouwd als een gebruikelijke behandeling maar wel als een complexere verwerking.
64. Wanneer de gebruikelijke behandeling bestaat uit de verwerking of wanneer ze niet wordt uitgevoerd met het oog op wat wordt vermeld in § 62 hiervoor, wordt in vak 9 van de vergunning melding gemaakt van de behandeling (volgens het model van bijlage 12 TDA) of in het veld 7/5 van bijlage A DA en de code
- 30.3 wordt gebruikt in vak 10 van de vergunning (volgens het model van bijlage 12 TDA) of
- 21 wordt gebruikt in veld 6/2 van bijlage A DWU-DA.
Overeenkomstig § 227 hierna is in dit geval het gebruik van de equivalentie niet toegestaan.
Wanneer in vak 10 van de vergunning melding wordt gemaakt van meerdere codes van de verschillende economische voorwaarden (volgens het model van bijlage 12 TDA) of in het veld 6/2 van bijlage A DA, is deze beperking enkel van toepassing voor de goederen die vermeld staan onder de code van de gebruikelijke behandelingen.
II.12. Douanestatus van dieren geboren uit dieren die onder actieve regeling zijn geplaatst
65. Wanneer de totale waarde van dieren die zijn geboren in het douanegebied van de Unie uit dieren geplaatst onder de regeling, hoger is dan 100 euro, worden deze pasgeboren dieren beschouwd als niet-Uniegoederen en onder dezelfde regeling van de actieve veredeling geplaatst als de dieren waaruit zij zijn geboren.
Voorbeeld:
Een zeug wordt onder de regeling van de actieve veredeling geplaatst voor de productie van vlees. De producent ziet dat de zeug weldra zal werpen en wacht op de geboorte van de biggen. Bij hun geboorte worden deze biggen eveneens beschouwd als onder de regeling actieve veredeling te zijn geplaatst.
II.13. De vergunning actieve veredeling en de andere al dan niet fiscale maatregelen
66. Het verlenen van een vergunning actieve veredeling ontslaat de vergunninghouder niet van de naleving van verplichtingen en verboden, opgelegd door andere al dan niet fiscale reglementeringen (vergunningen, gemeenschappelijk landbouwbeleid, gezondheidsmaatregelen, enz.). Wat de handelspolitieke maatregelen betreft, wordt er verwezen naar §§ 199 en 200 hierna.
II.14. Goederen die gebreken vertonen of goederen die niet met de bepalingen van het contract in overeenstemming zijn
67. Artikel 118 van het DWU staat onder bepaalde voorwaarden terugbetaling (teruggave van een bedrag aan rechten die zijn voldaan) of kwijtschelding (ontheffing van de verplichting tot betaling van een bedrag dat niet is voldaan) van een bedrag aan invoerrechten toe.
Dit zal het geval zijn als de douaneschuld betrekking heeft op goederen die door de importeur geweigerd zijn omdat zij op het tijdstip van de vrijgave gebreken vertoonden, vóór de vrijgave zijn beschadigd of niet in overeenstemming waren met de bepalingen van het contract op grond waarvan zij ingevoerd waren.
Deze terugbetaling (of deze kwijtschelding) wordt verleend mits de goederen uit het douanegebied van de Unie worden gebracht. Op aanvraag van de betrokkene staan de douaneautoriteiten toch toe om de goederen, in plaats van ze buiten het douanegebied van de Unie te brengen, te plaatsen onder de regeling actieve veredeling, ook voor vernietiging, of de regeling extern douanevervoer, douane-entrepot of vrije zone. In dit geval verliezen de goederen hun douanestatus van Uniegoederen om niet-Uniegoederen te worden.
II.15. Gestandaardiseerde inlichtingenuitwisseling (e-INF)
68. De vergunningen actieve veredeling EX/IM (zie § 232 hieronder) voor één of meer lidstaten vereisen het gebruik van een gestandaardiseerde uitwisseling van inlichtingen (e-INF).
De vergunningen actieve veredeling IM/EX (zie § 122 hieronder) voor verschillende lidstaten leggen dezelfde verplichting op.
Deze inlichtingenuitwisseling (voordien uitgevoerd onder de vorm van papieren inlichtingenbladen, INF genaamd) wordt gebruikt om de nodige informatie door te geven tussen de verschillende betrokken douanekantoren en het controlekantoor van de douane. Dergelijk gebruik van een elektronisch systeem is vereist door de artikelen 176 en 181 DWU-DA en 271 DWU-IA.
69. Deze gestandaardiseerde inlichtingenuitwisseling is gebaseerd op de data-elementen vermeld in bijlage 71-05 DWU-DA. Voor deze gestandaardiseerde inlichtingenuitwisseling (e-INF) wordt sinds 3 augustus 2020 een Europees IT-systeem gebruikt. De gebruikte interface is op EU-niveau geharmoniseerd en door de Commissie en de lidstaten in onderlinge overeenstemming ontworpen.
De vergunninghouder verstrekt het toezichthoudend douanekantoor de gegevens bedoeld in deel A van bijlage 71-05 DWU-DA. Het toezichthoudend douanekantoor registreert de relevante gegevenselementen voorzien in bijlage 71-05, deel A DWU-DA in het systeem.
De douaneautoriteiten verstrekken de houder van de vergunning op zijn verzoek actuele informatie over het e-INF.
Als de douane een e-INF-verzoek weigert, is het recht om te worden gehoord niet van toepassing. Het is geen beschikking op aanvraag in de zin van artikel 22§6 DWU maar een informatieverstrekking. Deze weigering moet echter worden gemotiveerd.
70. Voor vergunningen AV IM/EX die in één enkele lidstaat geldig zijn, is het gebruik van de gestandaardiseerde uitwisseling van inlichtingen niet verplicht. Echter, wanneer het toezichthoudend douanekantoor hierom verzoekt, dient de vergunninghouder voldoende informatie over de onder actieve veredeling geplaatste goederen te verstrekken zodat het toezichthoudend douanekantoor het bedrag van de invoerrechten overeenkomstig artikel 86§3 DWU kan berekenen.
Het toezichthoudend kantoor dient deze informatie ook op te vragen en ter beschikking te stellen in het elektronisch systeem wanneer het kantoor waar de douaneschuld ontstaat hierom verzoekt zodat dit laatste kantoor het bedrag van de invoerrechten kan berekenen.
De bepalingen van §69 zijn ook van toepassing, maar op basis van de informatie waarnaar wordt verwezen in deel B van bijlage 71-05 DWU-DA. Het elektronische systeem wordt dan zowel gebruikt voor de verwerking en opslag van nuttige informatie als voor de gestandaardiseerde uitwisseling van informatie met betrekking tot handelspolitieke maatregelen.
71. Wanneer een douaneaangifte van plaatsing onder de regeling actieve veredeling, een uitvoeraangifte onder de regeling actieve veredeling EX/IM, een douaneaangifte van aanzuivering van de regeling of een aangifte of kennisgeving van wederuitvoer wordt ingediend, vermeldt zij het relevante e-INF-nummer.
De bevoegde douaneautoriteit registreert de specifieke gegevenselementen bedoeld in bijlage 71-05, deel A, in het elektronische systeem.
72. De douaneautoriteiten kunnen evenwel het gebruik van andere elektronische gegevensverwerkingstechnieken voor de gestandaardiseerde uitwisseling van inlichtingen tussen kantoren toestaan, bijvoorbeeld bestanden in de vorm van spreadsheets of Concurrent Versions Systems (CVS). Deze andere gegevensverwerkingstechnieken moeten alle in bijlage 71-05 DWU-DA vereiste gegevenselementen bevatten.
Deze gegevensbestanden mogen verstrekt worden op voorwaarde dat de informatie over de gegevenselementen uiterlijk op het moment van de douaneaangifte ter beschikking van het bevoegde douanekantoor wordt gesteld. Aan de hand van deze informatie kan de bevoegde douaneautoriteit bijvoorbeeld beslissen welke hoeveelheid goederen onder de regeling actieve veredeling mag worden geplaatst als compensatie voor het gebruik van equivalente goederen (zie hoofdstuk X hieronder).
75. Het gebruik van de elektronische gestandaardiseerde inlichtingenuitwisseling (e-INF) wordt in de volgende tabel samengevat:
AV | Vergunning | Gestandaardiseerde uitwisseling van inlichtingen |
IM/EX | Nationaal | Op verzoek van het controlekantoor, e-INF voor de berekening van de douaneschuld of de toepassing van handelspolitieke maatregelen |
Grensoverschrijdend | e-INF verplicht, tenzij de douaneautoriteiten een andere wijze van elektronische gegevensuitwisseling overeenkomen | |
EX/IM | Alle | e-INF verplicht, tenzij de douaneautoriteiten een andere wijze van elektronische gegevensuitwisseling overeenkomen |
III. Plaatsing onder de regeling
III.1. Algemeenheden
76. De plaatsing van invoergoederen onder de regeling gebeurt door het indienen van een douaneaangifte, indien nodig vergezeld van één of meer aanvullende formulieren. Deze aangifte wordt aangifte tot plaatsing onder de regeling genoemd.
77. De aangifte moet opgesteld worden op naam van de houder van de vergunning actieve veredeling en ingediend worden door hemzelf of zijn gevolmachtigde. Een toegelaten afzender kan eveneens de aangifte indienen voor rekening van de vergunninghouder.
De persoon die de douaneaangifte indient of voor wiens rekening deze aangifte ingediend wordt, wordt de houder van de regeling genoemd.
De Europese Commissie sluit voor de vergunningen actieve veredeling de indirecte vertegenwoordiging uit; bijgevolg is de houder van de vergunning actieve veredeling nooit de douanevertegenwoordiger behalve wanneer hijzelf in eigen naam over een vergunning actieve veredeling beschikt. De douaneagent vertegenwoordigt rechtstreeks de houder van de vergunning actieve veredeling die alleen voor 100% verantwoordelijk is.
Echter, in geval van overdracht van rechten en verplichtingen (zie hoofdstuk X hierna) met voorafgaande uitvoer (AV EX/IM – zie hoofdstuk IX.4 hierna), kan de overnemer de aangifte indienen.
78. De verschillende vakken van de aangifte tot plaatsing onder de regeling dienen ingevuld te worden overeenkomstig de toelichting “I” van het "Enig Document" die melding maakt van de bepalingen van de appendices C1 en D1 van bijlage 9 TDA.
79. De aangifte voor plaatsing onder de regeling kan de vorm aannemen van een normale douaneaangifte, van een vereenvoudigde aangifte of van een inschrijving in de administratie van de aangever (EIDR).
Het gebruik van vereenvoudigde douaneaangiften of van inschrijving in de administratie van de aangever is onderworpen aan de voorafgaandelijke toekenning van vergunningen ad hoc. Het gebruik ervan moet eveneens bepaald zijn in vak 14 van de vergunning van actieve veredeling wanneer de vergunning verleend werd volgens het model van bijlage 12 TDA.
80. Er wordt geen vergunning verleend voor inschrijving in de administratie van de aangever wanneer de aanvraag betrekking heeft op een regeling waarvoor een gestandaardiseerde inlichtingenuitwisseling (INF) tussen de douaneautoriteiten vereist is overeenkomstig artikel 181 DWU-DA, tenzij de douaneautoriteiten overeenkomen om andere middelen voor de elektronische uitwisseling van inlichtingen te gebruiken.
De door artikel 181 DWU-DA bedoelde regelingen zijn:
- de actieve veredeling EX/IM (zie § 232 hierna) waarbij één of meer dan één lidstaat betrokken is ;
- de actieve veredeling IM/EX (zie § 122 hiervoor) waarbij meer dan één lidstaat betrokken is ;
- de actieve veredeling IM/EX waarbij slechts één lidstaat betrokken is, wanneer het controlekantoor het vraagt (zie § 69 hiervoor).
81. De plaatsing onder de regeling moet gebeuren binnen de geldigheidsduur van de vergunning vermeld in vak 6b van de vergunning (volgens het model van bijlage 12 TDA) of in het veld 4/7 van bijlage A DWU-DA.
82. Deze plaatsing onder de regeling moet gebeuren op het (de) kanto(o)r(en) van plaatsing vermeld in vak 11a (volgens het model van bijlage 12 TDA) of in het veld 4/10 van bijlage A DWU-DA van de vergunning.
De bevoegde douaneautoriteit kan in uitzonderlijke gevallen toestaan dat de douaneaangifte wordt ingediend bij een douanekantoor dat niet in de vergunning is vermeld. In dat geval stelt deze douaneautoriteit het controlekantoor hiervan onverwijld in kennis.
83. Wanneer de goederen ingevoerd worden in het kader van actieve veredeling EX/IM, moet gebruik gemaakt worden van een e-INF overeenkomstig de punten 68 tot 75 hiervoor.
Er moet geen zekerheid gesteld worden voor de hoeveelheid goederen die kunnen afgeboekt worden op een e-INF voor AV EX/IM.
Voor de plaatsingen onder de regeling na een dergelijke actieve veredeling EX/IM moet steeds een afzonderlijke aangifte (met code 5111 in vak 37 van de douaneaangifte) opgesteld worden.
84. De handelspolitieke maatregelen die eventueel zijn voorzien voor het in het vrije verkeer brengen van deze goederen, moeten niet toegepast worden op de onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen.
85. De handelspolitieke maatregelen daarentegen die van toepassing zijn op het binnenbrengen van goederen in het douanegebied van de Unie, moeten bij plaatsing onder de regeling toegepast worden. Dit is onder meer het geval voor de stoffen die de ozonlaag afbreken.
86. Wat de frequentie van de fysieke verificaties betreft, moeten de bijzondere bepalingen (soort en frequentie van de verificaties) nageleefd worden die vermeld worden in de vakken
- 12 (volgens het model van bijlage 12 TDA) of in het veld 5/8 van bijlage A DWU-DA,
- 16 (volgens het model van bijlage 12 TDA) of in het veld 6/3 van bijlage A DWU-DA en
- 21 (volgens het model van bijlage 12 TDA) of in het veld 5/6 van bijlage A DWU-DA
van de vergunning.
III.2. Berekening van de geschorste rechten
87. De onder de regeling geplaatste goederen zijn niet onmiddellijk vanaf de invoer ervan onderworpen aan de invoerrechten en de andere heffingen. We spreken dan over een potentiële schuld. Wanneer de goederen in het vrije verkeer gebracht worden, wordt deze potentiële schuld een werkelijke schuld. De berekening van deze werkelijke schuld wordt uitgelegd in hoofdstuk VII.3 hierna.
88. De berekening van de rechten bij invoer gebeurt op basis van de douanewaarde (voor ad valorem rechten) op het ogenblik van de plaatsing onder actieve veredeling en van het tarief dat bij het in het vrije verkeer brengen van toepassing was op de dag van aanvaarding van de aangifte tot plaatsing onder de regeling (derde landen tarief of preferentieel tarief indien een certificaat ATR of EUR1 voorgelegd wordt en aanvaard).
Eventueel kunnen de berekende rechten (zie §§ 95 en 96 hierna) in aanmerking genomen worden.
89. Tariefcontingenten worden niet in aanmerking genomen bij de plaatsing onder de regeling actieve veredeling, omdat het niet gaat om in het vrije verkeer brengen.
90. De plaatsing onder de regeling actieve veredeling betekent dat de eventuele accijnzen eveneens geschorst worden. Zolang zij niet ten verbruik aangegeven zijn, blijven de betrokken invoergoederen buiten het toepassingsveld van de accijnswetgeving. Het is evenwel aangewezen het bedrag van de in het spel zijnde accijnzen op de gewone manier te berekenen en vak 47 van de aangifte tot plaatsing onder de regeling wordt in die zin aangevuld.
91. De onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen worden niet beschouwd ingevoerd te zijn en, derhalve is er in dit stadium nog geen belastbaar feit inzake btw. Bijgevolg is bij het plaatsen onder de regeling, de btw bij invoer niet verschuldigd. Het is evenwel aangewezen het bedrag van de in het spel zijnde btw op de gewone manier te berekenen en vak 47 van de aangifte tot plaatsing in die zin aan te vullen.
In het kader van de systemen equivalentieverkeer en voorafgaande uitvoer is er geen btw verschuldigd wanneer de invoergoederen de douanestatus van de Unie krijgen (zie §§ 225 en 232 hierna). Bijgevolg is de regeling van de actieve veredeling aangezuiverd zonder dat de goederen aan die regeling werden onttrokken door het in het verbruik stellen. Er is dus geen belastbaar feit inzake btw in België en bijgevolg is er geen btw verschuldigd.
III.3. Bijzondere gevallen van plaatsing onder de regeling
1° De invoergoederen worden aangevoerd met een aangifte van extern Uniedouanevervoer (T1) met in vak 44, een melding in overeenstemming met de toelichting 6 d van het ED waaruit blijkt dat de goederen werden verkregen onder de regeling van de actieve veredeling in een andere lidstaat van de EU of in het Prinsdom Andorra
92. In deze gevallen is op de aangifte T1 waarmee de invoergoederen in België binnenkomen de vermelding “AV” aangebracht en het desbetreffende vergunningnummer of eINF-nummer.
Wanneer goederen die onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst, onderworpen zijn aan specifieke handelspolitieke maatregelen en deze maatregelen nog steeds van toepassing zijn op het tijdstip waarop de goederen, al dan niet in de vorm van veredelingsproducten, onder een andere douaneregeling geplaatst worden, bevat de douaneaangifte voor de volgende douaneregeling de in het eerste lid bedoelde gegevens en de vermelding “H P M”.
93. Deze vermelding(en) moet(en) overgenomen worden in vak 44 van de aangifte tot plaatsing onder de regeling actieve veredeling en op alle documenten die nadien zullen opgesteld worden voor deze invoergoederen of voor de veredelingsproducten, verkregen door hun verwerking.
94. Vak 44 van de aangifte tot plaatsing onder de regeling van de actieve veredeling wordt aangevuld met de vermelding “overname uit AV” en de goederen moeten aangegeven worden in de staat waarin ze zich bevinden op het ogenblik van hun binnenbrengen in België, dit wil zeggen volgens hun eigen tariefpost en hun eigen douanewaarde. Voor het bepalen van de heffingsvoet dient het tarief “derde landen” aangegeven worden.
Inlichtingenblad Berekende rechten
95. Het e-INF, zoals vermeld in §§ 69 tot 72 hiervoor, wordt gebruikt om het bedrag van de rechten bij invoer mee te delen die de lidstaat (of het Prinsdom Andorra) vanwaar de goederen worden verzonden, zou hebben geïnd (= berekende rechten), indien de invoergoederen waarvan de op het inlichtingenblad vermelde producten voortkomen in die lidstaat (of in het Prinsdom Andorra) in het vrije verkeer waren gebracht.
Het inlichtingenblad wordt ook gebruikt voor de gestandaardiseerde uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot handelspolitieke maatregelen.
96. Wanneer de invoergoederen vergezeld zijn van een e-INF, moeten de hierin vermelde rechten (vak 9, a) als bedrag van de berekende rechten overgebracht worden in vak 47 van de aangifte tot plaatsing onder de regeling van de actieve veredeling. In dit geval wordt dit vak aangevuld met de volgende vermelding: “Berekende rechten: rechten bij invoer: ............... euro”.
De eventuele accijnzen en de btw worden berekend volgens de maatstaven die in België op het ogenblik dat de goederen er worden binnengebracht geldig zijn.
2° Opnieuw onder de regeling actieve veredeling plaatsen van goederen die in België reeds een veredeling hebben ondergaan
97. Invoergoederen die veredelingshandelingen ondergaan hebben in België in de instellingen van een houder van een vergunning actieve veredeling, kunnen opnieuw onder de regeling geplaatst worden in hoofde van een andere vergunninghouder.
Voorbeeld:
Een vergunninghouder actieve veredeling A heeft invoergoederen ingevoerd uit derde landen en er een halffabricaat mee gemaakt (voor hem een veredelingsproduct). Dat halffabricaat wordt verkocht aan een vergunninghouder actieve veredeling B die het opneemt in een afgewerkt product. Voor B is het halffabricaat een invoergoed en het afgewerkt product een veredelingsproduct.
98. In dit geval zijn de bepalingen van §§ 92 tot 96 hiervoor van toepassing, met dien verstande dat een opgave van de berekende rechten B (zie § 148 hierna) kan worden gebruikt in de plaats van een e-INF.
99. Voor de btw moet de verkoop van de goederen tussen de overdrager en de overnemer beschouwd worden als een binnenlandse transactie die krachtens artikel 40, § 2, 1° van het Btw-Wetboek niet aan btw is onderworpen.
3° Plaatsing onder de regeling actieve veredeling van veredelingsproducten verkregen onder de regeling passieve veredeling
100. Veredelingsproducten die het resultaat zijn van de verwerking van goederen buiten het douanegebied van de Unie, tijdelijk uitgevoerd in het kader van de regeling passieve veredeling, mogen bij hun invoer aangegeven worden onder de regeling actieve veredeling met het oog op verdere veredeling.
Ter zake kan het ook gaan om goederen van de Unie uitgevoerd voor passieve veredeling uit een andere lidstaat van de EU en terug ingevoerd in de Europese Unie in België onder de vorm van veredelingsproducten of vanuit Turkije of het Prinsdom Andorra uitgevoerde goederen.
101. Deze producten kunnen aangegeven worden onder de regeling actieve veredeling zonder dat deze mogelijkheid uitdrukkelijk voorzien is in de ingeroepen vergunning van passieve veredeling.
Uiteraard moeten de ingevoerde producten, die veredelingsproducten zijn in het kader van de regeling passieve veredeling, voor de plaatsing onder de regeling actieve veredeling als invoergoederen beschouwd worden en dus als zodanig vermeld worden in de ingeroepen vergunning van actieve veredeling.
102. Het bedrag van de in het spel zijnde rechten bij invoer is het bedrag dat betaald moest worden indien de onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen in het vrije verkeer zouden gebracht zijn.
4° Plaatsing onder de regeling actieve veredeling van veredelingsproducten verkregen onder de regeling passieve veredeling, vertrekkend van goederen die zich onder de regeling actieve veredeling bevonden (passieve veredeling in het kader van actieve veredeling)
103. Veredelingsproducten die het resultaat zijn van de verwerking buiten het douanegebied van de Unie van in het kader van de regeling passieve veredeling tijdelijk uitgevoerde goederen die zich in de Unie onder de regeling actieve veredeling bevonden, mogen, bij hun invoer, opnieuw onder de regeling actieve veredeling aangegeven worden met het oog op verdere veredeling.
a) Wederinvoer, na passieve veredeling, van goederen die zich in België onder de regeling actieve veredeling bevonden
104. De rechten bij invoer waarvoor, na de combinatie actieve veredeling – passieve veredeling, schorsing wordt verleend met het oog op het opnieuw onder de regeling actieve veredeling plaatsen, worden berekend aan de hand van formule A + B, waarbij:
A = de rechten bij invoer die, bij uitgang uit de regeling actieve veredeling, zouden verschuldigd zijn ingeval van in het vrije verkeer brengen van goederen, die tijdelijk uitgevoerd worden voor passieve veredeling. Deze rechten worden bepaald overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VII.3 hierna;
B = de rechten bij invoer in verband met de passieve veredelingshandelingen, veronderstellend dat de tijdelijk uitgevoerde goederen, goederen zijn van de Unie. Ter zake moeten de specifieke bepalingen van de passieve veredeling worden geraadpleegd.
105. De aangifte tot plaatsing onder de regeling actieve veredeling moet de verschillende gegevens vermelden die nodig zijn om de bedragen A en B te berekenen.
Anderzijds moet bij het opmaken van deze aangifterekening gehouden worden met de bijzondere bepalingen die eventueel zijn voorzien in de betrokken vergunning passieve veredeling.
106. Voor de onvoorziene wederinvoer van onveredelde goederen gelden de regels in verband met de wederinvoer van terugkerende goederen.
b) Wederinvoer na passieve veredeling van goederen die zich onder de regeling actieve veredeling bevonden in een lidstaat van de EU of in het Prinsdom Andorra
107. De regels voor de berekening van rechten bij invoer zijn dezelfde als degene die voorzien zijn in § 104 hiervoor. Daarenboven zijn de bepalingen van de regeling passieve veredeling eveneens van toepassing.
108. In vak 44 van de aangifte tot plaatsing onder de regeling actieve veredeling verwijst de belanghebbende naar de vergunning passieve veredeling (nummer, datum, land van afgifte) en naar het e-INF (nummer, datum en kantoor van afgifte) betreffende de tijdelijk uitgevoerde goederen.
5° Wederinvoer van producten die voorheen uit de regeling actieve veredeling werden uitgevoerd en die opnieuw onder de regeling actieve veredeling worden geplaatst
109. Producten die verkregen zijn onder de regeling actieve veredeling en die zijn uitgevoerd buiten het douanegebied van de Gemeenschap, kunnen wederingevoerd worden en opnieuw onder de regeling actieve veredeling geplaatst worden.
De belanghebbende zal een nieuwe vergunning actieve veredeling moeten vragen, alsof het zou gaan om gewoon binnenbrengen van goederen uit derde landen. Eventueel na te leven bijzondere formaliteiten moeten in deze vergunning vermeld worden.
IV. Aanzuivering van de regeling
IV.1. Algemeenheden
110. De regeling actieve veredeling wordt aangezuiverd wanneer de onder deze regeling geplaatste goederen of de veredelingsproducten:
- onder een volgende douaneregeling worden geplaatst of
- het douanegebied van de Unie hebben verlaten of
- vernietigd zijn zonder afvalresten of
- aan de staat worden afgestaan overeenkomstig artikel 199 van het DWU.
Wanneer men het heeft over plaatsing onder een volgende douaneregeling, worden de volgende situaties beoogd:
- het in het vrije verkeer brengen;
- de plaatsing onder een andere bijzondere regeling (die al dan niet de actieve veredeling is);
- de uitvoer.
Deze verschillende situaties ter aanzuivering van de regeling worden in de hoofdstukken V tot VIII hierna in detail uitgewerkt.
111. Wanneer de aanzuivering van de regeling gebeurt door het indienen van een douaneaangifte, kan deze aangifte bij uitzondering (bijvoorbeeld ten gevolge van de vernietiging van goederen of door de toepassing van het in het vrije verkeer brengen zonder douaneaangifte zoals bepaald in § 170 hierna) de vorm aannemen van een normale douaneaangifte, van een vereenvoudigde aangifte of van een inschrijving in de administratie van de aangever.
Voor het gebruik van vereenvoudigde douaneaangiften of van inschrijving in de administratie van de aangever is het verplicht over betreffende vergunning te beschikken. Het gebruik ervan moet eveneens zijn bepaald in vak 14 van de vergunning van actieve veredeling in geval de vergunning volgens het model van bijlage 12 TDA wordt verleend.
112. Er wordt geen vergunning verleend voor inschrijving in de administratie van de aangever wanneer de aanvraag betrekking heeft op een regeling waarvoor een gestandaardiseerde inlichtingenuitwisseling (eINF) tussen de douaneautoriteiten vereist is overeenkomstig artikel 181 DWU-DA, tenzij de douaneautoriteiten overeenkomen om andere middelen te gebruiken voor de elektronische uitwisseling van inlichtingen.
De door artikel 181 DWU-DA bedoelde regelingen zijn:
- de actieve veredeling EX/IM (zie § 232 hierna) waarbij één of meer dan één lidstaat betrokken is ;
- de actieve veredeling IM/EX (zie § 122 hiervoor) waarbij meer dan één lidstaat betrokken is ;
- de actieve veredeling IM/EX waarbij slechts één lidstaat betrokken is, wanneer het controlekantoor dit vraagt (zie § 69 hiervoor).
113. De aangiften tot plaatsing onder de regeling mogen in één keer of in meerdere keren aangezuiverd worden.
Ook mag eenzelfde douaneaangifte dienen voor de aanzuivering van meerdere aangiften tot plaatsing onder de regeling, wanneer zij op basis van dezelfde vergunning van actieve veredeling werden gevalideerd.
114. Wanneer goederen onder de regeling zijn geplaatst door middel van meerdere douaneaangiften op grond van één vergunning, heeft de aanzuivering betrekking op de goederen in kwestie die met de oudste douaneaangiften onder de regeling zijn geplaatst (FIFO-principe – First In First Out).
Dit FIFO-principe mag op het vlak van invoerrechten niet leiden tot de toekenning van ongegronde voordelen.
115. In afwijking van het FIFO-principe, kan de vergunninghouder of de houder van de regeling verzoeken dat de aanzuivering gebeurt ten aanzien van specifieke goederen die onder de regeling werden geplaatst. Bijvoorbeeld wanneer de goederen identificeerbaar zijn aan de hand van een serienummer of een specifiek kenmerk.
116. De aanzuivering van de regeling moet gebeuren binnen een bepaalde termijn, genaamd de aanzuiveringstermijn. Deze termijn wordt vermeld in vak 13 (volgens het model van bijlage 12 TDA) of in het veld 4/17 van bijlage A DWU-DA van de vergunning Rekening houdend met de tijd die nodig is om de veredeling uit te voeren en de regeling aan te zuiveren, wordt de aanzuiveringstermijn, op basis van de informatie in de aanvraag van de vergunning, vastgesteld door de douaneautoriteiten (met inbegrip van de termijnen die te wijten zijn aan de logistieke beperkingen).
Deze termijn gaat in op de datum waarop de niet-Uniegoederen onder de regeling zijn geplaatst.
De aandacht wordt gevestigd op het feit dat deze aanzuiveringstermijn de geldigheidsduur van de betrokken vergunning actieve veredeling kan overschrijden (zie § 81 hiervoor). Deze geldigheidsduur van de vergunning duidt enkel de uiterste datum aan binnen dewelke invoergoederen onder de regeling kunnen geplaatst worden. Wanneer goederen in ongewijzigde staat of veredelingsproducten worden aangezuiverd, kan dus een vergunning actieve veredeling worden voorgelegd die reeds is vervallen.
Voorbeeld:
Een vergunning heeft een geldigheidstermijn van 1 februari 2017 tot 31 januari 2022. De aanzuiveringstermijn bedraagt 12 maanden.
De operator plaatst de goederen onder de regeling op 15 oktober 2021. De aanzuivering moet bijgevolg gebeuren vóór 15 oktober 2022.
Wanneer de operator op 2 augustus 2022 de goederen aangeeft voor een andere regeling, leeft hij de voorwaarden na van de vergunning, zelfs wanneer de geldigheidsduur ervan afloopt op 31 januari 2022.
117. Wanneer de vergunninghouder een gerechtvaardigde aanvraag indient, kunnen de douaneautoriteiten de aanzuiveringstermijn met een redelijke duur verlengen zelfs na het verstrijken van de oorspronkelijke toegekende termijn.
Als er omstandigheden zijn die een verlenging van de termijn kunnen rechtvaardigen, bijvoorbeeld het verzoek van een klant van een derde land om een levering van veredelingsproducten uit te stellen of vertraagde leveringen ingevolge moeilijkheden van technische of andere aard (machinedefecten, laattijdige levering van onderdelen, afzetproblemen, enz.) dienen deze aan de douane overgemaakt te worden.
118. De aangifte waarmee de goederen onder een volgende douaneregeling geplaatst worden, moet alle nodige gegevens bevatten om de aanzuivering van de regeling toe te laten.
Ze moet ingediend worden in één van de kantoren van aanzuivering vermeld in vak 11 (volgens het model van bijlage 12 TDA) of in het veld 4/11 van bijlage A DWU-DA van de vergunning.
De bevoegde douaneautoriteit kan in uitzonderlijke gevallen toestaan dat de douaneaangifte ingediend wordt bij een douanekantoor dat niet in de vergunning vermeld is. In dat geval stelt de bevoegde douaneautoriteit het controlekantoor hiervan in kennis.
119. Wanneer goederen die onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst of de daaruit voortvloeiende veredelingsproducten, vervolgens onder een douaneregeling worden geplaatst waarmee de regeling actieve veredeling kan aangezuiverd worden, staat op de douaneaangifte voor de volgende douaneregeling, behalve wanneer gebruik wordt gemaakt van het ATA-/CPD-carnet, de vermelding “AV” en het desbetreffende vergunningnummer of INF-nummer.
Overeenkomstig § 148 hierna kan een opgave van de berekende rechten gevraagd worden.
120. Wanneer goederen die onder de regeling actieve veredeling geplaatst zijn, onderworpen zijn aan specifieke handelspolitieke maatregelen en deze maatregelen nog steeds van toepassing zijn op het tijdstip waarop de goederen, al dan niet in de vorm van veredelingsproducten, onder een andere douaneregeling geplaatst worden, bevat de douaneaangifte voor de volgende douaneregeling de vermelding “H P M”.
121. De douaneautoriteiten nemen alle nodige maatregelen om de situatie te regelen van goederen waarvoor de regeling niet onder de vastgestelde voorwaarden aangezuiverd is. Dit moet gebeuren binnen de verjaringstermijn van de rechten.
122. In de vergunning voor actieve veredeling IM/EX (de invoer van niet-Uniegoederen in het kader van de actieve veredeling voorafgaand aan de uitvoer van veredelingsproducten) kan op verzoek van de houder in vak 20 (volgens het model van bijlage 12 TDA) of in het veld 6/3 van bijlage A DWU-DA worden bepaald dat de veredelingsproducten of onder de regeling actieve veredeling IM/EX geplaatste goederen die niet aangegeven zijn voor een volgende douaneregeling of zijn wederuitgevoerd bij het verstrijken van de aanzuiveringstermijn, worden geacht in het vrije verkeer te zijn gebracht op de datum van het verstrijken van de aanzuiveringstermijn.
De bepalingen in verband met dit globaliseren van het in het vrije verkeer brengen, worden in detail weergegeven in §§ 170 tot 173 hierna.
IV.2. Vereenvoudiging inzake aanzuiveringstermijnen (globalisatie van de aanzuivering)
123. In het kader van eenzelfde vergunning actieve veredeling zullen in het algemeen meerdere aangiften tot plaatsing onder de regeling gevalideerd worden. Daar deze aangiften op verschillende data gevalideerd worden, zal hun geldigheidsduur ook op verschillende data aflopen. Om te vermijden dat meerdere aanzuiveringsafrekeningen elkaar op korte termijn zouden opvolgen, voorziet de wetgeving dat de termijnen die in de loop van een maand, een kwartaal of een semester beginnen te lopen, naargelang van het geval, op de laatste dag van een latere maand, kwartaal of semester verstrijken.
Dat deze vereenvoudiging toegestaan is, blijkt vooral uit de wijze waarop de geldigheidsduur van de aangifte tot plaatsing is uitgedrukt in vak 13 (volgens het model van bijlage 12 TDA) of in het veld 4/17 van bijlage A DWU-DA van de vergunning van actieve veredeling.
In dit geval spreekt men van een vergunning van het globalisatietype. Wanneer deze vereenvoudiging niet van toepassing is, spreekt men van een vergunning van het klassieke type.
124. Bij een vergunning van het globalisatietype kunnen de douaneautoriteiten in de vergunning bepalen dat de aanzuiveringstermijn automatisch verlengd wordt voor alle goederen die op die datum nog onder de regeling staan.
De douaneautoriteiten kunnen besluiten om de automatische termijnverlenging voor alle of sommige van de onder de regeling geplaatste goederen te beëindigen.
Voorbeeld
Een firma heeft als activiteit het uitvoeren van herstellingen. Ze plaatst een geheel van vervangstukken die nuttig zijn voor haar activiteit onder actieve veredeling. De hoeveelheden en de soorten van uit te voeren herstellingen staan niet vast. Dit hangt af van de pannes bij haar klanten.
Op het einde van het kalenderjaar kan men ervan uitgaan dat de geldigheidstermijn van alle goederen die niet werden aangezuiverd opnieuw voor een jaar van start gaat. Hierdoor kunnen bijkomende formaliteiten in verband met een douane-entrepot worden vermeden en is men niet gebonden door een vaste aanzuiveringstermijn.
Deze faciliteit betekent echter niet dat de operator geen aanzuiveringsafrekening moet bezorgen volgens de modaliteiten bepaald met het controlekantoor.
IV.3. Aanzuiveringsafrekening
125. In de volgende gevallen moet er aan het controlekantoor een afrekening worden voorgelegd:
- vergunningen van actieve veredeling IM/EX (zie § 122 hiervoor);
- vergunningen van actieve veredeling EX/IM zonder gebruik van het e-INF (zie § 68 tot 74 hiervoor).
Het controlekantoor kan evenwel ontheffing verlenen van de verplichting om de aanzuiveringsafrekening voor te leggen wanneer het dat overbodig acht.
126. Overeenkomstig § 123 hiervoor is in het kader van een vergunning actieve veredeling van het klassieke type, een aanzuiveringsafrekening vereist per aangifte tot plaatsing onder de regeling.
In het kader van een vergunning actieve veredeling van het globalisatietype, wordt één aanzuiveringsafrekening opgesteld voor alle aangiften tot plaatsing onder de regeling met dezelfde vervaldatum.
127. De aanzuiveringsafrekening moet aan het controlekantoor worden voorgelegd binnen 30 dagen na het verstrijken van de aanzuiveringstermijn.
Op verzoek van de vergunninghouder kunnen de douaneautoriteiten deze termijn tot 60 dagen verlengen. In uitzonderlijke gevallen kunnen de douaneautoriteiten deze termijn zelfs verlengen wanneer deze verstreken is.
Dit sluit niet uit dat de aanzuiveringsafrekening kan worden ingediend vóór de vervaldag van de aangifte tot plaatsing onder de regeling (onder meer om sneller de gestelde zekerheid te kunnen vrijmaken). Ingeval van een vervroegd indienen van de aanzuiveringsafrekening, moeten alle invoergoederen reeds zijn aangezuiverd op het ogenblik van de indiening.
128. De aanzuiveringsafrekening bevat de in bijlage 71-06 DWU-DA genoemde inlichtingen, tenzij het controlekantoor dit anders heeft bepaald.
129. Wanneer veredelingsproducten of onder de regeling actieve veredeling IM/EX geplaatste goederen worden geacht in het vrije verkeer te zijn gebracht overeenkomstig § 170 hierna, moet dit vermeld worden in de aanzuiveringsafrekening.
In dit geval legt de vergunninghouder de aanzuiveringsafrekening voor aan het controlekantoor zoals bepaald in § 125 hiervoor.
130. De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat de aanzuiveringsafrekening wordt voorgelegd met behulp van andere middelen dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken; bijvoorbeeld bestanden in de vorm van spreadsheets of Concurrent Versions System (CVS).
131. Onverminderd artikel 46 en 48 van het DWU controleert het controlekantoor onmiddellijk de aanzuiveringsafrekening.
Het controlekantoor kan het door de vergunninghouder vastgestelde verschuldigde bedrag aan invoerrechten aanvaarden.
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 104 van het DWU, wordt het bedrag aan verschuldigde invoerrechten geboekt binnen 14 dagen vanaf de datum waarop de aanzuiveringsafrekening aan het controlekantoor is meegedeeld.
132. Wanneer bijkomende veredelingsproducten voortkomen uit de veredelingshandeling wordt, indien de vergunning actieve veredeling niet anders vermeldt, een combinatie gebruikt van een aanzuivering van hoeveelheden invoergoederen en hoeveelheden bijkomende veredelingsproducten.
Bij uitvoer van het hoofdveredelingsproduct wordt in dat geval de volledige hoeveelheid invoergoederen aangezuiverd die nodig waren om dat product te verkrijgen, terwijl de bij die veredeling verkregen bijkomende veredelingsproducten afzonderlijk worden aangezuiverd op basis van de verkregen hoeveelheden ook al werd het rendement in verband met die hoeveelheden niet in de vergunning actieve veredeling vermeld.
Concreet gaat het erom na te gaan of de invoergoederen die teruggevonden worden in de vorm van bijkomende veredelingsproducten, wel degelijk binnen de voorziene termijnen aangezuiverd werden.
Voorbeeld
De vergunning bepaalt dat de verwerking van 100 kg grondstoffen, 70 kg afgewerkt product oplevert. De industriële gegevens wijzen erop dat deze verwerking 28 kg afvalstoffen oplevert en dat 2 kg volledig verdwijnt in het proces.
Om een hoeveelheid van 100 kg onder de regeling geplaatste goederen aan te zuiveren, volstaat de wederuitvoer van 70 kg veredelingsproduct niet. De 28 kg afvalstoffen moeten eveneens onder een volgende douaneregeling worden geplaatst.
133. De berekeningsbases die in de afrekening worden gebruikt ter vaststelling van de aangezuiverde hoeveelheden, zijn gelinkt aan de opbrengstpercentages (zie §§ 50 tot 54 hiervoor).
Voor de afrekening moet dus geen gebruik gemaakt worden van de berekeningsbases bepaald in artikel 72 DWU-DA waarmee de berekening van de rechten bij het in het vrije verkeer brengen, kan worden bepaald (zie § 190 hierna).
134. In de twee volgende gevallen kunnen de douaneautoriteiten het ontstaan van een douaneschuld eisen voor alle aan te zuiveren invoergoederen wanneer de afrekening niet binnen de in § 127 hiervoor bepaalde termijn is ingediend:
- als de termijn toegestaan voor de voorlegging van de aanzuiveringsafrekening niet verlengd zou zijn geweest (zie § 117 hiervoor) zelfs wanneer de aanvraag ervoor tijdig was ingediend;
- als de operator blijk gegeven heeft van overduidelijke nalatigheid (onder meer door herhaaldelijk te laat in te dienen of door niet in te dienen of door de herinneringen van de douane onbeantwoord te laten).
Men moet er zich van vergewissen dat de douaneautoriteiten geen tweede douaneschuld doen ontstaan voor de goederen waarvoor reeds een douaneschuld zou zijn ontstaan op basis van een eerder belastbaar feit (bijvoorbeeld het in het vrije verkeer brengen).
IV.4. Tussenkomst van derden
135. De in § 110 hiervoor bepaalde plaatsing onder een volgende douaneregeling moet niet verplicht uitgevoerd worden door de houder van de vergunning actieve veredeling.
Wanneer deze plaatsing gebeurt door iemand anders dan de houder van de vergunning, moet dit bepaald zijn in de vergunning actieve veredeling of moet dit gebaseerd zijn op een specifieke beslissing. De douaneautoriteiten moeten er de bepalingen in opnemen die noodzakelijk zijn om de juiste aanzuivering van de regeling te kunnen controleren.
§§ 113 en 114 hiervoor en §247 hierna zijn van toepassing.
De vergunninghouder actieve veredeling blijft aansprakelijk voor de regelmatige aanzuivering van de aangiften tot plaatsing onder de regeling.
136. Indien de aangever buiten het douanegebied van de Unie gevestigd is, kan deze marktdeelnemer alleen een aangifte ten wederuitvoer (of een andere douaneaangifte) indienen wanneer een van de afwijkingen waarin artikel 170, lid 3 van het DWU voorziet, van toepassing is.
Wanneer geen van deze afwijkingen van toepassing is, moet de aangever in geval van aanzuivering door wederuitvoer van de goederen of veredelingsproducten een in het douanegebied van de Unie gevestigde douanevertegenwoordiger zijn die in eigen naam en voor rekening van de betrokken persoon handelt (d.w.z. een indirecte vertegenwoordiging). Dit geldt ook in het geval van aanzuivering door het in het vrije verkeer brengen. De aangever kan ook een andere persoon zijn die voldoet aan de voorwaarden om aangever te zijn overeenkomstig artikel 170 van het DWU. In geval van wederuitvoer is de aangever niet verplicht te voldoen aan de definitie van uitvoerder in artikel 1, punt 19, van het EG-verdrag. Indien de aanzuivering plaatsvindt door de goederen of verwerkte producten onder een volgende bijzondere regeling te plaatsen, is indirecte vertegenwoordiging niet mogelijk.
137. Wanneer iemand anders dan de vergunninghouder de goederen onder de regeling uitvoer plaatst, zijn met betrekking tot de btw de bepalingen van §§ 151 tot 154 hierna van toepassing.
V. Wederuitvoer uit het douanegebied van de Unie
V.1. Algemeen
138. Dit hoofdstuk gaat over de aanzuivering van de regeling actieve veredeling door de wederuitvoer van veredelingsproducten of goederen in ongewijzigde staat uit het douanegebied van de Unie (rechtstreekse uitvoer of uitvoer via het grondgebied van een andere lidstaat).
De term “wederuitvoer” is van toepassing op niet-Uniegoederen. Wanneer voor onder de regeling van de actieve veredeling geplaatste goederen de term “Uitvoer” wordt gebruikt, gaat het dus altijd over een wederuitvoer.
139. De verschillende vakken van de aangifte worden ingevuld overeenkomstig de toelichting “C” van het "Enig Document" die melding maakt van de bepalingen van de appendices C1 en D1 van bijlage 9 TDA.
De modaliteiten van artikel 270 van het DWU (Wederuitvoer van niet-Uniegoederen) zijn van toepassing.
140. De wederuitvoerformaliteiten moeten worden vervuld bij het (de) bevoegd(e) douanekanto(o)r(en), overeenkomstig de bepalingen van artikel 221 §2 DWU-IA en van de omzendbrief "Uitvoer van goederen - Bevoegdheid van de kantoren" nr. D.D. 011.471 (D.I. 537.02) van 22 mei 2015.
Dit (deze) kanto(o)r(en) moet(en) vermeld worden in vak 11b (volgens het model van bijlage 12 TDA) of in het veld 4/11 van bijlage A DWU-DA van de vergunning.
141. Wanneer de wederuitvoerformaliteiten worden vervuld bij een douanekantoor dat geen kantoor van uitgang is, en de faciliteiten voor de overbrenging naar het kantoor van uitgang onder dekking van de regeling actieve veredeling (zie § 61 hiervoor) niet worden toegepast, moet de aangifte inzake wederuitvoer worden gevolgd door een aangifte voor extern douanevervoer (NCTS of document T1 in geval van instelling van de noodprocedure) of door een document met dezelfde uitwerking (TIR-document, enz.). In alle gevallen waarin de aangifte inzake wederuitvoer wordt gevolgd door een ander document (aangifte NCTS, T1, carnet TIR, enz.) moet op de wederuitvoeraangifte, in vak D, worden verwezen naar dit document. Op deze aangiften zijn de bepalingen van de betrokken instructies of circulaires van toepassing.
142. Wanneer de regeling van actieve veredeling wordt aangezuiverd door de wederuitvoer van goederen in ongewijzigde staat, geldt het volgende:
a) de opnieuw uit te voeren hoeveelheid moet worden uitgedrukt in de maateenheid die wordt gebruikt voor de aanzuivering van de aangifte tot plaatsing onder de regeling;
b) alle gegevens betreffende deze goederen in ongewijzigde staat die op de aangifte tot plaatsing onder de regeling zouden moeten voorkomen, moeten ook vermeld worden op de aangiften inzake wederuitvoer;
c) de hoeveelheden wederuitgevoerde goederen in ongewijzigde staat komen zonder meer in aanmerking voor de aanzuivering van de betrokken aangifte tot plaatsing onder de regeling en daarom mag op deze hoeveelheden de eventueel in de vergunning actieve veredeling voorkomende zuiveringscoëfficiënt niet worden toegepast bij het opstellen van de opgave A (zie § 147 hierna).
143. De levering, de bestemming of het gebruik van veredelingsproducten of goederen in ongewijzigde staat overeenkomstig artikel 324 DWU-IA wordt gelijkgesteld met de wederuitvoer. Hoofdstuk VI hierna gaat in op de specifieke bepalingen bij deze situaties.
144. Wederuitvoer naar bepaalde derde landen van veredelingsproducten waarvoor een bewijs van oorsprong is afgegeven of opgesteld (visum van een certificaat inzake goederenverkeer EUR. 1 of ATR, oorsprongsverklaring op factuur), is onderworpen aan de betaling van de rechten bij invoer op de invoergoederen die zijn gebruikt bij de vervaardiging van deze producten. Deze gevallen worden behandeld in hoofdstuk XI hierna.
144/1. Verordening (EU) 2019/1131[1] verzekert de betaling van antidumping- en/of compenserende rechten bij de wederuitvoer van goederen naar een kunstmatig eiland, vaste of drijvende installatie of enige andere structuur op het continentaal plat of in de exclusieve economische zone (EEZ) van een lidstaat die het voorwerp uitmaken van:
a) een bericht van opening van een antidumping- of antisubsidieonderzoek,
b) een uitvoeringsverordening van de Commissie waarbij invoer wordt onderworpen aan registratie,
c) een uitvoeringsverordening van de Commissie tot instelling van een voorlopig of definitief antidumping- of compenserend recht;
Deze rechten ontstaan wanneer deze producten worden wederuitgevoerd zoals ze zijn of in de vorm van veredelingsproducten, volgens de specifieke bepalingen van deze verordening, naar een EEZ of gelijkaardig.
Invoerrechten en andere belastingen worden niet geviseerd door deze verordening.
145. De verificatie moet de specifieke bepalingen van de betrokken vergunning actieve veredeling naleven.
Bij de verificatie moet onder meer aandacht worden besteed aan:
- de overeenstemming tussen de gegevens van de vergunning actieve veredeling en deze van de aangifte inzake wederuitvoer voor wat betreft de soort, de handelskwaliteit en het type van opnieuw uitgevoerde goederen in ongewijzigde staat of veredelingsproducten;
- de wederuitgevoerde hoeveelheid;
- de identificatie van goederen;
- de juistheid van de gegevens van de opgave A (zie § 147 hierna) die eventueel samengaat met de aangifte inzake wederuitvoer
V.2. Zuiveringsopgave A en opgave berekende rechten B
146. In het kader van een vergunning actieve veredeling van het klassieke type (zie § 117 hiervoor) moet een zuiveringsopgave A (hierna opgave A genoemd) worden toegevoegd aan de aangifte inzake wederuitvoer van hoofdveredelingsproducten.
147. De opgave A heeft als doel onderzoek toe te laten welke en hoeveel invoergoederen in de veredelingsproducten voorkomen en de nodige gegevens te verstrekken om de aanzuiveringsafrekening op te stellen.
148. Ingeval van levering van veredelingsproducten of goederen in ongewijzigde staat in een andere lidstaat als niet- uniegoederen, zelfs wanneer de berekende rechten worden meegedeeld door middel van een inlichtingenblad e-INF(zie §§ 69 tot 72 hiervoor) wordt ten zeerste aanbevolen de aangever te vragen om deze rechten uit te werken op een opgave berekende rechten (hierna opgave B genoemd), die moet worden overgelegd met het eventuele volgbriefje NCTS of het TAD T1, ongeacht het type van de vergunning actieve veredeling.
Indien in het kader van een klassieke vergunning actieve veredeling een opgave B wordt overgelegd, moet de opgave A niet worden opgesteld.
V.3. Wederuitvoer met het oog op passieve veredeling
149. Op aanvraag kunnen de douaneautoriteiten een vergunning verlenen om de onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen of de veredelingsproducten, geheel of gedeeltelijk, tijdelijk weder uit te voeren met het oog op aanvullende veredelingen buiten het douanegebied van de Unie, overeenkomstig de voor de regeling passieve veredeling vastgestelde voorwaarden.
Deze bij artikel 258 van het DWU voorziene mogelijkheid kan worden verleend in het kader van de vergunning voor actieve veredeling of bij een afzonderlijke beslissing. In de aanvraag wordt verwezen naar de betrokken vergunning voor actieve veredeling.
Het doel van deze mogelijkheid is meer flexibiliteit te bieden voor actieve veredeling wanneer het eindproduct uiteindelijk in de Unie op de markt wordt gebracht en niet wordt wederuitgevoerd.
Eindproducten die na verdere veredeling buiten het douanegebied van de Unie zijn verkregen, worden in het vrije verkeer gebracht en worden overeenkomstig artikel 86, lid 3, in het deel actieve veredeling en artikel 86 lid 5 DWU in het deel passieve veredeling aan invoerrechten onderworpen.
Indien de vergunning voorziet in een berekening van de schuld overeenkomstig artikel 85, lid 1, van het DWU, heeft de vereenvoudiging geen toegevoegde waarde en dient zij derhalve niet te worden toegestaan.
Voorbeeld van de berekening van de douaneschuld na een aanvullende veredeling buiten het douanegebied van de Unie:
De douaneautoriteiten van een lidstaat geven een vergunning AV af aan een marktdeelnemer die de volgende handelingen verricht:
1) De marktdeelnemer plaatst één metrische ton gewalste staalplaat met een douanewaarde van 600 EUR in het kader van de regeling AV.
2) Na veredeling in deze lidstaat worden gewalste staalplaten, die nu een waarde van 720 euro hebben (een waardestijging van €120 of 20%), tijdelijk weer naar een derde land uitgevoerd voor verdere veredeling. Als artikel 258 van het DWU wordt toegepast, wordt de regeling AV niet aangezuiverd, maar tijdelijk opgeschort.
3) Na de voltooiing van de veredeling in het derde land worden de verwerkte producten opnieuw in de lidstaten ingevoerd met een nieuwe waarde van €1080 (waardestijging van €360, of 50%) wanneer zij in het vrije verkeer worden gebracht.
Het verwachte invoerrecht voor gewalste staalplaten bedraagt 25%.
Indien de marktdeelnemer gebruik mag maken van artikel 258 van het DWU, wordt het totale bedrag aan invoerrechten berekend door het in het kader van de actieve veredeling (AV) berekende bedrag op te tellen bij het bedrag dat in het kader van de passieve veredeling (PV) is berekend, en wel als volgt
- 25% van de waarde van de onder AV geplaatste goederen, d.w.z. 25% x 600 euro = 150 euro.
- 25% van de kosten van de transformatieoperatie in het kader van PV, d.w.z. 25% x 360 euro = 90 euro.
Totaal bedrag aan invoerrechten te innen: 150 euro + 90 euro = 240 euro
Merk op dat goederen die zich buiten het douanegebied van de Unie bevinden, niet daadwerkelijk onder het stelsel PV worden geplaatst, ook al wordt een deel van de totale douaneschuld daadwerkelijk berekend overeenkomstig artikel 86, lid 5, van het DWU.
Bovendien wordt de aanzuiveringstermijn van de actieve veredeling geschorst voor de duur van het verblijf van de buiten de Europese Unie te veredelen producten.
Indien de marktdeelnemer niet over een vergunning beschikt om voor artikel 258 van het DWU in aanmerking te komen, ontstaat er geen douaneschuld bij de vereffening van de actieve veredeling bij de wederuitvoer van de goederen.
Indien het eindproduct na veredeling in het derde land nog steeds in het vrije verkeer wordt gebracht, wordt het bedrag aan invoerrechten berekend volgens de klassieke invoerregels.
25% van de douanewaarde, d.w.z. 25% x 1.080 euro = 270 euro = 270 euro
Het is duidelijk dat het gebruik van artikel 258 van het DWU een voordeel van 30 euro heeft opgeleverd.
150. Wanneer de onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen opnieuw uitgevoerd worden met het oog op passieve veredeling, zijn de bepalingen van de §§ 139 tot 148 hiervoor van toepassing. Op voorwaarde dat in vak 37 van de aangifte inzake wederuitvoer de code 2151 moet worden vermeld in plaats van 3151.
Het is niet nodig om over een vergunning voor passieve veredeling te beschikken.
V.4. Tussenkomst van derden
151. Normaal wordt de aangifte inzake wederuitvoer opgesteld op naam van de houder van de aangifte tot plaatsing onder de regeling actieve veredeling. Het gebeurt ook geregeld dat deze persoon (hierna aangeduid met de letter A) de veredelingsproducten verkoopt aan een hier gevestigde koper (hierna aangeduid met de letter B) die ze doorverkoopt aan het buitenland. Vermits de aangifte wederuitvoer voor een btw-belastingplichtige een bewijs van uitvoer betekent wat een facturatie met vrijstelling van de btw rechtvaardigt, moet met de nodige aandacht gecontroleerd worden of deze aangifte in dat opzicht correct is opgesteld.
152. In geval de uitvoer gebeurt door B of voor zijn rekening moet de uitvoeraangifte worden opgesteld op naam van B in de hoedanigheid van uitvoerder.
De handelstransactie tussen A en B is voor de btw een binnenlandse transactie die is vrijgesteld van de btw krachtens artikel 40, § 2 van het Btw-Wetboek (verkoop van goederen die zich onder een bijzondere regeling bevinden). In dit geval moet A niet beschikken over een bewijs van uitvoer dat een facturatie met vrijstelling van de btw rechtvaardigt, aangezien deze vrijstelling gegrond is op een andere wettelijke basis.
153. In geval de uitvoer gebeurt door A of voor zijn rekening moet de uitvoeraangifte worden opgesteld op naam van A in de hoedanigheid van uitvoerder.
De handelstransactie tussen A en B is voor de btw een binnenlandse transactie die is vrijgesteld van de btw krachtens artikel 40, § 2 van het Btw-Wetboek (verkoop van goederen die zich onder een bijzondere regeling bevinden). In dit geval wordt de uitvoeraangifte opgesteld op naam van A die verantwoordelijk is voor het vervoer naar het buitenland.
154. In geval de buitenlandse koper de kosten draagt voor het vervoer vanaf de plaats in het binnenland zijn de bepalingen van § 152 hiervoor van toepassing.
V.5. Betrekkingen met het Prinsdom Andorra
155. Indien de goederen in ongewijzigde staat of de veredelingsproducten worden wederuitgevoerd met bestemming het Prinsdom Andorra, kan het e-INF (zie §§ 69 tot 72 hiervoor) worden gebruikt, overeenkomstig artikel 33 tot 40 van het Besluit nr. 1/2003 van het Gemengd Comité EG-Andorra, voor het meedelen van informatie over het bedrag van de rechten, de zekerheid en de handelspolitieke maatregelen.
156. Het e-INF mag niet worden gebruikt indien een bewijs van oorsprong (certificaat inzake goederenverkeer EUR. 1 of oorsprongsverklaring op factuur) is afgeleverd in het kader van de bepalingen van hoofdstuk XI hierna (toepassing van de “no drawback” regel) voor goederen die onder de hoofdstukken 1 tot 24 van het BLEU Douane Gebruikstarief vallen.
157. Bij toepassing van de bepalingen van artikel 26, § 4 van het Besluit nr. 1/2003 van het Gemengd Comité EG-Andorra, wordt het op het e-INF te vermelden bedrag van de berekende rechten vastgesteld alsof het een douaneschuld zou zijn ingevolge de aanvaarding van een aangifte voor het in het vrije verkeer brengen van de betrokken goederen voor het beëindigen van de regeling actieve veredeling op de dag van de aanvaarding van de aangifte inzake wederuitvoer.
158. Een opgave berekende rechten B moet worden voorgelegd. Ter zake zijn de bepalingen van § 148 hiervoor mutatis mutandis van toepassing.
VI. Met wederuitvoer uit het douanegebied van de Unie gelijkgestelde leveringen in de Unie
VI.1. Met uitvoer gelijkgestelde leveringen
159. De volgende leveringen worden gelijkgesteld met een wederuitvoer uit het douanegebied van de Unie voor de aanzuivering van de regeling actieve veredeling IM/EX (dit wil zeggen wanneer de invoer van niet-Uniegoederen in het kader van de actieve veredeling voorafgaat aan de uitvoer van veredelingsproducten):
a) de levering van veredelingsproducten aan personen die vrijstelling kunnen krijgen van rechten bij invoer volgens de Overeenkomst van Wenen van 18 april 1961 inzake de diplomatieke betrekkingen, de Overeenkomst van Wenen van 24 april 1963 inzake de consulaire betrekkingen of andere consulaire overeenkomsten, of volgens de Overeenkomst van New York van 16 december 1969 inzake speciale missies bedoeld in artikel 128, paragraaf 1, punt a), van de verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad (worden bedoeld de ambassades, diplomatieke zendingen, in België geaccrediteerde consulaten of internationale organisaties zoals de VN, zie de Instructie Diplomatieke Vrijstellingen en daarmee Gelijkgestelde Vrijstellingen - D.I. 511.10);
b) de levering van veredelingsproducten aan de op het grondgebied van een lidstaat gelegerde strijdkrachten van andere landen, wanneer deze lidstaat bijzondere vrijstelling van rechten bij invoer verleent overeenkomstig artikel 131, paragraaf 1, van de verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad (worden bedoeld de in België gelegerde buitenlandse strijdkrachten van de NAVO, zie de Instructies Buitenlandse NAVO-strijdkrachten - D.I. 517.30 en Shape - D.I. 517.20);
c) de levering van luchtvaartuigen. Het controlekantoor staat echter toe dat de regeling kan worden aangezuiverd vanaf het eerste gebruik van de onder de regeling geplaatste goederen voor:
- de vervaardiging of
- de herstelling (met inbegrip van het onderhoud) of
- de wijziging of
- de ombouw
van luchtvaartuigen of delen daarvan, mits het aan de hand van de administratie van de houder van de regeling mogelijk is te controleren dat de regeling correct wordt toegepast;
d) de levering van ruimtevaartuigen en de daarbij horende uitrusting. Het controlekantoor staat echter toe dat de regeling kan worden aangezuiverd vanaf het eerste gebruik van de onder de regeling geplaatste goederen voor:
- de vervaardiging of
- de herstelling (met inbegrip van het onderhoud) of
- de wijziging of
- de ombouw
van satellieten, lanceerinstallaties, gronduitrusting en delen daarvan, mits het aan de hand van de administratie van de houder van de regeling mogelijk is te controleren dat de regeling correct wordt toegepast;
e) de levering van hoofdveredelingsproducten waarvoor het “erga omnes”-invoerrecht “vrij” is of waarvoor een certificaat van vrijgave (EASA-formulier 1) of een gelijkwaardig certificaat zoals bedoeld in artikel 2 van Verordening (EU) 2018/581 van de Raad is afgegeven.
Verordening (EU) 2018/581 verwijst naar Verordening (EU) 2018/581 van de Raad van 16 april 2018 betreffende tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor bepaalde goederen van de soort die wordt aangebracht aan of wordt gebruikt in luchtvaartuigen, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1147/2002.
Het controlekantoor staat echter toe dat de regeling kan worden aangezuiverd zodra de onder de regeling geplaatste goederen voor de eerste maal zijn gebruikt in de veredeling betreffende de geleverde veredelingsproducten of betreffende delen daarvan, op voorwaarde dat het aan de hand van de administratie van de houder van de regeling mogelijk is te controleren dat de regeling correct wordt toegepast;
f) de verwijdering, volgens de daarvoor geldende voorschriften, van secundaire veredelingsproducten waarvan de vernietiging onder douanetoezicht om milieuredenen verboden is. In dit geval moet de houder aantonen dat de aanzuivering van de regeling overeenkomstig de normale voorschriften onmogelijk of niet economisch verantwoord is.
VI.2. Toepassingsveld van artikel 324 DWU-IA - Beperkingen
160. Met betrekking tot deze vereenvoudiging zijn er drie beperkingen:
- ze kan enkel worden toegepast bij actieve veredeling IM/EX. Het is dus onmogelijk om er aanspraak op te maken in het geval van een voorafgaande uitvoer;
- ze is niet van toepassing op onder de regeling geplaatste niet-Uniegoederen die onderworpen zijn aan een landbouwpolitieke of handelspolitieke maatregel, een voorlopig of definitief antidumpingrecht, een compenserend recht, een vrijwaringsmaatregel of een aanvullend recht dat voortvloeit uit een schorsing van concessies indien zij werden aangegeven voor het vrije verkeer.
Wanneer handelspolitieke maatregelen dergelijke goederen echter onder voorafgaand Unietoezicht plaatsen wanneer zij in het vrije verkeer worden gebracht, is de vereenvoudiging nog steeds van toepassing op voorwaarde dat de houder van de vergunning AV IM/EX de door de toezichtmaatregel vereiste gegevenselementen verstrekt;
- ze is niet van toepassing wanneer een douaneschuld is ontstaan overeenkomstig artikel 78, §1 van het DWU voor niet van oorsprong zijnde goederen die onder de regeling zijn geplaatst, indien de houder van de vergunning van plan is de veredelingsproducten weder uit te voeren (geval van “no drawback”, zie hoofdstuk XI hierna).
VI.3. Voorafgaande vereenvoudigde aanzuivering
161. Het BLEU Douane Gebruikstarief voorziet een vrijstelling van rechten bij invoer wanneer luchtvaartuigen en delen daarvan worden geleverd voor burger- of militaire doeleinden. Dit betekent dat in derde landen geproduceerde burger- of militaire luchtvaartuigen en delen daarvan in het douanegebied van de Unie kunnen worden ingevoerd zonder betaling van rechten bij invoer.
Artikel 324, §1c DWU-IA heeft tot doel hetzelfde voordeel te bieden aan de operatoren van de Unie die componenten uit derde landen gebruiken voor de bouw van burger- of militaire luchtvaartuigen en delen daarvan, door het gebruik van invoergoederen voor de vervaardiging, herstelling, wijziging of ombouw van burger- of militaire luchtvaartuigen gelijk te stellen met uitvoer en aldus de regeling actieve veredeling aan te zuiveren zonder betaling van rechten bij invoer.
162. De bepalingen worden toegepast op burger- en militaire luchtvaartuigen, hierbij inbegrepen deze die in de lidstaten door de strijdkrachten of militaire of soortgelijke diensten worden gebruikt en voor goederen die gebruikt worden voor een civiel of militair luchtvaartprogramma.
Ze zijn van toepassing op alle marktdeelnemers zelfs wanneer zij de luchtvaartuigen niet gebruiken. Deze maatregelen beperken tot enkel luchtvaartmaatschappijen zou in strijd zijn met de WTO-verplichtingen.
163. De aanzuivering van de regeling kan gebeuren eens de invoergoederen voor de eerste keer voor de vervaardiging, de herstelling (met inbegrip van het onderhoud), de wijziging of de verbouwing van luchtvaartuigen of delen daarvan werden gebruikt. Met als voorwaarde dat men aan de hand van de administratie van de vergunninghouder kan controleren of de regeling correct wordt toegepast (hierna genoemd “de voorafgaande vereenvoudigde aanzuivering”).
Dit eerste gebruik dekt eveneens de levering van luchtvaartuigonderdelen/delen daarvan aan de eindfabrikant, of aan een onderneming die intermediaire luchtvaartproducten produceert. De vergunning moet de draagwijdte van dit eerste gebruik duidelijk specificeren.
De opvolgingsgeschriften van de vergunninghouder moeten informatie bevatten voor de identificatie van de goederen of producten in functie van hun verwerkings-/herstellingsstadium (stuknummers, interne codering van de onderneming, serienummers, enz.) alsook hun bestemming voor de luchtvaart (referte van het luchtvaartprogramma, bestelbon, referte van de vliegtuigen of luchtwaardigheidscertificaat, enz.). In de wereld van de vliegtuigbouw zijn dit gangbare gegevens.
Bovendien moeten de opvolgingsgeschriften(documenten) de datum van de voorafgaande vereenvoudigde aanzuivering aangeven, bijvoorbeeld de datum waarop de luchtvaartuigonderdelen voor de eerste keer werden gebruikt door de eindfabrikant (vergunninghouder) bij de vervaardiging van een deel van het vliegtuig onder de regeling actieve veredeling.
De douaneautoriteiten zijn niet verplicht te verifiëren of de invoergoederen uiteindelijk in de vorm van een luchtvaartuig werden geleverd. Bijgevolg hebben ook de luchtvaartuigen of delen daarvan, waarin de invoergoederen zijn opgenomen, de status van Uniegoederen. Dat betekent dat het voor wat de voorafgaande vereenvoudigde aanzuivering betreft, niet nuttig is om te weten of de luchtvaartuigen of hun onderdelen geleverd zijn aan een afnemer gevestigd binnen of buiten de Europese Unie.
De herstellingen van goederen en hun later gebruik om luchtvaartuigen of delen daarvan te herstellen, kunnen onder één vergunning actieve veredeling vallen. In dat geval moet de boekhouding(administratie) informatie bevatten over de herstelling van de goederen (inclusief de datum waarop de invoergoederen werden hersteld) en over de voorafgaande vereenvoudigde aanzuivering.
Luchtvaartuigonderdelen of delen van nieuwe en tweedehands luchtvaartuigen kunnen gebruikmaken van de vereenvoudigde aanzuivering.
164. Wat ruimtevaartuigen en de daarbij horende uitrusting betreft, kan de voorafgaande vereenvoudigde aanzuivering gebeuren zodra de onder de regeling geplaatste goederen voor de eerste maal voor de vervaardiging, de herstelling (met inbegrip van het onderhoud), de wijziging of de ombouw van satellieten, lanceerinstallaties, gronduitrusting en delen daarvan zijn gebruikt.
Wat de hoofdveredelingsproducten betreft waarvoor het erga omnes-invoerrecht vrij is of waarvoor een certificaat van vrijgave (of een gelijkwaardig certificaat) werd afgeleverd, kan de voorafgaande vereenvoudigde aanzuivering gebeuren zodra de onder de regeling geplaatste goederen voor de eerste maal zijn gebruikt in de veredeling betreffende de geleverde veredelingsproducten of betreffende delen daarvan.
De opvolgingsvereisten op het vlak van de administratie zijn dezelfde als deze die voor de luchtvaartuigen zijn voorzien.
VI.4. Administratieve formaliteiten
165. Eens de vereenvoudigde aanzuivering wordt toegepast, worden de invoergoederen beschouwd als goederen met de status van Uniegoederen. Bijgevolg vallen de goederen niet langer onder het douanetoezicht van toepassing op de regeling actieve veredeling of elke andere soort douanecontrole in het kader van de bijzondere bestemming.
In geval van latere uitvoer van de goederen, moet dus de regeling uitvoer worden gebruikt (code “1000” en niet “3151” in vak 37 van het ED).
Tot slot spreekt het voor zich dat de toekenningsvoorwaarden van de vrijstellingen en de eventuele formaliteiten hieraan gelinkt, eveneens moeten worden vervuld.
VI.5. Formaliteiten op het vlak van de btw en accijnzen
166. Het feit dat de invoergoederen de Unie-status verwerven door de vereenvoudigde voorafgaande aanzuivering van de regeling zonder wederuitvoer, wordt als volgt behandeld:
- op basis van artikel 23, §4, lid 6 van het Btw-Wetboek is er in België geen btw verschuldigd bij de invoer;
- wanneer de regeling is aangezuiverd, volgen de invoergoederen de gebruikelijke btw-regeling die van toepassing is bij een verkoop, een verzending of een handeling;
- wanneer de regeling is aangezuiverd, is er geen douanetoezicht meer van de goederen voor btw-doeleinden.
Met betrekking tot grensoverschrijdende vergunningen kan, met het oog op een soepele btw-afhandeling en om interpretatieverschillen betreffende btw tussen de verscheidene lidstaten te vermijden, in de vergunning bepaald worden dat de aanzuivering van de regeling (op vlak van btw) plaatsvindt bij de levering van de goederen in lidstaat B na veredeling in lidstaat A.
167. De operator moet de formaliteiten vervullen die gewoonlijk worden gevraagd voor de aanzuivering van een schorsingsregeling door een accijnsregeling.
VII. In het vrije verkeer brengen ter aanzuivering van de regeling actieve veredeling
VII.1. Algemeenheden
168. De verschillende vakken van de aangifte worden ingevuld overeenkomstig de toelichting “H” van het "Enig Document" die melding maakt van de bepalingen van de appendices C1 en D1 van bijlage 9 TDA.
169. Wanneer een globale toestemming tot het in het vrije verkeer brengen niet in de vergunning actieve veredeling is voorzien, moeten de formaliteiten voor het in het vrije verkeer brengen worden vervuld vóór de wegneming van de goederen.
In voorkomend geval moet de aangifte vergezeld zijn van een opgave A (zie §§ 146 en 147 hiervoor) en moeten de formaliteiten inzake accijnzen worden nageleefd.
VII.2. Globale toestemming tot het in het vrije verkeer brengen
170. Er kan een globale toestemming worden verleend voor het in het vrije verkeer brengen. Deze faciliteit om goederen in ongewijzigde staat of veredelingsproducten op de Unie-markt te brengen zonder douaneaangifte, moet voorzien zijn in vak 20 (volgens het model van bijlage 12 TDA) of in het specifieke veld 6/3 van bijlage A DWU-DA van de vergunning actieve veredeling.
Om het lezen te vergemakkelijken, wordt hierna de term "goederen" gebruikt om zowel de goederen in ongewijzigde staat als de veredelingsproducten aan te duiden.
Deze vereenvoudiging is niet van toepassing voor zover de producten of goederen onderworpen zijn aan verboden of beperkingen, noch wanneer het accijnsproducten betreft. Ze is evenmin van toepassing op een vergunning actieve veredeling EX/IM (zie § 232 hierna).
171. Indien een globale toestemming tot het in het vrije verkeer brengen is verleend en de goederen bestemd zijn voor het btw-gebied van de Unie (Zie de circulaire nr. D.D. 281.815 (D.I. 509.10) van 20 februari 2014), mogen zij als Uniegoederen op de markt van de Unie worden gebracht zonder voorafgaande douaneformaliteiten. De regularisatie gebeurt bij de indiening van de aanzuiveringsafrekening (zie § 122 hiervoor).
De douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen, wordt geacht te zijn ingediend en aanvaard op de datum waarop de aanzuiveringstermijn verstrijkt.
De vrijgave wordt eveneens geacht te zijn toegekend op de datum waarop de aanzuiveringstermijn verstrijkt.
De onder de regeling actieve veredeling IM/EX geplaatste producten of goederen worden Uniegoederen wanneer ze op de markt worden gebracht.
Betreffende de btw worden de goederen als “genationaliseerde” goederen beschouwd op het ogenblik dat ze op de markt worden gebracht en dus op het ogenblik van hun commercialisatie. Hoewel de btw-formaliteiten bij invoer pas later worden vervuld, wordt de levering bij de geadresseerde aangemerkt als een binnenlandse of een intracommunautaire levering.
172. Indien een globale toestemming tot het in het vrije verkeer brengen is verleend en de goederen bestemd zijn voor de gebieden van de EU met een bijzonder statuut inzake btw (Zie de circulaire nr. D.D. 281.815 (D.I. 509.10) van 20 februari 2014), mogen ze als Uniegoederen worden verzonden onder dekking van een aangifte CO, eventueel vergezeld van een opgave A (zie §§ 146 en 147 hiervoor). In dat geval worden de douaneformaliteiten (geldigmaking, verificatie en vaststelling van de verzending buiten België) beëindigd in België en het verder vervoer van het kantoor van aanzuivering naar de gebieden van bestemming gebeurt onder dekking van een document van gemeenschappelijk douanevervoer.
173. In geval van een globale toestemming tot het in het vrije verkeer brengen, zal de houder van de vergunning actieve veredeling er moeten voor zorgen dat hij op het ogenblik dat de goederen op de Unie-markt worden gebracht, beschikt over de eventueel vereiste invoervergunning.
VII.3. Berekening van de douaneschuld
Algemeen principe
174. Wanneer de economische voorwaarden niet moesten onderzocht worden en de goederen zouden, op het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte tot plaatsing van de goederen onder de regeling actieve veredeling, onderworpen zijn geweest aan een landbouwpolitieke of handelspolitieke maatregel, een voorlopig of definitief antidumpingrecht, een compenserend recht, een vrijwaringsmaatregel of een aanvullend recht dat voortvloeit uit een schorsing van concessies indien zij voor het vrije verkeer waren aangegeven, wordt het bedrag aan invoerrechten automatisch berekend overeenkomstig artikel 86 lid 3 van het wetboek.
De eerste alinea is niet van toepassing wanneer de economische voorwaarden, in onderstaande gevallen, worden geacht te zijn vervuld:
- verwerking van goederen zonder handelskarakter (zie de definitie opgenomen in artikel 1, nummer 21 DWU-DA);
- verwerking van goederen verkregen in het kader van een eerdere vergunning, die is afgegeven na onderzoek van de economische voorwaarden;
- verwerking van goederen tot stalen en monsters;
- verwerking tot resten en afvallen, vernietiging, terugwinning van delen of bestanddelen;
- de totale waarde van onder de regeling actieve veredeling te plaatsen goederen per aanvrager en kalenderjaar voor iedere achtcijferige GN-code is niet hoger dan 150 000 EUR.
Wanneer de veredelingsproducten die zijn voortgebracht in het kader van de regeling actieve veredeling, door de betrokken vergunninghouder rechtstreeks of onrechtstreeks ingevoerd worden binnen een termijn van één jaar na de wederuitvoer ervan, is de eerste alinea altijd van toepassing, zelfs in de gevallen voorzien in de tweede alinea.
175. Wanneer de in het vrije verkeer gebrachte goederen, goederen zijn in ongewijzigde staat, gebeurt de berekening van de schuld overeenkomstig de bepalingen van §§ 178 tot 180 hierna.
176. Wanneer de in het vrije verkeer gebrachte goederen veredelingsproducten zijn (het maakt niet uit of de veredeling al is beëindigd of niet), kan de operator kiezen tussen twee wijzen van berekening van de schuld.
Eén van deze wijzen is gebaseerd op de invoergoederen begrepen in het veredeld product. Deze wijze wordt in dit hoofdstuk “86§3” genoemd, naar analogie met het artikel van het DWU in verband hiermee.
De andere wijze is gebaseerd op het veredeld product. Deze wijze stemt overeen met de regeling behandeling onder douanetoezicht die bestond in het Communautair Douanewetboek. Deze wijze wordt in dit hoofdstuk “85 § 1” genoemd, naar analogie met het artikel van het DWU in verband hiermee.
177. Overeenkomstig artikel 79 van het DWU kan een douaneschuld eveneens ontstaan door niet-naleving van de verplichtingen betreffende het gebruik van de vergunning.
Wanneer goederen in ongewijzigde staat verliezen ondergaan als gevolg van natuurlijke oorzaken, worden deze natuurlijke verliezen echter niet beschouwd als een niet-naleving van de verplichtingen van de vergunninghouder in de zin van artikel 79 van het DWU.
Bijgevolg ontstaat er geen douaneschuld.
Voorbeeld:
Er wordt 100 ton ongebrande koffie onder de regeling van de actieve veredeling geplaatst. Na enkele maanden worden deze goederen in het vrije verkeer gebracht. Door de natuurlijke verdamping van het water in de koffiebonen, is het gewicht van de goederen op het ogenblik van het in het vrije verkeer brengen nog maar 99 ton.
Deze 99 ton vallen onder artikel 77 van het DWU en de ontbrekende ton valt noch onder artikel 77 van het DWU noch onder artikel 79 en geeft bijgevolg geen aanleiding tot het ontstaan van een douaneschuld.
Berekening van de schuld wanneer goederen in ongewijzigde staat in het vrije verkeer worden gebracht
178. Wanneer de schuld ontstaat ten gevolge van het in het vrije verkeer brengen van goederen in ongewijzigde staat, wordt het bedrag aan invoerrechten vastgesteld op basis van de regels voor de berekening van de rechten die van toepassing waren op de betrokken goederen op het tijdstip waarop de douaneschuld is ontstaan, dit wil zeggen bij de aanvaarding van de douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen.
179. Indien in het douanegebied van de Unie kosten voor opslag of gebruikelijke behandelingen zijn ontstaan, worden deze kosten of de verworven waardevermeerdering niet in aanmerking genomen voor de berekening van de verschuldigde invoerrechten voor zover de aangever afdoende bewijs van het bestaan van die kosten levert.
De douanewaarde, de hoeveelheid, de aard en de oorsprong van niet-Uniegoederen die bij deze behandelingen zijn gebruikt, worden echter wel in aanmerking genomen voor de berekening van de invoerrechten.
Deze goederen worden niet als veredelingsproducten beschouwd.
180. Indien de tariefindeling van de onder de regeling geplaatste goederen verandert als gevolg van gebruikelijke behandelingen in het douanegebied van de Unie, wordt op verzoek van de aangever de oorspronkelijke tariefindeling voor de onder deze regeling geplaatste goederen toegepast.
Keuze van de berekeningswijze van de schuld wanneer veredelingsproducten in het vrije verkeer worden gebracht
181. De keuze van de berekeningswijze staat in vak 16 (volgens het model van bijlage 12 TDA) of in het veld 8/13 van bijlage A DWU-DA van de vergunning van actieve veredeling.
Op verzoek van de operator kan er in de vergunning staan dat de aangever kan kiezen voor de twee berekeningswijzen. In dit geval moet er nagegaan worden of de economische voorwaarden (zie §§ 33 tot 39 hiervoor) voor de twee berekeningswijzen worden nageleefd.
182. De keuze is enkel van toepassing op de hoofdveredelingsproducten.
Bij het in het vrije verkeer brengen van secundaire veredelingsproducten, gebeurt de keuze van de berekeningsmethode van de douaneschuld op verzoek van de aangever, los van de keuze die werd gemaakt voor de hoofdveredelingsproducten.
183. De berekeningsmethode van de douaneschuld op grond van artikel 86, lid 3, van het wetboek is van toepassing zonder een daartoe strekkend verzoek van de aangever wanneer aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a) de veredelingsproducten die zijn voortgebracht in het kader van de regeling actieve veredeling, worden door de betrokken vergunninghouder rechtstreeks of onrechtstreeks ingevoerd binnen een termijn van één jaar na de wederuitvoer ervan; EN
b) de goederen zouden, op het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte tot plaatsing van de goederen onder de regeling actieve veredeling, onderworpen zijn geweest aan een landbouwpolitieke of handelspolitieke maatregel, een voorlopig of definitief antidumpingrecht, een compenserend recht, een vrijwaringsmaatregel of een aanvullend recht dat voortvloeit uit een schorsing van concessies indien zij voor het vrije verkeer waren aangegeven; EN
c) de economische voorwaarden hoeven niet te worden onderzocht.
183/1. Artikel 86, lid 3, van het wetboek is ook van toepassing zonder een verzoek van de aangever wanneer
- de veredelingsproducten zijn verkregen uit onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen die, op het tijdstip van aanvaarding van de eerste douaneaangifte tot plaatsing van de goederen onder de regeling actieve veredeling, onderworpen zijn geweest aan een voorlopig of definitief antidumpingrecht, een compenserend recht, een vrijwaringsmaatregel of een aanvullend recht dat voortvloeit uit een schorsing van concessies indien zij werden aangegeven voor het vrije verkeer; EN
- de veredeling niet bestaat uit één van de volgende handelingen
- een verwerking van goederen zonder handelskarakter;
- een verwerking van goederen verkregen in het kader van een eerdere vergunning, die is afgegeven na onderzoek van de economische voorwaarden;
- een verwerking van goederen tot stalen en monsters;
- een verwerking tot resten en afvallen, vernietiging, terugwinning van delen of bestanddelen.
Echter, deze § is niet van toepassing op goederen waarvoor een vergunning geldt die vóór 16 juli 2020 werd verleend en die uiterlijk op 16 juli 2021 voor actieve veredeling zijn aangegeven.
183/2. De §§ 183 en 183/1 zijn niet meer van toepassing indien de onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen niet meer onderworpen zouden zijn aan een voorlopig of definitief antidumpingrecht, een compenserend recht, een vrijwaringsmaatregel of een aanvullend recht dat voortvloeit uit een schorsing van concessies op het tijdstip waarop een douaneschuld ontstaat voor de veredelingsproducten.
184. Wanneer de schuld ontstaat na gebruik te hebben gemaakt van een bijzondere regeling volgend op de eerste plaatsing onder de actieve veredeling, en wanneer in de eerste vergunning van actieve veredeling enkel de berekeningsmethode van “86 § 3” wordt vermeld, moet deze methode worden toegepast. Daarom moeten alle latere douaneaangiften voorzien zijn van de vermelding “AV”.
Wanneer de eerste vergunning daarentegen het gebruik van artikel 85 § 1 van het DWU toestaat, is de keuze van de berekeningsmethode bij opeenvolgende regelingen niet meer beperkt.
Voorbeeld 1 (opeenvolgende plaatsing onder verschillende bijzondere regelingen):
Op 15 mei worden goederen onder actieve veredeling geplaatst met als enige mogelijkheid het gebruik van artikel 86§3 van het DWU.
Op 26 september worden deze goederen onder het stelsel van douane-entrepot geplaatst. Op de douaneaangifte van plaatsing onder het stelsel van douane-entrepot staat de vermelding “AV”.
Op 8 oktober worden deze goederen in het vrije verkeer gebracht. Hoewel de aanzuivering van het stelsel van douane-entrepot doorgaans gebeurt door gebruik te maken van artikel 85§1 van het DWU, wordt in deze bijzondere situatie gebruikgemaakt van artikel 86§3 van het DWU.
Voorbeeld 2 (plaatsingen onder opeenvolgende regelingen van AV):
Op 15 mei worden goederen onder actieve veredeling geplaatst met als enige mogelijkheid het gebruik van artikel 85§1 van het DWU.
Op 26 september worden deze goederen onder de regeling van de actieve veredeling geplaatst, op grond van een tweede vergunning die de vorige regeling van de veredeling aanzuivert. Op de douaneaangifte van plaatsing onder de regeling van de actieve veredeling op grond van deze tweede vergunning staat de vermelding “AV”.
Op 12 november worden deze goederen op grond van een derde vergunning nogmaals onder de regeling van de actieve veredeling geplaatst. Op de douaneaangifte van plaatsing onder de regeling van de actieve veredeling door de activering van deze derde vergunning staat de vermelding “AV”.
Op 8 oktober worden deze goederen in het vrije verkeer gebracht. De aanzuivering van de regeling actieve veredeling gebeurt door gebruik te maken van artikel 85§1 van het DWU, tenzij de aangever van de laatste handeling kiest voor 86§3.
Berekeningswijze van de schuld in “85§1” wanneer veredelingsproducten in het vrije verkeer worden gebracht
185. Het bedrag aan invoerrechten is vastgesteld op basis van de regels voor de berekening van de rechten die van toepassing waren op de betrokken goederen op het tijdstip waarop de douaneschuld is ontstaan, dit wil zeggen bij de aanvaarding van de douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen (van de veredelingsproducten).
De berekeningswijze stemt overeen met de vroegere economische douaneregeling van de behandeling onder douanetoezicht die voor de inwerkingtreding van het DWU onder het Communautair Douanewetboek van kracht was .
Vooraleer een vergunning toe te kennen die gebruikmaakt van deze berekeningswijze, moet er worden nagegaan of de economische voorwaarden (zie §§ 33 tot 39 hiervoor) worden nageleefd. In verband hiermee moet in het bijzonder de aandacht worden gevestigd op invoergoederen die onderworpen zouden zijn aan landbouwpolitieke of handelspolitieke maatregelen, antidumpingrechten, compenserende rechten of vrijwaringsmaatregelen.
De aandacht moet eveneens worden gevestigd op artikel 76(2) DWU-DA vermeld in § 38 hiervoor in verband met het verbod op de aanwending van de methode van artikel 85, § 1 van het DWU wanneer er antidumpingrechten van toepassing zijn op de invoergoederen.
186. De bepalingen van §§ 179 en 180 hiervoor zijn van toepassing.
187. Wanneer niet-Uniegoederen van preferentiële oorsprong in het kader van een preferentiële regeling tussen de Unie en derde landen onder de regeling actieve veredeling worden geplaatst, worden de daaruit verkregen veredelingsproducten wanneer ze in het vrije verkeer worden gebracht, geacht dezelfde preferentiële oorsprong te hebben als die goederen.
Voorbeeld:
Noten hebben oorsprong van Tunesië. Deze noten worden onder actieve veredeling geplaatst om te worden gepeld en geroosterd. Voor deze gebrande noten wordt een preferentieel tarief toegekend wanneer zij rechtstreeks uit Tunesië worden ingevoerd en in het vrije verkeer worden gebracht zonder gebruik te maken van een bijzondere regeling.
Wanneer deze zelfde geroosterde noten die het gevolg zijn van veredeling van de noten onder actieve veredeling worden vrijgegeven voor het vrije verkeer, krijgen deze geroosterde noten het oorspronkelijke karakter van Tunesië. Bijgevolg geldt het preferentiële tarief voor de invoer van geroosterde noten in het algemeen ook voor gebrande noten als verwerkte producten.
Voor de toepassing van de huidige paragraaf, wordt een oorsprongsdocument dat onder de regeling actieve veredeling is afgegeven of opgesteld, geacht een oorsprongsdocument te zijn dat voor de veredelingsproducten is afgegeven of opgesteld.
Bepalingen van huidige paragraaf zijn niet van toepassing in volgende gevallen:
- de veredeling betreft ook andere dan de in alinea 1 bedoelde niet-Uniegoederen, met inbegrip van goederen van preferentiële oorsprong in het kader van een andere preferentiële regeling
- de veredelingsproducten zijn verkregen uit equivalente goederen (zijn hoofdstuk IX hierna)
- de douaneautoriteiten hebben toestemming gegeven voor de tijdelijke wederuitvoer van de goederen voor verdere veredeling (zie § 149 hiervoor).
Berekeningswijze van de schuld in “86§3” wanneer veredelingsproducten in het vrije verkeer worden gebracht
Algemene regel
188. Het bedrag aan invoerrechten dat overeenstemt met deze schuld is vastgesteld op basis van de tariefindeling, de douanewaarde, de hoeveelheid, de aard en de oorsprong van de invoergoederen op het ogenblik van de aanvaarding van de aangifte tot plaatsing onder de regeling actieve veredeling (van de te veredelen goederen).
Het in aanmerking te nemen belastingtarief is daarentegen het tarief dat van kracht is op het ogenblik van de aanvaarding van de douaneaangifte tot het in het vrije verkeer brengen.
189. Indien er antidumpingrechten van toepassing waren op het ogenblik van de plaatsing van de goederen onder de regeling van de actieve veredeling, zijn deze rechten verschuldigd op het ogenblik van het in het vrije verkeer brengen van de veredelingsproducten.
Indien echter op het ogenblik van de aanvaarding van de aangifte van het in het vrije verkeer brengen van de veredelingsproducten, identieke goederen aan de onder de regeling geplaatste goederen niet meer aan antidumpingmaatregelen zijn onderworpen, moeten deze antidumpingrechten niet worden betaald.
190. De hoeveelheid van onder de regeling van de actieve veredeling geplaatste goederen die als aanwezig in de veredelingsproducten wordt beschouwd, is vastgesteld overeenkomstig artikel 72 DWU-DA.
In bijlage V staan er voorbeelden van de berekening.
191. Wanneer de berekeningswijze van de schuld in “86 § 3” staat, zijn de bepalingen van §§ 179 en 180 hiervoor niet van toepassing. Deze uitsluiting blijft van toepassing zelfs wanneer de goederen later onder opeenvolgende bijzondere regelingen worden geplaatst (zie § 184 hiervoor).
192. Zoals vermeld in § 69 hiervoor wordt in vergunningen actieve veredeling IM/EX die geldig zijn in één enkele lidstaat, bepaald dat, op verzoek van het controlekantoor, de vergunninghouder dat douanekantoor informatie verstrekt over de onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen, zodat dit controlekantoor het bedrag aan invoerrechten kan berekenen overeenkomstig artikel 86 §3 van het DWU.
Bijzonder geval - Toepassing van de bepalingen betreffende de regeling bijzondere bestemming op veredelingsproducten die zijn voortgebracht in het kader van actieve veredeling
193. De onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen komen, op grond van hun specifieke bestemming, in aanmerking voor een volledige of gedeeltelijke vrijstelling van het recht die op die goederen zou zijn toegepast indien zij onder de regeling bijzondere bestemming waren geplaatst.
Dit bijzonder geval is slechts van toepassing wanneer aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:
- er kon vergunning zijn verleend om de goederen onder de regeling bijzondere bestemming te plaatsen; EN
- aan de voorwaarden voor een volledige of gedeeltelijke vrijstelling van het recht op grond van de specifieke bestemming van die goederen zou zijn voldaan op het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte tot plaatsing van de goederen onder de regeling actieve veredeling.
Bijzonder geval - Toepassing van de preferentiële tariefbehandeling op goederen die onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst
194. Wanneer de ingevoerde goederen, op het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte tot plaatsing van de goederen onder de regeling actieve veredeling, voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een preferentiële tariefbehandeling in het kader van een tariefcontingent of -plafond, komen deze goederen in aanmerking voor iedere preferentiële tariefbehandeling die wordt verleend voor identieke goederen op het tijdstip van aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer (natuurlijk geldt dit slechts voor zover een quotum nog beschikbaar is).
VII.4. BTW en accijnzen
195. Het in het vrije verkeer brengen voor levering binnen het btw-gebied van de Unie moet in principe gelijkgesteld worden met een inverbruikstelling op het stuk van de btw, volgens de van kracht zijnde btw-bepalingen.
196. Overeenkomstig de bepalingen van de btw-wetgeving (zie de btw-instructie (D.I. 580.11)) is de waarde berekend volgens de geldende Europese regels tot vaststelling van de douanewaarde, verhoogd met bepaalde kosten, in principe de maatstaf van heffing van de ingevoerde goederen.
Over het algemeen moet de verschuldigde btw dus worden berekend over de douanewaarde van de onder de regeling geplaatste invoergoederen of van de goederen in de staat waarin zij zich bevinden op het tijdstip van de aangifte ten verbruik, naargelang de rechten bij invoer worden berekend op de invoergoederen dan wel op de veredelingsproducten (zie §§ 175 tot 178 hiervoor).
Op deze algemene regel is er evenwel een uitzondering. Wanneer de goederen vóór hun aangifte ten verbruik het voorwerp hebben uitgemaakt van één of meer van de btw vrijgestelde leveringen, verwervingen of dienstverrichtingen terwijl ze zich hier te lande onder een opschortende douaneregeling bevonden, is de maatstaf van btw-heffing de waarde van de goederen in de handelsfase waarin ze zich bevinden na deze vrijgestelde handelingen (zie de btw-instructie (D.I. 580.11).
197. Wanneer:
- er voor de productie van veredelingsproducten goederen werden gebruikt met de Uniestatus EN
- deze goederen onder dekking van artikel 39§2, lid 1° van het Btw-Wetboek werden vrijgesteld van de btw EN
- de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht onder dekking van artikel 86§3 van het DWU (zie §§ 188 tot 194 hiervoor),
dan moet de omwille van de beoogde wederuitvoer vooraf vrijgestelde btw worden betaald omdat er niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor de btw-vrijstelling.
198. Bij het in het vrije verkeer brengen van aan accijnzen onderworpen goederen, kunnen deze accijnzen:
- hetzij rechtstreeks aan de douane worden betaald wanneer de goederen onmiddellijk worden geleverd op de vrije Belgische markt;
- hetzij worden opgeschort wanneer de goederen worden overgebracht naar een belastingentrepot onder dekking van een administratief geleidedocument.
De accijnzen zijn verschuldigd op de goederen (veredelingsproducten of goederen in ongewijzigde staat) in de staat waarin de goederen zich bevinden op het ogenblik van de inverbruikstelling.
VII.5. Handelspolitieke maatregelen
199. Wanneer veredelingsproducten in het vrije verkeer worden gebracht en de berekening van het bedrag aan invoerrechten ervan gebeurt overeenkomstig “86§3”, zijn de toe te passen handelspolitieke maatregelen, de maatregelen die van toepassing zouden zijn geweest op de onder de regeling van de actieve veredeling geplaatste goederen wanneer zij onmiddellijk in het vrije verkeer zouden zijn gebracht geweest.
De vorige alinea is niet van toepassing op afval en resten.
200. Wanneer na actieve veredeling verkregen veredelingsproducten in het vrije verkeer worden gebracht en de berekening van het bedrag aan invoerrechten gebeurt overeenkomstig “85§1”, worden de op deze veredelingsproducten toepasselijke handelspolitieke maatregelen enkel toegepast wanneer de invoergoederen (zij die zijn onder de regeling van de actieve veredeling geplaatst) onderworpen zijn aan deze maatregelen.
In praktijk dienen de voorziene handelspolitieke maatregelen voor een verwerkt product B (bijv. Invoerquota) niet te worden toegepast indien dezelfde handelspolitieke maatregelen niet voorzien zijn voor de invoergoederen A en die gebruikt werden voor het bekomen van de verdelingsproducten.
VII.6. In het vrije verkeer brengen van goederen die voorheen uitgevoerd zijn geweest ter aanzuivering van de regeling actieve veredeling
201. Onder de regeling actieve veredeling verkregen producten die werden uitgevoerd uit het douanegebied van de Unie, kunnen worden wederingevoerd en in het vrije verkeer gebracht met gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer.
De regels van de terugkerende goederen zijn van toepassing. Op aanvraag van de aangever en mits de aangever de noodzakelijke informatie verstrekt, wordt het bedrag aan invoerrechten op de goederen vastgesteld overeenkomstig artikel 86 §3 van het DWU (zie §§ 188 tot 194 hiervoor).
Maar de datum van aanvaarding van de aangifte tot wederuitvoer wordt beschouwd als de datum van het in het vrije verkeer brengen.
De goederen zouden omschreven moeten worden op de wijze zoals in voormelde vergunning is voorzien voor de veredelingsproducten. In vak 47 moeten de rechten worden vermeld die, overeenkomstig de regeling actieve veredeling, verschuldigd zouden zijn geweest indien de goederen op het tijdstip van de uitvoer, in het vrije verkeer zouden zijn gebracht geweest.
Voor de eventuele accijnzen en voor de btw geldt de staat van de goederen op het tijdstip van de wederinvoer.
202. De vrijstelling van invoerrechten wordt niet verleend voor veredelingsproducten die uitgevoerd werden in het kader van een voorafgaande uitvoer (zie §§ 232 tot 239 hierna), tenzij wordt gegarandeerd dat er geen invoergoederen onder de regeling actieve veredeling zullen worden toegestaan.
203. Wanneer de “no drawback” regel (zie hoofdstuk XI hierna) is toegepast geweest op het tijdstip van de uitvoer ter aanzuivering van de regeling actieve veredeling, zijn de bepalingen van § 196 hiervoor mutatis mutandis van toepassing, met dien verstande dat, in geval van een gunstige beslissing, gehele vrijstelling van de rechten bij invoer wordt verleend.
VII.7. In het vrije verkeer brengen van goederen, komende uit de regeling actieve veredeling verleend in een andere lidstaat of in het Prinsdom Andorra
204. Indien goederen (goederen in ongewijzigde staat of veredelingsproducten), hier te lande aangevoerd met een document voor extern douanevervoer (of een document met dezelfde uitwerking) waarop (in één van de talen van de EU) de vermelding “Goederen AV” staat, in het vrije verkeer worden gebracht, eventueel na hier te lande onder een andere bijzondere regeling (hierbij inbegrepen de actieve veredeling) te zijn geplaatst, en geen inlichtingenblad e-INF (zie §§ 69 tot 72 hiervoor) wordt overgelegd waarop de nodige gegevens staan voor de berekening van de douaneschuld, kunnen de douaneautoriteiten aan wie de aangifte voor het vrije verkeer ter aanvaarding wordt voorgelegd, middels een door hen geviseerd e-INF, aan het douanekantoor van de lidstaat of het Prinsdom Andorra waar het document voor extern douanevervoer (of het document met dezelfde uitwerking) werd gevalideerd, vragen hen het volgende mee te delen:
- het bedrag van de te innen rechten bij invoer;
- de hoeveelheid, de GN-code en de oorsprong van de invoergoederen gebruikt voor de vervaardiging van de goederen waarvan het in het vrije verkeer brengen wordt gevraagd;
- of de handelspolitieke maatregelen werden toegepast (in het geval dat de vermelding “H P M” eveneens voorkomt op het document voor extern douanevervoer of op het document met dezelfde uitwerking). In ontkennend geval moet de betrokken lidstaat of het Prinsdom Andorra de elementen verstrekken die nodig zijn voor de toepassing van die maatregelen.
205. In afwachting dat het e-INF terugkeert, kunnen de douaneautoriteiten op verzoek van de invoerder, toestaan dat de goederen worden vrijgegeven, op voorwaarde dat deze:
- een voorlopige aangifte voor het in het vrije verkeer brengen en ten verbruik voorlegt;
- zekerheid stelt voor de vermoedelijk verschuldigde belastingen.
Deze procedure is uitgesloten wanneer er handelspolitieke maatregelen moeten worden toegepast.
206. Bij ontvangst van het behoorlijk ingevulde e-INF, moet er worden nagegaan of de eventuele handelspolitieke maatregelen werden nageleefd in het land waar de regeling werd toegestaan.
Er kunnen zich twee gevallen voordoen:
a) uit het inlichtingenblad e-INF blijkt dat de handelspolitieke maatregelen in de andere lidstaat of in het Prinsdom Andorra correct werden toegepast.
De goederen mogen in het vrije verkeer worden gebracht zonder voorlegging van een invoervergunning, behalve indien het gaat om veredelingsproducten onderworpen aan een vergunning bij het in het vrije verkeer brengen. In dit laatste geval moet de volgende vermelding voorkomen op de vergunning: “Vergunning voor een veredelingsproduct AV waarvoor de handelspolitieke maatregelen van toepassing op de invoergoederen in een andere lidstaat werden toegepast”;
b) uit het e-INF blijkt dat de handelspolitieke maatregelen in de andere lidstaat of in het Prinsdom Andorra niet werden toegepast.
De goederen mogen in het vrije verkeer worden gebracht mits voorlegging van een invoervergunning. Deze vergunning zal, naargelang het geval, betrekking hebben op goederen in ongewijzigde staat of op invoergoederen gebruikt voor de vervaardiging van de veredelingsproducten waarvan het in het vrije verkeer brengen gevraagd wordt.
207. Wanneer alle noodzakelijke informatie beschikbaar is, legt de invoerder een (definitieve) aangifte voor het in het vrije verkeer brengen en ten verbruik voor, waarop de gegevens staan van het e-INF (daartoe wordt hem hiervan een kopie ter beschikking gesteld).
Het e-INF wordt vermeld in vak 44 van deze aangifte.
VIII – Vernietiging van goederen
VIII.1. Vernietiging van niet-Uniegoederen op verzoek van de operator
208. Het DWU voorziet geen mogelijkheid meer om op eenvoudig verzoek van de operator, goederen te vernietigen onder douanetoezicht. Deze vernietiging was een oorzaak van tenietgaan van de douaneschuld.
Het is voortaan de regeling actieve veredeling die het mogelijk maakt om goederen op verzoek van de operator te vernietigen. In het kader hiervan is het dus noodzakelijk om een vergunning voor actieve veredeling te bekomen wanneer men er geen heeft.
209. Overeenkomstig de algemene regel (zie § 30, letter c hiervoor) is de houder van deze vergunning actieve veredeling ofwel de persoon die de vernietiging zelf uitvoert ofwel is het de opdrachtgever die de vernietiging door iemand anders laat uitvoeren.
Deze houder is verantwoordelijk voor de verschillende douaneformaliteiten en hij is de belastingschuldige wanneer er een douaneschuld ontstaat.
210. De vergunning moet melding maken van de locatie van vernietiging, de eventuele betrokken operatoren en de kantoren waar de douaneaangiften ter aanzuivering van de regeling zullen worden ingediend.
Deze vergunning vermeldt in vak 9 (volgens het model van bijlage 12 TDA) of in het veld 7/5 van bijlage A DWU-DA de vernietiging en in vak 10 (volgens het model van bijlage 12 TDA) de code 47 van de economische voorwaarden of in het veld 6/2 van bijlage A DWU-DA de code 19 van de economische voorwaarden.
De aan de toekenning van deze vergunning voorafgaande audit, maakt het mogelijk om de vereisten betreffende de controle van de regeling te bepalen.
211. Wanneer een operator al over een vergunning actieve veredeling beschikt, kan hij vragen om aan deze vergunning de vernietiging van de goederen toe te voegen. De douanediensten zien erop toe dit aan de aanvrager van actieve veredeling aan te bevelen.
212. Er is een douaneaangifte (het in het vrije verkeer brengen of het onder een andere douaneregeling plaatsen) nodig voor de eventuele resten of afvalstoffen die het gevolg zijn van de vernietiging van deze goederen. In de vergunning worden deze resten en afvalstoffen vermeld als secundaire veredelingsproducten. Bij het in het vrije verkeer brengen van deze resten en afvalstoffen, kan de operator op het ogenblik van de aangifte opteren voor de berekeningsmethode (artikel 85, §1 van het DWU of 86, §3 van het DWU) van zijn keuze.
Wanneer de goederen worden vernietigd zonder afvalstoffen na te laten, is de regeling aangezuiverd en is er overeenkomstig § 110 hiervoor, geen douaneaangifte nodig.
213. Overeenkomstig § 22 hiervoor kan deze vergunning van actieve veredeling eveneens de vorm aannemen van een douanebeslissing om de goederen vrij te geven.
214. Hierbij een voorbeeld van vernietiging onder actieve veredeling:
Druiven in tijdelijke opslag zijn bestemd om in het vrije verkeer te worden gebracht. Bij een kwaliteitscontrole die gebeurt tijdens het productieproces, blijkt dat de druiven pas in het vrije verkeer zullen gebracht kunnen worden na een speciale behandeling te hebben ondergaan.
De marktdeelnemer heeft drie opties:
- de goederen wederuitvoeren;
- de goederen de speciale behandeling laten ondergaan;
- de goederen vernietigen.
De twee eerste opties zijn te duur. De enige oplossing die economisch verantwoord is, is de vernietiging van de goederen. In deze situatie moet de operator een vergunning van actieve veredeling vragen en de goederen vernietigen onder dekking van deze vergunning actieve veredeling.
215. Hier zijn twee voorbeelden die niet als vernietiging worden beschouwd:
Voorbeeld 1:
De appelen worden onder de regeling actieve veredeling geplaatst. De hoofdveredelingsproducten zijn geschilde appels. De schillen zijn secundaire veredelingsproducten en zijn geen resten omdat hun economische waarde niet als laag wordt beschouwd. Deze schillen kunnen onder een andere vergunning voor actieve veredeling (bv. voor compostering) worden verwerkt. In dit geval brengt de veredelingsactiviteit om de compost te verkrijgen geen enkele vernietiging met zich mee.
Voorbeeld 2:
Vissen worden onder de regeling actieve veredeling geplaatst. De hoofdveredelingsproducten zijn visfilets. Visgraten zijn een secundair veredelingsproduct, maar zijn geen resten omdat hun economische waarde niet als laag beschouwd wordt. De visgraten worden verbrand en de resulterende stoom wordt gebruikt om elektriciteit te produceren. Als er geen stoom werd gebruikt voor de productie van elektriciteit maar gewoon in de lucht werd vrijgelaten, zou dit worden beschouwd als een vernietiging van visgraten, zonder dat er resten overblijven.
VIII.2. Totale vernietiging of onherroepelijk verlies te wijten aan toevallige omstandigheden of aan overmacht
216. In het geval van totale vernietiging of onherstelbaar verlies van goederen omwille van de aard van deze goederen of toevallige omstandigheden of overmacht, is de regeling aangezuiverd zonder dat er een douaneschuld ontstaat.
De goederen worden geacht onherstelbaar verloren te zijn wanneer zij voor eenieder onbruikbaar zijn geworden.
217. Bij algehele vernietiging of onherstelbaar verlies van onder de bijzondere regeling geplaatste en andere goederen, kunnen de douaneautoriteiten bewijsstukken van de houder van de regeling aanvaarden waaruit blijkt hoeveel onder de regeling geplaatste goederen zijn vernietigd of verloren gegaan.
Wanneer de houder van de regeling geen bewijs kan voorleggen dat aanvaardbaar is voor de douaneautoriteiten, wordt de hoeveelheid goederen die is vernietigd of verloren is gegaan vastgesteld door vergelijking met de hoeveelheid onder de regeling geplaatste goederen van dezelfde soort op het ogenblik van de vernietiging of het verlies.
VIII.3. Vernietiging van niet-Uniegoederen op verzoek van de douaneautoriteiten
218. Wanneer de vernietiging gebeurt op vraag van de douaneautoriteiten (onder meer wanneer de douaneautoriteiten de vernietiging van de goederen eisen, bijvoorbeeld wanneer het verboden is om de goederen uit te voeren in het kader van het CITES-verdrag), zijn de bepalingen van de artikelen 197 en 198 van het DWU van toepassing en is het gebruik van de regeling actieve veredeling volgens het Wetboek noch noodzakelijk noch vereist.
Voorbeeld:
Geneesmiddelen in tijdelijke opslag zijn door de douaneautoriteiten in beslag genomen. Deze goederen worden beschouwd als zijnde geplaatst onder de regeling douane-entrepot.
Firma A, een firma gespecialiseerd in de vernietiging van toxische en gevoelige goederen, vernietigt de goederen op vraag van de douaneautoriteiten. De goederen worden dus overgebracht naar de firma A. De kosten van de vernietiging zijn voor de invoerder of voor eenieder ander persoon betrokken bij de goederen.
219. Het is niet uitgesloten dat de houder van de goederen de douaneautoriteiten er voorafgaandelijk over inlicht dat hij denkt dat de goederen vernietigd zouden moeten worden, bijvoorbeeld om milieuredenen.
Wanneer douaneautoriteiten in deze situatie de noodzaak van de vernietiging bevestigen, kunnen ze de vernietiging ervan eisen zoals bepaald in artikel 197 van het DWU. De vernietiging onder actieve veredeling wordt slechts uitgevoerd wanneer ze voortvloeit uit een economische behoefte van de marktdeelnemer.
IX – Equivalente goederen
IX.1. Algemeen
220. In de vergunning actieve veredeling kan bepaald worden dat bij de vervaardiging van de veredelingsproducten equivalente goederen gebruikt worden in plaats van invoergoederen.
Deze equivalente goederen zijn Uniegoederen die ter vervanging en in de plaats van invoergoederen verwerkt worden.
De douaneautoriteiten staan het gebruik van de equivalentie toe op voorwaarde dat het goede verloop van de regeling en het douanetoezicht erop zijn verzekerd. Wanneer er niet wordt voldaan aan deze voorwaarde, moet het gebruik van de equivalentie worden geweigerd.
Een geautoriseerd marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen (AEO-C) wordt geacht te voldoen aan de voorwaarde dat het goede verloop van de regeling is verzekerd, voor zover in de in artikel 38 §2, punt a) van het DWU bedoelde vergunning rekening is gehouden met de activiteit in het kader van het gebruik van equivalente goederen voor de betrokken regeling.
221. Om in aanmerking te komen als equivalente goederen, moeten deze goederen
- onder dezelfde GN-code van acht cijfers zijn ingedeeld EN
- dezelfde handelskwaliteit hebben EN
- dezelfde technische kenmerken vertonen
als de invoergoederen die zij vervangen.
In afwijking daarvan worden de volgende goederen eveneens beschouwd als equivalente goederen:
- de goederen die zich in een verder gevorderd fabricagestadium bevinden dan de onder de regeling actieve veredeling geplaatste niet-Uniegoederen, wanneer het voornaamste deel van de veredeling van deze equivalente goederen wordt verricht in het bedrijf van de vergunninghouder of voor zijn rekening in een ander bedrijf. In de vergunning moet staan of dergelijke equivalente goederen gebruikt mogen worden;
- in geval van herstelling, nieuwe goederen in plaats van gebruikte goederen of goederen die zich in een betere staat bevinden dan de onder de regeling actieve veredeling geplaatste niet-Uniegoederen;
- de goederen met vergelijkbare technische kenmerken als de goederen die zij vervangen, mits zij onder dezelfde achtcijfercode van de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld zijn en dezelfde handelskwaliteit hebben.
Voorbeeld van een situatie waarin de equivalente goederen zich in een verder gevorderd fabricagestadium bevinden dan de invoergoederen:
Operator A beschikt over een vergunning die hem toelaat om staalstaven (goederen bestemd om onder de regeling te worden geplaatst) te verwerken die bestemd zijn om te worden verwerkt in stalen stoelen (veredeld product).
De productie kent twee tussenstappen. Eerst worden de staalstaven verwerkt tot gewalste platte producten en vervolgens worden deze gewalste producten in stroken gesneden. Het zijn deze stroken die in de stoelen worden verwerkt.
In elke productiestap zijn er verliezen volgens het volgende schema:
100 kg staven => 90 kg gewalste producten => 80 kg stalen stroken => 70 kg stalen stoelen.
In deze situatie kan men ervan uitgaan dat 90 kg gewalste producten equivalent kunnen zijn aan 100 kg staven.
Men kan er eveneens van uitgaan dat 80 kg stalen stroken equivalent kunnen zijn aan 100 kg staven.
Voor een uitvoer van 70 kg stalen stoelen, zal het dus mogelijk zijn om 100 kg staven of 90 kg gewalste producten of 80 kg stroken onder de regeling te plaatsen zonder betaling van rechten bij invoer.
Aangezien de stoelen geen latere veranderingen ondergaan, kunnen ze niet worden beschouwd als equivalente goederen.
IX.2. Gebruik van equivalente goederen
222. Het gebruik van equivalente goederen is niet onderworpen aan de formaliteiten voor de plaatsing van goederen onder een bijzondere regeling. Er moet dus geen enkele aangifte worden ingediend. De verplichtingen die verband houden met de controle bepaald in §§ 240 tot 242 hierna moeten echter wel worden nageleefd.
De in § 55 hiervoor bedoelde administratie moet de gegevens bevatten aan de hand waarvan het douanetoezicht en de controles op het gebruik van equivalente goederen kunnen worden uitgeoefend.
223. Equivalente goederen kunnen samen met andere Uniegoederen of niet-Uniegoederen worden opgeslagen. In dergelijke gevallen kunnen de douaneautoriteiten specifieke methoden vaststellen om de equivalent goederen te identificeren om ze van andere Uniegoederen of niet-Uniegoederen te onderscheiden.
Wanneer het onmogelijk is of slechts tegen buitensporige kosten mogelijk zou zijn om elk soort goederen te allen tijde vast te stellen, wordt in de boekhouding een onderscheid gemaakt naar het soort goederen, de douanestatus en, indien van toepassing, de oorsprong van de goederen.
Wanneer een gescheiden boekhouding moet worden gevoerd, moet de informatie over het soort goederen, de douanestatus en, in voorkomend geval, de oorsprong van de goederen in de in § 55 hiervoor bedoelde administratie staan.
224. In bijlage 71-04 DWU-DA zijn bijzondere bepalingen opgenomen met betrekking tot het equivalentieverkeer voor rijst, tarwe, suiker, levende dieren, vlees, maïs en olijfolie.
225. De equivalente goederen en de daaruit verkregen veredelingsproducten worden niet-Uniegoederen en de goederen die zij vervangen worden Uniegoederen op het tijdstip van de vrijgave ervan voor de volgende douaneregeling, waarbij de regeling van de actieve veredeling aangezuiverd wordt, of op het tijdstip waarop de veredelingsproducten het douanegebied van de Unie hebben verlaten.
Wanneer de onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen echter op de markt worden gebracht voordat de regeling is aangezuiverd, verandert de status ervan op het tijdstip dat zij op de markt worden gebracht.
Wanneer wordt verwacht dat de equivalente goederen niet beschikbaar zullen zijn op het tijdstip waarop de goederen op de markt worden gebracht, kunnen de douaneautoriteiten op verzoek van de houder van de regeling bij wijze van uitzondering toestaan dat de equivalente goederen binnen een door hen vast te stellen redelijke termijn op een later tijdstip beschikbaar zullen zijn.
Deze wijziging van de douanestatus van de goederen wijzigt de oorsprong van de goederen niet.
226. Het al dan niet systematisch gebruik van equivalente goederen is geen pertinent criterium om het gebruik van de equivalentie toe te kennen of te weigeren. Kortom, men kan systematisch gebruikmaken van equivalentie maar toch zijn er belangrijke beperkingen die hierna uitvoeriger aan bod komen.
IX.3. Beperkingen op het gebruik van de equivalentie
227. Het gebruik van equivalente goederen wordt niet toegestaan indien uitsluitend gebruikelijke behandelingen als omschreven in bijlage 71-03 DWU-DA (zie §§ 62 tot 64 hiervoor) worden verricht in het kader van de regeling actieve veredeling.
228. Het gebruik van equivalente goederen wordt niet toegestaan in het geval van no drawback (zie hoofdstuk XI hierna), dit wil zeggen wanneer er een verbod geldt op terugbetaling of vrijstelling van invoerrechten voor niet van oorsprong zijnde goederen die worden gebruikt voor de vervaardiging van veredelingsproducten die zich onder de regeling actieve veredeling bevinden en waarvoor een bewijs van oorsprong wordt afgegeven of opgesteld in het kader van een preferentiële regeling tussen de Unie en bepaalde landen of gebieden dan wel groepen van landen of gebieden buiten het douanegebied van de Unie.
229. Er wordt geen vergunning verleend voor het gebruik van equivalente goederen wanneer de onder de bijzondere regeling geplaatste goederen onderworpen zouden zijn aan voorlopige of definitieve antidumpingrechten, compenserende rechten, vrijwaringsmaatregelen of een aanvullend recht dat voortvloeit uit een schorsing van concessies indien zij werden aangegeven voor het vrije verkeer.
230. Er wordt geen vergunning verleend voor het gebruik van equivalente goederen voor goederen of producten die genetisch zijn gewijzigd of elementen bevatten die een genetische wijziging hebben ondergaan.
231. De goederen die het resultaat zijn van de biologische landbouw (volgens de normen van Verordening (EU) nr. 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de biologische productie en etikettering van biologische producten) mogen niet worden beschouwd als equivalent aan goederen die het resultaat zijn van conventionele landbouw, omdat deze goederen niet dezelfde handelskwaliteit hebben.
IX.4. Voorafgaande uitvoer
232. Voorafgaande uitvoer is het systeem dat toelaat dat veredelingsproducten, verkregen van equivalente goederen, worden uitgevoerd buiten het douanegebied van de Unie voorafgaand aan de invoer van de goederen die ze vervangen.
Dit systeem laat de operatoren toe om snel dringende buitenlandse bestellingen uit te voeren zelfs als zij tijdelijk niet meer beschikken over te veredelen goederen uit derde landen.
Men spreekt dan over actieve veredeling EX/IM.
233. Ter vervanging van de gebruikte equivalente Uniegoederen, kunnen de niet-Uniegoederen later worden ingevoerd met vrijstelling van de rechten bij invoer. Deze ingevoerde goederen nemen dan de plaats in van de verwerkte equivalente goederen, dit wil zeggen dat ze ter beschikking komen van de vergunninghouder. Voor wat de btw betreft, zijn de bepalingen van § 83, 2de lid hierna van toepassing.
In geval van vervroegde uitvoer wordt gebruik gemaakt van een e-INF, zoals bedoeld in de §§ 68 tot en met 75 hierboven.
Deze uitwisseling van informatie maakt het mogelijk de situaties te vereenvoudigen waarin de compenserende invoer voor voorafgaande uitvoer wordt verricht door:
- de vergunninghouder van actieve veredeling, op een ander douanekantoor dan het kantoor van voorafgaande uitvoer;
- een andere persoon dan de vergunninghouder, op het douanekantoor van voorafgaande uitvoer;
- een andere persoon dan de vergunninghouder, op een ander douanekantoor dan het kantoor van voorafgaande uitvoer.
234. In afwijking worden in geval van voorafgaande uitvoer van veredelingsproducten, de equivalente goederen en daaruit verkregen veredelingsproducten met terugwerkende kracht niet-Uniegoederen op het tijdstip van de vrijgave ervan voor de regeling uitvoer, indien de in te voeren goederen onder deze regeling worden geplaatst.
Wanneer de in te voeren goederen onder de regeling actieve veredeling worden geplaatst, worden zij tegelijkertijd Uniegoederen.
235. De invoer ter compensatie van de voorafgaande uitvoer moet gebeuren binnen een termijn van maximum 6 maanden.
Deze termijn is vastgelegd in vak 19 (volgens het model van bijlage 12 TDA) of in het veld 4/17 van bijlage A DWU-DA van de vergunning en houdt rekening met de termijnen die nodig zijn voor de verwerving en het vervoer naar het douanegebied van de Unie. Deze termijn gaat in op de aanvaardingsdatum van de aangifte ten uitvoer van de veredelingsproducten die uit de betrokken equivalente goederen zijn verkregen.
Op verzoek van de vergunninghouder kan deze termijn van zes maanden ook na het verstrijken ervan worden verlengd, op voorwaarde dat de totale termijn niet langer is dan twaalf maanden.
De uitvoer moet gebeuren tijdens de geldigheidsduur van de vergunning van actieve veredeling. De compenserende invoer kan gebeuren buiten deze geldigheidsperiode voor zover deze gebeurt binnen de in de vergunning vermelde termijn.
Indien de invoer ter compensatie gebeurt door een andere in België gevestigde persoon dan degene die de voorafgaande uitvoer heeft gedaan, wordt bovenaan het e-INF het volgende vermeld: “Toepassing van § 235, 5de lid van de circulaire over de Actieve veredeling”.
236. Bij een voorafgaande uitvoer, wanneer de veredelingsproducten aan uitvoerrechten zouden zijn onderworpen indien zij niet in het kader van de regeling actieve veredeling werden uitgevoerd, moet de vergunninghouder een zekerheid stellen voor de betaling van de uitvoerrechten die verschuldigd zouden zijn, indien de niet-Uniegoederen niet binnen de in § 235 hiervoor bedoelde termijn waren ingevoerd.
237. De in het kader van de voorafgaande uitvoer uitgevoerde veredelingsproducten kunnen de vrijstelling van invoerrechten die is voorzien voor de terugkerende goederen (artikel 203 van het DWU), niet krijgen behalve wanneer de houder verzekert dat er geen van de invoergoederen onder de regeling actieve veredeling zal worden geplaatst.
238. Voorafgaande uitvoer van veredelingsproducten is toegestaan voor zover deze mogelijkheid is voorzien in vak 19 (volgens het model van bijlage 12 TDA) of in het specifieke veld XVII/1 van bijlage A DWU-DA van de vergunning actieve veredeling.
Hier zijn indien van toepassing de gewone uitvoerformaliteiten ter aanzuivering van de regeling actieve veredeling (zie §§ 138 tot 147 hiervoor) en de eventueel in de vergunning vastgestelde bijkomende voorwaarden en formaliteiten van toepassing.
Bij voorafgaande uitvoer moet code 1100 (en niet code 3151) vermeld worden in de eerste onderverdeling van vak 37 van de douaneaangifte.
239. Het gebruik van voorafgaande uitvoer impliceert het gebruik van een e-INF, zoals vermeld in de §§ 68 tot 75 hierboven.
Deze verplichting om e-INF te gebruiken staat los van de verplichting om een aanzuiveringsafrekening in te dienen (zie § 125 hierboven). Praktisch gezien wordt het e-INF gebruikt vóór de presentatie van de aanzuiveringsafrekening.
IX.5. Controle van de equivalentie
240. De vergunning actieve veredeling bevat een precieze vermelding van de maatregelen. Aan de hand van deze maatregelen wordt vastgesteld of de voorwaarden voor het gebruik van equivalente goederen zijn vervuld. Met name dat, behoudens afwijking, de equivalente goederen en de invoergoederen onder dezelfde GN-code van acht cijfers vallen, dezelfde handelskwaliteit hebben en dezelfde technische kenmerken vertonen.
In de vergunning worden de verwittigingsprocedure en de uit te voeren controles bepaald die, naargelang het geval, worden verricht op basis van de commerciële en technische administratie van de vergunninghouder en/of van fysieke onderzoeken en ontledingen van de invoergoederen en de equivalente goederen.
De aanvrager moet ervoor zorgen dat men door hun administratie in staat is de naleving van de bepalingen betreffende de equivalentie te controleren vooraleer de aanvrager van het systeem van het equivalentieverkeer gebruik kan maken.
241. Om de controle van deze elementen mogelijk te maken, kan de vergunning een monsterneming voorzien waarvan het type afhankelijk is van de aard van de onder de regeling actieve veredeling geplaatste invoergoederen.
De aandacht van de verificatiediensten wordt gevestigd op het belang van voormelde monsterneming, die een voorwaarde is voor een doeltreffende controle van de equivalentie. In geval van onderwerping aan het laboratorium van de AAD, moet op het onderwerpingsbulletin duidelijk vermeld worden dat de ontleding van de invoergoederen is gevraagd in het kader van een in een vergunning actieve veredeling voorgeschreven controleprocedure op de equivalentie, en moeten de refertes van deze vergunning eveneens worden vermeld; op die manier, kan het laboratorium een kopie van het ontledingsverslag versturen naar het controlekantoor dat zo over inlichtingen beschikt om de controle op de equivalentie te optimaliseren.
242. De betrokken controlediensten moeten de controles inzake de equivalentieregeling op regelmatige tijdstippen uitvoeren, rekening houdend met hun kennis van de betrokken vennootschap en haar producten en fabricatieproces.
In het algemeen moet de controle van de equivalentie in het kader van de regeling actieve veredeling gebaseerd zijn op een opbouwende dialoog met de betrokken vennootschappen om tot een wederzijds klimaat van vertrouwen en transparantie te komen. Wat een correcte toepassing van de regeling waarborgt zonder de administratieve kosten voor deze vennootschappen onnodig te verzwaren. Ter zake mag de houder van een vergunning van actieve veredeling, waarin bijzondere maatregelen inzake de controle op de equivalentie zijn vermeld, andere toezichts- en controlemethoden voorstellen, gebaseerd op de specificiteiten van zijn onderneming, zijn wijze van opslag (gezamenlijke opslag, ...) en zijn fabricatieproces en bijgevolg, door tussenkomst van de dienst belast met de controle van zijn activiteiten van actieve veredeling, een wijziging van zijn vergunning vragen.
Bijvoorbeeld, het feit dat het fabricatieproces is aangepast aan specifieke kwaliteitsnormen (ISO, ...) die de onderneming commercieel moet naleven en dat de onderneming regelmatig betrouwbare analyses uitvoert (monsterneming, ontleding en vergelijking van de samenstellende bestanddelen van de grondstoffen, ...) om na te gaan of de verwerkte goederen en de verkregen producten wel aan de opgelegde vereisten voldoen. Dit kan een afwijking van de in de vergunning voorgeschreven maatregelen rechtvaardigen, voor zover de technische dossiers van de onderneming de nodige elementen bevatten om de equivalentieregeling afdoende na te gaan en de vergunninghouder deze dossiers ter beschikking stelt van de controlerende diensten van de actieve veredelingsactiviteiten en zich verbindt, op vraag van deze diensten, representatieve monsters van de invoergoederen en de equivalente goederen te verstrekken met het oog op een vergelijkende analyse door het laboratorium van de AAD
X – Overdracht van rechten en plichten
X.1. Algemeen
243. De rechten en plichten van de houder van de regeling betreffende goederen geplaatst onder deze regeling, kunnen gedeeltelijk of volledig worden overgedragen aan een andere persoon die voldoet aan de voorwaarden voor de regeling.
Het acroniem TORO in dit hoofdstuk staat voor “overdracht van rechten en plichten” (“Transfer Of Rights and Obligations”).
Men onderscheidt twee personen binnen de verrichting: de vergunninghouder (de overdrager) en de persoon aan wie de rechten en/of verplichtingen worden overgedragen (de overnemer), die “houder van de regeling” zal worden genoemd.
De voorwaarden en de praktische aspecten van de TORO staan vermeld in vak 15 van de vergunning (volgens het model van bijlage 12 TDA) of in het veld 8/8 van bijlage A DWU-DA.
De TORO kan eveneens de vorm aannemen van een afzonderlijke beslissing.
244. Onder de voorwaarden vermeld in dit hoofdstuk, kunnen de rechten en verplichtingen het voorwerp uitmaken van een TORO aan een derde persoon, vervolgens aan een vierde persoon, enz.
Het aantal toegestane TORO’s is dus niet beperkt en bij een latere TORO kan een persoon betrokken zijn die reeds eerder in de TORO-ketting is tussengekomen.
245. Aangezien het, tussen operatoren die elk over een vergunning actieve veredeling beschikken, mogelijk is om heel gemakkelijk de goederen onder meerdere opeenvolgende regelingen actieve veredeling te plaatsen, is de TORO slechts van weinig belang aangezien elke plaatsing de vorige regeling van veredeling aanzuivert en elke houder, zonder andere formaliteit dan die van de aanzuivering, op die manier ontheven is van al zijn rechten en verantwoordelijkheden.
Bijgevolg kan er enkel een TORO plaatsvinden wanneer dit economisch verantwoord is. Om buitensporige administratieve kosten te vermijden, is het dus aangewezen om de voorrang te geven aan vergunningen actieve veredeling zonder TORO waarbij elke operator over zijn eigen vergunning actieve veredeling beschikt.
De bepalingen van § 258 hierna zijn van toepassing.
246. Als algemene regel geldt dat TORO pas bevoegd is vanaf de datum waarop de beschikking tot machtiging door de aanvrager is ontvangen of geacht wordt te zijn ontvangen.
Een TORO kan ook met terugwerkende kracht worden toegekend of gewijzigd, op voorwaarde dat de datum van terugwerkende kracht in het besluit wordt vermeld.
247. Overeenkomstig § 243 hiervoor moet de overnemer van een TORO de voor de regeling bepaalde voorwaarden vervullen (en niet de voorwaarden van de vergunning actieve veredeling).
Wanneer deze overnemer houder is van een vergunning actieve veredeling die gelijkaardig is aan die van de houder van de vergunning actieve veredeling of wanneer hij een AEO-statuut heeft dat deze regeling opneemt, dan is deze voorwaarde ambtshalve vervuld. Wanneer dit niet het geval is, is een onderzoek door de douaneautoriteiten noodzakelijk.
X.2. Procedure en formaliteiten
248. Een TORO heeft altijd betrekking op rechten en plichten in verband met reeds onder de regeling van de actieve veredeling geplaatste goederen. Daarom:
- is er bij de TORO geen nieuwe douaneaangifte vereist;
- is de TORO niet mogelijk tussen twee verschillende bijzondere regelingen;
- kunnen de equivalente goederen (zie hoofdstuk IX hiervoor) niet het voorwerp uitmaken van een TORO;
- is het niet verplicht dat de overnemer houder is van een vergunning.
249. Wanneer de goederen worden beschouwd als zijnde in het vrije verkeer gebracht zonder douaneaangifte (zie § 170 hiervoor), moet de inschrijving van deze aanzuivering zoals bepaald in § 129 hiervoor niet verplicht in de aanzuiveringsafrekening vermeld worden. Deze vereenvoudiging is slechts mogelijk op voorwaarde dat de bevoegde douaneautoriteit van oordeel is dat de overnemer eveneens aanspraak zou kunnen maken op deze vereenvoudiging indien hij beschikte over een vergunning van actieve veredeling.
250. Wanneer er een TORO is voorzien, kan de overnemer een zekerheid stellen voor zover het voorzien van een zekerheid vermeld is in de voorwaarden van TORO, in overeenstemming met de overdrager en met goedkeuring van de douaneautoriteiten.
Wanneer de overnemer een dergelijke zekerheid heeft gesteld, kan ze worden gebruikt wanneer een douaneschuld ontstaat. Wanneer de overnemer geen dergelijke zekerheid heeft gesteld, moet deze van de overdrager gehandhaafd blijven om elk ontstaan van douaneschuld te dekken. De TORO-beslissing moet vermelden welke zekerheid gebruikt zal worden.
Aangezien de aanzuiveringsafrekening voorgelegd moet worden door de houder van de vergunning van actieve veredeling en niet door de overnemer, is het aanbevolen dat bij een eerste TORO de zekerheid gesteld door de vergunninghouder gehandhaafd blijft. Bij (een) latere TORO(’s) moet(en) de overnemer(s) een zekerheid stellen.
X.3. Bevoegde autoriteit
251. De bevoegde douaneautoriteit beslist of een overdracht van rechten en plichten al dan niet kan plaatsvinden. Iedere aanvraag moet worden geanalyseerd en moet een economische behoefte dekken.
Wanneer deze TORO mag plaatsvinden, bepaalt de bevoegde douaneautoriteit de voorwaarden waarin de overdracht is toegestaan. Deze voorwaarden zijn vermeld in de vergunning.
252. Tussen de voorwaarden staan onder meer de rechten en/of verplichtingen vermeld die worden overgedragen.
De verplichtingen die kunnen worden overgedragen zijn onder meer de verplichting tot het voeren van een administratie, om een zekerheid te stellen, om het douanetoezicht op de goederen mogelijk te maken of om de verantwoordelijkheid te dragen voor de betaling van de douaneschuld wanneer er één is.
Rechten zoals een AEO-statuut of de vervulling van de voor de betrokken regeling bepaalde voorwaarden zijn gelinkt aan personen en niet aan onder de regeling geplaatste goederen. Daarom kunnen deze niet worden overgedragen.
253. De douaneautoriteit die bevoegd is voor het toekennen van de vergunning van actieve veredeling, is de autoriteit die bevoegd is voor het toekennen van de vergunning voor TORO’s aan de houder van de vergunning bijzondere regeling.
Wanneer een overnemer een TORO-vergunning wil gebruiken, zou de douaneautoriteit die verantwoordelijk is voor zijn vestigingsplaats eveneens bevoegd moeten zijn om hem zijn TORO-vergunning te verstrekken.
254. Wanneer een TORO betrekking heeft op meer dan één lidstaat, is overeenkomstig de bepalingen van artikel 260 DWU-IA een voorafgaande raadpleging noodzakelijk. Deze raadpleging is nodig om vast te stellen of de overnemer voldoet aan de voorwaarden voor de betrokken regeling.
We merken op dat de lidstaten op grond van artikel 261 § 1b DWU-IA, middels een kennisgeving van de betrokken vergunning aan de betrokken lidstaten, kunnen beslissen om bepaalde types TORO te aanvaarden zonder voorafgaande raadpleging.
X.4. Inlichtingenbladen e-INF (voorheen INF5)
255. Het meest voorkomende gebruik van TORO bij actieve veredeling is het gebruik gelinkt aan het e-INF (voorheen INF5) voor AV EX/IM.
Het e-INF wordt door de douaneautoriteiten geviseerd ingevolge de voorafgaande uitvoer van equivalente goederen en geeft aan de houder van de vergunning van actieve veredeling een recht om niet-Uniegoederen in te voeren zonder betaling van rechten bij invoer.
Het gebeurt vaak dat deze inlichtingenbladen tegen vergoeding worden overgedragen aan invoerders van grondstoffen. Deze overdracht van het e-INF is een overdracht van het recht om de goederen in te voeren zonder betaling van de invoerrechten. Het is op het ogenblik dat de goederen onder de regeling worden geplaatst dat deze invoerder houder wordt van de regeling.
De mogelijkheid tot overdracht en bijgevolg de TORO die eruit voortvloeit, moet vermeld worden in de vergunning van actieve veredeling, met de lijst van de toegelaten invoerders. Overeenkomstig § 254 hiervoor, werd overeengekomen dat een raadpleging tussen lidstaten niet nodig was voor dit type van TORO. Een kennisgeving volstaat.
256. Het komt regelmatig voor dat de importeur van de goederen veranderd wordt in het kader van de e-INF -procedure. Indien nodig vereist dit een laatste overdracht van rechten en verplichtingen, zoals vermeld in § 244 hierboven. Ondernemer B verzoekt het douanekantoor van afgifte om overdracht van rechten en verplichtingen aan marktdeelnemer C. het e-INF zal vervolgens gewijzigd worden. De vergunning van marktdeelnemer A zal ook moeten gewijzigd worden om rekening te houden met deze wijzigingen (met inbegrip van eventuele wijzigingen met betrekking tot het douanekantoor van plaatsing).
X.5. Overdracht van activiteiten van bedrijf A naar bedrijf B
257. Het gebruik van TORO kan een praktische oplossing bieden ingeval van overdracht van activiteiten van een AV-vergunninghouder naar een ander firma. Deze overdracht kan bijvoorbeeld plaatsvinden in het kader van een verkoop van een heel bedrijf of bij de verdeling van een bedrijf in verschillende afzonderlijke entiteiten.
In dit geval staat een TORO beschikking de overdracht toe van de rechten en verplichtingen met betrekking tot de goederen die al onder de regeling actieve veredeling waren geplaatst vóór deze verkoop.
Zoals in het geval van andere TORO's, zullen de praktische bepalingen, zoals het eventuele onderhoud van een register van goederen waarvoor de rechten en verplichtingen zijn overgedragen, worden overeengekomen met het controlerende douanekantoor voordat een eventuele overdracht wordt aanvaard. Voor deze overdracht is geen douaneaangifte vereist.
Als de goederen worden verplaatst naar faciliteiten die niet zijn opgenomen in de vergunning voor actieve veredeling, moet dit in het TORO-besluit opgenomen worden.
Alle douaneaangiften voor aanzuivering van de regeling verwijzen naar de vergunning voor actieve veredeling die verleend is aan de vergunninghouder en de TORO beschikking.
Elke nieuwe plaatsing onder actieve veredeling regeling of elk nieuw gebruik van equivalente goederen kan nu enkel worden gedaan door het gebruik van een nieuwe vergunning voor actieve veredeling die is verleend aan bedrijf B.
X.6. Overdrachten met aanzuivering van de regeling van de actieve veredeling
258. In tegenstelling tot hetgeen was bepaald in het Communautair Douanewetboek (Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992), definieert het DWU dit soort beweging niet meer als een overdracht.
Er bestaat dus geen specifieke procedure volgens dewelke goederen worden “overgedragen” tussen twee houders van een vergunning van actieve veredeling met aanzuivering van de regeling. Bijgevolg worden de algemene bepalingen betreffende de aanzuivering van de regeling en het goederenverkeer toegepast.
Praktisch voorbeeld
Een invoerder A voert in het kader van zijn vergunning van actieve veredeling aluminiumstaven in en verwerkt ze tot aluminiumbladen.
Deze aluminiumbladen worden verstuurd naar een operator B, houder van zijn eigen vergunning van actieve veredeling, die ze tot blikken verwerkt.
Het kantoor van aanzuivering X vermeld in de vergunning van operator A, wordt in de vergunning van operator B vermeld als douanekantoor van plaatsing.
Overeenkomstig de bepalingen van §§ 58 tot 61 hiervoor, mogen de goederen worden verplaatst naar dit kantoor X met als enige douaneformaliteit de inschrijving in de administratie van operator A.
Deze goederen zullen eveneens worden verplaatst van dit kantoor X naar de fabriek van operator B met als enige douaneformaliteit de inschrijving in de administratie van operator B.
Overeenkomstig § 129 hiervoor, hoeft operator A geen douaneaangifte in te dienen om de regeling aan te zuiveren.
De aanzuivering zal gebeuren door de plaatsing van de goederen onder de regeling door operator B.
Wanneer operator B gebruikmaakt van een vereenvoudigde procedure, stuurt hij een ontvangstbevestiging naar operator A, met vermelding van de datum waarop de goederen onder de regeling geplaatst werden.
Operator A bewaart de ontvangstbevestiging in zijn administratie en hij wordt ontheven van zijn verantwoordelijkheid. Men kan eveneens melding maken van het MRN (Master Reference Number) of van de interne referentie die in een EIDR-procedure wordt gebruikt (Inschrijving in de administratie van de aangever).
Wanneer operator B gebruikmaakt van een normale douaneaangifte, verstuurt hij de informatie over het MRN en de datum van plaatsing van de goederen naar operator A die deze informatie in zijn administratie ingeeft.
Wanneer het kantoor van aanzuivering van A niet samenvalt met het douanekantoor van plaatsing van B, moet men gebruikmaken van de doorvoerregeling.
XI – Toepassing van de «no drawback» regel
XI.1. Algemeen
259. Sommige veredelingshandelingen kunnen, door de verwerking van onder de regeling actieve veredeling geplaatste niet-Unie bestanddelen, de Unie-oorsprong verlenen aan de verkregen veredelingsproducten.
Om te vermijden dat de niet-Unie bestanddelen waarvoor de rechten bij invoer niet werden betaald (actieve veredeling) bij invoer in bepaalde derde landen een preferentiële tariefbehandeling genieten die is voorzien in de overeenkomsten tussen de Unie en deze derde landen, moeten niet-Unie goederen die zijn verwerkt in de naar die landen uitgevoerde veredelingsproducten worden onderworpen aan de betaling van de rechten bij invoer wanneer een bewijs van de Unie-oorsprong zal worden afgegeven of opgesteld bij de uitvoer. Dit principe van het douanerecht van de Unie wordt de “no drawback” regel genoemd.
260. De “no drawback” regel is van toepassing wanneer een bewijs van oorsprong wordt afgegeven of opgesteld (visum van een certificaat inzake goederenverkeer A.TR of EUR. 1 of factuurverklaring EURMED of bewijs van oorsprong op factuur) voor veredelingsproducten uitgevoerd ter aanzuivering van de regeling actieve veredeling naar de landen vermeld in bijlage VI. Deze in bijlage VI opgenomen niet-exhaustieve lijst wordt uitsluitend ter informatie verstrekt. Voor de huidige toestand is het noodzakelijk de circulaires over de oorsprong van goederen te raadplegen of deze [link] te volgen.
In dit geval zullen de belanghebbenden geval per geval moeten uitmaken of het voordelig is om de regeling actieve veredeling te gebruiken voor goederen die na verwerking worden geleverd naar deze landen met een bewijs van oorsprong. Het zal doorgaans voordelig zijn de regeling actieve veredeling toe te passen wanneer er bij de veredeling belangrijke hoeveelheden fabricageresten bekomen worden; de toepassing van de "no drawback" regel kan in dat geval leiden tot het betalen van een lager bedrag aan rechten bij invoer.
Er moet anderzijds rekening mee worden gehouden dat bij uitvoer naar die derde landen ter aanzuivering van de regeling actieve veredeling, de bij de plaatsing onder die regeling verleende vrijstelling van de btw definitief wordt.
261. Zoals vermeld in § 228 hiervoor, is het gebruik van equivalente goederen, met of zonder voorafgaande uitvoer, niet toegestaan wanneer het vrijhandelsakkoord een no drawback-regel voorziet.
Wanneer de operator in het kader van de AV IM/EX gebruikmaakt van de equivalentie, moet hij dus op de niet-Uniegoederen de douanerechten betalen wanneer hij goederen wil wederuitvoeren met een bewijs van oorsprong.
Wanneer een vrijhandelsovereenkomst niet in een niet-terugbetalingsregeling voorziet, is het gebruik van equivalente goederen toegestaan en kan een bewijs van oorsprong afgegeven of opgesteld worden voor veredelde producten zonder betaling van invoerrechten.
262. Deze bepalingen zijn van toepassing wanneer een certificaat inzake goederenverkeer achteraf is afgegeven voor veredelingsproducten, uitgevoerd naar één van de landen bedoeld in § 252 hiervoor ter aanzuivering van de regeling actieve veredeling.
XI.2. Berekening van de "no drawback" douaneschuld
263. Ingeval van toepassing van de "no drawback" regel ontstaat de douaneschuld op het tijdstip waarop de douaneautoriteiten de uitvoeraangifte voor de betrokken goederen aanvaarden.
Met het oog op de vereenvoudiging van de administratieve formaliteiten voor de marktdeelnemers heeft de Europese Commissie evenwel de lidstaten toegestaan ter zake automatisch de globalisatie bij het in het vrije verkeer brengen zoals bedoeld in § 164 hiervoor, toe te passen.
Rekening houdend met hetgeen voorafgaat, wordt de douaneschuld geacht te ontstaan op de vervaldatum van de aangifte tot plaatsing onder de regeling actieve veredeling voor de invoergoederen die werden aangezuiverd door de levering waarvoor de "no drawback" regel moet worden toegepast. Uiterlijk bij het indienen van de zuiveringsafrekening moeten voor de betreffende goederen de rechten bij invoer betaald worden op het controlekantoor door middel van een invoeraangifte met de code 0151 in vak 37 en waarop in vak 44 de vermelding "Toepassing van de no drawback" regel staat vermeld. In dit geval is er geen btw verschuldigd en moet er geen invoervergunning worden voorgelegd.
264. De verschuldigde rechten bij invoer bij toepassing van de "no drawback" regel worden berekend op de hoeveelheid invoergoederen die aangezuiverd wordt door de uitvoer van de veredelingsproducten, rekening houdend met de belastingselementen (tarief, douanewaarde) van toepassing op deze invoergoederen op het moment van hun plaatsing onder de regeling actieve veredeling. In dit geval zijn de bepalingen van de §§ 174 tot 198 hiervoor van toepassing.
265. Het volgende voorbeeld illustreert de berekening van de « no drawback » douaneschuld:
Een in het douanegebied van de Unie gevestigde onderneming voert 10 000 kg katoengarens in (GN-code 5205, ad-valoremrecht van 6%, van Chinese oorsprong) met een totale douanewaarde van 20 000 EUR. Deze onderneming plaatst de goederen onder de regeling actieve veredeling, waarbij een schuld wordt berekend overeenkomstig artikel 86, lid 3, van de CDU, aangezien de aangifte ten invoer op 28 april 2017 is aanvaard.
Tijdens een eerste verwerking verkrijgt de onderneming 40.000 vierkante meter katoenweefsel. Bij een laatste bewerking van katoenweefsel verkrijgt het bedrijf overhemden en blouses voor mannen of jongens en vrouwen of meisjes (GN-codes 6205 en 6206, ad-valoremrecht van 12%), waarbij het gemiddeld één overhemd met twee vierkante meter katoenweefsel produceert.
Zij heeft dus 20 000 overhemden en blouses verkregen met een gemiddelde douanewaarde van 8 euro per overhemd of blouse (bij een totale douanewaarde van 160 000 euro).
De bovengenoemde 20.000 overhemden of blouses worden weer naar Zwitserland geëxporteerd. Een bewijs van oorsprong wordt afgegeven in het kader van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Zwitserland (pan-Euro-mediterrane conventie betreffende de oorsprongsregels met een niet-terugbetalingsbepaling) en de datum van aanvaarding van de wederuitvoeraangifte is 28 september 2017.
Overeenkomstig de "no-drawback"-regel is op 28 september 2017 een douaneschuld van 800 euro (20.000 euro x 6%) ontstaan.
Deze schuld komt overeen met het bedrag aan invoerrechten dat op dezelfde voorwaarden moet worden vastgesteld alsof het een douaneschuld was die is ontstaan door de aanvaarding, op dezelfde datum, van de douaneaangifte voor het vrije verkeer van niet van oorsprong zijnde goederen die gebruikt zijn voor de vervaardiging van veredelingsproducten ter beëindiging van de regeling actieve veredeling.
Indien de goederen vóór 28 september 2017 in het vrije verkeer waren gebracht of indien geen bewijs van oorsprong was afgegeven, zou de "no-drawback"-regel niet van toepassing zijn geweest.
XII – Overgangsbepalingen
266. Vergunningen voor actieve veredeling of voor behandeling onder douanetoezicht verleend op basis van vroegere communautair douanewetboek (Verordening (EEG) nr. 2913/92 of Verordening (EEG) nr. 2454/93) blijven geldig, zonder herbeoordeling, vanaf 1 mei 2016 tot het verstrijken van die duur, voor zover zij niet ingrijpend worden gewijzigd (zo is de toevoeging van onder de regeling te plaatsen goederen mogelijk, mits een onderzoek van de economische voorwaarden daardoor niet noodzakelijk is).
267. Voorwaarden waaronder die vergunningen vanaf 1 mei 2016 worden toegepast zijn die welke zijn vastgesteld in de huidige overeenkomstige bepalingen van DWU, DWU-DA en DWU-IA zoals aangegeven in de concordantietabel in bijlage 90 DA.
Vergunningen voor behandeling onder douanetoezicht regeling die na 1 mei 2016 nog geldig zijn, kunnen als vergunning voor actieve veredeling worden gebruikt, mits de invoerrechten worden berekend overeenkomstig artikel 85 van het DWU.
In het geval van een vergunning voor actieve veredeling die vóór 1 mei 2016 is afgegeven, moet het bedrag aan invoerrechten op verwerkte producten die voor het vrije verkeer worden aangegeven, worden berekend overeenkomstig artikel 86 § 3 van het DWU. Wanneer de vergunninghouder voor een vergunning voor actieve veredeling (schorsingsregeling) die vóór 1 mei 2016 is verleend, om toepassing van artikel 122, onder c), van het communautair douanewetboek heeft verzocht, kan de berekening van de invoerrechten niet worden vastgesteld op basis van artikel 85 § 1 van het DWU, aangezien dit geval niet in bijlage 90, punt 15 DWU-DA, maar op basis van artikel 86 § 3 van het DWU is vermeld.
Wanneer deze vergunningen verwijzingen bevatten naar Verordening (EEG) nr. 2913/92 of Verordening (EEG) nr. 2454/93, worden deze verwijzingen gelezen volgens de concordantietabel in bijlage 90 DWU-DA.
268. Wanneer goederen vóór 1 mei 2016 zijn aangegeven voor de regeling actieve veredeling of behandeling onder douanetoezicht overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2913/92 en op die datum nog niet zijn vrijgegeven, worden zij voor de in de aangifte vermelde regeling vrijgegeven overeenkomstig de huidige desbetreffende bepalingen van DWU, DWU-DA en DWU-IA.
269. Wanneer goederen vóór 1 mei 2016 onder de regeling actieve veredeling in de vorm van het schorsingssysteem of regeling behandeling onder douanetoezicht werden geplaatst en de regeling vóór die datum niet is aangezuiverd, wordt de regeling aangezuiverd overeenkomstig de huidige desbetreffende bepalingen van DWU, DWU-DA en DWU-IA.
270. Wanneer goederen vóór 1 mei 2016 onder de regeling actieve veredeling in de vorm van het terugbetalingssysteem werden geplaatst en de regeling vóór die datum niet is aangezuiverd, wordt de regeling aangezuiverd overeenkomstig de vroegere desbetreffende bepalingen van Verordening (EEG) nr. 2913/92 en Verordening (EEG) nr. 2454/93.
271. Douaneautoriteiten kunnen vóór 1 mei 2016 ingediende aanvragen voor het verlenen van vergunningen overeenkomstig het DWU aanvaarden. Deze vergunningen zijn echter niet geldig vóór 1 mei 2016.
272. Onderhavige circulaire wordt onmiddellijk van kracht. Zij vervangt en trekt al de wettelijke en reglementaire bepalingen (en de opmerkingen daarop) van Instructie Actieve Veredeling 2002 (D.I. 551.001) in.
Voor de Administrateur-generaal,
Jo Lemaire,
Adviseur-generaal
Interne referentie: DI 551.001 – OEO-DD 015.819
BIJLAGEN
BIJLAGE I – Bijlage 71-02, 71-03, 71-04, 71-05, 71-06 en 90 DWU-DA
Bijlage 71-02 – Gevoelige goederen en producten
Deze bijlage ziet op de volgende goederen:
(1) De volgende landbouwproducten die onder een van de volgende sectoren van de gemeenschappelijke marktordening (GMO) vallen:
Sector rundsvlees: de in artikel 1, lid 2, onder o), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel XV van bijlage I bij die verordening;
Sector varkensvlees: de in artikel 1, lid 2, onder q), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel XVII van bijlage I bij die verordening;
Sector schapen- en geitenvlees: de in artikel 1, lid 2, onder r), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel XVIII van bijlage I bij die verordening;
Sector eieren: de in artikel 1, lid 2, onder s), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel XIX van bijlage I bij die verordening;
Sector pluimveevlees: de in artikel 1, lid 2, onder t), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel XX van bijlage I bij die verordening;
Bijenteeltproducten: de in artikel 1, lid 2, onder v), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel XXII van bijlage I bij die verordening;
Sector granen: de in artikel 1, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel I van bijlage I bij die verordening;
Sector rijst: de in artikel 1, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel II van bijlage I bij die verordening;
Sector suiker: de in artikel 1, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel III van bijlage I bij die verordening;
Sector olijfolie: de in artikel 1, lid 2, onder g), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel VII van bijlage I bij die verordening;
Sector melk en zuivelproducten: de in artikel 1, lid 2, onder p), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel XVI van bijlage I bij die verordening;
Sector wijn: de in artikel 1, lid 2, onder l), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel XII van bijlage I bij die verordening;
0806 10 90
2009 61
2009 69
2204 21 (met uitzondering van BOB- en BGA-kwaliteitswijnen)
2204 29 (met uitzondering van BOB- en BGA-kwaliteitswijnen)
2204 30
(2) Ethylalcohol en gedistilleerde dranken vallende onder GN-codes:
2207 10
2207 20
2208 40 39 - 2208 40 99
2208 90 91 - 2208 90 99
(3) ex 24 01 ruwe en niet tot verbruik bereide tabak
(4) Andere dan de onder 1 en 2 bedoelde producten waarvoor een uitvoerrestitutie voor landbouwproducten geldt.
(5) De visserijproducten die zijn opgenomen in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten en de producten die zijn opgenomen in bijlage V bij die verordening waarop een gedeeltelijke autonome schorsing van toepassing is.
(6) Alle visserijproducten waarop een autonoom contingent van toepassing is.
Bijlage 71-03 - Lijst van toegestane gebruikelijke behandelingen
Tenzij anders vermeld, kan geen van de navolgende behandelingen aanleiding geven tot een indeling onder een andere achtcijfercode van de GN
Bovendien kan geen van de volgende behandelingen leiden tot een ongerechtvaardigd voordeel op het gebied van de rechten bij invoer.
Voor de toepassing van de vorige alinea wordt elk van de hierna opgenomen gebruikelijke behandelingen die een wijziging in de GN of in de oorsprong van niet-Uniegoederen omvatten, geacht te leiden tot een ongerechtvaardigd voordeel op het gebied van de rechten bij invoer indien de goederen op het tijdstip waarop de gebruikelijke behandelingen aanvangen, onderworpen zouden zijn aan een voorlopig of definitief antidumpingrecht, een compenserend recht, een vrijwaringsmaatregel of een aanvullend recht dat voortvloeit uit een schorsing van concessies indien zij werden aangegeven voor het vrije verkeer.
(1) het luchten, uitspreiden, drogen, stof wegruimen, eenvoudige schoonmaakhandelingen, herstelling van de verpakking, eenvoudige herstellingen van gedurende het vervoer of de opslag opgelopen beschadigingen in zoverre dit eenvoudige handelingen betreft, het aanbrengen of weghalen van beschermende bekleding met het oog op het vervoer;
(2) het herconstrueren van goederen na het vervoer;
(3) het inventariseren, het nemen van monsters, het sorteren, zeven, mechanisch filteren of wegen van de goederen;
(4) het verwijderen van beschadigde of aangetaste delen;
(5) het verbeteren van de houdbaarheid van de goederen door middel van pasteurisatie, sterilisatie, bestraling of toevoeging van bewaarmiddelen;
(6) het behandelen tegen parasieten;
(7) het behandelen tegen roest;
(8) behandelingen die slechts bestaan uit:
— het verhogen van de temperatuur, zonder verdere behandeling of distillatie, of
— het verlagen van de temperatuur,
ook indien dit tot indeling onder een andere achtcijfercode van de GN leidt;
(9) elektrostatische behandeling, het ontkreuken of strijken van textiel;
(10) behandelingen bestaande uit:
— het verwijderen van steeltjes en/of pitten van fruit, het in stukken breken of snijden van gedroogde groenten en fruit, de rehydratering van fruit, of
— de dehydratering van fruit, ook indien dit tot indeling onder een andere achtcijfercode van de GN leidt;
(11) het ontzilten, schoonmaken en crouponeren van huiden;
(12) het toevoegen van goederen of toevoeging of vervanging van bijkomende componenten zolang deze toevoeging of vervanging relatief beperkt is en slechts bedoeld om aan technische eisen te voldoen en de aard of de prestaties van de oorspronkelijke goederen hierdoor niet worden gewijzigd of verbeterd, ook indien dit tot indeling van de toegevoegde of vervangende goederen onder een andere achtcijfercode van de GN leidt;
(13) het verdunnen of indikken van vloeistoffen, zonder verdere behandeling of distillatie, ook indien dit tot indeling onder een andere achtcijfercode van de GN leidt;
(14) het mengen van dezelfde soort goederen, van verschillende kwaliteit, om een constante kwaliteit te verkrijgen of een kwaliteit waarom de afnemer heeft gevraagd, zonder dat de aard van de goederen hierdoor wordt gewijzigd;
(15) het mengen van gas- of stookolie zonder biodiesel met gas- of stookolie met biodiesel, ingedeeld onder hoofdstuk 27 van de GN, om een constante kwaliteit te verkrijgen of een kwaliteit waar de afnemer om heeft gevraagd, zonder dat de aard van de goederen hierdoor wordt gewijzigd, ook indien dit tot indeling onder een andere achtcijfercode van de GN leidt;
(16) het mengen van gas- of stookolie met biodiesel zodat het verkregen mengsel minder dan 0,5 volumepercent aan biodiesel bevat, en het mengen van biodiesel met gas- of stookolie zodat het verkregen mengsel minder dan 0,5 volumepercent aan gas- of stookolie bevat;
(17) het opdelen of in stukken snijden van de goederen indien dit op eenvoudige wijze is te doen;
(18) het verpakken, uitpakken, ompakken, het overgieten of overbrengen in een andere verpakking, ook indien dit tot indeling onder een andere achtcijfercode van de GN leidt; het bevestigen, verwijderen of wijzigen van merktekens, etiketten, prijskaartjes of andere onderscheidingstekens;
(19) het testen, bijstellen, afstellen en in werking stellen van machines, apparaten en voertuigen, met name om aan technische normen te voldoen, indien het uitsluitend eenvoudige handelingen betreft;
(20) het mat maken van pijpfittingen om deze op bepaalde markten te kunnen verkopen;
(21) het denatureren, ook indien dit tot indeling onder een andere achtcijfercode van de GN leidt;
(22) andere gebruikelijke behandelingen dan de bovenvermelde die tot doel hebben de presentatie of handelskwaliteit van de invoergoederen te verbeteren of deze voor te bereiden op de distributie of wederverkoop, voor zover deze behandelingen de aard van de oorspronkelijke goederen niet wijzigen of de prestaties ervan verbeteren.
Bijlage 71-04 - Bijzondere bepalingen inzake equivalente goederen
I. DOUANE-ENTREPOT, ACTIEVE EN PASSIEVE VEREDELING
Traditioneel geproduceerde goederen en biologische goederen
Het is niet toegestaan:
— biologische goederen te vervangen door traditioneel geproduceerde goederen; en
— traditioneel geproduceerde goederen te vervangen door biologische goederen.
II. ACTIEVE VEREDELING
(1) Rijst
Onder GN-code 1006 ingedeelde rijst wordt niet geacht equivalent te zijn tenzij deze onder dezelfde achtcijfercode van de gecombineerde nomenclatuur is ingedeeld. Voor rijst met een lengte van niet meer dan 6 mm en een lengte/breedte-verhouding van 3 of meer en voor rijst met een lengte van 5,2 mm of minder en een lengte/breedte-verhouding van 2 of meer wordt de equivalentie evenwel uitsluitend bepaald door de lengte/breedte-verhouding. De meting van de korrels geschiedt overeenkomstig de bepalingen van bijlage A, punt 2, onder d), van Verordening (EG) nr. 3072/95 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt.
(2) Tarwe
Equivalentieverkeer is uitsluitend toegestaan tussen tarwe die in een derde land is geoogst en reeds in het vrije verkeer is gebracht, en niet-EU-tarwe die onder dezelfde achtcijfercode van de GN is ingedeeld en dezelfde handelskwaliteit en dezelfde technische kenmerken heeft.
Niettemin:
— kunnen afwijkingen op het verbod tot gebruik van equivalente goederen worden toegestaan door middel van een mededeling van de Commissie aan de lidstaten, na onderzoek van het Comité;
— is equivalentieverkeer toegestaan tussen harde EU-tarwe en harde tarwe uit derde landen, mits deze bestemd is voor de vervaardiging van deegwaren van de GN-codes 1902 11 00 en 1902 19
(3) Suiker
Equivalentieverkeer is toegestaan tussen ruwe niet-EU-rietsuiker (GN-codes 1701 13 90 en/of 1701 14 90 ) en suikerbiet (GN-code 1212 91 80 ), mits veredelingsproducten worden verkregen die zijn ingedeeld onder GN-code 1701 99 10 (witte suiker).
De equivalente hoeveelheid ruwe rietsuiker van de standaardkwaliteit zoals gedefinieerd in punt III van deel B van bijlage III bij Verordening (EU) nr. 1308/2013 wordt berekend door de hoeveelheid witte suiker te vermenigvuldigen met de coëfficiënt 1,0869565.
De equivalente hoeveelheid ruwe rietsuiker die niet van de standaardkwaliteit is, wordt berekend door de hoeveelheid witte suiker te vermenigvuldigen met een coëfficiënt die wordt verkregen door 100 te delen door het rendement van ruwe rietsuiker. Het rendement van ruwe rietsuiker wordt berekend zoals bepaald in punt III van deel B van bijlage III bij Verordening (EU) nr. 1308/2013.
(4) Levende dieren en vlees
Equivalente goederen mogen niet worden gebruikt bij de actieve veredeling van levende dieren of vlees.
Afwijkingen op het verbod tot gebruik van equivalente goederen voor vlees kunnen worden toegestaan door middel van een mededeling van de Commissie aan de lidstaten, na onderzoek door een instantie bestaande uit vertegenwoordigers van de douanediensten van de lidstaten, indien de aanvrager kan aantonen dat het equivalentieverkeer economisch noodzakelijk is en indien de douaneautoriteiten het ontwerp van de geplande controlemaatregelen voorleggen.
(5) Mais
Equivalentieverkeer tussen EU-mais en niet-EU-mais is uitsluitend toegestaan voor:
(1) mais die voor de vervaardiging van diervoeder is bestemd, indien de douane erop toeziet dat de niet-EU-mais daadwerkelijk tot diervoeder wordt verwerkt;
(2) mais die voor de vervaardiging van zetmeel en zetmeelproducten is bestemd, tussen alle variëteiten met uitzondering van de variëteiten met een hoog gehalte aan amylopectine (wasachtige mais of „waxy mais”), die uitsluitend onderling equivalent zijn;
(3) mais die voor de vervaardiging van meelproducten is bestemd, tussen alle variëteiten met uitzondering van glasachtige maissoorten („Plata”-mais van het type „Duro”, „Flint”-mais), die uitsluitend onderling equivalent zijn.
(6) Olijfolie
A. Equivalentieverkeer is uitsluitend toegestaan in de volgende gevallen:
(1) voor olijfolie van de eerste persing:
a) tussen extra EU-olijfolie van de eerste persing van GN-code 1509 10 90 die voldoet aan de beschrijving in punt 1, onder a), van deel VIII van bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 1308/2013, en extra niet-EU-olijfolie van de eerste persing van dezelfde GN-code, mits bij de veredeling extra olijfolie van de eerste persing wordt verkregen die onder dezelfde GN-code is ingedeeld en die aan de eisen van voornoemd punt 1, onder a), voldoet;
b) tussen EU-olijfolie van de eerste persing van GN-code 1509 10 90 die voldoet aan de beschrijving in punt 1, onder b), van deel VIII van bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 1308/2013, en niet-EU-olijfolie van de eerste persing van dezelfde GN-code, mits bij de veredeling olijfolie van de eerste persing wordt verkregen die onder dezelfde GN-code is ingedeeld en die aan de eisen van voornoemd punt 1, onder b), voldoet;
c) tussen EU-olijfolie van de eerste persing, voor verlichting, van GN-code 1509 10 10 die voldoet aan de beschrijving in punt 1, onder c), van deel VIII van bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 1308/2013, en niet-EU-olijfolie van de eerste persing, voor verlichting, van dezelfde GN-code, mits het veredelingsproduct:
— geraffineerde olijfolie is van GN-code 1509 90 00 die voldoet aan de beschrijving in punt 2 van deel VIII van bovengenoemde bijlage VII, of
— olijfolie is van GN-code 1509 90 00 die voldoet aan de beschrijving in punt 3 van bovengenoemde van deel VIII van bovengenoemde bijlage VII en verkregen is door vermenging met EU-olijfolie van de eerste persing van GN-code 1509 10 90 .
(2) voor olie uit perskoeken van olijven:
tussen ruwe EU-olie uit perskoeken van olijven van GN-code 1510 00 10 die voldoet aan de beschrijving in punt 4 van deel VIII van bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 1308/2013, en ruwe niet-EU-olie uit perskoeken van olijven van dezelfde GN-code, mits het veredelingsproduct olie uit perskoeken van olijven is van GN-code 1510 00 90 die voldoet aan de beschrijving in punt 6 van deel VIII van bovengenoemde bijlage VII en verkregen is door vermenging met EU-olijfolie van de eerste persing van GN-code 1509 10 90 .
B. De menging van de in punt A, 1), onder c), tweede streepje, en in punt A, 2), bedoelde oliën met niet-EU-olijfolie van de eerste persing die op dezelfde wijze wordt gebruikt, is uitsluitend toegestaan indien de controle op de regeling zodanig is dat het aandeel niet-EU-olie van de eerste persing in de totale hoeveelheid uitgevoerde gemengde olie kan worden vastgesteld.
C. De veredelingsproducten dienen te worden verpakt in onmiddellijke verpakkingen met een inhoud van 220 liter of minder. In afwijking hiervan kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat de in de voorgaande punten omschreven olie wordt uitgevoerd in toegelaten containers van maximaal 20 ton, mits de hoeveelheid en de kwaliteit van het uitgevoerde product systematisch worden gecontroleerd.
D. De equivalentie wordt, wat de voor de menging gebruikte hoeveelheid olie betreft, gecontroleerd aan de hand van de administratie van de onderneming. Voor de controle van de kwaliteit wordt een vergelijking gemaakt van de technische kenmerken van de monsters van de niet-EU-olie, genomen toen de olie onder de regeling werd geplaatst, met de technische kenmerken van de monsters van de EU-olie, genomen toen het betrokken veredelingsproduct werd verwerkt, en met de technische kenmerken van de monsters, genomen op de plaats van uitgang toen het veredelingsproduct daadwerkelijk werd uitgevoerd. Monsters worden genomen volgens de internationale normen EN ISO 5555 (bemonstering) en EN ISO 661 (verzending van monsters naar laboratoria en preparatie van monsters voor proefnemingen). De analyse wordt verricht volgens het bepaalde in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2568/91 van de Commissie (1).
III. PASSIEVE VEREDELING
[…]
_____________________
(1) PB L 248 VAN 5.9.1991, blz. 1.
Bijlage 71-05 - Gestandaardiseerde uitwisseling van inlichtingen (INF)
Deel A
Gestandaardiseerde uitwisseling van inlichtingen (INF) tussen de douaneautoriteiten is nog niet vereist, maar het controlekantoor dient de relevante INF-gegevenselementen in het elektronische INF-systeem te verstrekken
Het controlekantoor dient de volgende gegevenselementen te verstrekken overeenkomstig artikel 181, lid 1. Indien in een douaneaangifte of een aangifte tot/kennisgeving van wederuitvoer naar een INF wordt verwezen, dienen de bevoegde douaneautoriteiten aanvullende gegevenselementen te verstrekken overeenkomstig artikel 181, lid 3.
De houder van een vergunning voor actieve veredeling IM/EX waarbij één lidstaat is betrokken, kan het controlekantoor verzoeken om de relevante INF-gegevenselementen beschikbaar te stellen via het elektronische INF-systeem ter voorbereiding van de gestandaardiseerde inlichtingenuitwisseling tussen de douaneautoriteiten, indien de bevoegde douaneautoriteit om een dergelijke INF heeft verzocht.
Noot:
(V) betekent verplicht en (O) optioneel.
Gemeenschappelijke gegevenselementen | Opmerkingen |
Vergunningnummer/nummre van de aangifte (V) | |
Persoon die het verzoek doet (V) | Voor identificatiedoeleinden gebruikt EORI-nummer |
Aangever (O) | Uitsluitend indien deze persoon niet de houder van de vergunning is |
INF-nummer (V) | Uniek nummer toegekend door het controlekantoor |
Controlekantoor (V) | Voor identificatiedoeleinden wordt normaliter de COL-code gebruikt. |
Douanekantoor dat gebruikmaakt van de INF-gegevenselementen (O) | Voor identificatiedoeleinden wordt normaliter de COL-code gebruikt. Dit gegevenselement zal worden verstrekt als de INF-gegevenselementen daadwerkelijk worden gebruikt. |
Omschrijving van de goederen die onder de INF vallen (V) | |
GN-code, nettohoeveelheid (inclusief nettomassa en/of aanvullende eenheden (bijzondere maatstaf) indien van toepassing), waarde van de goederen (met vermelding van de betreffende valuta) (V) | Deze gegevenselementen hebben betrekking op de totale nettohoeveelheid van de goederen waarvoor de INF wordt gevraagd. Voordat de desbetreffende douaneaangifte(n) wordt/ worden ingediend, moet de tariefindeling van goederen dezelfde zijn als die welke in de door de bevoegde douaneautoriteiten verleende vergunning is bepaald. Voordat de desbetreffende douaneaangifte wordt ingediend, kan de waarde worden geraamd op basis van de door de bevoegde douaneautoriteiten verleende vergunning. |
Omschrijving van de veredelingsproducten die onder de INF vallen (V) | |
GN-code, nettohoeveelheid (inclusief nettomassa en/of aanvullende eenheden (bijzondere maatstaf) indien van toepassing), waarde van de veredelingsproducten (met vermelding van de betreffende valuta) (V) | Deze gegevenselementen hebben betrekking op de totale nettohoeveelheid van veredelingsproducten waarvoor de INF wordt gevraagd. Voordat de desbetreffende douaneaangifte(n) wordt/worden ingediend, moet de tariefindeling van veredelingsproducten dezelfde zijn als die welke in de door de bevoegde douaneautoriteiten verleende vergunning is bepaald. Voordat de desbetreffende douaneaangifte wordt ingediend, kan de waarde worden geraamd op basis van de door de bevoegde douaneautoriteiten verleende vergunning. |
Gegevens van de douaneaangifte(n) waarmee de goederen onder de bijzondere regeling zijn geplaatst (O) | Indien in een douaneaangifte naar de INF wordt verwezen, dient dit gegevenselement te worden verstrekt door het douanekantoor van plaatsing. |
MRN (O) | Dit gegevenselement kan worden verstrekt als de INF-gegevenselementen daadwerkelijk worden gebruikt. |
Opmerkingen (O) | Aanvullende informatie kan worden ingevoerd. |
Specifieke gegevenselementen AV | Opmerkingen |
Indien een douaneschuld ontstaat, wordt het bedrag aan invoerrechten berekend in overeenstemming met artikel 86, lid 3, van het wetboek (O) | — |
Equivalente goederen (O) | — |
Voorafgaande uitvoer (O) | — |
AV IM/EX (als bedoeld in artikel 1, punt 30) | |
De douaneaangifte tot plaatsing onder de regeling actieve veredeling werd aanvaard (O) | Indien in een douaneaangifte naar de INF wordt verwezen, dient dit gegevenselement te worden verstrekt door het douanekantoor van plaatsing. |
Noodzakelijke gegevens voor de toepassing van handelspolitieke maatregelen (O) | — |
Uiterste datum voor aanzuivering (O) | Indien in een douaneaangifte naar de INF wordt verwezen, dient dit gegevenselement te worden verstrekt door het douanekantoor van plaatsing. |
GN-code, nettohoeveelheid (inclusief nettomassa en/of aanvullende eenheden (bijzondere maatstaf), waarde (met vermelding van de relevante valuta) (V) | Vermeld de hoeveelheid onder AV geplaatste goederen. Dit gegevenselement dient te worden verstrekt door het douanekantoor van plaatsing. |
De aanzuiveringsaangifte werd aanvaard (O) | Indien in een douaneaangifte naar de INF wordt verwezen, dient dit gegevenselement te worden verstrekt door het douanekantoor van aanzuivering. |
GN-code, nettohoeveelheid (inclusief nettomassa en/of aanvullende eenheden (bijzondere maatstaf) indien van toepassing), waarde (met vermelding van de relevante valuta) (V) | Vermeld bij aanzuivering de beschikbare hoeveelheid veredelingsproducten. Dit gegevenselement dient te worden verstrekt door het douanekantoor van aanzuivering. |
Datum van uitgang en resultaat bij uitgang (O) | Deze gegevenselementen dienen te worden verstrekt door het douanekantoor van uitgang. |
AV EX/IM (als bedoeld in artikel 1, punt 29) | |
De uitvoeraangifte in het kader van AV EX/IM werd aanvaard (O) | Indien in een uitvoeraangifte naar de INF wordt verwezen, dient dit gegevenselement te worden verstrekt door het douanekantoor van uitvoer. |
Noodzakelijke gegevens voor de toepassing van handelspolitieke maatregelen (O) | |
Uiterste datum voor de plaatsing van niet-Uniegoederen, die zijn vervangen door equivalente goederen, onder de regeling actieve veredeling (O) | Indien in een douaneaangifte naar de INF wordt verwezen, dient dit gegevenselement te worden verstrekt door het douanekantoor van uitvoer. |
GN-code, nettohoeveelheid (inclusief nettomassa en/of aanvullende eenheden (bijzondere maatstaf) indien van toepassing), waarde (met vermelding van de relevante valuta) (V) | Vermeld de hoeveelheid goederen die onder AV kunnen worden geplaatst. Dit gegevenselement dient te worden verstrekt door het douanekantoor van uitvoer. |
Datum van uitgang en resultaat bij uitgang | Deze gegevenselementen dienen te worden verstrekt door het douanekantoor van uitgang. |
Datum van plaatsing van niet-Uniegoederen, die zijn vervangen door equivalente goederen, onder de regeling actieve veredeling (O) | Indien in een douaneaangifte naar de INF wordt verwezen, dient dit gegevenselement te worden verstrekt door het douanekantoor van plaatsing. |
GN-code, nettohoeveelheid (inclusief nettomassa en/of aanvullende eenheden (bijzondere maatstaf) indien van toepassing), waarde (met vermelding van de relevante valuta) (V) | Vermeld bij plaatsing van niet-Uniegoederen onder de regeling actieve veredeling de beschikbare hoeveelheid. Dit gegevenselement dient te worden verstrekt door het douanekantoor van plaatsing. |
Deel B
Gestandaardiseerde uitwisseling van inlichtingen (INF) tussen de douaneautoriteiten is vereist, maar de INF-gegevenselementen zijn nog niet beschikbaar in het elektronische INF-systeem
(1) De bevoegde douaneautoriteit zoals bedoeld in artikel 101, lid 1, van het wetboek heeft om een INF verzocht tussen de douaneautoriteiten in overeenstemming met artikel 181, lid 2, omdat een douaneschuld is ontstaan in overeenstemming met artikel 77, lid 1, onder a), of artikel 79, lid 1, van het wetboek voor veredelingsproducten die onder de regeling actieve veredeling IM/EX zijn verkregen. De berekening van het bedrag aan invoerrechten dient te geschieden in overeenstemming met artikel 86, lid 3, van het wetboek maar de bevoegde douaneautoriteit heeft geen informatie over de goederen die onder de regeling actieve veredeling IM/EX zijn geplaatst.
(2) De bevoegde douaneautoriteit zoals bedoeld in artikel 101, lid 1, van het wetboek heeft om een INF verzocht tussen de douaneautoriteiten in overeenstemming met artikel 181, lid 2, omdat een douaneschuld is ontstaan in overeenstemming met artikel 77, lid 1, onder a), of artikel 79, lid 1, van het wetboek voor veredelingsproducten die onder de regeling actieve veredeling IM/EX zijn verkregen en ten aanzien waarvan handelspolitieke maatregelen gelden.
(3) In situaties die onder de punten 1 en 2 hierboven vallen, dient de bevoegde douaneautoriteit de volgende gegevenselementen te verstrekken:
Gemeenschappelijke gegevenselementen | Opmerkingen |
Soort verzoek (V) | De regeling moet worden geïdentificeerd (AV of AV HPM). Het gegevenselement „Soort verzoek” is alleen nodig wanneer in de douaneaangifte niet naar een INF wordt verwezen. |
De bevoegde douaneautoriteit zoals bedoeld in artikel 101, lid 1, van het wetboek (V) | Voor identificatiedoeleinden wordt normaliter de COL-code gebruikt. |
Vergunningnummer (V) | — |
HPM (O) | |
Controlekantoor dat het verzoek ontvangt (V) | Voor identificatiedoeleinden wordt normaliter de COL-code gebruikt. |
Omschrijving van de goederen of veredelingsproducten waarvoor de INF wordt gevraagd (V) | — |
GN-code, nettohoeveelheid, waarde (V) | |
MRN (O) | |
Datum waarop de douaneschuld is ontstaan of waarop (een) handelspolitieke maatregel(en) geldt/gelden (O) | |
Opmerkingen (O) | Aanvullende informatie kan worden ingevoerd. |
Het controlekantoor dat het verzoek ontvangt, dient de volgende gegevenselementen beschikbaar te maken:
Specifieke gegevenselementen AV IM/EX | Opmerkingen |
Het bedrag aan invoerrechten dat moet worden geboekt en aan de schuldenaar moet worden meegedeeld in overeenstemming met artikel 86, lid 3, van het wetboek (O) | — |
Noodzakelijke gegevens voor de toepassing van handelspolitieke maatregelen (O) | — |
INF-nummer (V) | Uniek nummer toegekend door het controlekantoor |
MRN (O) | — |
Bijlage 71-06 - In de aanzuiveringsafrekening te verstrekken inlichtingen
a) referentienummer van de vergunning;
b) de hoeveelheid van elk soort goederen die onder de bijzondere regeling zijn geplaatst waarvoor aanzuivering wordt gevraagd;
c) de GN-code van de goederen die onder de bijzondere regeling zijn geplaatst;
d) de invoerrechten (%) die van toepassing zijn op de goederen die onder de bijzondere regeling zijn geplaatst en, in voorkomend geval, de douanewaarde;
e) verwijzingen naar de douaneaangiften waarmee de goederen onder de bijzondere regeling zijn geplaatst;
f) de soort en de hoeveelheid veredelingsproducten of onder de regeling geplaatste goederen en de verwijzing naar de daaropvolgende douaneaangifte of enig ander document betreffende de aanzuivering van de regeling;
g) de GN-code en de douanewaarde van de veredelingsproducten, indien bij de aanzuivering gebruik wordt gemaakt van de waardesleutel;
h) het opbrengstpercentage;
i) het te betalen bedrag aan invoerrechten. Wanneer artikel 175, lid 4, toepassing vindt, dient dit te worden vermeld;
j) de aanzuiveringstermijnen.
Bijlage 90 - Concordantietabel zoals bedoeld in artikel 254
Toepasselijke bepalingen krachtens Verordening (EEG) nr. 2913/92 en Verordening (EEG) nr. 2454/93 | Toepasselijke bepalingen krachtens het wetboek, deze verordening en Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 | |
1 | Geautoriseerde marktdeelnemer Voorwaarden en criteria voor de afgifte van een AEO-certificaat | Geautoriseerde marktdeelnemer — criteria voor het verlenen van de AEO-status |
2 | Doorlopende zekerheid, met inbegrip van de doorlopende zekerheid voor communautair douanevervoer | Vergunning voor het gebruik van een doorlopende zekerheid |
3 | Zekerheidstelling per aangifte in de vorm van bewijzen van zekerheidstelling | Zekerheidstelling per aangifte in de vorm van bewijzen van zekerheidstelling (artikel 160 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447) |
4 | Vergunning voor het beheer van opslagruimten voor tijdelijke opslag | Vergunning voor het beheer van opslagruimten voor tijdelijke opslag |
5 | Vergunning voor vereenvoudigde aangifte (artikel 76, lid 1, onder a) en b), van Verordening (EEG) nr. 2913/92, artikelen 253 tot en met 253 octies, 254, 260 tot en met 262, 269 tot en met 271, 276 tot en met 278, 282 en 289 van Verordening (EEG) nr. 2454/93) | Vergunning voor vereenvoudigde aangifte (artikel 166, lid 2, en artikel 167 van het wetboek, artikelen 145 tot en met 147 van deze verordening en artikelen 223, 224 en 225 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447) |
6 | Vergunning voor domiciliëringsprocedure (artikel 76, lid 1, onder c), van Verordening (EEG) nr. 2913/92, artikelen 253 tot en met 253 octies, 263 tot en met 267, 272 tot en met 274, 276 tot en met 278, 283 tot en met 287 van Verordening (EEG) nr. 2454/93) | Vergunning voor inschrijving in de administratie van de aangever (artikel 182 van het wetboek, artikel 150 van deze verordening en artikelen 233 tot en met 236 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447) |
7 | Grensoverschrijdende vergunning voor vereenvoudigde aangifte (artikel 1, punt 13, en artikelen 253 nonies tot en met 253 quaterdecies van Verordening (EEG) nr. 2454/93) | Vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking (artikel 179 van het wetboek, artikel 149 van deze verordening en artikelen 229 tot en met 232 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447) |
8 | Vergunning voor het onderhouden van een lijndienst | Vergunning voor het onderhouden van een lijndienst |
9 | Vergunning voor de toegelaten afzender om een bewijs van T2L- of T2LF-status of een handelsdocument op te stellen zonder dat dit de douane ter aftekening moet worden voorgelegd (artikel 324 bis van Verordening (EEG) nr. 2454/93) | Vergunning voor de toegelaten afgever om een bewijs van T2L- of T2LF-status of een douanemanifest af te geven zonder dat dit de douane ter visering moet worden voorgelegd (artikel 128 van deze verordening) |
10 | Vergunning voor bananenwegers (artikelen 290 bis tot en met 290 quater van Verordening (EEG) nr. 2454/93) | Vergunning voor bananenwegers (artikelen 155 tot en met 157 van deze verordening, en artikelen 251 en 252 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447) |
11 | Vergunning toegelaten afzender voor communautair douanevervoer | Vergunning voor de status van toegelaten afzender, op grond waarvan de vergunninghouder goederen onder de regeling Uniedouanevervoer mag plaatsen zonder deze aan te brengen bij de douane |
12 | Vergunning toegelaten geadresseerde voor communautair douanevervoer | Vergunning voor de status van toegelaten geadresseerde, op grond waarvan de vergunninghouder onder de regeling Uniedouanevervoer vervoerde goederen op een goedgekeurde plaats mag ontvangen om de regeling overeenkomstig artikel 233, lid 2, van het wetboek te beëindigen |
13 | Vergunning toegelaten geadresseerde voor TIR-vervoer | Vergunning toegelaten geadresseerde voor TIR-doeleinden |
14 | Vergunning voor behandeling onder douanetoezicht | Vergunning voor actieve veredeling |
15 | Vergunning voor actieve veredeling (schorsingssysteem) | Vergunning voor actieve veredeling |
16 | Vergunning voor actieve veredeling (terugbetalingssysteem) | Vergunning voor actieve veredeling |
17 | Vergunning voor het beheer van een opslagruimte als douane-entrepot type A | Vergunning voor een publiek douane-entrepot type I |
18 | Vergunning voor het beheer van een opslagruimte als douane-entrepot type B | Vergunning voor een publiek douane-entrepot type II |
19 | Vergunning voor het beheer van een opslagruimte als douane-entrepot type C | Vergunning voor een particulier douane-entrepot |
20 | Vergunning voor het beheer van een opslagruimte als douane-entrepot type D | Vergunning voor een particulier douane-entrepot |
21 | Vergunning voor het beheer van een opslagruimte als douane-entrepot type E | Vergunning voor een particulier douane-entrepot |
22 | Vergunning voor het beheer van een opslagruimte als douane-entrepot type F | Vergunning voor een publiek douane-entrepot type III |
23 | Vergunning voor vrije zone controletype I | Vergunning voor vrije zone |
24 | Vergunning voor vrije zone controletype II | Vergunning voor douane-entrepot |
25 | Vergunning voor vrij entrepot | Vergunning voor douane-entrepot |
26 | Vergunning voor het gebruik van een verzegeling van een bijzonder model | Vergunning voor het gebruik van een verzegeling van een bijzonder model wanneer verzegeling vereist is om de identificatie van de onder de regeling Uniedouanevervoer geplaatste goederen te garanderen |
27 | Vergunning voor passieve veredeling | Vergunning voor passieve veredeling |
28 | Vergunning voor tijdelijke invoer | Vergunning voor tijdelijke invoer |
29 | Vergunning voor bijzondere bestemming | Vergunning voor bijzondere bestemming |
BIJLAGE III – Concordantietabel tussen wettelijke en/of interpretatieve bepalingen en paragrafen van deze circulaire
§ circu-laire | Wettelijk bepalingen | Interpretatieve bepalingen |
1 | 4 en 5 DWU, 1 DA, 1 IA | |
2 | ||
3 | ||
4 | ||
5 | 5(16) en 210 DWU | |
6 | ||
7 | ||
8 | 22 TDA, bijlage 12 TDA, 2(1,7) DA | |
9 | 256(1) DWU | Gids V 13-EN, bladzijde 47 |
10 | 5(37), 256(3) DWU | Gids V 13-EN, bladzijde 48 |
11 | 5(36) DWU | Gids V 13-EN, bladzijden 15 tot 17 |
12 | 211(1) DWU | Gids V 13-EN, bladzijde 7 |
13 | 211(1) DWU | Gids V 13-EN, bladzijde 8 |
14 | 171 DA | |
15 | 260 IA, 261 IA | |
16 | 22(1) DWU, 12 DA, 4/3 Bijlage A DA | Gids V 13-EN, bladzijde 9 |
17 | 173 DA | Gids V 13-EN, bladzijde 7 |
18 | 2(1) DA, 2(7) DA, 2(1) IA, 2(6) IA, 22 TDA, bijlage 12 TDA | |
19 | 164 DA | |
20 | Gids V 13-EN, bladzijden 22 en 23 | |
21 | 257(2) DWU | |
22 | 163(1c) DA | |
23 | 2(8) DA | |
24 | 262 IA, bijvoegsel D1 van bijlage 9 TDA | |
25 | 163(2) DA | |
26 | 163(1c) DA, 163(2a) DA | |
26/1 | 163(1g) DA | |
27 | 211(4a) DWU | |
28 | 23, 27 en 28 DWU | Gids V 13-EN, bladzijde 23 |
29 | 28(1,4) et 30 DWU | Gids V 13-EN, bladzijde 21 |
30 | 211(3a,3b,3d,4a,4b) DWU, 256(2) DWU, 161 DA, 162 DA, 240(3) DA | Gids V 13-EN, bladzijden 11 tot 14 en 47 |
31 | 240(2) DA | |
32 | Publicatie (2001/C 269/01) | |
33 | 211(4b, 5, 6) DWU, 166 DA, 167 DA, 259 IA | |
34 | 211(5) DWU, 166 en 167 DA | Gids V 13-EN, bladzijde 14 en bijlage IV |
35 | ||
36 | Gids V 13-EN, bladzijden 18, 22 en 23 | |
37 | 211(6) DWU, 259 IA | Gids V 13-EN, bladzijde 17 |
38 | 76(2) DA | |
39 | 28(1,4) 4 DWU, 259(6) IA | Gids V 13-EN, bladzijde 21 |
40 | 195 en 211(3c) DWU, 8/2 Bijlage B DA | Gids V 13-EN, bladzijden 12 en 13 |
40/1 | 89, 223 DWU | |
41 | 89 DWU | Gids V 13-EN, bladzijde 13 |
42 | 22(4) DWU | |
43 | 211(2) DWU | Gids V 13-EN, bladzijde 10 |
44 | 172 DA | Gids V 13-EN, bladzijde 11 |
45 | 172(3) DA | |
46 | 211(2e) DWU | Gids V 13-EN, bladzijden 9, 10, 22 en 23 |
47 | 211(1) DWU | |
48 | 211(1) DWU | |
49 | 240(1) DWU, 256(2) DWU, bijlage 12 TDA | |
50 | 5(38) DWU, 255 DWU | Gids V 13-EN, bladzijde 47 |
51 | 255 DWU | Gids V 13-EN, bladzijden 46 en 47 |
52 | ||
53 | ||
54 | 163(1c) DA, Annexe A DA | |
55 | 214 DWU | Gids V 13-EN, bladzijde 24 |
56 | 178(1) DA | Gids V 13-EN, bladzijde 73 |
57 | 178(3) DA | |
58 | 219 DWU | Gids V 13-EN, bladzijden 66 en 76 |
59 | 179(1) DA, 267(4) IA | Gids V 13-EN, bladzijden 31 en 76 |
60 | 179(1) DA, 267(4) IA | |
61 | 267(1) IA | |
62 | 220 DWU, 180 DA, bijlage 71-03 DA | Gids V 13-EN, bladzijde 31 |
63 | Bijlage 71-03 DA | |
64 | Bijlage A DA, Bijlage 12 TDA | |
65 | 182 DA | |
66 | 1(1) DWU, 23(3) DWU | |
67 | 118 DWU, 154b DWU | |
68 | 176(1a) DA | |
69 | 176(1b) en 181(1,4) DA, 271 (1bis) IA | |
70 | 176(2), 181(2) DA, 271(1) IA | |
71 | 176(1c) en 181(3) DA | |
72 | 176(1a) DA | Gids V14-EN, bladzijde 19 en 20 |
73 | ||
74 | 176(1a) DA | Gids V 13-EN, bladzijde 17 |
75 | ||
76 | 158(1) DWU, 163 DWU | |
77 | 5(35a) DWU | Gids V 13-EN, bladzijden 20 en 21 |
78 | bijlage 9 TDA | |
79 | 162 DWU, 166 DWU, 179 DWU, 182 DWU, bijlage 12 TDA | |
80 | 150(6) DA | |
81 | bijlage A DA, bijlage 12 TDA | |
82 | 263 IA | |
83 | 23 TDA | |
84 | 256(1c) DWU | |
85 | 188 DWU | |
86 | 211(1) DWU | |
87 | 77(1a) DWU, 89 DWU | |
88 | 77(1a) DWU, 85(1) DWU | |
89 | 256(1c) DWU | |
90 | 256(1b) DWU | |
91 | 256(1b) DWU | |
92 | 176(1c) DA, 241(1) DA | |
93 | 241(1) DA | |
94 | ||
95 | 176 (2) DA, 271 IA, 23 TDA | |
96 | 176 (1c) DA, bijlage 13 TDA | |
97 | 215(1) DWU | |
98 | ||
99 | ||
100 | 215(1) DWU | |
101 | 256(1) DWU | |
102 | 77(1a) DWU | |
103 | 256(1) DWU | |
104 | 77(1a) DWU | |
105 | bijlage 9 TDA | |
106 | 203 DWU | |
107 | 77(1a) DWU | |
108 | 176(1c) DA | |
109 | 256(1) DWU | |
110 | 5 (16) DWU, 215(1) DWU | |
111 | 162 DWU, 166 DWU, 179 DWU, 182 DWU, bijlage 12 TDA | |
112 | 150(6) DA | |
113 | 264(1, 2, 4) IA | |
114 | 264(2) IA | |
115 | 264(3) IA | |
116 | 215(4) DWU, 257(1) DWU | Gids V 13-EN, bladzijden 7 en 8 |
117 | 257(2) DWU, 174(1) DA | |
118 | 263 IA | |
119 | 176(1c) DA, 240(1) DA | |
120 | 241(1) DA | |
121 | 215(3) DWU | |
122 | 170 DA, 325 IA | |
123 | 257(2) DWU, 174(1) DA | |
124 | 174(2) DA | |
125 | 175(1) DA | |
126 | ||
127 | 175(1,2) DA | |
128 | 175(3) DA | |
129 | 175(4,5) DA | |
130 | 175(6) DA | Gids V 13-EN, bladzijde 17 |
131 | 265 IA | |
132 | 215(1) DWU | |
133 | 5(38) DWU, 255 DWU | |
134 | 79(1a) DWU | Arrest Europees HVJ in zaak C-262/10 |
135 | 77(3), 170(1) en 215(1) DWU, 241(1) DA | Gids V 13-EN, bladzijde 24 |
136 | 170(2,3) DWU | Gids V 13-EN, bladzijde 29 |
137 | ||
138 | 270 DWU | |
139 | 241(1) DA | |
140 | 159 DWU | |
141 | ||
142 | 255 DWU | |
143 | 324 IA | |
144 | 78(2) DWU | |
144/1 | Verordening (EU) 2019/1131 | |
145 | 188 DWU | |
146 | 240(1a) DA | |
147 | 240(1a) DA | |
148 | 176(2) DA | |
149 | 258 DWU | Gids V 13-EN, bladzijden 49 tot 53 |
150 | Gids V 13-EN, bladzijde 74 | |
151 | ||
152 | ||
153 | ||
154 | ||
155 | ||
156 | ||
157 | ||
158 | ||
159 | 324(1,3, 4, 5, 6) IA | Gids V 13-EN, bladzijde 48 |
160 | 324(1,2) IA | |
161 | Document TAXUD/A2/SPE/2012/047/REV2-FR | |
162 | Document TAXUD/A2/SPE/2012/047/REV2-FR | |
163 | 324(1)c) IA | Gids V 13-EN, bladzijde 48 |
164 | 324(4, 5) IA | |
165 | Document TAXUD/A2/SPE/2012/047/REV2-FR | |
166 | ||
167 | ||
168 | Bijlage 9 TDA | |
169 | ||
170 | 170 DA | |
171 | 325 IA | |
172 | ||
173 | 1(1) DWU, 23(3) DWU | |
174 | 77 DWU, 76 DA | |
175 | 86(3) DWU | |
176 | 86(3) DWU | |
177 | 77 DWU | Gids V 13-EN, bladzijden 27 en 28 |
178 | 85(1) DWU | |
179 | 86(1) DWU, 5(37) DWU | Gids V 13-EN, bladzijden 25 en 26 |
180 | 86(2) DWU | |
181 | Bijlage A DA, Bijlage 12 TDA | Gids V 13-EN, bladzijde 14 |
182 | 86(3) DWU | Gids V 13-EN, bladzijden 19 en 20 |
183 | 76(1) DA | |
183/1 | 76(2,4) DA | |
183/2 | 76(3) DA | |
184 | 241(1) DA | Gids V 13-EN, bladzijden 25 en 26 |
185 | 86(4) DWU en 76(2) DA | |
186 | 86(1, 2) DWU | |
187 | 69 bis IA | |
188 | 86(3) DWU | Gids V 13-EN, bladzijde 24 |
189 | Gids V 13-EN, bladzijde 24 | |
190 | 72 DA | |
191 | 86(3) DWU, 5(37) DWU | Gids V 13-EN, bladzijde 25 |
192 | 176(2) DA | |
193 | 73 DA | |
194 | 74 DA | |
195 | ||
196 | ||
197 | ||
198 | ||
199 | 202(1,2) DWU | |
200 | 202(3) DWU | Gids V 13-EN, bladzijde 27 |
201 | 203 en 205(1,2) DWU | |
202 | 205(3) DWU | |
203 | ||
204 | 176(2), 181(2), 241 DA, 271(1)c) IA | |
205 | ||
206 | ||
207 | ||
208 | 5(37c) DWU, 210(d) DWU, 256(1) DWU | Gids V 13-EN, bladzijde 26 |
209 | 211(3d) DWU | |
210 | bijlage A DA, bijlage 12 TDA | |
211 | Gids V 13-EN, bladzijde 27 | |
212 | 215(1) DWU | |
213 | Gids V 13-EN, bladzijde 27 | |
214 | Gids V 13-EN, bladzijde 47 | |
215 | Gids V 13-EN, bladzijde 27 | |
216 | 124(1g) DWU | |
217 | 264(5) IA | |
218 | 197 DWU, 198 DWU | Gids V 13-EN, bladzijden 47 en 48 |
219 | 197 DWU | Gids V 13-EN, bladzijde 47 |
220 | 223(1,2) DWU | |
221 | 223(1) DWU, 169(6) DA | Gids V 13-EN, bladzijde 33 |
222 | 178(1l) DA, 268 IA | |
223 | 178(1m) DA, 268 IA | |
224 | 169(7) DA | Gids V 13-EN, bladzijde 32 |
225 | 269 IA | |
226 | 169(1) DA | |
227 | 223(3) DWU | |
228 | 223(3) DWU | Gids V 13-EN, bladzijde 32 |
229 | 169(2) DA | Gids V 13-EN, bladzijde 32 |
230 | 169(5) DA | Gids V 13-EN, bladzijde 32 |
231 | 169(7) DA, bijlage 71-04 DA | Gids V 13-EN, bladzijde 32 |
232 | 223(2) DWU, 1(29) DWU | |
233 | 269 IA, 23 en bijlage 13 DA | |
234 | 269 IA | |
235 | 257(3,4) DWU | Gids V 13-EN, bladzijde 48 |
236 | 223(4) DWU | |
237 | 205(3) DWU | |
238 | 223(2c) DWU, 240(1b) DA | |
239 | 176(1) DA, 181 DA, 23 en bijlage 13 TDA | Gids V 13-EN, bladzijde 17 |
240 | 240(1b) DA | |
241 | 188(1d) DWU | |
242 | ||
243 | 5(35) en 218 DWU | Gids V 13-EN, bladzijden 20 en 61 |
244 | Gids V 13-EN, bladzijde 65 | |
245 | 211(4a) DWU, 215(1) DWU | Gids V 13-EN, bladzijden 65 en 69 |
246 | 22 (4) DWU | Gids V 13-EN, bladzijde 30 |
247 | 218 DWU | Gids V 13-EN, bladzijde 65 |
248 | 218 DWU | Gids V 13-EN, bladzijden 30, 63, 65, 67 en 69 |
249 | 266 IA | Gids V 13-EN, bladzijde 67 |
250 | 266 IA | Gids V 13-EN, bladzijden 65 t/m 67 |
251 | 266 IA | Gids V 13-EN, bladzijden 30 en 65 |
252 | 266 IA | Gids V 13-EN, bladzijden 38 en 65 |
253 | Gids V 13-EN, bladzijde 66 | |
254 | 266 IA | Gids V 13-EN, bladzijde 69 |
255 | Gids V 13-EN, bladzijden 61, 66 en 67 | |
256 | Gids V 13-EN, bladzijde 67 | |
257 | ||
258 | 215(1) DWU | Gids V 13-EN, bladzijde 58 |
259 | 78(1) DWU | |
260 | ||
261 | 223(3b) DWU | Gids V 13-EN, bladzijde 32 |
262 | ||
263 | 78(2) DWU | Werk document RPA 2075 van CCC-SPE Comité |
264 | 78(2) DWU | |
265 | 78(2) DWU, 72 DA | Gids V 13-EN, bladzijden 28 en 29 |
266 | 251 DA | Gids V 13-EN, bladzijden 17 en 18 |
267 | 254 DA, 345(3) IA | Gids V 13-EN, bladzijden 17 t/m 19 |
268 | 348 IA | |
269 | 349 (1) IA | |
270 | 349 (2) IA | |
271 | 346 IA | |
272 |
BIJLAGE V - Toerekening van invoergoederen opgenomen in de veredelingsproducten
(Artikel 72 DA)
1. Er wordt opgemerkt dat de toerekening van de invoergoederen aan de veredelingsproducten wordt berekend om de douaneschuld overeenkomstig artikel 86§3 van DWU. Dit betekent dat, wanneer alle veredelingsproducten onder een volgende douaneregeling worden geplaatst waardoor geen douaneschuld bij invoer ontstaat of wanneer de douaneschuld bij invoer overeenkomstig artikel 86§3 wordt berekend, deze berekeningsmethoden niet worden toegepast.
2. De hoeveelheid te verkrijgen veredelingsproducten wordt bepaald op basis van de vastgestelde opbrengstpercentages.
3. Met de toevoeging van Uniegoederen tijdens het fabricageproces wordt geen rekening gehouden aangezien zij geen invloed hebben op de toerekening van de invoergoederen aan de veredelingsproducten.
I. Hoeveelheidssleutel (veredelingsproducten)
a) Invoergoederen A:
100 kg (A)
b) Veredelingsproducten B:
90 kg (B)
c) Douaneschuld ontstaan voor B:
20 kg (B)
d) Hoeveelheid invoergoederen A die overeenstemt met de hoeveelheid B waarvoor een douaneschuld is ontstaan:
20/90 x 100 kg = 22,22 kg (A)
II. Hoeveelheidssleutel (invoergoederen)
a) Invoergoederen A:
100 kg (A)
b) Veredelingsproducten (B+C+D):
80 kg (B), bevattende 80 kg (A)
10 kg (C), bevattende 10 kg (A)
5 kg (D), bevattende 5 kg (A)
_________________
Totaal : 95 kg (A)
c) Toerekening in kg A :
B: 80/95 x 100 kg = 84,21 kg (A)
C: 10/95 x 100 kg = 10,53 kg (A)
D: 5/95 x 100 kg = 5,26 kg (A)
_______________
Totaal : 100,00 kg (A)
d) Douaneschuld ontstaan voor (C wederuitgevoerd) :
1. 10 kg (B)
2. 5 kg (D)
e) Hoeveelheid invoergoederen die overeenstemt met de hoeveelheid B waarvoor een douaneschuld is ontstaan:
B: 10/80 x 84,21 kg = 10,53 kg (A)
D: 5/5 x 5,26 kg = 5,26 kg (A)
_______________
Totaal : 15,79 kg (A)
III. Waardesleutel
a) Invoergoederen A:
100 kg (A)
b) Hoeveelheid en waarde van de veredelingsproducten (B+C+D):
80 kg (B) à 20 EUR/kg = 1 600 EUR
10 kg (C) à 12 EUR/kg = 120 EUR
5 kg (D) à 5 EUR/kg = 25 EUR
_______________
Totaal : 1 745 EUR
c) Toerekening in kg A:
B: 1 600/1 745 x 100 kg = 91,69 kg (A)
C: 120/1 745 x 100 kg = 6,88 kg (A)
D: 25/1 745 x 100 kg = 1,43 kg (A)
______________
Totaal : 100,00 kg (A)
d) Douaneschuld ontstaan voor (C wederuitgevoerd):
1. 10 kg (B)
2. 5 kg (D)
Hoeveelheid invoergoederen die overeenstemt met de hoeveelheid B waarvoor een douaneschuld is ontstaan:
10/80 x 91,69 kg = 11,46 kg (A)
BIJLAGE VI – Niet-exhaustieve lijst van landen voor wie de "no drawback" regel van toepassing is
Landen | ISO Alfa-2 code | |
Albanië | AL | |
Algerije | DZ | Gedeeltelijke drawback |
Andorra (Prinsdom) | AD | |
Bosnië-Herzegovina | BA | |
Canada | CA | Vanaf 21/09/2020 |
Ceuta | XC | |
Chili | CL | |
EER (Noorwegen, IJsland, Lichtenstein) | EEA | |
Egypte | EG | Gedeeltelijke drawback |
Faroër (Eilanden) | FO | |
Georgië | GE | |
IJsland | IS | |
Israël | IL | |
Jordanië | JO | Gedeeltelijke drawback |
Kosovo | XK | |
Libanon | LB | Gedeeltelijke drawback |
Liechtenstein | LI | |
Noord-Macedonië | MK | |
Marokko | MA | Gedeeltelijke drawback |
Melilla | XL | |
Mexico | MX | |
Moldavië | MD | Gedeeltelijke drawback |
Montenegro | ME | |
Noorwegen | NO | |
Oekraïne | UA | Gedeeltelijke drawback |
Palestijnse Autoriteit van Westelijke Jordaanoever en Gazastrook | PS | Gedeeltelijke drawback |
Servië | RS | |
Singapore | SG | |
Tunesië | TN | Gedeeltelijke drawback |
Turkije | TR | |
Zwitserland | CH |
_________________________
BIJLAGE VII - Voorbeelden van verordeningen die als ‘handelspolitieke maatregelen’ worden beschouwd
Type maatregel | Regelgeving van de Unie | Onderwerp | Directe of indirecte verwijzing naar een HPM |
Gezondheids-certificaat | Uitvoerings-verordening (EU) nr. 884/2014 van de Europese Commissie van 13 augustus 2014 onder verwijzing naar Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002. | 884/2014 – tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de invoer van bepaalde diervoeders en levensmiddelen uit bepaalde derde landen in verband met het risico van verontreiniging met aflatoxinen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1152/2009 | Vb. Artikel 133 VEG |
Toezicht-document | Uitvoerings-verordening (EU) 2018/640 van 25 april 2018 | Instelling van een voorafgaand Unietoezicht op de invoer van bepaalde aluminiumproducten uit bepaalde derde landen | Verordening 2018/640 verwijst naar Verordening (EU) 2015/487 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 die op haar beurt verwijst naar artikel 207(2) VWEU en Verordening 2015/755 |
Toezicht-document | Uitvoeringsverordening (EU) 2016/670 van de Commissie van 28 april 2016 | Instelling van een voorafgaand Unietoezicht op de invoer van bepaalde ijzer- en staalproducten uit bepaalde derde landen | Verordening 2016/670 verwijst naar Verordening (EU) 2015/478 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 die op haar beurt verwijst naar artikel 207(2) VWEU en Verordening 2015/755 |
Machtiging | Verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van 20 december 2005 | Samenstelling van een FLEGT-vergunningensysteem voor de invoer van hout in de Europese Unie | Vb. artikel 133 VEG |
Toestemming voor de invoer van textiel-producten (onder voorbehoud van kwantitatieve contingenten) | Verordening (EU) 2015/936 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juni 2015 | Gemeenschappelijke regeling voor de invoer van textielproducten uit bepaalde derde landen, die niet vallen onder bilaterale overeenkomsten, protocollen of andere regelingen, noch onder een andere bijzondere invoerregeling van de Unie (jaarlijkse kwantitatieve maxima in de vorm van invoervergunningen) | Artikel 207(2) VWEU |
-------------
Interne ref.: DI 551.001 – OEO/DD 015.819
[1] Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1131 van de Commissie van 2 juli 2019 tot vaststelling van een douane-instrument ter uitvoering van artikel 14 bis van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad en artikel 24 bis van Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad
