Circulaire AFZ nr. 9/2010 (AAF/2010-0163-1) dd 10.06.2010
Circulaire AFZ nr. 9/2010 dd 10/06/2010
Personenbelasting
Uitgave voor kinderoppas
Gehandicapt kind
Elektrisch voertuig
Energiebesparende uitgave
Landbouw
Aftrekbare beroepskosten
Forfaitaire beroepskosten
Bedrijfsleider
Voordeel van alle aard
Eerste commentaar op de programmawet van 23 december 2009.
Aan alle ambtenaren van de niveaus A, B en C van de Administratie van fiscale zaken, van de Algemene administratie van de fiscaliteit (sector directe belastingen), en van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie.
In bijlage 1 volgt een eerste commentaar inzake personenbelasting betreffende de programmawet van 23 december 2009 (verkort PW 23-12-2009; BS 30-12-2009), meer bepaald over de bepalingen inzake :
- de opvangkosten voor kinderen met een zware handicap;
- de maatregelen met als doel het bevorderen van elektrische voertuigen;
- de aanpassingen voor energiebesparende uitgaven (belastingvermindering, overdracht van belastingvermindering, belastingkrediet);
- de steunmaatregelen m.b.t. de landbouw ;
- enkele aanpassingen inzake de beroepskosten (forfaitaire kosten van bedrijfsleiders, brandstofkosten) ;
- de berekeningswijze van de voordelen van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig.
In bijlage 2 volgt het bericht gepubliceerd in het BS van 15 januari 2010, ed. 1, betreffende de toepassing van het specifieke belastingstelsel in het kader van de steun aan de landbouw als bedoeld in de artikelen 137 tot 141 van de programmawet van 23 december 2009 voor de aanslagjaren 2008 en 2009.
NAMENS DE MINISTER:
De Adjunct-administrateur-generaal,
Paul NECKEBROECK
Bijlage 1
PROGRAMMAWET VAN 23 DECEMBER 2009
INHOUDSTAFEL
I. UITGAVEN VOOR KINDEROPVANG
A. Wettekst
B. Commentaar
C. Inwerkingtreding
II. ELEKTRISCHE VOERTUIGEN EN OPLAADPUNTEN
A. Wettekst
B. Commentaar
C. Inwerkingtreding
III. VERMINDERING VOOR ENERGIEBESPARENDE UITGAVEN
A. Wettekst
B. Reglementaire bepaling
C. Commentaar
D. Inwerkingtreding
IV. STEUN AAN DE LANDBOUW
A. Wettekst
B. Commentaar
C. Inwerkingtreding
IV. DIVERSE WIJZIGINGEN
1. Wijziging aan artikel 36, WIB 92
A. Wettekst
B. Reglementaire bepaling
C. Commentaar
D. Inwerkingtreding
2. Wijzigingen aan artikel 51, WIB 92
A. Wettekst
B. Commentaar
C. Inwerkingtreding
3. Wijzigingen aan artikel 66, WIB 92
A. Wettekst
B. Commentaar
C. Inwerkingtreding
I. UITGAVEN VOOR KINDEROPVANG
A. Wettekst
(...)
Art. 119. Artikel 113, § 1, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 6 juli 1994, 6 juli 2004, 27 december 2005, 1 maart 2007 en 22 december 2008, wordt aangevuld met de volgende leden :
“In afwijking van het eerste lid, 1°, zijn de uitgaven gedaan voor de opvang van kinderen met een zware handicap die de leeftijd van achttien jaar niet hebben bereikt, eveneens aftrekbaar onder dezelfde voorwaarden.
Voor de toepassing van dit artikel, wordt onder “kind met zware handicap” verstaan, het kind dat recht heeft op de verhoogde kinderbijslag op basis van een van de volgende criteria :
1° ofwel, meer dan 80 pct. lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid met 7 tot 9 punten van de graad van zelfstandigheid gemeten aan de hand van de gids gevoegd bij het koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen;
2° ofwel, een totaal van minstens 15 punten, vastgesteld volgens de medisch-sociale schaal overeenkomstig het koninklijk besluit van 28 maart 2003 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor de loonarbeiders en van artikel 88 van de programmawet (I) van 24 december 2002.”.
(…)
Art. 126. (…) Artikel 119 is van toepassing op de uitgaven die zijn betaald vanaf 1 januari 2010.
(…)
B. Commentaar
Gezinnen met kinderen met een handicap hebben aanzienlijke kosten in verband met de opvang van hun kinderen. Die kosten zijn nog hoger voor kinderen met een zware handicap.
Om voor de hand liggende gezins- en sociale redenen wordt artikel 113, § 1, WIB 92, aangevuld met een tweede lid, teneinde de aftrek van de opvangkosten uit te breiden tot de kinderen met een zware handicap die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder kind met een zware handicap verstaan, het kind dat recht heeft op de verhoogde kinderbijslag op basis van één van de volgende criteria :
- ofwel, meer dan 80 pct. lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid :
- ofwel, een totaal van minstens 15 punten (vastgesteld volgens de medisch-sociale schaal). Deze criteria werden vastgesteld volgens de bestaande reglementering inzake de kinderbijslag.
C. Inwerkingtreding
Deze wijziging is van toepassing op de uitgaven betaald vanaf 1-1-2010.
II. ELEKTRISCHE VOERTUIGEN EN OPLAADPUNTEN
A. Wettekst
(…)
Art. 116. In titel II, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling III, A, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 63/1 ingevoegd dat luidt als volgt :
“Art. 63/1. De oplaadstations voor elektrische voertuigen mogen, wat de investeringen gedaan in de jaren 2010 tot 2012 betreft, worden afgeschreven met twee vaste annuïteiten.”.
(…)
Art. 118. Artikel 69, § 1, 2°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 8 april 2003 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2004, 7 december 2006, 24 april 2007 en 6 mei 2009, wordt aangevuld als volgt :
“e) wat de investeringen gedaan in de jaren 2010 tot 2012 betreft, de oplaadstations voor elektrische voertuigen;”.
(….)
Art. 122. Het opschrift van titel II, hoofdstuk III, afdeling 1, onderafdeling IInonies, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 9 juli 2004 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2006 en de wet van 22 december 2009 houdende fiscale en diverse bepalingen, wordt vervangen als volgt : “Onderafdeling IInonies. Vermindering voor de uitgaven met het oog op de verwerving van een elektrisch voertuig of met het oog op de installatie van een oplaadpunt voor elektrische voertuigen”.
Art. 123. In artikel 145^28 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 22 december 2009 houdende fiscale en diverse bepalingen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus of “ingevoegd tussen de woorden “in nieuwe staat van” en de woorden “een motorfiets, ”;
2° de inleidende zin van paragraaf 1, derde lid, wordt vervangen als volgt :
“De belastingvermindering is gelijk aan 15 pct. van de aanschaffingswaarde bij de aankoop van een motorfiets, een driewieler of een vierwieler met een maximum van :”;
3° paragraaf 1 wordt aangevuld met het volgende lid :
“Voor de uitgaven betaald in de jaren 2010 tot 2012, is de belastingvermindering gelijk aan 30 pct. van de aanschaffingswaarde met een maximum van 6.500 euro bij de aankoop van een uitsluitend door een elektrische motor aangedreven personenwagen, wagen dubbel gebruik of minibus.”;
4° het wordt aangevuld met een paragraaf 3 die luidt als volgt :
“§ 3. Er wordt een belastingvermindering verleend voor de uitgaven die werkelijk zijn betaald gedurende de belastbare tijdperken 2010 tot 2012 met het oog op de installatie van een aan de buitenkant van een woning geplaatst oplaadpunt voor elektrische voertuigen.
De belastingvermindering is gelijk aan 40 pct. van de werkelijk gedane uitgaven bedoeld in het eerste lid met een maximum van 180 euro.
De belastingvermindering is niet van toepassing op uitgaven die :
a) in aanmerking genomen zijn als werkelijke beroepskosten;
b) recht geven op de in artikel 69 vermelde investeringsaftrek;
c) in aanmerking komen voor de toepassing van de artikelen 104, 8°, 145^24, 145^25, 145^30 en145^31.
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de belastingvermindering voor de in het eerste lid bedoelde uitgaven evenredig omgedeeld in functie van het belastbaar inkomen van elk der echtgenoten ten opzichte van de som van de belastbare inkomsten van de beide echtgenoten.”.
(….)
Art. 125. Artikel 147 van de programmawet van 27 april 2007 wordt aangevuld met een paragraaf 6, luidende :
“§ 6. Dit artikel is niet van toepassing op de uitgaven die werkelijk zijn betaald om een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus in nieuwe staat te verwerven die uitsluitend wordt aangedreven door een elektrische motor.”.
Art. 126. (…) De artikelen 122, 123 en 125 zijn van toepassing op de uitgaven die zijn betaald in de jaren 2010 tot 2012.
De artikelen 116 en 118 zijn van toepassing op de investeringen die zijn gedaan tijdens belastbare tijdperken die zijn verbonden aan de aanslagjaren 2011 tot 2013.
(…)
B. Commentaar
Elektrisch aangedreven voertuigen zijn één van de mogelijkheden die ons uitzicht geven op een toekomst van individueel vervoer met een klein impact op het milieu. Deze wagens zijn momenteel echter veel te duur bij aankoop in vergelijking met de personenwagens in diesel-, benzine- of LPG-versie.
Het is dus nodig om de aankoop van deze voertuigen aan te moedigen.
Daarom worden verscheidene fiscale gunstmaatregelen ingevoerd ten voordele van elektrische voertuigen, oplaadpunten en oplaadstations :
1. een belastingvermindering van 30 pct. van de aankoopprijs met een maximum van 6.500 EUR (niet- geïndexeerd bedrag) wordt toegekend bij de aanschaf van een elektrische personenwagen, wagen voor dubbel gebruik of een minibus. Om evenwel een dubbele vermindering te vermijden, worden deze voertuigen uitgesloten van de maatregel inzake korting op factuur ;
2. een belastingvermindering van 40 pct. met een maximum van 180 EUR (niet-geïndexeerd bedrag) wordt toegekend op de uitgaven voor de installatie van oplaadpunten voor elektriciteit. De oplaadpunten moeten aan de buitenkant van een woning worden geplaatst ;
3. er wordt in een verhoogde investeringsaftrek voorzien voor de installatie van oplaadstations en deze stations mogen worden afgeschreven op 2 jaar.
C. Inwerkingtreding
De artikelen 145^28, WIB 92 en 147 van de programmawet van 27 april 2007 zijn van toepassing op de uitgaven die werkelijk betaald worden tijdens de belastbare tijdperken 2010 tot 2012.
De artikelen 63/1 en 69, § 1, 2°, WIB 92 zijn van toepassing op de investeringen die zijn gedaan tijdens belastbare tijdperken die zijn verbonden aan de aanslagjaren 2011 tot 2013.
III. VERMINDERING VOOR ENERGIEBESPARENDE UITGAVEN
A. Wettekst
(...)
Art. 120. In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van hetzelfde Wetboek, wordt het opschrift van onderafdeling IIquinquies, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de wetten van 27 april 2007 en 27 maart 2009, vervangen als volgt :
“Onderafdeling IIquinquies. Vermindering voor energiebesparende uitgaven in een woning”.
Art. 121. In artikel 145^24 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de wetten van 5 augustus 2003, 31 juli 2004, 27 december 2005, 27 december 2006, 27 april 2007 en 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) paragraaf 1, tweede lid, wordt aangevuld als volgt :
“c) zijn bedoeld in het eerste lid, 1° en 4° tot 7°, wanneer de uitgaven betrekking hebben op werken die worden verricht aan een woning waarvan de ingebruikneming minder dan vijf jaar voorafgaat aan de aanvang van die werken.”;
b) in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden “in het eerste lid, 2° of 3°” vervangen door de woorden “in het eerste lid, 3°”;
c) paragraaf 1, zevende lid, wordt aangevuld met de woorden “en de volgorde waarin de in deze paragraaf bedoelde verminderingen worden aangerekend”;
d) in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden “een passiefhuis” telkens vervangen door de woorden “een lage energiewoning, een passiefwoning of een nul energiewoning”;
e) in paragraaf 2 worden het tweede tot het vierde lid vervangen door de volgende leden :
“Onder lage energiewoning wordt verstaan een woning die is gelegen in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte waarvan de totale energievraag voor ruimteverwarming en koeling moet beperkt blijven tot 30 kWh/m2 geklimatiseerde vloeroppervlakte.
Onder passiefwoning wordt verstaan een woning die is gelegen in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° de totale energievraag voor ruimteverwarming en koeling moet beperkt blijven tot 15 kWh/m2 geklimatiseerde vloeroppervlakte;
2° bij een luchtdichtheidsproef (overeenkomstig de norm NBN EN 13829) met een drukverschil tussen binnen- en buitenomgeving van 50 pascal is het luchtverlies niet groter dan 60 pct. van het volume van de woning per uur (n50 niet groter dan 0,6/uur).
Onder nulenergiewoning wordt verstaan een woning gelegen in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die voldoet aan de voorwaarden van een passiefwoning en waarin de resterende energievraag voor ruimteverwarming en koeling volledig wordt gecompenseerd door ter plaatse opgewekte hernieuwbare energie. De Koning bepaalt op welke wijze de opwekking van hernieuwbare energie wordt in aanmerking genomen voor de compensatie.
De belastingvermindering wordt verleend gedurende 10 opeenvolgende belastbare tijdperken vanaf het belastbaar tijdperk waarin is vastgesteld dat de woning een lage energiewoning, een passiefwoning of een nul energiewoning is. Die vaststelling blijkt uit een certificaat dat wordt uitgereikt door een door de Koning erkende instelling of door de bevoegde gewestelijke administratie of een gelijkaardige instelling of bevoegde administratie die is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte.
Wanneer evenwel gedurende één van de in het vijfde lid bedoelde tien belastbare tijdperken uit een nieuw certificaat blijkt dat de woning voldoet aan strengere normen dan de norm of normen waaraan werd voldaan blijkens een vorig certificaat, wordt voor de resterende belastbare tijdperken de belastingvermindering verleend waarop het behalen van die strengere normen recht geeft.
De belastingvermindering bedraagt :
1° 300 euro per belastbaar tijdperk en per woning voor een lage energiewoning;
2° 600 euro per belastbaar tijdperk en per woning voor een passiefwoning;
3° 1.200 euro per belastbaar tijdperk en per woning voor een nul energiewoning.”;
f) in het zesde lid van paragraaf 2, dat het negende lid is geworden, worden de woorden “voor de uitgaven” opgeheven;
g) het achtste lid van paragraaf 2, dat het elfde lid is geworden, wordt vervangen als volgt :
“De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het certificaat als bedoeld in het vijfde lid. De erkende instelling of de bevoegde gewestelijke administratie stelt de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde in kennis van het uitreiken van een certificaat. Deze kennisgeving geschiedt in de vorm en binnen de termijn die de Koning bepaalt. In voorkomend geval moet de belastingplichtige het certificaat dat wordt uitgereikt door de gelijkwaardige instelling of bevoegde administratie die is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, ter beschikking van de fiscale administratie houden.”;
h) in het negende lid van paragraaf 2, dat het twaalfde lid is geworden, worden de woorden “in het vierde lid” en “in het tweede lid” respectievelijk vervangen door de woorden “in het vijfde lid” en “in het derde lid”.
(...)
Art. 124. In artikel 156bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 juni 2008 en gewijzigd bij de wet van 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) het eerste lid, 2°, wordt vervangen als volgt :
“2° de in de belastbare tijdperken 2009 tot 2012 werkelijk betaalde energiebesparende uitgaven bedoeld in artikel 145^24, § 1, eerste lid, 5°, en het overeenkomstig artikel 145^24, § 1, vijfde lid, overgedragen overschot van de vermindering betreffende die uitgaven.”;
b) het eerste lid wordt aangevuld met een bepaling onder 3° die luidt als volgt :
“3° de in de belastbare tijdperken 2010 tot 2012 werkelijk betaalde energiebesparende uitgaven bedoeld in artikel 145^24, § 1, eerste lid, 1°, 4°, 6° en 7°, en het overeenkomstig artikel 145^24, § 1, vijfde lid, overgedragen overschot van de vermindering betreffende die uitgaven.”.
(...)
Art. 126. Artikel 124, a), is van toepassing op de uitgaven die werkelijk zijn betaald vanaf 1 januari 2009.
Artikel 121, c), is van toepassing vanaf aanslagjaar 2010.
(…)
De artikelen 120, 121, a), en 124, b), zijn van toepassing op de uitgaven die werkelijk zijn betaald vanaf 1 januari 2010.
De artikelen 115 en 121, d), tot h), zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2011. (…)
Artikel 121, b), is van toepassing vanaf aanslagjaar 2012.
B. Reglementaire bepaling
Koninklijk besluit van 8 februari 2010 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de aanrekeningsregels voor de belastingverminderingen voor energiebesparende uitgaven.
Artikel 1. Artikel 6311 van het KB/WIB 92, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 20 december 2002 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 juni 2004 en 27 januari 2009, wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende :
"§ 3. De in artikel 14524, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde verminderingen worden per belastbaar tijdperk en per woning aangerekend in de hierna vermelde volgorde :
1° de in artikel 145^24, § 1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek bedoelde verhoging van de verminderingen;
2° het in artikel 145^24, § 1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek bedoelde basisbedrag van de verminderingen.
De in het eerste lid, 1° bedoelde verhoging wordt op de voor die verhoging in aanmerking komende verminderingen aangerekend in de hierna vermelde volgorde :
1° de verminderingen die niet naar een volgend belastbaar tijdperk kunnen worden overgedragen;
2° de verminderingen die van vorige belastbare tijdperken zijn overgedragen, te beginnen met de oudste;
3° de verminderingen voor de uitgaven gedaan tijdens het belastbaar tijdperk die naar volgende belastbare tijdperken kunnen worden overgedragen.
Binnen elk van de in het tweede lid, 2° en 3°, bedoelde groepen worden de verminderingen aangerekend in de hierna vermelde volgorde :
1° de vermindering voor de uitgaven vermeld in artikel 145^24, § 1, eerste lid, 2°, van hetzelfde Wetboek; 2° de vermindering voor de uitgaven vermeld in artikel 145^24, § 1, eerste lid, 3°, van hetzelfde Wetboek. Het in het eerste lid, 2°, bedoelde basisbedrag wordt aangerekend in de hierna vermelde volgorde :
1° de verminderingen die niet naar een volgend belastbaar tijdperk kunnen worden overgedragen;
2° de verminderingen die van vorige belastbare tijdperken zijn overgedragen, te beginnen met de oudste;
3° de verminderingen voor de uitgaven gedaan tijdens het belastbaar tijdperk die naar volgende belastbare tijdperken kunnen worden overgedragen.
Binnen elk van de in het vierde lid bedoelde groepen worden de verminderingen aangerekend in de hierna vermelde volgorde :
1° de verminderingen die voor de belastingplichtige in aanmerking kunnen komen voor de omzetting in een belastingkrediet als bedoeld in artikel 156bis, eerste lid, 2° van hetzelfde Wetboek;
2° de verminderingen die niet in aanmerking komen voor de in artikel 145^24, § 1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek bedoelde verhoging, noch voor de belastingplichtige in aanmerking kunnen komen voor de omzetting in een belastingkrediet als bedoeld in artikel 156bis, eerste lid, 2°, van hetzelfde Wetboek;
3° de verminderingen die in aanmerking komen voor de in artikel 145^24, § 1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek bedoelde verhoging.
De in het vijfde lid, 3° bedoelde verminderingen worden aangerekend in de hierna vermelde volgorde : 1° de vermindering voor de uitgaven vermeld in artikel 145^24, § 1, eerste lid, 2°, van hetzelfde Wetboek;
2° de vermindering voor de uitgaven vermeld in artikel 145^24, § 1, eerste lid, 3°, van hetzelfde Wetboek.".
Art. 2. Artikel 1 is van toepassing vanaf aanslagjaar 2010.
(…)
C. Commentaar
Algemeen
De federale overheid heeft tot op vandaag reeds een reeks maatregelen genomen met betrekking tot het energiezuiniger maken van alle woningen, zonder onderscheid tussen bestaande en nieuwe woningen.
Beperking voor nieuwe woningen
De nieuwe maatregelen beperken het toepassingsgebied van de belastingvermindering voor de nieuwe woningen. Voor dit type woningen wordt de belastingvermindering slechts nog verleend voor de volgende uitgaven :
- uitgaven voor de installatie van een systeem van waterverwarming door middel van zonne-energie ;
- uitgaven voor de plaatsing van zonnecelpanelen voor het omzetten van zonne-energie in elektrische energie ;
- uitgaven voor plaatsing van alle andere uitrustingen voor geothermische energieopwekking.
Deze beperkende maatregel die aanleiding geeft tot een aanpassing van artikel 145^24, § 1, tweede lid, WIB 92, beoogt niet de oude woningen (woningen die minstens vijf jaar voor de aanvang van de werken voor het eerst in gebruik zijn genomen) en zal van toepassing zijn op de uitgaven die worden betaald vanaf 1-1-2010.
Verhoogde belastingvermindering
De verhoging van 600 EUR (niet-geïndexeerd bedrag) vermeld in artikel 145^24, § 1, vierde lid, WIB 92 wordt beperkt tot de uitgaven voor de installatie van fotovoltaïsche zonnepanelen (maatregel opgenomen in artikel 145^24, § 1, eerste lid, 3°, WIB 92) en de uitgaven voor de installatie van thermische panelen worden voortaan uitgesloten van de verhoging. Deze maatregel zal in werking treden vanaf aj. 2012.
Passiefwoning – lage energiewoning – nul energiewoning
In navolging van de maatregel voor passiefwoningen bedoeld in artikel 145^24, § 2, WIB 92, wordt een fiscale stimulans gegeven voor het bouwen van een “lage energiewoning” of een “nul energiewoning” of het verbouwen van een onroerend goed tot een dergelijke woning.
Onder “nul energiewoning” wordt een in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen woning verstaan, die voldoet aan de voorwaarden van een passiefwoning en waarin de resterende energievraag voor ruimteverwarming en koeling volledig wordt gecompenseerd door ter plaatse opgewekte energie. De Koning bepaalt op welke wijze de opwekking van hernieuwbare energie wordt in aanmerking genomen voor compensatie. Dit besluit was nog niet getroffen op het ogenblik van de publicatie van deze circulaire. De belastingvermindering bedraagt 1.200 EUR (niet-geïndexeerd bedrag) per belastbaar tijdperk en per woning voor de “nul energiewoningen”.
Onder “lage energiewoning” wordt een in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen woning verstaan, waarvan de totale energievraag voor ruimteverwarming en koeling 30 kWh/m² geklimatiseerde ruimte niet overschrijdt. De belastingvermindering bedraagt 300 EUR (niet-geïndexeerd bedrag) per belastbaar tijdperk en per woning voor de “lage energiewoningen”.
In beide gevallen wordt de belastingvermindering toegekend gedurende 10 opeenvolgende belastbare tijdperken vanaf het belastbaar tijdperk waarin is vastgesteld dat de woning hetzij een “lage energiewoning”, hetzij een “nul energiewoning” is. Deze vaststelling moet ook blijken uit een certificaat dat wordt afgeleverd door een door de Koning erkende instelling, een bevoegde gewestelijke administratie of een gelijkwaardige instelling of administratie in de Europese Economische Ruimte.
Bovendien wordt, wanneer tijdens één van die 10 belastbare tijdperken uit een nieuw certificaat blijkt dat de woning aan strengere eisen voldoet, vanaf dat belastbaar tijdperk de daarmee corresponderende hogere belastingvermindering verleend en dit voor de resterende belastbare tijdperken. Zo zal voor een lage energiewoning waarvoor in het vijfde belastbaar tijdperk dat de vermindering loopt een certificaat “passiefwoning” wordt uitgereikt, vanaf dat belastbare tijdperk de belastingvermindering worden verleend van 600 EUR (niet-geïndexeerd bedrag) en dit tot en met het tiende belastbaar tijdperk. Deze nieuwe maatregelen treden in werking vanaf aj. 2011.
Overdracht van de vermindering – omzetting in een belastingkrediet
Het mechanisme van de overdracht van de belastingvermindering voor energiebesparende maatregelen werd ingevoerd in het kader van de economische herstelwet van 27-3-2009 (BS 7-4-2009, ed. 1). Wanneer het totaal van de belastingverminderingen het grensbedrag van de vermindering overschrijdt, wordt het overschot overgedragen op de drie belastbare tijdperken volgend op het tijdperk waarin de uitgaven werkelijk werden gedaan. Deze overdracht is echter enkel mogelijk als de energiebesparende uitgaven betrekking hebben op werken uitgevoerd aan een woning die sedert minstens vijf jaar in gebruik is genomen (artikel 145^24, § 1, vijfde lid, WIB 92).
De PW 23-12-2009 voegt nu in artikel 145^24, § 1, WIB 92, een bepaling in die aan de Koning de delegatie verleent om de volgorde te bepalen waarin de verschillende verminderingen moeten worden aangerekend. Het KB van 8-2-2010 (BS 12-2-2010) werd met dit doel genomen.
In het kader van de genoemde herstelwet werd tevens een maatregel ingevoerd die toelaat de belastingvermindering voor uitgaven voor de isolatie van daken, vloeren en muren om te zetten in een terugbetaalbaar belastingkrediet. Deze tijdelijke maatregel is van toepassing op de uitgaven voor de isolatie van daken, vloeren en muren die werkelijk worden betaald in 2009 en 2010.
De PW 23-12-2009 verlengt de genoemde maatregel tot de uitgaven gedaan in de belastbare tijdperken 2011 en 2012. Tevens wordt dit mechanisme van het belastingkrediet verder uitgebreid tot andere energiebesparende uitgaven, met name de vervanging van oude stookketels en het onderhoud van een stookketel, de plaatsing van dubbel glas en van een warmteregeling voor centrale verwarming en het uitvoeren van een energie-audit. Deze uitgebreide maatregel blijft een tijdelijke maatregel en zal van toepassing zijn op de uitgaven die daadwerkelijk worden betaald in 2010, 2011 en 2012. Bovendien wordt voortaan uitdrukkelijk bepaald dat de omzetting in een belastingkrediet ook geldt voor overgedragen belastingverminderingen.
D. Inwerkingtreding
De volgorde van aanrekening van de verschillende belastingverminderingen in het kader van de overdracht van het overschot is van toepassing vanaf aj. 2010 (artikel 121, c, PW 23-12-2009 en KB van 8-2-2010).
De vereiste om, teneinde de belastingvermindering te kunnen verkrijgen, de werken die betrekking hebben op het eerste lid, 1° en 4° tot 7° van artikel 145^24, WIB 92, uit te voeren in een woning waarvan de eerste ingebruikname minstens vijf jaar voorafgaat aan de aanvang van deze werken, is van toepassing op de uitgaven die werkelijk zijn betaald vanaf 1-1-2010
De opheffing van de vermeerdering met 600 EUR (niet-geïndexeerd bedrag) met betrekking tot de installatie van een systeem van waterverwarming door middel van zonne-energie, bedoeld in artikel 145^24, § 1, WIB 92, is van toepassing vanaf aj. 2012.
De wijzigingen aangebracht aan artikel 145^24, § 2, WIB 92, met betrekking tot de “lage energiewoningen”, passiefwoningen of “nul energiewoningen”, treden in werking vanaf aj. 2011.
Artikel 156bis, eerste lid, 2°, WIB 92, dit is de omzetting in een belastingkrediet van de belastingvermindering voor de isolatie van daken, muren en vloeren die geen aanleiding hebben gegeven tot een werkelijke belastingvermindering, is van toepassing op uitgaven die werkelijk zijn betaald tijdens de belastbare tijdperken 2009 tot 2012.
Artikel 156bis, eerste lid, 3°, WIB 92, dit is de overdracht en omzetting in een terugbetaalbaar belastingkrediet van de vermindering met betrekking tot het vervangen van stookketels, de plaatsing van dubbel glas, de plaatsing van thermostatische kranen en de energie-audit en die geen aanleiding hebben gegeven tot een werkelijke belastingvermindering, is van toepassing op de werkelijk betaalde uitgaven tijdens de belastbare tijdperken 2010 tot 2012.
IV. STEUN AAN DE LANDBOUW
A. Wettekst
(…)
Art. 137. § 1. Voor de toepassing van de personenbelasting en, voor de in artikel 227, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde belastingplichtigen, van de belasting van niet inwoners, zijn kapitaal- en interestsubsidies die tijdens de jaren 2008 tot 2010, met inachtneming van de Europese reglementering inzake staatssteun, door de bevoegde gewestelijke instellingen aan landbouwers worden betaald in het raam van de steun aan de landbouw, om immateriële en materiële vaste activa aan te schaffen of tot stand te brengen, vrijgestelde inkomsten ten name van deze laatste.
§ 2. In geval van vervreemding van één van de in § 1, vermelde vaste activa, anders dan bij schadegeval, onteigening, opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis, die gedurende de eerste drie jaren van de investering plaatsvindt, wordt de vrijstelling met betrekking tot dat vast actief niet meer verleend vanaf het belastbaar tijdperk waarin de vervreemding heeft plaatsgevonden en wordt het bedrag van de voorheen vrijgestelde winst geacht een winst te zijn van dit belastbaar tijdperk.
Art. 138. In afwijking van artikel 171, 4°, i, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, worden de zoogkoeienpremies en de premies in het kader van de bedrijfstoeslagrechten ingesteld door de Europese Gemeenschappen als steunregeling voor de landbouwsector die tijdens de jaren 2008 tot 2010 worden betaald, belast tegen een aanslagvoet van 12,5 pct. behalve wanneer de aldus berekende belasting, vermeerderd met de belasting betreffende de andere inkomsten, meer bedraagt dan die welke zou voortvloeien uit de toepassing van de artikelen 130 tot 168 van hetzelfde Wetboek op het geheel van de belastbare inkomsten.
Voor de vestiging van de belasting, worden de in het eerste lid bedoelde inkomsten op dezelfde manier behandeld als de in artikel 171, 4°, i, van hetzelfde Wetboek bedoelde inkomsten.
(...)
Art. 141. Artikel 137 is van toepassing op de kapitaal- en interestsubsidies die in 2008, 2009 en 2010 worden betaald.
Artikel 138 is van toepassing op de premies die in 2008, 2009 en 2010 worden betaald.
(...)
B. Commentaar
De wereldwijde crisis woog en weegt nog steeds bijzonder zwaar op de internationale voedselprijzen. Onze landbouwers maken dan ook de zwaarste crisis door sedert decennia. Er zijn daarom, na overleg met de gewesten, specifieke maatregelen genomen ter ondersteuning van de landbouwers, met name een verlaging van de fiscaliteit op de Europese steunmaatregelen, eerste en tweede pijler, voor de landbouw (bedrijfstoeslagrechten, zoogkoeien en investeringssteun).
Vooreerst worden de kapitaal- en interestsubsidies die in 2008, 2009 en 2010 door de gewesten aan de landbouw worden verleend, vrijgesteld in de PB en BNI/nat. pers.
Deze vrijstelling is evenwel onderworpen aan de voorwaarde dat het actief waarvoor de subsidies worden verleend minstens 3 jaar in de onderneming blijft, zoniet wordt de vrijstelling ongedaan gemaakt vanaf het aanslagjaar verbonden aan het belastbaar tijdperk waarin de vervreemding heeft plaatsgevonden en voor de volgende aanslagjaren.
Naast de vrijstelling van kapitaal- en interestsubsidies, stelt de regering ook voor om de rechtstreekse inkomenssteun (= eerste pijler) die in 2008, 2009 en 2010 wordt betaald onder de vorm van zoogkoeienpremies en de premies in het kader van de bedrijfstoeslagrechten in de PB en de BNI/nat. pers. te belasten aan een afzonderlijk tarief van 12,5 pct. in plaats van 16,5 pct. tenzij de globalisatie voordeliger is. Behalve die aanslagvoet blijven alle regels die van toepassing zijn op de in artikel 171, 4°, i, WIB 92 bedoelde inkomsten van toepassing op de in artikel 138, PW 23-12-2009 bedoelde inkomsten.
Een bericht aangaande de toepassing van het specifiek fiscaal stelsel in het kader van de steun aan de landbouw bedoeld in de artikelen 137 tot 141 van de programmawet werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 15-1-2010, en is opgenomen bij deze circulaire als bijlage 2.
C. Inwerkingtreding
De vrijstelling in de PB en BNI/nat. pers. vermeld in artikel 137 van de programmawet is van toepassing op de kapitaal- en interestsubsidies betaald in 2008, 2009 en 2010.
De afzonderlijke taxatie aan het tarief van 12,5 pct. is van toepassing op de premies betaald in 2008, 2009 en 2010.
V. DIVERSE WIJZIGINGEN
1. Wijzigingen aan artikel 36, WIB 92.
A. Wettekst
(…)
Art. 114. Artikel 36 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Bij de vaststelling van het voordeel van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig houdt de Koning evenwel rekening met het aantal voor persoonlijk gebruik afgelegde kilometers, het type van brandstofvoorziening van de motor en het CO2-uitstootgehalte van het voertuig.".
(…)
Art. 126. (…)
De artikelen 114 en 117 treden in werking op 1 januari 2010.
(…)
B. Reglementaire bepaling
Koninklijk besluit van 10 januari 2010 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de voordelen van alle aard
Artikel 1. In het opschrift van hoofdstuk 1, afdeling VII, van het KB/WIB 92 worden de woorden “(Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 36, tweede lid)” vervangen door de woorden “(Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 36, tweede en derde lid)”.
Art. 2. Artikel 18, § 3, punt 9, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 7 december 1998 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 7 december 1998, 20 juli 2000 en 13 juli 2001, wordt vervangen als volgt :
“9. Persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig als bedoeld in artikel 65 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 :
Het voordeel is gelijk aan het aantal voor persoonlijk gebruik afgelegde kilometers vermenigvuldigd met het CO2-uitstootgehalte per kilometer van het kosteloos ter beschikking gestelde voertuig, vervolgens vermenigvuldigd met de coëfficiënt CO2eur.
De CO2eur-coëfficiënt bedraagt 0,00210 EUR per gram CO2 voor voertuigen met een benzine-, LPG- of aardgasmotor, en 0,00230 EUR per gram CO2 voor voertuigen met dieselmotor.
De voertuigen waarvoor geen gegevens met betrekking tot de CO2-uitstootgehaltes beschikbaar zijn bij de dienst voor inschrijving van de voertuigen, worden, indien ze worden aangedreven door een benzine-, LPG- of aardgasmotor, gelijkgesteld met de voertuigen met een CO2-uitstootgehalte van 205 g/km, en, indien ze worden aangedreven door een dieselmotor, met de voertuigen met een CO2-uitstootgehalte van 195 g/km.
Voor de vaststelling van het voordeel mag het aantal kilometers voor een jaar evenwel niet lager zijn dan
5.000 en, per weerhouden kilometer, mag het voordeel niet lager zijn dan 0,10 EUR.
De in het tweede lid opgenomen bedragen worden gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand oktober 2009 (111,07, basis 2004). Deze bedragen worden elk jaar op
1 januari aangepast volgens de volgende formule : elk basisbedrag wordt vermenigvuldigd met het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar tijdens hetwelk het nieuwe bedrag van toepassing zal zijn en gedeeld door het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand oktober 2009.
De geïndexeerde bedragen worden afgerond tot op een honderdduizendste van een euro naargelang het cijfer van de miljoensten al of niet 5 bereikt.”.
Art. 3. Afdeling III van bijlage I van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 7 december 1998 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 27 januari 2000, 2 februari 2001, 13 juli
2001, 4 maart 2002, 28 februari 2003, 10 februari 2004, 21 januari 2005, 17 februari 2006, 31 januari
2007, 10 februari 2008 en 20 januari 2009, wordt opgeheven.
Art. 4. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2010.
(…)
C. Commentaar
Om voortaan een berekeningswijze van de voordelen van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig toe te laten in functie van de CO2-uitstoot, heeft het artikel 36, WIB 92 enkele aanpassingen ondergaan.
Het onder B weergegeven KB past die nieuwe berekeningswijze reeds toe voor de berekening van het genoemde voordeel van alle aard vanaf 1-1-2010.
D. Inwerkingtreding
De wijziging van artikel 36, WIB 92 treedt in werking op 1-1-2010
2. Wijzigingen aan artikel 51, WIB 92
A. Wettekst
(…)
Art. 115. In artikel 51 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992 en 6 juli 1994, bij de koninklijke besluiten van 20 december 1996, 20 juli 2000 en 13 juli 2001, bij de wetten van
10 augustus 2001 en 24 december 2002, en bij de koninklijke besluiten van 29 november 2006, 23 maart 2007 en 6 april 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid, 2°, worden de woorden “5 pct.” vervangen door de woorden “3 pct.”;
2° in het derde lid, worden de woorden “in het tweede lid, 1° tot 4°.” vervangen door de woorden “in het tweede lid, 1°, 3° en 4°, noch meer dan 1.555,50 euro voor het geheel van de inkomsten als vermeld in het tweede lid, 2°.”.
(…)
Art. 126. De artikelen 115 en 121, d), tot h), zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2011.
(…)
B. Commentaar
Deze maatregel strekt ertoe de forfaitaire beroepskosten voor bedrijfsleiders terug te brengen van 5 pct. naar 3 pct en het maximum aftrekbare bedrag tot 1.555,50 EUR, teneinde zoveel mogelijk de dubbele aftrek van beroepskosten te beperken.
De wetgever is van de veronderstelling uitgegaan dat de beperking van de forfaitaire aftrek de bedrijfsleiders ertoe zal aanzetten om hun kosten werkelijk te bewijzen.
C. Inwerkingtreding
De wijzigingen aan artikel 51, WIB 92 zijn van toepassing vanaf het aj. 2011.
3. Wijzigingen aan artikel 66, WIB 92
A. Wettekst
Art. 117. Artikel 66, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 december 2008, wordt vervangen als volgt :
“§ 1. Beroepskosten met betrekking tot het gebruik van de in artikel 65 bedoelde voertuigen zijn slechts tot 75 pct. aftrekbaar.”.
(…)
Art. 126. De artikelen 114 en 117 treden in werking op 1 januari 2010.
(…)
B. Commentaar
In het kader van de groene fiscaliteit streeft de regering een zuinigere mobiliteitspolitiek na waarbij verplaatsingen worden beperkt en waarbij het gebruik van andere vervoersmiddelen dan de auto wordt aangemoedigd.
Momenteel is het zo dat met uitzondering van de brandstofkosten, beroepskosten met betrekking tot het gebruik van de andere dan uitsluitend voor bezoldigd vervoer van personen gebruikte personenauto’s, auto’s voor dubbel gebruik en minibussen, zoals deze zijn omschreven in de reglementering inzake inschrijving van motorvoertuigen, met inbegrip van de lichte vrachtauto’s bedoeld in artikel 4, § 3, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, slechts tot 75 pct. aftrekbaar zijn.
Deze maatregel werd indertijd ingevoerd teneinde het in kosten brengen van extreem dure wagens te beperken.
In het kader van de zorg om het milieu is het evenwel niet meer te verantwoorden een uitzondering te maken voor de aftrekbaarheid van de brandstofkosten.
Daarom beperkt deze bepaling de aftrekbaarheid van de brandstofkosten eveneens tot 75 pct. Dit is ingegeven door de wens de bedrijven er toe aan te zetten meer gebruik te maken van alternatieve oplossingen.
C. Inwerkingtreding
Deze maatregel treedt in werking op 1-1-2010.
Bijlage 2
Bericht gepubliceerd in het BS van 15 januari 2010, ed. 1, betreffende de toepassing van het specifieke belastingstelsel in het kader van de steun aan de landbouw als bedoeld in de artikelen 137 tot 141 van de programmawet van 23 december 2009 voor de aanslagjaren 2008
en 2009.
I. INLEIDING
De artikelen 137 tot 141 van de programmawet van 23 december 2009 (Belgisch Staatsblad van 30 december 2009, 1e editie) hebben een specifiek belastingstelsel ingevoerd voor bepaalde vormen van steun aan de landbouw die in de jaren 2008 tot 2010 worden betaald of toegekend. Het koninklijk besluit van 10 januari 2010 legt overeenkomstig artikel 140 van de voormelde programmawet het model vast van de formulieren die belastingplichtigen die voor de aanslagjaren 2008 (voor de rechtspersonen) en 2009 (voor rechtspersonen en natuurlijke personen) de toepassing wensen van dat specifiek fiscaal stelsel voor steunmaatregelen aan de landbouw, aan de administratie moeten overmaken.
Er werden drie formulieren vastgelegd :
- een formulier tot rechtzetting van de aangifte in de personenbelasting van het aanslagjaar 2009 (inkomsten van het jaar 2008) (bijlage 1 bij het genoemde koninklijk besluit);
- een formulier tot rechtzetting van de aangifte in de belasting van niet-inwoners (natuurlijke personen) van het aanslagjaar 2009 (inkomsten van het jaar 2008) (bijlage 2 bij het genoemde koninklijk besluit);
- een formulier voor de toepassing van het specifieke belastingstelsel in het kader van de steun aan de landbouw in de vennootschapsbelasting en in de belasting van niet-inwoners (vennootschappen) (bijlage 3 bij het genoemde koninklijk besluit).
De formulieren evenals de toelichting erbij worden ter beschikking gesteld op de site www.minfin.fgov.be
De belastingplichtige kan ook een exemplaar van het formulier en de toelichting vragen aan de dienst waarnaar hij het formulier moet zenden.
II. TOELICHTING BIJ HET FORMULIER TOT RECHTZETTING VAN DE AANGIFTE IN DE PERSONENBELASTING VAN HET AANSLAGJAAR 2009 (INKOMSTEN VAN HET JAAR 2008)
A. Inleiding
Het belastingstelsel van bepaalde premies en subsidies die in 2008 werden betaald aan landbouwers die in de personenbelasting belastbaar zijn, werd gewijzigd door de artikelen 137, 138, 140 en 141 van de programmawet van 23 december 2009 (Belgisch Staatsblad van 30 december 2009, 1e editie).
Die wijzigingen vereisen een aanpassing van de vakken XVII en XXI van de aangifte in de personenbelasting van het aanslagjaar 2009 (inkomsten van het jaar 2008).
Aangezien die wijzigingen een invloed kunnen hebben op de bedragen die zijn aangegeven in andere rubrieken dan deze die rechtstreeks beoogd zijn (met name de rubrieken 1, 6 a en 7 c van vak XVII en 3,
4 en 7 b van vak XXI), worden de vakken XVII en XXI in hun geheel hernomen in het formulier tot rechtzetting van de aangifte.
Omdat die nieuwe maatregelen ook een weerslag kunnen hebben op bedragen die al dan niet zijn aangegeven in rubrieken van andere vakken van de aangifte, werd aan het formulier een vak XXIV toegevoegd.
B. Kapitaal- en interestsubsidies
1. Vrijstelling
De kapitaal- en interestsubsidies die in 2008 (en in 2009 en 2010), met inachtneming van de Europese reglementering inzake staatssteun, door de bevoegde gewestelijke instellingen aan landbouwers worden betaald in het raam van de steun aan de landbouw, om immateriële en materiële vaste activa aan te schaffen of tot stand te brengen, zijn vrijgesteld ten name van die landbouwers.
Wat dergelijke in 2008 betaalde kapitaalsubsidies betreft, moet het gedeelte dat overeenkomstig artikel 362 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 in principe aan de belastbare winst (betreffende het jaar 2008) moet worden toegevoegd, dus niet worden aangegeven voor het aanslagjaar 2009. Dit vrijgesteld gedeelte moet derhalve niet op het formulier worden vermeld.
Wat dergelijke in 2008 betaalde interestsubsidies betreft, moet een onderscheid worden gemaakt naargelang de werkwijze die bij het invullen van de initiële aangifte werd gevolgd :
a) de interestsubsidies maken deel uit van de brutowinst van de exploitatie en het brutobedrag van de verschuldigde interesten is opgenomen in de beroepskosten : in het formulier moet de brutowinst van de exploitatie worden verminderd met het bedrag van de interesten die in 2008 als subsidies zijn ontvangen (het bedrag van de beroepskosten moet ongewijzigd worden overgenomen);
b) de interestsubsidies zijn niet opgenomen in de brutowinst van de exploitatie en slechts het nettobedrag van de verschuldigde interesten is in de beroepskosten opgenomen : in het formulier moet het bedrag van de beroepskosten worden verhoogd met het bedrag van de interesten die in 2008 als subsidies zijn ontvangen (de brutowinst van de exploitatie moet ongewijzigd worden overgenomen).
2. Terugneming van de vrijstelling
Ter informatie wordt de aandacht erop gevestigd dat ingeval van vrijwillige vervreemding van één van de in B.1, eerste lid, vermelde vaste activa (dus anders dan bij schadegeval, onteigening, opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis) gedurende de eerste drie jaren van de investering, de vrijstelling met betrekking tot dat actief niet meer wordt verleend vanaf het belastbaar tijdperk waarin de vervreemding heeft plaatsgevonden en het bedrag van de voorheen vrijgestelde winst wordt geacht een winst van dat belastbaar tijdperk te zijn.
C. Premies die afzonderlijk belastbaar zijn tegen 12,5 pct.
De zoogkoeienpremies en de premies in het kader van de bedrijfstoeslagrechten ingesteld door de Europese Gemeenschappen als steunregeling voor de landbouwsector die in 2008 (en in 2009 en 2010) worden uitbetaald, zijn in principe afzonderlijk belastbaar tegen 12,5 pct.
Dergelijke premies moeten worden vermeld in de rubriek 6, d van vak XVII of 3, a van vak XXI van het formulier, al naargelang ze tijdens of na de uitoefening van de beroepswerkzaamheid belastbaar zijn.
De andere premies die zijn ingesteld door de Europese Gemeenschappen als steunregeling voor de landbouwsector blijven in principe afzonderlijk belastbaar tegen 16,5 pct. en moeten worden aangegeven in de rubriek 6, a van vak XVII of 3, b van vak XXI van het formulier, al naargelang ze tijdens of na de uitoefening van de beroepswerkzaamheid belastbaar zijn.
D. Formaliteiten
De landbouwer die in 2008 één of meerdere premies of subsidies heeft ontvangen zoals bedoeld in B. 1, eerste lid en C, eerste lid, hiervoor, moet alle in zijn hoofde toepasselijke rubrieken van de vakken XVII en XXI van het formulier invullen (en dus niet alleen deze waarop de beoogde wijzigingen rechtstreeks betrekking hebben), rekening houdende, enerzijds, met de uitleg die bij die vakken is gegeven in de toelichting bij deel 2 van de aangifte in de personenbelasting van het aanslagjaar 2009 en, anderzijds, met de hiervoor verstrekte uitleg.
De partner van de in het vorige lid beoogde landbouwer die ook winsten heeft behaald die in de vakken XVII en XXI van de aangifte werden vermeld, moet eveneens alle op hem toepasselijke rubrieken van de vakken XVII en XXI van dat formulier invullen, zelfs indien hij geen landbouwer is.
De aandacht van de belastingplichtige wordt erop gevestigd dat indien hij van oordeel is dat er, ten gevolge van de in B en C hiervoor aangehaalde wijzigingen, nog andere rubrieken van zijn aangifte in de personenbelasting van het aanslagjaar 2009 moeten worden gewijzigd, hij dit in vak XXIV van het formulier moet vermelden.
Het formulier tot rechtzetting van de aangifte moet, behoorlijk ingevuld en ondertekend, worden toegezonden aan de aanslagdienst van de landbouwer (het adres kan steeds worden geraadpleegd op www.myminfin.be, na authentificatie, onder de rubriek Contactpunten - controle der belastingen).
Personen die een gezamenlijke aangifte moeten indienen, moeten beiden het formulier tot rechtzetting van de aangifte ondertekenen, zelfs indien slechts één van hen de vakken XVII, XXI en/of XXIV heeft ingevuld.
Het formulier vormt vanaf de datum van de indiening ervan een integrerend deel van het aangifteformulier personenbelasting van het desbetreffende aanslagjaar.
III. TOELICHTING BIJ HET FORMULIER TOT RECHTZETTING VAN DE AANGIFTE IN DE BELASTING VAN NIET-INWONERS (NATUURLIJKE PERSONEN) VAN HET AANSLAGJAAR 2009 (INKOMSTEN VAN HET JAAR 2008
A. Inleiding
Het belastingstelsel van bepaalde premies en subsidies die in 2008 werden betaald aan landbouwers die in de belasting van niet-inwoners (natuurlijke personen) belastbaar zijn, werd gewijzigd door de artikelen 137, 138, 140 en 141 van de programmawet van 23 december 2009 (Belgisch Staatsblad van 30 december 2009, 1e editie).
Die wijzigingen vereisen een aanpassing van de vakken XV en XIX van de aangifte in de belasting van niet-inwoners (natuurlijke personen) van het aanslagjaar 2009 (inkomsten van het jaar 2008).
Aangezien die wijzigingen een invloed kunnen hebben op de bedragen die zijn aangegeven in andere rubrieken dan deze die rechtstreeks beoogd zijn (met name de rubrieken 1, 6 a en 7 c van vak XV en 3,
4 en 7 b van vak XIX), worden de vakken XV en XIX in hun geheel hernomen in het formulier tot rechtzetting van de aangifte.
Omdat die nieuwe maatregelen ook een weerslag kunnen hebben op bedragen die al dan niet zijn aangegeven in rubrieken van andere vakken van de aangifte, werd aan het formulier een vak XXI toegevoegd.
B. Kapitaal- en interestsubsidies
1. Vrijstelling
De kapitaal- en interestsubsidies die in 2008 (en in 2009 en 2010), met inachtneming van de Europese reglementering inzake staatssteun, door de bevoegde gewestelijke instellingen aan landbouwers worden betaald in het raam van de steun aan de landbouw, om immateriële en materiële vaste activa aan te schaffen of tot stand te brengen, zijn vrijgesteld ten name van die landbouwers.
Wat dergelijke in 2008 betaalde kapitaalsubsidies betreft, moet het gedeelte dat overeenkomstig artikel 362 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 in principe aan de belastbare winst (betreffende het jaar 2008) moet worden toegevoegd, dus niet worden aangegeven voor het aanslagjaar 2009. Dit vrijgesteld gedeelte moet derhalve niet op het formulier worden vermeld.
Wat dergelijke in 2008 betaalde interestsubsidies betreft, moet een onderscheid worden gemaakt naargelang de werkwijze die bij het invullen van de initiële aangifte werd gevolgd :
a) de interestsubsidies maken deel uit van de brutowinst van de exploitatie en het brutobedrag van de verschuldigde interesten is opgenomen in de beroepskosten : in het formulier moet de brutowinst van de exploitatie worden verminderd met het bedrag van de interesten die in 2008 als subsidies zijn ontvangen (het bedrag van de beroepskosten moet ongewijzigd worden overgenomen);
b) de interestsubsidies zijn niet opgenomen in de brutowinst van de exploitatie en slechts het nettobedrag van de verschuldigde interesten is in de beroepskosten opgenomen : in het formulier moet het bedrag van de beroepskosten worden verhoogd met het bedrag van de interesten die in 2008 als subsidies zijn ontvangen (de brutowinst van de exploitatie moet ongewijzigd worden overgenomen).
2. Terugneming van de vrijstelling
Ter informatie wordt de aandacht erop gevestigd dat ingeval van vrijwillige vervreemding van één van de in B.1, eerste lid, vermelde vaste activa (dus anders dan bij schadegeval, onteigening, opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis) gedurende de eerste drie jaren van de investering, de vrijstelling met betrekking tot dat actief niet meer wordt verleend vanaf het belastbaar tijdperk waarin de vervreemding heeft plaatsgevonden en het bedrag van de voorheen vrijgestelde winst wordt geacht een winst van dat belastbaar tijdperk te zijn.
C. Premies die afzonderlijk belastbaar zijn tegen 12,5 pct.
De zoogkoeienpremies en de premies in het kader van de bedrijfstoeslagrechten ingesteld door de Europese Gemeenschappen als steunregeling voor de landbouwsector die in 2008 (en in 2009 en 2010) worden uitbetaald, zijn in principe afzonderlijk belastbaar tegen 12,5 pct.
Dergelijke premies moeten worden vermeld in de rubriek 6, d van vak XV of 3, a van vak XIX van het formulier, al naargelang ze tijdens of na de uitoefening van de beroepswerkzaamheid belastbaar zijn.
De andere premies die zijn ingesteld door de Europese Gemeenschappen als steunregeling voor de landbouwsector blijven in principe afzonderlijk belastbaar tegen 16,5 pct. en moeten worden aangegeven in de rubriek 6, a van vak XV of 3, b van vak XIX van het formulier, al naargelang ze tijdens of na de uitoefening van de beroepswerkzaamheid belastbaar zijn.
D. Formaliteiten
De landbouwer die in 2008 één of meerdere premies of subsidies heeft ontvangen zoals bedoeld in B.1, eerste lid en C, eerste lid, hiervoor, moet alle in zijn hoofde toepasselijke rubrieken van de vakken XV en XIX van het formulier invullen (en dus niet alleen deze waarop de beoogde wijzigingen rechtstreeks betrekking hebben), rekening houdende, enerzijds, met de uitleg die bij die vakken is gegeven in de toelichting bij deel 2 van de aangifte in de belasting van niet-inwoners (natuurlijke personen) van het aanslagjaar 2009 en, anderzijds, met de hiervoor verstrekte uitleg.
De partner van de in het vorige lid beoogde landbouwer die ook winsten heeft behaald die in de vakken XV en XIX van de aangifte werden vermeld, moet eveneens alle op hem toepasselijke rubrieken van de vakken XV en XIX van het formulier invullen, zelfs indien hij geen landbouwer is.
De aandacht van de belastingplichtige wordt erop gevestigd dat indien hij van oordeel is dat er, ten gevolge van de in B en C hiervoor aangehaalde wijzigingen, nog andere rubrieken van zijn aangifte in de belasting van niet-inwoners (natuurlijke personen) van het aanslagjaar 2009 moeten worden gewijzigd, hij dit in vak XXI van het formulier moet vermelden.
Het formulier tot rechtzetting van de aangifte moet, behoorlijk ingevuld en ondertekend, worden toegezonden aan de Inspectie A Brussel Buitenland, Koning Albert II-laan 33, bus 322, te 1030 Brussel.
Personen die een gezamenlijke aangifte moeten indienen, moeten beiden het formulier tot rechtzetting van de aangifte ondertekenen, zelfs indien slechts één van hen de vakken XV, XIX en/of XXI heeft ingevuld.
Het formulier vormt vanaf de datum van de indiening ervan een integrerend deel van het aangifteformulier belasting niet-inwoners (natuurlijke personen) van het desbetreffende aanslagjaar.
IV. TOELICHTING BIJ HET FORMULIER VOOR DE TOEPASSING VAN HET SPECIFIEKE BELASTINGSTELSEL IN HET KADER VAN DE STEUN AAN DE LANDBOUW IN DE VENNOOTSCHAPSBELASTING EN IN DE BELASTING VAN NIET-INWONERS (VENNOOTSCHAPPEN)
Inleiding
Het formulier is bestemd om, overeenkomstig artikel 140 van de Programmawet van 23 december 2009 voor de aanslagjaren 2008 en 2009 de toepassing te vragen van het verlaagd tarief van 5 pct. in de vennootschapsbelasting en de belasting van niet-inwoners (vennootschappen) voor de kapitaal- en interestsubsidies zoals bedoeld in artikel 139 van dezelfde wet.
De bedoelde kapitaal- en interestsubsidies moeten zijn toegekend om afschrijfbare immateriële en materiële vaste activa aan te schaffen of tot stand te brengen die niet als herbelegging worden aangemerkt krachtens de artikelen 44bis, 44ter, 47 en 194quater van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Ingeval van vervreemding van een hiervoor bedoeld vast actief, anders dan bij schadegeval, onteigening, opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis, die gedurende de eerste drie jaren van de investering plaatsvindt, wordt de verlaagde belasting met betrekking tot dat actief niet meer verleend vanaf het belastbaar tijdperk waarin de vervreemding heeft plaatsgevonden.
Toelichting
A. Datum van de betekening van de subsidies
In kolom A van het formulier de datum van de betekening vermelden van de in kolom E bedoelde kapitaal- en interestsubsidies die in 2008 of 2009 werden toegekend, voor zover die subsidies ten vroegste op 1 januari 2008 zijn betekend.
B. Datum van de toekenning van de subsidies
In kolom B van het formulier de datum(s) vermelden van de toekenning van de kapitaal- en interestsubsidies.
C. Aanschaffingswaarde van het gesubsidieerde actief
In kolom C van het formulier het bedrag vermelden van de aanschaffingswaarde van de afschrijfbare immateriële en materiële vaste activa.
D. Fiscaal aangenomen afschrijvingen op het gesubsidieerde actief In kolom D van het formulier de fiscaal aangenomen afschrijvingen vermelden op de in C hiervoor bedoelde vaste activa. Die kolom moet niet worden ingevuld voor wat betreft de interestsubsidies.
E. Bedrag van de subsidies
In kolom E van het formulier het bedrag van de kapitaal- of interestsubsidies vermelden die, met inachtneming van de Europese reglementering inzake staatssteun, door de bevoegde gewestelijke instellingen aan de landbouwers in 2008 of in 2009 werden toegekend in het raam van de steun aan de landbouw, en dit om immateriële en materiële vaste activa aan te schaffen of tot stand te brengen.
F. Bedrag belastbaar tegen het tarief van 5 pct.
In kolom F van het formulier het bedrag vermelden van de kapitaal- en interestsubsidies, dat begrepen is in het resultaat van het belastbaar tijdperk (zie de codes 062/063 van vak IV van het aangifteformulier vennootschapsbelasting of belasting van niet-inwoners (vennootschappen)).
Het hiervoor bedoeld bedrag van de kapitaal- en interestsubsidies wordt belast tegen het verlaagd tarief van 5 pct.
Formaliteiten
Om voor het aanslagjaar 2008 of 2009 het specifieke belastingstelsel te verkrijgen, dient de belastingplichtige het behoorlijk ingevuld, gedateerd en ondertekend formulier in bij de bevoegde taxatiedienst.
Het formulier vormt vanaf de datum van de indiening ervan een integrerend deel van het aangifteformulier vennootschapsbelasting of belasting van niet-inwoners (vennootschappen) van het desbetreffende aanslagjaar.
V. TOEPASSING VAN HET SPECIFIEKE BELASTINGSTELSEL IN HET KADER VAN DE STEUN AAN DE LANDBOUW : VESTIGING VAN DE AANSLAG - AMBTSHALVE ONTHEFFING - INDIENEN VAN DE AANGIFTE
Wanneer voor het aanslagjaar waarvoor de toepassing van het specifieke belastingstelsel wordt gevraagd, reeds een aangifte is ingediend, maar op grond van die aangifte nog geen aanslag werd gevestigd, worden de gegevens van de initiële aangifte aangepast rekening houdend met de gegevens vermeld in het formulier ad hoc. De administratie zal, overeenkomstig artikel 140, § 1, derde lid, van de programmawet van 23 december 2009, met deze aangepaste gegevens rekening houden bij de vestiging van de aanslag.
Wanneer voor het aanslagjaar waarvoor de toepassing van het specifieke belastingstelsel wordt gevraagd, reeds een aanslag werd gevestigd, geldt het formulier overeenkomstig artikel 140, § 2, van diezelfde wet als een verzoek tot ambtshalve ontheffing. Van zodra het berekeningsprogramma voor het betreffende aanslagjaar is aangepast, zullen deze formulieren bij voorrang worden verwerkt.
De belastingplichtige die tot op heden nog geen aangifte heeft ingediend voor het aanslagjaar 2008 of 2009 (b.v. in geval van laattijdige aangifte voor het aanslagjaar 2009 in de personenbelasting of de belasting van niet-inwoners (natuurlijke personen)) moet voor de toepassing van het specifieke belastingstelsel in het kader van de steun aan de landbouw eveneens het toepasselijke formulier vastgelegd bij het koninklijk besluit van 10 januari 2010 gebruiken. De eigenlijke aangifte in de personenbelasting, de belasting van niet-inwoners (natuurlijke personen), de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners (vennootschappen), moet verplicht worden ingevuld volgens de regels in de toelichting bij die aangiftes en de regularisatie moet gebeuren via het formulier ad hoc, ingevuld volgens de regels in de toelichting bij dit formulier. Voor de belastingplichtigen onderworpen aan de personenbelasting wordt er uitdrukkelijk op aangedrongen in een dergelijk geval zowel de eigenlijke aangifte als het formulier tot rechtzetting van de aangifte naar de aanslagdienst te sturen en niet naar de scanningcentra.
