Aanschrijving nr. 7 dd. 24.03.1981

AANSCHRIJVING 81/007

Aanschrijving nr. 7 dd. 24.03.1981


Regeling egalisatiebelasting
Bedrijfsmiddelen


Onderwerp.

1. Deze aanschrijving welke de aanschrijving nr. 1, van 6 januari 1975 (Z. Revue nr. 20, blz. 133), vervangt, geeft een bijkomende toelichting omtrent de draagwijdte van artikel 8, 3°, van het koninklijk besluit nr. 19, van 20 juli 1970, dat de toepassing van de egalisatiebelasting uitsluit voor de goederen die de kleine detaillist verklaart aan te kopen of in te voeren als bedrijfsmiddel. Verder licht zij de draagwijdte toe van artikel 14 van hetzelfde besluit, dat aan de kleine detaillisten die aan de regeling egalisatiebelasting onderworpen zijn de aftrek toelaat, onder de vorm van teruggaaf, van de van hun bedrijfsmiddelen geheven belasting. Tenslotte bepaalt ze, ten aanzien van die bedrijfsmiddelen, de regelen die moeten worden gevolgd inzake de onttrekking voorzien bij artikel 12, § 1, 3°, van het Wetboek en de vijf- of tienjarige herziening.

Eerste afdeling.- Bedrijfsmiddelen. Teruggaaf van de belasting geheven van de bedrijfsmiddelen.

1. Algemene regel.

2. De begrippen "bedrijfsmiddel" en "van bedrijfsmiddelen geheven belasting" hebben op het stuk van de BTW een specifieke draagwijdte die werd bepaald door de artikelen 6 en 7 van het koninklijk besluit nr. 3, van 10 december 1969, en door het ministerieel besluit nr. 1, van 2 september 1980 (Z. Revue nr. 46, blz. 337.). Diezelfde draagwijdte moet derhalve, in beginsel, aan de genoemde begrippen worden toegekend voor de toepassing zowel van artikel 8, 3°, als van artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 19.

Niettemin, doch uitgezonderd voor de toepassing van artikel 48, § 2, van het Wetboek (vijf- of tienjarige herziening), worden het klein materieel, het klein gereedschap en de kantoorbehoeften als bedrijfsmiddelen aangemerkt, indien de prijs, of, bij ontstentenis van een prijs, de normale waarde per in de handel gebruikelijke eenheid 1000 frank bereikt of overtreft.

II. Draagwijdte van de vrijstelling van egalisatiebelasting inzake bedrijfsmiddelen.

Als bedrijfsmiddel aangekochte of ingevoerde goederen.

3. De egalisatiebelasting is niet verschuldigd ter zake van de levering of de invoer van duurzame lichamelijke goederen (bestelwagens, automobielen, toonbanken, koelkasten, weegschalen, uitstalrekken, enz.) die als dusdanig in gebruik kunnen worden genomen en die de kleine detaillist verklaart te zullen aanwenden als bedrijfsmiddel, hetzij in de staat waarin ze zijn geleverd of ingevoerd, hetzij na installatie, plaatsing of montage door de leverancier in de onderneming.

4. Hier worden niet bedoeld de aankoop of invoer door de kleine detaillist van losse stukken of materialen; die handelingen volgen de bijzondere regeling vervat in de nrs. 15 tot 20 hierna.

Goederen die vlug tenietgaan. Klein materieel, klein gereedschap, kantoorbehoeften. Verpakkingen.

5. De egalisatiebelasting is in beginsel verschuldigd ter zake van de levering of de invoer van goederen die, op het stuk van de BTW, niet als bedrijfsmiddelen worden aangemerkt. Dit is onder meer het geval :

1° voor goederen die vlug tenietgaan, dit wil zeggen voor goederen die niet van aard zijn om langer dan een jaar te worden gebruikt (b.v. gewone werkkledij);

2° voor het klein materieel, het klein gereedschap en de kantoorbehoeften wanneer de prijs of, bij ontstentenis van een prijs, de normale waarde van die goederen per in de handel gebruikelijke eenheid lager is dan 1.000 frank;

3° voor de verpakkingsmiddelen, zelfs indien ze bestemd zijn om opnieuw te worden gebruikt (z. art. 1, 2°, van het min. besl. nr. 1).

Diensten.

6. De egalisatiebelasting is niet verschuldigd ter zake van de diensten die aan kleine detaillisten worden verstrekt (montagewerken, onroerende werken, onderhouds- en herstellingswerken, huur van bedrijfsmiddelen, enz.). Hierbij moet geen onderscheid worden gemaakt naargelang die diensten strekken of bijdragen tot het totstandkomen, omvormen of verbeteren van een bedrijfsmiddel, of slechts dienen voor het onderhoud of het herstellen ervan.

7. De onderdelen of materialen zijn niet aan de egalisatiebelasting onderworpen wanneer ze door de dienstverrichter zelf worden geleverd in het kader van een dienst (b.v. een werk in onroerende staat; de herstelling of het onderhoud van een bedrijfsmiddel met levering van toebehoren).

III. Teruggaaf van de van een bedrijfsmiddel geheven belasting.

Draagwijdte van artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 19.

8. De in artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 19 bedoelde teruggaaf mag slechts worden toegestaan indien het gaat om een belasting die betrekking heeft op een bedrijfsmiddel in de betekenis die daaraan wordt gegeven door artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 3, en voor zover ze geheven werd ter zake van een handeling die strekt of bijdraagt tot het totstandkomen, omvormen of verbeteren van een bedrijfsmiddel (z. art. 7, 1ste lid, van het kon. besl. nr. 3).

9. De teruggaaf wordt dus onder meer niet toegestaan voor de belasting geheven van :

1° de levering of de invoer van goederen die vlug tenietgaan (z. nr. 5, 1°);

2° de levering of de invoer van het klein materieel, het klein gereedschap of de kantoorbehoeften waarvan sprake onder nr. 5, 2°.

3° de levering of de invoer van verpakkingsmiddelen (z. nr. 5, 3°);

4° het herstellings- of onderhoudswerk aan een bedrijfsmiddel, alsmede de verkrijging of de invoer van wisselstukken die voor zulk werk bestemd zijn (z. art. 7, 2de lid, 1°, van het kon. besl. nr. 3);

5° de huur van bedrijfsmiddelen (z. art. 7, 2de lid, 2°, van het kon. besl. nr. 3).

10. De eventuele teruggaaf van de belasting die geheven is van de levering of de invoer van onderdelen of materialen geschiedt volgens de hierna onder de nrs. 13 tot 20 bedoelde bijzondere regeling.

Beperking van het recht op aftrek.

11. De in artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 19 bedoelde teruggaaf is beperkt tot de belasting welke de kleine detaillist die aan de regeling egalisatiebelasting onderworpen is volgens de normale regeling had kunnen aftrekken, rekening houdend met de toepassing van de artikelen 45 tot 49 van het Wetboek (inzonderheid de toepassing van art. 45, § 2, van het Wetboek, op autovoertuigen).

Aanvraag om teruggaaf. Verval van het recht op teruggaaf.

12. De aanvraag om teruggaaf moet in tweevoud worden ingediend bij het hoofd van het BTW-controlekantoor waaronder de betrokkene ressorteert; ze moet bij die ambtenaar toekomen binnen vijf jaar te rekenen vanaf het tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf is ontstaan (z. art. 9 van het kon. besl. nr. 4). Per kwartaal mag slechts één aanvraag om teruggaaf van die aard worden ingediend (z. art. 14 van het kon. besl. nr. 19).

De teruggaaf wordt slechts toegestaan wanneer het bedrag ervan 100 frank bereikt : ze wordt verricht door overschrijving op de postrekening van de betrokkene of door een op zijn naam gestelde postassignatie (z. art. 12, § 2, van het kon. besl. nr. 4).

IV. Bzonder geval. Levering of invoer van onderdelen of materialen.

Bedoelde toestand.

13. Een kleine detaillist kan onderdelen of materialen hier te lande aankopen of invoeren en ze bestemmen hetzij voor de totstandkoming, de omvorming of de verbetering van een bedrijfsmiddel, hetzij enkel voor de herstelling of het onderhoud van een dergelijk goed. Hij kan het werk dat met behulp van deze materialen wordt verricht ofwel zelf verrichten ofwel toevertrouwen aan een derde.

Toepassing van de egalisatiebelasting bij de levering of de invoer van losse stukken en materialen.

14. Op het tijdstip van de levering of van de invoer kan de leverancier niet uitmaken of de losse stukken en materialen bestemd zijn om gebruikt te worden voor de bedrijfsmiddelen van de kleine detaillist, en kan zelfs deze laatste niet altijd met zekerheid de bestemming van die goederen aangeven. Om die reden heeft de administratie als regel aangenomen dat de losse stukken en materialen voorlopig niet als bedrijfsmiddelen moeten worden aangemerkt. Hieruit volgt dat de egalisatiebelasting steeds verschuldigd is bij de aanschaffing of de invoer van die goederen.

Onttrekkingen bedoeld in de artikelen 12, § 1, 4°, en 19, 2°, van het Wetboek.

15. Wanneer de kleine detaillist, zonder beroep te doen op de diensten van een ondernemer, zelf de losse stukken gebruikt voor de vervaardiging van een roerend goed dat hij als bedrijfsmiddel zal aanwenden (b.v. de montage van een rek dat roerend blijft) moet de onttrekking, die onder de normale BTW-regeling bij artikel 12, § 1, 4°, van het Wetboek is voorzien, onder de regeling egalisatiebelasting niet worden verricht. De toepassing van het genoemd artikel 12, § 1, 4°, wordt immers uitdrukkelijk uitgesloten door artikel 11, 1°, van het koninklijk besluit nr. 19.

16. Alhoewel artikel 11, 1°, van het koninklijk besluit de toepassing van artikel 19, § 2, van het Wetboek niet uitsluit voor werken in onroerende staat die de kleine detaillist aan zichzelf levert (b.v. onroerende werken voor de inrichting van de winkel), wordt aangenomen dat die uitsluiting voortvloeit uit de aard zelf van de regeling egalisatiebelasting.

17. Hoewel de onttrekkingen als bedoeld in de artikelen 12, § 1, 4°, en 19, 2°, van het Wetboek, niet moeten worden verricht, behoudt de kleine detaillist het recht op teruggaaf van de belasting die geheven werd ter zake van de levering of de invoer van stukken en materialen die hij bestemt voor investeringsdoeleinden (z. nrs. 18 tot 20 hierna).

Teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde en van de egalisatiebelasting die geheven werd ter zake van de levering of invoer van stukken en materialen.

18. De door artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 19 verleende teruggaaf is van toepassing op de belasting die ter zake van de levering of invoer van stukken en materialen geheven werd, voor zover de kleine detaillist aantoont dat die stukken en materialen werden aangewend voor de totstandkoming, de omvorming of de verbetering van een bedrijfsmiddel.

19. In afwijking van wat gezegd werd onder nr. 12, wordt het recht op teruggaaf opgeschort tot op het tijdstip waarop het bedrijfsmiddel effectief tot stand komt. Dit recht ontstaat dus :

1° wanneer de kleine detaillist, zonder beroep te doen op een aannemer, zelf de stukken en materialen heeft aangewend voor de vervaardiging, de omvorming of de verbetering van een bedrijfsmiddel : op het tijdstip waarop het bedrijfsmiddel tot stand komt of het werk in onroerende staat voltooid wordt;

2° wanneer de kleine detaillist voor die aanwending beroep heeft gedaan op een derde aannemer : naarmate de stukken of materialen in het opgezette werk ingelijfd worden en, in de praktijk, bij het verstrijken van het burgerlijk kwartaal ten aanzien van de tijdens dat kwartaal ingelijfde stukken of materialen.

20. De egalisatiebelasting die geheven werd bij de levering of de invoer van de stukken of materialen (z. nr. 14) wordt integraal teruggegeven, en de belasting over de toegevoegde waarde die aan de kleine detaillist aangerekend werd, wordt teruggegeven onder voorbehoud van eventuele beperkingen van het recht op aftrek ingevolge de artikelen 45 tot 49 van het Wetboek.

De belasting geheven van de diensten die werden verstrekt door de aannemer tot wie de kleine detaillist zich heeft gewend voor de inlijving van de stukken en materialen, wordt teruggegeven volgens de normale regels (z. nr. 12).

Afdeling 2.- Leveringen van bedrijfsmiddelen die de kleine detaillist in zijn bedrijf heeft gebruikt. Onttrekkingen voorzien bij artikel 12, § 1, 3°, van het Wetboek.

I. Leveringen van bedrijfsmiddelen.

21. Behoudens bij de levering van een automobiel of van een ander in artikel 8, tweede lid, 1°, van het koninklijk besluit nr. 1, van 23 juli 1969, bedoeld goed, wordt de kleine detaillist ontheven van de verplichting tot betaling van de belasting voor de leveringen van bedrijfsmiddelen die hij in zijn onderneming heeft gebruikt (z. art. 13, § 1, 2de lid, van het kon. besl. nr. 19).

22. Indien in de gevallen dat er geen verplichting tot betaling van de belasting bestaat door de kleine detaillist toch een factuur wordt uitgereikt, vermeldt deze noch het tarief noch het bedrag van de verschuldigde belasting maar ze draagt verplicht de vermelding : "Verkoper onderworpen aan de egalisatiebelasting. Prijs gefactureerd zonder BTW".

Levering van een automobiel.

23. Bij de levering van een automobiel of van een ander in artikel 8, tweede lid, 1°, van het koninklijk besluit nr. 1, van 23 juli 1969, bedoeld goed dat hij in zijn onderneming heeft gebruikt, is de kleine detaillist ertoe gehouden aan zijn medecontractant een factuur uit te reiken en de verschuldigde belasting te voldoen (z. art. 13, § 1, 1ste lid, van het kon. besl. nr. 19).

24. De uit te reiken factuur bevat de vermeldingen voorgeschreven door artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 1, van 23 juli 1969, en, voor de personenauto's, door artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit nr. 17, van 20 juli 1970.

25. De belasting wordt voldaan door fiscale plakzegels in hun geheel op de hierboven bedoelde factuur aan te brengen en onbruikbaar te maken op de wijze bepaald in artikel 9, § 3, van het koninklijk besluit nr. 24, van 23 oktober 1970 (vermelding in onuitwisbare inkt van de datum en de handtekening of de naamstempel in de richting van de langste afmeting van de plakzegel, )

II. Onttrekkingen.

26. Artikel 12, § 1, 3°, voorziet dat met een belastbare levering wordt gelijkgesteld, de onttrekking door een belastingplichtige aan zijn bedrijf van een roerend goed :
- voor zijn privé-doeleinden of voor privé-doeleinden van zijn personeel en, meer algemeen, voor andere dan beroepsdoeleinden;
- om het om niet te verstrekken, tenzij het gaat om een handelsmonster of om een handelsgeschenk van geringe waarde.

De belastingplichtige die een dergelijke onttrekking verricht is gehouden om voor iedere onttrekking een intern stuk op te maken (art. 6 van het kom besl. nr. 1) en de verschuldigde belasting te voldoen.

27. Krachtens artikel II van het koninklijk besluit nr. 19, is de kleine detaillist, in principe, ontheven van de verplichting :

a) de stukken op te maken tot staving van de handelingen bedoeld in artikel 12, § 1, 3°, van het Wetboek (de onttrekkingen);

b) aan de Staat de belasting over de toegevoegde waarde te betalen die verschuldigd is ter zake van die bedoelde handelingen

28. In afwijking van voormeld artikel 11 moet de kleine detaillist het bedoelde (interne) stuk opmaken en de verschuldigde belasting betalen wanneer de onttrekkingen (handelingen bedoeld in art. 12, § 1, 3°, van het Wetboek) betrekking hebben op bedrijfsmiddelen (art. 13, § 2, van het kon. besl. nr. 19).

De aanschrijving nr. 3 van 26 januari 1981 (Z. Revue nr. 48, blz. 262.) licht de juiste draagwijdte van de onttrekking bedoeld in artikel 12, § 1, 3°, van het Wetboek nader toe (nrs. 9 tot 19).

29. Het (interne) stuk vermeldt : de datum en de aard van de handeling, de maatstaf van heffing, het toepasselijk tarief van de belasting en het bedrag ervan (art. 6 van het kom besl. nr. 1, van 23 juli 1969).

30. De belasting wordt voldaan door fiscale plakzegels in hun geheel op het hierboven bedoeld stuk aan te brengen en onbruikbaar te maken op de wijze bepaald in artikel 9, § 3, van het koninklijk besluit nr. 24, van 23 oktober 1970 (vermelding in onuitwisbare inkt van datum en handtekening of naamstempel in de richting van de langste afmeting van de plakzegel, ...). De kleine detaillist zendt dit stuk aan het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde in wiens gebied hij is gevestigd, uiterlijk bij het verstrijken van de maand volgend op het kwartaal waarin hij de handeling heeft verricht.

31. De maatstaf van heffing voor de hierboven bedoelde onttrekkingen is de aankoopprijs van het goed of van een soortgelijk goed, of, indien er geen aankoopprijs is, de kostprijs berekend op het tijdstip waarop de onttrekking wordt verricht (art. 33, 1°, van het Wetboek).

Hieronder verstaat men dat er, in principe, rekening moet gehouden worden met de normale aankoopprijs van deze goederen volgens hun ouderdom en de staat van gebruik waarin ze zich bevinden op het tijdstip dat ze worden onttrokken. De vaststelling van deze waarde wordt door de belastingplichtige gedaan onder controle van de administratie (z. aanschr. 3, van 26 januari 1981, nrs. 20 tot 24).

Afdeling 3.- Vijf-of tienjarige herziening van de aftrek, onder vorm van teruggaaf, van de belasting geheven van bedrijfsmiddelen.

Toepassing.

32. Krachtens artikel 48, § 2, van het Wetboek en de artikelen 9 tot 11 van het koninklijk besluit nr. 3, is de teruggaaf van de van bedrijfsmiddelen geheven belasting gedurende een periode van vijf jaar of van tien jaar voor wat de gebouwen betreft, aan herziening onderworpen.

De herzieningen bedoeld in artikel 10, 1° en 5°, van het koninklijk besluit nr. 3, moeten niet worden verricht wanneer het hele privé-gebruik het gevolg is van een onttrekking bedoeld in artikel 12, § 1, 3°, van het Wetboek.

Modaliteiten van de herziening.

33. Daar de kleine detaillisten die aan de regeling egalisatiebelasting onderworpen zijn niet gehouden zijn periodieke aangiften in te dienen, wordt de herziening van de aftrek als volgt geregeld.

Met het oog op een later toezicht wordt iedere teruggaaf van een van een bedrijfsmiddel geheven belasting, die aan een kleine detaillist wordt verleend, op het controlekantoor aangetekend in het dossier van de betrokkene.

Herziening die aanleiding geeft tot een invordering van belasting.

34. Wanneer naderhand wordt vastgesteld dat zich in de loop van het herzieningstijdvak een oorzaak van herziening heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 10 van het koninklijk besluit nr. 3, wordt de oorspronkelijk teveel teruggegeven belasting lastens de kleine detaillist ingevorderd. Behoudens het geval waarin frauduleus inzicht wordt vastgesteld, moet geen boete en nalatigheidsinterest worden gevorderd.

35. Wanneer het gaat om goederen die op het tijdstip waarop de BTW verschuldigd werd onmiddellijk als bedrijfsmiddel werden aangemerkt, is artikel 1, 1°, van het ministerieel besluit nr. 1, van 2 september 1980 (Z. Revue nr. 46, blz. 337.), van toepassing.

Dit betekent dat de herziening niet moeten worden verricht voor het klein materieel, het klein gereedschap en de kantoorbehoeften, wanneer de prijs of, bij ontstentenis van een prijs, de normale waarde per in de handel gebruikelijke eenheid lager is dan 10.000 frank.

Herziening die aanleiding geeft tot een bijkomend recht op aftrek.

36. Wanneer de herziening aanleiding geeft tot een bijkomend recht op aftrek, kan de detaillist deze aftrek uitoefenen in de vorm van een bijkomende teruggaaf die aan dezelfde voorwaarden onderworpen is als de oorspronkelijke teruggaaf.

Herziening als bedoeld in artikel 10, 3°, van hel koninklijk besluit nr. 3, in geval van onttrekking van een roerend bedrijfsmiddel.

37. Overeenkomstig artikel 10, 3°, van het koninklijk besluit nr. 3 mag de belastingplichtige een herziening in zijn voordeel verrichten wanneer het bedrijfsmiddel onder meer het voorwerp is van een onttrekking in de zin van artikel 12, § 1, 3°, van het Wetboek, in de mate waarin de aftrek van de belasting geheven van dat goed een beperking heeft ondergaan andere dan die voortspruitend uit de artikelen 45, § 2, en 100 van het Wetboek.

De modaliteiten en de wijze van berekening van het bedrag van deze herziening werden nader toegelicht in de aanschrijving nr. 3, van 26 januari 1981.

38. Ingeval de herziening van de aftrek aanleiding geeft tot een bijkomende aftrek die kleiner is dan het bedrag dat ingevolge de onttrekking verschuldigd is, mag de detaillist deze bijkomende aftrek onmiddellijk toerekenen op de verschuldigde belasting en alleen het verschil kwijten in fiscale zegels op het stuk dat hij bij de onttrekking moet opmaken (z. nr. 29 hierboven). Dit stuk bevat benevens de vermeldingen omtrent de onttrekking ook de berekening van de bijkomende aftrek.

Herziening voor de losse stukken en de materialen.

39. Wanneer het gaat om losse stukken en materialen die nog niet als bedrijfsmiddel konden worden aangemerkt op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd werd, is de toegestane teruggaaf aan de vijf- of tienjarige herziening onderworpen ongeacht de maatstaf waarover die belasting werd berekend. De beperking die door artikel 1, 1°, van het ministerieel besluit nr. I werd ingesteld ten aanzien van het klein materieel, het klein gereedschap en de kantoorbehoeften waarvan de prijs of de normale waarde, per in de handel gebruikelijke eenheid, lager is dan 10.000 frank, heeft immers uitsluitend betrekking op de goederen die, volgens hun gesteldheid op het tijdstip van de verkrijging, geschikt zijn om door de koper onmiddellijk als exploitatiemiddel of als werkinstrument te worden gebruikt.

Tabel van de bedrijfsmiddelen.

40. Bij afwijking van het bepaalde onder artikel 11, § 4, van het koninklijk besluit nr. 3, worden de kleine detaillisten onder de regeling egalisatiebelasting ontheven van de verplichting een tabel van de bedrijfsmiddelen te houden.