Circulaire 2020/C/142 betreffende de niet-preferentiële of economische oorsprong van goederen bij invoer


Aangepaste versie van 20.12.2021

D.I. 562 ; niet-preferentiële oorsprong ; oorsprongsregels; oorsprongsprocedures ; economische oorsprong ; controle a posteriori

FOD Financiën, 08.11.2020
Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen

Inhoudstabel

Circulaire 2020/C/142 betreffende de niet-preferentiële of economische oorsprong van goederen bij invoer

1. Inleiding

2. Wettelijke basis

2.1. Internationale afspraken

2.2. Europese Wetgeving

2.3. Nationale wetgeving

3. Update Circulaire

4. Basisprincipes

4.1. Onderscheid tussen preferentiële en niet-preferentiële oorsprong

4.2. Onderscheid tussen oorsprong, herkomst en land van verzending

4.3. Toepassingsgebied:

4.3.1. Toepassingsgebied zoals voorzien in artikel 59 DWU

4.3.2. Verduidelijking van enkele begrippen binnen het toepassingsgebied

4.4. Verkrijging van de oorsprong:

4.5. Goederen die geheel en al in één enkel land of gebied zijn verkregen

4.6. Goederen waar bij de vervaardiging meer dan één land of gebied is betrokken

4.6.1. De laatste ingrijpende be- of verwerking:

4.6.2. Niet economische verantwoorde be- of verwerking

4.6.3. Plaats van productie

4.6.4. Het resultaat van de be- of verwerking

4.7. Minimale handelingen

4.8. Toebehoren, reserveonderdelen of gereedschappen

4.9. Neutrale elementen en verpakking

5. Bepaling van de oorsprong – praktische bepalingen

5.1. Bepaling van de oorsprong indien slechts één land betrokken is

5.2. Bepaling van de oorsprong indien twee of meer landen betrokken zijn

5.2.1. Goederen die zijn opgenomen in bijlage 22-01 van de DWU DA

5.2.2. Goederen die niet zijn opgenomen in bijlage 22-01 van de DWU DA

6. Bewijs van niet-preferentiële oorsprong bij invoer in de EU

6.1. De controle van niet-preferentiële oorsprong voor goederen die NIET zijn onderworpen aan bijzondere niet-preferentiële invoerregelingen

6.1.1. De controle van een niet-preferentieel certificaat van oorsprong dat werd afgegeven in derde landen

6.1.2. Wat met een preferentieel certificaat van oorsprong dat werd afgegeven in derde landen?

6.2. De controle van niet-preferentiële oorsprong voor goederen die WEL zijn onderworpen aan bijzondere niet-preferentiële invoerregelingen

6.3. De niet-preferentiële oorsprong is fout aangegeven in de aangifte voor het vrije verkeer

7. Uitvoer van goederen van niet-preferentiële oorsprong

8. Bevoegdheden

8.1. Bij invoer

8.2. Bij uitvoer

9. Contact

BIJLAGEN

Bijlage I: Vereenvoudigde weergave voor wat betreft de vaststelling van de niet-preferentiële oorsprong van goederen bij invoer

Bijlage II: Vragenlijst – bepaling en controle van niet-preferentiële oorsprong

Bijlage III : Vragenlijst – Franse versie

Bijlage IV: Vragenlijst – versie in het Engels

Bijlage V: Certificaat van oorsprong voor bepaalde producten waarvoor bijzondere niet preferentiële invoerregelingen gelden en inleidende aantekeningen

Bijlage VI: Voorbeeld van een GN-code waarbij het certificaat van oorsprong uit bijlage 22-14 moet worden gebruikt


1. Inleiding

§1. Met ingang vanaf 1 mei 2016 werden Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek en Verordening 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek evenals hun wijzigingen ingetrokken en vervangen door:

  • Verordening (EU) Nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (“DWU”),
  • Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (“DWU DA”),
  • Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (“DWU IA”),

Bijgevolg zijn er met de inwerkingtreding van de nieuwe hiervoor genoemde verordeningen nieuwe oorsprongsregels inzake niet-preferentiële oorsprong van toepassing.

§2. De huidige Circulaire bestaat uit volgende delen:
1. Inleiding
2. Wettelijke basis
3. Update Circulaire
4. Basisprincipes
5. Bepaling van de oorsprong – praktische bepalingen
6. Bewijs van niet-preferentiële oorsprong bij invoer in de EU
7. Uitvoer van goederen van niet-preferentiële oorsprong
8. Bevoegdheden
9. Contact
Bijlagen

§3. Deze Circulaire heft de Instructie “Oorsprong van de goederen – niet-preferentiële of economische oorsprong” van 11 september 2006 en de laatste bijwerking van 2 oktober 2014, met nr. D.D. 002.538/38.573 (D.I.562) op.

§4. De Instructie certificaten en verklaringen van oorsprong voor textielproducten van 18 oktober 2001, nr. D.D.180.056 (D.I.562) is niet meer van toepassing.

2. Wettelijke basis

2.1. Internationale afspraken

§5. Op internationaal niveau zijn er twee belangrijke overeenkomsten met afspraken over de oorsprongsregels:

  • Overeenkomst van de Wereldhandelsorganisatie (hierna: WHO) aangaande de oorsprongsregels;
  • Internationale overeenkomst over de vereenvoudiging en harmonisatie van de douaneprocedures, afgesloten te Kyoto,18 mei 1973 en herzien in 1999. Dit staat beter bekend onder de benaming ‘Revised Kyoto Convention’ van de Wereld Douane Organisatie (Hierna: WDO). Opgelet: de Europese Unie heeft annex K betreffende ‘oorsprong’ van de Revised Kyoto Convention tot op vandaag nog niet geratificeerd.

2.2. Europese Wetgeving

§6. De volgende wettelijke bepalingen van de in §1 vermelde Verordeningen (DWU, DA en IA) zijn van toepassing:

  • Artikel 59 tot en met artikel 63 DWU ;
  • Artikel 31 tot en met artikel 36 en Bijlage 22-01 DWU DA;
  • Artikel 57 tot en met artikel 59 en Bijlage 22-14 DWU IA.

2.3. Nationale wetgeving

§7. Aangaande de bevoegdheid inzake de afgifte van niet-preferentiële oorsprongscertificaten:

  • Koninklijk besluit nr.283 van 30 maart 1936 houdende reglementering van de afgifte van oorsprongsattesten (BS 7 april 1936);
  • Ministerieel besluit van 14 september 2000 tot regeling van de uitvoering van het koninklijk besluit nr. 283 van 30 maart 1936 houdende reglementering van de afgifte van oorsprongsattesten (BS 18 oktober 2000);
  • Ministerieel besluit van 26 maart 2001 waarbij de nodige machtiging wordt verleend aan de organismen belast met de afgifte van oorsprongsattesten en bindende oorsprongsinlichtingen en waarbij hun bevoegdheid bepaald wordt (BS 15 mei 2001), laatst bijgewerkt bij ministerieel besluit van 27 februari 2018 (BS 8 maart 2018).

§8. Wat betreft de strafbepalingen inzake overtredingen geldt de Algemene Wet van de douane en accijnzen van 18 juli 1977, in het bijzonder de artikelen 201, 202, 221, 231, 259, 260 en 261.

3. Update Circulaire

§9. Naar aanleiding van de publicatie van Gedelegeerde verordening (EU) 2021/1934 van de Commissie van 30 juli 2021 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 wat betreft een aantal bepalingen met betrekking tot de oorsprong van goederen op 10 november 2021 in PB L 396, wordt de DWU DA als volgt bijgewerkt:

Inzake goederen die geheel en al verkregen zijn in één land wordt artikel 31, onder b) vervangen door “

b) “uitsluitend aldaar gekweekte en geoogste producten van het plantenrijk;”

Betrokken paragraaf in de circulaire: §18.

In artikel 33 wordt de derde alinea vervangen door:

“In het geval van goederen die niet onder bijlage 22-01 vallen, worden zij, wanneer de laatste be- of verwerking als niet economisch verantwoord wordt aangemerkt, geacht hun laatste ingrijpende, economisch verantwoorde be- of verwerking, die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt, te hebben ondergaan in het land of gebied waar het grootste deel van de materialen van oorsprong is. Wanneer het eindproduct moet worden ingedeeld onder de hoofdstukken 1 tot en met 29 of 31 tot en met 40 van het geharmoniseerde systeem, wordt het grootste deel van de materialen bepaald op basis van het gewicht van de materialen. Wanneer het eindproduct moet worden ingedeeld onder de hoofdstukken 30 of 41 tot en met 97 van het geharmoniseerde systeem, wordt het grootste deel van de materialen bepaald op basis van de waarde van de materialen.”

Betrokken paragrafen in de circulaire: §§22, 23 en 55.

Aan artikel 34 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“In het geval van goederen die onder bijlage 22-01 vallen, gelden de residuele regels voor het hoofdstuk dat betrekking heeft op die goederen. In het geval van goederen die niet onder bijlage 22-01 vallen, is, wanneer de laatste be- of verwerking als een minimale handeling wordt aangemerkt, de oorsprong van het eindproduct het land of gebied waar het grootste deel van de materialen van oorsprong is. Wanneer het eindproduct moet worden ingedeeld onder de hoofdstukken 1 tot en met 29 of 31 tot en met 40 van het geharmoniseerde systeem, wordt het grootste deel van de materialen bepaald op basis van het gewicht van de materialen. Wanneer het eindproduct moet worden ingedeeld onder de hoofdstukken 30 of 41 tot en met 97 van het geharmoniseerde systeem, wordt het grootste deel van de materialen bepaald op basis van de waarde van de materialen.”

Betrokken paragrafen in de circulaire: §§27; 28 en 56.

In artikel 35, lid 3, wordt punt a) vervangen door:

“a) zonder welke het materieel, de machines, de apparaten of de voertuigen die in het vrije verkeer zijn gebracht, niet goed kunnen functioneren, en”

Betrokken paragraaf in de circulaire: §32.

De specifieke regels opgenomen in bijlage 22-01 DWU DA die dienen om vast te stellen in welk land bepaalde goederen hun laatste ingrijpende be- of verwerking hebben ondergaan in de zin van artikel 32 van die verordening moeten worden toegepast op aldaar vermelde goederen op basis van hun indeling in het geharmoniseerde systeem. Versie 2017 van het Geharmoniseerd Systeem wordt gewijzigd naar versie 2022 dat van toepassing is vanaf 1 januari 2022.

Bijlage 22-01 DWU DA wordt als volgt gewijzigd:

“(1) In punt 2.1 van de inleidende aantekeningen wordt de derde zin vervangen door: “Onder “geharmoniseerd systeem” of “GS” wordt verstaan de goederennomenclatuur die is vastgesteld krachtens het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, zoals gewijzigd op grond van de aanbeveling van de Internationale Douaneraad van 28 juni 2019 (“GS 2022”).”;

(2) In de volledige tekst van de bijlage worden de woorden “GS 2017-code” vervangen door de woorden “GS 2022-code”;

(3) Afdeling IV, hoofdstuk 20, punt 2, van de residuele regel voor het hoofdstuk die van toepassing is op mengsels, wordt vervangen door:“2. De oorsprong van een mengsel van producten bedoeld bij dit hoofdstuk is het land van oorsprong van de materialen die meer dan 50 % van het gewicht van het mengsel uitmaken; de oorsprong van een mengsel van producten van post 2009 (ongegiste vruchtensappen (druivenmost en kokoswater daaronder begrepen) en ongegiste groentesappen, zonder toegevoegde alcohol, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen) is echter het land van oorsprong van de materialen die meer dan 50 % van het gewicht aan droge stof van het mengsel uitmaken. Het gewicht van materialen van dezelfde oorsprong wordt bij elkaar genomen.”;

(4) In afdeling IV, hoofdstuk 22, wordt de tekst onder de titel “Residuele regel voor het hoofdstuk” aan het eind van het hoofdstuk vervangen door: “Daar waar het land van oorsprong niet kan worden vastgesteld door toepassing van de primaire regels en de andere residuele regel[s] voor het hoofdstuk, is het land van oorsprong van de goederen het land waar het grootste deel van de materialen van oorsprong is, zoals bepaald op basis van het gewicht van de materialen.”;

(5) In afdeling XVI, hoofdstuk 85, wordt in de rij voor post “8541” in de kolom “Omschrijving van de goederen” de tekst vervangen door: “Halfgeleiderelementen (bijvoorbeeld dioden, transistors, op halfgeleiders gebaseerde meetwaarde-omvormers); lichtgevoelige halfgeleiderelementen (daaronder begrepen fotovoltaïsche cellen, ook indien samengevoegd tot modules of tot panelen); luminescentiedioden (led), ook indien samengevoegd met andere luminescentiedioden (led); gemonteerde piëzo-elektrische kristallen.”.”

4. Basisprincipes

4.1. Onderscheid tussen preferentiële en niet-preferentiële oorsprong

§10. Er zijn twee types van oorsprong: preferentieel en niet-preferentieel:

  • Preferentiële oorsprong houdt in dat partijen die een zogenoemde preferentiële handelsovereenkomst sluiten, goederen van elkaar kunnen invoeren tegen een verlaagd tarief of vrij van invoerrechten. Hieronder vallen eveneens de autonome preferentiële regelingen zoals SAP (Stelsel van Algemene Preferenties) waarbij de ene partij unilateraal toestaat dat de andere partij haar goederen kan invoeren in die eerste partij tegen een verlaagd tarief of vrij van invoerrechten. Dit evenwel onder voorwaarde dat de oorsprongsregels en -procedures die in de preferentiële overeenkomst staan correct worden toegepast.
  • Niet-preferentiële oorsprong heeft betrekking op handelspolitieke maatregelen die kunnen worden toegepast op derde landen. Hieronder vallen onder meer de toepassing van het meestbegunstigingsrecht (= most favoured nation treatment of ‘MFN’), antidumpingmaatregelen, vrijwaringsmaatregelen, antisubsidiemaatregelen, landbouwmaatregelen, kwantitatieve beperkingen, maatregelen in kader van de handelsstatistieken, oorsprongsaanduidingen (‘made in’), …. Dergelijke maatregelen worden doorgaans ingesteld door middel van specifieke EU-verordeningen.

§11. Elk product heeft een niet-preferentiële oorsprong, maar niet noodzakelijk een preferentiële oorsprong. Wanneer preferentiële en niet-preferentiële oorsprong gelijktijdig van toepassing zijn, is dit niet noodzakelijk op basis van dezelfde regels. Dit is belangrijk om rekening mee te houden tijdens het bepalen van de oorsprong en in kader van de verificatie ervan.

4.2. Onderscheid tussen oorsprong, herkomst en land van verzending

§12. De begrippen ‘oorsprong’ en ‘herkomst’ en land van verzending worden vaak met elkaar verward. Het is nochtans belangrijk om het onderscheid te kennen.

Het begrip ‘oorsprong’ (zowel preferentieel als niet-preferentieel) gaat over het land of gebied waar de vereiste productie heeft plaatsgevonden waardoor het product de oorsprong van dat land verkrijgt.

Herkomst verwijst naar de douanestatus van het product. Anders gesteld is het land van herkomst het laatste land waar dat product in het vrije verkeer was voor het werd uitgevoerd naar de EU.

Het land van verzending is het laatste land waar het product is geweest alvorens het naar de Unie werd uitgevoerd. Het product hoeft niet in het vrije verkeer te zijn geweest.

Het land van oorsprong, het land van herkomst en het land van verzending zijn dus niet noodzakelijk hetzelfde voor eenzelfde product.

Voorbeeld 1: Staalproducten van oorsprong Volksrepubliek China worden daar in het vrije verkeer gebracht en vervolgens vanuit een Chinese haven rechtstreeks naar België uitgevoerd. In dit geval komen land van oorsprong, herkomst en verzending overeen.

Voorbeeld 2: onderdelen van barbecuetoestellen die in China zijn vervaardigd, worden naar de VSA uitgevoerd. Daar worden ze in het vrije verkeer gebracht en vervolgens gemonteerd tot volledige toestellen (minimale handeling). Tot slot worden de afgewerkte toestellen uitgevoerd naar Belgie. Deze barbecuetoestellen krijgen dan de Chinese niet-preferentiële oorsprong, en als land van herkomst en verzending de VSA.

4.3. Toepassingsgebied:

4.3.1. Toepassingsgebied zoals voorzien in artikel 59 DWU

§13. De in artikelen 60 en 61 van de DWU vastgestelde regels inzake niet-preferentiële oorsprong zijn van toepassing op:

  • het gemeenschappelijk douanetarief, met uitzondering van de preferentiële tariefmaatregelen die bilateraal (bij vrijhandelsovereenkomst) of autonoom (eenzijdig door de Europese Unie) zijn vastgesteld. Het gaat dan onder meer over vrijwaringsmaatregelen, antisubsidiemaatregelen ( = compenserende maatregelen), antidumpingmaatregelen en landbouwmaatregelen;
  • andere maatregelen dan tariefmaatregelen (of niet-tarifaire handelspolitieke maatregelen) die in het kader van het goederenverkeer bij specifieke Uniebepalingen zijn vastgesteld, onder meer invoervergunningen in kader van kwantitatieve beperkingen, maatregelen van de Europese Unie in het kader van de handelsstatistieken, toezichtsmaatregelen, embargo’s en boycots; en
  • andere Uniemaatregelen met betrekking tot de oorsprong van goederen zoals oorsprongsaanduidingen (made in …).

4.3.2. Verduidelijking van enkele begrippen binnen het toepassingsgebied

§14. Antidumpingmaatregelen:

Wanneer producenten uit derde landen de Europese markt overspoelen met bepaalde producten waarvan de prijs lager ligt dan de normale waarde, is er sprake van dumping. Met normale waarde wordt de verkoopprijs bedoeld die de producent op zijn thuismarkt hanteert bij normale handelstransacties of de kostprijs van het product.

Dergelijke praktijken worden gewoonlijk door de EU-industrie aan de Europese Commissie gemeld wanneer zij van mening is dat zij schade lijdt. De Europese Commissie zal een onderzoek instellen en zo nodig bepaalde maatregelen treffen. Meestal zullen deze maatregelen bestaan uit “ad valorem” rechten (percentage op de waarde van de goederen) of uit specifieke rechten waarbij het aantal stuks of een bepaalde hoeveelheid goederen wordt belast. In sommige gevallen kan een minimum invoerprijs worden ingesteld.

Er kan ook een zogenaamde ‘price undertaking’ of ‘prijsverbintenis’ worden aangegaan. Dit laatste houdt in dat de exporteur uit het derde land er zich toe verbindt om het betrokken product niet onder een minimumvloerprijs te verkopen. In ruil daarvoor zal de Europese Commissie de producten van die exporteur vrijstellen van de antidumpingrechten die anders zouden worden opgelegd.

§15. Antisubsidiemaatregelen:

Antisubsidiemaatregelen of compenserende maatregelen worden gebruikt om Europese producenten te verdedigen tegen ingevoerde producten waarvan de prijzen kunstmatig laag of lager worden gehouden doordat de producenten uit derde landen subsidies genieten van hun overheden.

Deze subsidies kunnen dus marktverstorend werken waardoor er oneerlijke concurrentie ontstaat en de Europese producenten worden benadeeld.

Wanneer een industriële sector in de EU vermoedt dat de invoer van een product uit een derde land door dat derde land wordt gesubsidieerd, kunnen zij bij de Europese Commissie een klacht indienen indien zij van mening is dat hierdoor haar belangen worden geschaad.

De Commissie zal dan een onderzoek instellen en eventueel compenserende maatregelen opleggen om de negatieve effecten van de subsidies tegen te gaan. Er zullen wel enkel maatregelen worden opgelegd indien de marktverstorende subsidies zich beperken tot die specifieke ondernemingen of industriële sectoren die er schade van ondervinden.

De soorten maatregelen kunnen vergelijkbaar zijn met de antidumpingmaatregelen.
Voor meer informatie kan de Circulaire 2020/C/16 van 22 januari 2020 aangaande de antidumping- en compenserende rechten op Fisconet worden geraadpleegd.

§16. Vrijwaringsmaatregelen:

Vrijwaringsmaatregelen worden genomen indien een bepaalde industriële sector in de EU wordt geconfronteerd met een onvoorziene, forse en plotse toename van de invoer uit derde landen.
Het betreft uitzonderlijke maatregelen die zijn bedoeld om de invoer van een bepaald product tijdelijk te beperken, en waarbij de EU-producenten de tijd krijgen om zich aan te passen aan de gestegen invoer door zich te herstructureren.

In tegenstelling tot antidumping- en antisubsidiemaatregelen moeten er voor vrijwaringsmaatregelen geen oneerlijke handelspraktijken worden vastgesteld. Hierdoor zijn er striktere voorwaarden verbonden aan de instelling ervan. Bovendien worden deze maatregelen ‘erga omnes’ ingesteld, hetgeen betekent dat ze worden ingesteld tegen de invoer van een bepaald product uit alle derde landen. Alleen ontwikkelingslanden die zijn aangesloten bij de WHO genieten een vrijstelling indien hun invoervolume de minimis is (Europese term om aan te geven dat het om een “geringe omvang” gaat). Ten aanzien van de ontwikkelingslanden die lid zijn van de WHO kunnen inderdaad geen vrijwaringsmaatregelen worden vastgesteld zolang het aandeel van het betrokken land in de invoer van het desbetreffende product in de EU niet hoger ligt dan 3 % en op voorwaarde dat de ontwikkelingslanden van de WHO met een aandeel in de invoer van minder dan 3 % samen niet meer dan 9 % van de totale invoer voor hun rekening nemen.

In kritieke omstandigheden, wanneer uitstel tot moeilijk te herstellen schade zou leiden, kunnen voorlopige vrijwaringsmaatregelen genomen worden in afwachting van de definitieve resultaten van het onderzoek. Voorlopige maatregelen nemen de vorm aan van extra invoerrechten en worden voor ten hoogste 200 dagen ingesteld.

Definitieve vrijwaringsmaatregelen kunnen bestaan uit tariefcontingenten voor de onderzochte producten waarbij een aanvullend recht zal worden geheven op de invoer van desbetreffende producten indien het tariefcontingent werd overschreden.

De producten worden ook onder toezicht geplaatst door middel van toezichtsdocumenten die automatisch worden toegekend. Deze specifieke maatregel is niet restrictief van aard en is bedoeld om handelsstatistieken te verzamelen.

4.4. Verkrijging van de oorsprong:

§17. Op basis van artikel 60 DWU zijn er twee duidelijk te onderscheiden gevallen waarbinnen de niet-preferentiële oorsprong kan worden bepaald:

  1. Goederen die geheel en al in één enkel land of gebied zijn verkregen, worden geacht van oorsprong uit dat land of gebied te zijn.
  2. Goederen bij de vervaardiging waarvan meer dan één land of gebied betrokken is, worden geacht van oorsprong te zijn uit het land of gebied waar, in een daartoe ingerichte onderneming, de laatste ingrijpende, economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt.

4.5. Goederen die geheel en al in één enkel land of gebied zijn verkregen

§18. De volgende goederen worden ingevolge art. 31 DWU DA verondersteld om in één enkel land of gebied te zijn verkregen:

a) In dat land of gebied gewonnen minerale producten;

b) Uitsluitend aldaar gekweekte en geoogste producten van het plantenrijk;

c) Aldaar geboren en gehouden levende dieren;

d) Producten afkomstig van aldaar gehouden levende dieren;

e) Producten van de aldaar bedreven jacht en visserij;

f) Producten van de zeevisserij en andere producten gewonnen door in dat land of gebied geregistreerde schepen die de vlag van dat land of gebied voeren, uit de zee buiten de territoriale wateren van enig land;

g) Goederen die aan boord van fabrieksschepen zijn verkregen of vervaardigd uit de onder f) bedoelde producten van oorsprong uit dat land of gebied, mits deze schepen in dat land of gebied zijn geregistreerd en de vlag ervan voeren;

h) Producten gewonnen uit de buiten de territoriale wateren gelegen zeebodem of de ondergrond ervan, mits dat land of gebied exclusieve rechten heeft op de exploitatie van deze zeebodem of de ondergrond ervan;

i) Resten en afval afkomstig van fabricagehandelingen en artikelen die niet meer in gebruik zijn, mits zij daar zijn verzameld en slechts voor de terugwinning van grondstoffen kunnen dienen;

j) Goederen die aldaar uitsluitend uit de onder a) tot en met i) bedoelde producten zijn vervaardigd.

4.6. Goederen waar bij de vervaardiging meer dan één land of gebied is betrokken

§19. Wanneer er twee of meer landen zijn betrokken in het productieproces, is artikel 60, lid 2 DWU van toepassing:

“Goederen bij de vervaardiging waarvan meer dan één land of gebied betrokken is, worden geacht van oorsprong te zijn uit het land of gebied waar, in een daartoe ingerichte onderneming, de laatste ingrijpende, economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt.”

Deze voorwaarden komen hierna aan bod.

4.6.1. De laatste ingrijpende be- of verwerking:

§20. De laatste ingrijpende be-of verwerking moet ofwel tot de fabricage van een nieuw product leiden, ofwel een belangrijke productiefase vertegenwoordigen.

In de praktijk is het noodzakelijk om over alle informatie betreffende de gebruikte materialen te beschikken. Er moet steeds kunnen worden nagegaan welke niet van oorsprong zijnde materialen er zijn gebruikt in het laatste productieland. Deze niet van oorsprong zijnde materialen moeten voldoende verwerkt of bewerkt zijn om de niet-preferentiële oorsprong te krijgen van het laatste land waar de productie van het eindproduct heeft plaatsgevonden.

4.6.2. Niet economische verantwoorde be- of verwerking

§21. Naast de laatste ingrijpende be- of verwerking moet ook worden gecontroleerd of de bewerking of verwerking economisch verantwoord is.

Artikel 33 DWU DA stelt dat de voorwaarde betreffende de economische verantwoording niet is voldaan indien er op basis van de beschikbare informatie en feiten wordt vastgesteld dat de bewerking of verwerking tot doel had om de toepassing van de in artikel 59 DWU bedoelde maatregelen te vermijden, zoals antidumpingrechten of compenserende rechten.

§22. In het geval van goederen die onder bijlage 22-01 vallen, gelden de residuele regels voor het hoofdstuk dat betrekking heeft op die goederen.

§23. Indien goederen niet onder bijlage 22-01 vallen, worden deze goederen, wanneer de laatste be- of verwerking als niet economisch verantwoord wordt aangemerkt, geacht hun laatste ingrijpende, economisch verantwoorde be- of verwerking, die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt, te hebben ondergaan in het land of gebied waar het grootste deel van de materialen van oorsprong is.

Wanneer het eindproduct moet worden ingedeeld onder de hoofdstukken 1 tot en met 29 of 31 tot en met 40 van het geharmoniseerde systeem, wordt het grootste deel van de materialen bepaald op basis van het gewicht van de materialen.

Wanneer het eindproduct moet worden ingedeeld onder de hoofdstukken 30 of 41 tot en met 97 van het geharmoniseerde systeem, wordt het grootste deel van de materialen bepaald op basis van de waarde van de materialen.

4.6.3. Plaats van productie

§24. De be- of verwerking van de desbetreffende goederen moet hebben plaatsgevonden in een onderneming die daartoe voldoende uitgerust is.

4.6.4. Het resultaat van de be- of verwerking

§25. De be- of verwerking moet ofwel tot een nieuw product leiden, ofwel een belangrijke productiefase vertegenwoordigen bij totstandkoming van een nieuw product.

4.7. Minimale handelingen

§26. Artikel 34 DWU DA somt een lijst op van handelingen die niet worden beschouwd als zijnde ingrijpende, economisch verantwoorde be- of verwerkingen die de oorsprong verlenen:

“a) handelingen die dienen om producten tijdens het vervoer en de opslag in goede staat te bewaren (luchten, uitleggen, drogen, verwijderen van beschadigde delen en soortgelijke handelingen) of handelingen die de verzending of het vervoer vergemakkelijken;
b) eenvoudige handelingen die bestaan in het stofvrij maken, zeven, sorteren, rangschikken, samenvoegen, wassen, snijden;
c) veranderen van verpakking, splitsen en samenvoegen van colli, een­voudig plaatsen in flessen, flacons, blikken, zakken, kratten of do­zen, bevestigen op kaarten of platen en alle andere eenvoudige han­delingen in verband met de opmaak;
d) opmaken van goederen in stellen of assortimenten of voor de ver­koop aanbieden;
e) aanbrengen van merken, etiketten of andere soortgelijke onderschei­dingstekens op de producten zelf of op de verpakking;
f) eenvoudig samenvoegen van delen van producten tot een volledig product;
g) demontage of gebruiksverandering;
h) een combinatie van twee of meer van de onder a) tot en met g) genoemde handelingen.”

§27. In het geval van goederen die onder bijlage 22-01 vallen, gelden de residuele regels voor het hoofdstuk dat betrekking heeft op die goederen.

§28. In het geval van goederen die niet onder bijlage 22-01 vallen, is, wanneer de laatste be- of verwerking als een minimale handeling wordt aangemerkt, de oorsprong van het eindproduct het land of gebied waar het grootste deel van de materialen van oorsprong is.

Wanneer het eindproduct moet worden ingedeeld onder de hoofdstukken 1 tot en met 29 of 31 tot en met 40 van het geharmoniseerde systeem, wordt het grootste deel van de materialen bepaald op basis van het gewicht van de materialen.

Wanneer het eindproduct moet worden ingedeeld onder de hoofdstukken 30 of 41 tot en met 97 van het geharmoniseerde systeem, wordt het grootste deel van de materialen bepaald op basis van de waarde van de materialen.

4.8. Toebehoren, reserveonderdelen of gereedschappen

§29. Toebehoren (= accessoires), reserveonderdelen of gereedschappen kunnen samen met het product worden ingevoerd of nadat het product al in het vrij verkeer werd gebracht.

§30. Goederen zoals machines, uitrusting, voertuigen, … worden vaak verkocht met bepaalde accessoires, reserveonderdelen, gereedschappen en/of illustratiemateriaal (bv. handleidingen) dewelke noodzakelijk zijn voor het gebruik en onderhoud. Zij zullen dan ook meestal samen worden ingevoerd.

§31. In het geval de goederen vallen onder de volgende afdelingen van de Gecombineerde Nomenclatuur, worden de toebehoren, reserveonderdelen en gereedschappen die deel uitmaken van de normale uitrusting van desbetreffende goederen beschouwd als een effectief deel van die goederen en dit in kader van de niet-preferentiële oorsprong:

  • Afdeling XVI - (Hoofdstukken 84 85 ) - Machines, toestellen en elektrotechnisch materieel, alsmede delen daarvan; toestellen voor het opnemen of het weergeven van geluid, voor het opnemen of het weergeven van beelden en geluid voor televisie, alsmede delen en toebehoren van deze toestellen.
  • Afdeling XVII - (Hoofdstukken 86 tot en met 89) – Vervoermaterieel.
  • Afdeling XVIII - (Hoofdstukken 90, 91 en 92) - Optische instrumenten, apparaten en toestellen; instrumenten, apparaten en toestellen, voor de fotografie en de cinematografie; meet-, verificatie-, controle- en precisie-instrumenten, -apparaten en -toestellen; medische en chirurgische instrumenten, apparaten en toestellen; uurwerken; muziekinstrumenten; delen en toebehoren van deze instrumenten, apparaten en toestellen.

De toebehoren, reserveonderdelen en gereedschappen die dienen om te gebruiken met machines, apparaten, toestellen of voertuigen krijgen dezelfde niet-preferentiële oorsprong zolang ze samen worden ingevoerd en verkocht. De aard en de hoeveelheid van de toebehoren, reserveonderdelen en gereedschappen moet overeenstemmen met wat wordt beschouwd als zijnde normaal voor de desbetreffende producten.

Er wordt geen rekening gehouden met toebehoren, reserveonderdelen en gereedschappen voor het bepalen van de niet-preferentiële oorsprong van het product waarmee ze worden ingevoerd en verkocht.

§32. Reserveonderdelen worden ook vaak ingevoerd om te gebruiken voor een product dat in de EU reeds in het vrij verkeer werd gebracht.

Indien het gaat over essentiële reserveonderdelen die zijn bedoeld voor de producten die vallen onder de in vorige paragraaf vermelde afdelingen XVI, XVII en XVIII dewelke al in het vrije verkeer zijn gebracht, zal hun niet-preferentiële oorsprong overeenkomen met die van de al in het vrij verkeer gebrachte producten.

Als het gaat over essentiële reserveonderdelen die bedoeld zijn voor producten die vallen onder andere afdelingen die hiervoor zijn vermeld, zal de niet-preferentiële oorsprong van die onderdelen apart te bepalen zijn.

De reserveonderdelen moeten wel van die aard zijn dat ze de oorsprong van het product waarvoor ze zijn ingevoerd, niet zouden veranderen indien ze zouden gebruikt worden tijdens de productiefase.

Essentiële reserveonderdelen zijn onderdelen:

a) zonder welke het materieel, de machines, de apparaten of de voertuigen die in het vrije verkeer zijn gebracht, niet goed kunnen functioneren, en

b) die kenmerkend zijn voor die goederen, en

c) die bestemd zijn voor het normale onderhoud ervan en voor de vervanging van beschadigde of onbruikbaar geworden onderdelen van dezelfde soort.

4.9. Neutrale elementen en verpakking

§33. De oorsprong van neutrale elementen wordt niet in rekening gebracht om de oorsprong te bepalen van de goederen in kwestie. Het betreft dan volgende elementen:

a) Energie en brandstof;

b) Fabrieksuitrusting;

c) Machines en werktuigen;

d) Materialen die in de uiteindelijke samenstelling van het product niet voorkomen en waarvan het ook niet de bedoeling is dat zij daarin voorkomen.

§34. Verpakking die ingevolge de algemene indelingsregel nr. 5 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur deel uitmaakt van het desbetreffende product, zal niet in beschouwing worden genomen voor het bepalen van de oorsprong, tenzij de regel in bijlage 22-01 DWU DA voor de betrokken producten gebaseerd is op een percentage van de meerwaarde.

De algemene indelingsregel nr. 5 luidt als volgt:

“Voor de hierna genoemde goederen gelden daarenboven de volgende regels:

  1. etuis, foedralen en koffers voor camera's, voor muziekinstrumenten of voor wapens, dozen voor tekeninstrumenten, juwelenkistjes en dergelijke bergingsmiddelen, speciaal gevormd of ingericht voor het opbergen van een bepaald artikel of van een stel of assortiment van artikelen, geschikt voor herhaald gebruik en aangeboden met de artikelen waarvoor ze bestemd zijn, worden ingedeeld onder dezelfde post als die artikelen indien ze van de soort zijn die normaal daarmee wordt verkocht. Deze regel geldt echter niet voor bergingsmiddelen die aan het geheel het wezenlijk karakter verlenen;
  2. behoudens het bepaalde onder 5a worden gevulde verpakkingsmiddelen ingedeeld met de verpakte goederen indien zij van de soort zijn die normaal als verpakking voor die goederen wordt gebruikt. Deze regel is echter niet verplichtend voor verpakkingsmiddelen die klaarblijkelijk geschikt zijn voor herhaald gebruik.“

5. Bepaling van de oorsprong – praktische bepalingen

5.1. Bepaling van de oorsprong indien slechts één land betrokken is

§35. De goederen zijn geheel en al verkregen in één land of gebied indien ze voldoen aan de bepalingen die zijn vermeld in §18.

5.2. Bepaling van de oorsprong indien twee of meer landen betrokken zijn

§36. Zoals eerder vermeld krijgt een product de niet-preferentiële oorsprong van het land waar ‘de laatste ingrijpende, economisch verantwoorde verwerking of bewerking’ heeft plaatsgevonden.

Artikel 32 DWU DA verwijst hiervoor naar bijlage 22-01 van dezelfde verordening. Deze bijlage voorziet voor bepaalde hoofdstukken en goederencodes de regels die bepalen wat voor die desbetreffende producten de laatste ingrijpende, economisch verantwoorde verwerking of bewerking moet zijn die leidt tot de fabricage van een nieuw product of die een belangrijke productiefase vertegenwoordigt (zie §37 e.v.)

De hoofdstukken die niet worden genoemd in bijlage 22-01 moeten geval per geval worden bekeken. Meer informatie daarover vanaf §52.

Een verkorte weergave van de processen in punten 5.2.1 en 5.2.2 kan worden teruggevonden in bijlage I.

5.2.1. Goederen die zijn opgenomen in bijlage 22-01 van de DWU DA

§37. Het is belangrijk om te benadrukken dat bijlage 22-01 enkel van toepassing is op de goederen die er expliciet in worden vermeld. Voor Hoofdstuk 2 worden bijvoorbeeld enkel tariefposten 0201 tot en met 0206 vermeld. Concreet houdt dit in dat de regels die in bijlage 22-01 staan vermeld bij Hoofdstuk 2 enkel van toepassing zijn op die tariefposten. De oorsprong van de overige tariefposten die onder dat hoofdstuk vallen, moeten op een andere manier worden bepaald (zie §52 e.v.).

§38. De bijlage voorziet twee soorten regels: de primaire en de residuele. Als aan de primaire regel niet kan worden voldaan, is de residuele van toepassing. Deze regels worden gedefinieerd in de inleidende aantekeningen van bijlage 22-01. Nadien volgen de genoemde hoofdstukken die telkens primaire en residuele regels bevatten, eventueel aangevuld met aantekeningen en definities die enkel van toepassing zijn op dat hoofdstuk.

a)De primaire regels:

§39. De primaire regels voor een hoofdstuk staan in de meeste gevallen in een tabel bestaande uit drie kolommen. De eerste twee kolommen bevatten respectievelijk de tariefpost(en) en de omschrijving van de goederen. De laatste kolom bevat dan de primaire regels voor die code.

Het kan voorvallen dat er primaire regels worden vermeld aan het begin van een hoofdstuk terwijl ook de afzonderlijke tariefposten primaire regels hebben (bv. Hoofdstuk 82). In dat geval kan de economische operator kiezen welke regel hij toepast.

§40. Indien de tariefpost wordt voorafgegaan door een “Ex”, dan wil dit zeggen dat de primaire regel in de derde kolom enkel van toepassing is op het gedeelte van de post of het hoofdstuk zoals beschreven in de tweede kolom.

Vb.: De volledige omschrijving van tariefpost 4203 is “Kleding en kledingtoebehoren, van leder of van kunstleder.” In Bijlage 22-01 staat er echter “ex 4203” met als omschrijving in de tweede kolom “Kledij van leder of van kunstleder.” De primaire regel is dus van toepassing op de kledij/kleding van die tariefpost, maar niet op de kledingtoebehoren.

  • Verandering van hoofdstuk, post, subpost, onderverdeling of subonderverdeling:

§41. Een verandering van indeling is van toepassing wanneer de tariefindeling van het bedoelde eindproduct anders is dan die van de niet van oorsprong zijnde materialen die zijn gebruikt tijdens het productieproces.

Er kan ook worden bepaald dat een verandering vanuit een bepaalde indeling niet kan leiden tot de niet-preferentiële oorsprong van het eindproduct. Zo kan bv. de niet-preferentiële oorsprong voor tariefpost 7227 (Walsdraad van ander gelegeerd staal) worden bekomen middels postverspringing (VP), behalve voor tariefpost 7228 (Andere staven van ander gelegeerd staal; …). De materialen van niet-preferentiële oorsprong van tariefpost 7228 mogen dus niet worden gebruikt.

Concreet zijn de volgende veranderingen mogelijk:

VH: verandering naar het hoofdstuk in kwestie vanuit elk ander hoofdstuk;

VP: verandering naar de post in kwestie vanuit elke andere post;

VOV: verandering naar de onderverdeling in kwestie vanuit elke andere onderverdeling of post;

VSP: verandering naar de subpost in kwestie vanuit elke andere subpost van deze post of vanuit elke andere post;

VSO: verandering naar de subonderverdeling in kwestie vanuit elke andere subonderverdeling van deze onderverdeling of van elke an­dere onderverdeling of post.

Hieronder een voorbeeld ter illustratie van bovenstaande begrippen:

GS-code

Omschrijving van de goederen

Primaire regels

7204

Resten en afval van gietijzer, van ijzer of van staal (schroot); afvalingots bedoeld voor omsmelten, van ijzer of van staal.

Zoals gespecificeerd voor de subposten

Ex 7204 (a)

Resten en afval van gietijzer, van ijzer of van staal (schroot)

De oorsprong van de goederen van deze subpost is het land waarin de goederen worden verkregen uit vervaardiging of bewerking of uit verbruik

Ex 7204 (b)

Afvalingots bedoeld voor omsmelten, van ijzer of van staal

De oorsprong van de goederen van deze subpost is het land waarin de resten en het afval zijn verkregen uit vervaardiging of bewerking of uit verbruik

7205

Korrels en poeder, van gietijzer, van spiegelijzer, van ijzer of van staal.

Zoals gespecificeerd voor de onderverdelingen

7205 10

- Korrels

VP

- Poeder

7205 21

- - Van gelegeerd staal

Zoals gespecificeerd voor de subonderverdelingen

Ex 7205 21 (a)

- - - Gemengde poeders van gelegeerd staal

VOV of VSO mits de gietlegering wordt omgesmolten of verneveld

Ex 7205 21 (b)

- - - Ongemengde poeders van gelegeerd staal

VOV

7205 29

- - Overig

Zoals gespecificeerd voor de subonderverdelingen

Ex 7205 29 (a)

- - - Andere gemengde poeders

VOV of VSO mits de gietlegering wordt omgesmolten of verneveld

Ex 7205 29 (b)

- - - Andere ongemengde poeders

VOV

  • 72 = hoofdstuk
  • 7204 = post
  • Ex 7204 (a) = subpost (wanneer de GS-code wordt voorafgegaan door een “ex”, dan houdt dit in dat de oorsprongsregel van kolom 3 niet van toepassing is op de hele post, maar enkel op de beschrijving in de tweede kolom.
  • 7205 10 = onderverdeling
  • 7205 21 (b) = subonderverdeling

Specifieke verwerking:

§42. Specifieke verwerking houdt in dat de primaire regel een bepaalde be- of verwerking zal specifiëren waardoor niet-oorsprongsmaterialen oorsprong kunnen krijgen.

Bijvoorbeeld:

Vervaardiging uit vezels;

Vervaardiging uit garen;

Volledige confectie: alle bewerkingen na het snijden van de weefsels of het direct in vorm verkrijgen van het brei- en haakwerk dienen te worden verricht;

Bedrukken of verven;

Specifieke regel voor delen en toebehoren vervaardigd uit voorwerpsvormen (o.a. hoofdstukken 82 84)

De term ‘vezels’ zoals gebruikt in bijlage 22-01 betreft natuurlijke vezels en synthetische/kunstmatige stapelvezels die vallen onder de tariefposten 5501 tot en met 5507, maar ook vezels die worden gebruikt voor het vervaardigen van papier.

De term ‘natuurlijke vezels’ zoals gebruikt in bijlage 22-01 verwijst naar andere vezels, waaronder afval, dan de kunstmatige en synthetische. De bewerkingen zijn beperkt tot de fases voor het spinnen en bevat, tenzij anders vermeld, vezels die zijn gekaard, gekamd of anders verwerkt zolang ze maar niet zijn gesponnen.

Daarnaast dekt de term ‘natuurlijke vezels’ eveneens paardenhaar (tariefpost 0503), zijde (tariefposten 5002 5003), wolvezels, fijn of ruw haar van dieren (tariefposten 5101 – 5105), katoenvezels (tariefposten 5201 – 5203), en plantaardige textielvezels (tariefposten 5301 – 5305).

De term „volledige confectie” in de lijst houdt in dat alle bewerkingen na het snijden van de weefsels of het direct in vorm verkrijgen van het brei- en haakwerk dienen te worden verricht. Het feit dat een of meer eindbewerkingen niet zijn verricht, betekent echter niet noodzakelijkerwijs dat de confectie niet als volledig kan worden beschouwd.

Verder is er nog een speciaal geval betreffende de eindbewerking van een volledige confectie. Het kan gebeuren dat voor een bepaalde vervaardiging, de verwezenlijking van de eindbewerking, vooral in het geval van een combinatie van handelingen, van zo’n groot belang is dat deze handelingen moeten worden beschouwd als meer dan een eenvoudige afwerking. In deze specifieke gevallen zal de confectie niet volledig zijn als deze eindbewerkingen niet zijn verwezenlijkt.

  • De meerwaarderegel

§43. De “X %-meerwaarderegel” betekent dat een vervaardiging waarbij de meerwaarde verkregen door be- en verwerking en eventueel het inbouwen van delen van oorsprong uit het land van vervaardiging ten minste X % van de prijs af fabriek van het product bedraagt. „X” staat voor het aangegeven percentage voor elke post.

§44. Meerwaarde verkregen door be- en verwerking en door het inbouwen van delen van oorsprong uit het land van vervaardiging: de meerwaarde die voortvloeit uit de montage zelf, tezamen met de voorbereiding, de afwerking en de controle, en uit het inbouwen van delen van oorsprong uit het land waar deze handelingen worden verricht, met inbegrip van de in dit land gemaakte winst en bedrijfskosten als gevolg van deze handelingen.

§45. Prijs af fabriek: De prijs die is betaald of die moet worden betaald voor het product klaar voor afhaling in de bedrijfsruimten van de fabrikant in wiens onderneming de laatste be- of verwerking is verricht; deze prijs moet alle kosten omvatten die verbonden zijn aan de vervaardiging van het product (met inbegrip van de kosten van alle gebruikte materialen), verminderd met alle binnenlandse belastingen die worden of kunnen worden terugbetaald wanneer het verkregen product wordt uitgevoerd of wederuitgevoerd.

Wanneer de werkelijk betaalde prijs niet alle kosten omvat die verbonden zijn aan de vervaardiging van het product, is de prijs af fabriek de som van al die kosten, verminderd met alle binnenlandse belastingen die worden of kunnen worden terugbetaald wanneer het verkregen product wordt uitgevoerd of wederuitgevoerd.

§46. Materialen die de oorsprong hebben verkregen van een land, worden beschouwd als materialen van oorsprong uit dat land:

  • voor het vaststellen van de oorsprong van een goed dat dergelijke materialen bevat; of
  • voor het vaststellen van de oorsprong van een goed dat is vervaardigd van dergelijke materialen door verdere be- of verwerking in dat land.

Anders gesteld, indien materialen of producten verder worden gebruikt in de be- of verwerking van een ander goed, wordt voor de oorsprongsbepaling van dit ander goed geen rekening meer gehouden met eventuele niet van oorsprong zijnde materialen die in het afgewerkt goed zijn verwerkt.

De meerwaarderegel kan in de lijstregels van bijlage 22-01 worden herkend als volgt:
“Vervaardiging waarbij de totale waarde van het niet-oorsprongsmateriaal niet meer dan X% bedraagt van de prijs af fabriek van het product.”

In de praktijk moeten volgende twee zaken met elkaar worden vergeleken:

1) De douanewaarde van al de niet van oorsprong zijnde materialen die zijn gebruikt voor de productie van het product (= de waarde van de materialen/goederen die werd aangegeven bij de douane wanneer ze werden ingevoerd)

2) De prijs af fabriek van het product in kwestie (= de waarde van het product wanneer het de productieplaats verlaat.

Er is aan de regel voldaan wanneer de waarde van die niet van oorsprong zijnde materialen/goederen het percentage niet overschrijdt.

Dit principe zal vooral voorkomen bij textielstoffen en textielwaren van hoofdstukken 50 tot en met 63 die in bijlage 22-01 worden vermeld. Maar het wordt ook toegepast voor goederen die niet in bijlage 22-01 zijn opgenomen, maar waarvoor de EU juridisch niet-bindende richtlijnen heeft uitgevaardigd (zie §52 en verder).

Vb.: Halffabrikaten van staal van post 7207 worden ingevoerd uit China en alhier verwerkt tot stalen platen van post 7208. Deze stalen platen krijgen op grond van de primaire regel de EU-oorsprong (verandering van post).

Vervolgens worden deze verwerkte platen, samen met niet van oorsprong zijnde platen uit Rusland gebruikt voor de vervaardiging van landbouwmachines van post 8432. De niet-bindende EU-richtlijn stelt dat de niet-preferentiële Belgische oorsprong wordt verkregen door verandering van post of door toepassing van de 45%-meerwaarderegel. Voor de oorsprongsbepaling van de landbouwmachines worden de verwerkte stalen platen geheel als van Belgische oorsprong beschouwd. Er wordt dus geen rekening meer gehouden met de bij de vervaardiging gebruikte halffabrikaten van Chinese oorsprong. De waarde van de ingevoerde stalen platen uit Rusland moet echter wel worden vergeleken met de prijs af fabriek. Zolang deze waarde niet hoger ligt dan 45% van die prijs, blijft de niet-preferentiële Belgische oorsprong behouden.

§47. Er is ook een tolerantie voorzien voor niet van oorsprong zijnde materialen. Voor de toepassing van primaire regels op basis van verandering van tariefindeling worden niet-oorsprongsmaterialen die niet voldoen aan de primaire regel, buiten beschouwing gelaten tenzij anders vermeld in een specifiek hoofdstuk, mits de totale waarde van deze materialen niet hoger is dan 10 % van de prijs af fabriek van het goed.

Het is belangrijk om te vermelden dat de primaire regels in bijlage 22-01 het minimum aan be- of verwerkingen vertegenwoordigt die noodzakelijk zijn om oorsprong te verkrijgen. Wanneer er meer dan de opgegeven be- of verwerkingen worden uitgevoerd, zal dit dus tot gevolg hebben dat oorsprong wordt verkregen. Dit mag echter niet worden verward met de minimale handelingen van art. 34 DWU DA. Dat artikel gaat over handelingen die expliciet niet worden beschouwd als ingrijpende, economisch verantwoorde be- of verwerkingen om de oorsprong te verlenen.

Als een primaire regel stelt dat niet van oorsprong zijnde materialen mogen worden gebruikt tijdens een bepaalde fase van vervaardiging, dan mogen deze materialen ook worden gebruikt tijdens een vroeger stadium, maar niet later.

b)De economische verantwoording

§48. Een be- of verwerking die in een ander land of gebied plaatsvindt, wordt als niet economisch verantwoord aangemerkt wanneer op basis van de beschikbare feiten wordt vastgesteld dat die be- of verwerking tot doel had de toepassing van de in artikel 59 DWU bedoelde maatregelen te vermijden (zie §21 van deze Circulaire).

Voor wat betreft de goederen die onder bijlage 22-01 vallen, zijn overeenkomstig artikel 33, tweede alinea DWU DA de residuele regels van het hoofdstuk van toepassing indien de verwerking of bewerking niet economisch verantwoord blijkt.

Er moet echter steeds geval per geval worden nagegaan of de voorwaarde al dan niet is geschonden indien het vermoeden bestaat dat deze maatregel wordt geschonden. Alle beschikbare informatie betreffende de laatste be- of verwerkingen en het doel van die handelingen in het laatste productieland moet mee in overweging worden genomen.

Bovendien moet een dossier waarbij twijfel bestaat omtrent de economisch verantwoorde bewerking in de zin van artikel 33 DWU DA steeds ter validatie worden voorgelegd bij de FOD Economie alvorens een definitieve beslissing kan worden genomen.

c)De minimale operaties

§49. Indien de regel werd vervuld middels een minimale handeling (cfr. art. 34 DWU DA), zullen de desbetreffende goederen niet kunnen worden beschouwd als zijnde van oorsprong van het land waar de laatste handeling heeft plaatsgevonden. Deze handeling kan immers niet als ingrijpend worden beschouwd zelfs al wordt de primaire regel vervuld. In dit geval zijn de residuele regels van het hoofdstuk van toepassing.

d)Residuele regels voor producten vermeld in bijlage 22-01

§50. De residuele regels moeten worden toegepast indien:

de niet-preferentiële oorsprong niet kan worden vastgesteld door middel van de primaire regels; of

de handelingen zijn niet economisch verantwoord; of

de handeling in kwestie houdt niet meer in dan een minimale handeling.

§51. De residuele regel houdt voor de meeste hoofdstukken in dat het land waar de meeste materialen hun oorsprong hebben, ook het land van oorsprong voor het afgewerkt product is. Deze regel heet de ‘major portion rule’ en is gebaseerd op de waarde, of op het gewicht van die gebruikte materialen.

Er zijn echter bepaalde landbouwproducten (hoofdstukken 2, 4, 9, 14, 17, 20 en 22) die specifieke residuele regels toepassen voor mengsels van onderling vervangbare materialen. Deze specifieke residuele regels hebben voorrang op de ‘major portion rule.’

Deze specifieke regel is van toepassing wanneer het eindproduct staat vermeld in bijlage 22-01. De gebruikte materialen hoeven echter niet noodzakelijk in bijlage 22-01 te staan.

Voor de toepassing van deze specifieke residuele regel wordt onder ‘mengen’ verstaan: de opzettelijke en proportioneel gestuurde handeling die bestaat in het bijeenbrengen van twee of meer onderling vervangbare materialen.

Als het vereiste percentage niet wordt bereikt, krijgt het mengsel de oorsprong van het land waar het mengen werd uitgevoerd.

Als voor het ‘mengen’ de voorwaarden van de hierboven vermelde definitie niet worden nageleefd, is de ‘major portion rule’ van toepassing.

5.2.2. Goederen die niet zijn opgenomen in bijlage 22-01 van de DWU DA

§52. In principe moet de niet-preferentiële oorsprong van goederen die niet zijn vermeld in bijlage 22-01, geval per geval worden bekeken. De processen en handelingen moeten worden beoordeeld op basis van het begrip betreffende de laatste ingrijpende be- of verwerking zoals bepaald in artikel 60 DWU.

Voor de goederen die niet zijn vermeld in bijlage 22-01 (en waarvoor het Unierecht dus geen bindende regels bevat) mag er beroep worden gedaan op enerzijds administratieve richtlijnen van de Commissie en anderzijds op rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU.

a)Bepaling van het land van oorsprong op basis van de administratieve richtlijnen van de EU:

§53. De richtlijnen die de Commissie op haar website heeft gepubliceerd zijn in de eerste plaats gebaseerd op haar standpunt van wat de ingrijpende be- of verwerkingen die niet-preferentiële oorsprong verlenen zouden moeten zijn voor goederen die niet in bijlage 22-01 DWU DA staan vermeld. De richtlijnen volgen hetzelfde principe als de regels die zijn gepubliceerd in bijlage 22-01. Dit wil zeggen dat men ook hier gebruikt maakt van primaire (verandering van hoofdstuk, post, subpost, onderverdeling of subonderverdeling, meerwaarderegel, of specifieke be- of verwerking) en residuele richtlijnen (meestal ‘major portion rule’).

Hoewel de EU-lidstaten worden aangemoedigd om ze toe te passen, zijn de richtlijnen niet bindend aangezien ze geen integraal onderdeel vormen van het EU-recht.

Het Hof van Justitie van de EU heeft wel geoordeeld dat lidstaten op deze regels kunnen vertrouwen om de oorsprong van goederen vast te stellen. Het feit dat een product niet aan deze richtlijnen voldoet, betekent echter niet dat de uitgevoerde be- of verwerkingen geen oorsprong zouden kunnen verlenen. De niet-preferentiële oorsprong kan nog steeds worden verkregen als het ingrijpende karakter van de uitgevoerde be- of verwerkingen kan worden aangetoond.

Sowieso mogen de richtlijnen nooit strijdig zijn met de basisprincipes van artikel 60, lid 2 DWU (zie §17).

Deze richtlijnen zijn terug te vinden op de volgende webpagina’s:

  • Algemeen (enkel Engels, Frans en Duits):
    https://ec.europa.eu/taxation_customs/business/calculation-customs-duties/rules-origin/nonpreferential-origin_en
  • Lijstregels (enkel Engels):
    https://ec.europa.eu/taxation_customs/business/calculation-customs-duties/rules-origin/nonpreferential-origin/table-list-rules-applicable-products-following-classification-cn_de
    Opgelet: De goederencodes uit bijlage 22-01 zijn aangeduid in het grijs. De niet-aangeduide rijen zijn de goederencodes die niet zijn opgenomen in bijlage 22-01.

b)Bepaling van het land van oorsprong op basis van rechtspraak van de EU:

§54. Verder is er de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU waaruit bepaalde verduidelijkingen en interpretaties zijn voortgekomen. Deze kunnen helpen om het ingrijpende karakter van een verwerking te interpreteren volgens het wettelijke principe van de ‘laatste ingrijpende be- of verwerking.’

Ondanks het feit dat artikel 24 van het CDW niet meer van kracht is sinds 1 mei 2016, kan de communautaire rechtspraak nog gebruikt worden voor de wettelijke interpretatie van de ‘ingrijpende be- of verwerking’ zolang deze niet ingaat tegen de nieuwe bepalingen van het DWU.

Onder andere volgende arresten zijn belangrijk:
- HvJ EG, 26 januari 1977, aff.49/76, Gesellschaft für Überseehandel (caséine), Rec., 1977, 41
- HvJ EG, 31 januari 1979, aff.114/78, Yoshida, Rec., 115
- HvJ EG, 23 maart 1983, aff.162/82, Cousin e.a., Rec., 1101
- HvJ EG, 23 februari 1984, aff.93/83, Zentrag, Rec., 1984, 1095
- HvJ EG, 13 december 1989, aff.C-26/88, Brother International
- HvJ EG, 8 maart 2007, aff.C-447/05 et C-448/05, Thomson et Vestel France, Rec., I-2049
- HvJ EG, 13 december 2007, aff.C-372/06, Asda Stores
- HvJ EG, 10 december 2009, aff.C-260/08, HEKO Industrieerzeugnisse GmbH
- HvJ EG, 11 februari 2010, aff.C-373/08, Hoesch Metals and Alloys

Uit deze rechtspraak zijn drie verschillende criteria voortgekomen die helpen om het begrip ‘ingrijpende be- of verwerking’ correct te interpreteren:

1) Criterium betreffende de be- of verwerking;

2) Criterium o.b.v. het verspringen van de tariefpost (GN-nomenclatuur);

3) Criterium o.b.v. de toegevoegde waarde.

1. Het eerste criterium is van technische aard. Het berust op de totstandkoming van be- of verwerkingen en specifieke transformaties.

De bepaling van de oorsprong moet gebaseerd zijn op een objectief en werkelijk onderscheid tussen het basisproduct en het verwerkte product, waarbij er naar de specifieke materiële kwaliteiten van de producten moet worden gekeken. Bijgevolg is de laatste be- of verwerking pas ingrijpend als het product dat eruit volgt over specifieke eigenschappen beschikt en een eigen samenstelling heeft die het voordien niet had.

Concreet moet de uitgevoerde verwerking of bewerking dus zorgen voor:

a) ofwel een wijziging van de materie of aard van het gebruikte product of de gebruikte producten;
b) ofwel een verkrijging van functies of gebruikseigenschappen die het onbewerkte product of de gebruikte bestanddelen niet hadden.

2. Het tweede criterium is gebaseerd op het verspringen van de tariefpost. Dit criterium laat echter niet toe om in alle situaties het ingrijpende karakter van een transformatie of een bewerking van een goed na te gaan.

Het geharmoniseerd systeem dat de goederen rangschikt voor o.a. de toepassing van het douanetarief, werd dan ook niet ontwikkeld om de oorsprong van goederen te bepalen. Een verandering in de tariefpost van een goed, ingevolge een bewerking op dat goed, geeft een indicatie van het substantiële karakter van die transformatie of bewerking. Het kan echter ook voorkomen dat een transformatie of bewerking een ingrijpend karakter heeft, maar niet gepaard gaat met een verandering van de tariefpost. Indien men zich dus enkel zou beroepen op het criterium van de verspringing van de tariefpost, zonder verdere indicaties over de transformaties en of bewerkingen die het goed onderging, dan zou de draagwijdte van artikel 24 CDW (het principe van de laatste ingrijpende bewerking) waarschijnlijk beperkt worden.

3. Indien het eerste criterium niet afdoend is, kan men beroep doen op het derde criterium (toegevoegde waarde – TW). Let wel, als de laatste bewerking of transformatie niet tot een nieuw product of tot specifieke functies heeft geleid, kan een hoge toegevoegde waarde geen reden zijn om toch oorsprong te verlenen.

Volgens het Hof van Justitie (arrest Zentrag) kan een belangrijke toegevoegde waarde op zichzelf dan ook niet de basis vormen om een bewerking als ingrijpend te beschouwen in de zin van artikel 24 CDW.

Samengevat geven het tweede en derde criterium, die gebaseerd zijn op respectievelijk een verandering van de tariefpost en op een belangrijke toegevoegde waarde (minimaal 40%), indien vervuld, een eerste indicatie of de ingrijpende bewerking gerealiseerd werd. Het eerste criterium betreffende de be- of verwerking, namelijk de technische test, zal die hypothese bevestigen of weerleggen. Die technische test zal het volgende onderzoeken:

Is er een wijziging van de materie of aard van het/de gebruikte product(en)?

Verwierf het goed functies of gebruikseigenschappen die het onbewerkte product of de gebruikte bestanddelen niet hadden?

Dit houdt eveneens in dat wanneer het tweede en/of het derde criterium niet vervuld zijn, dit niet automatisch betekent dat het product niet van niet-preferentiële oorsprong zou zijn. Dit moet dan worden bevestigd door toepassing van het eerste criterium.

Verder heeft het Hof van Justitie van de EU ter verduidelijking nog volgende begrippen verder omschreven:

Voor assemblagehandelingen: “Met betrekking tot de vraag of een assemblage van verschillende onderdelen een ingrijpende verwerking of bewerking vormt, heeft het Hof reeds geoordeeld dat een dergelijke assemblagehandeling oorsprongbepalend kan worden geacht, wanneer zij vanuit technisch oogpunt en gelet op de omschrijving van het betrokken goed de bepalende productiefase uitmaakt tijdens welke de bestemming van de gebruikte samenstellende delen wordt geconcretiseerd en het betrokken goed zijn specifieke kwalitatieve eigenschappen verkrijgt”. (arrest van 31 januari 1979, Yoshida, 114/78, Jurispr. blz. 151, en arrest Brother International, paragraaf 19).

Voor de laatste ingrijpende handeling: “Er zij tevens op gewezen dat de laatste ver- of bewerking slechts „ingrijpend” is in de zin van artikel 24 van het douanewetboek, wanneer het aldus voortgebrachte product eigenschappen heeft en een specifieke samenstelling vertoont die het vóór die ver- of bewerking niet bezat. Verrichtingen die de uiterlijke verschijningsvorm van een product beïnvloeden met het oog op het gebruik ervan, zonder evenwel tot een aanzienlijke kwalitatieve wijziging van de eigenschappen ervan te leiden, kunnen de oorsprong van dat product niet bepalen.” (zie arrest Gesellschaft für Überseehandel, reeds aangehaald, punt 6; arrest van 23 februari 1984, Zentrag, 93/83, Jurispr. blz. 1095, punt 13, en arrest HEKO Industrieerzeugnisse, paragraaf 28).

b)Economisch niet verantwoorde be- of verwerkingen

§55. Zie §§21 en 23.

c)Minimale handelingen:

§56. Zie §§26 en 28.

d)Residuele regel:

§57. Wanneer de laatste be- of verwerking economisch verantwoord is en er geen sprake is van een minimale handeling, maar de richtlijnen van de Commissie en de criteria voortgekomen uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU zijn nog steeds onvoldoende om het land van oorsprong van het eindproduct te bepalen, dan kan er alsnog gebruik worden gemaakt van de ‘major portion rule.’

6. Bewijs van niet-preferentiële oorsprong bij invoer in de EU

§58. De niet-preferentiële oorsprong is een verplicht onderdeel van de aangifte voor het vrije verkeer.

De aangever is verantwoordelijk voor het bepalen van de correcte oorsprong en hoort over de nodige documentatie en informatie te beschikken aangaande de verwerkingen en handelingen die hebben plaatsgevonden in het laatste land van productie voor de goederen die zijn aangegeven voor het vrije verkeer in de EU. Deze informatie moet voldoende zijn om de oorsprong te bepalen en kan, naargelang het geval, documentatie bevatten over het exacte productieproces, de tariefindeling, de waarde en oorsprong van de gebruikte materialen, enz.

§59. In tegenstelling tot preferentiële oorsprong waar er, naargelang de overeenkomst, verschillende unieke oorsprongsbewijzen in de vorm van certificaten, verklaringen of attesten van toepassing zijn, bestaat er voor niet-preferentiële oorsprong geen algemeen wettelijk bindend certificaat van oorsprong meer dat telkens moet worden voorgelegd. In plaats daarvan geldt in de eerste plaats het principe van vrije bewijsvoervoering zoals hierboven beschreven.

§60. Er zijn echter gevallen waar een certificaat van oorsprong verplicht moeten worden voorgelegd. Zo bepaalt artikel 57 DWU IA dat er voor goederen die zijn onderworpen aan bijzondere niet-preferentiële invoerregelingen een certificaat van oorsprong moet worden afgegeven conform het model in bijlage 22-14 DWU IA.

In voorkomend geval kan de Europese Commissie ook andere modellen van oorsprongscertificaten opleggen die zijn gekoppeld aan bepaalde niet-preferentiële invoerregelingen. Deze worden meegedeeld in de specifieke Europese verordeningen die hiervoor worden uitgevaardigd.

§61. Uitgezonderd het certificaat van oorsprong voor goederen die zijn onderworpen aan bijzondere niet-preferentiële invoerregelingen moet het bewijs niet automatisch worden voorgelegd op het moment van de aangifte voor het vrije verkeer. De aangever moet het bewijs wel kunnen voorleggen op het eerste verzoek van de douane. Het is dus in het belang van de aangever om reeds over alle nodige informatie te beschikken op het moment dat de aangifte voor het vrije verkeer wordt ingediend (artikel 61, lid 1 DWU).

§62. In 6.1 en 6.2 wordt verder ingegaan op de controle van de niet-preferentiële oorsprong van goederen die respectievelijk niet en wel zijn onderworpen aan bijzondere niet-preferentiële invoerregelingen.

6.1. De controle van niet-preferentiële oorsprong voor goederen die NIET zijn onderworpen aan bijzondere niet-preferentiële invoerregelingen

§63. Wanneer de douane een verificatie wenst uit te voeren op de niet-preferentiële oorsprong van de goederen, zal zij aan de aangever vragen om de aangegeven oorsprong te bewijzen.

§64. De bewijsvoering kan onder meer volgende gegevens bevatten:

Naam en adres van de producent;

Land en plaats waar de productie heeft plaatsgevonden;

Documentatie betreffende de be- of verwerking die heeft plaatsgevonden (productieproces, bill of material, …);

Douanedocumenten of exportdocumenten van het aangegeven land van oorsprong, indien beschikbaar;

Douanedocumenten van het land van uitvoer (indien het land van oorsprong niet hetzelfde is als het land van uitvoer);

Handelsdocumenten met betrekking tot de koop-verkoop;

Elke andere bron van informatie die de oorsprong conform artikel 60 DWU kan aantonen.

In bijlagen II, III en IV van deze Circulaire kan een vragenlijst worden teruggevonden waarin bovenvermelde informatie verder wordt uitgewerkt. De verifiërende ambtenaren kunnen zich op deze vragenlijst baseren om bij de aangever de nodige informatie op te vragen. Deze vragenlijst is beschikbaar in het Nederlands, Frans en Engels.

Als de aangever een bindende oorsprongsinlichting (BOI) heeft voor de desbetreffende goederen, dan moet hij hiernaar verwijzen in de aangifte voor het vrije verkeer en hij moet tevens aantonen dat de aangegeven goederen dezelfde zijn als die waarvoor de BOI werd gegeven.

6.1.1. De controle van een niet-preferentieel certificaat van oorsprong dat werd afgegeven in derde landen

§65. Vaak zal de aangever een certificaat van oorsprong voorleggen dat door een autoriteit in het desbetreffende derde land werd uitgereikt om de niet-preferentiële oorsprong aan te tonen.

Met uitzondering van het reeds vermelde certificaat van oorsprong voor goederen die zijn onderworpen aan bijzondere niet-preferentiële invoerregelingen, kunnen dergelijke certificaten niet worden aanvaard als enig bewijs voor de niet-preferentiële oorsprong.

Derde landen hanteren vaak andere niet-preferentiële oorsprongsregels waardoor de nauwkeurigheid van de informatie op het certificaat niet afdoende kan worden nagegaan. Dit certificaat is dan ook niet meer dan een indicatie van de oorsprong, de herkomst van de goederen, en de plaats van de productie.

Bovendien bestaan er geen administratieve bijstandsakkoorden in kader van niet-preferentiële oorsprong zoals dat wel het geval is bij preferentiële overeenkomsten.

Desondanks kan de douane aan de FOD Economie vragen om een verzoek tot controle a posteriori te sturen naar de bevoegde en/of afleverende autoriteiten van het derde land teneinde de niet-preferentiële oorsprong van goederen na te gaan, alsook de authenticiteit van het afgeleverde certificaat en de nauwkeurigheid van de gegevens die erop vermeld staan. Met authenticiteit wordt bedoeld of het om een origineel certificaat gaat en of de gegevens die op het originele certificaat staan niet vervalst zijn.

Als bevoegde autoriteit inzake niet-preferentiële oorsprong is de FOD Economie het aanspreekpunt bij twijfel over dergelijke certificaten van oorsprong. Hierdoor kan de FOD Economie de bevoegde en/of de afleverende autoriteiten van het derde land aanschrijven met de vraag om meer informatie en om een niet-preferentieel oorsprongscertificaat te controleren.

Er moet wel rekening worden gehouden met het feit dat er geen administratieve bijstandsakkoorden bestaan in kader van niet-preferentiële oorsprong. Als gevolg hiervan zijn er geen vaste procedures of antwoordtermijnen voorzien. Het is dus niet zeker of er een antwoord komt, al dan niet binnen een redelijke termijn. Bovendien zal de bevoegde, afleverende, autoriteit steeds antwoorden op basis van de niet-preferentiële oorsprongsregels die van toepassing zijn in hun land. Deze oorsprongsregels komen echter niet noodzakelijk overeen met die van de EU waardoor ook een ontvangen antwoord slechts kan dienen als indicatie van de oorsprong.

Bij twijfel over een dergelijk niet-preferentieel certificaat van oorsprong bij invoer moet er eerst contact worden opgenomen met de Algemene Administratie van de Douane Accijnzen, Dienst Operationele Expertise en Ondersteuning, Departement Wetgeving - Douane (da.lex.douane@minfin.fed.be). Zo nodig leggen zij het dossier verder voor aan de FOD Economie.

6.1.2. Wat met een preferentieel certificaat van oorsprong dat werd afgegeven in derde landen?

§66. Een preferentieel oorsprongsbewijs geldt in principe niet als bewijs voor de niet-preferentiële oorsprong. Het kan eventueel mee in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de niet-preferentiële oorsprong indien de aangever kan aantonen dat de desbetreffende goederen hun preferentiële oorsprong hebben verkregen op basis van preferentiële oorsprongsregels die dezelfde zijn of strenger als de niet-preferentiële oorsprongsregels die van toepassing zijn conform artikel 60 DWU.

6.2. De controle van niet-preferentiële oorsprong voor goederen die WEL zijn onderworpen aan bijzondere niet-preferentiële invoerregelingen

§67. Zoals vermeld in §59 zijn sommige producten onderworpen aan bijzondere niet-preferentiële invoerregelingen conform de EU-wetgeving. Om van het verminderd tarief of het nultarief te kunnen genieten bij het in het vrije verkeer brengen moet er een specifiek certificaat van oorsprong worden gebruikt zoals bepaald in artikel 57 DWU IA. Het modelcertificaat is terug te vinden in bijlage V van deze Circulaire en in bijlage 22-14 DWU IA. Het certificaat wordt op de PLDA-aangifte in vak 44 vermeld door middel van code U004.

Om te weten of dit specifiek certificaat moet worden gebruikt, kan TARBEL worden geraadpleegd. Zie bijlage VI voor een voorbeeld.

§68. Indien volgens de bijzondere, niet-preferentiële invoerregelingen voor bepaalde producten het in artikel 57 DWU IA bedoelde certificaat van oorsprong moet worden gebruikt, is het gebruik van deze regelingen afhankelijk van de voorwaarde dat een procedure van administratieve samenwerking is ingesteld.

Met het oog op het instellen van deze procedure van administratieve samenwerking, sturen de betrokken derde landen de Commissie het volgende:

a) de namen en adressen van de instanties van afgifte en modellen van de door deze instanties gebruikte stempels;
b) de namen en adressen van de overheidsinstanties die belast zijn met de behandeling van de verzoeken om controle achteraf van de certificaten van oorsprong.

Bovengenoemde informatie wordt door de Commissie aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten doorgegeven. Wanneer een derde land verzuimt deze informatie aan de Commissie te sturen, passen de bevoegde autoriteiten in de Unie de bijzondere niet-preferentiële invoerregeling niet toe.

§69. Wanneer de douane gegronde redenen heeft om te twijfelen aan de echtheid van een certificaat van oorsprong of de juistheid van de erin vervatte informatie en wanneer zij steekproefsgewijze controles achteraf verrichten, vragen zij aan de bevoegde autoriteit van het vermelde land van oorsprong om te onderzoeken of dat certificaat van oorsprong echt is, of de aangegeven oorsprong juist en in overeenstemming met artikel 60 DWU is vastgesteld, of beide.

De douane stuurt het certificaat van oorsprong of een kopie daarvan terug naar de bevoegde autoriteit. Indien de aangifte vergezeld ging van een factuur, wordt deze of een kopie daarvan bij het terug te sturen certificaat van oorsprong gevoegd. De douane vermeldt, in voorkomend geval, de redenen voor de controle achteraf en verstrekken alle inlichtingen die zij bezit die het vermoeden hebben doen rijzen dat de gegevens op het certificaat van oorsprong onjuist zijn of dat het certificaat van oorsprong niet echt is.

Wanneer er binnen zes maanden na het verzenden van een verzoek geen antwoord is ontvangen, past de douane de bijzondere, niet-preferentiële regeling voor de betrokken producten niet toe.

§70. Gelieve er ook rekening mee te houden dat de inhoud van dit hoofdstuk enkel betrekking heeft op het niet-preferentieel certificaat van oorsprong en dat dit losstaat van de bepalingen inzake eventuele andere bewijsvoering (zoals bv. invoercertificaten AGRIM) die wordt vereist door de desbetreffende (uitvoerings-)verordeningen.

Bij twijfel over de toepassing van de bepalingen in dit hoofdstuk kan er contact worden opgenomen met de Algemene Administratie van de Douane Accijnzen, Dienst Operationele Expertise en Ondersteuning, Departement Wetgeving - Douane (da.lex.douane@minfin.fed.be).

6.3. De niet-preferentiële oorsprong is fout aangegeven in de aangifte voor het vrije verkeer

§71. Indien de aangegeven niet-preferentiële oorsprong foutief wordt bevonden, is artikel 243, lid 4 DWU IA van toepassing. De oorsprong waarmee rekening moet worden gehouden voor de berekening van de invoerrechten zal worden bepaald op basis van het bewijs dat wordt voorgelegd door de aangever of op basis van andere informatie indien het door de aangever voorgelegde bewijs onvoldoende blijkt te zijn.

7. Uitvoer van goederen van niet-preferentiële oorsprong

§72. De niet-preferentiële oorsprongsregels van de EU zijn slechts in enkele specifieke en beperkte gevallen van toepassing bij export van goederen. Ze zijn enkel van toepassing op geëxporteerde goederen in het geval de EU specifieke maatregelen uitvaardigt met betrekking tot de oorsprong van de goederen. De bekendste maatregel zijn de zogenaamde terugbetalingen bij uitvoer, ook gekend als uitvoersubsidies. Deze vorm kwam in het verleden vaak voor bij de uitvoer van landbouwproducten zoals melk.

Voor de overgrote meerderheid van de geëxporteerde goederen is het niet verplicht om de niet-preferentiële oorsprongsregels van de EU te hanteren. Het is niet verplicht om de niet-preferentiële oorsprong aan te geven op de uitvoeraangifte.

§73. Tot slot voorziet artikel 61, lid 3 DWU dat waar de handelsvoorschriften zulks vereisen, er een document tot bewijs van de oorsprong in de Unie kan worden afgegeven conform de oorsprongsregels die van kracht zijn in het land of het gebied van bestemming of door middel van een andere methode om aan te geven in welk land de goederen geheel zijn verkregen of de laatste ingrijpende be- of verwerking hebben ondergaan. Dit lid heeft dus betrekking op de afgifte van certificaten van niet-preferentiële oorsprong door bevoegde autoriteiten in de EU-lidstaten.

8. Bevoegdheden

§74. Koninklijk besluit nr. 283 van 30 maart 1936 houdende reglementering van de afgifte van oorsprongsattesten (BS van 7 april 1936) geeft de Minister van Economie de volledige bevoegdheid om op nationaal vlak regelingen te treffen voor niet-preferentiële oorsprong waaronder de machtigingen voor de afgifte van certificaten van oorsprong. De bevoegde overheidsinstelling is de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie.

Afhankelijk van in- of uitvoer zijn de volgende instellingen bevoegd of gemachtigd:

8.1. Bij invoer

§75. Bij invoer is de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen bevoegd voor de controle van de niet-preferentiële oorsprong van goederen en voor het vaststellen en afhandelen van eventuele overtredingen.

In geval van twijfel, zoals kan gebeuren bij geschillen, zal de FOD Economie het laatste woord hebben wanneer zij standpunt inneemt over het dossier.

8.2. Bij uitvoer

§76. Voor wat betreft de uitvoer zijn de volgende instellingen gemachtigd om certificaten van oorsprong af te geven:

  1. de Kamers van Koophandel voor alle goederen, inclusief land- en tuinbouwproducten en producten van de zeevisserij, maar niet voor diamant.
    Link: https://belgianchambers.be
  2. Diamond Office van het Antwerp World Diamond Centre (Afgekort: AWDC - voorheen Hoge Raad voor Diamant) geeft certificaten van oorsprong af voor diamant.
    Link: https://hrdantwerp.com/nl

9. Contact

§77. Voor meer informatie en bij verdere vragen kunt u contact opnemen met de Dienst Operationele Expertise en Ondersteuning, Departement Wetgeving – Douane via: da.lex.douane@minfin.fed.be.


Voor de Administrateur-generaal van de douane en accijnzen.
De Adviseur-generaal,
Jo LEMAIRE

-------------------

Interne referentie: D.I. 562- EOS/DD 017.805


BIJLAGEN

Bijlage I: Vereenvoudigde weergave voor wat betreft de vaststelling van de niet-preferentiële oorsprong van goederen bij invoer


Bijlage II: Vragenlijst – bepaling en controle van niet-preferentiële oorsprong

  • Verwijzing naar de aangifte voor het vrije verkeer:
  • Identificatie van de aangever:

Informatie betreffende de oorsprong van de goederen:
1. Beschrijving van het product:
2. Tariefindeling (minimum 6 cijfers):
3. Prijs af-fabriek:
4. Oorsprong:

  1. Hoe heeft u de aangegeven oorsprong van het product beoordeeld?

Gelieve volgende informatie voor te leggen aangaande de bepaling van de oorsprong:

1. Gedetailleerde beschrijving van het productieproces

2. Werd het product volledig vervaardigd met materialen die geheel en volledig zijn verkregen in het productieland?

3. Zo niet, gelieve volgende informatie voor te leggen:

  1. Als de oorsprong werd bepaald op basis van een verandering in tariefindeling, voor elk gebruikt materiaal of onderdeel de onderverdeling (6 cijfers) en de oorsprong daarvan.
  2. Als de oorsprong werd bepaald op basis van de meerwaarderegel, de waarde van de belangrijkste materialen of van de onderdelen die niet van oorsprong zijn uit het productieland van het eindproduct.
  3. Als de oorsprong op een andere manier werd bepaald (o.a. residuele regel of een specifieke verwerking), gedetailleerde informatie waarbij kan worden nagegaan of de regel al dan niet is vervuld (gewicht, waarde van de materialen, …).

Gelieve er rekening mee te houden dat bewijzen met betrekking tot deze informatie (inclusief kopieën van douaneaangiftes, facturen, enz.) ook in een later stadium van de verificatie kunnen vereist zijn.

Als de gevraagde informatie vertrouwelijk moet blijven, mag de vragenlijst ook rechtstreeks naar het douanekantoor worden gestuurd dat bevoegd is voor de verificatie, en dit op volgend adres


Bijlage III : Vragenlijst – Franse versie

  • Référence à la déclaration de mise en libre pratique :
  • Identification du déclarant :


Informations relatives à l'origine des marchandises :

1. Description du produit :
2. Classement tarifaire (minimum 6 chiffres) :
3. Prix départ usine :
4. Origine :

a. Comment avez-vous évalué l'origine déclarée du produit ?


Veuillez fournir les informations suivantes relatives à la détermination de l'origine :
1. Description détaillée du processus de production
2. Le produit a-t-il été totalement fabriqué à partir de matériaux entièrement et complètement obtenus dans le pays de production ?
3. Si tel n'est pas le cas, veuillez fournir les informations suivantes :

  1. Si l'origine a été déterminée sur la base d'un changement de la classement tarifaire, pour chaque matériau ou composant utilisé, la classification (6 chiffres) et son origine.
  2. Si l'origine a été déterminée sur la base de la règle de la valeur ajoutée, la valeur des principaux matériaux ou des parties non originaires du pays de production du produit fini.
  3. Si l'origine a été déterminée d'une autre manière (par exemple, règle résiduelle ou procédé spécifique), informations détaillées permettant de déterminer si la règle a été respectée ou non (poids, valeur des matériaux, etc.).


Veuillez noter que les preuves relatives à ces informations (y compris les copies des déclarations en douane, des factures, etc.) peuvent également être exigées à un stade ultérieur de la vérification.

Si les informations demandées doivent demeurer confidentielles, le questionnaire peut également être envoyé directement au bureau de douane chargé de la vérification, et ce, à l'adresse suivante :



Bijlage IV: Vragenlijst – versie in het Engels


Bijlage V: Certificaat van oorsprong voor bepaalde producten waarvoor bijzondere niet preferentiële invoerregelingen gelden en inleidende aantekeningen

Inleidende aantekeningen:

1. Het certificaat van oorsprong is twaalf maanden geldig vanaf de datum van afgifte door de instanties van afgifte

2. De certificaten van oorsprong bestaan slechts uit één exemplaar waarop, naast het opschrift van het document, het woord „origineel” is vermeld. Mochten extra kopieën nodig zijn, dan wordt daarop, naast het opschrift van het document, het woord „kopie” vermeld. De douaneautoriteiten van de Unie aanvaarden uitsluitend het origineel van het certificaat van oorsprong als geldig exemplaar.

3. De afmetingen van het certificaat van oorsprong zijn 210 × 297 mm, waarbij in de lengte een afwijking van ten hoogste 8 mm minder en 5 mm meer is toegestaan. Het te gebruiken papier is wit en houtvrij, met een gewicht van ten minste 40 g/m2. Het is voorzien van een gele, geguillocheerde onderdruk die elke vervalsing met behulp van mechanische of chemische middelen zichtbaar maakt.

4. De certificaten van oorsprong worden gedrukt en ingevuld in machineschrift in één van de officiële talen van de Unie. Op het certificaat mogen geen schrappingen of overschrijvingen voorkomen. Wijzigingen worden aangebracht door middel van doorhaling van de onjuiste gegevens en, in voorkomend geval, toevoeging van de juiste gegevens. Elke aldus aangebrachte wijziging wordt goedgekeurd door degene die deze aanbrengt en geviseerd door de instantie van afgifte.

Alle aanvullende, voor de tenuitvoerlegging van de Uniewetgeving inzake de bijzondere invoerregelingen vereiste gegevens worden in vak 5 van het certificaat van oorsprong vermeld.

De onbeschreven gedeelten van de vakken 5, 6 en 7 worden zo doorgehaald dat latere toevoegingen niet mogelijk zijn.

5. Elk certificaat van oorsprong is van een al dan niet gedrukt volgnummer voorzien, waarmee het van de andere certificaten kan worden onderscheiden, en is afgestempeld door de instantie van afgifte en ondertekend door de persoon of de personen die gemachtigd zijn het te ondertekenen.

6. Op de achteraf afgegeven certificaten van oorsprong wordt in vak 5 de volgende vermelding aangebracht in één van de officiële talen van de Europese Unie:
Expedido a posteriori,
Udstedt efterfølgende,
Nachträglich ausgestellt,
Εκδοθέν εκ των υστέρων,
Issued retrospectively,
Délivré a posteriori,
Rilasciato a posteriori,
Afgegeven a posteriori,
Emitido a posteriori,
Annettu jälkikäteen/utfärdat i efterhand,
Utfärdat i efterhand,
Vystaveno dodatečně,
Välja antud tagasiulatuvalt,
Izsniegts retrospektīvi,
Retrospektyvusis išdavimas,
Kiadva visszamenőleges hatállyal,
Maħruġ retrospettivament,
Wystawione retrospektywnie,
Vyhotovené dodatočne,
издаден впоследствие,
Eliberat ulterior,
Izdano naknadno.

7. Certificaten met in het rechterbovenvak de tekst van de oude versie „CERTIFICAAT VAN OORSPRONG voor de invoer van landbouwproducten in de Europese Economische Gemeenschap” en in het vak „NOTEN” de tekst van de oude versie kunnen worden gebruikt tot de voorraden zijn uitgeput maar in ieder geval niet langer dan tot 1 mei 2019.


Nederlandse versie:


Franse versie:


Engelse versie

Bijlage VI: Voorbeeld van een GN-code waarbij het certificaat van oorsprong uit bijlage 22-14 moet worden gebruikt

Opgelet. Dit voorbeeld is slechts een momentopname. De actuele situatie kan steeds via TARBEL worden geraadpleegd.

Scherm maatregelen:

Scherm tarifaire maatregelen:

Scherm maatregelcondities ( onder C):

Voetnoten: