Circulaire 2018/C/50 betreffende de uitbreiding van de invorderingsmogelijkheden lastens de hoofdelijke aansprakelijken voor ontdoken belastingen
De Wet betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie van 26 maart 2018 breidt de invorderingsmogelijkheden lastens de hoofdelijke aansprakelijken voor ontdoken belastingen uit, voorziet in schorsing van de verjaring tijdens de strafprocedure en bevestigt de mogelijkheid voor de fiscus om op grond van het gemeen recht een vergoeding voor geleden schade te bekomen die bestaat uit belastingschulden en bijbehoren.
Hoofdelijkheid; ontdoken belastingen; verjaring; schorsing; strafrechtelijke procedure; interesten; burgerlijke partijstelling
FOD Financiën, 25.04.2018
Algemene administratie van de inning en invordering
1. Burgerlijke partijstelling – burgerlijke vordering
3. Hoofdelijkheid van de daders en medeplichtigen tot betaling van fiscale schulden
I. Doel van de wet
De wet van 26 maart 2018 (BS 30.03.2018) voert een aantal maatregelen in die strekken tot het verbeteren en moderniseren van de fiscale invorderingsprocedures.
De voorgestelde wijzigingen[1] maken deel uit van prioritaire maatregelen inzake de strijd tegen de fiscale fraude.
Kort samengevat, houden deze wijzigingen in dat:
- de Belgische Staat zich steeds burgerlijke partij kan stellen in een strafprocedure of een gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsvordering kan instellen, niettegenstaande de bijzondere fiscale bepalingen met betrekking tot de hoofdelijke gehoudenheid van daders en medeplichtigen bij fiscaal strafrechtelijke inbreuken,
- de verjaring van de vordering tot voldoening van de belastingschulden geschorst wordt door elke vordering in rechte betreffende de vestiging, de inning en de invordering van de belastingen en tijdens de strafprocedure inzake fiscale misdrijven,
- de fiscale hoofdelijkheid in een aantal gevallen ook geldt zonder dat er sensu stricto een strafrechtelijke veroordeling wordt uitgesproken,
- de hoofdelijkheid niet alleen geldt voor de ontdoken belastingen en btw, maar ook voor andere fiscale schulden en voor de interesten.
II. Welke maatregelen?
1. Burgerlijke partijstelling – burgerlijke vordering
De fiscale administratie heeft het recht om zich burgerlijke partij te stellen in een strafprocedure – alsook om een vordering in te leiden voor de burgerlijke rechtbanken – om de vergoeding van haar schade te bekomen die bestaat uit de niet-betaling van:
- de belastingen en voorheffingen, de interesten, fiscale boeten, verhogingen en bijbehoren[2],
- de btw, de interesten, de fiscale boeten en bijbehoren[3],
- de diverse rechten en taksen, de interesten, fiscale boeten en bijbehoren[4].
De wetgever erkent aldus ondubbelzinnig het recht van de Belgische Staat om zich burgerlijke partij te stellen niettegenstaande de bepalingen van de fiscale wetboeken, evenals het recht om, net zoals elke schadelijdende partij, de volledige vergoeding van haar schade te bekomen.
De hoofdelijke gehoudenheid tot betaling van de fiscale schulden voorzien in de verschillende fiscale wetboeken verhindert de toepassing van het gemeen recht, en met name het recht van de fiscale administratie om zich burgerlijke partij te stellen, niet.
De schade die op basis van een fiscale vordering (artikel 458, WIB 92/artikel 73sexies, WBTW) hersteld is, zal geen tweede keer worden vergoed op basis van een burgerlijke vordering en vice versa, in de mate dat de rechter in concreto de omvang van de schade zal beoordelen om de schadevergoedingen vast te stellen.
Als een gedeelte van de schade vergoed is op basis van het fiscaal recht, zal enkel het gedeelte van de schade dat nog niet hersteld werd aanleiding kunnen geven tot een schadevergoeding ten gevolge van een burgerlijke vordering.
2. Schorsing van de verjaring
De bestaande bepalingen[5] met betrekking tot de schorsing van de verjaring worden uitgebreid naar elk rechtsgeding met betrekking tot de vestiging en de inning van de belasting.
Deze schorsingsgrond wordt ook voorzien in het Wetboek diverse rechten en taksen[6].
Bovendien wordt de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting ook geschorst tijdens de strafprocedure.
De verjaring wordt dus geschorst:
- door elke vordering in rechte, ongeacht of zij betrekking heeft op de vestiging (taxatie), de inning of de invordering van de belastingen, btw, diverse rechten en taksen, met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen en hun bijbehoren.
Deze schorsing geldt ongeacht of de Belgische Staat, de belastingschuldige, de medeplichtige of een derde de procedure ingesteld heeft.
- Wanneer neemt de schorsing een aanvang?
De schorsing vangt aan met de akte van rechtsingang.
- Wanneer neemt de schorsing een einde?
De schorsing eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
- tijdens de strafrechtelijke vervolging van fiscale misdrijven bedoeld in het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 (artikelen 449 tot 452)[7], het Btw-Wetboek (73" book="CATCH_ALL">73bis)[8] en het Wetboek diverse rechten en taksen (artikelen 207 en 207bis)[9].
- Wanneer neemt de schorsing een aanvang?
De schorsing vangt aan met de inleiding van de strafvordering.
- Wanneer neemt de schorsing een einde?
De schorsing eindigt wanneer de strafrechtelijke vervolging wordt gestaakt, bij verval van de strafvordering of wanneer het vonnis of het arrest in kracht van gewijsde is gegaan voor de voormelde fiscale inbreuken.
- door de schorsingsgronden van het gemeen recht. De bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake de schorsing van de verjaring (artikel 2251, BW) blijven van toepassing.
3. Hoofdelijkheid van de daders en medeplichtigen tot betaling van fiscale schulden
Principe
De personen die veroordeeld werden als dader of als medeplichtige voor voormelde fiscale inbreuken zijn hoofdelijk gehouden tot betaling van de ontdoken belastingen, rechten en taksen evenals de interesten.
Voor welke schulden?
- De fiscale hoofdelijkheid tot betaling van de ontdoken belastingen[10] en de ontdoken btw[11] wordt voortaan uitgebreid naar andere fiscale schulden, waaronder de ontdoken diverse rechten en taksen[12].
- De fiscale hoofdelijkheid betreft voortaan ook de interesten.
- De fiscale hoofdelijkheid betreft dus niet de administratieve boeten of verhogingen.
Voor welke interesten geldt de hoofdelijkheid?
- De hoofdelijkheid betreft de interesten die verschuldigd zijn door de oorspronkelijke schuldenaar (de belastingschuldige op wiens naam de belasting werd ingekohierd, de belastingplichtige van de btw en de belastingplichtige van de diverse rechten en taksen).
- De niet-betaling van de ontdoken belastingen, btw, diverse rechten en taksen, alsook van de verschuldigde interesten, doet verder interesten lopen volgens de toepasselijke regels van de verschillende fiscale wetboeken en dit tot de volledige betaling.
Toepassingsvoorwaarden?
De hoofdelijkheid is niet enkel van toepassing op veroordeelde personen sensu stricto, zoals daders of medeplichtigen van de inbreuken op het fiscaal recht.
De fiscale hoofdelijkheid is ook van toepassing wanneer de constitutieve bestanddelen van de misdrijven bewezen zijn verklaard, maar zonder dat het vonnis of arrest strikt genomen een veroordeling uitspreekt, met name in geval van:
- opschorting van de uitspraak van de veroordeling,
- uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen,
- veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring,
- procedure van voorafgaande erkenning van schuld,
- verjaring van de strafvordering.
[1] aan het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek der Successierechten, Wijzigingen aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen.
[2] Artikel 442quinquies, WIB 92.
[3] Artikel 93undeciesE, WBTW.
[4] Artikel 211ter, WDRT.
[5] Art. 83, § 1, WBTW en 443ter, § 1, WIB 92.
[6] Art. 202/9, § 2, WDRT.
[7] Art. 443ter, § 3, WIB 92.
[8] Art. 83, § 3, WBTW.
[9] Art. 202/9, § 3 WDRT.
[11] Art. 73sexies, WBTW.
[12] Art. 207sexies, WDRT.
