Circulaire nr. Ci.RH.421/446.265 dd. 30.03.1993
CIRC 30.03.93/1
Circulaire nr. Ci.RH.421/446.265 dd. 30.03.1993
Bull. nr. 727, pag. 1178
BUITENLANDSE VENNOOTSCHAP
Definitief belast inkomen.
DEFINITIEF BELAST INKOMEN
Aftrek.
Aftrekbaar gedeelte.
Liquidatiebonus.
Voorwaarde van vastheid.
VRIJGESTELD ROEREND INKOMEN
Aftrek.
Aftrekbaar gedeelte.
Liquidatiebonus.
Commentaar op de art. 1, A tot C, 2 en 9 §§ 1, 4 en 8, W. 23.10.1991 tot omzetting in het Belgische recht van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23.07.1990 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen.
Wijzigingen aan het stelsel van de DBI en de VRI voor het aj. 1992.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1 en 2.
DBI en VRI
INHOUDSTAFEL I. INLEIDING 1 II. WETTEKSTEN 2 III. ALGEMEEN 3 IV. DEFINITIEF BELASTE INKOMSTEN (DBI) A. Bedoelde inkomsten 9 B. Uitgesloten inkomsten 1. Algemene draagwijdte 12 2. Inkomsten verleend of toegekend door een buitenlandse tussenvennootschap a) Bedoelde vennootschappen 14 b) Uitgesloten inkomsten 15 c) Draagwijdte van de uitsluiting 16 C. Waardeverminderingen 17 V. ALS DBI EN VRI IN AANMERKING TE NEMEN BASISBEDRAG 18 VI. VOORWAARDE VAN VASTHEID 21 VII. MATE VAN AFTREK VAN DE DBI EN VRI 22 VIII. INWERKINGTREDING 23 I. INLEIDING
1. Deze circ. vertrekt commentaar op de bepalingen betreffende het stelsel van de definitief belaste inkomsten (DBI) en de vrijgestelde roerende inkomsten (VRI) zoals die voor het aj. 1992 van toepassing zijn.
II. WETTEKSTEN
2. WIB
Art. 111
§ 1. Van de winst van het belastbare tijdperk worden mede afgetrokken, voor zover zij erin voorkomen :
§ 2. De in § 1, 1° tot 3°, bedoelde inkomsten zijn slechts aftrekbaar indien ze worden verleend of toegekend door vennootschappen die aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen of, wat de in het buitenland gevestigde vennootschappen betreft, die onderworpen zijn aan een belasting gelijkaardig aan de vennootschapsbelasting.
Die inkomsten zijn evenwel niet aftrekbaar indien ze worden verleend of toegekend :
Het eerste lid is niet van toepassing op de inkomsten die worden verleend of toegekend door in artikel 94, tweede lid, a, bedoelde intercommunales.
Het tweede lid, 2°, en 3°, is niet van toepassing voor zover het bewijs wordt geleverd dat de inkomsten voortkomen van door die vennootschappen verkregen inkomsten die zelf aan de voor aftrek gestelde voorwaarden voldoen.
§ 3 ......
Art. 112
.....
Art. 113
§ 1. De in artikel 111, § 1, 1° en 3° tot 5°, vermelde inkomsten worden geacht in de winst van het belastbare tijdperk voor te komen tot 95 % van het geïnde of verkregen bedrag eventueel vermeerderd met de werkelijke of fictieve roerende voorheffing bepaald in de artikelen 174 en 193 of verminderd, wanneer het om in artikel 111, § 1, 5° en 6°, vermelde inkomsten gaat, met de aan de verkoper toegekende interest ingeval de produktieve effecten in het belastbare tijdperk zijn verworven.
De in artikel 111, § 1, 2°, vermelde bedragen worden geacht in de winst van het belastbare tijdperk voor te komen tot 95 % van hun bedrag.
§ 2 ......
§ 3. Een aftrek ingevolge artikel 111 wordt niet verricht ter zake van inkomsten uit activa die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt in inrichtingen waarover de belastingplichtige buitenlands beschikt en waarvan de winst krachtens internationale overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting is vrijgesteld.
§ 4. De aftrek ingevolge artikel 111 wordt beperkt tot het bedrag van de winst van het belastbare tijdperk, zoals dit zich voordoet na toepassing van artikel 110.
III. ALGEMEEN
3. De art. 1, A tot C en 2, W. 23.10.1991 tot omzetting in het Belgische recht van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23.07.1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen (V 2143 - Bull. 712) hebben, meestal met ingang van het aj. 1992, het stelsel van de DBI en de VRI grondig gewijzigd.
4. De wijzigingen die art. 1, A, 1°, W. 23.10.1991, heeft aangebracht in art. 111, WIB, alsmede de opheffing van art. 112, WIB, door art. 1, B, van dezelfde wet, hebben inzonderheid tot gevolg dat vanaf aj. 1992 niet langer vereist is dat de inkomsten op een vaste deelneming betrekking moeten hebben om aftrekbaar te zijn als DBI.
5. Art. 1, A, 2°, W. 23.10.1991 heeft art. 111, § 1, 3°, WIB, vervangen waardoor vanaf aj. 1992 de in art. 15, 2e lid, 2°, WIB, bedoelde interesten van voorschotten toegestaan aan een personenvennootschap nog slechts als DBI zijn aan te merken indien de vennoot de voorschotten heeft toegestaan aan een personenvennootschap (andere dan erkende CV) die in België aan de inkomstenbelasting is onderworpen;
6. Art. 1, A, 3°, W. 23.10.1991, heeft art. 111, § 2, 2e lid, WIB, vervangen, waardoor vanaf aj. 1992 evenmin als DBI aftrekbaar zijn, de inkomsten die zijn verkregen van een in het buitenland gevestigde vennootschap in zover zij inkomsten uitkeert die zelf niet aan de voorwaarden van aftrek voldoen.
7. Bovendien heeft art. 1, A, 4°, W. 23.10.1991, art. 111, § 3, WIB, opgeheven, waardoor de voorheen bestaande bepaling, luidens welke de inkomsten uit de aandelen of delen of uit belegde kapitalen niet als DBI worden afgetrokken voor zover de toekenning of de betaalbaarstelling van de inkomsten een waardevermindering tot gevolg heeft van de aandelen of delen waarop die inkomsten betrekking hebben, niet meer van toepassing is op de waardeverminderingen die vanaf 24.07.1991 zijn ontstaan tijdens een belastbaar tijdperk dat aan het aj. 1992 of aan een later aj. is verbonden.
8. tenslotte heeft art. 1, C, 1°, W. 23.10.1991, de bepalingen van art. 113, § 1, WIB, vervangen en de § 2 van hetzelfde art. opgeheven, waardoor vanaf aj. 1992 de DBI en de VRI steeds aftrekbaar zijn ten belope van 95 % (de VRI uit effecten van bepaalde herfinancieringsleningen blijven zoals voorheen aftrekbaar ten belope van 100 %). Aangezien voortaan de mate van aftrek van de DBI en VRI uitsluitend wordt geregeld in voormeld art. 113, WIB, wordt art. 30, Hervormingswet 1988, eveneens vanaf aj. 1992 opgeheven (zie art. 2, W. 23.10.1991).
IV DEFINITIEF BELASTE INKOMSTEN (DBI)
A. Bedoelde inkomsten
9. Zoals voorheen komen voor aftrek als DBI in aanmerking :
10. Daarentegen komen, in tegenstelling met wat vroeger het geval was, de in art. 15, 2e lid, 2°, WIB, bedoelde interesten van voorschotten toegestaan aan een personenvennootschap (andere dan een erkende CV) nog slechts voor aftrek als DBI in aanmerking wanneer die voorschotten zijn toegestaan aan een personenvennootschap die in België aan de inkomstenbelastingen (de Ven.B of RPB) is onderworpen.
Dit houdt in dat de bedoelde interesten van voorschotten verleend of toegekend door buitenlandse personenvennootschappen die in België niet aan de inkomstenbelastingen zijn onderworpen voortaan van het DBI-stelsel zijn uitgesloten.
De bestaande gelijkstelling met dividenden van de interest van voorschotten aan personenvennootschappen werd ingevolge de art. 1 en 19, W. 28.07.1992 houdende fiscale en financiële bepalingen, gewijzigd. Inzonderheid wordt de gelijkstelling met dividenden voor vanaf 27.03.1992 betaalde of toegekende interesten opgeheven voor de interest van voorschotten van vennoten die zelf aan de Ven.B zijn onderworpen. Aangezien hij niet meer als dividend wordt gekwalificeerd, is dergelijke interest van voorschotten die zijn toegestaan door aan de Ven.B onderworpen vennoten evenmin nog aftrekbaar als DBI. Voormelde bepalingen die reeds bondig werden gecommentarieerd in de nrs. 1 tot 3 en 48 van de circ. Ci.D.19/444.574 van 21.09.1992 (Bull. 721) zullen later uitvoeriger worden gecommentarieerd.
Voor vennootschappen die niet per kalenderjaar boekhouden en waarvan de afsluitingsdatum na 26.03.1992 valt, kan die maatregel reeds van toepassing zijn voor het aj. 1992.
11. De aandacht wordt er nu reeds op gevestigd dat om aftrekbaar te zijn als DBI voortaan niet meer moet voldaan zijn aan de voorwaarde van vastheid (zie nr. 21).
B. Uitgesloten inkomsten
1. Algemene draagwijdte
12. De onderrichtingen opgenomen in de circ. 09.09.1992, nr. Ci.D.19/416.334-Ven.B, 32e afl., onder de nrs. II/460 tot 476, blijven ongewijzigd van toepassing voor het aj. 1992.
13. In de Nederlandse tekst van art. 111, § 2, 2e lid, 3°, WIB, zoals vervangen door art. 1, A, 3°, W. 23.10.1991, is voortaan weliswaar sprake van "beleggingsvennootschap" in plaats van "investeringsvennootschappen". Aangezien het ter zake slechts om een loutere wijziging naar de vorm gaat, moet aan het begrip "beleggingsvennootschap" bij voortduur dezelfde betekenis worden gegeven als aan het vroegere begrip "investeringsvennootschap" (zie nr. II/472 van voormelde circ.).
Bovendien zijn voortaan evenmin als DBI aftrekbaar de inkomsten die worden verleend of toegekend door een in het buitenland gevestigde vennootschap, in zover zij inkomsten uitkeert die zelf niet voldoen aan de voorwaarden van aftrek (zie art. 111, § 2, 2e lid, 4°, WIB - hierna buitenlandse tussenvennootschappen genoemd).
2. Inkomsten verleend of toegekend door een buitenlandse tussenvennootschap
14. Bedoeld worden de in het buitenland gevestigde tussenvennootschappen :
15. De inkomsten die een buitenlandse tussenvennootschap verleent of toekent zijn niet als DBI aftrekbaar, in zover zij voorkomen van door haar zelf verkregen dividenden of inkomsten van belegde kapitalen, die indien ze rechtstreeks door de Belgische vennootschap zouden zijn verkregen niet voor de aftrek als DBI in aanmerking zouden komen.
Bijgevolg komen de inkomsten die een buitenlandse tussenvennootschap verleent of toekent wel in aanmerking voor de aftrek als DBI, in zover die inkomsten voortkomen :
(zie PV nr. 74 van 05.06.1992, gesteld door de H. Sen. COOREMEN, Bull. 722).
16. Om uit te maken of de door een buitenlandse tussenvennootschap uitgekeerde dividenden of inkomsten van belegde kapitalen voor de aftrek als DBI in aanmerking komen moeten vooreerst de door die tussenvennootschap verkregen inkomsten als volgt worden uitgesplitst :
Vervolgens worden de door die tussenvennootschap uitgekeerde (en dus door de belastingplichtige verkregen) dividenden of inkomsten van belegde kapitalen geacht verhoudingsgewijs van die verschillende inkomsten voort te komen.
Enkel de inkomsten die geacht worden voort te komen van de onder 1° en 2°, c) hiervoor bedoelde andere inkomsten en dividenden of inkomsten van belegde kapitalen mogen in eerste instantie als DBI worden afgetrokken. Wat de onder 2°, b) hiervoor bedoelde dividenden en inkomsten van belegde kapitalen betreft, kan het bewijs worden geleverd dat die inkomsten of een gedeelte ervan op generlei wijze van DBI-aftrek zijn uitgesloten (in dergelijk geval moet de transparantieregel waarvan sprake is in de nrs. II/475 en 476, circ. 09.09.1992, nr. Ci.D.19/416.334-Ven.B, 32e afl., worden toegepast). Daarentegen komen de onder 2°, a, hiervoor bedoelde dividenden of inkomsten van belegde kapitalen nooit in aanmerking om als DBI te worden afgetrokken.
C. Waardeverminderingen
17. Art. 1, A, 4°, W. 23.10.1991, heeft art. 111, § 3, WIB, opgeheven, waardoor de onderrichtingen opgenomen in de nrs. 477 en 478, circ. 09.09.1992, nr. Ci.D.19/416.334-Ven.B, 32e afl., niet meer van toepassing zijn op waardeverminderingen die vanaf 24.07.1991 zijn ontstaan tijdens een belastbaar tijdperk dat aan het aj. 1992 of aan een later aj. is verbonden.
Voormelde onderrichtingen blijven onverminderd van toepassing op de waardeverminderingen die vóór 24.07.1991 zijn ontstaan of die zijn ontstaan vanaf 24.07.1991 tijdens een belastbaar tijdperk dat aan het aj. 1991 is verbonden.
V. ALS DBI EN VRI IN AANMERKING TE NEMEN BASISBEDRAG
18. De onderrichtingen opgenomen in de circ. 09.09.1992, nr. Ci.D.19/416.334-Ven.B, 32e afl., onder de nrs. II/479 tot 482, blijven ongewijzigd van toepassing voor het aj. 1992.
19. De aandacht wordt er evenwel op gevestigd dat m.b.t. de vanaf 15.10.1991 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten, en mits aan de gestelde voorwaarden is voldaan, kan worden verzaakt van de inning van RV op inkomsten uitgekeerd door een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij (zie circ. 16.07.1992, nr. Ci.RH.233/437.131 - Bull. 719). Het spreekt vanzelf dat, ten name van de verkrijgers van dergelijke inkomsten, in geen geval een RV mag worden toegevoegd om het basisbedrag van de DBI te bepalen.
20. De bepalingen van art. 112, § 2, WIB, luidens hetwelk, wanneer effecten voorheen zijn verkregen ter gelegenheid van een in art. 40, § 1, 2°, WIB bedoelde belastingvrije inbreng van één of meer takken van werkzaamheid of van een algemeenheid van goederen, het in art. 111, § 1, 2°, WIB bedoelde verschil (bedrag van de als DBI in aanmerking te nemen liquidatiebonussen betreffende verrichtingen die vanaf 01.01.1990 plaatsgrijpen) niet in aanmerking komt voor de aftrek als DBI in zover het overeenstemt met meerwaarden die ter gelegenheid van die inbreng van belasting zijn vrijgesteld, worden met ingang van het aj. 1992 opgeheven (zie art. 1, B, W. 23.10.1991).
VI. VOORWAARDE VAN VASTHEID
21. In tegenstelling met wat vroeger het geval was (zie nrs. II/483 tot 485, circ. 09.09.1992, nr. Ci.D.19/416.334-Ven.B, 32e afl. en Com.IB 110/36 en volgende), wordt niet langer vereist dat inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen en liquidatiebonussen betrekking moeten hebben op een vaste deelneming.
De voorwaarde van vastheid is voortaan evenmin nog vereist voor de in art. 15, 2e lid, 2°, WIB bedoelde interesten van voorschotten die de belastingplichtige heeft toegestaan aan een in België aan de inkomstenbelasting onderworpen personenvennootschap.
VII. MATE VAN AFTREK VAN DE DBI EN VRI
22. De DBI en de VRI worden geacht in de belastbare inkomsten van een aan de Ven.B onderworpen vennootschap voor te komen ten belope van 95 % van de vastgestelde basisbedragen, ongeacht of de genietster al dan niet een zogenaamde "financiële vennootschap" is. Zoals voorheen blijven de inkomsten uit effecten van herfinancieringsleningen als bedoeld in art. 111, § 1, 6°, WIB, voor 100 % aftrekbaar.
VIII. INWERKINGTREDING
23. De voormelde bepalingen zijn van toepassing vanaf het aj. 1992 behalve wat betreft de opheffing van art. 111, § 3, WIB (zie nr. 17) die van toepassing is op waardeverminderingen die vanaf 24.07.1991 zijn ontstaan tijdens een belastbaar tijdperk dat aan het aj. 1992 of aan een later aj. is verbonden.
Elke wijziging die vanaf 24.07.1991 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van voormelde bepalingen (art. 9, § 8, W. 23.10.1991).
Circulaire nr. Ci.RH.421/446.265 dd. 30.03.1993
Bull. nr. 727, pag. 1178
BUITENLANDSE VENNOOTSCHAP
Definitief belast inkomen.
DEFINITIEF BELAST INKOMEN
Aftrek.
Aftrekbaar gedeelte.
Liquidatiebonus.
Voorwaarde van vastheid.
VRIJGESTELD ROEREND INKOMEN
Aftrek.
Aftrekbaar gedeelte.
Liquidatiebonus.
Commentaar op de art. 1, A tot C, 2 en 9 §§ 1, 4 en 8, W. 23.10.1991 tot omzetting in het Belgische recht van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23.07.1990 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen.
Wijzigingen aan het stelsel van de DBI en de VRI voor het aj. 1992.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1 en 2.
DBI en VRI
INHOUDSTAFEL I. INLEIDING 1 II. WETTEKSTEN 2 III. ALGEMEEN 3 IV. DEFINITIEF BELASTE INKOMSTEN (DBI) A. Bedoelde inkomsten 9 B. Uitgesloten inkomsten 1. Algemene draagwijdte 12 2. Inkomsten verleend of toegekend door een buitenlandse tussenvennootschap a) Bedoelde vennootschappen 14 b) Uitgesloten inkomsten 15 c) Draagwijdte van de uitsluiting 16 C. Waardeverminderingen 17 V. ALS DBI EN VRI IN AANMERKING TE NEMEN BASISBEDRAG 18 VI. VOORWAARDE VAN VASTHEID 21 VII. MATE VAN AFTREK VAN DE DBI EN VRI 22 VIII. INWERKINGTREDING 23 I. INLEIDING
1. Deze circ. vertrekt commentaar op de bepalingen betreffende het stelsel van de definitief belaste inkomsten (DBI) en de vrijgestelde roerende inkomsten (VRI) zoals die voor het aj. 1992 van toepassing zijn.
II. WETTEKSTEN
2. WIB
Art. 111
§ 1. Van de winst van het belastbare tijdperk worden mede afgetrokken, voor zover zij erin voorkomen :
| 1° | de inkomsten uit aandelen of delen of uit belegde kapitalen, met inbegrip van de in artikel 12, § 1, 3°, en in artikel 15, tweede lid, 1°, bedoelde inkomsten, maar met uitzondering van de inkomsten die zijn verkregen wegens de afstand aan een vennootschap van haar eigen aandelen of delen of wegens de gehele of gedeeltelijke verdeling van het vermogen van een vennootschap; |
| 2° | en voor zover de bepalingen van de artikelen 103 of 118 of van gelijkaardige bepalingen naar buitenlands recht zijn toegepast, een bedrag gelijk aan het verschil in meer tussen de sommen verkregen in de in die artikelen bedoelde gevallen en de aanschaffings- of beleggingsprijs van de aandelen of delen die worden verkregen, terugbetaald of geruild door de vennootschap die ze had uitgegeven, eventueel verhoogd met de desbetreffende, voorheen uitgedrukte en niet vrijgestelde meerwaarden; |
| 3° | de interesten van voorschotten als bedoeld in artikel 15, tweede lid, 2°, die de belastingplichtige heeft toegestaan aan een in België aan de inkomstenbelastingen onderworpen vennootschap; |
| 4° | inkomsten uit preferente aandelen van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen; |
| 5° | inkomsten uit Belgische openbare fondsen of leningen van voormalig Belgisch-Kongo die werden uitgegeven onder vrijstelling van Belgische zakelijke en personele belastingen of van elke belasting; |
| 6° | inkomsten uit effecten van leningen tot herfinanciering van de leningen gesloten door de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting en de Nationale Landmaatschappij of door een nieuwe nationale maatschappij die de verplichtingen van de voornoemde maatschappijen zou overnemen. |
Die inkomsten zijn evenwel niet aftrekbaar indien ze worden verleend of toegekend :
| 1° | door een vennootschap die gevestigd is in een land waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België; |
| 2° | door een holding of financieringsvennootschap die in het land waar zij is gevestigd een belastingregeling geniet die afwijkt van het gemeen recht; |
| 3° | door een beleggingsvennootschap; |
| 4° | door een in het buitenland gevestigde vennootschap in zover zij inkomsten uitkeert die zelf niet voldoen aan de voorwaarden van aftrek van dit artikel. |
Het tweede lid, 2°, en 3°, is niet van toepassing voor zover het bewijs wordt geleverd dat de inkomsten voortkomen van door die vennootschappen verkregen inkomsten die zelf aan de voor aftrek gestelde voorwaarden voldoen.
§ 3 ......
Art. 112
.....
Art. 113
§ 1. De in artikel 111, § 1, 1° en 3° tot 5°, vermelde inkomsten worden geacht in de winst van het belastbare tijdperk voor te komen tot 95 % van het geïnde of verkregen bedrag eventueel vermeerderd met de werkelijke of fictieve roerende voorheffing bepaald in de artikelen 174 en 193 of verminderd, wanneer het om in artikel 111, § 1, 5° en 6°, vermelde inkomsten gaat, met de aan de verkoper toegekende interest ingeval de produktieve effecten in het belastbare tijdperk zijn verworven.
De in artikel 111, § 1, 2°, vermelde bedragen worden geacht in de winst van het belastbare tijdperk voor te komen tot 95 % van hun bedrag.
§ 2 ......
§ 3. Een aftrek ingevolge artikel 111 wordt niet verricht ter zake van inkomsten uit activa die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt in inrichtingen waarover de belastingplichtige buitenlands beschikt en waarvan de winst krachtens internationale overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting is vrijgesteld.
§ 4. De aftrek ingevolge artikel 111 wordt beperkt tot het bedrag van de winst van het belastbare tijdperk, zoals dit zich voordoet na toepassing van artikel 110.
III. ALGEMEEN
3. De art. 1, A tot C en 2, W. 23.10.1991 tot omzetting in het Belgische recht van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23.07.1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen (V 2143 - Bull. 712) hebben, meestal met ingang van het aj. 1992, het stelsel van de DBI en de VRI grondig gewijzigd.
4. De wijzigingen die art. 1, A, 1°, W. 23.10.1991, heeft aangebracht in art. 111, WIB, alsmede de opheffing van art. 112, WIB, door art. 1, B, van dezelfde wet, hebben inzonderheid tot gevolg dat vanaf aj. 1992 niet langer vereist is dat de inkomsten op een vaste deelneming betrekking moeten hebben om aftrekbaar te zijn als DBI.
5. Art. 1, A, 2°, W. 23.10.1991 heeft art. 111, § 1, 3°, WIB, vervangen waardoor vanaf aj. 1992 de in art. 15, 2e lid, 2°, WIB, bedoelde interesten van voorschotten toegestaan aan een personenvennootschap nog slechts als DBI zijn aan te merken indien de vennoot de voorschotten heeft toegestaan aan een personenvennootschap (andere dan erkende CV) die in België aan de inkomstenbelasting is onderworpen;
6. Art. 1, A, 3°, W. 23.10.1991, heeft art. 111, § 2, 2e lid, WIB, vervangen, waardoor vanaf aj. 1992 evenmin als DBI aftrekbaar zijn, de inkomsten die zijn verkregen van een in het buitenland gevestigde vennootschap in zover zij inkomsten uitkeert die zelf niet aan de voorwaarden van aftrek voldoen.
7. Bovendien heeft art. 1, A, 4°, W. 23.10.1991, art. 111, § 3, WIB, opgeheven, waardoor de voorheen bestaande bepaling, luidens welke de inkomsten uit de aandelen of delen of uit belegde kapitalen niet als DBI worden afgetrokken voor zover de toekenning of de betaalbaarstelling van de inkomsten een waardevermindering tot gevolg heeft van de aandelen of delen waarop die inkomsten betrekking hebben, niet meer van toepassing is op de waardeverminderingen die vanaf 24.07.1991 zijn ontstaan tijdens een belastbaar tijdperk dat aan het aj. 1992 of aan een later aj. is verbonden.
8. tenslotte heeft art. 1, C, 1°, W. 23.10.1991, de bepalingen van art. 113, § 1, WIB, vervangen en de § 2 van hetzelfde art. opgeheven, waardoor vanaf aj. 1992 de DBI en de VRI steeds aftrekbaar zijn ten belope van 95 % (de VRI uit effecten van bepaalde herfinancieringsleningen blijven zoals voorheen aftrekbaar ten belope van 100 %). Aangezien voortaan de mate van aftrek van de DBI en VRI uitsluitend wordt geregeld in voormeld art. 113, WIB, wordt art. 30, Hervormingswet 1988, eveneens vanaf aj. 1992 opgeheven (zie art. 2, W. 23.10.1991).
IV DEFINITIEF BELASTE INKOMSTEN (DBI)
A. Bedoelde inkomsten
9. Zoals voorheen komen voor aftrek als DBI in aanmerking :
| 1° | de inkomsten uit aandelen of delen of uit belegde kapitalen; |
| 2° | de liquitatiebonussen betreffende verrichtingen die vanaf 01.01.1990 plaatsgrijpen (zie nrs. II/458 en 459, circ. 09.09.1992, nr. Ci.D.19/416.334-Ven.B, 32e afl. - Bull. 720). |
Dit houdt in dat de bedoelde interesten van voorschotten verleend of toegekend door buitenlandse personenvennootschappen die in België niet aan de inkomstenbelastingen zijn onderworpen voortaan van het DBI-stelsel zijn uitgesloten.
De bestaande gelijkstelling met dividenden van de interest van voorschotten aan personenvennootschappen werd ingevolge de art. 1 en 19, W. 28.07.1992 houdende fiscale en financiële bepalingen, gewijzigd. Inzonderheid wordt de gelijkstelling met dividenden voor vanaf 27.03.1992 betaalde of toegekende interesten opgeheven voor de interest van voorschotten van vennoten die zelf aan de Ven.B zijn onderworpen. Aangezien hij niet meer als dividend wordt gekwalificeerd, is dergelijke interest van voorschotten die zijn toegestaan door aan de Ven.B onderworpen vennoten evenmin nog aftrekbaar als DBI. Voormelde bepalingen die reeds bondig werden gecommentarieerd in de nrs. 1 tot 3 en 48 van de circ. Ci.D.19/444.574 van 21.09.1992 (Bull. 721) zullen later uitvoeriger worden gecommentarieerd.
Voor vennootschappen die niet per kalenderjaar boekhouden en waarvan de afsluitingsdatum na 26.03.1992 valt, kan die maatregel reeds van toepassing zijn voor het aj. 1992.
11. De aandacht wordt er nu reeds op gevestigd dat om aftrekbaar te zijn als DBI voortaan niet meer moet voldaan zijn aan de voorwaarde van vastheid (zie nr. 21).
B. Uitgesloten inkomsten
1. Algemene draagwijdte
12. De onderrichtingen opgenomen in de circ. 09.09.1992, nr. Ci.D.19/416.334-Ven.B, 32e afl., onder de nrs. II/460 tot 476, blijven ongewijzigd van toepassing voor het aj. 1992.
13. In de Nederlandse tekst van art. 111, § 2, 2e lid, 3°, WIB, zoals vervangen door art. 1, A, 3°, W. 23.10.1991, is voortaan weliswaar sprake van "beleggingsvennootschap" in plaats van "investeringsvennootschappen". Aangezien het ter zake slechts om een loutere wijziging naar de vorm gaat, moet aan het begrip "beleggingsvennootschap" bij voortduur dezelfde betekenis worden gegeven als aan het vroegere begrip "investeringsvennootschap" (zie nr. II/472 van voormelde circ.).
Bovendien zijn voortaan evenmin als DBI aftrekbaar de inkomsten die worden verleend of toegekend door een in het buitenland gevestigde vennootschap, in zover zij inkomsten uitkeert die zelf niet voldoen aan de voorwaarden van aftrek (zie art. 111, § 2, 2e lid, 4°, WIB - hierna buitenlandse tussenvennootschappen genoemd).
2. Inkomsten verleend of toegekend door een buitenlandse tussenvennootschap
| a) | Bedoelde vennootschappen |
- die in het buitenland onderworpen zijn aan een belasting gelijkaardig aan de Belgische Ven.B;
- en die niet in art. 111, § 2, 2e lid, 1° en 3°, WIB, bedoelde vennootschappen zijn (d.w.z. dat het ter zake niet mag gaan om een vennootschap die is gevestigd in een land waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België, een holding- of financieringsvennootschap die in het land waar zij is gevestigd een belastingregeling geniet die afwijkt van het gemeen recht of een beleggingsvennootschap).
| b) | Uitgesloten inkomsten |
Bijgevolg komen de inkomsten die een buitenlandse tussenvennootschap verleent of toekent wel in aanmerking voor de aftrek als DBI, in zover die inkomsten voortkomen :
- ofwel van de door die buitenlandse tussenvennootschap verkregen andere inkomsten dan dividenden of inkomsten van belegde kapitalen (b.v. gewone exploitatiewinsten, interesten, royalty's, enz.);
- ofwel van de door die buitenlandse tussenvennootschap zelf verkregen dividenden of inkomsten van belegde kapitalen, die indien ze rechtstreeks door de Belgische vennootschap zouden zijn verkregen in aanmerking zouden komen voor de aftrek als DBI.
(zie PV nr. 74 van 05.06.1992, gesteld door de H. Sen. COOREMEN, Bull. 722).
| c) | Draagwijdte van de uitsluiting |
| 1° | andere inkomsten dan dividenden of inkomsten van belegde kapitalen (gewone exploitatiewinsten, enz.); |
| 2° | dividenden of inkomsten van belegde kapitalen : |
| a) | die onweerlegbaar van de DBI-aftrek zijn uitgesloten (d.w.z. inkomsten uit vennootschappen die niet aan de Ven.B of aan een gelijkaardige buitenlandse belasting onderworpen zijn en inkomsten uit vennootschappen die gevestigd zijn in een land waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belasting aanzienlijk gunstiger zijn dan in België); |
| b) | die zijn verleend of toegekend door holding-, financierings- of beleggingsvennootschappen als bedoeld in art. 111, § 2, 2e lid, 2° en 3°, WIB; |
| c) | die op generlei wijze van de DBI-aftrek zijn uitgesloten (d.w.z. die niet bedoeld zijn in art. 111, § 2, WIB). |
Enkel de inkomsten die geacht worden voort te komen van de onder 1° en 2°, c) hiervoor bedoelde andere inkomsten en dividenden of inkomsten van belegde kapitalen mogen in eerste instantie als DBI worden afgetrokken. Wat de onder 2°, b) hiervoor bedoelde dividenden en inkomsten van belegde kapitalen betreft, kan het bewijs worden geleverd dat die inkomsten of een gedeelte ervan op generlei wijze van DBI-aftrek zijn uitgesloten (in dergelijk geval moet de transparantieregel waarvan sprake is in de nrs. II/475 en 476, circ. 09.09.1992, nr. Ci.D.19/416.334-Ven.B, 32e afl., worden toegepast). Daarentegen komen de onder 2°, a, hiervoor bedoelde dividenden of inkomsten van belegde kapitalen nooit in aanmerking om als DBI te worden afgetrokken.
C. Waardeverminderingen
17. Art. 1, A, 4°, W. 23.10.1991, heeft art. 111, § 3, WIB, opgeheven, waardoor de onderrichtingen opgenomen in de nrs. 477 en 478, circ. 09.09.1992, nr. Ci.D.19/416.334-Ven.B, 32e afl., niet meer van toepassing zijn op waardeverminderingen die vanaf 24.07.1991 zijn ontstaan tijdens een belastbaar tijdperk dat aan het aj. 1992 of aan een later aj. is verbonden.
Voormelde onderrichtingen blijven onverminderd van toepassing op de waardeverminderingen die vóór 24.07.1991 zijn ontstaan of die zijn ontstaan vanaf 24.07.1991 tijdens een belastbaar tijdperk dat aan het aj. 1991 is verbonden.
V. ALS DBI EN VRI IN AANMERKING TE NEMEN BASISBEDRAG
18. De onderrichtingen opgenomen in de circ. 09.09.1992, nr. Ci.D.19/416.334-Ven.B, 32e afl., onder de nrs. II/479 tot 482, blijven ongewijzigd van toepassing voor het aj. 1992.
19. De aandacht wordt er evenwel op gevestigd dat m.b.t. de vanaf 15.10.1991 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten, en mits aan de gestelde voorwaarden is voldaan, kan worden verzaakt van de inning van RV op inkomsten uitgekeerd door een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij (zie circ. 16.07.1992, nr. Ci.RH.233/437.131 - Bull. 719). Het spreekt vanzelf dat, ten name van de verkrijgers van dergelijke inkomsten, in geen geval een RV mag worden toegevoegd om het basisbedrag van de DBI te bepalen.
20. De bepalingen van art. 112, § 2, WIB, luidens hetwelk, wanneer effecten voorheen zijn verkregen ter gelegenheid van een in art. 40, § 1, 2°, WIB bedoelde belastingvrije inbreng van één of meer takken van werkzaamheid of van een algemeenheid van goederen, het in art. 111, § 1, 2°, WIB bedoelde verschil (bedrag van de als DBI in aanmerking te nemen liquidatiebonussen betreffende verrichtingen die vanaf 01.01.1990 plaatsgrijpen) niet in aanmerking komt voor de aftrek als DBI in zover het overeenstemt met meerwaarden die ter gelegenheid van die inbreng van belasting zijn vrijgesteld, worden met ingang van het aj. 1992 opgeheven (zie art. 1, B, W. 23.10.1991).
VI. VOORWAARDE VAN VASTHEID
21. In tegenstelling met wat vroeger het geval was (zie nrs. II/483 tot 485, circ. 09.09.1992, nr. Ci.D.19/416.334-Ven.B, 32e afl. en Com.IB 110/36 en volgende), wordt niet langer vereist dat inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen en liquidatiebonussen betrekking moeten hebben op een vaste deelneming.
De voorwaarde van vastheid is voortaan evenmin nog vereist voor de in art. 15, 2e lid, 2°, WIB bedoelde interesten van voorschotten die de belastingplichtige heeft toegestaan aan een in België aan de inkomstenbelasting onderworpen personenvennootschap.
VII. MATE VAN AFTREK VAN DE DBI EN VRI
22. De DBI en de VRI worden geacht in de belastbare inkomsten van een aan de Ven.B onderworpen vennootschap voor te komen ten belope van 95 % van de vastgestelde basisbedragen, ongeacht of de genietster al dan niet een zogenaamde "financiële vennootschap" is. Zoals voorheen blijven de inkomsten uit effecten van herfinancieringsleningen als bedoeld in art. 111, § 1, 6°, WIB, voor 100 % aftrekbaar.
VIII. INWERKINGTREDING
23. De voormelde bepalingen zijn van toepassing vanaf het aj. 1992 behalve wat betreft de opheffing van art. 111, § 3, WIB (zie nr. 17) die van toepassing is op waardeverminderingen die vanaf 24.07.1991 zijn ontstaan tijdens een belastbaar tijdperk dat aan het aj. 1992 of aan een later aj. is verbonden.
Elke wijziging die vanaf 24.07.1991 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van voormelde bepalingen (art. 9, § 8, W. 23.10.1991).
Bron: FisconetPlus
