Circulaire nr. Ci.RH.231/465.838 van 17.10.1995

Bull. nr. 755, pag. 3111

LEVENSVERZEKERING
Verzekeringsbon.

VERZEKERINGSBON
Belastbaar bedrag.
Vrijgesteld inkomen.

Aan alle ambtenaren van de niveaus 1 en 2.

INHOUDSTAFEL

I. INLEIDING

II. WETTEKSTEN

III. ALGEMEEN OVERZICHT

A. DEFINITIE VAN DE VERZEKERINGSBON.

B. FISCALE ASPECTEN

IV. BEDOELDE CONTRACTEN.

V. NIET BEDOELDE CONTRACTEN

VI. VRIJGESTELDE INKOMSTEN

A. ALGEMEEN

B. OVERLIJDENSDEKKING VAN TEN MINSTE 130 %

C. UITKERING VAN KAPITALEN NA MEER DAN ACHT JAAR

VII. BELASTBARE INKOMSTEN

A. BEDOELDE INKOMSTEN

B. AARD VAN DE INKOMSTEN

C. BELASTBAAR BEDRAG

D. BELASTBAAR MINIMUM

VIII. BELASTBAAR TIJDPERK

IX. INWERKINGTREDING

I. INLEIDING
1. Deze circulaire bespreekt de wijzigingen die door de art. 1 en 2, W 22.7.1993 houdende fiscale en financiële bepalingen (V 2253 - Bull. 731) respectievelijk in de art. 19 en 21, WIB 92 zijn aangebracht teneinde er het belastingstelsel van de verzekeringsbons in vast te leggen.
II. WETTEKSTEN
2. Art. 1, W 22.7.1993 heeft art. 19, WIB 92 aangevuld met:
  • een 3° in § 1;
  • een § 4.
Verder heeft art. 2, W 22.7.1993 een art. 21, WIB 92 een 9° toegevoegd.
Rekening houdende met die wijzigingen luiden de art. 19 en 21, WIB 92 voortaan als volgt (de nieuwe tekst is met een verticale lijn in de rand aangeduid):
Art.
19, WIB 92
§
1. Interest omvat:
interest, achterstallige rente, premies en alle andere opbrengsten van al dan niet vastrentende effecten, van niet door effecten vertegenwoordigde leningen en schuldvorderingen en van gelddeposito's;
de in artikel 10, § 2, vermelde termijnen voortkomend van overeenkomsten waarbij een recht van gebruik van gebouwde onroerende goederen wordt verleend, met uitzondering van het in die termijnen begrepen gedeelte dat dient om het in het gebouw belegde kapitaal of, als het een bestaand gebouw betreft, de verkoopwaarde ervan, volledig weer samen te stellen;
de inkomsten begrepen in kapitalen en afkoopwaarden vereffend bij leven betreffende levensverzekeringscontracten met gewaarborgd rendement die de belastingplichtige individueel heeft gesloten en waarvan geen enkele premie aanleiding heeft gegeven tot een belastingvermindering voor het lange termijnsparen met toepassing van de artikelen 145^1 tot 145^20.
§ 2. Met betrekking tot vastrentende effecten omvatten de inkomsten iedere som die boven de uitgifteprijs wordt betaald of toegekend, ongeacht of de toekenning plaatsheeft op de bij de overeenkomst vastgestelde vervaldag.
Die inkomsten zijn ten name van elke opeenvolgende houder van de effecten belastbaar in verhouding tot het tijdperk waarin hij houder is geweest.
§ 3. Met betrekking tot gelddeposito's, omvatten de inkomsten de opbrengsten uit verrichtingen tot afstand, uit welken hoofde ook, door de ene partij van een som geld aan de tegenpartij waarbij deze laatste tegenover de eerste de verbintenis aangaat om op een vooraf bepaalde datum of gedurende een overeengekomen periode een hogere som geld terug te geven waarvan het bedrag bij de aanvang is overeengekomen. De inkomsten stemmen overeen met het verschil tussen die twee bedragen ongeacht de wijze van berekening en vaststelling.
§ 4. Met betrekking tot kapitalen en afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten vermeld in § 1, 3°, stemmen de inkomsten overeen met het verschil tussen, enerzijds de betaalde of toegekende bedragen met uitsluiting van de overeenkomstig artikel 40 vrijgestelde deelnemingen in de winst, en, anderzijds, het totaal van de gestorte premies.
Het belastbare bedrag van de inkomsten mag evenwel niet lager zijn dan het bedrag dat overeenstemt met de kapitalisatie van de interesten tegen 4,75 % per jaar, berekend op het totale bedrag van de gestorte premies.
Art.
21, WIB 92
De inkomsten van roerende goederen en kapitalen omvatten niet:
inkomsten uit preferente aandelen van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;
inkomsten uit aandelen betaald of toegekend bij gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen of bij verkrijging van eigen aandelen door buitenlandse vennootschappen en door beleggingsvennootschappen als bedoeld in de artikelen 114, 118 en 119quinquies van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten;
inkomsten uit Belgische overheidsfondsen en uit leningen van voormalig Belgisch Kongo die zijn uitgegeven met vrijstelling van Belgische zakelijke en personele belastingen, of van elke belasting;
loten van effecten van leningen;
de eerste schijf van 50.000 frank per jaar van de inkomsten uit spaardeposito's die zonder overeengekomen vaste termijn of opzeggingstermijn zijn ontvangen door de in België gevestigde kredietinstellingen die vallen onder de wet van 20 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen,
met dien verstande dat:
  • deze deposito's bovendien moeten voldoen aan de vereisten die de Koning stelt op advies van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen met toepassing van het koninklijk besluit nr 185 van 9 juli 1935, wat betreft de munt waarin deze deposito's luiden en de voorwaarden en wijze van terugneming en opneming, evenals wat betreft de structuur en het niveau en de wijze van berekening van de vergoeding ervan;
  • als opzeggingstermijn in de zin van deze bepaling niet worden beschouwd de termijnen die slechts een waarborg zijn die de depositaris voor zich heeft bedongen;
de eerste schijf van 5.000 frank van dividenden van door de Nationale Raad van de Coöperatie erkende coöperatieve vennootschappen;
inkomsten uit effecten van leningen voor de herfinanciering van leningen gesloten door de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting en de Nationale Landmaatschappij of door het Amortisatiefonds van de leningen voor de sociale huisvesting. Deze bepaling geldt slechts voor de leningen toegestaan bij de koninklijke besluiten van 25 november 1986, 5 december 1986, 9 maart 1987, 27 april 1987 en 18 juni 1987 (Het tweede lid van art. 21, 7°, WIB 92 is toegevoegd door art. 2, W 22.3.1995 tot bekrachtiging van de overeenkomst van 1.6.1994 tussen de federale Regering, de Vlaamse regering, de Waalse Gewestregering en de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de regeling van de schulden van het verleden en de ermede verband houdende lasten inzake sociale huisvesting, en houdende sommige fiscale en financiële bepalingen ten einde de genoemde overeenkomst te kunnen toepassen (V 2379 - Bull. 750). Die bepaling zal later in een afzonderlijke circulaire besproken worden.);
inkomsten van roerende goederen en kapitalen, die in het kader van het pensioensparen worden verleend of toegekend aan daartoe erkende instellingen voor collectieve belegging of aan houders van een individuele spaarrekening ter zake van de in die rekening begrepen activa, voor zover aan de op dat stuk gestelde vereisten is voldaan en de gestorte bedragen in het kader van het pensioensparen voor belastingvermindering in aanmerking zijn genomen (De tekst van art. 21, 8°, WIB 92 houdt reeds rekening met de (geringe) wijziging die inmiddels is aangebracht door art. 5, W 6.7.1994 houdende fiscale bepalingen (V 2323 - Bull. 742) en die reeds werd besproken in de circ. 1.6.1995, Ci.RH.232/466.484 (Bull. 751)); de Koning neemt bijzondere maatregelen voor de toepassing van en de controle op deze bepaling;
inkomsten die zijn begrepen in kapitalen en afkoopwaarden zoals die in artikel 19, § 1, 3°, worden omschreven, in elk van de volgende gevallen:
a)
wanneer het contract voorziet in het betalen bij het overlijden van een kapitaal gelijk aan ten minste 130 procent van het totaal van de gestorte premies;
b)
wanneer het contract gesloten is voor meer dan acht jaar en de kapitalen of afkoopwaarden effectief worden betaald meer dan acht jaar na het sluiten van het contract.
III. ALGEMEEN OVERZICHT
A. Definitie van de verzekeringsbon
3. De verzekeringsbon, die in België sedert enige tijd opgang maakt, is in feite een echt levensverzekeringscontract, dat evenwel bepaalde bijzondere kenmerken vertoont.
4. De verzekeringsbon is een levensverzekeringscontract op naam dat naast de naam van de verzekeringsnemer (de koper van de bon), ook die van de verzekerde en die van de begunstigde(n) vermeldt. Niets belet nochtans dat eenzelfde persoon tegelijk verzekeringsnemer, verzekerde en begunstigde bij leven is (terwijl bij overlijden de erfgenamen de begunstigden zijn).
Voorts gaat het doorgaans om een contract met een eenmalige premie, d.w.z. dat er slechts één enkele storting plaatsvindt, nl. bij de ondertekening. De looptijd bedraagt gewoonlijk 3, 5 of 10 jaar.
5. Het contract bestaat uit:
  • een dekking bij leven, die voorziet in de toekenning van een kapitaal aan de begunstigde, wanneer de verzekerde op de eindvervaldag in leven is;
  • een dekking bij overlijden, die aan de begunstigde een kapitaal, dat ten minste gelijk is aan het bedrag van de oorspronkelijke storting, waarborgt wanneer de verzekerde vóór het verstrijken van het contract overlijdt.
6. De enige mogelijkheid tot wederverkoop van een verzekeringsbon is de klassieke formule van de afkoop door de verzekeringsmaatschappij waarbij de bon onderschreven werd.
B. Fiscale aspecten
7. In beginsel geven de inkomsten uit levensverzekeringscontracten slechts aanleiding tot belastingheffing bij de begunstigde wanneer ten minste één premie in aanmerking werd genomen voor de toekenning van een belastingvrijstelling of -vermindering.
8. Om te vermijden dat alle inkomsten van verzekeringsbons aan de belasting zouden ontsnappen, heeft de Wetgever beslist om de inkomsten van levensverzekeringscontracten waarin een clausule is opgenomen die in een gewaarborgd rendement voorziet, aan de belasting te onderwerpen. Het belastbare bedrag van die inkomsten mag daarenboven niet lager zijn dan het bedrag dat overeenstemt met de kapitalisatie van de interesten tegen 4,75 % per jaar, berekend op het totale bedrag van de gestorte premies.
9. Anderzijds heeft de Wetgever in een belastingvrijstelling voorzien:
  • hetzij wanneer het contract in een overlijdensdekking van ten minste 130 % van het totaal van de gestorte premies voorziet;
  • hetzij wanneer het contract vereffend wordt meer dan acht jaar na het sluiten ervan.
IV. BEDOELDE CONTRACTEN
10. De nieuwe tekst die art. 1, 1°, W 22.7.1993 in de vorm van een 3° aan art. 19, § 1, WIB 92 heeft toegevoegd, beoogt de levensverzekeringscontracten die aan de volgende 3 voorwaarden voldoen:
het moet gaan om een contract dat de belastingplichtige individueel gesloten heeft; groepsverzekeringscontracten zijn bijgevolg niet bedoeld;
het contract moet een clausule bevatten die in een gewaarborgd rendement voorziet; zoals dit het geval is bij kasbons en bij kapitalisatiebons, moet de koper (in casu de verzekeringsnemer) bij het sluiten van het contract de contractuele waarborg van het rendement van zijn belegging hebben;
geen enkele van de gestorte premies mag daadwerkelijk aanleiding gegeven hebben tot de in de art. 145^1 tot 145^20, WIB 92 bedoelde belastingvermindering voor het lange termijnsparen of, in voorkomend geval, het bouwsparen; voor de pensioenen, renten, kapitalen of afkoopwaarden van verzekeringscontracten waarvan ten minste één van de premies tot dergelijke vermindering aanleiding gegeven heeft, bestaat er reeds een specifiek belastingstelsel, nl.:
  • hetzij de taxatie in de PB (zie art. 34, § 1, 2°, WIB 92);
  • hetzij de onderwerping aan de indirecte taks op het lange termijnsparen (zie art. 184 van het Wetboek van de met het zegel gelijkgestelde taksen).
Vanzelfsprekend beoogt de tekst van art. 19, § 1, 3°, WIB 92 uitsluitend de inkomsten die begrepen zijn in de kapitalen en afkoopwaarden die uitgekeerd worden bij leven (en dus nooit bij overlijden).
V. NIET BEDOELDE CONTRACTEN
11. Niet bedoeld zijn de levensverzekeringscontracten waarvoor ten minste één van de onder nr 10 opgesomde voorwaarden niet vervuld is, m.a.w. de contracten die:
  • ofwel niet individueel gesloten zijn;
  • ofwel niet in een gewaarborgd rendement voorzien;
  • ofwel met betrekking tot ten minste één van de premies aanleiding hebben gegeven tot de toekenning van de vermindering voor het lange termijnsparen of, in voorkomend geval, het bouwsparen;
VI. VRIJGESTELDE INKOMSTEN
A. Algemeen
12. Krachtens art. 21, 9°, WIB 92 zijn de inkomsten begrepen in de in art. 19, § 1, 3°, WIB 92 omschreven kapitalen en afkoopwaarden volledig vrijgesteld in elk van de volgende los van elkaar staande, gevallen:
wanneer het contract voorziet in het betalen bij het overlijden van een kapitaal gelijk aan ten minste 130 % van het totaal van de gestorte premies;
wanneer het contract gesloten is voor meer dan acht jaar en de kapitalen of afkoopwaarden effectief worden betaald meer dan acht jaar na het sluiten van het contract.
B. Overlijdensdekking van ten minste 130 %
13. Er is volledige vrijstelling indien het levensverzekeringscontract, ongeacht zijn rendement, in de betaling voorziet van een kapitaal bij overlijden dat ten minste 130 % van het totaal van de gestorte premies bedraagt. Die overlijdensdekking mag in de loop van het contract op geen enkel ogenblik onder die grens zakken.
Die grens van 130 % is in feite het gevolg van een arbitrage. Enerzijds krijgen de verzekeraars beperkingen opgelegd inzake het rendement dat ze mogen aanbieden (Zie in dit verband o.m. het KB 17.12.1992 betreffende de levensverzekeringsactiviteit (BS 31.12.1992, blz. 27893).), en anderzijds is het zo dat wanneer dit type contract voorziet in een uitkering bij overlijden die ten minste 130 % van de gestorte premies bedraagt, het rendement al zover wordt afgeroomd dat het niet interessanter is dan een gewone kasbon (Doc. 1072/8, Kamer, gewone zitting 1992-1993, blz. 75).
C. Uitkering van kapitalen na meer dan acht jaar
14. De inkomsten zijn eveneens volledig vrijgesteld wanneer het contract gesloten is voor meer dan acht jaar en de kapitalen of afkoopwaarden daadwerkelijk meer dan acht jaar na het sluiten van het contract betaald worden (behalve in geval van overlijden).
De vrijstelling zal daarentegen geweigerd worden wanneer kapitalen of afkoopwaarden vereffend worden in de eerste acht jaar vanaf het sluiten van het contract, ook al werd het contract voor een looptijd van meer dan acht jaar afgesloten, (Memorie van Toelichting, Senaat, Doc. 762-1, zitting 1992-1993, blz. 5).
Voor de toepassing van die regel moeten de "voorschotten op contracten" die in de eerste acht jaar van het contract worden toegekend, met afkoopwaarden worden gelijkgesteld.
VII. BELASTBARE INKOMSTEN
A. Bedoelde inkomsten
15. Alleen de inkomsten die begrepen zijn in kapitalen en afkoopwaarden die bij leven aan de begunstigde van het contract toegekend worden, zijn in art. 19, § 1, 3°, WIB 92 bedoeld.
B. Aard van de inkomsten
16. De inkomsten die begrepen zijn in de in art. 19, § 1, 3°, WIB 92 bedoelde kapitalen en afkoopwaarden, hebben de aard van interesten juist zoals b.v. de opbrengsten van vastrentende effecten. Aangezien het hier om echte roerende inkomsten gaat, zijn ze in beginsel aan de RV onderworpen. Is deze ingehouden, dan is de aangifte ervan in de PB facultatief.
C. Belastbaar bedrag
17. Art. 19, § 4, WIB 92 bepaalt dat met betrekking tot kapitalen en afkoopwaarden van in § 1, 3° van hetzelfde art. 19, vermelde levensverzekeringscontracten, de inkomsten overeenstemmen met het verschil tussen:
  • enerzijds, de betaalde of toegekende bedragen, met uitsluiting van de overeenkomstig art. 40 vrijgestelde deelnemingen in de winst (Art. 40, WIB 92: "Deelnemingen in de winst ter zake van levensverzekeringscontracten zijn vrijgesteld op voorwaarde dat zij gelijktijdig met de uit die contracten voortvloeiende pensioenen, renten, kapitalen of afkoopwaarden worden vereffend.")
  • en, anderzijds, het totaal van de gestorte premies.
18. Wanneer er bij de ondertekening van het contract een eenmalige premie betaald wordt, en er tijdens de duur van het contract geen enkele afkoopwaarde of ermede gelijkgesteld voorschot is uitgekeerd, kan dus gesteld worden dat er in de regel belastbare materie ontstaat zodra de door de verzekeringsmaatschappij aan de begunstigde toegekende sommen (deelnemingen in de winst niet inbegrepen) het bedrag van die éénmalige premie overtreffen.
19. Onder gestorte premies moet verstaan worden, de premies tegen hun nominale waarde, m.a.w. niet verminderd met de winstdeelneming die desgevallend door de verzekeringsonderneming aan particulieren in de vorm van een korting is toegekend (Memorie van Toelichting, Senaat, Doc. 762- 1, zitting 1992-1993, blz. 5).
D. Belastbaar minimum
20. Om te vermijden dat een gedeelte van het gewaarborgde rendement tot een vrijgestelde deelneming in de winst wordt omgevormd, bepaalt het tweede lid van art. 19, § 4, WIB 92 dat het overeenkomstig nr 17 vastgestelde belastbare bedrag van het inkomen niet lager mag zijn dan de kapitalisatie van de interesten tegen het tarief van 4,75 % per jaar, berekend op het totale bedrag van de gestorte premies (Memorie van Toelichting, Senaat, Doc. 762-1, zitting 1992-1993, blz. 5).
Dit tarief van 4,75 % komt reeds voor in een andere bepaling van het WIB 92, nl. in art. 34, § 3, dat betrekking heeft op het pensioensparen.
21. Overeenkomstig art. 19, § 4, tweede lid, WIB 92 is het in aanmerking te nemen belastbare inkomen het inkomen dat is vastgesteld op de in nr 17 uiteengezette wijze, indien het tarief van de kapitalisatie van het totale bedrag van de gestorte premies ten minste 4,75 % op jaarbasis bedraagt.
In het tegenovergestelde geval wordt het in aanmerking te nemen inkomen verkregen door de kapitalisatierentevoet van 4,75 % per jaar toe te passen op het totale bedrag van de gestorte premies.
22. Om het behaalde rendement te bepalen kan men gebruik maken van de volgende formule:
1/n (K) i = ---------- - 1 1/n (P)
waarbij:
  • i = het gezochte rendement;
  • K = het kapitaal of de afkoopwaarde;
  • P = het totale bedrag van de gestorte premies;
  • n = de looptijd van het contract, uitgedrukt in jaren.
Voorbeeld:
23. Een particulier onderschrijft in september 1993 een verzekeringsbon met een nominale waarde van 10.000 F zonder overlijdensdekking. Looptijd van het contract: 8 jaar.
In de loop van de 8 jaar evolueert de waarde van de verzekeringsbon als volgt:
na 1 jaar 10.600 F na 2 jaar 11.236 F na 3 jaar 11.910 F na 4 jaar 12.625 F na 5 jaar 13.382 F na 6 jaar 14.185 F na 7 jaar 15.036 F na 8 jaar 15.938 F
Na 7 jaar vraagt de verzekeringsnemer de afkoop van het contract; dientengevolge ontvangt hij de som van 15.036 F.
Om het in aanmerking te nemen belastbare inkomen te bepalen, moet eerst de in nr 22 vermelde formule worden toegepast. Dit geeft:
1/7 (15.036) ----------- - 1 = 0,06 of 6% 1/7 (10.000)
Daar het rendement hoger is dan 4,75 %, bedraagt het belastbare inkomen (Uiteraard kan het belastbare bedrag ook vastgesteld worden door het werkelijke rendement, in casu 5.036 F, te vergelijken met het resultaat dat wordt bekomen na toepassing van de in nr 24 uiteengezette formule; het belastbare bedrag is dan steeds gelijk aan het hoogste van die twee bedragen.) (15.036 - 10.000 =) 5.036 F.
24. Ingeval het rendement geen 4,75 % bedraagt, moet het belastbare inkomen vastgesteld worden door middel van de volgende formule:
n X = P .[(1 + 0,0475) - 1]
waarbij:
  • X = het belastbare inkomen;
  • P = het totale bedrag van de gestorte premies;
  • n = de looptijd van het contract, uitgedrukt in jaren.
Voorbeeld
25. Storting van een eenmalige premie van 60.000 F. Na 6 jaar mag het belastbare inkomen niet lager zijn dan het resultaat dat wordt bekomen na toepassing van de in nr 24 vermelde formule, nl.:
6 60.000 .[(1 + 0,0475) - 1] = 19.264
VIII. BELASTBAAR TIJDPERK
26. Overeenkomstig het algemeen beginsel zijn de in art. 19, § 1, 3°, WIB 92 bedoelde inkomsten belastbaar voor het tijdperk waarin zij aan de begunstigde werden betaald of toegekend.
XI. INWERKINGTREDING
27. Krachtens art. 23, §2, W 22.7.1993 zijn de wijzigingen die de art. 1 en 2 van diezelfde wet respectievelijk in de art. 19 en 21, WIB 92 hebben aangebracht, van toepassing op de vanaf 7.5.1993 gesloten levensverzekeringscontracten; dit is de datum waarop de Ministerraad heeft besloten om een einde te maken aan het oneigenlijk gebruik van levensverzekeringscontracten (Doc. 1072/8, Kamer, gewone zitting 1992- 1993, blz. 74).
Onder voorbehoud van het bepaalde in het voorgaande lid, kunnen de nieuwe bepalingen dus ten vroegste uitwerking hebben met ingang van het aj. 1994.
NAMENS DE MINISTER:
Voor de Directeur-generaal:
De Auditeur-generaal,
M. CHERPION