Circulaire nr. 18/2009 d.d. 17.12.2009

(Circulaire AFZ nr. 15/2009)

Waals Gewest – Kleine landeigendommen – Bescheiden woningen – Schenking – Schenking van een onderneming – Gerechtelijk nietigverklaring of ontbinding – Teruggave – Minnelijke ontbinding, nietigverklaring of vernietiging

Federale Overheidsdienst FINANCIEN

Administratie van Fiscale Zaken

4de dienst - 3de directie

PATRIMONIUMDOCUMENTATIE

Kadaster, Registratie en Domeinen

2 bijlagen

Decreet van 30 april 2009 houdende diverse wijzigingen van de wet van 13 juli 1987 betreffende het kijk- en luistergeld, het decreet van 27 mei 2004 tot invoering van een belasting op de afgedankte bedrijfsruimten, het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de directe gewestelijke belastingen, het Waterwetboek (1), het Wetboek der successierechten en het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten, de Ecomalus (2) en tot voorziening in een machtiging aan de Regering om de Waalse fiscale wetgeving te codificeren.

----------

(1) In de officiële Franse tekst: Code de l'Environnement; in de officieuze Nederlandse vertaling had er dus moeten staan "Milieuwetboek" i.p.v. "Waterwetboek".

(2) In de officieuze Nederlandse vertaling van het decreet wordt in de titel van het decreet verkeerdelijk gesproken van Ecobonus.

Inhoudsopgave

  1. Inleiding

  2. Synthese van de wijzigingen aan het Wetboek der registratierechten

  3. Commentaar bij de wijzigingen aan het Wl.W.Reg.

    1. 1. Kleine landeigendommen – Bescheiden woningen – voorwaarden voor het behoud van het verlaagd tarief bepaald in artikel 53, Wl.W.Reg. – Art. 60, Wl.W.Reg.

      1. 1.1. Art. 60, Wl.W.Reg. – Draagwijdte van de wijziging

      2. 1.2. Art. 60, Wl.W.Reg. – Inwerkingtreding

    2. 2. Schenking van roerende goederen aan het verlaagd tarief – Art. 131bis, Wl.W.Reg.

      1. 2.1. Art. 131bis, Wl.W.Reg. – Draagwijdte van de wijziging

      2. 2.2. Art. 131bis, Wl.W.Reg. – Inwerkingtreding

    3. 3. Art. 131ter, Wl.W.Reg.

      1. 3.1. Art. 131ter, Wl.W.Reg. – Draagwijdte van de wijziging

      2. 3.2. Art. 131ter, Wl.W.Reg. – Inwerkingtreding

    4. 4. Schenking – Aftrek van lasten – Art. 134, Wl.W.Reg.

      1. 4.1. Art. 134, Wl.W.Reg. – Draagwijdte van de wijziging

      2. 4.2. Art. 134, Wl.W.Reg. – Inwerkingtreding

    5. 5. Schenking – Progressievoorbehoud – Art. 137, Wl.W.Reg.

      1. 5.1. Art. 137, Wl.W.Reg. – Draagwijdte van de wijziging

      2. 5.2. Art. 137, Wl.W.Reg. – Inwerkingtreding

    6. 6. Schenking – bijzondere tarieven voor bepaalde rechtspersonen – Art. 140, Wl.W.Reg.

      1. 6.1. Art. 140, Wl.W.Reg. – Draagwijdte van de wijziging

      2. 6.2. Art. 140, Wl.W.Reg. – Inwerkingtreding

    7. 7. Schenking van ondernemingen – Art. 140bis tot 140octies en art. 209, 1ste lid, 7°, Wl.W.Reg.

      1. 7.1. Art. 140bis tot 140octies en art. 209,1ste lid, 7°, Wl.W.Reg. – Draagwijdte van de wijziging

        1. 7.1.1. Wijziging van de grondvoorwaarden

        2. 7.1.2. Wijziging van de vormvoorwaarden

        3. 7.1.3. Geen onmiddellijke registratie aan het verlaagd tarief – latere teruggave

        4. 7.1.4. Wederoverdracht van de schenking – Herstel van artikel 140septies (in een nieuwe redactie)

      2. 7.2. Art. 140bis tot 140octies en art. 209,1ste lid, 7°, Wl.W.Reg. – Inwerkingtreding

    8. 8. Vernietiging, ontbinding of herroeping door de rechter – "Vaststelling" van de nietigheid de ontbinding of de herroeping – Art. 209, eerste lid, 2° en 3°, Wl.W.Reg.

      1. 8.1. Art. 209, eerste lid, 2° en 3°, Wl.W.Reg. – Draagwijdte van de wijziging

      2. 8.2. Art. 209, eerste lid, 2° en 3°, Wl.W.Reg. – Inwerkingtreding

    9. 9. Gerechtelijke vermindering van de verkoopprijs – Gedeeltelijke teruggave – Art. 209, eerste lid, 3°bis, Wl.W.Reg.

      1. 9.1. Art. 209, eerste lid, 3°bis, Wl.W.Reg. – Draagwijdte van de wijziging

      2. 9.2. Art. 209, eerste lid, 3°bis, Wl.W.Reg. – Inwerkingtreding

    10. 10. Ongedaan maken "in der minne" – Ontbinding als gevolg van de verwezenlijking van een ontbindende voorwaarde – Art. 13, 159bis en art. 209, eerste lid, 3°ter en 3°quater, Wl.W.Reg.

      1. 10.1. Art. 13, 159bis, § 1 en art. 209, eerste lid, 3°ter en 3°quater, Wl.W.Reg. – Draagwijdte van de wijziging

        1. 10.1.1. 1ste situatie: ongedaan maken bij overeenkomst (art. 159bis, § 1 en art. 209, eerste lid, 3°ter, Wl.W.Reg.) (nietigverklaring of annulering "in der minne")

        2. 10.1.2. 2de situatie: ontbinding als gevolg van de vervulling van een ontbindende voorwaarde die "van rechtswege" uitwerking heeft (art. 159bis, § 2, en 209, eerste lid, 3°quater, Wl.W.Reg.)

        3. 10.1.3 Teruggave van het op de initiële overeenkomst geheven evenredig recht

        4. 10.1.4. Wijziging van artikel 13, Wl.W.Reg.

      2. 10.2. Art. 13, 159bis en art. 209, eerste lid, 3°ter en 3°quater, Wl.W.Reg. – Inwerkingtreding

        1. 10.2.1. Commentaar

        2. 10.2.2. De initiële overeenkomst vastgesteld bij onderhandse akte, zonder dat ooit een authentieke akte werd gemaakt, wordt in der minne ongedaan gemaakt – Synthese

        3. 10.2.3. De initiële overeenkomst vastgesteld bij onderhandse of bij authentieke akte wordt ongedaan gemaakt doordat een ontbindende voorwaarde die van rechtswege uitwerking heeft, wordt vervuld – Synthese

    11. 11. Inwerkingtreding

Inleiding

In het Belgisch Staatsblad van 01.07.2009 werd het voornoemde decreet van het Waals Gewest bekendgemaakt.

Dat decreet bevat zowel bepalingen inzake registratie- als inzake successierechten.

Deze circulaire bevat een eerste commentaar bij de bepalingen inzake registratierechten. In een tweede verkorte circulaire zal worden gehandeld over de bepalingen inzake successierechten.

Hierna gaat een kort overzicht van de wijzigingen vooraf aan de commentaar per artikel of per groep van artikels.

Het decreet treedt in werking op de datum van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad (artikel 69 van het decreet). Het is dus in werking getreden op 01.07.2009. Evenwel is bepaald dat een aantal artikelen op andere datums in werking treden. Gelet op de verschillende datums van inwerkingtreding van de nieuwe of gewijzigde bepalingen wordt de datum van inwerkingtreding gespecificeerd na de commentaar van elk van de bedoelde bepalingen.

Synthese van de wijzigingen aan het Waals Wetboek der registratierechten

Het decreet bevat een aantal bepalingen die technische aanpassingen en/of preciseringen van bestaande bepalingen beogen, teneinde controverses te vermijden, bepaalde onvolkomenheden recht te zetten of om het Wl.W.Reg. in overeenstemming te brengen met het Europees (communautair) recht.

Zo worden technische aanpassingen of verbeteringen aangebracht in de artikelen 131, §2, 131ter, 134, 137, 140, 140bis en 140quinquies, Wl.W.Reg.

Het decreet bevat ook wijzigingen die inhoudelijk belangrijker zijn.

Aldus wordt in het kader van het stelsel van kleine landeigendommen en bescheiden woningen artikel 60, Wl.W.Reg. herzien om het behoud van het voordeeltarief van artikel 53, Wl.W.Reg. uit te breiden tot gevallen waarin de niet-nakoming van de voorwaarden voor dat behoud "het gevolg is van dwingende redenen van medische, familiale, beroeps- of maatschappelijke aard. Onder dwingende reden van medische aard in de zin van dit lid wordt meer bepaald verstaan een toestand van behoefte aan verzorging in de persoon van de verkrijger, diens echtgeno(o)t(e), wettelijk samenwonende, kinderen of kinderen van zijn/haar echtegeno(o)te) of wettelijke samenwonende, die ontstaan is na de verkrijging van de woning en waardoor die personen in de onmogelijkheid verkeren om zich werkelijk te vestigen of om de woning te blijven betrekken, zelfs bijgestaan door zijn gezin of gezinshulporganisatie".

In het kader van de schenkingen van ondernemingen wordt – naast een aantal kleinere technische wijzigingen en verbeteringen –:

  1. de voorwaarde inzake tewerkstelling herzien (art. 140bis, § 2, eerste lid, 1°, Wl.W.Reg.);

  2. de termijn verlengd waarbinnen de verklaring kan worden gedaan die nodig is om het voordeeltarief te kunnen genieten (art. 140bis, § 2, eerste lid, 3°, Wl.W.Reg.);

  3. de voorwaarde herzien inzake behoud van tewerkstelling gedurende de proefperiode van 5 jaar, waaraan het behoud van het verminderd tarief gekoppeld is (art. 140quinquies, Wl.W.Reg.)

  4. de mogelijkheid hersteld om wederafstand te doen aan de oorspronkelijke schenker – mogelijkheid die voorzien was in het oorspronkelijk stelsel – (artikel 140septies, Wl.W.Reg.)

Bovendien innoveert het decreet op het vlak van de Waalse registratierechten door enerzijds toe te laten dat rekening wordt gehouden met gerechtelijke beslissingen van vaststellende aard in het kader van de nietigheden en van ontbindingen van overeenkomsten (akkoordvonnissen of -arresten) (art. 209, eerste lid, 2° en 3°, Wl.W.Reg.) en anderzijds een gedeeltelijke teruggave toe te staan in geval van gerechtelijke vermindering van de verkoopprijs bij toepassing van de artikelen 1637 en 1644 van het Burgerlijk Wetboek (art. 209, eerste lid, 3°bis, Wl.W.Reg.).

Tenslotte wijzigt het decreet diepgaand het stelsel dat geldt in geval van "annulering" of ontbinding in der minne van overeenkomsten die onderworpen zijn aan het registratierecht op de overdrachten ten bezwarende titel (dikwijls oneigenlijk aangeduid als "verkooprecht"), aan dat op de verdelingen of aan dat op de schenkingen. De bestaande regels inzake de minnelijke ontbinding worden inderdaad omgegooid door, onder bepaalde voorwaarden, een haast volledige ontheffing van registratierechten te voorzien voor de ontbonden en ontbindende overeenkomsten. Hierin ligt zonder meer de grootste vernieuwing die door het decreet wordt aangebracht in de materie van de Waalse registratierechten (3). Het gewijzigde stelsel heeft ook betrekking op de ontbindingen die het gevolg zijn van het zich verwezenlijken van een ontbindende voorwaarde die van rechtswege uitwerking heeft (artikel 159bis en 209, eerste lid, 3°ter en 3°quater, Wl.W.Reg.).

----------

(3) In het Vlaams Gewest werd eerder, voor wat de in dat Gewest te lokaliseren registratierechten betreft, een min of meer gelijkende regeling ingevoerd. Er wordt benadrukt dat de regelingen in genoemde gewesten op verscheidene punten verschillen.

Commentaar bij de wijzigingen aan het Wl.W.Reg.

Voorafgaande opmerking: de wijziging van artikel 13, Wl.W.Reg. komt aan bod in het kader van de commentaar bij (het gewijzigde) artikel 209 en (het nieuw ingevoegde) 159bis, Wl.W.Reg.

1. Kleine landeigendommen – Bescheiden woningen – Voorwaarden voor het behoud van het verlaagd tarief bepaald in artikel 53, Wl.W.Reg. – Art. 60, Wl.W.Reg.

1.1. Art. 60, Wl.W.Reg. – Draagwijdte van de wijziging

Naast het reeds bestaande geval van overmacht brengt voortaan ook een "dwingende reden van medische, familiale, beroeps- of maatschappelijke aard" mee dat het verlaagd recht bepaald in artikel 53 W.Reg.W dat bij de registratie werd genoten, niet verloren gaat (vgl. art 131ter W.Reg.W). In artikel 60, zoals gewijzigd, wordt daaraan toegevoegd: "Onder dwingende reden van medische aard in de zin van dit lid wordt meer bepaald een toestand van behoefte aan verzorging voor de koper, diens echtgenoot/echtgenote, wettelijk samenwonende, kinderen of kinderen van zijn echtgenote/haar echtgenoot of wettelijk samenwonende verstaan, die opgetreden is na aankoop van de woning en waardoor die personen in de onmogelijkheid verkeren om zich werkelijk te vestigen of om de woning te blijven betrekken, zelfs bijgestaan door zijn gezin of een gezinshulporganisatie.".

De wijziging van artikel 60 heeft zonder twijfel zowel betrekking op de verkrijging van kleine landeigendommen als op die van bescheiden woningen. De tekst houdt wat dat betreft geen enkele beperking in. (4)

----------

(4) De term "woning" wordt trouwens vervangen door de term "onroerend goed" in het decreet dat op 10.12.2009 werd gestemd in de plenaire vergadering van het Waals Parlement – Doc 118 (2009-2010) – Nr. 1 ( http://nautilus.parlement-wallon.be/Archives/2009_2010/DECRET/118_1.pdf)

De overmacht of de dwingende reden moet zich hebben voorgedaan "na de aankoop". De tekst heeft het dus niet over de authentieke aankoopakte. Bovendien wordt in het deel van de memorie van toelichting van het decreet waarin commentaar bij de artikelen wordt gegeven, met zoveel woorden gezegd dat "onder de datum van de aankoop in de zin van de bepaling die in artikel 60bis is ingevoegd, moet worden verstaan de datum van de overeenkomst tot aankoop van het betreffende onroerend goed (de aankoopcompromis ) en niet de datum van de authentieke akte betreffende deze overeenkomst" (5). De termen "na de aankoop" betekenen ook niet dat een eventueel aan de verkoop verbonden opschortende voorwaarde noodzakelijkerwijze moet zijn vervuld. Praktisch gezien volstaat het dus dat de overmacht of de dwingende reden dagtekent van na de datum van de eventuele – aan de authentieke akte voorafgaande – onderhandse akte (de "aankoopcompromis"). Uiteraard laat dat de toepassing van de gewone regels inzake de tegenstelbaarheid aan de administratie van de dagtekening van onderhandse akten onverlet.

----------

(5) Waals Parlement, Doc. 980 (2008-2009) – Nr. 1. Commentaires des articles, blz. 23. Vastgesteld moet worden dat deze zin niet voorkomt in de "Commentaires" van het voorontwerp (z. Waals Parlement, Doc. 980 (2008-2009) – Nr. 1, blz. 72-73)

De vermelding van de wettelijk samenwonende in het voorbeeld dat wordt gegeven in fine van het gewijzigde artikel 60, laat, althans in de huidige stand van zaken, al evenzeer de voorwaarden onverlet die worden gesteld in artikel 54 e.v., Wl.W.Reg. Dit betekent dus dat de wettelijk samenwonenden in die context bevoorrecht blijven (6).

----------

(6) De regels van toepassing op de wettelijk samenwonenden worden gewijzigd bij het ontwerp van decreet Doc 118 (2009-2010) – Nr. 1 ( http://nautilus.parlement-wallon.be/Archives/2009_2010/DECRET/118_1.pdf), dat door het Waals Parlement werd gestemd in de plenaire vergadering van 10.12.2009.

Tenslotte werd terecht opgemerkt dat, hoewel de in artikel 60, Wl.W.Reg. bijgevoegde tekst een kopie is van een tekst in artikel 131ter, Wl.W.Reg., hier in voorkomend geval de burgerrechtelijke definitie van wettelijk samenwonende van toepassing is. De in artikel 131ter, Wl.W.Reg. gegeven fiscale definitie van wettelijk samenwonende geldt inderdaad enkel in het kader van de afdeling van het Wetboek die handelt over de schenkingen.

1.2. Art. 60, Wl.W.Reg. – Inwerkingtreding

Artikel 60, zoals gewijzigd, is van toepassing op "op alle aankopen waarvoor de termijnen van vijf jaar of drie jaar, volgens het geval, die bedoeld zijn in artikel 60 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten nog niet verstreken zijn op de datum van bekendmaking van dit decreet in het Belgisch Staatsblad (= 01.07.2009)" (art. 69, 4de streepje van het decreet).

Daaruit volgt vanzelfsprekend:

  • dat indien op 01.07.2009 de termijn van 5 jaar om de uitbating aan te vatten (art. 60, eerste lid, na toepassing van artikel 53, 1°) of van 3 jaar om zich in te schrijven in het bevolkings- of vreemdelingenregister (artikel 60, tweede lid, na toepassing van artikel 53,2°), niet verstreken is, de gewijzigde bepaling van toepassing kan zijn;

  • dat indien op 01.07.2009 er begin van uitbating is of de inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister een feit is, en de daaropvolgende termijn van 3 jaar om de uitbating voort te zetten of de inschrijving te behouden niet verstreken is, de gewijzigde bepaling van toepassing kan zijn.

Quid integendeel in de gevallen waarin de belanghebbenden bijvoorbeeld nagelaten hebben hun inschrijving binnen de voorgeschreven termijn te vragen omdat ze wisten dat ze die gedurende de voorgeschreven termijn niet zouden kunnen behouden, en waarin de situatie toentertijd niet te catalogeren was als een geval van overmacht, maar nu wel retroactief te catalogeren valt onder "dwingende reden"?

Voorbeeld:

Aankoop met toepassing van artikel 53,2° in juni 2005. Wegens de uit te voeren werken is de ingebruikneming van het huis – en de inschrijving in de registers ad hoc – voorzien voor de lente van 2007. Een dwingende reden in de zin van de tekst met terugwerkende kracht doet zich voor op 25 maart 2007, vóór de inschrijving in de registers ad hoc.
Indien de tekst betreffende de dwingende reden die met terugwerkende kracht geldt, gekend zou geweest zijn op 25 maart 2007, dan zou er geen reden meer geweest zijn om de inschrijving te vragen, vermits deze toch niet zou kunnen worden behouden én artikel 60, derde lid, zoals gewijzigd, zou zonder discussie van toepassing geweest zijn. Het zou eenvoudigweg niet normaal zijn indien de afwezigheid van een aanvraag tot inschrijving in die omstandigheden andere gevolgen zou hebben dan een inschrijving die zou zijn gevraagd en bekomen op 26 maart 2007 in de hoop dat – steunend op de vroegere tekst – een in werkelijkheid als "dwingende reden" kwalificerende gebeurtenis, toch zou zijn aanvaard als een geval van overmacht.

Billijkheidshalve moet worden aangenomen dat de nieuwe bepaling van toepassing kan zijn zelfs indien de termijn om de uitbating aan te vatten of om de inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister te bekomen al verstreken is, voor zover de daaropvolgende termijn van drie jaar nog niet is verstreken op 01.07.2009, en dat zelfs in geval van afwezigheid van inschrijving, voor zover de gebeurtenis kan gekwalificeerd worden als een "dwingende reden" zoals bedoeld in de nieuwe maar in de tijd terugwerkende tekst.

Normalerwijze wordt de termijn van 3 jaar gedurende dewelke de uitbating moet worden voortgezet of gedurende dewelke de inschrijving moet behouden blijven, gerekend van het begin van de uitbating, respectievelijk het begin van de werkelijke inschrijving. In de hier beschouwde hypothese moet worden aangenomen dat de "secundaire" termijn van drie jaar begint te lopen op de laatste dag van de "primaire" termijn van vijf of drie jaar.

Voor het overige is er al evenmin iets bijzonders voorzien voor de gevallen die reeds het onderwerp hebben uitgemaakt van een administratieve of juridische beslissing (7). Ook wat die beslissingen betreft is er mogelijk reden toe om de zaken te laten herbekijken. In voorkomend geval is het aan de belanghebbenden om de Administratie te verzoeken hun zaak opnieuw te bekijken, die dat zal doen rekening houdend met de hiervoor vermelde principes en de nieuwe tekst, daarbij eventueel abstractie makend van een beslissing – zelfs gerechtelijke – gesteund op de oude tekst, een en ander uiteraard zonder de rechten aan te tasten die de betrokkenen, – zelfs louter ten bewarende titel – hebben in geval zij een procedure hebben ingeleid, beroep hebben aangetekend, enz...

----------

(7) Interessant in deze context is het laatste lid van het door de Raad van State gegeven advies (Advies van de Raad van State – Waals Parlement, Doc. 980 (2008-2009) – Nr. 1, p.53), waaraan ter zake geen gevolg werd gegeven

Samenvattend kan worden gesteld dat het feit dat de "primaire" termijn van 5 of 3 jaar reeds verstreken is op 01.07.2009, niet noodzakelijk meebrengt dat de toepassing van artikel 60, zoals gewijzigd, is uitgesloten (8).

----------

(8) Zie ook Parl. wal., Doc. 980 (2008-2009) – Nr. 1, blz. 102.

2. Schenking van roerende goederen aan het verlaagd tarief – Art. 131bis, Wl.W.Reg.

2.1. Art. 131bis, Wl.W.Reg. – Draagwijdte van de wijziging

Aan artikel 131bis, Wl.W.Reg. werden een aantal wijzigingen aangebracht die eerder technisch van aard zijn.

De tekst werd aangepast aan de evolutie van de wetgeving op het vlak van financiële instrumenten.

De vermelding betreffende het vervuld zijn van de voorwaarden vermeld in § 2, 1°, kan voortaan ook worden gedaan onderaan op de akte (z. § 2, 1°).

Tenslotte bevestigt de tekst de administratieve interpretatie volgens dewelke de BEVEK'S, BEVAK'S en de VASTGOEDBEVAK'S wel degelijk bedoeld zijn in artikel 131bis, § 2, 3°, Wl.W.Reg.(9)

----------

(9) Cf. Circulaire AFZ 6/2006, Pat. Doc. 2/2006, nr. 49.

Artikel 131bis, § 2, 3°, Wl.W.Reg. is voortaan van toepassing op "alle financiële instrumenten en effecten van vennootschappen die het voorwerp uitmaken of hebben uitgemaakt van een openbaar aanbod hetzij in de zin van artikel 3 van de wet van 16 juni 2006 'op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt' wanneer het aanbod geschiedt ofwel op Belgische grondgebied ofwel, in gelijkaardige zin als in de wet van 16 juni 2006, wanneer het aanbod geschiedt op het grondgebied van een andere Staat, al of niet lidstaat van de Europese Unie, evenals – om iedere verdere betwisting ter zake uit te sluiten, de BEVEK'S, BEVAK'S en de VASTGOEDBEVAK'S
Onder "openbaar aanbod" in de zin van de voormelde bepaling wordt aldus verstaan :

1° elk openbaar aanbod tot verkoop, elke openbare verkoop of elk openbaar aanbod tot inschrijving, alsook elk openbaar voorstel aan beleggers om een al dan niet herroepbaar bod tot aankoop of inschrijving te doen;

2° elk openbaar overnameaanbod;

3° de toelating tot de verhandeling op een georganiseerde markt die voor het publiek toegankelijk is (meer bepaald elke secundaire markt van financiële instrumenten, toegankelijk voor het publiek), wetende dat de georganiseerde markt in ieder geval reeds begrepen is in artikel 131bis, § 2, 2°, Wl.W.Reg.;

4° elk openbaar voorstel om informatie of raad te verstrekken of de vraag hiernaar uit te lokken, in verband met al dan niet reeds gecreëerde effecten die het voorwerp uitmaken of zullen uitmaken van een al dan niet openbaar aanbod, tenzij deze informatie of raad slaat op effecten die regelmatig openbaar worden of werden aangeboden.

"Wat meer is, gelet op de symmetrie met de gereglementeerde markten vermeld in artikel 131bis, § 2, 2°, Wl.W.Reg., wordt het verlaagd recht toegepast ongeacht de Staat waar dat publiek aanbod is geschied" (in België, in een Lid-Staat van de Europese Economische Ruimte of een Staat niet behorende tot de Europese Economische Ruimte) (10).

----------

(10) Waals Parlement, Doc. 980 (2009-2009), Nr. 1, Commentaar bij de artikelen, blz. 24-25.

2.2. Art. 131bis, Wl.W.Reg. – Inwerkingtreding

Artikel 131bis, zoals gewijzigd, treedt in werking op de datum van de bekendmaking van het decreet, dus op 01.07.2009 (art. 69 van het decreet).

Het ontbreken van retroactiviteit betekent geenszins dat de administratie op haar interpretatie van vóór 01.07.2009 zou moeten terugkomen.

3. Art. 131ter, Wl.W.Reg.

3.1. Art. 131ter, Wl.W.Reg. – Draagwijdte van de wijziging

De technische wijziging die aan het artikel wordt aangebracht heeft tot doel de gelijktijdige toepassing van de artikelen 131ter en 140bis op de waarde van het beroepsgedeelte van een woning overgedragen onder toepassing van het stelsel van schenkingen van ondernemingen, formeel uit te sluiten.

Er wordt aan herinnerd dat in geval artikel 140bis werd toegepast en later het voordeel van deze bepaling niet werd behouden (11), artikel 131ter niet kan worden toegepast en dit niettegenstaande de verwijzing in meerdere teksten naar de "artikelen 131 tot 140" (vb. art. 140quinquies, § 2; 140sexies; 140octies), behoudens de toepassing van artikel 140quinquies, § 1, tweede lid, in de hypothese van een bijkomende gedeeltelijke aanwending voor bewoning en behoudens in geval van vergissing of fraude vanaf het begin (het onroerend goed was in werkelijkheid tot bewoning bestemd op het ogenblik van de schenking). Inderdaad, de onroerende goederen bestemd tot bewoning zijn, in de mate van die bestemming, uitgesloten van de toepassing van artikel 140bis (art. 140bis, § 1, tweede lid, Wl.W.Reg.), terwijl een dergelijke bestemming, ten minste gedeeltelijk, juist een voorwaarde is voor de toepassing van artikel 131ter. Indien het gaat om een nieuwe bestemming, dan is het uitgesloten later de toepassing van artikel 131ter, Wl.W.Reg. in te roepen omdat er geen – noodzakelijkerwijze zelfs geen gedeeltelijke – bestemming tot bewoning was op het moment van de schenking.

----------

(11) Omwille van vrijwillige verzaking aan – of van verlies van – het recht op het verminderd tarief (respectievelijk art. 140sexies en art. 140quinquies, § 2, Wl.W.Reg.).

3.2. Art. 131ter, Wl.W.Reg. – Inwerkingtreding

Artikel 131ter, zoals gewijzigd, treedt in werking op de datum van de bekendmaking van het decreet in het Belgisch Staatsblad, dus op 01.07.2009 (art. 69 van het decreet).

4. Schenking – Aftrek van lasten – Art. 134, Wl.W.Reg.

4.1. Art. 134, Wl.W.Reg. – Draagwijdte van de wijziging

Artikel 134, Wl.W.Reg., dat toelaat bepaalde lasten af te trekken van de belastbare waarde van een schenking en dat verschillende antimisbruik-maatregelen bevat, wordt verbeterd om iedere betwisting uit te sluiten. De oude tekst bepaalde dat in geval van een schenking die onder toepassing van artikel 131ter, Wl.W.Reg. valt, de last verbonden aan een dergelijke schenking belast werd "als schenking gedaan aan de derde en volgens de tarieven bepaald in artikel 131ter".

Dat wordt voortaan duidelijk uitgesloten indien de begunstigde van de secundaire schenking zelf geen verwant in rechte lijn, de echtgenoot of de wettelijk samenwonende (in de zin van artikel 131 W.Reg.W) van de schenker is (12).

----------

(12) Wat betreft het tarief van toepassing op de wettelijk samenwonende, begunstigde van een schenking die geschiedt vanaf eind 2009, zie ook het ontwerp van decreet vermeld in de voetnoot bij punt 1.1.

4.2. Art. 134, Wl.W.Reg. – Inwerkingtreding

Artikel134, zoals gewijzigd, treedt in werking op de datum van de bekendmaking van het decreet in het Belgisch Staatsblad, dus op 01.07.2009 (art. 69 van het decreet).

5. Schenking – Progressievoorbehoud – Art. 137, Wl.W.Reg.

5.1. Art. 137, Wl.W.Reg. – Draagwijdte van de wijziging

Artikel 137, Wl.W.Reg. dat het "progressievoorbehoud" in het kader van het schenkingsrecht regelt, is vervangen met het oog op het beëindigen van de controverse betreffende de toepassing van het progressievoorbehoud in geval van een schenking omvattende enerzijds de hoofdverblijfplaats van de schenker en anderzijds andere onroerende goederen.

De nieuwe tekst stelt duidelijk dat de schenking van de hoofdverblijfplaats (belast overeenkomstig artikel 131ter) voorop komt in geval van een schenking die deels overeenkomstig artikel 131 en deels overeenkomstig artikel 131ter, Wl.W.Reg. wordt belast.

Om de toepasselijke tarieven in het kader van de toepassing van het progressievoorbehoud te bepalen kunnen zich twee situaties voordoen:

  1. In geval van een nieuwe schenking die belastbaar is hetzij uitsluitend op grond van artikel 131, hetzij uitsluitend op grond van artikel 131ter moet de som gemaakt worden van de belastbare grondslag van de nieuwe schenking en van de belastbare grondslagen van alle onroerende schenkingen die werden geregistreerd of die verplicht te registreren zijn geworden (aan het recht van de artikelen 131 en/of 131ter) in de drie jaar die aan de nieuwe schenking voorafgaan;

  2. in geval van een nieuwe schenking die deels belastbaar is op grond van artikel 131 en deels op grond van artikel 131ter moet:

    • wat betreft het deel belastbaar op grond van artikel 131ter, de som worden gemaakt van de belastbare grondslag van dat deel en van het totaal van de belastbare grondslagen van alle onroerende schenkingen die werden geregistreerd of verplicht te registreren zijn geworden (aan het recht van de artikelen 131 en/of 131ter), in de drie jaar die aan de nieuwe schenking voorafgaan);

    • wat betreft het deel belastbaar op grond van artikel 131, de som worden gemaakt van de belastbare grondslag van de nieuwe schenking in haar geheel – daarin dus ook begrepen de belastbare grondslag van het deel van de schenking belastbaar op grond van artikel 131ter – en van het totaal van de belastbare grondslagen van alle onroerende schenkingen die werden geregistreerd of verplicht te registreren zijn geworden (aan het recht van de artikelen 131 en/of 131ter), in de drie jaar die aan de nieuwe schenking voorafgaan.

Voorbeeld (er wordt verondersteld dat alle schenkingen bij authentieke akte werden gedaan; de voorwaarden voor de toepassing van artikel 131ter zijn vervuld; alle bedragen zijn in EUR)

Juni 2008: schenking door een vader aan zijn dochter van een appartement dat hij als tweede verblijf gebruikt; heffingsgrondslag: 175.000;

Augustus 2009: schenking tussen dezelfde partijen, van de hoofdverblijfplaats van de vader (heffingsgrondslag 325.000) en van een opbrengsthuis (heffingsgrondslag 200.000).

Verschuldigd op de schenking van augustus 2009

  1. Heffingsgrondslag voor de hoofdverblijfplaats: 175.000 + 325.000 = 500.000 waarvan 175.000 reeds belast. Verschuldigde rechten: 9.000 (= 75.000 x 12%) + 60.000 (250.000 x 24%) = 69.000;

  2. Heffingsgrondslag voor het opbrengsthuis: 175.000 + 325.000 + 200.000 = 700.000 waarvan 500.000 reeds belast. Verschuldigde rechten: 60.000 (= 200.000 x 30%).

  3. Totaal verschuldigd op de schenking van 2009: 129.000

5.2. Art. 137, Wl.W.Reg. – Inwerkingtreding

Artikel 137, zoals gewijzigd, treedt in werking op de dag van de bekendmaking van het decreet in het Belgisch Staatsblad, dus op 01.07.2009 (art. 69 van het decreet).

6. Schenking – bijzondere tarieven voor bepaalde rechtspersonen – Art. 140, Wl.W.Reg.

6.1. Art. 140, Wl.W.Reg. – Draagwijdte van de wijziging

De wijziging betreft de verbetering van het ongewild wegvallen van een woord in de oorspronkelijke tekst van artikel 140, derde lid, tijdens de parlementaire behandeling van het decreet van 15 december 2005. In verschillende uitgaven van het Wetboek der registratierechten, waaronder die van de Administratie, heeft men dat woord toch in de tekst van het artikel opgenomen. Het kwam trouwens ook voor in de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het decreet van 15 december 2005, maar niet meer in het omvangrijke erratum dat nadien in het B.S. verscheen.

6.2. Art. 140, Wl.W.Reg. – Inwerkingtreding

Artikel 140, zoals gewijzigd, treedt in werking op 23 december 2005 (art. 69, 1ste streepje, van het decreet).

7. Schenking van ondernemingen – Art. 140bis tot 140octies en art. 209, 1ste lid, 7°, Wl.W.Reg.

Naargelang van het geval heeft de decreetgever de artikelen van het Wl.W.Reg. met betrekking tot de schenking van ondernemingen herzien, aangepast of verbeterd.

7.1. Art. 140bis tot 140octies en art. 209,1ste lid, 7°, Wl.W.Reg. – Draagwijdte van de wijziging

7.1.1. Wijziging van de grondvoorwaarden

Met de wijziging van de artikelen 140bis en 140quinquies, Wl.W.Reg. heeft de Waalse decreetgever verschillende doeleinden nagestreefd.

  1. Een eerste doel was het in overeenstemming brengen met het communautaire recht (= europees recht) van het stelsel van de schenkingen van ondernemingen. Het gelijkaardige Vlaamse stelsel (op het vlak van successierechten) werd immers wat betreft de voorwaarde van de lokalisatie van de tewerkstelling (vereist voor het initieel recht op het voordeel en voor het behoud ervan) door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen als strijdig met het communautaire recht bevonden (13).

    ----------

    (13) H.v.J., 25.10.2007, Pb. C-464-05 (Geurts en Vogten).

    De decreetgever heeft dan ook de voorwaarde van lokalisatie van de tewerkstelling in Wallonië vervangen door de voorwaarde van lokalisatie ervan in de Europese Economische Ruimte (14).

    ----------

    (14) Zijnde de landen van de Europese Unie (E.U.) en die van de EFTA-landen (EFTA = European Free Trade Association of Europese Vrijhandelsassociatie) die geen lid zijn van de E.U., met uitzondering van Zwitserland (dus IJsland – kandidaat-lid van de E.U. –, Liechtenstein en Noorwegen).

    Wat de zelfstandigen betreft wordt door het Wl.W.Reg. niet meer vereist dat ze in orde zijn met de sociale bijdragen: voortaan wordt vereist en tegelijkertijd volstaat het dat op de datum van de authentieke schenkingsakte zij aangesloten zijn bij een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen. Naar analogie hiermee volstaat het voor loontrekkenden dat ze tewerkgesteld zijn met een arbeidsovereenkomst. Door het Wl.W.Reg. wordt niet vereist dat het personeel ingeschreven is bij de RSZ in België of bij een gelijkaardige organisme wanneer het gaat om in het buitenland tewerkgesteld personeel.

    De tewerkstellingsvoorwaarde wordt voortaan op een geconsolideerde basis beoordeeld, dit wil zeggen in voorkomend geval op het niveau van de onderneming en haar eventuele dochterondernemingen (hetgeen vroeger slechts het geval was op het vlak van het behoud van de werkgelegenheid).

    De tewerkstellingsvoorwaarde in haar nieuwe vorm komt volledig in de plaats van de oude, vermits ze in werking treedt met terugwerkende kracht tot 01.01.2006 (art. 69, tweede streepje, van het decreet). Dat is logisch, althans in de mate dat het gaat om een zich confirmeren aan het communautair recht.

    Overeenkomstig artikel 215, W.Reg. verjaart een eventuele eis tot teruggave gegrond op de retroactiviteit van de tekst na twee jaar te rekenen van de dag waarop de eis is ontstaan, dit wil zeggen 01.07.2009 zijnde de datum waarop de gewijzigde bepaling uitwerking heeft gekregen.

  2. De voorwaarde van behoud van een minimumtewerkstelling van één persoon, op een geconsolideerde basis gedurende vijf jaar wordt vervangen door de voorwaarde van behoud gedurende die periode van minstens 75% van de initiële tewerkstelling, een en ander steeds op geconsolideerde basis.

    Bovendien wordt voortaan het behoud van tewerkstelling gecontroleerd op grond van een gemiddelde over het geheel van de probatieperiode van 5 jaar (voorheen was dat jaar per jaar). Het is het gemiddelde over de vijf jaar van de jaarlijkse gemiddelden in voltijdse eenheden dat minstens 75% moet bedragen van de initiële tewerkstelling.

    Inderdaad, voortaan is vereist dat:

    "het totaal aantal werknemers en het totaal aantal zelfstandigen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 140bis, § 2, 1°, waarbij dat totaal aantal uitgedrukt wordt in voltijdse eenheden, tijdens de vijf eerste jaren te rekenen van de authentieke schenkingsakte in jaargemiddelden op minstens 75 pct. van zijn bestand behouden blijft, ofwel als onderneming als bedoeld in artikel 140bis, § 1, 1°, of als onderneming zelf samen met haar eventuele dochtervennootschappen bedoeld in artikel 140bis, § 1, 2°, a). Dat gemiddelde wordt berekend door het totaal van de jaargemiddelden van de voltijdse eenheden door 5 te delen voor de bovenvermelde vijf jaar.

    Als een jaargemiddelde van de voltijdse eenheden geen geheel getal is, wordt het afgerond naar beneden of naar boven (15) al naar gelang zijn eerste decimaal al dan niet gelijk is aan of hoger is dan 5" (art. 140quinquies, § 1, 2 nieuw, Wl.W.Reg.).

    ----------

    (15) Lees: "naar boven of naar beneden"

    Gelet op de verwijzing naar artikel 140bis, § 2, 1°, wordt in het kader van de controle van het behoud van de tewerkstelling enkel rekening gehouden met de tewerkstelling in de E.E.R.

    De nieuwe voorwaarde inzake behoud van tewerkstelling komt volledig in de plaats van de oude, vermits ze met terugwerkende kracht geldt vanaf 01.01.2006 (art. 69, tweede streepje, van het decreet).

    De dies a quo van de tweejarige verjaringstermijn van een eis tot teruggave gegrond op de retroactiviteit van de nieuwe bepaling is ook in dit geval 01.07.2009 (zie hoger, onder punt A).

  3. De voorwaarde van voortzetting van een activiteit werd herzien. De voortgezette activiteit moet er een zijn van die welke zijn vermeld in artikel 140bis, § 1. De administratie had reeds beslist dat de voortgezette activiteit niet noodzakelijkerwijze die moest zijn welke bestond op het tijdstip van de schenking, vermits de tekst enkel sprak van "een activiteit".

    De nieuwe wettekst gaat nog verder door over te nemen wat de Administratie reeds in haar circulaire – opgesteld in overleg met het Waals Gewest – over het bij het decreet van 15 december 2005 ingevoerde stelsel van schenkingen van ondernemingen had voorgehouden, met name dat de voortgezette activiteit er een moest zijn "die in aanmerking komt voor ... het verlaagd tarief (16)".

    ----------

    (16) Circ. AFZ nr. 15/2006, Patrimoniale Documentatie nr. 18/2006, nr. 44

    De Waalse decreetgever heeft die interpretatie bevestigd.

  4. Opheffing met terugwerkende kracht van de voorwaarde van behoud van de werkelijke zetel van leiding in een lidstaat van de Europese Unie.

    Terwijl wat betreft de voorwaarden inzake initiële tewerkstelling en behoud van tewerkstelling uiteindelijk een lokalisatie in de Europese Economische Ruimte wordt vereist (zie hierboven punten A en B) (17), vervalt – met terugwerkende kracht tot op 01.01.2006 – de voorwaarde van behoud gedurende vijf jaar van de zetel van werkelijke leiding op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie. Onverminderd de voorwaarde van behoud van tewerkstelling (zie hierboven onder punt B) belet er dus niets de overbrenging van de zetel van werkelijke leiding hetzij naar een ander land van de E.E.R. hetzij naar om het even welk ander land.

    ----------

    (17) Het voorontwerp van decreet bepaalde inderdaad niets meer inzake de lokalisatie van de tewerkstelling (Waals Parlement, Doc. 980 (2008-2009), Nr. 1, blz. 151, artikel 55 van het voorontwerp)

    Deze voorwaarde werkt terug tot op 01.01.2006.

    Wat betreft een eventuele eis tot teruggave en de verjaring ervan zie mutatis mutandis punt A, laatste alinea.

  5. Bestemming tot bewoning van onroerende goederen die deel uitmaken van een schenking van een ondernemin.

    Artikel 140quinquies, § 1, tweede lid werd enigszins aangepast. Deze aanpassing, ongetwijfeld niet absoluut nodig, bevestigt nog maar eens de interpretatie van de administratie (18). De Waalse decreetgever heeft ermee een einde willen maken aan iedere mogelijke controverse. Die aanpassing is in werking getreden op 01.07.2009 (art. 69 van het decreet).

    ----------

    (18) Circ. A.F.Z. nr. 15/2006, Patrimoniale Documentatie nr. 18/2006 nr. 56, Cursus Registratierechten (handboek van de administratie), editie 01.01.2008, deel W II, blz. 46, nr. 39, 6 (zie www fisconet.be; N.B. de bladzijdennummers kunnen verschillen).

  6. De mogelijkheid om de artikelen 131 tot 140 – meer bepaald dus artikel 131ter – toe te passen indien het voordeel van het stelsel van schenking van ondernemingen niet kan worden genoten, wordt nog duidelijker in de tekst verwoord (zie artikel 140bis, § 1, 1°). In de circulaire 18/2006 werd reeds aangegeven dat "indien de schenking van een onroerend goed met gemengde bestemming (deels privé en deels beroepsmatig) niet onder de toepassing valt van artikel 140bis (wegens het niet vervuld zijn van alle voorwaarden), kan de verrichting eventueel nog onder de toepassing van het stelsel van artikel 131ter (dat vereist dat het gaat om een onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd) vallen" (19). De inwerkingtreding is bepaald op 01.07.2009 (art. 69 van het decreet);

    ----------

    (19) Circ. A.F.Z. nr. 15/2006, Patrimoniumdocumentatie nr. 18/2006, punt 7, opmerking.

    Ter herinnering, zie wat betreft het niet behouden van het stelsel, hiervoor onder punt 3.1.

7.1.2. Wijziging van de vormvoorwaarden

Voorheen diende het voordeel van het verlaagd tarief verplicht te worden gevraagd in het corpus van de akte of onderaan op de akte. Bovendien diende men te verklaren dat alle vereiste voorwaarden waren vervuld en moesten alle stukken bedoeld in artikel 140bis, § 2,3° worden bijgevoegd. Was daaraan niet voldaan dan werd de akte geregistreerd tegen het gewone recht overeenkomstig de artikelen 131 tot 140, zonder mogelijkheid van latere teruggave (art. 140quater).

Naast deze manier van te werk gaan hebben de begiftigden die niet voldaan hebben aan het voorschrift van artikel 140bis voortaan een termijn van twee jaar, te rekenen van de datum van de aanbieding ter registratie van de schenkingsakte, om een verzoek tot teruggave in te dienen op grond van artikel 209, eerste lid, 7° nieuw, Wl.W.Reg.

Er wordt opgemerkt dat artikel 140bis, § 2, 3°, nog altijd slechts één lid bevat (de wijziging van dit artikelonderdeel – bij artikel 64, eerste lid, 3° van het decreet – bestaat enkel uit de toevoeging van enkele woorden).Het feit dat het nieuwe 7° van artikel 209, Wl.W.Reg. verwijst naar artikel 140bis, § 2, 3°, laatste lid (20), staat er niet aan in de weg dat teruggave mogelijk is in geval van afwezigheid van de verklaring en/of van de bijlagen. Deze benadering is in overeenstemming met de ratio legis van de invoering van de voormelde tweejarige termijn. Inderdaad, de mogelijkheid om het voordeel van het stelsel van de schenking van ondernemingen te vragen na de registratie van de schenkingsakte werd ingevoerd "teneinde te vermijden dat het ontbreken van de verplichte documenten bij het einde van de termijn om aan de fiscale verplichtingen te voldoen (in casu een verklaring en de bijlagen, inzake registratierechten) zou meebrengen dat het verlaagde tarief van toepassing op overdracht van een onderneming niet zou kunnen worden toegepast"(21).

----------

(20) In het advies van de Raad van State (Waals Parlement, Doc. 980 (2008-2009), Nr. 1, blz. 52, nr. 14) wordt daarover geen opmerking gemaakt.

(21) Waals Parlement, doc. 980 (2008-2009), Nr. 1, blz. 26.

De teruggave geschiedt in voorkomend geval onder aftrek van het algemeen vast recht (art. 209, tweede lid).

Deze bepaling treedt in werking op 01.01.2006; evenwel "wanneer een akte betreffende goederen bedoeld in artikel 140bis, § 1, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten aan het voor de schenkingen bepaalde registratierecht onderworpen is vóór de datum van bekendmaking van dit decreet in het Belgisch Staatsblad zonder toepassing van het verlaagde recht bedoeld in die bepaling, zoals gewijzigd bij dit decreet met uitwerking op 01.01.2006, begint de termijn van twee jaar bedoeld in artikel 209, 7°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, zoals ingevoegd bij artikel 68, 5°, van dit decreet, evenwel te lopen vanaf de dag van bekendmaking van dit decreet in het Belgisch Staatsblad (art. 69, 3de streepje, van het decreet)". Met andere woorden, voor de akten geregistreerd vanaf 01.07.2009 tegen het gewoon recht begint de termijn van twee jaar bedoeld in artikel 209, eerste lid, 7°, nieuw, te lopen te rekenen van de registratie, terwijl voor de akten geregistreerd tussen 01.01.2006 en 30.06.2009 de termijn van twee jaar loopt vanaf 01.07.2009 en zal dus verjaren op 30 juni 2011.

7.1.3. Geen onmiddellijke registratie aan het verlaagd tarief – latere teruggave

Daar waar het voorheen in alle gevallen uitgesloten was het verminderd tarief nog te genieten na de registratie van de schenkingsakte tegen het gewone tarief, is dat voortaan in een welomschreven geval wel mogelijk, dit gelet op de wijziging van de vormvoorwaarden van de aanvraag. Zie hiervoor, punt 7.1.2.

7.1.4. Wederoverdracht van de schenking – van artikel 140septies (in een nieuwe redactie)

Artikel 140septies, Wl.W.Reg., opgeheven bij artikel 25 van het decreet van 15 december 2005, wordt hersteld in de volgende bewoordingen:

"Artikel 140septies. Het overeenkomstig artikel 140quinquies, § 2, opeisbare recht is evenwel niet opeisbaar indien het zakelijk recht op de goederen waarop het verlaagd recht werd toegepast, het voorwerp uitmaakt van een overdracht ten kosteloze titel ten voordele van de oorspronkelijke schenker alvorens de termijn van vijf jaar is verstreken gedurende dewelke de voorwaarden van artikel 140quinquies, § 1, moeten behouden blijven.".

De commentaar die in het ontwerp van decreet wordt verstrekt volstaat op zich: "Het vroegere artikel 140septies van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten bepaalde, vóór de opheffing ervan door het decreet van 15 december 2005 in het kader van de hervorming van het verminderd schenkingsrecht op de overdracht van ondernemingen, een regularisatiemogelijkheid op het vlak van het verlaagd recht wanneer de voorwaarden die voor vijf jaar golden niet konden worden nageleefd. Die mogelijkheid betrof het geval waarin het zakelijk recht op de goederen die het verminderd recht hebben genoten het voorwerp uitmaakt van een overdracht ten kosteloze titel aan de oorspronkelijke schenker vóór het verstrijken van de termijn van vijf jaar gedurende dewelke de voorwaarden bepaald in artikel 1401quinquies, § 1, moeten worden nageleefd.

De praktijk vraagt om het behoud van deze bepaling, zodat het past het mechanisme terug in te stellen zodat iemand gedurende vijf jaar kan terugkomen op een met toepassing van het verlaagde recht gedane schenking, zonder daarbij overmatig gestraft te worden omwille van het intrekken van de schenking" (22).

----------

(22) Waals Parlement, Doc. 980 (2008-2009) – Nr. 1, Commentaar bij de artikelen, blz. 26-27.

De wederoverdracht ten voordele van de oorspronkelijke schenker ontsnapt enkel aan het bijrecht bepaald in artikel 140quinquies (en aan de eraan verbonden interesten) indien de wederoverdracht ten kosteloze titel geschiedt. Het moet dus gaan om een nieuwe schenking. Bij de aanbieding ervan ter registratie – verplicht of vrijwillig (bijvoorbeeld in geval van een onrechtstreekse schenking bevestigd door onderhandse akten) –, is deze schenking a priori belastbaar, volgens de aard van de geschonken goederen, aan het recht bepaald in artikel 131, 131bis of ... 140bis en in dit laatste geval is het de oorspronkelijke schenker die op zijn beurt de voorwaarden voor het verkrijgen – onmiddellijk of uitgesteld (art. 209, eerste lid, 7°) – en het behouden van het voordeel van het stelsel van schenking van ondernemingen zal moeten vervullen.

In geval van registratie van de wederoverdracht moet, wil daarop geen schenkingsrecht verschuldigd zijn, één van de stelsels van artikel 209, Wl.W.Reg. van toepassing zijn (zie infra, nrs. 8 en 10; voor een toepassing, V. onder nr. 10.1.1.D, 3de alinea).

7.2. Art. 140bis tot 140octies en art. 209, 1ste lid, 7°, Wl.W.Reg. – Inwerkingtreding

De datum van inwerkingtreding van de teksten die onder dit nr. werden behandeld is vermeld in de nrs 7.1.1. en 7.1.2. alsook in bijlage 2.

8. Vernietiging, ontbinding of herroeping door de rechter – vaststelling van de nietigheid, de ontbinding of de herroeping – Art. 209, eerste lid, 2° en 3°, Wl.W.Reg.

8.1. Art. 209, eerste lid, 2° en 3°, Wl.W.Reg. – Draagwijdte van de wijziging

De tekst laat voortaan de teruggave toe niet enkel in het geval van nietigheid en ontbinding of herroeping uitgesproken door de rechter maar ook wanneer de gerechtelijke beslissing enkel de nietigheid of de ontbinding/herroeping vaststelt, met andere woorden de teruggave geldt ook in geval van een akkoordvonnis of -arrest.

De termijn van een jaar (te rekenen van de datum van de overeenkomst) die voorheen bepaald was om de eis tot uitspraak door de rechter van de ontbinding in te stellen geldt voortaan ook voor het instellen van de eis tot vaststelling door de rechter van de ontbinding.

In geval van een eis tot vaststelling van een nietigheid bestaat, zoals voorheen trouwens ook al het geval was voor de eis tot uitspraak door de rechter van de vernietiging op grond van nietigheid, geen termijn voor de instelling ervan.

8.2. Art. 209, eerste lid, 2° en 3°, Wl.W.Reg. – Inwerkingtreding

Artikel 209, eerste lid, 2° en 3°, Wl.W.Reg., zoals gewijzigd, is van toepassing "op alle overeenkomsten (...) die niet meer dan twee jaar voor de datum van bekendmaking van dit decreet in het Belgisch Staatsblad zijn gesloten" (art. 69, 5de streepje, van het decreet).

In het geval van artikel 209, eerste lid, 3° moet evenwel rekening worden gehouden met de voormelde termijn van een jaar om de eis in te leiden. Aldus zal bijvoorbeeld in geval van een verkoop die dagtekent van 13.05.2008 (23), zijnde ruim minder dan twee jaar voor de datum van de bekendmaking van het decreet, een gerechtelijke beslissing die de ontbinding uitspreekt of vaststelt niet noodzakelijkerwijze de verhoopte teruggave toelaten. Daarvoor is nodig dat de eis binnen de voormelde termijn werd ingesteld.

----------

(23) Er wordt aan herinnerd dat gekeken moet worden naar de datum van de overeenkomst en niet naar de datum van de latere authentieke akte (F. Werdefroy, Registratierechten, 2008-2009, deel I, blz. 388 e.v., nrs. 400 en 400^2, Cursus Registratierechten (handboek van de administratie), uitgave 01.01.2008, federaal gedeelte, blz. 379 e.v., nrs. 567 e.v., www.fisconet.be; N.B.: de bladzijdennummers kunnen verschillen in de papieren en elektronische versie.

9. Gerechtelijke vermindering van de verkoopprijs – Gedeeltelijke teruggave – Art. 209, eerste lid, 3°bis, Wl.W.Reg.

9.1. Art. 209, eerste lid, 3°bis, Wl.W.Reg. – Draagwijdte van de wijziging

De tekst van het nieuwe 3°bis in artikel 209, eerste lid, Wl.W.Reg. is voldoende duidelijk: het is enkel in het geval van een gerechtelijke vermindering van de verkoopprijs dat een gedeeltelijke teruggave zal mogelijk zijn. Vermits de prijsvermindering moet "uitgesproken" worden door de rechter, is er geen teruggave mogelijk in geval van een akkoordvonnis, noch in geval van een vermindering in der minne (24).

----------

(24) Behalve indien in het laatste geval wordt gekozen voor een minnelijke ontbinding gevolgd door een nieuwe verkoop, met naleving van de gestelde voorwaarden. Zie infra, onder nr. 10.

Zoals dat het geval is met een eis tot uitspraak of vaststelling van de ontbinding, moet de eis worden ingesteld binnen het jaar na de datum van de overeenkomst.

In tegenstelling met wat het geval is in het stelsel van de ontbinding (25) – en vertrekkend van de vaststelling van de ontbinding – is de teruggave niet afhankelijk van de voorwaarde dat de prijsvermindering de hoofdeis van de rechtszaak uitmaakt. Een eis van subsidiaire aard volstaat, mits deze werd ingesteld binnen het jaar van de datum van de overeenkomst.

----------

(25) Zie F. Werdefroy, Registratierechten, 2008-2009, deel I, blz. 388 e.v., nrs. 400 en 400^2, Cursus Registratierechten (handboek van de administratie), uitgave 01.01.2008, federaal gedeelte, blz. 379 e.v., nrs. 567 e.v., www.fisconet.be; N.B.: de bladzijdennummers kunnen verschillen in de papieren en elektronische versie.

De teruggave heeft betrekking op het bedrag van de rechten betaald over het deel van de aankoopprijs dat wordt terugbetaald door de verkoper. Het in fine van de nieuwe bepaling is enkel een toepassing in deze context van het algemeen principe vervat in artikel 46, Wl.W.Reg.

Vermits het gaat om een gedeeltelijke teruggave was het uiteraard niet nodig te bepalen dat ze wordt gedaan onder aftrek van het algemeen vast recht.

Een afschrift van de – in kracht van gewijsde gegane – gerechtelijke beslissing moet worden gevoegd bij het verzoek tot teruggave.

Indien de oorspronkelijke overeenkomst ter registratie wordt aangeboden tezelfdertijd met de indiening van het "verzoek tot teruggave" gegrond op de gerechtelijke beslissing tot vermindering van de aankoopprijs – hetgeen in praktisch alle gevallen een laattijdige aanbieding ter registratie veronderstelt – zal de Administratie de verschuldigde en de terug te geven bedragen compenseren. Om iedere aansporing tot het niet naleven van de fiscale verplichtingen tegen te gaan, zal de boete wegens laattijdige aanbieding ter registratie berekend worden op grond van het bedrag van de rechten die verschuldigd waren op de initiële overeenkomst, vóór de compensatie.

9.2. Art. 209, eerste lid, 3°bis, Wl.W.Reg. – Inwerkingtreding

Artikel 209, eerste lid, 3°bis, nieuw Wl.W.Reg. is van toepassing "op alle overeenkomsten (...) die niet meer dan twee jaar voor de datum van bekendmaking van dit decreet in het Belgisch Staatsblad zijn gesloten" (art. 69, 5de streepje, van het decreet).

Ook in dit geval moet rekening worden gehouden met de termijn van een jaar om de eis in te stellen (zie hiervoor, nr.8.2).

10. Ongedaan maken "in der minne" – Ontbinding als gevolg van de verwezenlijking van een ontbindende voorwaarde – Art. 13, 159bis en art. 209, eerste lid, 3°ter en 3°quater, Wl.W.Reg.

Inleidende beschouwingen

1. Met de termen "nietigverklaring, vernietiging, annulering of ontbinding" die in der minne tussen de partijen is overeengekomen heeft de Waalse decreetgever – hoewel de gebruikte termen voor kritiek vatbaar zijn (26) – onmiskenbaar bedoeld de gevallen waarin de (oorspronkelijke) overeenkomst uiteindelijk ongedaan wordt gemaakt door een overeenkomst (27), onverminderd de voorwaarden die hij aan de eventuele teruggave heeft willen onderwerpen.

----------

(26) Wat de kritiek op de terminologie in de – enige officiële – Franstalige versie van het decreet betreft, wordt verwezen naar voetnoot 24 in de Franstalige versie van deze circulaire.

(27) Dit verklaart waarom de herroeping (van een schenking) (Frans: révocation), die voorkwam in de tekst van het voorontwerp, werd weggelaten in de definitieve tekst van het decreet. De herroeping veronderstelt immers steeds de tussenkomst van een rechter (en vandaar de eventuele toepassing van artikel 209, eerste lid, 3°, Wl.W.Reg. – Waals Parlement, Doc. 980 (2008-2009) – Nr. 1, blz 3.

2. "Dienen onder meer als overdragende akten binnen een gestelde termijn geregistreerd te worden:

(...)

- de akten die als titel gelden van een verkoop zonder onmiddellijke overdracht van eigendom, hetzij omdat de partijen deze overdracht hebben uitgesteld, hetzij omdat het verkochte goed slechts door zijn soort bepaald is. In deze gevallen blijft de akte niettemin eigendomsoverdragend in de zin van de fiscale wet." (28)

----------

(28) F. Werdefroy, Registratierechten, 2008-2009, deel I, blz. 108, nr. 142, zesde streepje, waarbij verwezen wordt naar Rep. R.J., R 19/03-19.

3. "Kunnen daarentegen noch als overdragende noch als aanwijzende akten beschouwd worden en moeten derhalve niet binnen een gestelde termijn geregistreerd worden:

(...)

L) de overdrachten onder opschortende voorwaarde. De onderhandse akte die de overdracht onder opschortende voorwaarde vaststelt van een onroerend goed kan slechts als overdragend aangezien worden na de vervulling van de voorwaarde" (29). Bovendien, "Als de voorwaardelijke akte ongedaan wordt gemaakt door de partijen terwijl de voorwaarde nog hangende is, vormt ze ook voor de Schatkist geen titel van heffing meer" (30).

----------

(29) F. Werdefroy, Registratierechten, 2008-2009, Deel I, blz. 110, L).

(30) Cursus registratierechten (handboek van de administratie), editie 01.01.2008; federaal deel, blz. 100, nr. 133b.,1°, met verwijzing naar E en A Genin, Commmentaire ..., nr. 331; M. Donnay, Règles générales de perception ..., Rec. gen. enr. not., 1965, nr. 20831, § 124; Rép. Not., nr. 187; F. Werdefroy, Registratierechten, I, nr. 589.

4. Tenslotte "neemt de administratie aan dat van de vordering van het recht, waartoe een overeenkomst aanleiding geeft, moet afgezien worden, indien de partijen vóór de inning het bewijs leveren dat bedoelde overeenkomst in der minne vernietigd werd, mits de nietigheid voortvloeit uit een feit waarvan het bestaan niet kan betwist worden, zoals bijvoorbeeld in het geval van de verkoop van een onroerend goed door een niet-eigenaar" (31).

----------

(31) Cursus registratierechten (handboek van de administratie), editie 01.01.2008; federaal deel, blz. 100, nr. 133, b., 1° met verwijzing naar Adm. beslissing van 05.06.1943, Rev. enr. et dom., nr. 704; Rec. gen. enr. not., 1944, nr. 18431, nrs. 28 en 33; T. Not., 1943, blz. 184, F. Werdefroy, Registratierechten, I, nr. 526; M Donnay, Règles générales de perception..., Rec. gen. enr. not., 1965, nr.20831, § 87 en 88; Rép. not. nr. 149. Vereist wordt evenwel dat de vordering tot nietigverklaring op het ogenblik van de vernietiging niet door verjaring is uitgedoofd. www.fisconet.be; N.B. de bladzijdennummers kunnen verschillen.

10.1. Art. 13, 159bis, § 1 en art. 209, eerste lid, 3°ter en 3°quater, Wl.W.Reg. – Draagwijdte van de wijziging

De artikelen 159bis en 209, eerste lid, 3°ter en 3°quater, Wl.W.Reg. betreffen de overeenkomsten onderworpen aan het registratierecht op de overdrachten ten bezwarende titel, op dat van de verdelingen en op dat van de schenkingen.

Artikel 159bis bepaalt de heffing van een bijzonder vast recht van (2x) 10 euro in twee onderscheiden gevallen: in geval van het ongedaan maken bij overeenkomst (zie hierna onder punt 10.1.1.) en in geval van ontbinding als gevolg van een ontbindende voorwaarde die van rechtswege uitwerking heeft (zie hierna punt 10.1.2.).

Voor diezelfde twee gevallen regelt artikel 209 de teruggave van het recht geheven op de initiële overeenkomst, wanneer het er op van toepassing zijnde evenredig recht werd geheven (32).

----------

(32) De tekst bepaalt niet met zoveel woorden op welk tijdstip men zich moet plaatsen om te beoordelen of op de initiële overeenkomst het evenredig recht werd geheven. Gelet op de tekst en de ratio legis verliest – behalve in bijzondere gevallen (overgedane verkoop maar onder andere voorwaarden, ...) – het verzoek tot teuggave ipso facto iedere grond, van zodra de initiële overeenkomst het evenredig recht zou ondergaan na het verzoek tot teruggave.

De hierna volgende uiteenzetting betreffende de toepassingsvoorwaarden van het nieuwe stelsel volgt niet de structuur van de wettekst. Bedoeling hiervan is de diverse situaties op een systematische wijze te behandelen. Van het geheel wordt een synthese gemaakt onder punt 10.2.

10.1.1. 1ste situatie: ongedaan maken bij overeenkomst (art. 159bis, § 1 en art. 209, eerste lid, 3°ter, Wl.W.Reg.) (nietigverklaring, vernietiging, annulering of ontbinding (33) "in der minne")

----------

(33) Zie voetnoot 25 – In wat hierna volgt wordt als generieke term voor deze vier begrippen "ongedaan maken" gebruikt; wanneer er gesproken wordt van "nietigverklaring, vernietiging, ..." of van "nietigverklaarde overeenkomst, vernietigde overeenkomst, ..." in deze context, wordt dus telkens bedoeld een situatie waarbij de partijen in der minne de initiële overeenkomst minnelijk hebben ongedaan gemaakt.

A. Wanneer het gaat om een ongedaan maken bij overeenkomst bepaalt artikel 159bis een vrijstelling van het evenredig recht en het onderwerpen aan een bijzonder vast recht van 10 euro:

  1. 1° van de overeenkomsten bedoeld in de artikelen 44 tot 71, 72, tweede lid, 74 en 75, 109 tot 114 en 131 tot 140octies waarvan het ongedaan maken minnelijk is overeengekomen tussen de partijen, mits aan de volgende cumulatieve voorwaarden wordt voldaan:

    1. de nietig verklaarde, vernietigde, geannuleerde of ontbonden overeenkomst mag niet zijn vastgesteld bij authentieke akte;

    2. de overeenkomst tot nietigverklaring, vernietiging, annulering of ontbinding

      • mag niet dagtekenen van meer dan een jaar na de nietig verklaarde, vernietigde, geannuleerde of ontbonden overeenkomst;

      • moet ter registratie worden aangeboden ten laatste op hetzelfde tijdstip als de aanbieding ter registratie van de nietig verklaarde, vernietigde, geannuleerde of ontbonden overeenkomst (34) en;

      • moet aan het bijzonder vast recht van 10 euro bij toepassing van artikel 159bis, § 1, 2°, Wl.W.Reg. onderworpen zijn.

  2. 2° van de overeenkomsten tot nietigverklaring, vernietiging, annulering of ontbinding – die beantwoorden aan de hiervoor vermelde voorwaarden – van de onder 1° vermelde overeenkomsten.

    Indien aan de voorwaarden is voldaan zijn dus beide overeenkomsten aan het bijzonder vast recht onderworpen, de oorspronkelijke overeenkomst bij toepassing van artikel 159bis, § 1, 1° en de overeenkomst tot het ongedaan maken bij toepassing van artikel 159bis, § 1, 2°.

----------

(34) De wettekst voegt eraan toe, en dit spreekt voor zich gelet op wat vooraf gaat, dat de overeenkomst tot het ongedaan maken moet gesloten zijn ten laatste op het tijdstip van de aanbieding ter registratie van de initiële overeenkomst In het tegenovergestelde geval, zou het in voorkomend geval gaan om een situatie behandeld onder 10.1.1.B.

B. Indien op de initiële overeenkomst het uit haar aard verschuldigde evenredig recht werd geheven, laat artikel 209, eerste lid, 3°ter, Wl.W.Reg. de teruggave van dit evenredig recht toe – onder aftrek van het bijzonder vast recht bepaald in artikel 159bis, Wl.W.Reg. (art. 209, tweede lid, W.Reg.W) –, mits aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:

  1. 2° de overeenkomst tot nietigverklaring, vernietiging, annulering of ontbinding:

    1. mag niet dagtekenen van meer dan een jaar na de nietig verklaarde, vernietigde, geannuleerde of ontbonden overeenkomst;

    2. moet ter registratie worden aangeboden ten laatste op hetzelfde tijdstip als het verzoek tot teruggave.

N.B.

  1. In het kader van het stelsel van de teruggave van het evenredig recht geheven op de overeenkomst die uiteindelijk ongedaan wordt gemaakt, wordt niet vereist (35) dat de overeenkomst tot het ongedaan maken geregistreerd wordt aan het bijzonder vast recht (vergelijk art. 159bis, § 1, 1°, a), Wl.W.Reg.). Zie ook infra, weerslag van de datum van inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen onder punt 10.2.

  2. de eis tot teruggave verjaart na twee jaar te rekenen van de dag waarop de eis is ontstaan, dus van de datum van de overeenkomst tot ongedaan maken.

----------

(35) Uitdrukkelijk. Er wordt opgemerkt dat ter zake de voorwaarden vermeld in artikel 159bis en die vermeld in artikel 209 verschillen wat dit punt betreft. Niettegenstaande de verwijzing naar artikel 159bis in artikel 209, tweede lid, moet worden aangenomen dat door een dergelijke vereiste de (betrekkelijke) terugwerking die door de Waalse decreetgever werd gewild, volkomen uitgehold zou worden, in de mate dat enkel overeenkomsten tot het ongedaan maken van na 30.06.2009 of niet verplicht te registreren overeenkomsten die na die datum ter registratie worden aangeboden in aanmerking komen voor het verlaagd recht.

C. Merk op dat de wettekst niet bepaalt dat de beide overeenkomsten gelijktijdig ter registratie moeten worden aangeboden.

In het (eerder theoretische) geval van aanbieding ter registratie van de overeenkomst tot ongedaan maken vóór de ongedaan gemaakte overeenkomst, zal in voorkomend geval een aanvullende verklaring op grond van artikel 168 worden gevraagd – om het helemaal goed te doen kan men zelfs de voorlegging van de ongedaan gemaakte overeenkomst vragen -. Bij het ontbreken ervan zal in voorkomend geval de overeenkomst tot ongedaan maken, als een akte van overdracht of aanwijzing van een onroerend zakelijk recht, onderworpen zijn aan het haar eigen evenredig recht (art. 187, W.Reg. – voldoende bewezen geachte overdracht) (36).

----------

(36) Onder voorbehoud van hetgeen wordt gezegd in de voorafgaande beschouwing 3 onder punt 10.

Wat meer is, vermits voor toepassing van het verlaagd recht op de ongedaan gemaakte overeenkomst vereist is dat de registratie van de overeenkomst tot het ongedaan maken tegen het verlaagd recht geschiedt, zal ook de ongedaan gemaakte overeenkomst evenmin onder het nieuwe stelsel vallen (behalve in het kader van artikel 209 [zie hierboven, punt B, N.B.]). Indien de initiële overeenkomst nog niet ter registratie werd aangeboden is het dus ten zeerste aangeraden de twee overeenkomsten – de initiële en die tot het ongedaan maken ervan – gelijktijdig aan te bieden.

In het omgekeerde en gewone geval waarin de initiële overeenkomst eerst ter registratie wordt aangeboden en de overeenkomst tot het ongedaan maken ervan nadien, wordt het genot van het voordeel van het verlaagd recht op de initiële overeenkomst verdaagd tot bij de teruggave (onverminderd de toepassing van artikel 16 W.Reg.) (zie hiervoor en hierna onder punt 10.1.3.).

Merk ook op dat indien de overeenkomst tot het ongedaan maken het eerst werd aangeboden en tegen het bijzonder vast recht werd geregistreerd, en later blijkt dat de voorwaarden om dat bijzonder vast recht te genieten niet waren vervuld, er reden is om de heffing te herzien, rekening houdend met de concrete situatie. In dergelijk geval zal de initiële overeenkomst evenmin nog kunnen genieten van het verlaagd recht (behalve in het kader van artikel 209 (zie hierboven, punt B, N.B.)).

N.B. In het nieuwe Waalse stelsel wordt de toepassing van het bijzonder vast recht niet afhankelijk gesteld van de aanbieding ter registratie van de initiële overeenkomst binnen de wettelijk daarvoor bepaalde termijn. In het Vlaamse stelsel kan het bijzonder vast recht van 10 euro op de initiële overeenkomst slechts (onmiddellijk) van toepassing zijn indien ze geregistreerd werd binnen de termijn bepaald in de artikelen 32 en 33, W.Reg. (art. 76, Vl.W.Reg.). In geval van laattijdige registratie sluit de Vlaamse decreetgever echter de teruggave niet uit. De teruggave geschiedt dan onder aftrek van het algemeen vast recht en niet van het bijzonder vast recht. (art. 209, eerste lid, 2°bis, Vl.W.Reg.).

D. Merk ook nog op dat hoewel de initiële overeenkomst niet mag zijn vastgesteld bij authentieke akte, niets belet dat de overeenkomst tot het ongedaan maken ervan op die wijze is vastgesteld.

Een schenkingsakte (in de regel authentiek) geniet dus niet van het stelsel van artikel 159, § 1, Wl.W.Reg. Dat is anders voor een onrechtstreekse schenking, die dus wel van het nieuwe stelsel kan genieten, behalve vanzelfsprekend in het – weinig waarschijnlijke – geval dat ze zou vastgesteld zijn in een authentieke akte.

Aldus zou men kunnen terugkomen op een storting van sommen op een lopende rekening waarbij het vruchtgebruik van de rekening voorbehouden wordt door de ouders en de blote eigendom toekomt aan de kinderen. Dergelijke verrichting valt onder toepassing van artikel, 9 W.Succ. Aan de "valstrik" van deze bepaling kan men ontsnappen door de verrichting over te doen onder de vorm van een schenking bij authentieke akte gevolgd door de opening van de rekening; dergelijke verrichting valt niet onder toepassing van artikel 9, W.Succ.

N.B.: In de mate dat de wederafstand kwalificeert als een schenking en ze zelf niet onderworpen werd aan het schenkingsrecht, kan ze later aanleiding geven tot toepassing van artikel 7, W.Succ. in de nalatenschap van de begiftigde naar aanleiding van de oorspronkelijke verrichting en in de nalatenschap van de schenker naar aanleiding van de wederoverdracht.

E. Merk tenslotte ook nog op dat de betaling van een vergoeding voor het ongedaan maken, onder welke vorm ook (al of niet in mindering te brengen van de terug te betalen aankoopprijs), geen beletsel vormt voor de toepassing van de nieuwe bepaling.

10.1.2. 2de situatie: ontbinding als gevolg van de vervulling van een ontbindende voorwaarde die "van rechtswege" uitwerking heeft (art. 159bis, § 2, en 209, eerste lid, 3°quater, Wl.W.Reg.)

A. Begrip "ontbindende voorwaarde die van rechtswege uitwerking heeft"

Ter herinnering: "In wederkerige contracten is de ontbindende voorwaarde altijd stilzwijgend begrepen, voor het geval dat een van beide partijen haar verbintenissen niet nakomt" (art. 1184, eerste lid, BW).

Deze stilzwijgende ontbindende voorwaarde, ook stilzwijgend ontbindend beding genoemd, heeft geen uitwerking van rechtswege. Om het contract te ontbinden is nog steeds de tussenkomst van de rechter nodig, die over de opportuniteit van de ontbinding oordeelt en die trouwens aan de partij die haar verbintenis niet nakomt een termijn voor de uitvoering ervan kan toestaan (art. 1184, derde lid, BW) (37). In geval van ontbinding kan de beslissing – of, voortaan, de vaststelling – van de rechter in voorkomend geval vervolgens leiden tot de toepassing van artikel 209, eerste lid, 3°, Wl.W.Reg., zoals gewijzigd.

----------

(37) Zie De verbintenissen, DC III 3-4, Administratieve cursus van de administratie van de B.TW., de registratie en domeinen, Ministerie van Financiën, editie 1 december 1994, blz. 214 e.v.

Daarentegen zal men bij een uitdrukkelijk ontbindend beding (38) doorgaans te maken hebben met een ontbindende voorwaarde die van rechtswege uitwerking heeft. Inderdaad, hoewel het niet eigen is aan alle uitdrukkelijke ontbindende bedingen dat ze van rechtswege uitwerking hebben, worden ze doorgaans derwijze geredigeerd om die uitwerking te hebben. In dat geval is geen rechterlijke tussenkomst meer nodig, tenzij eventueel om te onderzoeken of het beweerde gebrek aan uitvoering zich in de feiten voordoet. Alsdan heeft de rechter echter niet meer te oordelen over de opportuniteit van de ontbinding en kan hij evenmin nog een termijn voor uitvoering toestaan.

----------

(38) Zie De verbintenissen, DC III 3-4, Administratieve cursus van de administratie van de B.TW., de registratie en domeinen, Ministerie van Financiën, editie 1 december 1994, blz. 217 e.v.

Het nieuwe stelsel is van toepassing op de gevallen waarin de tussenkomst van de rechter niet nodig is, hetzij omdat het uitdrukkelijk ontbindend beding zodanig is opgesteld dat het van rechtswege uitwerking heeft, hetzij omdat de wet zelf de uitwerking van rechtswege bepaalt (39).

----------

(39) Waals Parlement, Doc. 980 (2008-2009) – Nr.1, Commentaar bij de artikels, blz. 29.

B. Als het gaat om een ontbinding als gevolg van de vervulling van een ontbindende voorwaarde die van rechtswege uitwerking heeft, worden de overeenkomsten bedoeld in artikel 44 tot 71, 72, tweede lid, 74 en 75, 109 tot 114 en 131 tot 140octies door artikel 159bis, evenals de akten waarbij de vervulling van de ontbindende voorwaarde wordt vastgesteld, vrijgesteld van het evenredig recht en onderworpen aan een bijzonder vast recht van 10 euro onder de volgende cumulatieve voorwaarden:

  1. 1° de vervulling van de voorwaarde

    1. a) moet geschieden ten laatste een jaar na de er door ontbonden overeenkomst;

    2. b) moet vastgesteld worden in een akte die:

      • ondertekend is door alle partijen bij de ontbonden overeenkomst;

      • ter registratie wordt aangeboden uiterlijk op het zelfde ogenblik als de ontbonden overeenkomst; en

      • geregistreerd wordt tegen betaling van het bijzonder vast recht van 10 euro als bepaald in artikel 159bis, § 2, 2°, Wl.W.Reg.

  2. 2° indien de ontbonden overeenkomst werd vastgesteld bij een authentieke akte, ook de vervulling van de ontbindende voorwaarde bij een authentieke akte is vastgesteld.

De twee akten worden onderworpen aan een recht van 10 euro, de overeenkomst die de voorwaarde bevat bij toepassing van artikel 159bis, § 2, 1° en de akte die de vervulling van de voorwaarde vaststelt bij toepassing van artikel 159bis, § 2, 2°.

C. Indien de overeenkomst die de voorwaarde bevat geregistreerd werd tegen betaling van het toepasselijke evenredige recht, laat artikel 209, eerste lid, 3°quater, Wl.W.Reg. de teruggave van dat recht toe – onder aftrek van het bijzonder vast recht bepaald in artikel 159bis, Wl.W.Reg. – (art. 209, tweede lid, Wl.W.Reg.), mits aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:

  1. 1° de vervulling van de voorwaarde

    1. a) moet geschieden ten laatste een jaar na de er door ontbonden overeenkomst;

    2. b) moet vastgesteld worden in een akte die:

      • ondertekend is door alle partijen bij de ontbonden overeenkomst;

      • ter registratie wordt aangeboden uiterlijk op het zelfde ogenblik als de indiening van het verzoek tot teruggave;

  2. 2° indien de ontbonden overeenkomst werd vastgesteld bij een authentieke akte, ook de vervulling van de ontbindende voorwaarde bij een authentieke akte is vastgesteld.

N.B.

  1. 1. Bepalend is de datum van vervulling van de ontbindende voorwaarde en niet die van de akte waarbij het vervuld zijn wordt vastgesteld.

  2. 2. De termijn van twee jaar voor de verjaring van de eis tot teruggave, loopt in principe vanaf de datum van de vervulling van de ontbindende voorwaarde (art. 215, W.Reg.). Wanneer evenwel de ontbindende voorwaarde vervuld werd vóór 01.07.2009, datum waarop de gewijzigde bepaling in werking is getreden, is de eis tot teruggave noodzakelijkerwijze ontstaan op 01.07.2009; vóór die datum was bedoelde eis gewoonweg onmogelijk.

D. In geval de overeenkomst die de ontbindende voorwaarde bevat bij een onderhandse overeenkomst werd vastgesteld, is er niets dat belet de vervulling van de voorwaarde vast te stellen in een authentieke akte.

Merk op dat, gelet op het onveranderd gebleven zijn van de wetteksten betreffende de verplicht te registreren akten en verklaringen (art. 19 en 31, Wl.W.Reg.), de aanbieding ter registratie van de akte waarbij de vervulling van de voorwaarde wordt vastgesteld ratione materiae in de regel facultatief blijft. Indien het echter gaat om in een België verleden authentieke akte, dan moet ze – ratione formae – (art. 19, 1°, W.Reg.) wel verplicht ter registratie worden aangeboden.

Het is in ieder geval zo dat de aanbieding ter registratie van de akte waarbij de vervulling van de ontbindende voorwaarde wordt vastgesteld vereist is opdat het verlaagd recht van toepassing zou kunnen zijn op de ontbonden akte.

E. Bij het lezen van de commentaar van de artikels in het ontwerp van decreet blijkt dat de vereiste van een authentieke akte tot vaststelling van het vervuld zijn van de opschortende voorwaarde indien de overeenkomst die de voorwaarde bevat bij authentieke akte is vastgesteld, voortspruit uit het verwarren van de beginselen betreffende de hypothecaire publiciteit (40).

----------

(40) Waals Parlement, Doc. 980 (2008-2009), Nr. 1, blz. 30 laatste alinea en blz. 31 ab initio (zie ook blz. 108, N.B., 2°).

Merk op dat de vereiste van een authentieke akte houdende vaststelling van de vervulling van de ontbindende voorwaarde ook geldt voor de schenking van roerende goederen onder ontbindende voorwaarde bij authentieke akte.

Het is bovendien duidelijk dat, vermits er in het kader van het stelsel van artikel 159bis, § 2, Wl.W.Reg. wat betreft de verrichtingen vastgesteld bij authentieke akte geen exclusieve werd gesteld, een schenkingsakte van het voordeel van dat stelsel kan genieten (geval van "bedongen terugkeer" – uiteraard als gevolg van de vervulling van een ontbindende voorwaarde (41), niet als gevolg van een terugkeer "overeengekomen" in een nieuwe overeenkomst van na de schenking ...).

----------

(41) Noodzakelijkerwijze niet later dan een jaar na de initiële overeenkomst (vb. vooroverlijden binnen het jaar, [tontine], ...).

10.1.3. Teruggave van het op de initiële overeenkomst geheven evenredig recht

Zoals hiervoor reeds aangegeven, bepaalt artikel 209, tweede lid, Wl.W.Reg. de teruggave van het evenredig recht geheven op de initiële overeenkomst of op de overeenkomst die de ontbindende voorwaarde bevat – onder aftrek van het bijzonder vast recht van 10 euro bepaald in artikel 159bis (§ 1, 1° of § 2, 1°) – naargelang het respectievelijk gaat om het ongedaan maken bij een overeenkomst of om een ontbinding als gevolg van de vervulling van een ontbindende voorwaarde die van rechtswege uitwerking heeft.

Indien de initiële overeenkomst of de overeenkomst die (ook) een ontbindende voorwaarde bevat bij toepassing van artikel 16, eerste lid, W.Reg. aan het algemeen vast recht werd geregistreerd, en ze nadien – maar vóór de vervulling van de opschortende voorwaarde waardoor de heffing van het evenredig recht werd opgeschort – ongedaan werd gemaakt bij overeenkomst of ontbonden werd ingevolge de vervulling van een ontbindende voorwaarde met uitwerking van rechtswege, wordt het verschil tussen het algemeen vast recht en het hiervoor besproken bijzonder vast recht niet teruggegeven. Dit belet niet de registratie van de akte tot het ongedaan maken of tot vaststelling van de vervulling van de ontbindende voorwaarde aan het bijzonder vast recht.

Daarentegen indien de vervulling van de vorenbedoelde opschortende voorwaarde gevolgd wordt door het ongedaan maken (bij overeenkomst) of de ontbinding (door de vervulling van de ontbindende voorwaarde met uitwerking van rechtswege) van de overeenkomst waarbij voldaan is aan de voorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief, zou in theorie het aanvullend recht (artikel 16, tweede lid, W.Reg.) moeten worden geheven en het algemeen vast recht na aftrek van het bijzonder vast recht moeten worden teruggegeven (42). Om het aantal procedures van heffing/ teruggave niet nodeloos uit te breiden zal telkens de omstandigheden het toelaten een compensatie doorgevoerd worden, dit onverminderd de passende boek-houdkundige inschrijvingen.

----------

(42) Merk op dat in een dergelijk geval de in artikel 31 bepaalde verplichting tot het aanbieden van een verklaring volledig van toepassing blijft.

Aldus zal 5 euro (aanvullend recht bedoeld in artikel 16, tweede lid, verminderd met 2 maal het bijzonder vast recht van artikel 159bis) in fine worden teruggegeven in geval van gelijktijdige aanbieding van een verklaring bedoeld in artikel 31, eerste lid, 2°, en de overeenkomst tot het ongedaan maken. Dat veronderstelt vanzelfsprekend dat de voorwaarden voor de toepassing van het verlaagd recht zijn vervuld.

Illustratie

Verkoopovereenkomst waarop bij veronderstelling een evenredig recht van 75.000 euro verschuldigd is, maar waaraan een nog hangende opschortende voorwaarde is gekoppeld zodat bijgevolg bij de registratie het algemeen vast recht van 25 euro werd geheven.

Gelijktijdige aanbieding:

  1. van een verklaring van de vervulling van de opschortende voorwaarde:

    heffing: aanvullend recht, zijnde 74.975 euro (= in principe, het evenredig recht – het reeds geheven algemeen vast recht (43));

    ----------

    (43) Behalve in het geval van een verklaring op grond van artikel 31, eerste lid, 2°, die bij authentieke akte wordt gedaan. In dergelijk geval is de toepassing van artikel 209, eerste lid, 3°ter, Wl.W.Reg. niet uitgesloten, behalve indien de akte zich niet beperkt tot de fiscale verklaring waarvan sprake door alle clausules en voorwaarden van de verkoop te hernemen en bovendien door alle partijen bij de verkoop is ondertekend, zodat ze een titel van de verkoop vormt.

  2. van de overeenkomst tot het ongedaan maken, waarbij de voorwaarden voor het verlaagd recht zijn vervuld:

    wat meebrengt:

    1. 1° teruggave van het evenredig recht onder aftrek van het bijzonder vast recht van toepassing op de initiële overeenkomst: zijnde 74.990 euro;

    2. 2° heffing van het bijzonder vast recht op de overeenkomst tot het ongedaan maken.

Totaal :
+74.975
-74.990
+10
-5

In geval van laattijdige aanbieding ter registratie van de verkoopcompromis wordt de boete wegens laattijdige registratie vereffend op grond van het bedrag van de rechten verschuldigd op de initiële overeenkomst (zelfde principe als onder nr. 9.1., in fine).

10.1.4. Wijziging van artikel 13, Wl.W.Reg.

In de voorbereidende werken wordt de wijziging van artikel 13, Wl.W.Reg. gemotiveerd vanuit de samenhang ervan met het nieuwe artikel 159bis, W.Reg.W (44).

----------

(44) Waals Parlement, Doc. 980 (2008-2009) – Nr.1, Commentaar bij de artikels, blz. 22, betreffende artikel 57 van het ontwerp van decreet.

Het nut van de wijziging kan worden betwijfeld (45) (46) maar ze schaadt niet aan de doeltreffendheid van het artikel.

----------

(45) Vergelijk hetgeen gezegd wordt in de Cursus van de Administratie (van de FOD Financiën) (Cursus registratie-, hypotheek- en griffierechten, Patrimoniumdocumentatie, Fod Financiën, editie 01.01.2008, blz 119, nr 160 B, te raadplegen op www.fisconet.be; de bladzijdennummers kunnen verschillen van die van de papieren versie) met de commentaar van de artikels in het ontwerp van decreet die trouwens verwijst naar die cursus.
Het Waals Gewest aan wie deze circulaire voor advies werd voorgelegd, blijft overtuigd van het nut en van de noodzaak van de wijziging.

(46) In geval van bijvoorbeeld een overeengekomen ontbinding van een verrichting die initieel in principe onderworpen is aan het evenredig recht van artikel 44, Wl.W.Reg. maar die geregistreerd werd tegen het bijzonder vast recht van artikel 159bis, Wl.W.Reg. (de voorwaarden voor de toepassing ervan bij veronderstelling vervuld zijnde), gevolgd door een akte opgemaakt om de oorspronkelijke verrichting volledig opnieuw met identieke inhoud vast te stellen, is het aldus manifest onmogelijk voor te houden dat de aldus overgedane juridische verrichting reeds de uit haar aard erop van toepassing zijnde evenredig recht zou hebben ondergaan. Oud artikel 13, in fine, Wl.W.Reg. volstond dus reeds om dergelijke bewering te pareren indien op de akte het evenredig recht zou zijn geheven en die rechten vervolgens op grond van artikel 209, eerste lid, 3°ter of 3°quater (nieuw), Wl.W.Reg. zouden zijn teruggegeven.
In fine, zou de initiële juridische verrichting in dergelijke hypothese enkel aan haar eigen bijzonder specifiek vast recht onderworpen zijn geworden, rekening houdend met haar ontbinding. De overgedane verrichting heeft dus nog niet het evenredig recht eigen aan de verkoop van in België gelegen onroerende goederen ondergaan.

10.2. Art. 13, 159bis en art. 209, eerste lid, 3°ter en 3°quater, Wl.W.Reg. – Inwerkingtreding

10.2.1. Commentaar

De wijziging aan artikel 13 en het nieuwe artikel 159bis, Wl.W.Reg. zijn in werking getreden op 01.07.2009 (art. 69, ab initio, van het decreet).

Daarentegen zijn de invoeging in artikel 209, eerste lid van het 3°ter en het 3°quater, alsook de vervanging van het tweede lid van dat artikel van toepassing "op alle overeenkomsten onderworpen aan de evenredige rechten bedoeld in de artikelen 44 tot 71, 72, tweede lid, 74 en 75, 109 tot 114, 131 tot 140octies van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten die niet meer dan twee jaar voor de datum van bekendmaking van dit decreet in het Belgisch Staatsblad zijn gesloten" (art. 69, 5de streepje, van het decreet).

Een initiële overeenkomst van ten vroegste 01.07.2007 komt dus in aanmerking om van het nieuwe stelsel te genieten, bij wijze van teruggave, voor zover alle voorwaarden zijn vervuld.

Nochtans moet onderlijnd worden dat artikel 69, 5de streepje, moet worden samen gelezen met de teksten waarop het betrekking heeft, die, zoals we gezien hebben, bepalen:

  • een termijn van maximaal een jaar tussen de initiële overeenkomst en de overeenkomst tot het ongedaan maken ervan (art. 209, eerste lid, 3°ter, Wl.W.Reg.) of tussen de overeenkomst onder ontbindende voorwaarde en de datum van de vervulling van de ontbindende voorwaarde met uitwerking van rechtswege (art. 209, eerste lid, 3°quater, Wl.W.Reg.);

  • de aanbieding ter registratie van de overeenkomst tot het ongedaan maken (art. 209, eerste lid, 3°ter, Wl.W.Reg.) – of van de akte tot vaststelling van de vervulling van de ontbindende voorwaarde (art. 209, eerste lid, 3°quater, Wl.W.Reg.) – uiterlijk samen met het verzoek tot teruggave, als voorwaarde om het voordeel van de terugave te kunnen genieten.

Vermits artikel 159bis, Wl.W.Reg. in werking treedt op 01.07.2009, kan een overeenkomst tot het ongedaan maken slechts geregistreerd worden tegen het bijzonder vast recht indien het ertoe aanleiding gevende feit dagtekent van na 30.06.2009. Vandaar dat:

  • indien de akte verplicht te registreren is, het de datum van de overeenkomst is die bepalend is (onverminderd in voorkomend geval de principes inzake tegenstelbaarheid aan de administratie van onderhandse akten);

  • indien de akte niet verplicht te registreren is, het bijzonder vast recht niet kan worden genoten, behalve indien de akte vanaf 01.07.2009 ter registratie wordt aangeboden.

Voorbeelden

1. Onderhandse verkoopakte van een in België gelegen onroerend goed dagtekenend van 13 februari 2008, dus van ruim minder dan twee jaar voor de datum van de bekendmaking van het decreet. De akte wordt geregistreerd tegen het evenredig recht in mei 2008.
Een minnelijke ontbinding van die verkoop laat de teruggave van het evenredig recht geheven op de oorspronkelijke overeenkomst enkel toe in geval de overeenkomst tot ontbinding van niet later dagtekent dan uiterlijk een jaar na de datum van de ontbonden overeenkomst, onverminderd de regels inzake tegenstelbaarheid van de datum van onderhandse akten (art. 18 W.Reg.).
Evenwel, indien de overeenkomst tot ontbinding verplicht te registreren is, moet zij onderworpen worden aan het recht dat haar eigen is. Indien de ontbinding werd vastgesteld bij onderhandse akte van 2 februari 2009, is de akte verplicht te registreren maar echter slechts in de mate dat ze van overdragende of aanwijzende aard is wat de eigendom of het vruchtgebruik aangaat van in België gelegen onroerende goederen. Is dat het geval dan moet het evenredig recht geheven worden op de ontbinding! (47)

----------

(47) Zie F. Werdefroy, Registratierechten, 2008-2009, I, blz. 110, nr. 144, d).

2. Handgifte van 01.07.2007, bevestigd bij geschrift. Het (de) document(en) die titel vorm(t)(en) van de schenking wordt (worden) geregistreerd tegen het evenredig recht in december 2007. Om de teruggave van dit evenredige recht toe te laten, had de ontbinding, ten laatste op 30 juni 2008, hetzij moeten overeengekomen zijn (overeenkomst tot ontbinding), hetzij moeten plaatsgevonden hebben (verwezenlijking van een ontbindende voorwaarde met uitwerking van rechtswege).
Hier eveneens zal de ontbinding aanleiding geven (of zou ze aanleiding hebben gegeven) tot de heffing van het recht dat haar eigen is, indien ze verplicht te registreren is.

Voor de toepassing van de teksten, moet er dus onderscheid worden gemaakt, enerzijds, naargelang de initiële overeenkomst al dan niet dagtekent van voor 01.07.2009 en of ze al of niet geregistreerd is op 01.07.2009 (48) en, anderzijds, naargelang de initiële en de ontbindende overeenkomsten al dan niet verplicht te registreren zijn, hetzij de ene, hetzij beide.

----------

(48) Naargelang het geval kan artikel 159bis of 209, Wl.W.Reg. van toepassing zijn.

Hierna volgt een synthese van de eventualiteiten, bekeken vanuit het standpunt van de initiële overeenkomst – bij veronderstelling vastgesteld bij onderhandse akte (nr. 10.2.2.).

Dezelfde principes zijn mutatis mutandis van toepassing in geval van ontbinding als gevolg van de verwezenlijking van een ontbindende voorwaarde die van rechtswege uitwerking heeft (het in acht te nemen tijdstip alsdan zijnde de datum van de verwezenlijking van de ontbindende voorwaarde, in plaats van de datum van de overeenkomst tot ontbinding), behalve dat in dit geval de initiële overeenkomst mag zijn vastgesteld bij authentieke akte (zie hiervoor) (nr. 10.2.3.).

10.2.2. De initiële overeenkomst vastgesteld bij onderhandse akte, zonder dat ooit een authentieke akte werd gemaakt, wordt in der minne ongedaan gemaakt – Synthese

A. De initiële overeenkomst werd geregistreerd vóór 01.07.2009 :

  1. tegen het algemeen vast recht (want de opschortende voorwaarde was nog hangende):

    1. lot van de heffing op de initiële overeenkomst:

      • als de voorwaarde niet is verwezenlijkt voor het ongedaan maken bij overeenkomst, zal de oorspronkelijke heffing niet meer worden herzien (geen teruggave van het verschil tussen het algemeen vast recht en het bijzonder vast recht);

      • als de voorwaarde verwezenlijkt is vóór het ongedaan maken bij overeenkomst, is er compensatie tussen het aanvullend recht dat in theorie moet geheven worden en het terug te geven recht (art. 16, tweede lid en artikel 209, eerste lid, 3°ter, Wl.W.Reg.) (behalve in het geval dat de overeenkomst tot het ongedaan maken niet kan geregistreerd worden aan het bijzonder vast recht [zie infra]);

    2. heffing op de overeenkomst tot het ongedaan maken

      • indien de overeenkomst tot het ongedaan maken niet verplicht te registreren is, kan zij genieten van het bijzonder vast recht maar enkel indien ze:

        1. dagtekent van niet meer dan een jaar na de datum van de ongedaan gemaakte overeenkomst;

        2. ter registratie wordt aangeboden na 30.06.2009 en uiterlijk tezelfdertijd met het verzoek tot teruggave van het evenredig recht dat in voorkomend geval in theorie te heffen is (zie hiervoor A, 1), a), 2de streepje) op de initiële overeenkomst;

      • indien de overeenkomst tot het ongedaan maken verplicht te registreren is:

        1. hetzij dat deze overeenkomst dagtekent van vóór 01.07.2009, in welk geval ze geregistreerd wordt tegen het algemeen vast recht (49) of tegen het evenredig recht dat haar eigen is; ze zou in geen enkel geval kunnen genieten van het nieuwe bijzonder vast recht, omdat het aanleiding gevende feit dagtekent van vóór de nieuwe tarificatie;

        2. hetzij dat deze overeenkomst dagtekent van na 30.06.2009, in welke geval zij kan genieten van het bijzonder vast recht maar enkel indien ze:

          1. dagtekent van niet meer dan een jaar na de datum van de ongedaan gemaakte overeenkomst;

          2. ter registratie wordt aangeboden uiterlijk tezelfdertijd met het verzoek tot teruggave van het evenredig recht dat in voorkomend geval in theorie te heffen is (zie hiervoor A, 1), a), 2de streepje) op de initiële overeenkomst (50);

----------

(49) Voorbeeld: ongedaanmaking bij notariële akte, pendente conditione, van een onderhandse akte van verkoop van een in België gelegen onroerend goed, gesloten onder een opschortende voorwaarde.

(50) De supplementaire wettelijke vereiste van een aanbieding ter registratie na 30.06.2009 is vanzelfsprekend vervuld.

  1. tegen het evenredig recht:

    1. lot van de heffing op de initiële overeenkomst

      het geheven evenredig recht wordt teruggegeven onder aftrek van het in artikel 159bis, Wl.W.Reg. bepaalde bijzonder vast recht van 10 euro, mits aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:

      1. 1° de overeenkomst die ongedaan wordt gemaakt, is niet bij authentieke akte vastgesteld (voorwaarde die onvermijdelijk vervuld is gelet op de hypothese die hier wordt onderzocht);

      2. 2° de overeenkomst tot het ongedaan maken:

        1. dagtekent van niet meer dan een jaar na de datum van de ongedaan gemaakte overeenkomst;

        2. ter registratie wordt aangeboden uiterlijk tezelfdertijd met het verzoek tot teruggave van het evenredig recht geheven op de initiële overeenkomst;

    2. heffing op de overeenkomst tot het ongedaan maken:

      zelfde oplossing, mutatis mutandis, als sub 1 b) hierboven, dus:

      • indien de overeenkomst tot het ongedaan maken niet verplicht te registreren is, kan zij genieten van het bijzonder vast recht maar enkel indien ze:

        1. dagtekent van niet meer dan een jaar na de datum van de ongedaan gemaakte overeenkomst;

        2. ter registratie wordt aangeboden na 30.06.2009 en uiterlijk tezelfdertijd met het verzoek tot teruggave van het evenredig recht geheven op de initiële overeenkomst;

      • indien de overeenkomst tot het ongedaan maken verplicht te registreren is:

        1. hetzij dat deze overeenkomst dagtekent van vóór 01.07.2009, in welk geval ze geregistreerd wordt tegen het algemeen vast recht of tegen het evenredig recht dat haar eigen is; ze zou in geen enkel geval kunnen genieten van het nieuwe bijzonder vast recht, omdat het aanleiding gevende feit dagtekent van vóór de nieuwe tarificatie;

        2. hetzij dat deze overeenkomst dagtekent van na 30.06.2009, in welke geval zij kan genieten van het bijzonder vast recht maar enkel indien ze:

          1. dagtekent van niet meer dan een jaar na de datum van de ongedaan gemaakte overeenkomst;

          2. ter registratie wordt aangeboden uiterlijk tezelfdertijd met het verzoek tot teruggave van het evenredig recht geheven op de initiële overeenkomst (51);

      • er is compensatie tussen de op de initiële overeenkomst terug te geven rechten en het bijzonder vast recht indien dat verschuldigd is (zie, illustratie in fine van nr. 10.1.3.).

----------

(51) De supplementaire wettelijke vereiste van een aanbieding ter registratie na 30.06.2009 is vanzelfsprekend vervuld.

B. De initiële overeenkomst werd nog niet geregistreerd op 01.07.2009.

De overeenkomst tot het ongedaan maken kan genieten van het voordeel, maar enkel indien:

  • in het geval dat zij niet verplicht te registreren is

    1. zij dagtekent van niet meer dan een jaar na de overeenkomst die ongedaan wordt gemaakt

    2. zij ter registratie wordt aangeboden na 30.06.2009 en uiterlijk tezelfdertijd met de indiening van het verzoek tot teruggave van het evenredig recht geheven op de initiële overeenkomst;

  • in het geval dat zij verplicht te registreren is

    1. zij dagtekent van na 30.06.2009;

    2. zij dagtekent van niet meer dan een jaar na de overeenkomst die ongedaan werd gemaakt, en

    3. zij ter registratie wordt aangeboden uiterlijk tezelfdertijd met de indiening van het verzoek tot teruggave van het evenredig recht geheven op de initiële overeenkomst (52).

----------

(52) De supplementaire wettelijke vereiste van een aanbieding ter registratie na 30.06.2009 is vanzelfsprekend vervuld.

Wat de initiële overeenkomst aangaat, zij komt in aanmerking voor het voordeel van het nieuwe stelsel, indien de voorwaarden hiervoor opgesomd onder nr. 10.1.1.A of B. zijn vervuld (met toepassing, naar gelang het geval, van artikel 159bis of 209, – in voorkomend geval te vragen).

In alle gevallen zal de Administratie zoveel als mogelijk de compensatie doorvoeren.

Er wordt aan herinnerd dat het voordeel van artikel 159bis, § 1, 1°, Wl.W.Reg. vereist dat de overeenkomst tot het ongedaan maken geregistreerd wordt aan het bijzonder vast recht van artikel 159bis, § 1, 2°, Wl.W.Reg.

Wanneer dat niet het geval is, kan nog de weg van de teruggave gebruikt worden wat betreft de initiële overeenkomst (zie N.B., onder nr. 10.1.1.B).

10.2.3. De initiële overeenkomst vastgesteld bij onderhandse of bij authentieke akte wordt ongedaan gemaakt doordat een ontbindende voorwaarde die van rechtswege uitwerking heeft, wordt vervuld – Synthese

In dat geval moet worden gekeken naar de datum van de vervulling van de ontbindende voorwaarde in plaats van naar de datum van een overeenkomst tot het ongedaan maken.

Bijgevolg:

  1. 1) indien de ontbonden overeenkomst nog niet werd geregistreerd, zal deze en de akte waarbij de vervulling van de voorwaarde wordt vastgesteld, van het voordeel van het bijzonder vast recht genieten onder de cumulatieve voorwaarden dat:

    1. 1° de vervulling van de voorwaarde

      1. plaats vindt uiterlijk een jaar na de datum van de overeenkomst die door dat feit wordt ontbonden;

      2. in een akte wordt vastgesteld; die akte van vaststelling moet

        • ondertekend zijn door alle partijen bij de ontbonden overeenkomst;

        • ter registratie aangeboden worden uiterlijk tezelfdertijd als de ontbonden overeenkomst; en

        • te registreren zijn tegen betaling van het bijzonder vast recht van 10 euro, dat bepaald is bij artikel 159bis, § 2, 2°, W.Reg.W (53).

    2. 2° de akte tot vaststelling van de vervulling van de ontbindende voorwaarde een authentieke akte is indien de ondertussen ontbonden overeenkomst bij authentieke akte werd vastgesteld.

----------

(53) Er wordt aan herinnerd dat de registratie van een dergelijke akte tegen het nieuwe bijzonder vast recht een ertoe aanleiding gevend feit verondersteld (verplichting tot registratie of vrijwillige aanbieding ter registratie van een niet verplicht te registreren akte), dat dagtekent van na 30.06.2009 (zie 10.2.1., vijfde lid)

  1. 2) indien de ontbonden overeenkomst werd geregistreerd tegen het algemeen vast recht (bij toepassing van artikel 16, eerste lid, Wl.W.Reg.), wordt de heffing niet herzien indien de ontbindende voorwaarde zich heeft gerealiseerd vóórdat de (eventuele) opschortende voorwaarde zich heeft gerealiseerd. Omgekeerd (54) is er in theorie reden tot heffing van het aanvullend recht (art. 16, tweede lid) en tot teruggave van het evenredig recht onder aftrek van het specifiek vast recht; in de praktijk zal de administratie overgaan tot een compensatie en het saldo teruggeven.

----------

(54) Dit wil zeggen indien de opschortende voorwaarde werd vervuld vóór de ontbinding van de initiële overeenkomst door de vervulling van een ontbindende voorwaarde die uitwerking heeft van rechtswege, binnen de vereiste termijn.

  1. 3) Indien de ontbonden overeenkomst al werd geregistreerd tegen het evenredig recht, zal dat recht voor teruggave vatbaar zijn en zal de akte die de vervulling van de ontbindende voorwaarde vaststelt, genieten van het bijzonder vast recht mits aan volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:

    1. 1° de vervulling van de voorwaarde

      1. heeft plaats uiterlijk een jaar na de overeenkomst die erdoor wordt ontbonden;

      2. wordt vastgesteld in een akte

        • ondertekend door alle partijen bij de ontbonden overeenkomst; en

        • die ter registratie wordt aangeboden uiterlijk tezelfdertijd als de ontbonden overeenkomst

    2. 2° de akte tot vaststelling van de vervulling van de voorwaarde een authentieke is, indien de ondertussen ontbonden overeenkomst vastgesteld werd bij een authentieke akte.

Ter herinnering, de datum van de vervulling van de ontbindende voorwaarde:

  • moet zich enerzijds situeren binnen de termijn van een jaar toegekend voor de vervulling van die voorwaarde; en

  • vormt anderzijds de dies a quo van de termijn van twee jaar voor de verjaring van de eis tot teruggave (art. 215, W.Reg.) (55).

----------

(55) Behalve de uitzondering bedoeld in nr. 10.1.2., N.B., 2.

11. Inwerkingtreding

De bepalingen inzake registratierechten treden in principe in werking op 01.07.2009, maar voor verschillende ervan werd daarvan afgeweken, zoals vermeld werd bij de behandeling van de betreffende artikelen.

Deze datums van inwerkingtreding worden ook vermeld in bijlage 2, waarin de gecoördineerde teksten van de gewijzigde bepalingen van het Wl.W.Reg. zijn opgenomen en die tevens de teksten van de nieuw in het Wl.W.Reg. ingevoegde bepalingen bevat.

Interne ref.: AFZ: Dossier nr. 412 / Kad., reg. en domeinen: E.E./L. 193w