Aanschrijving nr. 3 dd. 09.05.1996 (vervangen)

Aanschrijving nr. 3 dd. 09.05.1996

BTW-Revue nr. 121, blz. 395

Kostendelende verenigingen.

Deze aanschrijving werd integraal vervangen door

Circulaire AAFisc Nr. 31/2016 (nr. E.T.127.540) dd. 12.12.2016

INHOUDSTAFEL

Eerste afdeling - Toepassingsgebied van de vrijstelling 1-24

A. Wettelijke bepaling 1-6

B. Voorwaarden van de vrijstelling 7-24

Tweede afdeling - De kostendelende vereniging wordt niet als een van de leden afzonderlijke entiteit aangemerkt 25-36

A. Onverdeeldheid als zelfstandige groepering 25-31

B. De onverdeeldheid is geen zelfstandige groepering 32-36

Onderwerp van de aanschrijving

Deze aanschrijving heeft tot doel de regeling op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde toe te lichten die van toepassing is op kostendelende verenigingen.

De kostendelende vereniging is een permanente belangengemeenschap die door fysieke personen of door rechtspersonen wordt opgericht met het oog op rationalisering en om hun beheers- en exploitatiekosten te verminderen. Haar hoofdkenmerk is het gemeenschappelijk maken van de uitgaven die door de deelnemers of de leden worden gedragen.

De eerste afdeling van onderhavige aanschrijving is gewijd aan de regeling die geldt ten aanzien van kostendelende verenigingen die bestaan in zelfstandige groeperingen die de vrijstelling bepaald in artikel 44, § 2, 1bis, van het BTW-Wetboek kunnen genieten terwijl in de tweede afdeling de regeling wordt bepaald die van toepassing is in de relatie tussen de kostendelende vereniging en haar leden wanneer eerstgenoemde niet als een afzonderlijke entiteit wordt aangemerkt ten aanzien van haar leden.

Afdeling 1. Toepassingsgebied van de vrijstelling.

A. Wettelijke bepaling.

1. Ingevolge de Achttiende Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juli 1989 betreffende de harmonisatie van de Wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting (Z. BTW-Rev. 87/376), heeft artikel 10, 1°, van de Wet van 20 juli 1990 houdende economische en fiscale bepalingen (BS 1 augustus 1990) (Z. BTW-Rev. 91/293) artikel 44, § 2, 1bis, van het BTW-Wetboek gewijzigd. Bovendien werd bij artikel 50 van de Wet van 28 december 1992 (BS 31 december 1992) (Z. BTW-Rev. 103/293) de tekst van artikel 44, § 2, 1 bis per 1 januari 1993 aangepast in functie van de nieuwe definitie van het begrip "belastingplichtige".

2. Overeenkomstig de thans geldende tekst van artikel 44, § 2, 1bis, van genoemd Wetboek zijn van de belasting vrijgesteld, de diensten verleend aan hun leden door zelfstandige groeperingen van personen die een werkzaamheid uitoefenen welke krachtens artikel 44 is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn, wanneer die diensten direct nodig zijn voor de uitoefening van die werkzaamheid, deze groeperingen van hun leden enkel terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, en mits deze vrijstelling niet tot concurrentieverstoring kan leiden; de Koning regelt de toepassingsvoorwaarden van deze vrijstelling.

De aandacht wordt er op gevestigd dat vóór 1 januari 1993 de leden van de betreffende groeperingen, op grond van de artikelen 5 en 44 van het BTW-Wetboek niet de hoedanigheid hadden van BTW-belastingplichtige. Ingevolge de opheffing van genoemd artikel 5 van het BTW-Wetboek kunnen die leden zowel belastingplichtige zijn zonder recht op aftrek (de in genoemd artikel 44 beoogde personen evenals de personen die bij hetzelfde artikel bepaalde vrijgestelde handelingen verrichten) als niet-belastingplichtigen.

De toepassingsvoorwaarden van de vrijstelling worden bepaald in het koninklijk besluit nr. 43 van 5 juli 1991 met betrekking tot de vrijstelling op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de door zelfstandige groeperingen van personen aan hun leden verleende diensten (BS 6 augustus 1991) (Z. BTW-Rev. 96/283) zoals dit werd gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 december 1992 (BS 31 december 1992, nr. 257, 4de uitg. blz. 28209).

Bedoelde groeperingen.

3. De vrijstelling beoogt groeperingen van fysieke of rechtspersonen die een activiteit uitoefenen welke buiten de werkingssfeer van de BTW valt en waarvoor zij dus geen belastingplichtige zijn of die van de BTW is vrijgesteld ingevolge artikel 44 van het BTW-Wetboek, en waarvoor zij belastingplichtige zijn zonder recht op aftrek. Worden eveneens beoogd, de groeperingen van openbare instellingen die als zodanig een werkzaamheid uitoefenen waarvoor ze niet als belastingplichtige worden aangemerkt. De omstandigheid dat aan niet-belastingplichtige rechtspersonen en aan belastingplichtigen zonder recht op aftrek een BTW-nummer, in voorkomend geval voorafgegaan door de letters BE, wordt toegekend, omdat ze als ontvanger van de aan hen verleende diensten de belasting verschuldigd zijn (z. W.BTW, art. 51, § 2) of omwille van hun intracommunautaire verwerving van goederen (z. W.BTW, art. 25ter, § 1), heeft geen enkele invloed op de toepassing van de vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 2, 1bis, van het BTW-Wetboek.

4. Worden daarentegen niet beoogd door artikel 44, § 2, 1bis, van het BTW-Wetboek, de groeperingen die naast het verlenen van in dat Wetboek beoogde diensten aan hun leden eveneens aan niet-leden dergelijke diensten verlenen die niet van de belasting zijn vrijgesteld. In dat geval is de volledige werkzaamheid van de groepering met inbegrip van de diensten verstrekt aan de leden, aan de belasting onderworpen.

5. Voor de toepassing van genoemd artikel 44, § 2, 1bis, van het BTW-Wetboek is het evenwel niet vereist dat de betreffende groeperingen een van hun leden onderscheiden juridisch bestaan kennen zelfs indien de leden van de groepering rechtspersonen zijn voor zover, in dit geval, de groepering tegenover derden als een afzonderlijke entiteit onder een eigen benaming optreedt en eveneens als zodanig wordt beschouwd en behandeld.

Daarom worden, voor de toepassing van artikel 44, § 2, 1bis van het BTW-Wetboek, in artikel 1 van bovengenoemd koninklijk besluit nr. 43 zowel de groeperingen of verenigingen met of zonder rechtspersoonlijkheid beoogd. Voor bedoelde groeperingen komt het erop neer dat zij vanuit een eigen organisatie goederen en diensten kunnen ontvangen en zelf diensten kunnen verstrekken. Een en ander heeft tot gevolg dat een boekhouding moet gevoerd worden eigen aan de groepering of vereniging die uiterlijk onder een eigen benaming gekend zijn door derden. Praktisch komt het er op neer dat bedoelde groeperingen of verenigingen voor het verrichten van bedoelde diensten als BTW-belastingplichtigen zouden worden geïdentificeerd wanneer de vrijstelling niet van toepassing zou zijn. Overigens zal aan die groeperingen een BTW-nummer in voorkomend geval voorafgegaan door de letters BE worden toegekend, wanneer zij als ontvanger van de hen verleende dienst of ten aanzien van intracommunautaire verwerving van goederen, de BTW verschuldigd zijn (z. supra).

6. Artikel 44, § 2, 1bis, van het BTW-Wetboek kan onder meer van toepassing zijn ten aanzien van :

•verenigingen zonder winstoogmerk;

•beroepsverenigingen en patroonsverenigingen;

•feitelijke verenigingen;

•economische samenwerkingsverbanden, enz.

B. Voorwaarden van de vrijstelling.

7. Opdat de vrijstelling bepaald in artikel 44, § 2, 1bis van het BTW-Wetboek van toepassing zou zijn, dienen een aantal voorwaarden samen te zijn vervuld. De voorwaarden houden verband met de aard van de verrichte dienst, de hoedanigheid van de leden en tenslotte de voor de gepresteerde diensten ontvangen vergoeding.

Aard van de verrichte diensten.

8. Allereerst wordt er op gewezen dat de vrijstelling enkel diensten beoogt met uitsluiting van de levering van goederen tenzij uiteraard de afgifte van een goed noodzakelijk en duidelijk bijkomstig is in het kader van de dienstverrichting.

De vrijstelling geldt bijgevolg niet ten aanzien van de gezamenlijke aankoop door de leden via de groepering van goederen die als zodanig door laatstgenoemde aan de leden worden aangerekend (bv. aankoop brandstof, bureaumaterieel, enz. door de groepering die alnaargelang de behoeften aan ieder lid worden doorverkocht en gefactureerd).

9. De diensten die door de groepering worden verleend aan de leden moeten bovendien rechtstreeks in het belang zijn van de leden.

Als diensten rechtstreeks in het belang van de leden dienen te worden aangemerkt de diensten die bijdragen en onontbeerlijk zijn met het oog op de verwezenlijking van het maatschappelijk doel van die leden in die zin dat laatstgenoemden zonder die diensten niet in staat zijn het normale verloop van hun eigenlijke beroepswerkzaamheid te verzekeren.

Als voorbeeld kan in dit verband worden vermeld, het verrichten van medische prestaties door een groepering ten bate van haar leden- ziekenhuizen, het terbeschikkingstellen van personeel en/of materieel van haar leden door de groepering, diensten inzake personeelsbeheer en -aanwerving, diensten inzake beheer en onderhoud van beroepslokalen enz.

10. Diensten die niet direct noodzakelijk zijn in het kader van de beroepswerkzaamheid van de leden vallen niet binnen de toepassingssfeer van de vrijstelling zodat de groepering die ook dergelijke diensten voor haar leden verricht, behoudens uiteraard wanneer die diensten op zich van de belasting zouden zijn vrijgesteld op grond van artikel 44 van het BTW-Wetboek, de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige verkrijgt en als zodanig moet worden geïdentificeerd voor haar gehele werkzaamheid. Dit is onder meer het geval voor het verstrekken van spijs en drank aan het personeel van de leden, diensten verricht voor de privé-behoeften van de leden, enz.

Hoedanigheid van de leden.

11. De leden, fysieke of rechtspersonen die deel uitmaken van de groepering hebben niet de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige of zijn belastingplichtige zonder recht op aftrek ofwel omdat zij een werkzaamheid uitoefenen die buiten de werkingssfeer van de BTW valt ofwel omdat die van de BTW is vrijgesteld. Worden eveneens beoogd de publiekrechtelijke instellingen die als overheid een werkzaamheid uitoefenen waardoor ze niet als BTW-belastingplichtige worden aangemerkt.

In het licht van de wijzigingen die vanaf 1 januari 1993 aan het BTW-Wetboek werden aangebracht, gaat het inzonderheid om belastingplichtigen die uitsluitend leveringen van goederen en diensten verrichten waarvoor zij geen recht op aftrek hebben en om niet belastingplichtige rechtspersonen.

12. De vrijstelling in hoofde van de groepering is onder voorbehoud van het bepaalde in nr. 14 hierna, derhalve niet van toepassing en betreffende groepering wordt bijgevolg een belastingplichtige met recht op aftrek wanneer bepaalde leden de hoedanigheid van gemengde belastingplichtige hebben ongeacht of zij op het stuk van de aftrek van voorbelasting aan de regel van het werkelijke gebruik van goederen en diensten dan wel aan de regel van het algemeen verhoudingsgetal zijn onderworpen (z. W.BTW, art. 46). Hetzelfde geldt uiteraard wanneer een of meerdere leden van de groepering de hoedanigheid van belastingplichtige met volledig recht op aftrek hebben.

Leden die bijkomstig belastbare handelingen stellen.

13. Het komt geregeld voor dat sommige leden van groeperingen in het kader van hun werkzaamheid waarvoor zij niet-belastingplichtige of belastingplichtige zonder recht op aftrek zijn, bijkomstig doch geregeld goederen leveren en diensten verrichten ten aanzien waarvan rekening houdend met de BTW-principes, de belasting verschuldigd is [v.b. verkoop door financieringsmaatschappijen van goederen ingevolge subrogatie, z. aanschr. 20/1975 (Z. BTW-Rev. 22/302); verkoop door verzekeringsmaatschappijen van hun overgelaten goederen, z. aanschr. 21/1975 (Z. BTW-Rev. 22/283); actuariële diensten verricht door verzekeringsmaatschappijen, z. aanschr. 142/1971, nr. 4 (Z. BTW-Rev. 5/25)].

14. De gestrengheid van het bepaalde in het nummer 12 in gevallen zoals beoogd in het vorige lid wordt gemilderd door artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 43 van 5 juli 1991 met betrekking tot de vrijstelling op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de door zelfstandige groeperingen van personen aan hun leden verleende diensten.

Op grond van die bepaling wordt een lid dat in het kader van zijn werkzaamheid welke krachtens artikel 44 van het BTW-Wetboek is vrijgesteld of waarvoor het niet belastingplichtige is, ook belastbare handelingen stelt die evenwel niet als een afzonderlijke werkzaamheid worden aangemerkt, geacht de door de zelfstandige groepering verleende diensten uitsluitend te gebruiken voor de eerstgenoemde werkzaamheid wanneer de jaaromzet, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, met betrekking tot de in onderhavige bepaling bedoelde belastbare handelingen niet meer bedraagt dan 10 pct, van de jaaromzet, exclusief belasting over de toegevoegde waarde met betrekking tot alle in onderhavige bepaling bedoelde handelingen. Laatste bedoelde omzet geldt per lid.

Verhouding belastbare, en niet belastbare handelingen.

15. Om vast te stellen of de vrijstelling in hoofde van de groepering geldt, dient gelet op het bepaalde in nr, 14, tweede lid, hiervoor, ieder lid per kalenderjaar de verhouding vast te stellen tussen het totaal bedrag van de belastbare handelingen en het totaal bedrag van de tijdens hetzelfde jaar verrichte beroepshandelingen.

Voor de toepassing van hetgeen voorafgaat worden als belastbare handelingen aangemerkt, de handelingen die op grond van artikel 45, § 1, 1° tot 3°, van het BTW-Wetboek, recht op aftrek geven. De handelingen bedoeld in artikel 45, § 1, 4° en 5°, van hetzelfde Wetboek worden daarentegen, hoewel zij recht op aftrek van voorbelasting verlenen, niet opgenomen in het totaal bedrag van de belastbare omzet.

16. De handelingen vermeld in artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 3, van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde worden voor de berekening van bedoelde verhouding niet in aanmerking genomen.

Een groepering waarvan een of ander lid een belastbare omzet realiseert in de zin van hetgeen voorafgaat die meer bedraagt dan 10 pct. van het totale bedrag van de gerealiseerde jaaromzet, kan zich in principe niet op de vrijstelling beroepen tenzij het lid dat niet voldoet aan de gestelde voorwaarde inzake belastbare omzet, als lid van de groepering wordt geschrapt.

Rechtszekerheid.

17. Om evenwel iedere rechtsonzekerheid in hoofde van de groepering inzake de toepassing van de vrijstelling te voorkomen, zal de hierna volgende regeling worden toegepast.

a) Nieuw opgerichte groeperingen.

Ten aanzien van een nieuw opgerichte groepering zal de vrijstelling van rechtswege van toepassing zijn wanneer de belastbare handelingen van ieder van de leden van die groepering met betrekking tot het kalenderjaar dat aan de oprichting van de groepering voorafgaat, het in artikel 3 van het bovengenoemde koninklijk besluit nr. 43 vermelde percentage van de omzet niet overtreft. Bovendien zal op de door de groepering tijdens het eerste kalenderjaar van haar bestaan toegepaste vrijstelling niet worden teruggekomen voor zover het totaal bedrag van de door een of ander lid van die groepering verrichte belastbare handelingen niet meer bedraagt dan 20 pct. van het totaal bedrag van de verrichte beroepshandelingen. Het spreekt vanzelf dat in dit laatste geval de vrijstelling onder voorbehoud van hetgeen hierna wordt bepaald in hoofde van die groepering vanaf 1 januari van het daaropvolgende kalenderjaar vervalt.

b) Bestaande groeperingen.

Om te voorkomen dat een toevallige overschrijding van de bovengenoemde verhouding van 10 pct. de vrijstelling in hoofde van de groepering teniet zou doen, wordt aanvaard dat een overschrijding van genoemde drempel gedurende maximum twee opeenvolgende jaren met niet meer dan 50 pct. van die drempel, de vrijstelling niet in het gedrang brengt.

Voorbeelden.

•De verhouding tussen het totaal bedrag van de belastbare handelingen en het totaal bedrag van de beroepshandelingen van een of meer leden van dezelfde groepering bedraagt voor de kalenderjaren 1994 en 1995 respectievelijk 13 en 12 pct. De vrijstelling in hoofde van die groepering blijft van toepassing voor het jaar 1996.

•De vrijstelling vervalt daarentegen vanaf 1 januari 1997 wanneer met betrekking tot het kalenderjaar 1996 de drempel van 10 pct. andermaal wordt overschreden.

•De verhouding tussen het totaal bedrag van de belastbare handelingen en het totaal bedrag van de beroepshandelingen van een of meer leden van de groepering bedraagt voor het kalenderjaar 1995 17 pct. De vrijstelling in hoofde van die groepering vervalt voor het kalenderjaar 1996.

Door de groepering aan de leden aangerekende vergoeding.

18. De diensten verricht door de groepering ten bate van haar leden moeten gedekt zijn door een vergoeding die slechts de terugbetaling vertegenwoordigt van de door de groepering werkelijk gedane gezamenlijke uitgaven met betrekking tot de periode waarop de aan de leden aangerekende vergoeding betrekking heeft. De groepering die winst maakt of nastreeft, hetgeen in de regel het geval is ten aanzien van groeperingen opgericht onder de vorm van een handelsvennootschap, zijn voor het geheel van hun activiteit - indien die uiteraard bestaat in het verrichten van in het BTW-Wetboek bedoelde maar niet van de belasting vrijgestelde handelingen - aan de BTW onderworpen.

De verdeling onder de leden van de door de groepering gedane uitgaven, daaronder begrepen de BTW geheven van de aan laatstgenoemde geleverde goederen en verleende diensten, kan geschieden :

•hetzij door van ieder lid de juiste terugbetaling te vorderen van de gedane uitgaven met betrekking tot de aan dat lid verleende diensten;

•hetzij wanneer een juiste doorrekening niet mogelijk is, door een zo juist mogelijke raming van de door ieder lid te dragen uitgaven. Het aandeel van ieder lid in de uitgaven kan in dat geval worden vastgesteld op grond van vooraf overeengekomen relevante criteria zoals bij voorbeeld de bestede tijd, de omzet van de leden, enz.

19. Hetgeen voorafgaat belet evenwel niet dat de groepering voor de afrekening met de leden, geregeld voorschotten van laatstgenoemden kan vragen. Deze handelswijze doet geen afbreuk aan de vrijstelling voor zover het totaal bedrag van de door de leden betaalde voorschotten, de in het totaal door de groepering gedane uitgaven met betrekking tot de periode tussen twee afrekeningen, niet overtreft. Het nakomen van die voorwaarde zal moeten blijken uit de gevoerde boekhouding.

Aftrek in hoofde van de leden die bijkomstig belastbare handelingen stellen.

20. De draagwijdte van de in artikel 3, van het koninklijk besluit nr. 43 van 5 juli 1991 bepaalde tolerantie (z. nr. 14, tweede lid) is beperkt en geldt slechts ten aanzien van de toepassing van de vrijstelling met betrekking tot de door de groepering ten bate van de leden verrichte diensten.

Wanneer derhalve de diensten die een groepering verricht ten bate van een lid dat binnen de in artikel 3 van bovengenoemd koninklijk besluit nr. 43 gestelde voorwaarden ook belastbare handelingen stelt, in voorkomend geval worden gebruikt in het kader van die bijkomende belastbare werkzaamheid, heeft dat lid in die mate recht op aftrek van de BTW die begrepen is in de door de groepering aangerekende vergoeding.

Dat recht op aftrek kan worden uitgeoefend volgens het bepaalde in artikel 46 van het BTW-Wetboek aan de hand van de door de groepering uitgereikte gedetailleerde staat van uitgaven voorzien van de gebruikelijke vermeldingen inzonderheid het bedrag van de te betalen vergoeding (exclusief BTW), het bedrag van de BTW en per lid zijn aandeel in de gemeenschappelijke uitgaven en de daarop betrekking hebbende BTW.

Werkzaamheid van de leden.

21. Aangezien de beoogde groeperingen tot doel hebben een kostenbesparing in hoofde van de aangesloten leden door het gemeenschappelijk maken van de uitgaven van dezelfde aard die ieder van hen heeft en de aldus door de groepering in dat kader aan de leden verleende diensten direct verband moeten houden met de werkzaamheid van de leden, ligt het voor de hand dat laatstgenoemden een werkzaamheid van dezelfde aard uitoefenen of behoren tot eenzelfde financiële, economische, professionele of sociale groep.

Hetgeen voorafgaat komt erop neer dat de leden van de betreffende groepering in functie van de belangrijkheid van hun werkzaamheid diensten van dezelfde aard ontvangen.

De vrijstelling in hoofde van de groepering is derhalve niet van toepassing wanneer ieder lid ontvanger is van specifieke diensten (v.b. een V.Z.W. verleent aan haar drie leden die dokter zijn, respectievelijk de volgende diensten : de verhuur van medische apparatuur, de terbeschikkingstelling van een medisch secretaresse en de verhuur van een personenwagen).

Hetzelfde geldt wanneer diensten van algemene aard (bv. het voeren van de boekhouding) worden verleend aan leden die een totaal van elkaar onafhankelijke werkzaamheid uitoefenen of waarvan de bij die leden aangesloten ondernemingen in verschillende bedrijfssectoren werkzaam zijn (v.b een V.Z.W. verricht intellectuele prestaties ten bate van haar leden in dit geval beroepsfederaties die de belangen vertegenwoordigen van ondernemingen die respectievelijk bedrijvig zijn in de sector van de vleesverwerking, het kinderspeelgoed en de koffiebranders).

22. Evenwel wordt aanvaard dat ondernemingen of instellingen die om financiële of economische reden overgaan tot splitsing en hun activiteiten inbrengen in nieuw opgerichte rechtspersonen die evenwel zullen blijven behoren tot dezelfde groep, de diensten die gemeenschappelijk zijn aan hun, wegens de splitsing verschillende werkzaamheid, kunnen toevertrouwen aan een voor de gemeenschappelijke uitvoering van genoemde diensten opgerichte groepering.

Groepering waarvan één of meerdere leden gevestigd zijn in een andere Lid-Staat.

23. Artikel 13, A, 1, f van de Zesde Richtlijn van 17 mei 1977 (Z. BTW-Rev. 30/263), waarvan artikel 44, § 2, 1bis van het BTW-Wetboek de omzetting is in Belgisch recht, geldt uiteraard voor alle Lid-Staten onder de voorwaarden die laatstgenoemden stellen. De voor de toepassing van die vrijstelling gestelde voorwaarden kunnen evenwel niet tot gevolg hebben dat bepaalde leden enkel omwille van het feit dat ze in een andere Lid-Staat zijn gevestigd dan die waar de groepering is gelegen, de beoogde vrijstelling niet kunnen genieten.

Derhalve moet in de regel voor de toepassing van de betreffende vrijstelling geen onderscheid worden gemaakt naargelang de leden van een in België gevestigde groepering in België dan wel in een andere Lid-Staat van de Europese Unie zijn gevestigd. Bijgevolg geldt de vrijstelling ten aanzien van de door de groepering aan de leden verleende diensten wanneer de hierboven gestelde voorwaarden zowel ten aanzien van groepering als ten aanzien van de binnen de Europese Unie gevestigde leden zijn vervuld.

24. Wanneer evenwel de door de groepering aan een of meerdere leden verleende diensten op grond van artikel 21, § 3, 7, van het BTW-Wetboek geacht worden plaats te vinden in de Lid-Staat waar laatstgenoemde(n) is (zijn) gevestigd, spreekt het vanzelf dat de Lid-Staat van de ontvanger van de dienst de gegrondheid van de betreffende vrijstelling moet kunnen nagaan volgens de door laatstgenoemde Lid-Staat gestelde voorwaarden.

Afdeling 2. De kostendelende vereniging wordt niet als een van de leden afzonderlijke entiteit aangemerkt.

A. Onverdeeldheid als zelfstandige groepering.

25. Begrip

Omwille van de afwezigheid van rechtspersoonlijkheid heeft de groepering die bestaat als een onverdeeldheid tussen de leden zelfs indien eerstgenoemde in de onderlinge relatie tussen de leden als zelfstandig wordt beschouwd, als zodanig, geen rechten en verplichtingen in die zin dat er strikt genomen geen rechtshandelingen tot stand kunnen komen tussen de leden en de groepering zodat in dezelfde relatie evenmin leveringen van goederen of dienstprestaties kunnen plaatsvinden.

Derhalve kan er in principe in bovengenoemde relatie geen sprake zijn van verschuldigdheid van BTW noch van een eventuele vrijstelling. In dat geval worden de goederen en de diensten die nodig zijn voor de uitvoering van de ten behoeve van de leden of deelnemers te verrichten handelingen, verkregen, eventueel gehuurd, in onverdeeldheid. De handelingen verricht ten bate van de leden of deelnemers in het kader van die onverdeeldheid moeten noodzakelijkerwijs dan ook verricht worden door gemeenschappelijk personeel. Het verrichten van handelingen ten bate van de leden door uitsluitend personeelsleden van één lid zou immers in de relatie tussen dat lid en de andere leden voor wie diensten worden gepresteerd aanleiding geven tot de opeisbaarheid van de belasting.

Rekening houdend met hetgeen voorafgaat heeft de onverdeeldheid als zodanig niet de hoedanigheid van belastingplichtige. Niettemin kan aan die onverdeeldheid ter uitvoering van de artikelen 50, § 1, tweede lid en 51, § 2, van het BTW-Wetboek een BTW-nummer worden toegekend (z. nr. 3, in fine, hiervoor).

Handelingen verricht ten bate van de onverdeeldheid.

26. In de regel dienen de facturen met betrekking tot de aan de onverdeeldheid geleverde goederen en gepresteerde diensten door de leveranciers en dienstverrichters op naam van al de deelnemers te worden uitgereikt, Op de uitgereikte facturen moet bijgevolg de naam van iedere deelnemer van de onverdeeldheid worden vermeld met aanduiding van het aandeel wanneer de deelnemers niet gelijkmatig in die uitgaven bijdragen.

Onder de hierna vernielde voorwaarden (z. nr. 27) aanvaardt de administratie evenwel dat op die inkomende facturen enkel de naam en, in voorkomend geval het BTW-nummer van de deelgenoten die de hoedanigheid van gemengde belastingplichtige hebben, wordt vermeld. Bovendien moet uit de factuur duidelijk blijken dat de vermelde deelgenoten in voorkomend geval handelen in het kader van een onverdeeldheid.

27. De in nr. 26 hiervoor beoogde voorwaarden zijn de volgende:

1° de werkzaamheden in het gemeenschappelijk belang van de deelgenoten moeten worden verricht door gemeenschappelijk personeel;

2° de meerderheid van de deelgenoten van de onverdeeldheid moet bestaan uit niet-belastingplichtigen of uit gemengde belastingplichtigen die tot de onverdeeldheid zijn toegetreden voor de behoeften van hun niet belaste werkzaamheid;

3° de factuur mag alleen betrekking hebben op de algemene onkosten van de onverdeeldheid of op bedrijfsmiddelen die voor de werking ervan in het gemeenschappelijk belang van de deelnemers, vereist zijn (bv. computer die gekocht of gehuurd wordt);

4° de onverdeeldheid handelt alleen voor deelnemers met uitsluiting van derden.

Betrekkingen tussen de deelnemers.

28. Vermits de onverdeeldheid, zelfs indien ze onder de deelnemers als zelfstandig wordt beschouwd, geen eigen juridisch bestaan kent, geeft de verdeling onder hen van de kosten wegens de van derden ontvangen goederen en diensten voor de werking van de onverdeeldheid inzonderheid algemene kosten en personeelskosten, geen aanleiding tot de heffing van de BTW. Het is duidelijk dat de afrekening die tussen de verscheidene deelnemers wordt gemaakt om het deel van ieder van hen in de gemeenschappelijke werkingskosten te bepalen, strikt moet geschieden volgens de kostende prijs.

29. De BTW die door de leveranciers en dienstverrichters op hun factuur in rekening wordt gebracht dient dan ook ten laste van de deelgenoten te worden gelegd naar verhouding van het aandeel van ieder van hen in de onverdeeldheid.

De deelnemer die gemengde belastingplichtige is, kan de hem aldus aangerekende BTW over zijn aandeel in de uitgaven in voorkomend geval overeenkomstig artikel 46, § 1, van het BTW-Wetboek in aftrek brengen aan de hand van een gedetailleerde afrekening die als inkomende factuur moet geboekt worden.

Gemeenschappelijk personeel.

30. Voor de toepassing van hetgeen voorafgaat dient als gemeenschappelijk personeel belast met het verrichten van gemeenschappelijke diensten ten bate van de onverdeeldheid te worden aangemerkt :

1° personeel dat gemeenschappelijk door alle deelnemers is aangeworven;

2° personeel dat is aangeworven door een of meer deelnemers maar voor rekening van alle deelnemers. Die omstandigheid dient te worden aangetoond aan de hand van een geschrift, dat door alle deelnemers is ondertekend.

31. Hetgeen voorafgaat laat niet toe dat personeel bestemd voor de handelingen verricht ten behoeve van de deelnemers en dat reeds aangeworven werd door één deelgenoot van een bestaande kostendelende vereniging achteraf gemeenschappelijk wordt gemaakt door ondertekening van een verbintenis. De gemeenschappelijkheid van dit personeel moet vaststaan vanaf de aanwerving in een door de deelnemers ondertekend geschrift.

Indien derhalve een kostendelende vereniging wordt opgericht en de deelnemers wensen bestaand eigen personeel als gemeenschappelijk in de vereniging in te schakelen, dan moet reeds bij de oprichting van de kostendelende vereniging de verbintenis bedoeld in onderhavig punt 30, 2° ondertekend worden.

B. De onverdeeldheid is geen zelfstandige groepering.

Begrip.

32. Wanneer de onverdeeldheid geen zelfstandige groepering is, worden de handelingen waarvan de rationalisering door de deelnemers van die belangengemeenschap wordt nagestreefd, toevertrouwd aan een of verscheidene van hen die ze voor anderen verrichten.

Betrekkingen tussen de deelnemers. Van derden afgenomen goederen en diensten.

33. De deelnemer die aldus goederen en diensten van derden heeft afgenomen met het oog op het verwezenlijken van de doelstelling van de kostendelende vereniging (algemene onkosten, personeelsuitgaven, huur materieel enz.) brengt de in dat verband zelf gedane uitgaven in rekening van de deelnemers voor wie de uitgaven werden gedaan.

Voor zover die uitgaven in hoofde van de deelnemer die ze heeft gedaan in het kader van de opdracht die hem werd toevertrouwd door de kostendelende vereniging, goederen en diensten betreffen als bedoeld in het BTW-Wetboek die niet van de belasting zijn vrijgesteld, is in de regel bij de doorrekening van die kosten de BTW in de relatie tussen de betrokken deelnemers verschuldigd. In dat geval mag uiteraard de deelnemer die de factuur van de leverancier of dienstverrichter heeft ontvangen, de daarop in rekening gebrachte BTW volgens de gewone regels in aftrek brengen.

34. De in de vorige twee leden bedoelde goederen en diensten kunnen evenwel en niettegenstaande ze slechts aan één deelnemer zijn gefactureerd, worden aangemerkt als te zijn gedaan aan de verscheidene deelnemers voor wie ze in feite bestemd zijn, wanneer de in nr. 27 opgesomde voorwaarden vervuld zijn.

De deelnemer die de factuur heeft ontvangen reikt dan aan elke andere deelnemer, minstens éénmaal per jaar, een afrekening uit waarop het door laatstbedoelde te dragen deel van de uitgaven, tegen kostprijs, en van de eventueel daarop betrekking hebbende BTW wordt vermeld.

De deelnemer die belastingplichtige is kan aan de hand van de ontvangen afrekening die hij moet boeken als inkomende factuur, de BTW volgens de gewone regels in aftrek brengen. Het spreekt vanzelf dat de deelnemer die de factuur op zijn naam van een derde heeft ontvangen als hij zelf belastingplichtige is, de in voorkomend geval op die factuur aangerekende BTW slechts in aftrek kan brengen tot beloop van het deel van de uitgave dat door hem wordt gedragen. Dat deel moet hij op de factuur vermelden.

Door de deelnemers verrichte handelingen.

35. Wanneer een of meerdere deelnemers met eigen middelen in het BTW-Wetboek bedoelde handelingen verrichten die niet van de belasting zijn vrijgesteld voor andere deelnemers van de vereniging is in genoemde relatie de BTW verschuldigd ongeacht of die handeling al dan niet in het gezamenlijk belang wordt verricht.

Dit is inzonderheid het geval wanneer personeelsleden van een der deelgenoten worden ingezet voor het verrichten van handelingen in het gemeenschappelijk belang. Over de door de deelnemer die zijn personeel ter beschikking stelt aan de andere deelnemer aangerekende personeelskosten, is normaal de BTW verschuldigd.

36. Deze aanschrijving vervangt de aanschrijving nr. 29 van 20 september 1978 (Z. BTW-Rev. 38/13).

Namens de Minister :

De Directeur-generaal,

J. DECUYPER