Circulaire nr. AINV 6/2004 (IR/IV-4/30.008) van 10.08.2004
CIRC 10.08.04/1
BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Onroerende voorheffing
ONROERENDE VOORHEFFING
Kwijtschelding of proportionele vermindering van de OV
RECHTSPRAAK
Arrest van het Arbitragehof
Onroerende voorheffing
ONROERENDE VOORHEFFING
Kwijtschelding of proportionele vermindering van de OV
RECHTSPRAAK
Arrest van het Arbitragehof
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2+ en 2 (DB).
I. INLEIDING
1. Bij vonnis van 9 november 2001 inzake A. DEBACKER tegen de Belgische Staat heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld aan het Arbitragehof:
|
"Schendt artikel 2bis van de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 13 april 1995 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat voormeld artikel de eigenaars van gezonde panden en de eigenaars van ongezonde panden op dezelfde wijze behandelt terwijl er geen objectieve redenen zijn om deze beide soorten eigenaars op dezelfde wijze te behandelen ? Schendt artikel 2bis van de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 13 april 1995 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat voormeld artikel aan de eigenaars van ongezonde panden onder bepaalde voorwaarden vrijstelling verleent van de te betalen onroerende voorheffing terwijl er geen mogelijkheid wordt geboden aan de eigenaars van gezonde panden om vrijstelling van de onroerende voorheffing te bekomen ? Schendt artikel 2bis van de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 13 april 1995 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat voormeld artikel een onderscheid maakt tussen panden bestemd voor bewoning en panden die bestemd zijn voor andere doeleinden (b.v. winkelruimten, burelen, opslagplaatsen, e.d.m.)?" |
2. Bij vonnissen van 21 december 2001 inzake J. VAN HOORICK tegen de Belgische Staat heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld aan het Arbitragehof:
|
"Schendt artikel 2bis van de ordonnantie van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad van 23 juli 1992 betreffende de onroerende voorheffing, zoals dat artikel is ingevoerd, met uitwerking vanaf 1 januari 1995, bij artikel 3 van de ordonnantie van 13 april 1995, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voor zover het ertoe leidt dat de eigenaars van ongezonde panden die hun goed verwaarlozen, enerzijds, en de eigenaars van goed onderhouden panden die geen huurder hebben kunnen vinden om redenen die onafhankelijk zijn van hun wil, anderzijds, identiek worden behandeld in die zin dat beiden van het voordeel van kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing zijn uitgesloten ? Schendt artikel 2bis van de ordonnantie van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad van 23 juli 1992 betreffende de onroerende voorheffing, zoals dat artikel is ingevoerd, met uitwerking vanaf 1 januari 1995, bij artikel 3 van de ordonnantie van 13 april 1995, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het de eigenaars van onroerende goederen verschillend behandelt naargelang het gaat om ongezonde onroerende goederen die weer in goede staat worden gebracht onder de voorwaarden waarin de ordonnantie voorziet, of om goed onderhouden panden die tijdelijk onbewoond en onproductief zijn om redenen die onafhankelijk zijn van de wil van de eigenaar ? Roept artikel 2bis van de ordonnantie van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad van 23 juli 1992 betreffende de onroerende voorheffing, zoals dat artikel is ingevoerd, met uitwerking vanaf 1 januari 1995, bij artikel 3 van de ordonnantie van 13 april 1995, een discriminatie in het leven die verboden is bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat de voorwaarden die erin zijn opgesomd tot gevolg hebben dat de panden die niet voor bewoning bestemd zijn in de zin van de ordonnantie van 29 maart 1990 betreffende de toekenning van toelagen voor de renovatie van woningen aan natuurlijke personen ambtshalve zijn uitgesloten van het voordeel van kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing, zonder rekening te houden met de staat van onderhoud ervan, noch met de oorzaken van de leegstand en van het gebrek aan productiviteit ?" |
II. WETTELIJK KADER
3. Artikel 257, 4°, WIB 92 bepaalt:
|
"Op aanvraag van de belanghebbende wordt verleend: […] 4° kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing voor zover het belastbare kadastraal inkomen ingevolge artikel 15 kan worden verminderd." |
4. Artikel 15, § 1, van hetzelfde Wetboek bepaalt:
| "Het kadastraal inkomen wordt proportioneel verminderd naar verhouding tot de duur en de omvang van de onproduktiviteit, van het ontbreken van het genot van inkomsten of van het verlies ervan: |
1°
| wanneer een niet gemeubileerd gebouwd onroerend goed in de loop van het jaar gedurende ten minste 90 dagen volstrekt niet in gebruik is genomen en volstrekt geen inkomsten heeft opgebracht; |
2°
| wanneer materieel en outillage geheel, of voor een gedeelte dat ten minste 25 pct. van het kadastraal inkomen ervan vertegenwoordigt, in het jaar gedurende ten minste 90 dagen buiten werking zijn gebleven; |
3°
| wanneer een onroerend goed of materieel en outillage geheel, of voor een gedeelte dat ten minste 25 pct. van het kadastraal inkomen ervan vertegenwoordigt, zijn vernield. |
5. Overeenkomstig artikel 2
bis van de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 23 juli 1992 betreffende de onroerende voorheffing, zoals ingevoegd bij artikel 3 van de ordonnantie van 13 april 1995, wordt in afwijking van artikel 257, 4° WIB 92 op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest slechts een kwijtschelding of proportionele vermindering van de OV verleend onder de volgende voorwaarden:
1°
| dat het een gebouwd onroerend goed betreft dat niet gemeubileerd is en dat in de loop van het jaar gedurende ten minste negentig dagen niet in gebruik is genomen en geen inkomsten heeft opgebracht; |
2°
| dat het onder 1° bedoelde gebouw hetzij ongezond maar verbeterbaar is verklaard, in de zin van artikel 6 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 29 maart 1990 betreffende de toekenning van toelagen voor de renovatie van woningen aan natuurlijke personen, hetzij, door de gemeenteraad, krachtens artikel 119 van de nieuwe gemeentewet, of door de burgemeester, krachtens de artikelen 133 en 135 van dezelfde wet, ongezond maar verbeterbaar is verklaard; |
3°
| dat het gebouw na de werkzaamheden voldoet aan de minimale bewoonbaarheidsnormen, omschreven in artikel 6 van hetzelfde besluit; |
4°
| dat de belastingplichtige, bedoeld in artikel 251 van hetzelfde wetboek een bewoning van het gebouw bewijst gedurende een ononderbroken periode van negen jaar. De onderbrekingen van maximaal negentig dagen worden beschouwd als ononderbroken bewoning; |
5°
| dat de belastingplichtige aan de gewestelijke directeur van de administratie van de directe belastingen, bevoegd voor de plaats waar het ongezond verklaard maar verbeterbaar gebouw is gelegen, een attest bezorgt dat al naargelang het geval door de administratie voor huisvesting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of door het gemeentebestuur is uitgereikt." |
III. DOEL VAN DE TER DISCUSSIE STAANDE WETTELIJKE BEPALING
6. Gebruik makend van zijn bevoegdheid om de vrijstellingen van de OV te wijzigen, heeft de Brusselse gewestelijke wetgever de kwijtschelding of proportionele vermindering van de OV voor een gebouwd onroerend goed dat niet gemeubileerd is, aan bijkomende voorwaarden onderworpen.
Die kwijtschelding of proportionele vermindering voor panden die in de loop van het jaar gedurende minstens 90 dagen niet werden gebruikt, werd door de gewestelijke wetgever beschouwd als één van de factoren die de vastgoedspeculatie op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest in de hand heeft gewerkt "
met nefaste gevolgen voor de inwoners zoals onder andere de verhoging van de huurprijzen, de verkrotting en leegstand van de woningen" (Parl. St., Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 1993-1994, A-319/1, p. 1).
Om aan die toestand te verhelpen, heeft de ordonnantiegever de kwijtschelding of proportionele vermindering van de OV beperkt tot de panden die ongezond maar verbeterbaar zijn verklaard en die na de werkzaamheden aan de minimale bewoonbaarheidsnormen voldoen.
Deze beperking beoogt niet alleen de verkrotting tegen te gaan, zij wil ook "
een groot aantal eigenaars ertoe aanzetten om hun gebouwen en appartementen sneller te huur te zetten". In die zin moet de ter discussie staande wettelijke bepaling worden beschouwd "
als een middel dat wordt uitgewerkt om een doelstelling te bereiken die bij de laatste grondwetsherziening werd ingevoerd, met name het recht op een gepaste woning" (Parl. St., Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 1993-1994, A-319/1, p. 2, en A-319/2, p. 3).
7. Door de voormelde bijkomende voorwaarden werden bepaalde categorieën van eigenaars die voorheen in aanmerking kwamen voor de kwijtschelding of vermindering van de OV omdat hun pand in de loop van het jaar gedurende minstens 90 dagen niet werd gebruikt, daarvan uitgesloten.
Het betreft meer bepaald:
- de eigenaars van gezonde woningen;
- de eigenaars van ongezonde woningen die hun woning niet renoveren;
- de eigenaars van panden die niet voor bewoning maar voor andere doeleinden zijn bestemd.
IV. ARREST VAN HET ARBITRAGEHOF NR 187/2002 VAN 19 DECEMBER 2002 OP DE PREJUDICIELE VRAAG BETREFFENDE ARTIKEL 2BIS VAN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST VAN 23 JULI 1992 BETREFFENDE DE ONROERENDE VOORHEFFING, ZOALS INGEVOEGD BIJ ARTIKEL 3 VAN DE ORDONNANTIE VAN 13 APRIL 1995
8. Volgens het Arbitragehof staat de beperking van de mogelijkheid tot kwijtschelding of proportionele vermindering van de OV, rekening houdend met de verplichting die op grond van artikel 23, derde lid, 3°, van de Grondwet voor de wetgevers, meer bepaald de gewestelijke wetgevers, geldt om het recht op een behoorlijke huisvesting te waarborgen in verband met de doelstellingen van de ter discussie staande maatregel.
De daaruit voortvloeiende gelijke behandeling van de eigenaars van gezonde panden en de eigenaars van ongezonde panden die hun pand niet renoveren, alsook de daaruit voortvloeiende verschillen in behandeling van de eigenaars van gezonde panden en de eigenaars van ongezonde panden die hun woning wel renoveren, enerzijds, en van de eigenaars van panden bestemd voor bewoning en de eigenaars van panden bestemd voor andere doeleinden, anderzijds, kan in beginsel als redelijk verantwoord worden beschouwd.
9. Het Arbitragehof stelt in zijn arrest van 19 december 2002 dat de uitsluiting van de kwijtschelding of proportionele vermindering van de OV van de volgende eigenaars van onroerende goederen in overeenstemming is met de respectievelijke doelstellingen van de ter discussie staande maatregel:
- de eigenaars van gezonde leegstaande woningen wat in overeenstemming is met de doelstelling die erin bestaat de leegstand van woningen te bestrijden;
- de eigenaars van ongezonde leegstaande woningen die hun woning niet renoveren wat in overeenstemming is met de doelstelling die erin bestaat de verkrotting van woningen tegen te gaan;
- de eigenaars van panden die niet voor bewoning maar voor andere doeleinden zijn bestemd wat in overeenstemming is met de doelstelling die erin bestaat tegemoet te komen aan de bekommernis van de gewestelijke wetgever om in de eerste plaats de huisvesting in het Brussels Hoofdstedelijke Gewest te verbeteren.
10. Het Arbitragehof besliste echter dat de ter discussie staande bepaling onevenredige gevolgen heeft ten aanzien van
de categorie van eigenaars van goed onderhouden woningen van wie de woning leegstaat wegens uitzonderlijke omstandigheden onafhankelijk van hun wil.
V. RICHTLIJNEN
A.
Algemeen
11. Wanneer het Arbitragehof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, heeft verklaard dat een wet, een decreet of een ordonnantie de bevoegdheidsregels of de desbetreffende grondwetsbepalingen schendt, brengt dit niet de nietigheid met zich van de ongrondwettelijk bevonden wetsbepaling.
12. Wanneer een prejudiciële vraag is gesteld, beperkt het Arbitragehof zich tot het beantwoorden van een abstracte vraag, die losstaat van de feiten van de zaak waarvan het verwijzend rechtscollege kennis neemt.
Het geschil dat de verwijzende rechter dient te beslechten, vormt bijgevolg niet het onderwerp van het geschil dat aan het Arbitragehof is voorgelegd.
Het behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van het rechtscollege dat een prejudiciële vraag bij het Hof aanhangig heeft gemaakt, uitspraak te doen over de toepasselijkheid van een norm op een zaak die bij het rechtscollege is aanhangig gemaakt.
B.
Draagwijdte van een arrest van het Arbitragehof op een prejudiciële vraag
13. Het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, evenals elk ander rechtscollege dat
in dezelfde zaak uitspraak doet, moet zich voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de prejudiciële vraag werd gesteld, voegen naar het arrest van het Arbitragehof (cf. artikel 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof).
Uit de artikelen 4, 2°, en 26, § 2, derde lid, 1°, van dezelfde wet blijkt echter dat de draagwijdte van een dergelijk arrest verder gaat dan de grenzen bepaald in artikel 28.
14. De overige rechtscolleges en zelfs dezelfde rechtscolleges die in een andere zaak uitspraak doen, moeten zich namelijk niet meer opnieuw tot het Arbitragehof wenden, tenzij zij vanzelfsprekend de interpretatie van het Arbitragehof in vraag wensen te stellen.
Deze rechtscolleges moeten zich dan wel voegen naar het arrest van het Arbitragehof.
C.
Richtlijnen
1) Algemeen geldend principe - Eigenaars van goed onderhouden woningen van wie de woning leegstaat wegens uitzonderlijke omstandigheden onafhankelijk van hun wil
1) Algemeen geldend principe - Eigenaars van goed onderhouden woningen van wie de woning leegstaat wegens uitzonderlijke omstandigheden onafhankelijk van hun wil
15. Voor een goed begrip van wat onder de voormelde categorie van eigenaars moet worden verstaan, wordt vooreerst de volgende passus van het verslag van de Commissie voor de Financiën van de Kamer, Zitting 1950-1951, doc. 160, blz. 6 geciteerd volgens welke:
| "de vermindering niet toepasselijk is wanneer de verhuurder een onroerend goed vrijwillig onbewoond laat, om reden dat hij er wegens persoonlijke beweegredenen de beschikking over wenst te behouden." |
Alsook het verslag van de Commissie voor de Financiën van de Senaat, Zitting 1950-1951, doc. 162, blz. 9:
| "… d.w.z. dat de belasting verschuldigd is wanneer het goed niet verhuurd was, doch kon verhuurd geweest zijn ;" |
Bepaalde rechtspraak die in deze zin is gevestigd werd opgenomen in de Com./WGB onder de nrs 257/89 t.e.m. 257/97.
16. Er wordt tevens herinnerd aan de volgende principes in verband met de vrijwillige niet-ingebruikneming van een gebouwd onroerend goed:
Zulks geldt voor de eigenaar die:
- in welke vorm ook de vrije en volledige beschikking over zijn goed wil behouden;
- niet laat blijken dat hij geheel buiten zijn wil om geen huurder heeft kunnen vinden voor een gewoonlijk verhuurd onroerend goed;
- vrijwillig besluit zijn onroerend goed ongebruikt te laten om het aan een voordeliger prijs te kunnen verkopen;
- zijn goed niet te huur stelt, maar het enkel openbaar te koop stelt.
17. Het is aan de eigenaar van de goed onderhouden woning om door alle rechtsmiddelen aan te tonen dat de niet-ingebruikneming van de woning een onvrijwillig karakter heeft en bijgevolg te wijten is aan uitzonderlijke omstandigheden onafhankelijk van zijn wil (bv. verschillende of opeenvolgende advertenties met het oog op verhuur, …).
2) Het Brussels Hoofdstedelijke Gewest
18. Voor het Brussels Hoofdstedelijke Gewest geldt voortaan dat aan de eigenaars van goed onderhouden woningen van wie de woning leegstaat wegens uitzonderlijke omstandigheden onafhankelijk van hun wil slechts een kwijtschelding of proportionele vermindering van de OV kan worden verleend onder de volgende voorwaarden:
1°
| dat het een gebouwd onroerend goed betreft dat niet gemeubileerd is en dat in de loop van het jaar gedurende ten minste negentig dagen niet in gebruik is genomen en geen inkomsten heeft opgebracht; |
2°
| dat de belastingplichtige, bedoeld in artikel 251 WIB 92 een bewoning van het gebouw bewijst gedurende een ononderbroken periode van negen jaar. De onderbrekingen van maximaal negentig dagen worden beschouwd als ononderbroken bewoning. |
19. De voormelde vereiste periode van ononderbroken bewoning van negen jaar moet aanvangen negen jaar vóór de aanvang van de periode waarvoor de kwijtschelding of proportionele vermindering van de OV wordt gevraagd.
a)
Er werd een bezwaarschrift ingediend binnen de in artikel 371, WIB 92 voorgeschreven termijn of een verzoekschrift binnen de termijn bepaald in artikel 376, § 3, 2°, WIB 92
20. De ambtenaren die uitspraak moeten doen over hangende bezwaarschriften of verzoekschriften die werden ingediend om kwijtschelding of proportionele vermindering van de OV te bekomen met betrekking tot onroerende goederen die gelegen zijn in het Brussels Hoofdstedelijke Gewest, worden verzocht het arrest van het Arbitragehof van 19 december 2002 toe te passen bij alle betreffende toekomstige beslissingen.
21. Ingevolge het voormelde arrest mag de categorie van eigenaars van goed onderhouden woningen van wie de woning leegstaat wegens uitzonderlijke omstandigheden onafhankelijk van hun wil niet zonder meer van de mogelijkheid tot het bekomen van kwijtschelding of proportionele vermindering van de OV in het Brussels Hoofdstedelijke Gewest worden uitgesloten.
22. Het spreekt echter vanzelf dat de bepalingen van het artikel 2
bis van de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 23 juli 1992 betreffende de OV, zoals ingevoegd bij artikel 3 van de ordonnantie van 13 april 1995, die ten aanzien van de voormelde categorie van eigenaars niet als discriminerend kunnen worden beschouwd, blijven gelden.
Inzonderheid wordt er op gewezen dat de bedoelde categorie van eigenaars een ononderbroken periode van negen jaar bewoning moet bewijzen van het gebouw waarvoor de vermindering wordt gevraagd (te interpreteren zoals vermeld onder punt 19).
23. Dit houdt uiteraard ook in dat alle bepalingen van het voormelde artikel 2
bis ten aanzien van de overige categorieën van eigenaars onverkort blijven gelden.
b)
Er werd een verzoekschrift ingediend na het verstrijken van de in artikel 371 en artikel 376, § 3, 2), WIB 92 bepaalde termijnen
24. Om nutteloze gerechtelijke procedures (1) te vermijden, wordt dan ook voorgesteld om voor de categorie van eigenaars van goed onderhouden woningen van wie de woning leegstaat wegens uitzonderlijke omstandigheden onafhankelijk van hun wil, de administratieve onderrichtingen in verband met de procedure van ambtshalve ontheffing zoals bepaald in de circulaire van 4 mei 2001 met referte Ci.RH.862/536.019 toe te passen.
[(1) Elke weigering om in voorkomend geval tot ambtshalve ontheffing over te gaan zal immers in de meeste gevallen onvermijdelijk gevolgd worden door een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg die de belastingplichtigen in het gelijk zal stellen overeenkomstig artikel 26, § 2, derde lid, 1°, van de bijzondere wet op het Arbitragehof.]
Volgens deze onderrichtingen mag de gewestelijke directeur, voor zover de toepassingsvoorwaarden van artikel 376, § 1, WIB 92 vervuld zijn, een ambtshalve ontheffing toepassen door zich te voegen naar een arrest van het Arbitragehof.
Daar waar de bijzondere wet op het Arbitragehof geen nieuwe beroepstermijn opent tegen de verrichtingen die een toepassing vormen op de ongrondwettelijk verklaarde bepaling moeten de arresten van het Arbitragehof op prejudiciële vragen immers worden beschouwd als een nieuw bewijskrachtig feit in de zin van artikel 376, § 1, WIB 92.
25. Volledigheidshalve moet hier worden aan toegevoegd dat het nieuw bewijskrachtig feit waarvan sprake in artikel 376, WIB 92 slechts door de belastingplichtige kan worden aangevoerd indien de bezwaartermijn voorgeschreven in artikel 371, WIB 92 verstreken was op de datum van het arrest van het Arbitragehof of uiterlijk op de datum van de publicatie van dat arrest in het Belgisch Staatsblad (resp. 19.12.2002 en 21.3.2003).
Aangezien het gaat om de toepassing van een ambtshalve ontheffing ingevolge een als ongrondwettelijk beoordeelde bepaling, moet de voor de belastingplichtige gunstigste datum (hetzij de datum van het voormeld arrest, hetzij de datum van bekendmaking ervan in het BS) in aanmerking worden genomen bij het onderzoek of de toepassingsvoorwaarden van artikel 376, § 1, WIB 92 verenigd zijn.
26. De richtlijnen in deze circulaire gelden voor alle hangende en toekomstige bezwaar- en verzoekschriften.
Voor de Directeur-generaal:
L. VAN DER WESTEN
Auditeur-generaal, dienstchef
Bron: FisconetPlus
